Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:1999:AA5007

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-10-1999
Datum publicatie
28-08-2001
Zaaknummer
99/1447 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

President

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

Reg.nr: 99/1447 WW44

Inzake: A te B, verzoeker,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 8 september 1999.

2. Zitting.

Datum: 20 oktober 1999.

Verzoeker is verschenen bij gemachtigde mr. A. de Jong, medewerkster van SRK Rechtsbijstand.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden J. de Jong en L. van der Duim, ambtenaren van de gemeente.

Voorts is als partij vergunninghouder Z in persoon verschenen.

3. Feiten welke als vaststaande worden aangenomen.

Bij besluit van 8 september 1999, verzonden op 10 september 1999, heeft verweerder aan Z vergunning verleend voor het wijzigen van een clandestiene berging in een berging en overkapping op het perceel […]weg 84 te B.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 22 september 1999 bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij de president gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het oordeel van de president heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Verzoeker woont naast vergunninghouder, wenst dat verweerder optreedt tegen de reeds langer bestaande, zonder vergunning gebouwde berging in de achtertuin van zijn buurman en heeft daarom ook bezwaar tegen de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Verzoeker voert aan dat deze ten onrechte is verleend.

De president merkt allereerst op dat verzoeker onder deze omstandigheden - hij heeft bezwaar tegen het bouwplan en heeft ook verzocht om op te treden tegen de bestaande berging - geacht kan worden een spoedeisend belang te hebben bij dit verzoek. Er is dan ook geen reden om, zoals verweerder heeft betoogd, het verzoek af te wijzen reeds vanwege het ontbreken van zo'n belang.

De vergunningaanvraag betreft de wijziging van de bestaande berging in een berging en overkapping. Gebleken is dat de verleende vergunning slechts betrekking heeft op de berging die onderdeel is van het bouwplan en niet op de overkapping. Verweerder meent, zoals hij ook in de brief aan verzoeker waarin mededeling werd gedaan van de vergunningverlening heeft gesteld, dat deze overkapping een vergunningvrij bouwwerk is. Verzoeker bestrijdt dit.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het op een erf van een gebouw plaatsen van een overkapping, die strekt tot vergroting van het woongenot van het gebruik van het gebouw, met dien verstande dat:

1°. de hoogte van de voet af gemeten niet meer is dan 2,7 meter;

2°. de bruto-oppervlakte, horizontaal gemeten, niet meer is dan 20 m²;

3°. door de plaatsing het bij het gebouw aansluitende erf voor niet meer dan 50% is bebouwd;

4°. bij plaatsing voor de voorgevelrooilijn, de overkapping geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft;

5°. bij plaatsing achter de voorgevelrooilijn, de overkapping maximaal drie wanden heeft waarvan er maximaal twee tot de constructie behoren;

Niet in geschil is dat de hoogte en de oppervlakte van de overkapping de in artikel 43 gegeven maximummaten niet overschrijden.

Voorts moet, anders dan verzoeker heeft gesteld, de oorspronkelijke aanbouw aan de woning, die staat op grond met de bestemming "Woningen", worden aangemerkt als onderdeel van de woning. Alleen het thans in geding zijnde bouwplan staat op het aansluitende erf, in dit geval de achtertuin bij de woning, dat de bestemming "Tuin II" heeft. Gebleken is dat de oppervlakte van de berging en de overkapping tezamen niet meer dan 50% van de oppervlakte van de achtertuin beslaat.

De overkapping wordt achter de voorgevelrooilijn geplaatst en is aan één zijde, tegenover de achtergevel van de woning, open. Twee wanden die op de erfgrens staan - volgens de vergunninghouder de oorspronkelijke erfafscheiding - moeten naar het oordeel van de president worden aangemerkt als wanden die tot de overkapping behoren. De derde wand van de overkapping is ook een wand van de nieuw te construeren berging. Omdat deze wand de berging tot een geheel afgesloten ruimte maakt en derhalve in functioneel opzicht niet los is te zien van de berging, moet deze wand naar het oordeel van de president ook in constructief opzicht als onderdeel van de berging, en niet als onderdeel van de overkapping, worden beschouwd. Gezien het voorgaande is naar het oordeel van de president ook voldaan aan de voorwaarde dat de overkapping maximaal drie wanden mag hebben waarvan er maximaal twee tot de constructie behoren.

Zij merkt in dit kader nog op dat het gegeven dat de overkapping tot stand komt door verbouwing van de al bestaande, grote berging, niet betekent dat deze na de verbouwing niet kan worden aangemerkt als een overkapping als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder d, van de Woningwet.

Gezien het voorgaande acht de president het oordeel van verweerder dat de overkapping is aan te merken als een vergunningvrije overkapping als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder d, van de Woningwet, niet onjuist.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuid 1982" hebben de gronden waarop de berging is voorzien de bestemming "Tuin II" en de nadere aanduiding "A". Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op deze gronden bij elke woning op hetzelfde bouwperceel bijgebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat, voor zover hier van belang: a. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen op de voor "Tuin II" bestemde gronden behorende bij één bouwperceel niet meer mag bedragen dan 20% van de voor "Tuin II" bestemde gronden, met een maximum van 20 m²;

c. voorzover de bijgebouwen vrijstaand worden gebouwd, deze tussen de verlengden van de zijgevels tenminste 5 m uit de achtergevel worden gebouwd;

d. aan de woning aangebouwde bijgebouwen niet meer dan 40% van de breedte van de woning mogen beslaan, waarbij tenminste 5 m gemeten vanuit de resterende achtergevel van de woning onbebouwd moet blijven.

Verzoeker heeft betoogd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat de overkapping en de berging beide zijn aan te merken als een bijgebouw en de oppervlakte van deze bijgebouwen tezamen meer bedraagt dan 20 m².

Ingevolge artikel 20 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening blijven de voorschriften van een bestemmingsplan buiten toepassing voor zover deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet. Nu de overkapping, zoals hiervoor is overwogen, is aan te merken als een bouwwerk als bedoeld in artikel 43, kan deze niet worden aangemerkt als een bijgebouw in de zin van de planvoorschriften en moet ook de oppervlakte ervan bij de toepassing van artikel 7, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften buiten beschouwing worden gelaten. Het bouwplan is naar het oordeel van de president in zoverre dan ook niet strijdig met laatstgenoemd planvoorschrift.

Verzoeker heeft voorts betoogd dat de berging meer dan 40% van de breedte van de woning beslaat.

De president stelt vast dat de berging niet vrijstaand wordt gebouwd maar aan de hiervoor al genoemde, oorspronkelijke aanbouw aan de woning. Gelet hierop is de berging naar het oordeel van de president een aan de woning aangebouwd bijgebouw. Dat de berging, zoals verweerder heeft betoogd, meer dan vijf meter achter de achtergevel van de woning staat - waarbij verweerder als "achtergevel" de achtergevel van de hoofdmassa van de woning neemt en niet de achterzijde van de oorspronkelijke aanbouw aan de woning - acht de president niet van belang. Niet te ontkennen valt immers dat de berging niet vrijstaand is en is aangebouwd aan (een onderdeel van) de woning.

Ter zitting heeft de vergunninghouder verklaard dat de breedte van zijn woning 6,36 meter is. De berging beslaat, blijkens de bij de verleende vergunning behorende bouwtekening, 3,09 meter daarvan. De president stelt vast dat de berging aldus meer dan 40% van de breedte van de woning beslaat - 40% van de breedte van de woning is 2,54 meter - en om die reden in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder had de vergunning daarom moeten weigeren.

Onder deze omstandigheden acht de president het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Daarbij acht zij termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker voor de behandeling van zijn verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ¦ 1420,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslist is als volgt.

6. Beslissing.

De president van de rechtbank,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de bij het besluit van verweerder van 8 september 1999 verleende bouwvergunning voor het oprichten van een berging wordt geschorst tot en met zes weken na verzending van de beslissing op het bezwaarschrift;

- bepaalt dat de gemeente Stede Broec aan verzoeker het griffierecht ad f 225,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van f 1420,00;

- wijst de gemeente Stede Broec aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van f 1420,00 dient te worden gedaan aan verzoeker.

Aldus gewezen door mr. M. Zijp, als president, in tegenwoordigheid van mr. M. Kraefft, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 1999 door voornoemde president, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De president,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.