Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AE6084

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
02-08-2002
Datum publicatie
06-01-2003
Zaaknummer
00/1985 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 22

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht.

Reg.nr: 00/1985 NABW

Inzake: [eiser] te [woonplaats], eiser,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wervershoof, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 13 november 2000.

2. Zitting.

Datum: 24 januari 2002.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Heijnen, advocaat te Hoorn.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde L.M.M. Visser, ambtenaar bij verweerders gemeente.

3. Feiten die de rechtbank als vaststaand aanneemt.

Eiser exploiteert sinds 1980 een motorfietsbedrijf. In verband met de slechte bedrijfsresultaten heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek hem een uitkering te verstrekken op grond van de Algemene bijstandswet (hierna: de Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (hierna: het Bbz).

Bij besluit van 30 juli 1996 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Plaatselijke Commissie Zelfstandigen, dit verzoek afgewezen omdat eisers bedrijf niet levensvatbaar zou zijn.

Bij besluit van 3 oktober 1996 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 30 juli 1996 gegrond verklaard en hem alsnog met ingang van 1 juli 1996 een uitkering verleend in de vorm van een renteloze lening.

Bij uitspraak van 10 augustus 1998, reg.nr. 96/1799, heeft de rechtbank eisers beroep tegen het besluit van 3 oktober 1996 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verweerder eisers vermogen te hoog heeft ingeschat en daarom ten onrechte bijstand heeft verstrekt in de vorm van een renteloze lening.

Bij brief van 20 oktober heeft verweerder eiser meegedeeld zich te conformeren aan de uitspraak van de rechtbank, hetgeen meebrengt dat eiser in aanmerking kan komen voor bijstand om niet. Om dat te beoordelen verzoekt verweerder eiser de jaarrekeningen over de jaren 1996 en 1997 over te leggen.

Bij besluit van 17 februari 1999 heeft verweerder aan eiser over de periode 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 bijstand om niet toegekend voor een bedrag van ƒ 11.902,56, welk bedrag in mindering wordt gebracht op de over deze periode aan eiser als renteloze lening verleende bijstand van ƒ 22.444,92. De resterende geldlening bedraagt daarmee ƒ 10.542,36.

Bij besluit van 6 juli 1999 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 17 februari 1999 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2000, reg.nr 99/1167, heeft de rechtbank eisers beroep tegen het besluit van 6 juli 1999 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 13 november 2000, verzonden op 15 november 2000, heeft verweerder, opnieuw beslissend op eisers bezwaar tegen het besluit van 17 februari 1999, dat bezwaar gegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gewijzigd door de periode van bijstandsverlening vast te stellen op 19 maart 1996 tot en met 18 maart 1997 en de bijstand om niet over deze periode vast te stellen op een bedrag van ƒ 16.918,84. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het oorspronkelijke bedrag van de lening van ƒ 22.444,92, zodat een lening resteert van ƒ 5.526,08, die van eiser wordt teruggevorderd.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 26 december 2000, bij de rechtbank ingekomen op die dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

5.1. In geschil is thans alleen nog de vraag of verweerder met recht 19 maart 1996 heeft aangehouden als ingangsdatum voor de aan eiser toegekende bijstandsuitkering.

5.1.1. Het in dit geding bestreden besluit is een besluit op bezwaar gericht tegen het besluit van 17 februari 1999, dat een nadere beslissing is als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Bbz.

Uit de uitspraak van de rechtbank van 29 september 2000, reg.nr 99/1167, volgt dat verweerder bij zijn besluit van 17 februari 1999 ten onrechte zonder meer de in zijn besluit van 3 oktober 1996 bepaalde ingangsdatum heeft aangehouden, zonder rekening te houden met eisers bezwaren daartegen. In het in dit geding bestreden besluit heeft verweerder er alsnog voor gekozen de datum van eisers aanvraag om bijstand als ingangsdatum te nemen.

5.1.2. Eiser betoogt in beroep dat het in de rede zou liggen als ingangsdatum 1 januari 1996 te nemen. De periode van bijstandverlening zou dan gelijk lopen met het boekjaar van zijn bedrijf.

5.2. Niet in geschil is dat eiser als zelfstandige een bedrijf uitoefende en nog steeds uitoefent. Evenmin in geschil is dat eisers aanvraag om bijstand ziet op algemene bijstand, dat wil zeggen bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en niet op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

5.2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Abw wordt aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is, gedurende ten hoogste 12 maanden algemene bijstand verleend.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Abw heeft deze bijstand, indien aan een zelfstandige op grond van artikel 8, anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de hoogte van deze bijstand, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, definitief vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

5.2.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz wordt onder boekjaar verstaan: de periode van 12 maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van het Bbz wordt onder jaarnorm verstaan: de tot een bedrag per boekjaar omgerekende som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3 van de wet en de verleende bijzondere bijstand.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbz nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, nadat zij het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen:

a. minder is dan de jaarnorm, ambtshalve voor het verschil bijstand verleend, met dien verstande dat de in totaal te verlenen bijstand niet meer bedraagt dan de jaarnorm berekend naar evenredigheid over de periode waarin over het desbetreffende boekjaar bijstand is verleend. De als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet;

b. gelijk is aan de jaarnorm, de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet;

c. meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet.

5.3. Als uitgangspunt geldt, zoals ook in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is neergelegd, dat geen bijstand wordt verleend over een periode die voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

De rechtbank is echter niet gebleken dat zich in dit geval dergelijke bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.

5.3.1. Dat het in dit geval gaat om verlening van algemene bijstand aan een zelfstandige betekent niet dat het hiervoor weergegeven uitgangspunt niet zou gelden. De rechtbank heeft hiervoor noch in de Abw noch in het Bbz enige aanwijzing kunnen vinden.

Gelet op het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onder a, van het Bbz gaan ook de wettelijke voorschriften uit van de mogelijkheid van bijstandverlening over een periode die niet gelijk valt met het boekjaar.

5.3.2. Eisers beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 16 mei 2000, nr. 99/136 NABW (JABW 2000, 102), slaagt niet, alleen al omdat in dat geval sprake was van verlening van bijstand met toepassing van de artikelen 5, 6, 8 en 9 van het Bbz en niet, zoals in dit geval, met toepassing van artikel 10 van het Bbz.

5.3.3. In het aanvraagformulier van 19 maart 1996 heeft eiser aangegeven dat zijn keuzejaar, dat is blijkens de gegeven toelichting het jaar waarover hij de periodieke uitkering wil hebben, 1995 is. De vraag op het formulier om toelichting op die keuze voor 1995 heeft eiser niet ingevuld.

Het gegeven dat eiser de bijstandsuitkering over 1995 en dus met terugwerkende kracht wenste te verkrijgen acht de rechtbank geen reden om te oordelen dat op het hiervoor gegeven uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

5.3.4. Dat het voor eiser gunstiger is om 1 januari 1996 als ingangsdatum te nemen acht de rechtbank tenslotte ook geen bijzondere omstandigheid.

5.4. De conclusie is dat verweerder op goede gronden heeft gekozen voor 19 maart 1996 als ingangsdatum van eisers recht op bijstand. Het beroep is dus ongegrond.

5.5. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten gunste van eiser.

6. Beslissing.

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Kraefft, lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. P. Verweel, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2002.

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier,Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.