Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AE6671

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
NABW 02/834
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Leeftijdscriterium in vakantieregeling (ex art. 9.3 Abw) in casu in strijd met discriminatieverbod.

Verweerder heeft bij besluit van 14 juni 2002 verzoeker op grond van diens arbeidsongeschiktheid geen arbeidsverplichtingen als bedoeld in. art. 113.1 Abw opgelegd.

Naar aanleiding van verzoekers aanvraag om toestemming met behoud van uitkering gedurende 21 juli 2002 tot 20 oktober 2002 in Turkije te verblijven heeft verweerder toestemming verleend om vier weken naar het buitenland te gaan. Verzoeker is van oordeel dat het gebruik van het leeftijdscriterium in de vakantieregeling in strijd is met het discriminatieverbod van art. 1 Gw en art. 26 Bupo.

Voorzieningenrechter: In casu is niet in geschil dat verzoeker verkeert in een situatie dat hij jonger is dan 57,5 jaar en dat hij vanaf 14 juni 2002 is ontheven van de verplichtingen zoals opgenomen in art. 113.1 Abw omdat onderzoek heeft uitgewezen dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt is. De ontheffing is verzoeker verleend voor de periode van 5 jaar.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verkeert verzoeker voor de toepassing van de Abw thans wel in dezelfde omstandigheden als een bijstandsgerechtigde die 57,5 jaar of ouder is. Verzoeker is niet langer voorlopig ontheven van de verplichtingen zoals opgenomen in art. 113 Abw, doch blijkens het besluit van 14 juni 2002 voor een periode van 5 jaar, na afloop waarvan verzoeker ouder is dan 57,5 jaar. Verzoeker wordt verder beschouwd als volledig arbeidsongeschikt. Aldus is de situatie van verzoeker niet een andere dan die van de bijstandsgerechtigde ouder dan 57,5 jaar die definitief is vrijgesteld van inschakeling in het arbeidsproces o.g.v. de vrijstellingsregeling in Regeling vrijstelling verplichtingen Abw.

Verweerders beroep op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (JABW 1999/54 en JABW 2001/145) slaagt niet. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat niet is gebleken dat de betrokkenen in de door verweerder genoemde uitspraken in eenzelfde situatie verkeerden als verzoeker en dat in die zaken eveneens sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Weliswaar is sprake van arbeidsongeschiktheid en ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in art. 113 Abw, maar niet blijkt dat die betrokkenen definitief en onherroepelijk zijn ontheven van die verplichtingen en dat zij moeten worden beschouwd als permanent arbeidsongeschikt.

Gelet op het hieraan voorafgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat verweerder bij de toepassing van het bepaalde in art. 1, onder a, van de vakantieregeling aan verzoeker thans niet kan tegenwerpen dat hij de leeftijd van 57,5 jaar nog niet heeft bereikt, nu het onderscheid naar leeftijd in het onderhavige geval niet op objectieve en redelijke gronden berust.

De uitvoering van het bestreden besluit dient derhalve te worden opgeschort, met dien verstande dat verzoeker bij de toepassing van art. 9 Abw en art. 1, onder a, van de Regeling wordt behandeld als een belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is.

Het college van burgemeester en wethouders van Hoorn, verweerder.

mr. M.F.G.H. Beckers

Abw 9.1.d, 113.1

Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw (Stcrt. 1998/53) 1

Regeling vrijstelling verplichtingen Abw (Stcrt. 1995/83)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2002, 182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: NABW 02/834

Inzake: A, geboren op […] 1947, wonende te B, verzoeker,

tegen: Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 12 juli 2002.

2. Zitting

Datum: dinsdag 13 augustus 2002.

Verzoeker is verschenen bij gemachtigde mr. W. Searle te Hoorn, daartoe ambtshalve opgeroepen.

Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde G.R.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente Hoorn.

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 14 juni 2002 heeft verweerder aan verzoeker onder meer het volgende medegedeeld:

"Er heeft een medisch onderzoek naar uw arbeidsgeschiktheid plaats gevonden. Het onderzoek is uitgevoerd door Argonaut. De uitslag van het onderzoek heeft uitgewezen dat u volledig arbeidsongeschikt bent. Derhalve worden de arbeidsverplichtingen van artikel 113 lid 1 Abw niet aan u opgelegd. Deze ontheffing wordt u verleend voor de periode van 5 jaar. Daarna zal uw situatie opnieuw worden beoordeeld."

Bij brief van 27 juni 2002 heeft verzoeker verweerder bericht dat hij gedurende de periode van 21 juli 2002 tot 20 oktober 2002 in Turkije zal verblijven en heeft hij verweerder verzocht om toestemming om met behoud van uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) gedurende drie maanden in het buitenland te verblijven. Een 'Aanvraagformulier verblijf buiten Nederland' is bij verweerder ontvangen op 3 juli 2002.

Bij besluit van 12 juli 2002 heeft verweerder aan verzoeker toestemming verleend om met behoud van uitkering vier weken naar het buitenland te gaan, te weten de periode 21 juli 2002 tot en met 17 augustus 2002.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 18 juli 2002 bij verweerder een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Abw ingediend.

Bij brief van (eveneens) 18 juli 2002 heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Het antwoord op de vraag of er sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening is in belangrijke mate mede afhankelijk van een -voorlopig- oordeel omtrent de vraag of op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het in de bodemprocedure bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

In artikel 7, eerste lid, van de Abw is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 9, eerste lid aanhef en onder d van de Abw heeft degene die in Nederland zijn verblijfplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand.

Deze in de artikelen 7 en 9, eerste lid aanhef en onder d van de Abw neergelegde regelgeving en onder de oude ABW totstandgekomen jurisprudentie, is een weergave van het territorialiteits-beginsel waaraan een absoluut karakter is toegekend.

In artikel 1 van de Regeling gebruikelijke vakantieduur abw (Staatscourant 1998/53, in werking getreden op 1 april 1998, hierna: de vakantieregeling) is bepaald dat onder de gebruikelijke vakantieduur bedoeld in artikel 9, eerste lid aanhef en onder d van de Abw wordt verstaan:

a. voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is: 13 weken per kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten vakantieperiode niet langer mag zijn dan 13 weken;

b. voor overige belanghebbenden: 4 weken per kalenderjaar.

In artikel 113 van de Abw, waarin de verplichtingen met betrekking tot de inschakeling van arbeid zijn opgenomen is in het vierde lid bepaald dat de minister regels kan stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van een of meer verplichtingen genoemd in het eerste lid ten aanzien van een of meer categorieën belanghebbenden. Ter uitvoering hiervan is de Regeling vrijstelling verplichtingen Abw (Staatscourant 1995/83, laatstelijk Stcrt 2002/37 hierna: de vrijstellingsregeling) tot stand gekomen.

In artikel 1, eerste lid, van de vrijstellingsregeling is bepaald dat van de verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid onder a, e en f, van de Abw belanghebbenden, die ouder zijn dan 57,5 jaar, zijn vrijgesteld. Belanghebbenden die op 1 mei 1999, ouder zijn dan 57,5 jaar, zijn eveneens vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid onder b, c en d, van de Abw.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel van de vrijstellingsregeling is bepaald dat burgemeester en wethouders, gehoord de Centrale organisatie werk en inkomen, in een bijzonder geval van het eerste lid kunnen afwijken.

Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat een uitkeringsgerechtigde jonger dan 57,5 jaar volgens artikel 9, derde lid, van de Abw in samenhang bezien met artikel 1 van de vakantieregeling en vaste jurisprudentie, op grond van het territorialiteitsbeginsel niet langer dan vier weken (28 dagen) per jaar met behoud van uitkering in het buitenland mag verblijven.

Namens eiser is - onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 januari 2000 (JABW 2000/43) - aangevoerd dat het gebruik van het leeftijdscriterium in de vakantie-regeling in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BuPo-verdrag), voor welk onderscheid geen rechtvaardigingsgrond is aan te voeren.

De voorzieningenrechter overweegt dat met de hiervoor weergegeven vakantieregeling onderscheid naar leeftijd in het leven is geroepen. Niet ieder onderscheid naar leeftijd levert discriminatie op in de zin van artikel 1 van de Grondwet of artikel 26 van het BuPo-verdrag. Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan is het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd. In dit laatste verband speelt de vraag of het stellen van een leeftijdsgrens voor het bereiken van het nagestreefde doel een geschikt middel is.

Het doel van de vakantieregeling is om bijstandsgerechtigden die 57,5 jaar en ouder zijn en op grond daarvan ontheven zijn van verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling een langere periode van verblijf in het buitenland toe te staan dan bijstandsgerechtigden die wel moeten voldoen aan voornoemde verplichtingen. Uit de toelichting op de vakantieregeling blijkt dat met een verblijf van 13 weken in het buitenland, door iemand van 57,5 jaar of ouder, de doelmatige controle op het recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel niet in het geding komen.

Dat de wetgever heeft gekozen voor een leeftijdsgrens gekoppeld aan het ontheven zijn van de arbeidsverplichting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een aanvaardbare en gerecht-vaardigde keuze. Het gekozen criterium is in het licht hiervan dan ook een geschikt middel. Dit is slechts anders indien een bijstandsgerechtigde die jonger is dan 57,5 jaar voor de toepassing van de Abw in dezelfde omstandigheden verkeert als de bijstandsgerechtigde van 57,5 jaar en ouder.

In eerdere zaken van verzoeker waarin dezelfde vragen moesten worden beantwoord en waarin de rechtbank op 26 juni 2002 uitspraak heeft gedaan (registratienummers 01/819 en 01/1567), heeft de rechtbank overwogen dat verzoeker voor de toepassing van de Abw niet in dezelfde omstandig-heden verkeert als een bijstandsgerechtigde van 57,5 jaar of ouder, omdat hij (voorlopig en) niet onherroepelijk ontheven is van de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 113 van de Abw.

In casu is niet in geschil dat verzoeker verkeert in een situatie dat hij jonger is dan 57,5 jaar en dat hij vanaf 14 juni 2002 is ontheven van de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 113, eerste lid, van de Abw omdat onderzoek heeft uitgewezen dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt is. De ontheffing is verzoeker verleend voor de periode van 5 jaar.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verkeert verzoeker voor de toepassing van de Abw thans wel in dezelfde omstandigheden als een bijstandsgerechtigde die 57,5 jaar of ouder is. Verzoeker is niet langer voorlopig ontheven van de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 113 van de Abw, doch blijkens het besluit van 14 juni 2002 voor een periode van 5 jaar, na afloop waarvan verzoeker ouder is dan 57,5 jaar. Verzoeker wordt verder beschouwd als volledig arbeids-ongeschikt. Aldus is de situatie van verzoeker niet een andere dan die van de bijstands-gerechtigde ouder dan 57,5 jaar die definitief is vrijgesteld van inschakeling in het arbeidsproces op grond van de vrijstellingsregeling als boven genoemd.

Verweerder heeft aangevoerd zijn standpunt te zien bevestigd in jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (JABW 1999/54 en JABW 2001/145). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat de betrokkenen in de door verweerder genoemde uitspraken in eenzelfde situatie verkeerden als verzoeker en dat in die zaken eveneens sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Weliswaar is sprake van arbeidsongeschiktheid en ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de Abw, maar niet blijkt dat die betrokkenen definitief en onherroepelijk zijn ontheven van die verplichtingen en dat zij moeten worden beschouwd als permanent arbeidsongeschikt.

Gelet op het hieraan voorafgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat verweerder bij de toepassing van het bepaalde in artikel 1, onder a, van de vakantieregeling aan verzoeker thans niet kan tegenwerpen dat hij de leeftijd van 57,5 jaar nog niet heeft bereikt, nu het onderscheid naar leeftijd in het onderhavige geval niet op objectieve en redelijke gronden berust.

De voorgaande overwegingen roepen naar het oordeel van de voorzieningenrechter zodanige twijfels op aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit dat bij wijze van voorlopige voorziening aan verweerder wordt opgedragen de uitvoering van het bestreden besluit op te schorten, met dien verstande dat verzoeker bij de toepassing van artikel 9 van de Abw en artikel 1, onder a, van de Regeling wordt behandeld als een belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces-kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 1 (punt voor het verzoekschrift) en € 322,00 (waarde per punt) en 1 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslist is als volgt.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na verzending van het besluit op het bezwaarschrift;

- draagt verweerder op de uitvoering van het bestreden besluit op te schorten met dien verstande dat verzoeker bij de toepassing van artikel 9 van de Abw en artikel 1, onder a, van de Regeling wordt behandeld als een belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is;

- bepaalt dat de gemeente Hoorn aan verzoeker het griffierecht ten bedrage van € 29,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- wijst de gemeente Hoorn aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan verzoeker.

Aldus gewezen door mr. M.F.G.H. Beckers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van F.H. Burgman, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2002 door voornoemde voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.