Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2001:AD9910

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-11-2001
Datum publicatie
07-03-2002
Zaaknummer
00/0858 e.v.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluiten van verweerder d.dis. 17 april 2000, 28 april 2000, 20 juli 2000, 11 augustus 2000, 22 augustus 2000, 22 september 2000, 25 juni 2001, 9 juli 2001 en 17 juli 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht.

Reg.nrs: 00/0858 CSV e.v.

Inzake: Fa. N.C. Kuin en Zn. te Andijk,

V.o.f. Gebr. C. en W. Wagemaker te Middenmeer,

Fa. van der Salm-De Goede en Zn. te 't Zand,

V.o.f. Slagter-Smit te Lutjebroek,

Fa. A.T. Slagter & Zn. te Hoogkarspel,

Warmex B.V. te 't Zand,

Azor B.V. te Breezand,

Lacrue B.V. te Breezand,

Tamis van der Salm v.o.f. te Den Helder,

Tamis v.o.f., J & R te 't Zand,

Gebr. Steenvoorden v.o.f. te Breezand,

Mooiman v.o.f. te Anna Paulowna,

V.o.f. Timmerman-Bergen te Sint -Pancras,

V.o.f. C. Wagenaar te Heerhugowaard,

V.o.f. P. Appelman & Zn. te Andijk,

V.o.f. Gebr. Beerepoot te Wijdenes,

Fa. G.J. Duineveld en Zn. te Breezand,

V.o.f. van Dijk & Zn. te 't Zand,

Firma H.L. van den Berg & Zn. te 't Zand,

Hopman en Zn. v.o.f. te 't Zand,

Fa. P.J. Hoogeboom te 't Zand,

D. Bruyn B.V. te Heerhugowaard,

Kolken en Zn. A.F. Fa. te Zwaagdijk -Oost,

V.o.f. W. en P.D. Hoogland te Dirkshorn,

V.o.f. fa. Mantel's Tuinbouwbedrijf te Andijk,

C.W. Kooijman Bloembollen B.V. te 't Zand,

Bloembollenkwekerij Mary Belle B.V. i.o. te Den Helder,

Bloembollenkwekerij Mary Belle B.V. te Den Helder,

V.o.f. Fa. Maters te Anna Paulowna,

Aad Prins Leliecultures B.V. te Breezand,

A.H. van Rijn Bloembollen B.V. te Petten,

Fa. N.L. van der Salm te Sint Maartensvlotbrug,

Fa. W. van der Salm te Den Helder,

V.o.f. J. Pennings 'De Noord' te Breezand,

Pater Bloembollen B.V. te Spierdijk,

G.J.M. Vonderbank te 't Zand,

[eiser] te 't Zand,

T & W Bolhuis en Zn. v.o.f. te Wieringerwerf,

V.o.f. Fa. A.H. van Rijn en Zn. te Petten,

Warmex Handelskwekerij te 't Zand,

V.o.f. Fa. C.W. Kooijman te 't Zand,

P.J. Hoogeboom H.O.D.N. Fa. P.J. Hoogeboom te 't Zand,

Fa. J.T. Smakman te 't Zand,

T & W Bolhuis en Zn. v.o.f. te Wieringerwerf,

Maatschap Tamis van der Salm te Den Helder,

J.N. Haakman & Zn. B.V. te Wervershoof,

V.o.f. Oud Schuijtemaker te Lutjebroek,

V.o.f. S. Kuilboer & Zn. te Koedijk,

[eiser] te Andijk,

V.o.f. Fa. J. Beemsterboer en Zn. te Wervershoof,

Fa. A.T. Slagter & Zn. te Hoogkarspel,

V.o.f. Slagter-Smit te Lutjebroek, eisers,

tegen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten.

Besluiten van verweerder d.dis. 17 april 2000, 28 april 2000, 20 juli 2000, 11 augustus 2000, 22 augustus 2000, 22 september 2000, 25 juni 2001, 9 juli 2001 en 17 juli 2001.

2. Zitting.

Datum: 29 november 2001.

Eisers zijn verschenen bij gemachtigde mr. J.J. Vetter, advocaat te Amsterdam.

Namens verweerder is, zoals tevoren is bericht, niemand verschenen.

3. Ontstaan en loop van het geding.

Bij afzonderlijke besluiten d.dis 7 december 1999 en 19 juli 2000 heeft verweerder eisers op grond van artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV) aansprakelijk gesteld voor de betaling van premies ingevolge de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Ziektewet (ZW) en de Ziekenfondswet (Zfw) tot een in de besluiten nader genoemd bedrag. Eisers zijn aansprakelijk gesteld voor het deel van de door Coöperatie Europool '98 U.A. (Europool) verschuldigde premie dat betrekking heeft op werknemers die eisers in de in de besluiten nader genoemde premiejaren van Europool heeft ingeleend om onder eisers toezicht of leiding werkzaam te zijn.

Tegen deze besluiten is namens eisers een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij verweerder ingediend.

Bij afzonderlijke besluiten d.dis 17 april 2000, 28 april 2000, 20 juli 2000, 11 augustus 2000, 22 augustus 2000, 22 september 2000, 25 juni 2001, 9 juli 2001 en 17 juli 2001 heeft verweerder de bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Namens eisers is tegen laatstgenoemde besluiten beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, een verweerschrift ingediend.

Vervolgens zijn de gedingen ter zitting van 29 november 2001 gevoegd behandeld.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

5.1 In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht eisers hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling van premies ingevolge de WW, de WAO, de ZW en de Zfw tot de in de desbetreffende in rubriek 3 genoemde primaire besluiten vermelde bedragen.

5.2 Daartoe moet worden bezien of deze besluiten tot aansprakelijkstelling, zoals gehandhaafd bij de bestreden besluiten, de toetsing aan de geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan. Voor de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

5.3 Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de CSV - zoals dit artikel ten tijde in geding luidde - is wanneer een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn werkgever door deze ter beschikking is gesteld van een derde, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, die derde hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de premie en de voorschotpremie, welke de werkgever verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door de werknemer.

Ingevolge artikel 16a, tweede lid, van de CSV - zoals dit artikel ten tijde in geding luidde - vindt het bepaalde in het eerste lid geen toepassing:

a. indien degene, aan wie een werknemer ter beschikking is gesteld, overeenkomstig het bepaalde krachtens het derde lid aangifte doet van het feit, dat hij gebruik maakt van een werknemer, die hem door diens werkgever ter beschikking is gesteld, en bovendien de terbeschikkingstelling geschiedt met gebruikmaking van een aan die werkgever verleende vergunning als bedoeld in artikel 90 van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990,402), zo deze is vereist, en wel ten aanzien van loonbetalingstijdvakken, aangevangen nadat degene, aan wie de werknemer ter beschikking is gesteld, van bedoeld feit aangifte heeft gedaan;

b. in de door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan te wijzen gevallen.

5.4 Blijkens de stukken heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat Europool over de in geding zijnde periode (van 1994 tot en met 1998) aan eisers Poolse arbeidskrachten ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van agrarische werkzaamheden. Europool is in gebreke gebleven de door haar verschuldigde premies te betalen en vervolgens heeft verweerder eisers als inleners hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de ter zake van het van Europool ingeleende personeel verschuldigde premies.

5.5 Partijen worden in dit geding op de eerste plaats verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of verweerder Europool terecht en op goede gronden als uitlenende werkgever heeft aangemerkt en derhalve premieplichtig was terzake van het door deze arbeidskrachten ontvangen loon.

5.6 Met verweerder en onder verwijzing naar de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 31 augustus 2001 (AWB 00/6278 en 00/6280 ALGEM H V04 G106 K1) beantwoordt ook deze rechtbank deze vraag bevestigend.

In de aan deze rechterlijke uitspraak ten grondslag liggende premiebesluiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Poolse arbeidskrachten voor Europool werkzaam waren primair in een privaatrechtelijke dienstbetrekking (artikel 3 van de ZW, WW, WAO en ZFW) en subsidiair in een maatschappelijk daarmee gelijk te stellen arbeidsverhouding (artikel 5 van de ZW, WW en WAO en artikel 3 van de ZFW in samenhang met artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1986, Stb. 1986,655). Deze laatste artikelen brengen onder de verplichte verzekering degene die persoonlijk arbeid verricht ten behoeve van een derde door tussenkomst van de natuurlijke persoon tot wie of van het lichaam tot welk de arbeidsverhouding bestaat.

De rechtbank Haarlem heeft in haar uitspraak van 31 augustus 2001 overwogen - kort samengevat - dat verweerder niet althans onvoldoende heeft kunnen aantonen dat in relatie tussen Europool en de Poolse arbeiders is voldaan aan alle elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, doch de rechtbank onderschreef wel de subsidiaire grondslag dat de Poolse arbeiders bij derden (eisers) werkzaam waren door tussenkomst van Europool. Daartoe heeft de rechtbank Haarlem overwogen dat overtuigend is gebleken dat Europool met behulp van de mede door haar inspanningen opgerichte en ondersteunde Poolse vennootschappen, de spolka's, een leidende rol speelde in het tewerkstellen van de Poolse arbeiders bij de tuinders. De rechtbank Haarlem is met verweerder van oordeel dat de spolka's niet meer waren dan schijnondernemingen in handen van Europool.

De rechtbank ziet geen reden om in de onderhavige procedures tot een andersluidend oordeel te komen dan de rechtbank Haarlem in haar uitspraak van 31 augustus 2001. De rechtbank verwijst voorts nog ter ondersteuning van haar oordeel naar de uitspraak van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, van 31 maart 2000, parketno. 14.010305/98.

Gegeven hetgeen in voornoemde twee uitspraken reeds is overwogen en in aanmerking genomen hetgeen overigens uit de stukken is gebleken kan ook deze rechtbank niet anders dan oordelen dat verweerder Europool terecht en op goede gronden heeft aangemerkt als uitlenende werkgever zodat Europool aansprakelijk kon worden gesteld voor de niet afgedragen premies voor de sociale verzekeringen.

5.7 Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de CSV is de inlenende werkgever aansprakelijk voor door de eigenlijke werkgever - de uitlener - niet afgedragen premies werknemersverzekeringen. Voorwaarde voor toepassing van de inlenersaansprakelijkheid is op de eerste plaats dat de ingeleende werknemer onder toezicht of onder leiding van de inlener werkzaam is. Hierin onderscheidt de inlening zich in zoverre van de aanneming van werk, waarbij er immers geen sprake is van het verrichten van werk onder leiding of toezicht van de opdrachtgever.

Naar vaste jurisprudentie ligt de bewijslast inzake de vaststelling of er sprake is van inlening en in het bijzonder ten aanzien van de vraag of er al dan niet onder toezicht of feitelijke leiding is gewerkt in beginsel op de aansprakelijkgestelde.

De rechtbank ziet geen reden om dit door zowel de Centrale Raad van Beroep als de Hoge Raad in vaste jurisprudentie gehanteerde uitgangspunt niet ook in het kader van de door haar te maken beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten tot leidraad te nemen.

Namens verweerder is gesteld dat de werkzaamheden van de Poolse arbeidskrachten onder toezicht en/of feitelijke leiding van eisers werden uitgevoerd. Hiertoe is namens verweerder aangevoerd dat van de zijde van eisers niet alleen de voortgang en de kwaliteit van het werk werden gecontroleerd, maar ook dat de werkzaamheden op de desbetreffende bedrijven werden uitgevoerd en dat daarbij gebruik werd gemaakt van gereedschap en werktuig dat door eisers ter beschikking werd gesteld.

Namens eisers is deze feitelijke gang van zaken onvoldoende gemotiveerd bestreden. Derhalve acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat de feitelijke werkzaamheden van de Poolse arbeidskrachten niet onder toezicht en/of feitelijke leiding van eisers zouden hebben plaatsgevonden. De werkzaamheden van de Poolse arbeidskrachten werden afgerekend tegen een vast uurtarief, hetgeen volgens vaste jurisprudentie een belangrijke indicatie is om een situatie aan te nemen als bedoeld in artikel 16a van de CSV. Daarnaast moet als vaststaand worden aangenomen dat de Poolse arbeidskrachten evenals het overige personeel van eisers met gereedschap en werktuig van eisers hebben gewerkt, zodat ook in dit opzicht de Poolse arbeidskrachten deel uitmaakten van de bedrijfsorganisatie van eisers.

5.8 Vast staat voorts dat Europool niet beschikte over een vergunning om personeel uit te lenen en dat van de inlening door eisers geen aangifte bij verweerder is gedaan, zodat het bepaalde in artikel 16a, tweede lid, van de CSV toepassing mist.

5.9 Namens eisers is een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 16a, zevende lid, van de CSV.

Ingevolge dit artikel kan de inlener die hoofdelijk aansprakelijk is, slechts worden aangesproken, wanneer de uitlener met de betaling of de voorschotpremie in gebreke is.

Namens eisers is daartoe gesteld dat de onderliggende aan Europool gerichte premienota's zijn vastgesteld en toegezonden op een tijdstip dat Europool reeds was opgehouden te bestaan, zodat deze premienota's niet geldig zijn. Als gevolg hiervan kan naar de mening van eisers niet worden gezegd dat de premieplichtige (in casu Europool) in gebreke is als bedoeld in artikel 16a, zevende lid, van de CSV.

Vast staat dat Europool blijkens een uitschrijving bij de Kamer van Koophandel met ingang van 23 november 1998 is ontbonden, derhalve voordat namens verweerder ten aanzien van Europool correctienota's over de jaren 1994 tot en met 1998 waren vastgesteld. Anders dan eisers' gemachtigde is de rechtbank evenwel van oordeel dat uitsluitend dit gegeven niet in de weg staat aan een aansprakelijkstelling van Europool en evenmin aan een - onder toepassing van het bepaalde in artikel 16a van de CSV - aansprakelijkstelling van eisers. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 16a, zevende lid, van de CSV is eerst met ingang van 1 juli 1998 in artikel 16a van de CSV opgenomen en komt overeen met het zevende lid van artikel 16b van de CSV. Doch ook voorheen gold dat een secundaire aansprakelijkstelling van de inlenende werkgever eerst dan op zijn plaats was als de primair premieschuldige in gebreke is met de betaling van premies. Daarvoor moet vaststaan dat de uitlenende werkgever premie is verschuldigd. Vast staat dat in het onderhavige geval een dergelijke premievaststelling ten aanzien van Europool heeft plaatsgevonden. Vast staat verder dat Europool de verschuldigde premies niet heeft betaald, zodat zij met de betaling daarvan in gebreke is. Anders dan de gemachtigde van eisers ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat zo'n premievaststelling jegens Europool niet meer had kunnen en mogen geschieden na de ontbinding van de rechtspersoon Europool. Daarvoor is geen aanleiding, enerzijds omdat het hier materieel gezien gaat om premies welke betrekking hebben op een periode die aan de ontbinding van de rechtspersoon voorafgaat, en anderzijds moet daarnaast ook aannemelijk worden geacht - de rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Alkmaar, de meervoudige kamer voor strafzaken, parketno. 14.010305/98 - dat Europool ook na de ontbinding per 23 november 1998 haar feitelijke werkzaamheden nog heeft voortgezet.

5.10 Gegeven het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de voorwaarden van artikel 16a van de CSV en is de aansprakelijkheid van eisers voor de in geding zijnde premies voor de sociale werknemersverzekeringen gegeven.

5.11 Verweerder heeft de omvang van het premiebedrag waarvoor eisers aansprakelijk zijn gesteld vastgesteld door de omzet te delen door het uurloon van f 17,50 dat door Europool bij eisers in rekening werd gebracht. Het zo verkregen aantal uren is - zo blijkt uit de stukken - vervolgens vermenigvuldigd met een uurloon van f 12,25, hetgeen neerkomt op 70% van f 17,50. De rechtbank acht deze berekeningswijze alleszins aanvaardbaar. Daartoe heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eisers dienaangaande geen loonadministratie hebben gevoerd, zodat verweerder bij de vaststelling moest aansluiten bij de wel bekende gegevens en op basis daarvan een schatting heeft moeten maken van het door eisers verschuldigde premieloon. Dat daarbij ten aanzien van de door verweerder gebruikte gegevens geen volledige zekerheid zal kunnen worden verwacht acht de rechtbank vanzelfsprekend en dient voor rekening en risico van eisers te worden gelaten. Niet kan worden gezegd dat verweerder daarbij buiten de in dat kader in acht te nemen zorgvuldigheidsgrenzen is getreden.

5.12 Eisers menen dat het Gak, maar daarnaast ook de belastingdienst, jarenlang de door Europool - en voorafgaand aan Europool ook de door Solidarnosc - gepresenteerde bedrijfsstructuur heeft geaccepteerd. Solidarnosc deed, aldus eisers, voorkomen alsof zij werkte met een legale constructie waarbij de Poolse arbeidskrachten werden gepresenteerd als zelfstandige ondernemers. Ook door Europool is steeds het beeld gevestigd van Poolse ondernemingen (de spolka's) die in Nederland werkzaam waren met Poolse werknemers die niet onder de Nederlandse sociale werknemersverzekeringen vielen. Blijkens de onderliggende stukken beschikte het Gak volgens eisers reeds medio 1993 over zodanig sterke aanwijzingen voor het tegendeel dat verweerder eisers vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid had moeten waarschuwen voor de door hen te lopen financiële risico's in verband met een later vast te stellen aansprakelijkheid voor door beide organisaties niet afgedragen premies sociale werknemersverzekeringen. Eerst in 1998 werd richting de betrokken agrarische bedrijven plotseling en in weerwil van het aanvankelijke gedogen van de door beide organisaties gehanteerde constructies actie ondernomen. Namens eisers is gesteld dat een en ander zich niet verdraagt met het vertrouwensbeginsel.

Namens verweerder is bestreden dat eisers rechtens erop mochten vertrouwen dat verweerder zou afzien van een aansprakelijkstelling van eisers. Daartoe is namens verweerder gesteld dat eisers nimmer te verstaan is gegeven dat verweerder niet tot premieheffing zou overgaan. Aan de omstandigheid dat dit eerst in 1999 is geschied kan verweerder niet dezelfde betekenis hechten als eisers, aangezien de premieaanslagen de in artikel 13 van de CSV vervatte wettelijke termijn van vijf jaar niet overschrijden. Van een gedoogsituatie is, aldus verweerder, geen sprake geweest. Blijkens de stukken is het aan de premieaanslagen ten grondslag liggende onderzoek gestart in september 1997, omdat in de loop van de daaraan voorafgaande periode steeds sterkere vermoedens rezen dat de door Solidarnosc en Europool gehanteerde constructies niet overeenkwamen met de feitelijk door beide organisaties uitgevoerde werkwijze en zowel door het Gak als de belastingdienst steeds ernstiger vraagtekens werden gezet bij de door deze organisaties gepresenteerde constructies welke ertoe moesten leiden dat de Poolse werknemers niet onder de Nederlandse sociale verzekeringswetten vielen. Nadat uit het hierbedoelde - door de complexe materie langdurige - onderzoek de conclusie naar voren was gekomen dat het in beide gevallen om een schijnconstructie ging zijn zowel aan Solidarnosc als Europool correctienota's gestuurd en zijn vervolgens ook eisers secundair aansprakelijk gesteld.

De rechtbank kan eisers' gemachtigde niet volgen in zijn beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank is niet gebleken van concrete en ondubbelzinnige mededelingen van de zijde van (medewerkers van) verweerder dat geen premieheffing zou plaatsvinden. Ook in het feitelijk handelen van verweerder kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat van de zijde van verweerder het vertrouwen is gewekt dat de Poolse werknemers niet verzekeringsplichtig zouden zijn en dat een aansprakelijkstelling om die reden niet zou plaatsvinden. De rechtbank deelt niet de opvatting van eisers' gemachtigde dat het verweerder vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid jegens eisers niet meer aanging om na aanvankelijke acceptatie van de constructies waarvan Solidarnosc en Europool zich op de Nederlandse arbeidsmarkt bedienden - hetgeen kennelijk tot gevolg had dat in de eerste jaren van premievaststelling werd afgezien -vervolgens van dit standpunt terug te komen en als uitvloeisel daarvan niet alleen Solidarnosc en Europool, maar ook eisers met terugwerkende kracht nog premieaanslagen op te leggen. Gegeven de wettelijke termijn van vijf jaar waarbinnen nog tot premievaststelling kan worden overgegaan moet verweerder in beginsel bevoegd worden geacht - zeker nu niet is gebleken van een zodanig afgeronde interne besluitvorming dienaangaande welke op duidelijke en ondubbelzinnige wijze naar buiten toe bekend is gemaakt - binnen die wettelijke termijn over te gaan tot premievaststelling. De rechtbank is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat op grond daarvan gezegd zou moeten worden dat verweerder hierbij buiten de grenzen van de jegens eisers in acht te nemen zorgvuldigheid is getreden. Niet kan worden staande gehouden dat verweerder na het instellen van het hiervoor bedoelde onderzoek en nadat op grond van de resultaten daarvan de conclusie was getrokken dat de desbetreffende Poolse werknemers verzekeringsplichtig waren onnodig lang getalmd heeft met het alsnog opleggen van premienota's.

5.13 De rechtbank ziet geen reden om voor verweerder een waarschuwingsplicht aan te nemen. Met verweerder staat de rechtbank op het standpunt dat het primair op de weg van eisers zelf ligt erop toe te zien dat zij niet blootgesteld zijn aan een hoofdelijke aansprakelijkheid als inlenende werkgever.

5.14 Namens eisers is aangevoerd dat bij de totstandkoming van de bestreden besluiten niet een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in acht is genomen.

Ook dit argument van eisers kan niet slagen. Zoals de Centrale Raad van Beroep eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 december 1998 (gepubliceerd in AB 99/131, RSV 99/93 en RAwb 99/94) moet het bij artikel 6 van het EVRM gaan om de termijn van de gerechtelijke procedure. Weliswaar kan het optreden van het bestuursorgaan onder omstandigheden bij die termijn (ten dele) worden betrokken, maar dan dient voor het aanvangen van een termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM toch ten minste een standpunt van het bestuursorgaan voorhanden te zijn dat de betrokkene aanleiding kan geven een geschil (in casu betreffende een burgerlijk recht) op te werpen. Hier was dit niet het geval.

De rechtbank acht de duur van deze gerechtelijke procedure niet zodanig lang dat daaraan in het licht van artikel 6 van het EVRM gevolgen zouden moeten worden verbonden.

5.15 Van een zodanige vertraging in de afgifte van de in geding zijnde premieaanslagen dat als gevolg daarvan sprake zou kunnen zijn van een onrechtmatigheid in bestuursrechtelijke zin acht de rechtbank evenmin sprake.

5.16 Namens verschillende eisers is naar voren gebracht dat de secundaire aansprakelijkstelling niet stand kan houden omdat sprake is geweest van een onjuiste tenaamstelling. Verweerder had bij een voldoende zorgvuldig onderzoek de juiste gegevens betreffende de tenaamstelling kunnen opmerken, zodat de besluiten strijdig zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank kan eisers hierin niet volgen. Met eisers' gemachtigde moet worden geoordeeld dat de tenaamstelling van verschillende premieaanslagen omissies vertoont. Anders dan eisers' gemachtigde is de rechtbank evenwel van oordeel dat in het kader van deze procedures hieraan geen doorslaggevend gewicht behoeft te worden toegekend. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de tenaamstelling van een besluit zodanig te zijn dat er geen misverstand kan zijn tot wie het besluit zich richt zodat diegene zo gewenst bezwaar tegen die beslissing kan maken respectievelijk beroep kan instellen. Hoewel niet alle premieaanslagen voorzien zijn van een volledig correcte tenaamstelling heeft dit niet eraan in de weg gestaan dat steeds tijdig bezwaar is gemaakt en beroep is ingesteld, zodat bezwaarlijk kan worden gezegd dat eisers door de onnauwkeurigheden ten aanzien van de tenaamstelling zodanig in hun processuele belangen zijn geschaad dat om die reden de premieaanslagen niet in stand zouden kunnen worden gelaten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de namens eisers gevoerde procedures niet de conclusie rechtvaardigen dat het voor eisers onduidelijk is geweest wie voor de desbetreffende premies aansprakelijk werd gesteld. Daarbij heeft de rechtbank - voor zover ten tijde van het inlenen sprake was van een vof als inlenende werkgever - mede het bepaalde in artikel 4 van het Wetboek voor Burgerlijke rechtsvordering in aanmerking genomen ingevolge welk artikel dagvaardingen en andere exploiten ten aanzien van een vof dienen te worden uitgebracht aan de persoon of de woonplaats van een der beherende vennoten en, na de ontbinding, van een der vereffenaars.

Voor wat betreft de zaken onder reg.nrs 00/1397 en 00/1428 ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om anders te oordelen. Deze aansprakelijkstelling ziet op de periode van 1994 tot en met 1996. Verweerder heeft bij het primaire besluit Bloembollenkwekerij Marybelle BV aansprakelijk gesteld, terwijl deze vennootschap eerst sinds 16 augustus 1995 bestaat en zodoende voor 1994 niet aansprakelijk gesteld had mogen worden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het voor de betrokken vennootschap duidelijk geacht mag worden dat bedoeld werd om voor die premieschuld de voorheen bestaande vof Bloembollenkwekerij Marybelle BV i.o aansprakelijk te stellen. Overigens is zowel op naam van Bloembollenkwekerij Marybelle BV als Bloembollenkwekerij Marybelle BV i.o beroep ingesteld tegen dezelfde premieaanslag. De rechtbank laat dit aspect thans verder buiten bespreking aangezien in dit geval ook slechts eenmaal griffierecht is geheven, hetgeen ook in andere gevallen is geschied waarbij zekerheidshalve op een dubbele naam beroep is ingesteld.

5.17 De rechtbank is tenslotte van oordeel - anders dan eisers' gemachtigde - dat het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb verweerder niet dwingt om van een aansprakelijkstelling die ziet op een gering bedrag -los van de vraag of eisers' gemachtigde wel zou kunnen worden gevolgd in zijn opvatting dat in een aantal nader genoemde gevallen daarvan sprake is - af te zien. Dat de belastingdienst op dit punt dienaangaande wel een beleid voert regardeert verweerder niet. Verweerder heeft in dezen immers een eigen verantwoordelijkheid.

5.18 De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat verweerder zodanig in strijd heeft gehandeld met artikel 8:42 van de Awb dat op grond daarvan tot vernietiging van de bestreden besluiten zou moeten worden overgegaan. Ingevolge dit artikel zendt verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank. Dit zullen in het algemeen de stukken zijn welke een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van het verwerend orgaan en welke derhalve ten grondslag hebben gelegen aan het desbetreffende bestreden besluit. Het verwerend orgaan zal alle stukken dienen over te leggen die relevant kunnen zijn voor de rechtbank om tot een uitspraak te komen. Mede gegeven hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank zich in staat om op basis van de door verweerder overgelegde stukken tot een afgerond oordeel te komen. Niet valt uit te sluiten dat een aantal stukken waarnaar namens eisers bij verweerder is gevraagd eisers' gemachtigde nog een nader inzicht zouden kunnen bieden in de aan de bestreden premieaanslagen voorafgaande feitelijke gang van zaken, doch - in weerwil van hetgeen daaromtrent namens eisers is gesteld - bestaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding voor de verwachting dat overlegging van de door eisers' gemachtigde aan verweerder gevraagde stukken een ander licht zou kunnen werpen op de thans aan de orde zijnde problematiek, welke - mede als gevolg van de hiervoor genoemde uitspraak van rechtbank Haarlem van 31 augustus 2001 - zich in deze procedures heeft toegespitst op de vraag of voldaan wordt aan de wettelijke vereisten van de inlenersaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 16a van de CSV. De rechtbank ziet derhalve onvoldoende reden voor een nadere aanhouding van de onderhavige zaken.

5.19 Gegeven hetgeen hiervoor is overwogen en in aanmerking genomen hetgeen overigens uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen acht de rechtbank de onderhavige beroepen ongegrond.

5.20 Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

5.21 Beslist is derhalve als volgt.

6. Beslissing.

De rechtbank,

- verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. Jacobs, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 29 november 2001

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.