Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:95

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-02-2022
Datum publicatie
02-02-2022
Zaaknummer
21/02006
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:410
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard? Art. 9.2 WVW 1994. Terechte bewijsklacht omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat, wanneer en op welke wijze verzending van de mededeling (besluit) van de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan verdachte heeft plaatsgevonden. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/02006

Zitting 1 februari 2022

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 4 mei 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.

  2. Namens de verdachte heeft mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, een middel van cassatie voorgesteld.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Sittard op/aan de Vrangendael, op 17 augustus 2019 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) schade was toegebracht;

2.

hij op 17 augustus 2019 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Vrangendael, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”

4. Het hof heeft ten aanzien van het bewijs van deze feiten het volgende in het bestreden arrest opgenomen:

Bewijsmiddelen

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Zuid-West-Limburg, Basisteam Westelijke Mijnstreek, registratienummer PL2441 - 2019129573, op ambtseed opgemaakt en gesloten d.d. 12 september 2019, door [verbalisant] , hoofdagent van politie, pagina 1 tot en met 35, hierna te noemen politiedossier.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte de ten laste gelegde feiten tegenover de politie heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en zijn raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, wordt volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 17 augustus 2019 (pagina 3-5 van het politiedossier), inhoudende de aangifte van [slachtoffer] .

2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 17 augustus 2019 (pagina 6-7 van het politiedossier), inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 1] .

3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 17 augustus 2019 (pagina 8-9 van het politiedossier), inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 2] .

4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 augustus 2019 (pagina 14-17 van het politiedossier), inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een uitdraai uit het CBR-register betreffende de ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte (gevoegd als bijlage bij een e-mailbericht van [betrokkene 1] , medewerker van het arrondissementsparket Limburg, d.d. 4 februari 2020, gericht aan [betrokkene 2] , parketsecretaris bij het Openbaar Ministerie Regio Limburg).

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.”

III. Het middel en de bespreking daarvan

5. Het middel valt uiteen in twee klachten en een deelklacht. Volgens de eerste klacht, bezien in samenhang met de toelichting, is de bewezenverklaring van het tweede tenlastegelegde feit ontoereikend gemotiveerd omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte is verzonden of anderszins op geschikte wijze bekend is gemaakt, waardoor niet vaststaat dat de ongeldigverklaring van kracht is geworden. De tweede klacht houdt in dat het hof ten onrechte met een opgave van bewijsmiddelen heeft volstaan aangezien de verdachte het tweede feit niet heeft bekend.

De eerste klacht en het juridisch kader

6. De Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW 1994) luidde, voor zover van belang voor de bespreking van het middel, ten tijde van de bewezenverklaarde feiten als volgt:

- Art. 9, tweede lid:

“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven.”

- Art. 176, vierde lid (oud)1:

“Overtreding van de artikelen 7, eerste lid, 8, 9, eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en negende lid, 41, eerste lid, onderdelen a en b, 51, eerste lid, 61, eerste lid, onderdeel c, 74, 114, 151j, 162, derde en vierde lid, 163, tweede, zesde, zevende en negende lid, en van de in artikel 4, tweede en vijfde lid, bedoelde regels voor zover het betreft een verbod tot het gebruik van verlichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.”

- Art. 178, eerste lid:

“De in de artikelen 175 en 176 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.”

7. Het is degene die weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig is verklaard, terwijl aan hem geen ander (nieuw) rijbewijs is afgegeven, op grond van art. 9, tweede lid, WVW 1994 verboden op de weg een motorrijtuig te besturen. Niet-naleving van dat artikel levert blijkens art. 178, eerste lid, WVW 1994 een misdrijf op.

8. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. Vellinga overwogen dat voor een bewezenverklaring van het in art. 9, tweede lid, WVW 1994 bedoelde misdrijf ten eerste vereist is dat uit de bewijsvoering moet blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig verklaard is, en dat het desbetreffende besluit bekend is gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (r.o. 2.4.2).2 Als voorbeeld van gegevens waaruit kan blijken dat aan dit vereiste is voldaan, noemt de Hoge Raad een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt “dat, wanneer en op welke wijze” verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Ten tweede moet uit de bewijsvoering volgen dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte (r.o. 2.4.3). Ten derde moet uit de bewijsvoering afgeleid kunnen worden dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde “wist dan wel redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Met name waar het gevallen betreft waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren, verdient de vraag of aan dit vereiste is voldaan bijzondere aandacht (r.o. 2.4.4).3 In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief aan de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (r.o. 2.4.4).4 Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De bespreking van de eerste klacht

9. In dit verband wordt allereerst geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte is verzonden of anderszins op geschikte wijze bekend is gemaakt, waardoor niet vaststaat dat de ongeldigverklaring van kracht is geworden. De steller van het middel heeft hiermee kennelijk het oog op het eerste door de Hoge Raad genoemde bewijsvereiste aangaande het bepaalde in art. 9, tweede lid, WVW 1994. Een deelklacht heeft betrekking op de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig verklaard was en ziet aldus op het derde hierboven genoemde vereiste om tot bewezenverklaring van het onderhavige feit te kunnen komen. De verklaring van de verdachte dat hij zijn rijbewijs in het jaar 2002 “kwijt is geraakt” impliceert volgens de steller van het middel niet dat hij op de hoogte was van een ongeldigverklaring van het rijbewijs. Hij zou bezig zijn om zijn “bestaande” rijbewijs terug te krijgen. Uit de verklaring van de verdachte dat hij niet met rijlessen bezig is, zou volgen dat hij niet bezig was om (na gebleken geschiktheid een motorrijtuig te besturen) een nieuw rijbewijs te bemachtigen.

10. Zoals mijn ambtgenoot Harteveld in zijn conclusie voorafgaand aan HR 9 juli 2019, ECLINL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. Vellinga uiteenzet, heeft de wijze van de bekendmaking van de bestuursrechtelijke ongeldigverklaring van het rijbewijs consequenties voor het subjectieve bestanddeel van art. 9, tweede lid, WVW 1994, dat wil zeggen het weten of redelijkerwijze moeten weten dat het rijbewijs ongeldig is verklaard. Ook de omgekeerde situatie kan zich voordoen. Dus dat de verdachte denkt te weten (in de veronderstelling verkeert) dat zijn rijbewijs ongeldig is, terwijl in werkelijkheid de (bestuursrechtelijke) procedure, in het bijzonder de vereiste bekendmaking van het besluit tot ongeldigverklaring, niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet, waardoor de ongeldigverklaring om die reden krachteloos is. Ook dan zal vrijspraak moeten volgen, zo begrijp ik de Hoge Raad in het voormelde arrest van 9 juli 2019, nu hij daarin de bewijsbaarheid van de ongeldigverklaring, de bekendmaking daarvan en het in kracht zijn van het desbetreffende besluit als een afzonderlijk vereiste onderscheidt náást (onder meer) de bij de verdachte bestaande wetenschap van de ongeldigverklaring. Uit de enkele omstandigheid dat een verdachte verklaart dat hij weet dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, kan dan nog niet zonder meer volgen dat het rijbewijs daadwerkelijk ongeldig is verklaard.

11. Voor zover hier van belang, zal voor het bewijs van overtreding van art. 9, tweede lid, WVW 1994 uit de bewijsmiddelen moeten kunnen worden afgeleid dat het rijbewijs van de verdachte op 17 augustus 2019 daadwerkelijk ongeldig was verklaard, het desbetreffende besluit aan de verdachte bekend was gemaakt en dit besluit van kracht was doordat zeven dagen waren verlopen na die bekendmaking. Als gezegd, is daaraan volgens de Hoge Raad in ieder geval voldaan als zich onder de gedingstukken een mededeling van het CBR aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit tot ongeldigverklaring is weergegeven, bevindt en daarnaast een aantekening waaruit blijkt “dat, wanneer en op welke wijze” verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.

12. Deze mededeling en aantekening van verzending aan de verdachte maken in het onderhavige geval geen deel uit van het procesdossier (voor zover in cassatie voorhanden). Wel is in de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen “een uitdraai uit het CBR-register betreffende de ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte” opgenomen. Dat overzicht is als bijlage gevoegd bij een emailbericht van [betrokkene 1] , medewerker van het arrondissementsparket Limburg, d.d. 4 februari 2020, gericht aan [betrokkene 2] , parketsecretaris bij het Openbaar Ministerie Regio Limburg, die daarom had verzocht.5

13. Het hof heeft uit dat overzicht kennelijk opgemaakt dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit niet beschikte over een geldig rijbewijs. Het overzicht houdt ten aanzien van een op naam van de verdachte gesteld rijbewijs als “ongeldigheid datum” 14 oktober 2002 in. Daarbij staat de code “geschiktheid -n”. Als “feitelijke inleverdatum” is 11 maart 2003 ingevuld. Het overzicht vermeldt onder “categorieën–context Vorderingsprocedure” voorts als “datum ongeldigheid” 21 oktober 2002. Ik meen dat in dit overzicht zich niet laat inlezen dat de verdachte van de ongeldigverklaring in kennis is gesteld, waarna – na verloop van zeven dagen – de ongeldigheid van kracht is geworden (zoals bedoeld in de artikelen 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994).6 Maar zelfs als dat wel (met de nodige moeite) het geval zou zijn, is dat in het onderhavige zaak niet voldoende. Noch uit dit overzicht, noch uit de overige bewijsmiddelen kan onmiskenbaar volgen “dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden”, hetgeen – het is al meermalen opgemerkt – in relatie tot de bewijsvraag een vereiste is.7 De verklaring van de verdachte dat hij zijn rijbewijs al sinds 2002 ‘kwijt’ was, biedt nog geen sluitend antwoord op de vraag betreffende de rechtsgeldigheid van de bekendmaking van het besluit tot ongeldigverklaring. Datzelfde geldt voor de uit het overzicht blijkende omstandigheid dat het rijbewijs eertijds is ingeleverd. De enkele omstandigheid dat een datum is ingevuld, houdt niet meer in dan dat het CBR het rijbewijs kennelijk op die dag heeft ontvangen. Door wie het rijbewijs aan het CBR is toegezonden of afgegeven, is een vraag die daarmee onbeantwoord blijft.8 Ook in onderlinge samenhang beschouwd zijn de wél uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden onvoldoende om met zekerheid te kunnen vaststellen dat op 17 augustus 2019 sprake was van een ongeldig verklaard rijbewijs in de hier bedoelde zin.

14. Dat betekent dat reeds niet is voldaan aan het eerste bewijsvereiste dat met betrekking tot art. 9, tweede lid, WVW geldt en dat het middel reeds om die reden gegrond is. Mitsdien kom ik niet toe aan bespreking van de deelklacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte wetenschap had van de ongeldigheid van het rijbewijs, en evenmin aan de tweede klacht, die luidt dat het hof ten onrechte met een opgave van bewijsmiddelen heeft volstaan nu de verdachte het tweede feit niet heeft bekend.

IV. Slotsom

15. Het middel slaagt.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Inmiddels art. 176, tweede lid, WVW 1994.

2 Met verwijzing naar de bepalingen in art. 3:40 en 3:41 Awb respectievelijk art. 124, derde lid, en art. 132, vierde lid, WVW 1994 (r.o. 2.4.2).

3 Met verwijzing naar de bepalingen in art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994.

4 Met verwijzing naar HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762.

5 Deze stukken zijn ook als bijlage gevoegd bij de schriftuur.

6 Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:502 (randnummer 14).

7 HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. Vellinga (r.o. 2.4.2).

8 Vgl. ook de conclusie van plv. A-G Frielink (randnummer 2.7) voorafgaand aan HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:786, zulks met verwijzing naar HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:393.