Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AD9522

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-01-2002
Datum publicatie
16-04-2002
Zaaknummer
54127
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

datum beschikking : 16 januari 2002

DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALKMAAR, Meervoudige Kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken.

In de zaak rekestnummer 54127 / FA RK 01-476 van:

- [verzoeker],

geboren te [geboorteplaats], Groot-Brittannië,

op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], Spanje,

en

- [verzoekster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

echtelieden,

procureur mr. M. Koomen.

Verzoekers zullen verder ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verzoekster].

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 19 juli 2001 het verzoekschrift ingekomen, strekkende tot adoptie van de minderjarige van het vrouwelijk geslacht: [kind 1], oorspronkelijk genaamd [kind 1], geboren te Colombo, Sri Lanka, op [geboortedatum], als dochter van [naam],

alsmede strekkende tot adoptie van de minderjarige van het mannelijk geslacht: [kind 2], oorspronkelijk genaamd [kind 2], geboren te Colombo, Sri Lanka, op [geboortedatum], als zoon van [naam].

De mondelinge behandeling van het verzoek tot adoptie heeft plaatsgevonden op 26 november 2001. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Bij deze gelegenheid is ook de Raad voor de Kinderbescherming gehoord.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

Het ingediende verzoekschrift met overgelegde bescheiden voldoet aan de voorschriften vervat in artikel 799 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Door de omstandigheid dat [verzoeker] en de minderjarigen de Britse nationaliteit hebben -[verzoekster] heeft de Nederlandse nationaliteit-, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de minderjarigen reeds op

8 mei 1991 respectievelijk 3 mei 1993 naar het recht van Sri Lanka door verzoekers zijn geadopteerd.

Bij die beslissingen zijn de oorspronkelijke voornamen van de minderjarigen gewijzigd zoals bovenvermeld en hebben zij de geslachtsnaam [verzoeker] gekregen.

Verzoekers en de in Sri Lanka geadopteerde kinderen hebben na de adoptie enige jaren in Engeland gewoond. Vervolgens is het gezin naar Spanje verhuisd, waar uit het huwelijk van verzoekers in 1995 is geboren het [kind 3]. Sinds de zomer van 1999 woont [verzoekster] met zoon [kind 3] en [kind 1] en [kind 2] in [woonplaats]. [verzoeker] is in Spanje blijven wonen.

Op grond van het voorgaande kan ingevolge artikel 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 de vraag ter zake van de rechtsmacht in bevestigende zin worden beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat [kind 1] en [kind 2] hun gewone verblijf in Nederland hebben.

Vervolgens komt aan de orde welk rechtsstelsel op het verzoek van toepassing is.

Op het verzoek is ingevolge de artikelen 2 en 4 van voornoemd Verdrag het Nederlandse rechtsstelsel van toepassing als de interne wet van de bevoegde autoriteit.

Blijkens het onderhavige verzoek hechten verzoekers er belang aan dat de feitelijk in hun gezin bestaande verhouding tussen ouders en kinderen en kinderen onderling ook in Nederland in juridische zin, in die zin dat er tussen hen familierechtelijke betrekkingen bestaan, tot stand komt.

Zij voeren daartoe met name het belang van de minderjarigen aan.

Het adoptieverzoek voldoet niet aan de in artikel 227, lid 2, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gestelde voorwaarde. Immers, verzoekers hebben niet onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek drie aaneengesloten jaren met elkaar samengeleefd.

Voor het overige wordt aan de wettelijke vereisten voldaan.

Verzoekers zijn van oordeel dat de omstandigheden van het onderhavige geval dermate uitzonderlijk zijn dat zij een toewijzing van het verzoek kunnen rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verzoekers hebben destijds de bedoeling gehad de minderjarigen als hun eigen kinderen in hun gezin op te nemen met alle aan adoptie met betrekking tot de afstamming verbonden juridische gevolgen.

De adoptie in Sri Lanka wordt in Engeland erkend. In Engeland hebben [kind 1] en [kind 2] de status van kinderen die in familierechtelijke betrekking tot [verzoeker] en [verzoekster] staan. Een tweede adoptie, zoals (nog) in Nederland wordt vereist, was daar niet aan de orde.

Verzoekers hebben verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de wettelijke mogelijkheden om de kinderen te adopteren naar Nederlands recht en de thans gerezen problemen niet te hebben voorzien.

Eerst toen de moeder in 1999, na een afwezigheid van 19 jaar, met de

kinderen terugkwam naar Nederland en in [woonplaats] ging wonen, bleek haar dat de adopties uit 1991 en 1993 hier te lande niet worden erkend.

De voorwaarde dat adoptief-ouders direct voorafgaand aan het adoptieverzoek minimaal drie jaar hebben samengeleefd is in de wet opgenomen met het oog op bescherming van de te adopteren minderjarigen. De achterliggende gedachte is dat een zo stabiel mogelijke opvoedingssituatie wordt gewaarborgd in een nieuw gezin met een vader en een moeder, die gezamenlijk de verzorging en opvoeding ter hand nemen. De adoptief-kinderen moeten zo optimaal mogelijk in de gelegenheid worden gesteld zich, mede gelet op artikel 6, lid 2, van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), te ontwikkelen tot volwaardige en evenwichtige volwassenen, die zich in de huidige samenleving staande weten te houden. Hiervoor is onder meer van belang dat de minderjarigen het voor hun ontwikkeling noodzakelijke hechtingsproces in alle rust kunnen doormaken.

In het onderhavige geval kan ervan worden uitgegaan dat dit proces, gelet op de leeftijd van de minderjarigen en nu verzoekers en de minderjarigen al jarenlang met elkaar in gezinsverband hebben geleefd, inmiddels op de door de adoptieregels beoogde wijze is afgerond. Tussen de leden van het gezin zijn inmiddels hechte familiebanden ontstaan.

Adoptie dient als de meest verstrekkende kinderbeschermingsmaatregel te worden beschouwd. Anders dan de overige kinderbeschermings- maatregelen grijpt de adoptie ook in in het afstammingsrecht, in het bijzonder waar zij familiebanden met de biologische ouders en hun bloed-en aanverwanten verbreekt en nieuwe familiebanden met de adoptief-ouders en hun bloed- en aanverwanten daarvoor in de plaats stelt.

De minderjarigen zijn op zeer prille leeftijd door verzoekers geadopteerd, waarbij de juridische band met de moeder van elk van hen is verbroken. De identiteit van de vaders van de minderjarigen is nooit achterhaald.

Herstel van de banden met de biologische ouders behoort niet meer tot de mogelijkheden.

Aangenomen wordt dat de minderjarigen verder in Nederland zullen opgroeien. De opvattingen en omstandigheden in Nederland moeten voor de minderjarigen als maatgevend worden beschouwd. Afwijzing van het onderhavige verzoek zou betekenen dat in één gezin twee van de drie kinderen met dezelfde geslachtsnaam geen juridische band hebben met degene die zij als hun vader kennen, wiens naam zij dragen en wiens nationaliteit zij bezitten. De gevolgen van het onthouden van de formele bevestiging van de feitelijk al bestaande -en in Engeland erkende- familierechtelijke betrekkingen tussen [verzoeker] en [verzoekster] en [kind 1] en [kind 2] en tussen alle kinderen onderling kunnen naar de mening van de rechtbank een verdere reden zijn af te zien van de (formele) eis zoals gesteld in het bovengenoemde artikel.

Ingevolge artikel 3, lid 1, van het IVRK dienen de belangen van de kinderen als uitgangspunt te worden genomen bij de beslissing.

Tussen [verzoeker] en [verzoekster] is nog immer goed onderling overleg mogelijk.

Zij hebben afspraken gemaakt het contact tussen de kinderen en [verzoeker] in de gegeven omstandigheden zoveel mogelijk in stand te houden. Ook minderjarigen hebben op de voet van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 16 van het IVRK recht op eerbiediging van hun "family-life", in welke vorm dan ook. De nationale regels ten aanzien van adoptie behoren ondergeschikt te zijn aan dit recht. De kinderen hebben vanaf 1991 respectievelijk 1993 tot en met de zomer van 1999 met beide verzoekers in gezinsverband geleefd en vanaf 1999 met verzoekster. De gedurende een aanzienlijke periode opgebouwde familiebanden zijn het waard, ook nu de echtelieden gescheiden leven, te worden bestendigd.

De adoptie is in het kennelijke belang van de minderjarigen. Dit behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

De rechtbank zal dit deel van het verzoek derhalve toewijzen.

Op grond van artikel 25g Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zal de rechtbank de inschrijving in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente 's-Gravenhage bevelen van de zich bij de stukken bevindende geboorteakten van de minderjarigen.

Nu is gebleken dat er reeds een kind deel uitmaakt van het gezin van verzoekers dat de naam [verzoeker] draagt, ligt de geslachtsnaam [verzoeker] voor de thans te adopteren minderjarigen vast. Dat deel van het verzoek is daarom niet-ontvankelijk.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Spreekt uit de adoptie van de minderjarige van het vrouwelijk geslacht:

[kind 1], oorspronkelijk genaamd [kind 1], geboren te Colombo, Sri Lanka, op [geboortedatum], als dochter van [naam], door verzoekers.

Spreekt uit de adoptie van de minderjarige van het mannelijk geslacht:

[kind 2], oorspronkelijk genaamd [kind 2], geboren te Colombo, Sri Lanka, op [geboortedatum], als zoon van [naam], door verzoekers.

Beveelt de inschrijving van voormelde geboorteakten van de minderjarigen in de registers van de Burgerlijke Stand te 's-Gravenhage.

Verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek met betrekking tot de geslachtsnaam.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, kinderrechter, tevens voorzitter van deze kamer, en mrs. L. van der Heijden en E.J. van der Molen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2002, in tegenwoordigheid van mr. T.J. Bakker-van der Straaten als griffier.

Bij afwezigheid van de griffier is deze beschikking alleen ondertekend door de voorzitter van deze kamer.

U kunt tegen deze beschikking in hoger beroep gaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. U kunt dit hoger beroep instellen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

Het beroep moet namens u worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor de Rechtsbijstand. Bij dit verzoek moet een 'verklaring omtrent inkomen en vermogen' worden overgelegd. Zo'n verklaring kunt u verkrijgen bij de afdeling Burgerzaken van het gemeentehuis of bij de sociale dienst in uw gemeente.

Aan de hand van de gegevens op de verklaring omtrent inkomen en vermogen bepaalt de Raad voor de Rechtsbijstand de financiële draagkracht. Afhankelijk van die draagkracht wordt een zogenoemde toevoeging verstrekt onder oplegging van een eigen bijdrage. Die bijdrage is afhankelijk van de hoogte van de draagkracht.

Als de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan geldt de beschikking al wel, zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.