Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2001:AB0995

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-02-2001
Datum publicatie
09-01-2004
Zaaknummer
BESLU 99/218
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

rojectontwikkelaar [vergunninghouder] Beheer B.V. (hierna te noemen: [vergunninghouder]) heeft verweerder op 8 januari 1996 verzocht om met toepassing van de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) bouwvergunning te verlenen voor de bouw van 63 recreatievoorzieningen en 6 winkelunits (Juliana Plaza). Dit project was gesitueerd in de onmiddellijke nabijheid van de camping "t Noorder Sandt". Voorts heeft [vergunninghouder] aan verweerder verzocht vrijstelling te verlenen ten behoeve van het verleggen van een gedeelte van de weg Noorder Sandt en het wijzigen/aanleggen van een bestaand/nieuw parkeerterrein ten noorden van genoemde weg. [vergunninghouder] heeft tenslotte aan verweerder vrijstelling verzocht voor het aanleggen van een nieuwe noordelijke toegang vanaf de weg Noorder Sandt naar het bungalowpark "De Zandloper" en het wijzigen van de bestaande toegang vanaf de Zanddijk tot "De Zandloper". Op 24 juni 1997 heeft [vergunninghouder] een gewijzigd bouwplan ingediend, waarvoor een nieuwe anticipatieprocedure is opgestart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht.

Reg.nr: BESLU 99/218

Inzake: Stacaravanpark en Camping 't Noorder Sandt bv, gevestigd te Den Helder, alsmede [eiser A] en [eiser A-B], beiden wonende te [woonplaats], eisers,

tegen: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Besluit van verweerder d.d. 27 november 1998.

2. Zitting.

Datum: 30 november 2000.

Eisers [eiser A] en [eiser A-B] zijn in persoon verschenen en bijgestaan door hun gemachtigde mr E.M. Hovenier, advocaat te Amsterdam.

Verweerder is vertegenwoordigd door mr. R. Ridder, advocaat te Amsterdam.

3. Ontstaan en loop van het geding.

Projectontwikkelaar [vergunninghouder] Beheer B.V. (hierna te noemen: [vergunninghouder]) heeft verweerder op 8 januari 1996 verzocht om met toepassing van de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) bouwvergunning te verlenen voor de bouw van 63 recreatievoorzieningen en 6 winkelunits (Juliana Plaza). Dit project was gesitueerd in de onmiddellijke nabijheid van de camping "t Noorder Sandt". Voorts heeft [vergunninghouder] aan verweerder verzocht vrijstelling te verlenen ten behoeve van het verleggen van een gedeelte van de weg Noorder Sandt en het wijzigen/aanleggen van een bestaand/nieuw parkeerterrein ten noorden van genoemde weg. [vergunninghouder] heeft tenslotte aan verweerder vrijstelling verzocht voor het aanleggen van een nieuwe noordelijke toegang vanaf de weg Noorder Sandt naar het bungalowpark "De Zandloper" en het wijzigen van de bestaande toegang vanaf de Zanddijk tot "De Zandloper". Op 24 juni 1997 heeft [vergunninghouder] een gewijzigd bouwplan ingediend, waarvoor een nieuwe anticipatieprocedure is opgestart.

Bij besluit van 28 mei 1997 heeft verweerder aan [vergunninghouder] de gevraagde bouwvergunning verleend. Bij besluiten d.dis 29 mei 1997 en 30 mei 1997 heeft verweerder ook de overige vrijstellingen verleend.

Tegen deze besluiten zijn namens eisers bij schrijven d.dis 2 juni 1997 bezwaarschriften als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij verweerder ingediend.

Bij uitspraak van 4 juli 1997 (reg.nos. WRO19 97/1110, WRO10 97/1111, WW44 97/1194 en WW44 97/1246) heeft de president van deze rechtbank voornoemde besluiten geschorst tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissingen op de daartegen ingediende bezwaarschriften.

Daartoe heeft de president het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van de president is er vanwege de aanzienlijke overschrijding van het maximaal toegestane aantal appartementen sprake van een ingrijpende inbreuk op het vigerende planologische regime en verschilt de planologische uitstraling van het bouwplan daarmee in aanzienlijke mate van hetgeen op grond van het vigerend plan mag worden gerealiseerd. Daarbij heeft de president in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan "Strandslag De Zandloper Noord 1993" van zeer recente datum is.

Gelet hierop dienen er hoge eisen te worden gesteld aan de spoedeisendheid van het bouwplan en het planologische kader waarop vooruit wordt gegrepen.

De president is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat de realisering van 63 appartementen ter plaatse, in plaats van de toegestane 20 appartementen, zodanig urgent is dat toepassing van de anticipatieprocedure is gerechtvaardigd. Verweerder heeft met betrekking tot de urgentie verwezen naar het financiële belang van vergunninghoudster ([vergunninghouder]). Volgens vergunninghoudster is het realiseren van een kleiner appartementencomplex financieel niet rendabel. De president acht deze motivering niet toereikend voor het aannemen van de benodigde urgentie. Naar het oordeel van de president dient verweerder in het kader van de beslissing op het bezwaarschrift nader te motiveren, met concrete verwijzingen naar het door verweerder en Gedeputeerde Staten voorgestane planologische beleid, dat het realiseren van het bouwplan als zodanig urgent is. Verweerder heeft weliswaar in het algemeen gesteld dat het verbeteren van de kwaliteit van het voorzieningenniveau ter plaatse noodzakelijk is en dat het onderhavige bouwplan daarin voorziet, maar een dergelijke algemene verwijzing rechtvaardigt naar het oordeel van de president onvoldoende een dermate ingrijpende inbreuk op een recent vastgesteld bestemmingsplan."

Bij brief van 2 september 1997 heeft [vergunninghouder] verweerder medegedeeld het bouwplan waarvoor bij besluit van 28 mei 1997 bouwvergunning was verleend, in te trekken. Vervolgens heeft verweerder op 8 oktober 1997 deze bouwvergunning ingetrokken. De namens eisers ingediende bezwaarschriften zijn verder buiten behandeling gelaten en hierop zijn geen beslissingen genomen.

Bij schrijven van 24 oktober 1997 hebben eisers aan verweerder verzocht om vergoeding van de door hen gemaakte kosten in de bestuurlijke voorprocedure, bestaande uit de kosten van juridische bijstand en reiskosten.

Bij besluit van 22 januari 1998 heeft verweerder hierop afwijzend beslist.

Tegen dit besluit is namens eisers bij schrijven van 3 maart 1998 een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb ingediend.

Bij besluit van 27 november 1998 heeft verweerder dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eisers bij schrijven van 7 januari 1999 beroep ingesteld.

Bij schrijven van 8 april 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het geding ter zitting van 30 november 2000 behandeld.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen - de rechtbank verwijst naar de uitspraak van 6 mei 1997, no. H01.96.0578/Q01, JB 1997/118 en AB 1997/229 - is de schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, ook indien dat verzoek niet op een specifieke wettelijke grondslag is gebaseerd, een publiekrechtelijke rechtshandeling en dus een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In die uitspraak heeft de Afdeling verder overwogen dat, voorzover thans van belang, de bestuursrechter slechts bevoegd is tot kennisneming van het beroep tegen een zodanig besluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over het beroep tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, is ook geen beroep mogelijk tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van schade die daardoor is veroorzaakt.

Het in rubriek 3 genoemde schrijven van eisers van 24 oktober 1997 dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen aangaande de bevoegdheid tot het nemen van een beslissing op een verzoek om vergoeding van de schade, door eisers beweerdelijk geleden als gevolg van de in rubriek 3 genoemde besluiten d.dis 28 mei 1997, 29 mei 1997 en 30 mei 1997 tot verlening van bouwvergunning en vrijstelling aan [vergunninghouder] (hierna te noemen: de anticipatiebesluiten), moet worden geoordeeld dat het besluit tot afwijzing van dit verzoek moet worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, aangezien tegen de anticipatiebesluiten (de schadeveroorzakende besluiten) de bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstond, in die zin dat tegen deze besluiten ingevolge artikel 8:1, eerste lid juncto 7:1, eerste lid, van de Awb bezwaar kon worden gemaakt, hetgeen ook is gebeurd, en vervolgens tegen de beslissing op dat bezwaar beroep bij de rechtbank had kunnen worden ingesteld.

De door eisers gestelde schade bestaat uit de kosten welke eisers hebben moeten maken ter zake van juridische bijstand in de bestuurlijke voorprocedure, alsmede nader te specificeren reiskosten, te weten een retour vliegticket Geneve-Amsterdam.

Eisers menen recht te hebben op schadevergoeding aangezien verweerder - naar eisers stellen - bij zijn besluitvorming inzake de anticipatiebesluiten onrechtmatig heeft gehandeld. Namens eisers is in dit verband onder meer aangevoerd dat voor anticipatie ten tijde in geding (het gaat in dit geval om anticipatie onder het wettelijke regime zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de zogeheten zelfstandige projectprocedure) slechts plaats was indien het gemeentebestuur werkelijk voornemens was om binnen afzienbare tijd een nieuw planologisch regime tot stand te brengen. In het onderhavige geval bestond bij verweerder niet de intentie om een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Bovendien betekende het door [vergunninghouder] geplande project een zodanig ernstige ingreep in het bestaande planologische regime dat anticipatie op basis van uitsluitend een voorbereidingsbesluit in dit geval niet gerechtvaardigd was. Namens eisers is erop gewezen dat ook de president van deze rechtbank in zijn uitspraak van 4 juli 1997 tot dit oordeel is gekomen en dientengevolge aanleiding heeft gezien om de anticipatiebesluiten hangende de bezwaarschriftenprocedure te schorsen. Naar de mening van eisers is de onrechtmatigheid van de anticipatiebesluiten daarmee gegeven. Dat vervolgens de bouwvergunning door verweerder op 8 oktober 1997 is ingetrokken doet daaraan niet af, aangezien als vaststaand mag worden aangenomen dat verweerder tot deze herroeping heeft besloten onder constatering dat handhaving van de bouwvergunning onherroepelijk tot vernietiging door de bestuursrechter zou leiden.

Tenslotte is namens eisers naar voren gebracht dat voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1999, gepubliceerd in NJ 2000/87 (Groningen/Raatgever), tot leidraad moet worden genomen. Ingevolge dit arrest komen de kosten van juridische bijstand gemaakt in de bezwaarfase op grond van artikel 6:96, tweede lid, van het BW voor vergoeding in aanmerking indien zowel het inroepen van die bijstand als de kosten daarvan redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets). Eisers vermogen niet in te zien dat met inachtneming van de overwegingen van de Hoge Raad in dit arrest het de bestuursrechter in gevallen als het onderhavige vrij zou staan nog langer vast te houden aan de in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van Beroep vervatte restrictieve lijn dat de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in de regel voor rekening van de belanghebbende moeten blijven en slechts bij wijze van uitzondering voor vergoeding in aanmerking dienen te komen.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat de vaststelling van (de omvang van) de plicht tot vergoeding van schade in het geval dat daarover moet worden geoordeeld naar aanleiding van een verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit naar dezelfde maatstaf dient te geschieden als wordt gehanteerd wanneer moet worden geoordeeld over een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

Bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een belanghebbende lijdt voor vergoeding in aanmerking komt dient naar het oordeel van de rechtbank alsdan ook, mede gelet op de rechtspraak van zowel de Afdeling bestuursrechtspraak als de Centrale Raad van Beroep, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het burgerlijk schadevergoedingsrecht.

In het bijzonder is daarbij van belang de jurisprudentie van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van door de administratieve rechter vernietigde overheidsbesluiten. Uit de jurisprudentie blijkt dat met de vernietiging van een besluit de onrechtmatigheid van handelen is gegeven en dat - behoudens bijzondere omstandigheden - daarmee ook de schuld vaststaat, zelfs als het betrokken overheidslichaam geen verwijt zou treffen. Voorts is causaal verband vereist tussen het onrechtmatig optreden en de schade. Indien dat verband aanwezig is, bestaat aanspraak op vergoeding van de schade. Deze jurisprudentie is gebaseerd op de - door de rechtbank onderschreven - grondgedachte dat het niet juist is om onrechtmatig door de overheid in het kader van de uitoefening van haar wettelijke taak toegebrachte schade voor rekening van het individu te laten in plaats van haar te brengen voor rekening van de gemeenschap.

In het onderhavige geval is geen sprake van door de bestuursrechter vernietigde besluiten en in dit opzicht wijkt de onderhavige casus af van hetgeen hiervoor als algemeen uitgangspunt is overwogen, doch in zijn arrest van 20 februari 1998 (gepubliceerd in NJ 1998/526) heeft de Hoge Raad dienaangaande overwogen dat wanneer een besluit van een bestuursorgaan (het primaire besluit) op grond van een daartegen gemaakt bezwaar door dat bestuursorgaan wordt herroepen en, voor zover nodig, wordt vervangen door een nieuw besluit, het van de redenen die daartoe hebben geleid en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, zal afhangen of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig moet worden geacht in de zin van artikel 6:162 van het BW en, zo ja, of deze daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden toegerekend. Indien het primaire besluit berust op een onjuiste uitleg van de wet en derhalve onrechtmatig is, moet dit onrechtmatig handelen in ieder geval aan het betrokken overheidslichaam worden toegerekend. In dat geval is immers sprake van een oorzaak welke - in de bewoordingen van artikel 6:162, lid 3, van het BW - naar de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van dat lichaam komt.

Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de rechtbank ten aanzien van de kosten van juridische bijstand die eisers hebben moeten maken in het kader van de bestuurlijke voorprocedure het volgende.

Ingevolge artikel 8:75 van de Awb kan de bestuursrechter een partij in de proceskosten van een andere partij veroordelen. Proceskosten zijn in dit verband kosten die zijn gemaakt in de fase van het beroep bij de rechter. De wetgever heeft destijds bewust geen regeling getroffen voor kosten die een belanghebbende maakt voor de behandeling van het bezwaar of administratief beroep dat doorgaans aan het beroep bij de rechter voorafgaat.

Zowel de Afdeling bestuursrechtspraak als de Centrale Raad van Beroep hebben in het kader van artikel 8:73 van de Awb een vaste jurisprudentie gevestigd, die inhoudt dat de kosten van juridische bijstand in de bestuurlijke voorprocedure slechts in bijzondere gevallen als vermogensschade worden vergoed. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak meerdere malen heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 april 2000 inzake no. 199900334/1 (gepubliceerd in AB 2000/256) blijven de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten van rechtsbijstand in beginsel voor rekening van de belanghebbende en komen deze slechts onder bijzondere omstandigheden voor vergoeding in aanmerking. Dit wordt nader uitgelegd in die zin dat de kosten van juridische bijstand in de bestuurlijke voorprocedure slechts dan voor vergoeding in aanmerking komen indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit ten aanzien van een belanghebbende heeft genomen. De rechtbank verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 27 september 1999, no. E01970601. In zijn uitspraak van 16 april 1999 (JB 1999,126) heeft de Centrale Raad van Beroep dit criterium nader invulling gegeven en overwogen dat kosten van bestuurlijke voorprocedures voor vergoeding in aanmerking komen wanneer het bestuursorgaan aanvankelijk een standpunt heeft ingenomen waarvan hij de onhoudbaarheid kende dan wel redelijkerwijs diende te kennen.

De Hoge Raad aanvaardt evenwel een aanzienlijk verdergaande aansprakelijkheid voor het bestuursorgaan. De rechtbank verwijst naar de arresten van 17 november 1990 (Velsen/De Waard, gepubliceerd in AB 1990, 81) en 17 december 1999 (Groningen/Raatgever, gepubliceerd in NJ 2000/87). Voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de voorprocedure geldt de zogeheten dubbele redelijkheidstoets. Vergoeding is alsdan afhankelijk van de vraag of

- de beslissing om juridische bijstand te vragen redelijk is, en

- de omvang van de daarmee gemoeide kosten redelijk is.

De onduidelijkheid die hieruit voortvloeit heeft ertoe geleid dat de Awb op dit punt zal worden gewijzigd. In het wetsvoorstel inzake kosten bestuurlijke voorprocedures (kamerstukken 1999/00 27024, nrs 1-2) is aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de bestuursrechters en derhalve niet bij die van de Hoge Raad. Het uitgangspunt bij de wettelijke regeling terzake dient blijkens de memorie van toelichting te zijn dat het bestuursorgaan in beginsel niet aansprakelijk kan worden gesteld voor kosten die de burger in het kader van een bestuurlijke voorprocedure (bezwaar en administratief beroep) maakt, tenzij het bestuursorgaan ernstige onzorgvuldigheid kan worden verweten.

Voorgesteld wordt te bepalen dat het bestuursorgaan de kosten van een bestuurlijke voorprocedure uitsluitend dient te vergoeden, indien het bestreden besluit onrechtmatig blijkt én het bestuursorgaan in ernstige mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Bij ernstige onzorgvuldigheid dient in het bijzonder te worden gedacht aan besluiten die inhoudelijk evident onhoudbaar zijn of duidelijke strijd opleveren met sedert lang gevestigde jurisprudentie.

Met inachtneming van het vorenstaande ziet de rechtbank thans onvoldoende aanleiding om in afwijking van de door de hoogste bestuursrechters gevestigde jurisprudentie en met voorbijgaan aan de in voornoemd wetsvoorstel vervatte uitgangspunten de door de Hoge Raad in het arrest van 17 december 1999 (Groningen/Raatgever) gehanteerde toetsingsmaatstaf terzake te volgen.

De rechtbank dient dan ook te beoordelen of verweerder bij het nemen van de anticipatiebesluiten ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat blijkens de memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel bij de invulling van dit criterium in beginsel groot gewicht toekomt aan het karakter van de bezwaarprocedure, die noopt tot grote terughoudendheid waar het de aansprakelijkheid van een bestuursorgaan betreft.

Gebleken is dat de anticipatiebesluiten door de president van deze rechtbank zijn geschorst onder de overweging - en de rechtbank ziet geen aanleiding voor een andersluidend oordeel dienaangaande - dat deze besluiten ontoereikend waren gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de onrechtmatigheid van de anticipatiebesluiten dan ook als een gegeven worden beschouwd, doch hiermee is nog niet voldaan aan het in de bestuursrechtelijke rechtspraak ontwikkelde criterium dat verweerder deze anticipatiebesluiten tegen beter weten in heeft genomen of dat verweerder - in de woorden van het genoemde wetsvoorstel - bij zijn primaire besluitvorming in ernstige mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat - gegeven aard en karakter van de bezwaarschriftenprocedure en gelet ook op de door de president aan de uitgesproken schorsing ten grondslag gelegde overwegingen - op zichzelf niet uitgesloten kan worden geacht dat verweerder de anticipatiebesluiten in het kader van de bestuurlijke heroverweging onder een genoegzaam herstel van de aan deze besluiten ten grondslag gelegde motivering zou hebben kunnen of mogen handhaven. Van een zodanig ernstige strijd met een regel van geschreven of ongeschreven recht dat hiervan geen sprake had kunnen of mogen zijn is de rechtbank niet gebleken. Hetgeen namens eisers in dit verband naar voren is gebracht heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. Aan de omstandigheid dat na de intrekking van de bouwvergunning van 28 mei 1997 een geheel nieuwe bouwvergunningsprocedure is gestart, doch nu op basis van een uitwerkingsprocedure ex artikel 11 van de WRO, kan de rechtbank niet die betekenis hechten die eisers daaraan wensen toe te kennen. Deze bouwvergunningsprocedure ziet op een aangepast bouwplan waarbij het aantal te bouwen appartementen sterk is teruggebracht. Dit kan dan ook niet als toereikend argument dienen ter onderbouwing van de juistheid van de stelling van eisers dat het gemeentebestuur nimmer de intentie heeft gehad een nieuw bestemmingsplanregime tot stand te brengen. Dat aan het door de gemeenteraad opgestelde uitwerkingsplan door gedeputeerde staten van Noord-Holland bij besluit van 4 mei 1998 goedkeuring is onthouden en het daartegen gerichte beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak bij uitspraak van 7 augustus 2000 ongegrond is verklaard, maakt dit niet anders. De onrechtmatigheid van het door de gemeenteraad vastgestelde uitwerkingsplan valt naar het oordeel van de rechtbank buiten het kader van deze procedure en dient derhalve buiten beschouwing te blijven.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het onderhavige verzoek van eisers om vergoeding van de door hen gemaakte kosten van juridische bijstand terecht heeft afgewezen.

De door eisers geclaimde schade ten aanzien van de reiskosten die eiser [eiser A] heeft gemaakt komt evenmin voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat de voor het ontstaan van een verplichting tot vergoeding van de schade noodzakelijke causaliteit tussen de onrechtmatige gedraging van verweerder en de gestelde schade in casu ontbreekt. Zoals reeds eerder overwogen wordt bij beoordeling van een verzoek als het onderhavige zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. In het civiele recht geldt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van die gebeurtenis kan worden toegerekend. Hiervan is in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het feit dat eiser [eiser A] zich tijdens zijn kerstvakantie in Zwitserland genoodzaakt zag om terug te keren naar Nederland teneinde overleg te voeren met zijn advocaat en hem tijdig te informeren staat niet in een zodanig relevant causaal verband met het door verweerder nemen van de anticipatiebesluiten, dat de met deze reis gemoeide schade in de vorm van een retour vliegticket Geneve-Amsterdam als een gevolg van deze besluiten aan verweerder kan worden toegerekend. Deze schade kan dan ook bezwaarlijk ten laste van verweerder worden gebracht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het beroep van eisers ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist is als volgt.

6. Beslissing.

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter,

mr. E.J. van der Molen en mr. A.T.B. de Vries, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J.P.C. Faddegon-Arends, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 22 februari 2001

door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt