Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:717

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-08-2022
Datum publicatie
30-08-2022
Zaaknummer
21/03500
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. OM-cassatie. Beklag ex art. 552a Sv over beslag ex art. 94 Sv op woning van klaagster i.vm. verdenking witwassen (art. 420bis lid 1 onder a Sr). Slagende klacht over oordeel rb dat zich niet de situatie voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later de verbeurdverklaring zal uitspreken omdat klaagster de woning heeft ‘verworven’ op moment dat witwassen nog niet in WvSr was opgenomen. De rb heeft miskend dat verdenking jegens klaagster breder is en ook ziet op witwasvarianten (‘het voorhanden hebben’/’het gebruik maken’) die als (mogelijk) voortdurend delict wel strafbaar zijn t.t.v. onderzoeksperiode tegen klaagster. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/03500 B

Zitting 30 augustus 2022

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de klaagster.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 18 mei 2021 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de onder haar in beslag genomen woning aan de [a-straat 1] te [plaats], gegrond verklaard.

1.2.

Tegen deze beschikking is door de officier van justitie cassatieberoep ingesteld.

1.3.

De plaatsvervangend officier van justitie, W.J.V. Spek, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift. Namens de klaagster heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, het cassatieberoep tegengesproken.

2 De procedure

2.1.

Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.

2.2.

Klaagster is samen met drie anderen (haar ex-partner, ex-schoonmoeder en ex-zwager) als verdachte van witwassen aangemerkt in het strafrechtelijk onderzoek “13 Rawlins”. Dit onderzoek richt zich op verschillende vermogensbestandsdelen waaronder bankrekeningen en drie woningen in [plaats] en [plaats]. De verdenking bestaat dat deze woningen, waaronder de woning van de klaagster aan de [a-straat 1] te [plaats] is gefinancierd met criminele gelden. Aanleiding voor deze verdenking is de wijze waarop deze woningen zijn aangekocht: met contant geld terwijl betrokkenen volgens het openbaar ministerie vrijwel geen legale inkomsten hadden.

2.3.

Op 30 september 2019 is krachtens een op 24 september 2019 door het openbaar ministerie gegeven bevel op de voet van art. 94 Sv beslag gelegd op de woning van de klaagster in [plaats].

2.4.

Namens de klaagster is op 28 januari 2021 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag met last tot teruggave van de woning aan de klaagster. Het klaagschrift is op 4 mei 2021 in openbare raadkamer behandeld. De meervoudige raadkamer van de rechtbank heeft daar op 18 mei 2021 op beslist.

3 De beschikking

3.1.

De rechtbank heeft in haar beschikking hetgeen door partijen is aangevoerd – voor zover relevant – als volgt samengevat:1

Inhoud van het klaagschrift
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op het registergoed (de woning) aan de [a-straat 1],2 [postcode] [plaats].

De raadsman van klaagster heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd.

Uit het onderzoek, dat nog steeds loopt en waar voorlopig geen einde aan lijkt te komen, zijn geen strafbare feiten naar voren gekomen uit welke de ‘verdachte aankoop' van de woning zou zijn gefinancierd. Er was al geen gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en toch heeft klaagster een verklaring afgelegd en voor zover dat mogelijk was daarvoor een onderbouwing gegeven. De verificatie daarvan is zodanig gebrekkig dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechtbank die later over de strafzaak zal oordelen niet zal besluiten tot het opheffen van het beslag op het pand. Nu de officier van justitie de zaak tegen klaagster ‘op een hoop gooit' met de zaken tegen de ex-partner en de medeverdachten die in Slowakije wonen, ziet het er niet naar uit dat de rechtbank zich op korte termijn uit zal laten over de verdenkingen tegen klaagster. De woning wordt nu gedwongen door het beslag tegen een prijs onder de marktwaarde verhuurd. Klaagster overweegt om naar Rusland terug te keren, dan wel kleiner te gaan wonen. Maar zij kan haar woning nu niet verkopen. Daarbij is de prijs van onroerend goed op dit moment zo hoog dat het vanuit beleggingsoogpunt ook zeer nadelig kan zijn dat het beslag op het pand voortduurt.

Zoals ook in het klaagschrift al aangegeven, stelt klaagster zich primair op het standpunt dat de aanschaf van de woning in 2000 heeft plaatsgevonden, toen witwassen nog niet met een eigen strafbepaling strafbaar was gesteld. Zij kan dus niet vervolgd worden voor het witwassen van het pand vanwege het lex certa beginsel en het nulla poena beginsel. Hoewel steeds wordt tegengeworpen dat het om een voortdurend delict gaat, dient dat delict bij aanvang wel strafbaar te zijn. Het ‘omzetten/verhullen’ zou bovendien allemaal in 2000 zijn gebeurd. Mocht het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stellen dat er sprake was van heling, dan lijkt dat feit nu wel verjaard.

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen opheffing van het beslag. Het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen en het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken.

Uit aanvullende processen-verbaal blijkt dat de start van het onderzoek rechtmatig is. De inhoud van de verklaring van klaagster is twijfelachtig en heeft lang op zich laten wachten. De contante dollars waarmee de woning is gekocht zouden aan het einde van de jaren '80 gedurende een communistisch regime in de Sovjet-Unie verdiend zijn door haar vader. Uit nader onderzoek volgt dat het onaannemelijk is dat de vader van klaagster in de Sovjet-Unie op legale wijze aan minimaal $ 450.000,- is gekomen, gelet op het feit dat hij net vóór de val van de Sovjet Unie is overleden, tot welke tijd het slechts zeer beperkt mogelijk was een eigen bedrijf te hebben. Daarbij lagen de lonen veel lager dan in West-Europa. In de Sovjet-Unie is nooit sprake geweest van het privatiseren van staatsbedrijven. Dit kon pas na 1992 toen klaagsters vader al was overleden. Daarnaast was het gedurende het Sovjet-Unie regime strafbaar om in buitenlandse valuta te handelen en/of deze te bezitten. De twee verklaringen van mogelijke ex-collega's van vader wordt onbetrouwbaar geacht. Er zijn rechtshulpverzoeken naar diverse landen uitgestuurd, waarvan een deel nog niet is beantwoord.

Ondanks dat klaagster in gebreke blijft wat betreft het afleggen van een verklaring over de herkomst van het geld is dus overgegaan tot verificatieonderzoek door het horen getuigen en het doen van nader ander onderzoek. Het onderzoek zal rond de zomer gereed zijn.

Het onderzoek is breder dan de enkele aanschaf van de woning door klaagster en ziet ook op de aanschaf van panden door de (ex)partner, (ex)schoonmoeder en (ex)zwager van klaagster. Deze personen zijn ook als verdachte aangemerkt. Er is sprake van gedeeltelijke verwevenheid. Het voortdurende delict witwassen is strafbaar. Er is minimaal sprake van het aanvangen van het enkel voorhanden hebben sinds de strafbaarstelling van witwassen in 2001. Als er al sprake zou zijn van (verjaarde) heling in plaats van witwassen dan zou de voorgenomen verkoop van het pand gezien kunnen worden als (eenvoudig) witwassen.

Voor het Openbaar Ministerie is onduidelijk waarom het beslag zorgt voor het verhuren onder de marktwaarde. Overigens werd de woning voor de aanhouding van klaagster al verhuurd.

Ook is niet duidelijk waarom de hoge onroerendgoedprijzen nadelig zouden zijn voor klaagster.”

3.2.

In aanvulling hierop maak ik nog melding van het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie dat, voor zover van belang, het volgende inhoudt:3

Het onderzoek:

Tegen de vier verdachten ([betrokkene 1] en [klaagster] (beiden woonachtig in Nederland) en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (beiden woonachtig in Slowakije) bestaat een verdenking ter zake witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht). Daarnaast bestaat een verdenking ter zake de Opiumwet (artikel 3) tegen voornoemde verdachte [betrokkene 2].

Het opsporingsonderzoek richt zich op verschillende vermogensbestandsdelen waaronder bankrekeningen en drie woningen in [plaats] en [plaats]. De verdenking bestaat dat deze woningen (met een gezamenlijke waarde van meer dan € 2.000.000) gefinancierd zijn met criminele gelden.

Pand 1 [plaats]
Het witwasonderzoek richtte zich aanvankelijk op één woning in [plaats]. Deze woning met een aanschafprijs van circa 388.000 euro bleek op 13 maart 2000 zonder hypothecaire lening te zijn aangeschaft door verdachte [klaagster].

Zij staat sinds 2000 ingeschreven op dit adres.

Daarnaast heeft [klaagster] de beschikking over een personenauto met een nieuwwaarde van circa 45.000 euro.

[klaagster] haar geregistreerde inkomsten zijn niet voldoende om dergelijke kostbare bezittingen te hebben.

[klaagster] haar verklaring is dat zij 450.000 contante dollars beschikbaar had en dat haar vader dit geld voor zijn dood (10 december 1991) verdiend had. [klaagster] haar broer had dit tot 1998 onder zich (toen overleed deze broer). [klaagster] heeft daar in 2000 de [a-straat 1] te [plaats] van gekocht. Dit is het pand waar het klaagschrift op ziet. (…)

Reactie op klaagschrift:

Aangevoerd wordt dat de woning in 2000 gekocht is waardoor klaagster niet vervolgd kan worden voor witwassen.
Er wordt hierbij voorbijgegaan aan het feit dat het onderzoek breder is dan de aanschaf van dit pand. Namelijk de aanschaf van panden in 2016 en 2017 met twee ton aan contant betaalde verbouwingen waarbij ook de (ex)partner, (ex)schoonmoeder en (ex)zwager betrokken zijn. En niet te vergeten dat in januari 2018 een hennepplantage in één van deze panden werd aangetroffen. Dat genoemde (ex)familieleden als verdachte zijn aangemerkt is dus niet meer dan logisch. Hetzelfde geldt voor het nagaan van het bedrijf waarvan zij bestuurder was en waarin medeverdachten ook een rol hebben.”

De rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe overwogen:4

De beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 24 september 2019 is op de voet van artikel 94 Sv beslag gelegd op de woning.

Klaagster wordt – kort gezegd – verdacht van witwassen. Het onderzoek richt zich op diverse vermogensbestanddelen, waaronder bankrekeningen en drie woningen in [plaats] en [plaats] met een gezamenlijke waarde van meer dan € 2.000.000.-. waarvan vermoed wordt dat deze zijn gefinancierd met crimineel geld.

Ten aanzien van klaagster ziet de verdenking op de aankoop van een woning aan de [a-straat 1] in [plaats]. Deze woning is door klaagster aangekocht op 13 maart 2000 zonder hypothecaire lening. Daarnaast zou zij beschikken over een auto met een nieuwwaarde van ongeveer € 45.000.-terwijl haar inkomsten niet voldoende zijn voor dergelijke bezittingen. De (ex-)partner van klaagster staat ingeschreven op een adres in [plaats], welke woning op 1 mei 2016 door hem ook zonder hypothecaire lening is aangeschaft voor € 1.111.008,-. Dit geld zou voor een gedeelte afkomstig zijn uit een schenking zijn van zijn moeder en voor het overige een lening betreffen. Er vinden echter geen aflossingen en/of rentebetalingen plaats. Daarnaast is de woning voor circa € 300.000,- verbouwd, waarvan € 200.000,- contant is betaald. De (ex-)partner van klaagster had na 2015 geen inkomsten en voor die tijd zeer lage inkomsten (geregistreerd). De (ex-)zwager van klaagster heeft in 2017 een woning aangeschaft in [plaats] voor € 392.000,-. Deze woning is ook zonder hypothecaire lening gefinancierd. In dit pand werd in 2018 een hennepplantage met ruim 600 planten aangetroffen die al langere tijd in werking zou zijn.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:20Ï0:BL2823,NJ 2010/654).

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4° Sr in verbinding met art 552f Sv.

In het onderhavig geval is sprake van een goed dat volgens het Openbaar Ministerie dient om de waarheid aan de dag te brengen en dat vatbaar is voor verbeurdverklaring.

Dat het beslag nog nodig is om de waarheid aan de dag te brengen is door de officier van justitie niet nader onderbouwd en ligt ook niet voor de hand, nu enerzijds het beslag al is gelegd in 2019 en anderzijds het onderzoek zich richt op financiële geldstromen, en niet op de woning als zodanig. Waarheidsvinding is dus geen reden om het beslag te laten voortduren.

De vraag is, of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring zal uitspreken. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het staat niet ter discussie dat de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] door klaagster is aangekocht in maart 2000. Klaagster wordt ervan verdacht die aankoop te hebben gefinancierd met crimineel vermogen en zich aldus strafbaar te hebben gemaakt aan witwassen. Witwassen is echter pas als apart delict in de Nederlandse wet opgenomen in 2001. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de situatie dat het 'niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring zal uitspreken' zich hier niet voordoet. Dat betekent dat het strafvorderlijk belang zich niet (langer) tegen teruggave van de woning aan klaagster verzet.

De rechtbank zal dan ook vanwege het ontbreken van strafvorderlijk belang het beklag gegrond verklaren en gelasten dat het beslag op de woning wordt opgeheven.”

4 Het middel

4.1.

Het middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank “dat de situatie dat het 'niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring zal uitspreken' zich hier niet voordoet.” Volgens de steller van het middel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd.

4.2.

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Daaraan ligt ten grondslag dat de beklagrechter niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak dient te treden of daarop vooruit dient te lopen.5

4.3.

Bij de beoordeling van een klaagschrift gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, b) de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.6 Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.7

4.4.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de woning onder de klaagster in beslag is genomen op grond van art. 94 Sv wegens de verdenking van witwassen en heeft vervolgens geoordeeld dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van het beslag verzet omdat de situatie dat het niet hoogst onwaarschijnlijk wordt geacht dat de strafrechter de in beslag genomen woning verbeurd zal verklaren, zich hier niet voordoet. Dat betekent dat de rechtbank in haar beoordeling het juiste toetsingskader heeft toegepast. Daarover wordt ook niet geklaagd.

4.5.

Wel wordt geklaagd over de motivering die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Deze motivering komt er in de kern op neer dat de situatie dat het ‘niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring zal uitspreken’ zich niet voordoet omdat de klaagster ervan wordt verdacht dat zij de aankoop van haar woning in maart 2000 heeft gefinancierd met crimineel vermogen en witwassen als delict pas in 2001 in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen. Volgens de steller van het middel geeft de rechtbank hiermee blijk van een verkeerde rechtsopvatting omdat de rechtbank daarmee miskent dat klaagster strafrechtelijk veroordeeld kan worden ter zake van witwasgedragingen die zij heeft begaan op of na invoering van de witwasbepalingen op 14 december 2001, ook als die witwasgedragingen reeds een aanvang hebben genomen vóór 14 december 2001.

5 Bespreking van het middel

5.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er tegen de klaagster een verdenking is van ‘witwassen’, zonder hier een concrete bepaling uit het Wetboek van Strafrecht te noemen. Dat is op zichzelf niet verwonderlijk nu er ten tijde van de behandeling van het klaagschrift nog geen (voorlopige) tenlastelegging beschikbaar was.8 Wel blijkt uit het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie dat het om een verdenking van witwassen gaat als bedoeld in art. 420bis Sr.

Dit wetsartikel is op 14 december 2001 in werking getreden en luidt – voor zover relevant –als volgt:9

“Artikel 420bis.
1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.
(…)”

5.2.

Uit de overweging van de rechtbank dat de klaagster er van wordt verdacht de aankoop van haar woning in 2000 te hebben gefinancierd met crimineel vermogen en zich aldus strafbaar heeft gemaakt aan witwassen, leid ik af dat de rechtbank daarmee doelt op de het verwerven van een voorwerp dat uit enig misdrijf afkomstig is, als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder b Sr. Nu vast staat de klaagster haar woning heeft gekocht (verworven) in maart 2000 en dus vóór de inwerkingtreding van art. 420bis Sr op 14 december 2001 is het oordeel van de rechtbank dat zich hier niet een situatie voordoet waarbij een latere verbeurdverklaring op grond hiervan niet hoogst onwaarschijnlijk is, niet onbegrijpelijk en getuigt het evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. Ten tijde van de aankoop van de woning was witwassen immers nog niet strafbaar.

5.3.

In de toelichting op het middel wordt echter betoogd dat in het licht van hetgeen door het openbaar ministerie is aangevoerd, de rechtbank zich er onvoldoende rekenschap van heeft gegeven dat witwassen naast ‘verwerven’ ook andere gedragingen omvat zoals het ‘voorhanden hebben’ en ‘gebruik maken’ welke vormen van witwassen als voortdurend delict kunnen worden aangemerkt10 en dus wel strafbaar zijn in de periode waarover het onderzoek tegen de klaagster zich uitstrekt. Daar heeft de steller van het middel wat mij betreft een punt. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onderzoek breder is en niet alleen betrekking heeft op de enkele aanschaf van de woning door de klaagster, maar ook op de aanschaf van panden door medeverdachten in 2016 en 2017, waarbij sprake is van een zekere verwevenheid. Ten slotte is door de officier van justitie benadrukt dat de verdenking jegens de klaagster moet worden gezien als een voortdurend delict waarbij minimaal sprake is van het enkele voorhanden hebben sinds de ingangsdatum van de strafbaarstelling van witwassen.

5.4.

Nu de rechtbank haar oordeel dat er geen sprake is van een situatie waarbij het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen woning zal bevelen kennelijk enkel heeft gebaseerd op de verdenking van “verwerven” terwijl uit voorgaande volgt dat de verdenking jegens de klaagster breder is en tevens ziet op witwasvarianten die (mogelijk) als een voortdurend delict kunnen worden aangemerkt waardoor deze wel strafbaar zijn ten tijde van de onderzoeksperiode, is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.

5.5.

De tegenwerpingen die in de schriftuur houdende tegenspraak zijn opgeworpen, dat ‘het voorhanden hebben’ dan wel ‘het gebruik maken’ niet kan worden aangemerkt als een voortdurend delict11 doet hier niet ter zake nu de rechtbank bij haar oordeel kennelijk in het geheel niet heeft stilgestaan bij deze witwasvarianten en de mogelijkheid dat het daarbij zou kunnen gaan om voortdurende delicten. Of ‘het voorhanden hebben’ dan wel ‘het gebruik maken’ al dan niet eveneens als ‘verbergen’ en ‘verhullen’ (art. 420bis lid 1 onder a Sr) als een voortdurend delict kan worden aangemerkt, kan gediscussieerd worden. In dit stadium waarbij de beslagrechter slechts summier dient te toetsen en niet op de beslissing van de strafrechter mag vooruitlopen, kan – mede gelet op hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd – niet op voorhand worden gezegd dat deze witwasvarianten niet als een voortdurend delict kunnen worden aangemerkt.

5.6.

Dat betekent dat het middel slaagt.

6 Conclusie

6.1.

Het middel slaagt.

6.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beslissing aanleiding behoren te geven.

6.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met overneming van vetgedrukte tekst.

2 Ik ga ervan uit dat dit een kennelijke verschrijving is en bedoeld wordt [a-straat 1] te [plaats].

3 Met overneming van cursief en onderstreept weergegeven tekst.

4 Met overneming van vetgedrukte tekst.

5 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010, 654 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.2.

6 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m. nt. Mevis, rov. 2.8.

7 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m. nt. Mevis, rov. 2.9.

8 De officier van justitie heeft in reactie op een verzoek van de strafgriffie van de Hoge Raad op 18 februari 2022 met betrekking tot ontbrekende stukken laten weten dat er nog geen (voorlopige) tenlastelegging is omdat het onderzoek van de politie nog niet gereed is. Volgens de schriftuur houdende tegenspraak is er ook thans nog geen concept-tenlastelegging beschikbaar.

9 Onderstreping AG TS.

10 De steller van het middel wijst in dit verband op de conclusie van AG Bleichrodt voor HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3056, randnummer 26 en merkt op dat hetzelfde geldt voor ‘verbergen’ of ‘verhullen’ in de zin van art. 420bis lid 1 onder a (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014: 956, rov. 2.5).

11 In de schriftuur houdende tegenspraak wordt gesteld dat het de vraag is of bij het 'voorhanden hebben' (dan wel 'gebruik maken') sprake is van een voortdurend delict nu de HR zich hier nog niet met zoveel woorden over heeft uitgelaten. Dat ligt anders t.a.v. ‘verbergen’ of ‘verhullen’ in de zin van art. 420bis lid 1, onder a, Sr. Gewezen wordt op HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014: 956 waaruit kan worden afgeleid dat ‘verbergen’ of ‘verhullen’ moet worden beschouwd als een voortdurend delict.