Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AD9687

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
28-02-2002
Datum publicatie
28-02-2002
Zaaknummer
36/2002JJ
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/61 met annotatie van Mr. drs. M.S.A. Vegter
XpertHR.nl 2010-365873
XpertHR.nl 2010-408095
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE RECHTBANK TE ALKMAAR

KG nummer: 36/2002 JJ

Uitspraak: 28 februari 2002

De voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar, rechtdoende in kort geding, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER IN KORT GEDING,

procureur mr. A.E. Koster,

tegen:

1. de vennootschap onder firma NUCLEAR RESEARCH AND CONSULTANCY GROUP (NRG),

gevestigd te Petten, gemeente Zijpe;

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KEMA NUCLEAIR B.V.,

gevestigd te Arnhem;

3. de stichting ENERGIEONDERZOEK CENTRUM NEDERLAND (ECN),

gevestigd te Petten, gemeente Zijpe,

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

procureur mr. A.J.J. Sweens,

Gedaagden worden ook aangeduid als NRG, Kema en ECN.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 18 februari 2002 heeft eiser gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Eiser heeft vervolgens zijn eis vermeerderd en vervolgens verminderd.

Gedaagden hebben de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden pleitnotities en van de zijde van eiser de originele dagvaarding, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

1. De uitgangspunten

1.1 In 1980 is [eiser] als bedrijfstechnicus in dienst getreden van ECN. Thans is hij formeel werkzaam bij NRG welke vennootschap is opgericht in 1998. ECN is een van de vennoten van NRG.

1.2 Gedaagden exploiteren een kernreactor, de Hoge Flux Reactor (HFR), die eigendom is van de vergunninghouder Gemeenschappelijk Centrum Onderzoek (GCO). GCO heeft de bedrijfsvoering opgedragen aan NRG, waarbij de dagelijkse leiding is opgedragen aan de directie. [X], is sedert 8 oktober 2001 waarnemend-directievoorzitter.

1.3 Op 10 oktober 2001 heeft [eiser] schriftelijk de Kernfysische Dienst (KFD) benaderd met de mededeling, samengevat, "dat een aantal zaken behoorlijk uit de hand dreigde te lopen" en "dat de operators hierover nergens meer verhaal konden halen."

In zijn brief legt [eiser] aan de KFD twee onderwerpen voor, namelijk op het gebied van arbeidsvoorwaarden en op het gebeid van de veiligheid binnen de HFR.

1.4 [eiser] noemt vijf voorbeelden om zijn kritiek op de handelwijze binnen de HFR te illustreren. Twee van die voorbeelden had [eiser] al eerder, in een brief aan de directie van NRG van 29 juni 2000, gemeld. Hij heeft die brief toen, na gesprekken met de leiding, ingetrokken.

1.5 De KFD heeft naar aanleiding van de meldingen een onderzoek gedaan en op 9 januari 2002 haar inspectierapport aan NRG gezonden.

1.6 Inmiddels waren in verband met de vraagstukken wat betreft de veiligheid in de HFR publicaties in diverse dagbladen verschenen, nadat [eiser] de media had benaderd.

1.7 De Minister heeft de naar aanleiding van een en ander gestelde kamervragen door de leden Poppe en Vos, beantwoord.

1.8 [X] heeft [eiser] bij brief van 20 november 2001 namens NRG bericht dat hem grove onzorgvuldigheid werd verweten gelet op de aard van - en wijze waarop - [eiser] de door hem als incident aangeduide gebeurtenissen naar buiten heeft gebracht. [eiser] werd aangezegd ontheven te zijn van zijn functie als plaatsvervangend hoofd van de wacht en tevens dat hij was overgeplaatst naar een andere afdeling, in de functie van stralingsdeskundige.

1.9 [eiser] heeft dat geweigerd. Momenteel heeft NRG haar aanzegging gewijzigd in die zin dat [eiser] momenteel, met behoud van zijn inkomen, op non-actief is gesteld, een en ander in afwachting van een door NRG aan te vangen bodem(ontbindings)procedure.

1.10 [eiser] beroept zich in de onderhavige procedure op zogenaamde klokkenluiders arbeidsrechtelijke bescherming, zoals door hem aangeduid, en hij wil, vooruitlopend op die procedure, in zijn oude functie terug.

2. De vordering en de standpunten van partijen

2.1 [eiser] vordert, zakelijk weergegeven, opheffing van de ontheffing uit zijn functie en veroordeling van gedaagden om aan hem toegang te verlenen tot de terreinen en gebouwen

teneinde hem in staat te stellen zijn werkzaamheden als operator en plaatsvervangend hoofd van de wacht uit te voeren.

2.2 Volgens [eiser] heeft hij op juiste wijze gereageerd op de incidenten door deze, toen hij geen andere - interne - weg meer zag, naar buiten te brengen, waarbij hij niet aan zijn eigen belang heeft gedacht. NRG handelt in strijd met haar verplichting zich als goed werkgever te gedragen omdat er onvoldoende grond is [eiser] zijn werk te onthouden, terwijl bovendien de beslissing van NRG onzorgvuldig en in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor tot stand is gekomen.

De aangeboden alternatieve werkplek zou voor [eiser] een aanmerkelijke achteruitgang van zijn arbeidsvoorwaarden, zowel in hoogte van inkomen als duur van de arbeidsrelatie tot de datum van pensioen (VUT), betekenen. Met die eenzijdige wijziging hoeft hij dan ook niet in te stemmen.

Volgens [eiser] heeft aan zijn optreden geen arbeidsrechtelijke geschil ten grondslag gelegen; het ging hem slechts om de veiligheid in de HFR. Hij wenst daarom in aanmerking te komen voor de arbeidsrechtelijke bescherming die uit zijn handelen als "klokkenluider" voortvloeit.

2.3 Gedaagden hebben de vordering bestreden. Volgens hen voldoet het optreden van [eiser] niet aan de criteria van een klokkenluider omdat, samengevat, [eiser] onzorgvuldig en selectief gebeurtenissen naar buiten heeft gebracht en bovendien uitsluitend in eigen belang, nu in feite aan zijn handelingen een arbeidsvoorwaardenconflict ten grondslag lag. Volgens gedaagden heeft [eiser] gelegenheid gehad om intern melding te maken van een en ander. Zowel arbeidsinspectie en ondernemingsraad wisten van niets. Verder blijkt uit antwoorden van de Minister en uit het onderzoek van de KFD dat er geen verhoging van het risico voor werknemers of omwonenden heeft plaatsgevonden en dat slechts de interne interpretatievrijheid ten aanzien van de Interne Veiligheidstechnische Specificaties van de bedrijfsmanager niet langer wordt toegestaan. Er hebben geen overtredingen plaatsgevonden van de bedrijfsvoorschriften of vergunningen van de Kernenergiewet, de Arbeidsomstandighedenwet of de verleende vergunning.

Volgens gedaagden heeft [eiser] door onjuiste mededelingen op onzorgvuldige wijze naar buiten te brengen hen geschaad en daarom valt volgens hen te verwachten dat in de bodemprocedure de ontbinding wordt uitgesproken.

2.4 Partijen hebben hun wederzijdse standpunten uitvoerig toegelicht in de door beide overgelegde pleitnotities. Voorzover voor de beslissing van belang zal daarop hierna afzonderlijk en uitdrukkelijk worden ingegaan.

3. De gronden van de beslissing

3.1 Vaststaat dat eiser's loon momenteel wordt doorbetaald. Uit financieel oogpunt - hetgeen gelet op zijn stellingen in de dagvaarding redengevend was de aangeboden (lager gewaardeerde) functie als stralingsdeskundige te weigeren - heeft hij dan ook geen belang bij toewijzing van de vordering tot wedertewerkstelling vooruitlopend op de beslissing in de bodemprocedure.

3.2 Eiser heeft niet gesteld en anderszins is ook niet aannemelijk geworden dat de functie van operator/hoofd van de wacht zodanige bijzondere kwaliteiten van hem vergen dat de op non-actiefstelling tot gevolg heeft dat hij zijn speciale (des)kundigheid op het desbetreffende werkgebied zal verliezen.

3.3 Eiser beroept zich op arbeidsrechtelijke bescherming van een zogenaamde klokkenluider, maar daarin is in Nederland, buiten enkele bepalingen in het Ambtenarenrecht die evenwel toepasselijkheid in de onderhavige zaak ontberen, niet voorzien. Wel kan aansluiting worden gezocht bij die criteria, die erop neerkomen dat de aan het licht te brengen feiten van aanmerkelijk respectievelijk zwaarwegend belang moeten zijn en dat sprake is van het bewust verzwijgen van die grove schendingen van wet of beleid, waardoor tevens gevaar is voor volksgezondheid, veiligheid en/of milieu.

3.4 Voorts moet worden aangenomen dat degene die die feiten naar buiten brengt te goeder trouw handelt onder meer in die zin dat hij moet opteren voor de voor de werkgever minst bezwaarlijke wijze van bekendmaken van de gepretendeerde kwalijke praktijken. Wat dat betreft ligt het voor de hand dat voordat tot openbaarmaking in met name de media wordt overgegaan interne wegen worden bewandeld. Gelet op zijn arbeidsrechtelijke verplichting jegens de werkgever dient hij immers de belangen van laatstgenoemde te dienen. Dat geldt in het bijzonder nu de arbeidsplek een kernreactor betreft waardoor het evident is dat meldingen terzake de (on)veiligheid grote opschudding teweeg kunnen brengen in de samenleving.

3.5 In feite behelst een en ander een onderzoek op grond van het reguliere arbeidsrecht, nu de verlangde beoordeling erop neerkomt dat de verhouding werkgever/werknemer wordt getoetst, waarbij globaal gesteld voornoemde criteria eveneens het kader vormen. De vordering dient dan ook te worden beoordeeld naar de mate van waarschijnlijkheid dat de bodemrechter tot toewijzing van een door NRG in te dienen ontbindingsverzoek, overigens al dan niet met daaraan verbonden een vergoeding ten behoeve van [eiser], zal beslissen, in die zin dat toewijzing in deze kort gedingprocedure slechts kan pas plaatsvinden wanneer op grond van het thans voorhanden zijnde feitencomplex reeds ervan kan worden uitgegaan dat de bodemrechter een dergelijk verzoek zal afwijzen.

De volgende feiten en/of omstandigheden zijn bij de beoordeling van die vraag van belang.

3.5.1 [eiser] heeft in zijn brief aan de KFD gemeld dat er twee dingen spelen die direct ingrijpen verlangen. Het eerste betreft volgens hem de grote werkdruk die wordt uitgeoefend op de continudienstmedewerkers, waaronder hij zelf. Vastgesteld kan worden dat dit arbeidsomstandigheden betreft, hetgeen niet is begrepen in de hiervoor besproken criteria. In zijn antwoord aan [eiser] gaat de KFD daarop ook uitdrukkelijk niet in.

3.5.2 Het tweede betreft de volgens [eiser] optredende overtredingen van de veiligheidsvoorschriften en het verzwijgen van ernstige fouten, waarbij hij een aantal voorbeelden noemt. De eerste twee voorbeelden heeft [eiser] reeds in zijn brief van 29 juni 2000 aan de directie gemeld, welke brief hij naderhand heeft ingetrokken. Wat dat betreft heeft [eiser] weliswaar betoogd dat hij tot intrekking onder druk werd gezet, doch gedaagden hebben dat standpunt gemotiveerd bestreden, waarna [eiser] zijn stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De brief van juni 2000 is overigens het enige stuk waaruit blijkt dat [eiser] enig incident heeft gemeld.

3.5.3 De minister heeft in zijn antwoord op vragen van kamerleden meegedeeld dat wat betreft de door [eiser] gemelde feiten geen verhoging van het risico voor werknemers of omwonenden heeft plaatsgevonden. Tevens heeft de Minister verklaard dat het door [eiser] bedoelde handelen niet is te kwalificeren als een overtreding van een vergunningsvoorschrift of wet. Vastgesteld kan worden dat de door [eiser] bedoelde incidenten hiermee niet voldoen aan het hiervoor genoemde criterium van voldoende zwaarwegendheid.

3.5.4 Voorts meldt de Minister dat het bij NRG mankeert op het terrein van open communicatie tussen management en operators. Dit betreft een kennelijke arbeidsomstandigheid.

3.5.5 Ten aanzien van de vraag of [eiser] voldoende heeft getracht intern tot melding te beslissen kan worden vastgesteld dat de Minister heeft gemeld dat er bij NRG een interne klachtenprocedure bestaat en dat men zich eveneens tot de Arbeidsinspectie kan wenden, hetgeen voorzover hem op dat moment bekend was niet is gebeurd. Verder is met betrekking tot die vraag relevant de inhoud van de schriftelijke reactie van de ondernemingsraad van NRG gedateerd 30 januari 2002, afgegeven naar aanleiding van de persberichten over de veiligheidscultuur bij HFR, waarin onder meer wordt gesteld: "Ons hebben nooit "klokkenluiders" gebeld of geschreven. Ook is aan ons nooit een zwartboek overhandigd. De ondernemingsraad heeft dus nooit een reden gezien over dit onderwerp te spreken."| In het persbericht van 29 januari 2002 van de Algemene Belangenvereniging Nucleair Continudienstpersoneel Nederland meldt de vereniging onder meer het volgende:"In de media was sprake van een aantal misstanden bij de HFR. Er zouden dingen zijn gebeurd waardoor de veiligheid van de HFR en omwonenden in het geding zouden zijn geweest. Deze conclusie is niet juist. De veiligheid is nooit op enig moment in het geding geweest."

3.5.6 [eiser] heeft de media benaderd, waarna op 25 oktober 2001 een artikel in de krant verscheen over onregelmatigheden wat betreft de veiligheid in de kernreactor. Vastgesteld kan worden dat zulks is geschied ver vóór het tijdstip waarop de KFD de rapportage uitbracht. Kennelijk heeft [eiser] het onderzoek van de KFD niet willen afwachten, door welke omstandigheid de stelling van gedaagden inhoudende dat [eiser] een gecoördineerde actie tegen zijn werkgever voerde, via rechter, pers en KFD, en dat hij daardoor in zijn gepretendeerde rol als "klokkenluider" niet als te goeder trouw moet worden aangemerkt, niet bij voorbaat als onjuist kan worden gekwalificeerd.

3.6 Gelet op die feiten en gevolgtrekkingen is de conclusie gerechtvaardigd dat niet voldaan is aan de hiervoor onder 3.3 en 3.4 genoemde criteria, waardoor [eiser] bescherming als door hem bedoeld niet toekomt.

3.7 Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden op grond waarvan reeds nu kan worden geoordeeld dat de op non-actiefstelling als kennelijk onredelijk zal worden aangemerkt en dat de bodemrechter een ontbindingsverzoek zal afwijzen. Bij dat laatste is niet in de laatste plaats in aanmerking genomen de omstandigheid dat de verhouding tussen partijen als aanzienlijk verstoord kan worden aangemerkt

3.8 De vordering zal dan ook worden afgewezen en eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- weigert de gevorderde voorziening;

- veroordeelt eiser in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van gedaagden begroot op € 193,- aan verschotten en op € 703.35 aan salaris van de procureur.

Gewezen door mr. J.C. van Dijk, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2002 in tegenwoordigheid van J.J.M. Jeurissen, griffier.