Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AE4706

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
01-07-2002
Datum publicatie
01-07-2002
Zaaknummer
119466/02-652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

SECTOR KANTON

LOCATIE ALKMAAR

Beschikking

in de zaak van:

1] de vennootschap onder firma NUCLEAR RESEARCH AND CONSULTANCY GROUP (NRG)

te Petten, gemeente Zijpe

en haar vennoten:

2] de besloten vennootschap KEMA NUCLEAIR B.V.

te Arnhem

3] de stichting STICHTING ENERGIEONDERZOEK CENTRUM NEDERLAND (ECN)

te Petten, gemeente Zijpe

verzoekende partijen [verder tezamen ook enkelvoudig te noemen: NRG]

gemachtigde: mr. A.J.J. Sweens, advocaat te Den Helder

- t e g e n -

[werknemer] te [woonplaats]

verwerende partij [verder ook te noemen: [werknemer]]

gemachtigde: mr. A.E. Koster, advocaat te Den Helder.

1. Het procesverloop

1.1. NRG heeft op 1 maart 2002 een verzoekschrift ingediend; vervolgens heeft zij een aantal producties ingebracht.

1.2. Daar heeft [werknemer] bij verweerschrift met producties op gereageerd.

1.3. Hierop heeft NRG wederom een aantal producties ingebracht.

1.4. De zaak is behandeld op de terechtzitting van 15 april 2002 in aanwezigheid van W. Schatborn (waarnemend-directievoorzitter) en E. Eggermond (human resources), [werknemer] en de gemachtigden van partijen. Beide gemachtigden hebben aan de hand van pleitnotities en producties hun onderscheidenlijke stellingen nader toegelicht.

1.5. Na aanhouding (voor nader overleg tussen partijen) is de zaak wederom behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2002 in aanwezigheid van W. Schatborn, [werknemer] en de gemachtigden van partijen. Beide gemachtigden hebben zich andermaal bediend van pleitnotities.

1.6. De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

1.7. Na afloop van de behandeling is heden uitspraak bepaald.

2. De uitgangspunten

2.1. [werknemer], geboren op [geboortedatum], is op 1 mei 1980 in dienst getreden bij NRG en vervult thans de functie van plaatsvervangend hoofd van de wacht HFR (Hoge Flux Reactor) in de continudienst. De werkzaamheden worden verricht te Petten, gemeente Zijpe. De continudienst werkt 24 uur per dag in verschillende ploegen en is belast met het operationeel-houden van de HFR. Het actueel salaris bedraagt gemiddeld € 5.118,19 bruto per maand, inclusief vakantiegeld en emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst zijn de arbeidsvoorwaarden van ECN van overeenkomstige toepassing.

2.2. De vennootschap onder firma NRG is opgericht in september 1987; de vennoten zijn verzoekers sub 2 en 3 (KEMA en ECN). De vennootschap onder firma NRG legt zich toe op wetenschappelijk onderzoek, consultancy en commerciële productie van onder meer radiomedische isotopen. De organisatie (m.n. de hiërarchische lijnen) bestaat er kort gezegd uit, dat de vennootschap onder firma NRG is belast met de bedrijfsvoering van de HFR te Petten, welke in eigendom toebehoort aan de vergunninghouder GCO (Gemeenschappelijk Centrum Onderzoek); de dagelijkse leiding is opgedragen aan de directie; sedert 8 oktober 2001 is W. Schatborn waarnemend-directievoorzitter.

2.3. [werknemer] heeft op 10 oktober 2001 een brief aan de Kernfysische Dienst (KFD) gezonden, welke dienst werkt onder verantwoordelijkheid van het ministerie van VROM, met onder meer klachten over de bedrijfsvoering door NRG van de HFR (de reactor). Aan de hand van een toelichting op een arbeidsvoorwaardenconflict en een vijftal voorbeelden schetst [werknemer] daarin een beeld dat de veilige bedrijfsvoering van de reactor gevaar loopt en dat er sprake is van een onhoudbare situatie.

2.4. Kort na het zenden van deze brief is [werknemer], tezamen met een aantal collega's, ingegaan op een verzoek van de media tot het geven van zijn mening over de bedrijfsvoering bij NRG. Op 25 oktober 2001 verscheen een krantenbericht over gesjoemel in de reactor.

2.5. Na dat krantenbericht is een stroom van berichten in de media op gang gekomen over de veiligheid van de reactor. De publicatie in januari 2002 over een foutindicatie ("scheur") in de reactor heeft vervolgens geleid tot veel commotie. NRG heeft toen in overleg met de minister van VROM en de KFD de reactor op 18 februari 2002 voor een bepaalde periode stilgelegd. Gedurende deze stillegging is de veiligheids-(cultuur) van de reactor door onafhankelijke, externe deskundigen onderzocht.

2.6. Naar aanleiding van de brief van [werknemer] en de berichten in de media heeft de KFD een inspectie gehouden met als doel het verkrijgen van informatie over de in de pers gemelde incidenten en over de veiligheid van de reactor. De KFD heeft haar inspectierapport op 7 januari 2002 afgerond en op 9 januari 2002 aan NRG gezonden.

2.7. In haar brief aan [werknemer] van 20 november 2001 heeft NRG de handelwijze van [werknemer] veroordeeld en geconcludeerd dat [werknemer] in zijn functie niet langer te handhaven is. Voorts is [werknemer] per gelijke datum ontheven uit zijn functie en overgeplaatst naar de Productgroup Radiation & Environment in de op dat moment vacante functie van stralingsdeskundige. Bij brief van 12 februari 2002 heeft [werknemer] te kennen gegeven die functie niet te zullen accepteren.

2.8. Sedert november 2001 is [werknemer], met behoud van salaris, vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden voor NRG.

2.9. Bij kortgedingvonnis d.d. 28 februari 2002 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar de vordering van [werknemer] tot - kort gezegd - wedertewerkstelling geweigerd.

3. Het geschil

3.1. Het verzoek van NRG strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op korte termijn wegens gewichtige redenen, naar de kantonrechter verstaat: primair in de zin van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 en 7:678 (meer in het bijzonder lid 2 sub i en k) BW en subsidiair bestaande uit veranderingen in de omstandigheden, kosten rechtens.

3.2. Aan dit verzoek legt NRG samengevat ten grondslag, dat [werknemer] zich ten onrechte heeft gewend tot de KFD met klachten over de bedrijfsvoering van de reactor, terwijl hij zich daarna, eveneens ten onrechte, door de media (i.c. het Noordhollands Dagblad) heeft laten benaderen over de door hem vermeende, onveilige bedrijfsvoering, waardoor het onjuiste beeld is ontstaan van een onveilige kerncentrale.

[werknemer], gegeven zijn deskundigheid, had moeten weten dat de veiligheid niet in het geding is geweest en dat zijn handelen verstrekkende gevolgen zou hebben, waardoor de goede naam en het imago van NRG in diskrediet zijn gebracht. Desalniettemin heeft hij dusdoende bewust niet (voldoende) getracht een en ander intern en op de reguliere weg aan de orde te stellen, alsmede de geheimhoudingsplicht op grove wijze geschonden, alsook zijn plichten veronachtzaamd, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt.

[werknemer] kan slechts betiteld worden als een pseudo-klokkenluider nu hij in kwestie heeft gehandeld op basis van een eigen agenda en doelbewust het bedrijfsbelang van NRG daaraan ondergeschikt heeft gemaakt. Daarom is er volgens NRG sprake van een dringende reden, die een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt; reeds daarom komt hem geen vergoeding toe. Dienaangaande wijst NRG m.n. op de in de pleitnota's beschreven criteria ten aanzien van de arbeidsrechtelijke klokkenluidersbescherming. Voormelde omstandigheden gelden in gelijke mate voor de veranderingen in de omstandigheden die zich hebben voorgedaan en die ertoe hebben geleid dat het vertrouwen in [werknemer] onherstelbaar is geschonden.

NRG is van mening dat haar geen enkel verwijt terzake treft, waarbij zij opwerpt dat [werknemer] een alternatieve functie is aangeboden, welke hij geweigerd heeft. Ook op de laatste grond kan het noodzakelijke einde van het dienstverband daarom niet gepaard gaan met een ontbindingsvergoeding, aldus NRG.

3.3. Het verweer van [werknemer] strekt primair tot niet-ontvankelijkheid van NRG in haar verzoek, subsidiair tot afwijzing van het verzoek en meer subsidiair tot toekenning van een ontbindingsvergoeding, kosten rechtens.

3.4. Samengevat, voert [werknemer] hiertoe vooreerst aan, dat conform het reglement individueel klachtrecht bij de adviescommissie een klacht is ingediend terzake zijn overplaatsing, maar uiteindelijk bleek er bij NRG toch geen klachtenregeling te bestaan.

In zijn visie is NRG in haar verzoek niet ontvankelijk, omdat op deze wijze NRG in feite de bezwaarschriftfase heeft overgeslagen. Voorts wordt opgeworpen, dat de voorzieningenrechter in bedoeld kortgedingvonnis is uitgegaan van een aantal juridische en feitelijke onjuistheden, redenen waarom spoedappèl is ingesteld; daarop is nog niet beslist. [werknemer] neemt aan dat in deze bodemprocedure na onderzoek het bewijs zal worden geleverd van de door NRG eerder gedane, ongefundeerde stellingen.

[werknemer] betoogt voorts dat, naast het feit dat de KFD al eerder onder meer had vastgesteld dat de veiligheidstechnische specificaties niet door NRG werden nageleefd, inmiddels het bestaan van ernstige misstanden is gebleken; hij wijst daartoe op het door het International Atomic Energy Agency (IAEA) uitgebrachte, voorlopige rapport, waarin zo'n 177 tekortkomingen worden vermeld. Ook wijst hij op de betreffende brief van de minister van VROM en de uiteindelijke sluiting van de HFR.

Hij draagt nog aan niet de coördinator te zijn geweest van "het petit comité": hij heeft met andere medewerkers, en zeker niet georganiseerd, de bedrijfsvoering van NRG aan de kaak gesteld. Wat de interne meldingen betreft, benadrukt [werknemer] dat hij, maar ook anderen, diverse malen binnen de organisatie melding heeft gemaakt van schendingen van de veiligheidstechnische specificaties. Vanuit NRG werd er echter druk uitgeoefend op medewerkers om geen meldingen te doen dan wel die in te trekken.

De hem aangeboden functie is niet passend, omdat die nauwelijks aansluit bij zijn opleiding en ervaring, terwijl hij verplicht is een zware Hbo-opleiding te volgen; buitendien zal hij nog vijf jaar langer moeten doorwerken dan in zijn huidige functie het geval is; ook in inkomen zal hij er op achteruitgaan. Een dringende reden is er volgens [werknemer] niet, en mocht er al gesproken worden van veranderingen in de omstandigheden dan kan er vanwege de grootte van de organisatie geen sprake zijn van een verstoring van een persoonlijke relatie.

[werknemer] blijft erbij dat hem de arbeidsrechtelijke klokkenluidersbescherming toekomt en duidt op de in de stukken terzake beschreven criteria, die volgens hem op zijn situatie van toepassing zijn. Hij wenst zijn baan te behouden tot hij met FLO gaat, temeer nu hij geen uitzicht heeft op een andere functie elders.

Mocht evenwel anders worden geoordeeld, dan is de verzochte ontbindingsvergoeding op zijn plaats, aldus [werknemer].

4. De beoordeling

4.1. Anders dan [werknemer] aanvoert, is NRG ontvankelijk in het verzoek nu de bevoegdheid van artikel 7:685 BW niet kan worden uitgesloten of beperkt, ook niet door een interne klachtenregeling.

4.2. Voorts kan [werknemer] niet worden gevolgd in zijn stelling dat de procedure op grond van voormeld artikel moet worden gekwalificeerd als een bodemprocedure. Het betreft hier geen contentieuze procedure, maar een verzoekschriftprocedure met een spoedeisend karakter waarin de billijkheid een relatief belangrijke rol speelt. De aard van die procedure betekent dat in het algemeen geen plaats is voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten, dan wel getuigenverhoren. Voorts strekt de ontbindingsprocedure ingevolge gemeld artikel niet tot beoordeling van een eerder tussen werkgever en werknemer uitgesproken kortgedingvonnis.

4.3. Gebleken is dat het verzoek van NRG geen verband houdt met het bestaan van enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

4.4. Partijen stellen de beantwoording van de vraag centraal of [werknemer] arbeidsrechtelijke bescherming geniet van een zogenaamde klokkenluider. Een wettelijke, dan wel een algemeen aanvaarde, uniforme regeling van de arbeidsrechtelijke bescherming van de klokkenluider ontbreekt weliswaar in Nederland, doch er bestaat wel een aantal publicaties over dat onderwerp waarnaar partijen ook verwijzen. Daaruit kan worden afgeleid, dat bescherming zou moeten gelden voor de werknemer wanneer er sprake is:

- van een grove schending van wet- of regelgeving met een systematisch of terugkerend karakter dan wel van een schending met ernstige gevolgen;

- van het te goeder trouw aan de orde stellen van misstanden;

- van een juiste wijze van het aanhangig-maken van misstanden, waarbij met de belangen van de werkgever rekening moet worden gehouden; daarbij dient bij de bekendmaking in volgorde gebruik te worden gemaakt van een interne regeling, vervolgens bij een bevoegde autoriteit en tot slot openbaarmaking via media, actiegroep e.d.

Die bescherming zal de werknemer kunnen inroepen tegen de werkgever die hem beticht van schending van de contractuele geheimhoudingsplicht dan wel handelen in strijd met goed-werknemerschap door de eer en goede naam van de werkgever aan te tasten. Van die criteria zal hierna onder meer worden uitgegaan.

Anders dan [werknemer] aanvoert, blijkt uit het rapport van de KFD van 7 januari 2002, dat op 9 januari 2002 is toegezonden aan NRG, alsmede het antwoord van de betrokken minister op vragen van de Tweede-Kamerleden Poppe en Vos, niet van een verhoging van risico voor werknemers of omwonenden en zijn er geen aanwijzingen gebleken dat er nucleaire incidenten in de doofpot zijn gestopt en dat in alle gevallen wel de bedrijfsvoorschriften zijn nageleefd, doch met gebruikmaking van interpretatievrijheid. Het blijkt dat in twee gevallen niet is gehandeld in overeenstemming met de met KFD afgesproken interne veiligheidstechnische specificaties.

Ook uit de overgelegde brief van 13 maart 2002 van de minister van VROM aan de voorzitter van de Vaste Commissie van VROM met als titel: "Het veiligheidsonderzoek bij de HFR te Petten", een gelegenheid bij uitstek om daaromtrent te informeren, blijkt niet dat bij NRG van de ernstige misstanden sprake is geweest, die [werknemer] heeft willen doen geloven. Systematische grove schending van wet- of regelgeving bij NRG is niet aannemelijk geworden en evenmin van ernstige gevolgen. Er is immers geen verhoogd risico voor de veiligheid van medewerkers en omwonenden opgetreden.

4.5. Afgezien van een brief van 20 juni 2000 van [werknemer] aan de directie van NRG, die hij weer vrijwillig heeft ingetrokken, blijkt niet dat [werknemer] op adequate wijze interne melding heeft gemaakt van de door hem aan de kaak gestelde misstanden. Zo heeft hij zich niet tot zijn directe chef, de reactormanager F. Wytsma, gericht en ook niet tot diens chef, het hoofd irradiation services P. Stoop, dan wel tot de op 8 oktober 2001 vers aangetreden waarnemend-directievoorzitter van NRG, W. Schatborn. Afgezien nog van een minder goede verstandhouding van [werknemer] met Wytsma blijkt niet, dat niet van hem in redelijkheid zou kunnen worden verwacht, dat hij zich met zijn klachten tot genoemde werknemers van NRG zou hebben kunnen wenden. Blijkens de brochure "Management Systeem" van 1 december 2000, blz. 32 / 2.8 "Bijna-ongevallen en gevaarlijke situaties", bestond voor [werknemer] weldegelijk een procedure om intern uitdrukking te geven aan zijn kritiek op de veiligheidscultuur bij NRG.

4.6. De slotsom moet dan ook zijn dat niet aannemelijk is geworden dat het voor [werknemer] onmogelijk was zijn klachten op een adequate wijze intern te uiten. Het ontbreken van een klachtenregeling doet daaraan niet af, immers [werknemer] heeft de klachtenregeling eerst willen gebruiken in verband met overplaatsing en niet inzake zijn kritiek op de veiligheidscultuur bij NRG.

Dat [werknemer] niet te goeder trouw heeft gehandeld, is echter niet aannemelijk geworden en evenmin dat hij redelijkerwijs in gewetensnood kon verkeren over de veiligheid bij NRG.

4.7. Zowel naar aanleiding van overgelegde stukken als op grond van hetgeen bij de mondelinge behandelingen door partijen naar voren is gebracht, kan worden geconcludeerd dat binnen NRG een gebrekkige, interne communicatiecultuur bestond. Weliswaar bestonden er formele regels en procedures voor het uiten van klachten of bedenkingen over de veiligheid van de bedrijfsvoering, doch er heerste geen sfeer waaronder vrij en onbevangen, ook op informele wijze kon worden gecommuniceerd tot op directieniveau.

4.8. Tevens is gebleken dat zich binnen NRG veranderingen hebben voltrokken waarbij van een hoofdzakelijk wetenschappelijk gebruik van de reactor allengs een steeds groter commercieel gebruik daarvan werd gemaakt. Door die verandering diende efficiënter te worden gewerkt, hetgeen zijn weerslag vond op de interpretatie en feitelijke toepassing van de veiligheidsvoorschriften, voorschriften die niet als natuurwetmatigheden zijn te beschouwen.

Die cultuuromslag en veranderde wijze van werken ondervond bij NRG vooral onvoldoende weerklank bij werknemers, operators, die al geruime tijd in dienst zijn en gewend waren geraakt aan de vroegere wetenschappelijke wijze van exploitatie van de reactor. De combinatie van een gebrek aan een open communicatiecultuur en de veranderende meer op efficiëntie toegespitste interpretatie van de veiligheidsvoorschriften draagt het risico in zich dat werknemers, zoals [werknemer], zich geroepen voelen om anders dan langs de formeel juiste weg aandacht te vragen voor de hun inziens bestaande misstanden.

Bezien in arbeidsrechtelijk perspectief brengt goed werkgeverschap met zich mee dat de werkgever een beleid ontwikkelt en uitvoert waarbij de risico's voor het kiezen van andere dan de formeel juiste uitlaatklep voor ongenoegen over de bedrijfsvoering worden beperkt.

Gesteld noch gebleken is dat NRG een dergelijk beleid heeft ontwikkeld, laat staan uitgevoerd, waardoor voornoemde risico's zich hebben kunnen realiseren.

4.9. Ligt in het vorenoverwogene besloten dat [werknemer] niet als klokkenluider kan worden gekwalificeerd en ten onrechte zijn geheimhoudingsplicht (artikel 13 van de op de rechtsverhouding toepasselijke arbeidsvoorwaarden) heeft geschonden, alsmede ten onrechte de indruk heeft gewekt dat de bedrijfsvoering van NRG een direct gevaar vormde, dan moet daarnaast ook aan NRG (enig) verwijt worden gemaakt voor het gewraakte optreden van [werknemer].

4.10. In dat licht bezien en gelet op het lange, onberispelijke dienstverband van [werknemer] moet worden geoordeeld dat een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft ontbroken. Wel heeft het optreden van [werknemer] een duurzame vertrouwensbreuk in de arbeidsrelatie veroorzaakt, die een vruchtbare en zinvolle voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet (meer) mogelijk maakt. Voor die verhoudingsbreuk treft overigens, zoals overwogen, ook NRG in beperkte mate een verwijt.

Een en ander leidt er toe dat de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden per 1 augustus 2002 dient te worden ontbonden. Het verzoek van NRG is daarom toewijsbaar.

4.11. Met het oog op alle (overige) omstandigheden van het geval, waaronder gemelde duur van de arbeidsovereenkomst, de leeftijd en het salaris van [werknemer], diens specifieke opleiding/deskundigheid en de daaruit voortvloeiende, beperkte mogelijkheden op de arbeidsmarkt om een gelijkwaardige functie elders te verwerven, alsmede de door NRG gedoogde nevenwerkzaamheden in zijn mediabedrijf, alsmede het feit dat hij sedert november 2001 volledig loon heeft genoten zonder dat daar enige arbeidsprestatie tegenover heeft gestaan, komt de kantonrechter een ontbindingsvergoeding ten bedrage van € 37.000,-- bruto ten laste van NRG billijk voor.

4.12. Op de voet van artikel 7:685 lid 9 BW worden partijen van de voorgenomen beslissing in kennis gesteld en is NRG bevoegd het verzoek binnen de hierna te melden termijn in te trekken.

4.13. Er zijn termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren. Ingeval NRG evenwel haar verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [werknemer] dienen te dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1. Bepaalt dat de termijn, waarbinnen NRG het verzoek zal kunnen intrekken [i.c. door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier en in afschrift aan de (gemachtigde van de) wederpartij], zal lopen tot en met 31 juli 2002.

5.2. Voor het geval NRG het verzoek niet binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

5.2.1. Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2002.

5.2.2. Kent aan [werknemer] ten laste van NRG een vergoeding toe van € 37.000,-- euro bruto.

5.2.3. Bepaalt dat beide partijen de eigen proceskosten dragen.

5.2.4. Wijst het meer of anders verzochte af.

5.3. Voor het geval NRG het verzoek binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

5.3.1. Veroordeelt NRG in de proceskosten, die aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 680,67 voor salaris gemachtigde, waarover NRG geen BTW verschuldigd is.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.G. Vroom, kantonrechter, bijgestaan door C.G. Pino, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2002.

Griffier

kantonrechter

Rep.nr.: 119466\02-652 1 1 juli 2002