Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AD9798

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
05-03-2002
Zaaknummer
14.010228-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De RECHTBANK van het arrondissement ALKMAAR

Parketnummer : 14.010228-01

Datum uitspraak : 5 maart 2002

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank van het arrondissement Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht - locatie Nieuwersluis.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2002.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij

1.

op of omstreeks 18 en/of 19 augustus 2001 in de gemeente Akersloot ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (haar dochter) [X] van het leven te beroven, met dat opzet die [X] haar neus en/of keel heeft dichtgeknepen en/of met een (scheer)mes in de pols althans in de arm van die [X] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op of omstreeks 18 en/of 19 augustus 2001 in de gemeente Akersloot aan haar dochter genaamd [X], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een slagaderlijke bloeding en/of een snijwond in de pols of arm), heeft toegebracht, door deze [X] opzettelijk met een (scheer)mes in de pols althans in de arm te snijden.

meer subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op of omstreeks 18 en/of 19 augustus 2001 in de gemeente Akersloot ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar dochter genaamd [X], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (scheer)mes in haar pols althans in haar arm heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

op of omstreeks 18 en/of 19 augustus 2001 in de gemeente Akersloot ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (haar zoon) [Y] van het leven te beroven, met dat opzet die [Y], vier, althans één of meer slaappillen, in elk geval slaapverwekkende middelen (Temazepam of Lormetazepam) heeft toegediend (vermengd in yoghurt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op of omstreeks 18 en/of 19 augustus 2001 in de gemeente Akersloot ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind (zoon) genaamd [Y], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Y] vier, althans een of meer slaappillen, in elk geval slaapverwekkende middelen (Temazepam en/of Lormetazepam) heeft toegediend (vermengd met yoghurt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

meer subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op of omstreeks 18 en/of 19 augustus 2001 in gemeente Akersloot opzettelijk mishandelend haar zoon [Y], vier, althans een of meer slaappillen, in elk geval slaapverwekkende middelen (Temazepam en/of Lormetazepam) heeft toegediend (vermengd met yoghurt), waardoor diens gezondheid is benadeeld.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEOORDELING VAN FEIT 1. PRIMAIR

a) BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat zij op 18 of 19 augustus 2001 in de gemeente Akersloot ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk haar dochter [X] van het leven te beroven, met dat opzet die [X] haar neus en keel heeft dichtgeknepen en met een scheermes in de pols van die [X] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

b) NADERE BEWIJSOVERWEGING

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen was de verdachte weliswaar zeer verward door de gedachte dat anderen, onder wie haar ex-echtgenoot en een ex-vriend, het op haar hadden gemunt, maar was er bij haar wel enig besef aanwezig van hetgeen zij deed. Anders dan door haar raadsman is betoogd, kan ten aanzien van de verdachte niet gezegd worden dat bij haar elk inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de gevolgen daarvan ontbrak. Derhalve kan als vaststaand worden aangenomen dat zij opzettelijk heeft gehandeld.

c) STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

De bewezenverklaring houdt, overeenkomstig de tenlastelegging, in dat de verdachte haar 8-jarige dochter om het leven heeft willen brengen en dat zij daartoe de neus en keel van die dochter heeft dichtgeknepen en haar in de pols heeft gesneden. Er is derhalve geen sprake van twee van elkaar te onderscheiden uitvoeringshandelingen, maar van één gebeurtenis. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte, toen zij het bloed zag dat uit de met het scheermes toegebrachte wond spoot, tot het volle besef gekomen waar zij mee bezig was en is zij teruggekomen op haar aanvankelijke voornemen. De verdachte heeft vervolgens met een handdoek het bloeden proberen te stelpen en tevens het alarmnummer 112 gebeld met het verzoek om hulp voor haar dochter. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het overlijden van verdachtes dochter niet is ingetreden door omstandigheden van de wil van de verdachte afhankelijk als bedoeld in art. 46b Sr. Dit brengt mee dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert, zodat de verdachte voor wat betreft feit 1. primair moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging

3. BEOORDELING VAN FEIT 1. SUBSIDIAIR

Ten aanzien van feit 1. subsidiair overweegt de rechtbank als volgt.

In het dossier bevindt zich een brief van 21 september 2001 van G. Brinkhorst (kinderarts) en W. Onland (arts-assistent kindergeneeskunde), onder meer inhoudende dat het slachtoffer [X] forse haematomen op de hoofdhuid en zeer uitgebreide haematomen en striemen in de hals had, alsmede dat een diepe laceratie in de pols is geconstateerd. Het slachtoffer, dat van 19 augustus 2001 t/m 23 augustus 2001 in het Medisch Centrum Almaar verbleef, was aldaar in afwachting van een door de Raad voor de Kinderbescherming te organiseren verblijfplaats. Als conclusie houdt deze brief in dat zich medisch gezien geen complicaties hebben voorgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde verwondingen niet kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, terwijl voorts niet is gebleken dat het slachtoffer, zoals is tenlastegelegd, een slagaderlijke bloeding heeft opgelopen. De verdachte moet derhalve van het haar onder 1. subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

4. BEOORDELING VAN FEIT 1. MEER SUBSIDIAIR

a) BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat zij op 18 of 19 augustus 2001 in de gemeente Akersloot ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar dochter genaamd [X], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een scheermes in haar pols heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

b) STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Zoals de rechtbank hiervoor onder 2c heeft overwogen, is de verdachte, toen zij het bloed zag dat uit de met het scheermes toegebrachte wond spoot, tot het volle besef gekomen waar zij mee bezig was en is zij teruggekomen op haar aanvankelijke voornemen, dat mede op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel was gericht. De verdachte heeft vervolgens met een handdoek het bloeden proberen te stelpen en tevens het alarmnummer 112 gebeld met het verzoek om hulp voor haar dochter. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook het zwaar lichamelijk letsel bij verdachtes dochter niet is ingetreden door omstandigheden van de wil van de verdachte afhankelijk als bedoeld in art. 46b Sr. Dit brengt mee dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert, zodat de verdachte ook voor wat betreft feit 1. meer subsidiair moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging

5. BEOORDELING VAN FEIT 2. PRIMAIR EN 2. SUBSIDIAIR

a) VRIJSPRAAK

Ten anzien van feit 2. primair en 2. subsidiair overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting heeft de verdachte haar 10-jarige zoon [Y] 4 tabletten lormetazepam 2 mg, vermengd met een hoeveelheid yoghurt, gegeven. Nadat hij hiervan de helft had gegeten, heeft zij hem het bakje yoghurt weer afgenomen.

Een zich bij de stukken bevindende brief van 23 november 2001 van R.W.F. de Nijs, arts algemene zorg van de GGD Noordkennemerland, houdt in dat bij een dosis tot 120 mg lormetazepam bij volwassenen zelden blijvende beschadigingen zijn opgetreden en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een tienjarige jongen tengevolge van de inname van 8 mg Lormetazepam zal overlijden. Voorts bevindt zich in het dossier een brief van 20 september 2001 van K. Haasnoot (kinderarts) en W. Onland (arts-assistent kindergeneeskunde), die onder meer inhoudt dat [Y] een nacht is geobserveerd op de Intensive Care-unit, dat hij daarna - zonder dat zich problemen voordeden - is overgeplaatst naar de kinderafdeling en dat de intoxicatie een ongecompliceerd beloop had.

Op grond van het voorgaande moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een absoluut ondeugdelijk middel om het door haar beoogde gevolg, te weten het overlijden van haar zoon respectievelijk zwaar lichamelijk letsel bij haar zoon, te veroorzaken. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van hetgeen haar onder feit 2. primair en 2. subsidiair is tenlastegelegd.

6. BEOORDELING VAN FEIT 2. MEER SUBSIDIAIR

a) BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2. meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat zij op 18 of 19 augustus 2001 in de gemeente Akersloot opzettelijk mishandelend haar zoon [Y], slaappillen (Lormetazepam) heeft toegediend vermengd met yoghurt, waardoor diens gezondheid is benadeeld.

b) NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich door het toedienen van slaaptabletten als de onderhavige willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de gezondheid van het slachtoffer zou worden benadeeld. In dit verband wijst de rechtbank er in het bijzonder op dat verdachte heeft verklaard dat zij de slaaptabletten, die zij van een vriendin had gekregen, zelf nooit heeft willen innemen omdat zij bang was zelfs van één tablet "knock-out" te gaan.

Voorts overweegt de rechtbank dat de, voor volwassen personen bedoelde, slaapmiddelen blijkens de hiervoor onder 5a genoemde brief van Haasnoot en Onland, bij [Y] braken, sufheid en een verlaagd bewustzijn tot gevolg hebben gehad. Dit moet worden aangemerkt als benadeling van de gezondheid, mede gelet op de leeftijd van [Y]. De omstandigheid dat de lichamelijke gevolgen van de inname van de slaapmiddelen relatief snel weer verdwenen, kan daaraan niet afdoen.

7. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

8. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van feit 2. meer subsidiair uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het feit levert op:

Mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat ten aanzien van zijn kind en het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor de gezondheid schadelijke stoffen.

9. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Tot de stukken van het geding behoort de rapportage van de Psychiatrische Observatie kliniek van het gevangeniswezen, het Pieter Baan Centrum, te Utrecht d.d. 28 januari 2002, opgemaakt door J.B. Seinen, psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater. Dit rapport houdt onder meer in:

Betrokkene is lijdende aan een psychotische stoornis met paranoïde wanen, die bij het tenlastegelegde een aanzienlijke rol heeft gespeeld. Betrokkene heeft noch ziektebesef noch -inzicht en is ten tijde van het onderzoek nog volledig overtuigd van het complot dat tegen haar gesmeed zou zijn. In deze toestand worden zowel vertrouwden, zoals haar vader en moeder, als derden bij haar waansysteem betrokken.

Als gevolg van haar paranoïde waan en geheel daarvan in de ban, was betrokkene ten tijde van de handelingen die leidden tot het tenlastegelegde, indien bewezen, doodsbang voor haar leven en dat van haar kinderen en was zij ervan overtuigd dat er een complot tegen haar leven en dat van haar kinderen was gesmeed. Als direct gevolg van deze waan, in combinatie met haar impulsieve persoonskenmerken, heeft zij getracht eerst de kinderen te doden en daarna zichzelf. Aangenomen mag worden dat de cognitieve organisatie (het vermogen om planmatig te kunnen denken, overzicht te bewaren, gedachten kunnen ordenen) vlak voor het tenlastegelegde wegens haar psychotische toestand, veel minder was dat ten tijde van de observatie in het PBC. Ten tijde van het plegen van de haar tenlastegelegde feiten heeft betrokkene weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan kunnen inzien, doch is zij in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest haar wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. Betrokkene was ten tijde van het plegen van de haar tenlastegelegde feiten lijdende aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van haar geestesvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - haar slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte jarenlang onder psychische druk heeft geleefd en aan het eind van haar latijn was. Ten tijde van de tenlastegelegde feiten bestond bij haar geen enkel inzicht in de ongeoorloofdheid van haar handelen en was zij niet in staat haar wil te bepalen. Bij de verdachte ontbreekt derhalve alle schuld, zodat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Volgens de deskundigen van het Pieter Baan Centrum heeft de verdachte de ongeoorloofdheid van haar handelingen kunnen inzien, maar was zij sterk verminderd in staat haar wil dienovereenkomstig te bepalen, zodat die handelingen haar slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank is deze opvatting in het rapport toereikend onderbouwd. De rechtbank deelt de opvatting van de raadsman niet en ziet ook ambtshalve geen aanleiding tot de conclusie te komen dat bij de verdachte alle schuld ontbreekt. Dit leidt tot het oordeel dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

10. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zichzelf van het leven willen beroven. Om te voorkomen dat haar kinderen in de handen van anderen zouden vallen, heeft zij besloten ook haar kinderen van het leven te beroven. Hiertoe heeft zij haar zoontje in yoghurt gemengde slaaptabletten gegeven, waardoor zij zijn gezondheid heeft benadeeld. Het is te danken aan de gelukkige omstandigheid dat de slaaptabletten geen effect konden sorteren, dat haar zoontje geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of is overleden.

Bovenomschreven handelwijze moet voor het slachtoffer traumatisch zijn. Naar de ervaring leert, zal deze nog langdurig de psychische gevolgen daarvan ondervinden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake van enig misdrijf tot straf is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte vroeghulp-interventierapport van 31 augustus 2001, opgemaakt door mw. R. Delis, reclasseringswerker bij de Reclassering Nederland, afdeling Alkmaar;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 11 januari 2002, opgemaakt door mw. Th.A.M. Houtenbos, reclasseringswerker bij de Reclassering Nederland, afdeling Alkmaar;

- het onder 9 genoemde rapport van het Pieter Baan Centrum.

In laatstgenoemd rapport wordt geadviseerd de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Dit advies is gebaseerd op de premisse dat de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde handelingen het opleggen van die maatregel mogelijk maken.

Nu ingevolge artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht de terbeschikkingstelling met dwangverpleging slechts kan worden bevolen indien, voor zover te dezen van belang, op het begane misdrijf een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de maximum gevangenisstraf voor feit 2. meer subsidiair minder is dan 4 jaar, kan aan de verdachte, hoewel zij daarvoor overigens wel in aanmerking komt, voornoemde maatregel niet worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit - mishandeling onder de strafverzwarende omstandigheden van art. 304 onder 1 en onder 3 Sr - oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf op haar plaats is.

De rechtbank tekent hierbij aan dat, nu zij niet tot oplegging van de maatregel als bedoeld in art. 37a Sr kan overgaan, zij termen aanwezig acht een langere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd. De resterende tijd die de verdachte nog in detentie moet doorbrengen zou benut kunnen worden om een civielrechtelijke opname van de verdachte te bewerkstelligen.

11. ONTTREKKING AAN HET VERKEER

De inbeslaggenomen verpakking met 5 capsules Temazepan die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten is aangetroffen en de verdachte toebehoort, is zodanig van aard dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet. Dit voorwerp kan voorts dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten als onder 2. 2. meer subsidiair bewezen is verklaard. De verpakking met de capsules Temazepan dient dan ook onttrokken te worden aan het verkeer.

12. BESLISSING OMTRENT INBESLAGGENOMEN VOORWERPEN

De rechtbank is van oordeel, dat de inbeslaggenomen cassetteband dient te worden teruggegeven aan de politie Noord-Holland-Noord aangezien uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat deze als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Het inbeslaggenomen dagboek van de verdachte en de videoband met de titel "Invasion of Privacy" dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, aangezien zij als rechthebbende op deze vooorwerpen kan worden aangemerkt.

13. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 45, 57, 36b, 36d, 300, 302, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

14. BESLISSING

De rechtbank:

14.1 Verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1. subsidiair, 2. primair en 2. subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

14.2 Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1. primair, 1. meer subsidiair en 2. meer subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven in rubriek 2a respectievelijk rubriek 4a aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in voormelde rubrieken bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

14.3 Stelt vast dat het onder 1. primair en onder 1. meer subsidiair bewezenverklaarde geen strafbare feiten oplevert en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

14.4 Verstaat dat het onder 2. meer subsidiair bewezenverklaarde oplevert het hierboven in de rubriek 8 vermelde strafbare feit.

14.5 Verklaart de verdachte voor het onder 2. meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar.

14.6 Veroordeelt de verdachte voor het onder 2. meer subsidiair bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

14.7 Verklaart onttrokken aan het verkeer: 1.00 stk Medicijn

TEMAZEPAN

Verpakking met 5 capsules

14.8 Gelast de teruggave aan de politie Noord-Holland Noord van: 1.00 stk Cassetteband.

Gelast de teruggave aan de verdachte van:

- een dagboek van H.J. Schouten met enkele losse vellen

- 1.00 stk Videoband band getiteld "Invasion of Privacy"

14.9 Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter,

mr. J.C. van Dijk en mr. A.M. van Woensel, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2002.