Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2001:AB2587

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
11-07-2001
Datum publicatie
11-07-2001
Zaaknummer
01/1204
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

President

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

Reg.nr: 01/1204

Inzake: Deen Vastgoed B.V., Deen Supermarkten B.V. en Deen Winkels B.V., gevestigd te Hoorn, verzoeksters,

tegen: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Anna Paulowna, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 22 juni 2001.

2. Zitting.

Datum: 29 juni 2001.

Verzoeksters zijn ter zitting vertegenwoordigd door [Algemeen directeur] en mr. L.T. van Eyck van Heslinga en mr. W.J.M. Loomans, advocaten te Alkmaar.

Verweerder is verschenen in persoon van J.B.M. Meijer, burgemeester, bij gemachtigde H. Medema, ambtenaar van de gemeente, alsook vertegenwoordigd door mr. G. Creutzberg, advocaat te Den Helder.

3. Feiten welke als vaststaande worden aangenomen.

Bij besluit van 22 juni 2001 heeft verweerder verzoeksters onder aanzegging van bestuursdwang en vermelding van kostenverhaal gelast het, bij gebreke van de op grond van artikel 6.1.1 van de Bouwverordening van de gemeente Anna Paulowna vereiste gebruiksvergunning, strijdige gebruik van de panden Doorlaat 1 en 8 alsmede Molenvaart 27 te Anna Paulowna als supermarkt uiterlijk dinsdag 3 juli 2001 08.00 uur te beëindigen.

Tegen dit besluit hebben verzoeksters bij brief van 26 juni 2001 bezwaar gemaakt.

Tevens hebben zij de president bij brief van dezelfde datum verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 27 juni 2001 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden.

Bij brieven van 27 juni 2001 hebben verzoeksters de rechtbank nadere stukken doen toekomen.

Bij brieven van 28 juni 2001 heeft verweerder de rechtbank een verweerschrift en nadere stukken doen toekomen.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het oordeel van de president heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure die mogelijkerwijs volgt.

Ingevolge artikel 6.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bouwverordening van de gemeente Anna Paulowna (Hoofdstuk 6, Brandveilig gebruik, hierna: de BVO) is het verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een woongebouw.

Ingevolge artikel 6.1.2, eerste lid van de BVO moeten bij de aanvraag de gegevens en bescheiden worden overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze verordening.

Ingevolge artikel 6.1.4, eerste lid, van de BVO beslissen burgemeester en wethouders op een aanvraag voor een gebruiksvergunning binnen 13 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

Aan de toelichting op de Woningwet en de Model-bouwverordening 1992 kan het navolgende worden ontleend.

Vorengenoemde voorschriften van de BVO vloeien voort uit het bepaalde in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, sub 4 van de Woningwet. De BVO bindt het gebruik van een bouwwerk waarin een verhoogde kans op brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal uitgebroken kans op brand aanwezig is, aan een gebruiksvergunning. De vergunningplicht heeft tot doel in die situatie waarin dat nodig is, het toekomstige gebruik van een bouwwerk te beoordelen op brandveiligheid en om zo nodig voorwaarden te verbinden aan de gebruiksvergunning op grond van artikel 6.1.1, tweede lid van de BVO. In de BVO gaat het enkel en alleen om de door burgemeester en wethouders af te geven vergunning voor het gebruik van een gebouw door meerdere personen of voor de opslag van brandgevaarlijke stoffen vanuit het motief brandveiligheid. Ten aanzien van deze categorieën van gebouwen geldt in de BVO de wijze van gebruik ten aanzien van de brandveiligheid als bijzonder kritisch. Aan de vergunning kunnen alleen voorwaarden worden verbonden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. Hieronder kunnen worden begrepen voorwaarden met betrekking tot de bereikbaarheid van het bouwwerk, uitgangen, vluchtwegen, blusmiddelen, het maximale aantal personen dat toegelaten wordt, opslag van materialen, brandveiligheidsinstructies en een ontruimingsplan.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:22 van de Awb bestaat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang slechts indien zij bij of krachtens de wet is toegekend.

Ingevolge artikel 5:24, derde lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking (van de beschikking tot toepassing van bestuursdwang) aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Op 9 mei is bij verweerder ingekomen een aanvraag gebruiksvergunning ten behoeve van het, blijkens de bijbehorende tekening, gebruik van de panden Molenvaart 27 en Doorlaat 1 en 8 te Anna Paulowna als supermarkt van Deen Vastgoed B.V., de eigenaar van desbetreffende panden. In de aanvraag is het maximaal aantal toe te laten personen gesteld op ongeveer 200.

Bij brief van 13 juni 2001 is deze aanvraag teruggebracht tot het perceel Doorlaat 1. Deze wijziging is aangemerkt als een wijziging van de oorspronkelijke aanvraag. Op deze aanvraag is nog niet beslist. De termijn waarbinnen dit dient te geschieden is nog niet verlopen.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, hebben partijen terecht geoordeeld dat een gebruiksvergunning is vereist als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de BVO.

Vast staat dat de desbetreffende panden op 21 juni 2001 als supermarkt in gebruik zijn genomen zonder de vereiste gebruiksvergunning. Vast staat ook dat verzoeksters vóór deze ingebruikname gewezen zijn op het vereiste van een gebruiksvergunning, en dat zij aan de bij besluit van 18 juni 2001 door verweerder ter zake opgelegde preventieve last, waarbij een eenmalige dwangsom van f 1.000.000,-- is opgelegd, geen gevolg hebben gegeven. Deze dwangsom is verbeurd, en voornoemd besluit komt ter zake geen werking meer toe. In het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit ingetrokken als bedoeld in artikel 5:31 van de Awb.

Nu het middel van de last onder dwangsom niet effectief is gebleken, waaruit kan worden geconcludeerd dat voornoemd bedrag te laag was, staat het verweerder vrij opnieuw een last onder een hogere dwangsom uit te vaardigen dan wel een bestuursdwangbeschikking te nemen. Van een ongeoorloofde samenloop van dwangmiddelen is derhalve geen sprake.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder thans de bevoegdheid toekomt door middel van bestuursdwang handhavend op te treden tegen de illegale situatie, bestaande uit de overtreding van het verbod in artikel 6.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de BVO, zoals ook vermeld in het bestreden besluit.

Verzoeksters betoog dat de aanschrijving onzorgvuldig is nu deze aan een drietal rechtspersonen is gericht, faalt. Gelet op de bij verweerder beschikbare informatie, waaronder andere ingekomen aanvragen alsook een gedane melding, is de bekendmaking van het bestreden besluit geschied overeenkomstig het bepaalde in artikel 5:24, derde lid, van de Awb. Daarbij wordt opgemerkt dat in voornoemd artikellid de term "belanghebbenden" is vermeden om te voorkomen dat bestuursorganen in onzekerheid geraken aan wie zij de aanschrijving moeten zenden. Wie het uiteindelijk in zijn macht heeft bestuurlijk optreden overbodig te maken, is een zaak die het bestuur niet regardeert. Daarbij zij opgemerkt dat het geenszins verboden is dat ook aan andere belanghebbenden dan de in het artikellid genoemde het bestuursdwangbesluit bekend wordt gemaakt.

Dat verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit van het horen van verzoeksters heeft afgezien, komt de president onder voornoemde omstandigheden onjuist noch onredelijk voor.

Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie.

Vooropgesteld wordt dat het geen betoog behoeft dat van verweerder wordt gevergd dat de naleving en controle van brandveiligheidsvoorschriften zijn permanente aandacht heeft. De gevolgen van een nalaten hiervan kunnen immers onherstelbaar zijn en de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur geldt onbetwist voor de zorg voor de handhaving van de regelgeving, óók op dit terrein. Niet onredelijk is dat verweerder, wellicht anders dan in het verleden, hierbij de nodige prioriteit heeft gelegd.

Indien een illegale situatie alsnog kan worden gelegaliseerd, kan daarin in beginsel een reden zijn gelegen de toepassing van bestuursdwang achterwege te laten.

Onder de gegeven omstandigheden, waarin sprake is van een situatie waarin na herhaalde waarschuwing willens en wetens een verbod wordt overtreden, kan dit mede uit rechtszekerheidsoogpunt niet van verweerder worden gevergd. Niet ten onrechte wordt door verweerder niet geaccepteerd dat het een aanvrager van een vergunning hangende de beslissing daarop vrijstaat daarop vooruit te lopen, en zodoende gedurende een bepaalde periode een onzekere, en mogelijk voor de gebruikers een risicovolle situatie doet ontstaan.

Een ander oordeel hierover maakt de vereiste controle vooraf, en de daaraan verbonden mogelijkheid tot het stellen van voorwaarden die juist voor de ingebruikname van belang zijn, zinledig, en moet, gezien doel en strekking van de regeling ook als uiterst ongewenst worden geacht.

Juist in de "formele" vergunning dienen zonodig specifieke gebruiksvoorschriften te worden gesteld. De beoordeling en invulling hiervan is nog niet afgerond. Het bestuursorgaan dient daartoe in de gelegenheid te worden gesteld voordat tot ingebruikname wordt overgegaan. Verzoeksters standpunt hierover miskend de verantwoordelijkheid van verweerder die hij zich ter zake terecht heeft aangetrokken.

De stelling van verzoeksters dat feitelijk reeds wordt voldaan aan de te stellen brandveiligheidseisen kan, wat daar gelet op het vorenstaande ook van zij, daaraan onder deze omstandigheden niet afdoen.

Verzoeksters belangen gelegen in de ingebruikname van de supermarkt en de voortzetting daarvan wegen tegen het vorenstaande niet op, teminder nu zij de ontstane situatie, de te krappe planning ter zake van de opening van de supermarkt in relatie tot de voor het beoordelen van een aanvraag om een gebruiksvergunning benodigde tijd, zelf hebben veroorzaakt.

Het beroep van verzoeksters op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel reeds omdat dit beginsel niet zo ver strekt dat daaraan aanspraak zou kunnen worden ontleend op het gebruik zonder een vergunning, die blijkens het voorgaande, op grond van de BVO is vereist.

Overigens acht de president onjuist noch onredelijk dat verweerder alle nieuwe gebruikssituaties direct in behandeling neemt.

Uit het vorenstaande volgt dat van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld derhalve geen sprake is.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt mitsdien afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

6. Beslissing.

De president van de rechtbank,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. M. Zijp, als president,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Lauryssen, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2001 door voornoemde president, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De president is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

Gezien:

mr. W.C. Oosterbroek

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.