Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:710

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
21/01400
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv. Verzoek om teruggave van de onder de klaagster in beslag genomen positieve girale saldi. Terechte klacht over de feitelijke vaststelling van de rechtbank dat het beslag (enkel) is gelegd in het kader van art. 94a Sv. Gelet op de gedingstukken en in het licht van hetgeen is aangevoerd door de procespartijen, had de rechtbank niet kunnen volstaan met deze enkele vaststelling, maar had zij ervan blijk moeten geven onderzoek te hebben gedaan naar de juridische grondslag van het beslag en haar oordeel dienaangaande nader moeten motiveren. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/01400 B

Zitting 30 augustus 2022

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de klaagster.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, heeft bij beschikking van 3 maart 2021 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de onder haar in beslag genomen positieve girale saldi van drie op haar naam gestelde bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 1], [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3], ongegrond verklaard.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de toetsingsmaatstaf die de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift heeft aangelegd. Het tweede middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging.

2 De procesgang

2.1.

Op grond van de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, kan in deze zaak de procesgang als volgt worden samengevat.

2.2.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de klaagster wegens verdenking van witwassen zijn op 26 mei 2020 de positieve girale saldi van bovengenoemde bankrekeningen in beslag genomen.

2.3.

Op 13 oktober 2020 is namens de klaagster een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave van de in beslag genomen positieve girale saldi aan de klaagster.

2.4.

Op 21 december 2020 is het klaagschrift in raadkamer behandeld. De behandeling van het klaagschrift is toen aangehouden in verband met de beperkende maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus. Vervolgens is op 17 februari 2021 de behandeling van het klaagschrift in raadkamer hervat.

2.5.

De rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 2021 het klaagschrift ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking is namens de klaagster beroep in cassatie ingesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel klaagt, in samenhang gelezen met de toelichting, dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat sprake is van conservatoir beslag ex art. 94a Sv, terwijl (enkel) sprake is van klassiek beslag ex art. 94 Sv. Vanwege die onjuiste vaststelling heeft de rechtbank een verkeerde maatstaf aangelegd, althans is het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd, althans niet zonder meer begrijpelijk.

3.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“2. Procedure

2.1. Summier karakter

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven.

2.2. Juridische grondslag

Bij inbeslagneming met toepassing van art. 94a Sv gaat het om een conservatoir beslag, waarmee in geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd, beoogd wordt een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen in verband met een later eventueel op te leggen geldboete, ontnemingsmaatregel of schademaatregel.

2.3. Toetsingsmaatstaven

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechtbank te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd en of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen danwel een schademaatregel ten behoeve van een slachtoffer zal opleggen.

3. Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 26 mei 2020 is onder klaagster het positieve saldo op voornoemde bankrekeningnummers inbeslaggenomen wegens verdenking witwassen. Uit nader onderzoek is gebleken dat het banksaldo van klaagster is toegenomen in 2018 van € 2.986,- naar € 648.059,-, terwijl zij slechts looninkomsten heeft van € 5.403,- en een omzet in haar eenmanszaak van € 9.633,-. Klaagster draaide in 2016 en 2017 verlies met haar onderneming. Er wordt geen belastingaangifte gedaan. Een bedrag van € 839.248,- wordt op haar rekening overgeboekt zonder dat dit te verklaren is. En bij de belastingdienst is niet opgegeven dat zij een woning bezit in Oostenrijk of überhaupt onroerend goed bezit in Nederland of in het buitenland.

De raadsman van klaagster heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift zijn pleitnotities overhandigd (bijlage I) en aanvullend verklaard dat de ervaring leert dat rechtshulpverzoeken tijdrovend zijn. De raadsman heeft nog geen stukken ontvangen, noch reactie op zijn verzoeken.

De officier van justitie heeft verklaard dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard en persisteert bij het eerder ingenomen standpunt van de officier van justitie bij de raadkamer van 21 december 2020.

De rechtbank overweegt het volgende

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de verklaring van klaagster en de door haar overgelegde stukken vooralsnog niets zeggen over de (gestelde legale) herkomst van het voor de aanschaf van het appartement benodigde geld. Op dit moment staat dus nog geenszins vast wie de werkelijke eigenaar is van het appartement en (dus) van het geld dat afkomstig is uit de verkoop. Bij deze stand van zaken is het daarom niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Om die reden dient het beklag ongegrond te worden verklaard.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift ongegrond.”

3.3.

Het proces-verbaal van bevindingen van 26 oktober 2020 dat ten behoeve van de rekestenzitting is opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“11. Motivatie behouden beslag

Het onderzoek naar de verdenking van Witwassen jegens [klaagster] is nog niet afgerond. Het onderzoeksteam is in afwachting op documentatie uit Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk, welke eerder dit jaar middels een Europees onderzoeksbevel is opgevraagd. Voorgenoemde documentatie is van belang om welke het door de verdachte begane feit, witwassen, te bevestigen dan wel ontkrachten.”

3.4.

Het schriftelijk requisitoir dat aan het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 21 december 2020 is gehecht, houdt onder meer in:

“(…) Beslag 94 Sv ter waarheidsvinding/verbeurdverklaring als voorwerp van witwassen 420bis

Giraal geldbedrag van € 624.995,62  saldo drie IBN bankrekeningen van klaagster

(…) Standpunt OvJ

(…) Inhoudelijk
Er is rechtmatig beslag gelegd op voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring kan worden bevolen, nu ter zake die voorwerpen een terechte verdenking is gerezen van witwassen door klaagster. Niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen zal bevelen (HR 10 maart 2009, LJN BG9151, NJ 2009,149 en HR 4 december 2012, LJN BY2818).

Het IBN geldbedrag is blijkens de door klaagster overgelegde stukken afkomstig uit de schenking aan en verkoop door klaagster van een appartement. Dit appartement is door haar ouders aan klaagster geleverd op 30-06-2016.

Daarmee is nog niets gezegd over de (gestelde legale) herkomst van het voor de aanschaf van het appartement benodigde geld. De vader van klaagster zit een fikse gevangenisstraf uit voor het witwassen van zéér grote geldbedragen, waarbij diamanthandel als dekmantel zou zijn gebruikt, en ten behoeve waarvan o.a. rechtspersonen zowel in Nederland als in het Verenigd Koninkrijk lijken te zijn opgericht.

Het ernstige vermoeden is dat het appartement, en dus het door klaagster uit de verkoop ontvangen geldbedrag (middellijk) afkomstig is uit het criminele verdienmodel van de vader van klaagster, waarvan klaagster wetenschap heeft of moet hebben gehad ten tijde van de levering van het appartement aan haar.

De vader van klaagster heeft het appartement eind 2013 verworven, en is in het Verenigd Koninkrijk aangehouden in november 2014. De levering aan klaagster van het appartement (30-06-2016), heeft plaatsgevonden relatief kort voor de veroordeling van haar vader op 28 oktober 2016.

Opmerkelijk is ook dat bij volmacht van 14 juli 2016, (mede) ondertekend door klaagster, ene [betrokkene 1] - samen met de vader van klaagster - het woninggebruik wordt toegekend. Evenals de vader van klaagster, is die [betrokkene 1] in het Verenigd Koninkrijk op 28 november 2014 aangehouden met een grote som contant geld in haar bezit (GBP 170.000), en is zij in 2017 veroordeeld voor grootschalig witwassen en wel tot 10 jaar gevangenisstraf.

Klaagster heeft de verdenking in verhoor geenszins weg kunnen nemen. Zij heeft o.a. verklaard dat zij schenkingsbelasting heeft betaald in Oostenrijk, maar niet te weten of het appartement is opgegeven bij de (Oostenrijkse) Belastingdienst, en dat zij het appartement heeft verkocht om haar vader financieel te ondersteunen maar niet wil vertellen waarvoor die ondersteuning is. Bij het verhoor zijn overgelegd voornoemde schenkingsovereenkomst en de overeenkomst van verkoop door klaagster.

Er vindt nog onderzoek plaats naar de stellingen van klaagster en ook o.a. naar de werkelijke eigendom en herkomst van het onder klaagster IBN geld (en, derhalve, naar het voor de aanschaf van het appartement in 2013 benodigde geld). Dit mede in het licht van de veroordeling in het Verenigd Koninkrijk van de vader van klaagster voor witwassen op zeer grote schaal. Er zijn Europese Onderzoeksbevelen uitgevaardigd aan het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk, mede naar aanleiding van uit Oostenrijk ontvangen stukken (in reactie op het zogeheten ARO verzoek), die concrete aanknoping geven voor nader financieel onderzoek. De ervaring leert dat rechtshulptrajecten tijdrovend zijn, maar de resultaten kunnen ieder moment worden verwacht.

Nu de verklaring van klaagster en de door haar overgelegde stukken niets zeggen over de (gestelde legale) herkomst van het voor de aanschaf van het appartement benodigde geld, en nog geenszins vaststaat de werkelijke eigendom van het appartement en (dus) van het geld dat afkomstig is uit de verkoop en het onderzoek daarnaar voortduurt, kan worden geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de verbeurdverklaring (of onttrekking aan het verkeer) van het onder klaagster IBN geld zal worden bevolen.”

3.5.

Uit de beschikking van 3 maart 2021 blijkt dat de raadsman van de klaagster het woord heeft gevoerd overeenkomstig de aan de beschikking gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in (met weglating van voetnoot):

“(…) De verklaring van aangeefster aangaande de herkomst van bedoeld geldbedrag is reeds door het OM geverifieerd. Zonder vooruit te lopen op het in de hoofdzaak te geven oordeel kan mitsdien het beslag thans worden opgeheven. In dat verband zij opgemerkt dat geheel onduidelijk is, althans het OM kan kennelijk niet welomschreven duiden om welke informatie het zou kunnen gaan, waarop de uitstaande rechtshulpverzoeken betrekking hebben. Welke informatie dat zou moeten zijn en op welke wijze de uitstaande rechtshulpverzoeken een verdenking van witwassen zou kunnen constitueren - kennelijk is die verdenking er thans niet - is door het OM geheel in het midden gelaten. De motivering van het voortduren van het beslag is daarom onvoldoende toereikend. Te meer nu geenszins duidelijk is waarom het nodig is de vorderingen van klaagster in beslag te nemen om daar onderzoek naar te kunnen doen: het onderzoeksbelang verzet zich niet tegen opheffing. Het dossier bevat verder onvoldoende aanknopingspunten dat, voor zover sprake is van witwassen klaagster daar wetenschap van had of redelijkerwijs had kunnen vermoeden; er is geen sprake is van een situatie waarin het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de vordering zal verbeurd verklaren.

6. Klaagster wordt bij voortduring van het beslag op een onnodige en disproportionele wijze getroffen, hetgeen in strijd is met artikel I van het Eerste Protocol EVRM. Inbeslagneming van voorwerpen met het oog op verbeurdverklaring vormt een inbreuk op het eigendomsrecht waarvoor evenzeer geldt dat er een ‘fair balance' moet bestaan tussen aan de ene kant het algemene belang van een passende strafrechtelijke reactie en aan de andere kant de belangen van de beslagene, als opgemerkt door AG Knigge. Klaagster drijft met VIP stable een onderneming in de paardenwereld en haar naam raakt binnenin die kleine wereld ernstig besmeurd, is reeds besmeurd geraakt, door het onderzoek wat naar haar wordt gedaan. Zo hebben er boekenonderzoeken bij paardenstallen plaatsgehad. Klaagster wordt onevenredig bezwaard door inbeslagneming en het voortduren hiervan. Klaagster verzoekt om opheffing.”

4 Beoordeling van het eerste middel

4.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van conservatoir beslag ex art. 94a Sv. Ik stel voorop dat bij de vraag welke beoordelingsmaatstaf van toepassing is ten tijde van de behandeling in raadkamer duidelijk dient te zijn welke bepaling of bepalingen aan het beslag ten grondslag liggen.1 Daarom moet in cassatie eerst de vraag worden beantwoord of het feitelijk oordeel van de rechtbank dat het beslag op grond van art. 94a Sv is gelegd, begrijpelijk is.

4.2.

Kennelijk heeft de rechtbank haar oordeel dat sprake is van conservatoir beslag ex art. 94a Sv gebaseerd op de twee kennisgevingen van inbeslagneming2 die als bijlage zijn gehecht aan het proces-verbaal van bevindingen van 26 oktober 2020 dat ten behoeve van de rekestenzitting is opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Ik heb alleen in deze stukken een aanwijzing gevonden dat het (ook) om conservatoir beslag ex art. 94a Sv zou gaan. In de titel van deze stukken wordt weliswaar naast art. 94 Sv ook art. 94a Sv genoemd, maar de grondslag voor het beslag en ten behoeve waarvan het beslag is gelegd, worden in deze stukken niet (nader) gespecificeerd. Het blijft dus bij de enkele vermelding van art. 94a Sv in de titel van deze kennisgevingen.

4.3.

Verder valt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2020 dat ten behoeve van de rekestenzitting is opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] af te leiden dat het beslag voortduurt, omdat het strafrechtelijk onderzoek tegen de klaagster wegens verdenking van witwassen nog niet is afgerond. De politie is in afwachting van documenten die in het kader van uitstaande rechtshulpverzoeken door Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk moeten worden aangeleverd. Deze nog aan te leveren documenten zijn nodig om de verdenking van witwassen te kunnen staven of te ontkrachten. Aan dit proces-verbaal van bevindingen kan een sterke aanwijzing worden ontleend dat het in de onderhavige zaak (eerder) klassiek beslag ex art. 94 Sv dan conservatoir beslag ex art. 94a Sv betreft.

4.4.

Hier komt bij dat uit hetgeen bij de behandeling in raadkamer door de procespartijen is opgemerkt duidelijk naar voren komt dat zowel de officier van justitie als de raadsman van de klaagster ervan uitgingen dat het beslag op grond van art. 94 Sv en niet (ook) op grond van art. 94a Sv was gelegd.

4.5.

De overweging van de rechtbank dat de verklaring van de klaagster en de door haar overgelegde stukken vooralsnog niets zeggen over de (gestelde legale) herkomst van het voor de aanschaf van het appartement benodigde geld en het dus nog geenszins vaststaat wie de werkelijke eigenaar is van het appartement en (dus) van het geld dat afkomstig is uit de verkoop daarvan, lijkt erop te duiden dat het voortduren van het beslag dient om de waarheid te achterhalen in die zin dat de herkomst en het eigendom van de onder de klaagster in beslag genomen positieve girale saldi nog moet worden onderzocht. Dit zou betekenen dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Dit toetsingskader hoort echter bij de beoordeling van een klaagschrift gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv, en dus niet art. 94a Sv, gelegd beslag.

4.6.

Gelet op de gedingstukken en in het licht van hetgeen is aangevoerd door de procespartijen had de rechtbank naar mijn mening niet kunnen volstaan met de enkele vaststelling dat het onderhavige beslag in het kader van art. 94a Sv is gelegd, maar had zij ervan blijk moeten geven onderzoek te hebben gedaan naar de juridische grondslag van het beslag en haar oordeel dienaangaande nader moeten motiveren.3 Het oordeel van de rechtbank dat sprake is van conservatoir beslag ex art. 94a Sv is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu de rechtbank niet ervan blijk heeft gegeven bij haar oordeel te hebben betrokken dat en waarom geen of niet ook sprake is van klassiek beslag ex art. 94 Sv. De beslissing van de rechtbank is derhalve ontoereikend gemotiveerd.4 Het eerste middel klaagt hierover terecht.

4.7.

Het eerste middel slaagt. Gelet hierop behoeft het tweede middel geen bespreking, mede vanwege de omstandigheid dat voor de beantwoording van de vraag of de ongegrondverklaring van het klaagschrift begrijpelijk is gemotiveerd, allereerst dient vast te staan wat de grondslag van het beslag is en het daarbij behorende beoordelingskader.

5 Conclusie

5.1.

Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.

5.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.7, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis.

2 Uit de inhoud van de kennisgevingen blijkt niet wanneer deze zijn opgemaakt en ondertekend. Wel blijkt dat deze door verbalisant [verbalisant 2] zijn ondertekend.

3 Vgl. HR 6 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6174.

4 Vgl. HR 25 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6604 en HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6219.