Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:689

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-07-2022
Datum publicatie
01-09-2022
Zaaknummer
21/02116
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Europees recht. Internationaal privaatrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter; pluraliteit van verweerders (art. 8 lid 1 EEX-Vo); beschikking Griekse mededingingsautoriteit; Nederlandse ankergedaagde; mededingingsrechtelijk begrip ‘onderneming’; arrest Sumal (HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/02116

Zitting 8 juli 2022

CONCLUSIE

B.J. Drijber

In de zaak van

1 Athenian Breweries S.A.,

2. Heineken N.V.,

eiseressen tot cassatie, verweersters in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. W.H. van Hemel,

tegen

Macedonian Thrace Brewery S.A.,

verweerster in cassatie, eiseres in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. P.A. Fruytier.

Eiseressen tot cassatie worden hierna aangeduid als AB en Heineken en samen als Heineken c.s.. Verweerster in cassatie wordt aangeduid als MTB.

1 Inleiding

1.1

Deze zaak betreft een bevoegdheidsincident. De Griekse bierbrouwerij MTB heeft de eveneens Griekse bierbrouwerij AB gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam wegens schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van mededingingsverstorende gedragingen van AB op de Griekse biermarkt. MTB heeft tevens Heineken gedagvaard, de holdingmaatschappij van AB. MTB stelt dat Heineken en AB in mededingingsrechtelijke zin tot dezelfde onderneming behoren die de inbreuk heeft gepleegd. MTB stelt dat Heineken daarom tegenover haar hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die volgens haar door genoemde inbreuk is veroorzaakt.

1.2

Niet in geschil is dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken. Heineken is immers in Amsterdam gevestigd. Wel in geschil is of de rechtbank op grond van Verordening 1215/2012,1 hierna aan te duiden als Brussel I-bis, bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB. De rechtbank oordeelde van niet en heeft zich in zoverre onbevoegd verklaard. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat de rechtbank op grond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis wél bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB, omdat tussen die vorderingen en de vorderingen van MTB tegen Heineken een nauwe samenhang bestaat. Ik meen dat dit oordeel juist is.

1.3

Deze zaak raakt aan een bredere discussie, namelijk in hoeverre de uitleg van het begrip ‘onderneming’ uit het Europese mededingingsrecht doorwerkt in de geharmoniseerde bevoegdheidsregels van internationaal privaatrecht. Aanleiding voor dit debat is recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU of Hof), waarin is uitgemaakt dat het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip niet alleen van toepassing is op de publiekrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht door mededingingsautoriteiten, maar ook op de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht bij de burgerlijke rechter door partijen die stellen schade te hebben geleden als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht.2

1.4

Mede gezien het grote aantal kartelschadezaken dat loopt bij Nederlandse gerechten zal ik in par. 4 van deze conclusie toelichten in hoeverre het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ kan doorwerken in de bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel I-bis. De meeste van deze procedures betreffen vorderingen tot schadevergoeding nadat de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een kartel tussen ondernemingen uit verschillende landen heeft vastgesteld (zogenoemde follow on-acties). De aangezochte rechter kan, als er verschillende gedaagden zijn waarvan er ten minste één in Nederland is gevestigd, ten aanzien van elk van de gedaagden internationale bevoegdheid ontlenen aan art. 8 lid 1 Brussel I-bis (en aan het equivalent daarvan, art. 7 lid 1 Rv, voor zover gedaagden woonplaats hebben buiten de Europese Unie).

1.5

Deze zaak wijkt in feitelijk opzicht nogal af van de meeste follow on-acties bij Nederlandse gerechten:

i) het betreft vorderingen wegens misbruik van machtspositie door één onderneming, niet vorderingen tegen diverse ondernemingen wegens deelname aan een kartel;

ii) deze vorderingen volgen op de vaststelling van een inbreuk door een nationale mededingingsautoriteit, niet op een boetebesluit van de Commissie;

iii) de inbreukmaker is gedagvaard in het forum van de topholding, en niet omgekeerd;

iv) de eiser is hier een concurrent die stelt inkomsten te zijn misgelopen, en niet een afnemer die stelt een prijsopslag te hebben betaald.

Voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, maakt het echter in beginsel niet uit dat deze zaak in genoemde opzichten afwijkt van de stereotype follow on-acties.

2 Feiten

2.1

In cassatie staan de volgende feiten vast.3

2.2

MTB is een Griekse bierbrouwerij, die actief is op de Griekse biermarkt.

2.3

AB is een Griekse bierbrouwerij die in haar eigen productiefaciliteiten een aantal bier- en watermerken produceert, alsmede andere merken importeert, en deze vervolgens verkoopt en – met gebruikmaking van haar eigen logistieke centra – distribueert in Griekenland. Zij verkoopt ook bier onder het merk Heineken. AB maakt als operating company deel uit van het Heineken-concern, een wereldwijd opererend concern dat uit honderden verschillende juridische entiteiten bestaat in meer dan 70 landen.

2.4

Heineken is een beursgenoteerde houdstervennootschap die de strategie en doelstellingen van het Heineken-concern vaststelt. Zij heeft en had zelf geen operationele activiteiten in Griekenland. Heineken hield gedurende de in deze procedure relevante periode indirect – als (over)grootmoedervennootschap – circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB.

2.5

Op 4 juli 2001 is de Griekse mededingingsautoriteit, in de gedingstukken aangeduid onder de Engelstalige benaming Hellenic Competition Commission (hierna: HCC), ambtshalve een onderzoek gestart naar het algemene handelsbeleid van AB. De HCC heeft bij beschikking van 19 september 2014 geoordeeld dat AB een economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft en die positie heeft misbruikt in de periode van september 1998 tot en met 14 september 2014, door een beleid te voeren dat erop was gericht om concurrenten van de Griekse biermarkt uit te sluiten, welk gedrag is aan te merken als één enkele voortdurende inbreuk op art. 102 VWEU en het nationale equivalent daarvan, art. 2 van de Griekse Mededingingswet (in het Engels afgekort als GCA).

2.6

MTB heeft HCC verzocht Heineken in het onderzoek te betrekken. De HCC-beschikking vermeldt hierover in de Engelse vertaling (waarvan de juistheid niet in het geding is):

“(..) Submission of Macedonian Thrace Brewery for imputation of liability on the parent company

86 In its memoranda, Macedonian Thrace Brewery also refers to the matter of whether Heineken NV bears liability as the parent company of AB, and requests the HCC to expand its investigation to identify any such liability, (..)

88 In the case at hand, the Commission, acting in the context of its discretionary powers and having due regard to all contents of the case file and all facts of the case, held unanimously that there is no evidence or sufficient indications, nor any superior reasons of effectiveness justifying further investigation in that direction. (..)

89 In particular, without disregarding the ability to impute liability on the parent company for an infringement committed by its subsidiary, according to the relevant EU case-law, it is in any case imperative that all conditions imposing such liability based on the principle of proportionality be duly met. Accordingly, such discretion has been exercised by the national competition authorities up to now very scrupulously, and only in special cases. As already mentioned, there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (...)”

2.7

Het beroep van AB tegen de HCC-beschikking is in 2017 door de Griekse bestuursrechter ongegrond verklaard, zij het dat de boete is verlaagd. AB heeft hoger beroep ingesteld. Bij de Griekse Raad van State.4

3 Procesverloop

3.1

Bij dagvaarding van 23 februari 2017 heeft MTB bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) gevorderd om voor recht te verklaren dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een inbreuk op art. 102 VWEU dan wel art. 2 GCA op de Griekse biermarkt in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014. MTB heeft tevens de volledige vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van die inbreuk(en) gevorderd. Zij legt aan haar vorderingen ten grondslag dat uit de HCC-beschikking blijkt dat AB misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie op de Griekse biermarkt(en) door concurrenten uit te sluiten van die markt (onder andere door afneempunten exclusief aan zich te binden). Volgens MTB vormen Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU vanwege de beslissende invloed die Heineken op AB uitoefent, zodat ook Heineken onrechtmatig heeft gehandeld en samen met AB hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die MTB ten gevolge van deze schending van het mededingingsrecht heeft geleden.

3.2

Heineken c.s. hebben in incident gevorderd, primair, dat de rechtbank i) zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen tegen AB en ii) de vorderingen tegen Heineken afwijst, dan wel, subsidiair, de hoofdzaak aanhoudt totdat de HCC-beschikking onherroepelijk is geworden of nietig is verklaard, dan wel, meer subsidiair, een afwijkende procesorde bepaalt waarbij eerst een conclusiewisseling en een beoordeling van het door Heineken c.s. te voeren verjaringsverweer zal plaatsvinden. Heineken c.s. leggen aan hun primaire incidentele vordering ten grondslag dat Heineken en AB zich feitelijk en rechtens in een verschillende situatie bevinden en het voor AB in het geheel niet voorzienbaar was dat MTB haar zou oproepen voor de rechtbank Amsterdam. Daar komt bij dat de constructie van een niet-bestaande vordering tegen Heineken misbruik van (proces)bevoegdheid oplevert, omdat de vordering enkel is ingesteld om een forum te creëren. MTB heeft in het incident gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

Bij vonnis van 9 mei 2018 heeft de rechtbank in het bevoegdheidsincident de primaire vordering onder i) toegewezen en de overige vorderingen afgewezen. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken in de hoofdzaak, maar dat in het incident geen beslissing over materiële punten kan worden genomen (rov. 4.2-4.3). Volgens de rechtbank heeft MTB haar stelling dat tussen de ingestelde vorderingen tegen Heineken en AB een nauwe band in de zin van art. 8 lid 1 Brussel I-bis bestaat onvoldoende met concrete feiten onderbouwd (rov. 4.9). MTB heeft in dat kader niet aangetoond dat Heineken heeft meegewerkt of deelgenomen aan de gestelde mededingingsinbreuk door AB of dat Heineken die gedragingen heeft bepaald (rov. 4.10 en 4.13) en evenmin dat Heineken wist van het gedrag van AB en heeft verzuimd in te grijpen (rov. 4.11). De rechtbank oordeelt dat de vraag of een recht op schadevergoeding jegens de moedervennootschap bestaat, wordt beheerst door Grieks recht. Ook uit het Unierecht volgt volgens de rechtbank niet dat een moedervennootschap op grond van het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip civielrechtelijk verplicht is tot betaling van schadevergoeding zonder dat haar daadwerkelijke betrokkenheid bij de inbreuk is vastgesteld (rov. 4.12). In het verlengde daarvan is de rechtbank van oordeel dat het voor AB niet voorzienbaar was dat zij voor de rechter van de woonplaats van haar (groot)moedermaatschappij zou worden gedaagd (rov. 4.13). De rechtbank wijst de subsidiaire vordering tot aanhouding af omdat de Nederlandse rechter in de procedure tegen Heineken niet gebonden is aan de HCC-beschikking ten aanzien van AB (rov. 4.15).

3.4

In die omstandigheden heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen AB, en bepaald dat de zaak tussen MTB en Heineken wordt voortgezet met een conclusie van antwoord door Heineken. Het verzoek van Heineken om in de hoofdzaak eerst het debat over verjaring te voeren heeft de rechtbank wegens gebrek aan instemming van MTB afgewezen (rov. 4.18).5

3.5

MTB is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof). Heineken heeft voeging aan de zijde van AB gevorderd. Bij tussenarrest van 25 juni 2019 heeft het hof voeging toegestaan. Heineken c.s. hebben vervolgens gemotiveerd verweer gevoerd.

3.6

Bij arrest van 16 februari 20216 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, het primaire incidentele beroep van Heineken c.s. op onbevoegdheid alsnog afgewezen, en de zaak verwezen naar de rechtbank voor berechting en beslissing op de vordering van MTB tegen AB. Het hof overweegt dat om de volgende redenen ter ussen de vorderingen tegen AB en Heineken een nauwe band bestaat in de zin van art. 8 lid 1 Brussel I-bis:

i) De positie van Heineken is wat betreft de feiten hetzelfde als die van AB, omdat de verwijten die aan Heineken worden gemaakt louter zien op handelingen op de Griekse markt, en aangaande dat (niet door Heineken zelf, rechtstreeks) feitelijk handelen maakt MTB aan AB dezelfde verwijten als zij aan Heineken maakt en baseert zij daarop gelijkluidende vorderingen tegen Heineken en AB (rov. 3.4).

ii) Heineken is de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB en er bestaat een bepaalde centrale beleidsbepaling over, onder meer, de internationale presentatie van het merk Heineken (rov. 3.5).

iii) In geschil is of Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU vormen. Het belang van dat geschil is echter beperkt, omdat de Nederlandse rechter in deze procedure op de vordering tegen Heineken moet beslissen en daarbij niet anders zal kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC. Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan, doet zich immers de vraag voor of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken zijn vervuld (rov. 3.5 en 3.7).

iv) Gelet op het risico van onverenigbare beslissingen is in beginsel voldaan aan de eis van art. 8 lid 1 Brussel I-bis. Het valt niet uit te sluiten dat de Griekse civiele rechter hetzelfde handelen van AB en de HCC-beschikking anders zou waarderen dan de Nederlandse rechter die hoe dan ook dient te beslissen op de vorderingen tegen Heineken. Daardoor zou een situatie kunnen ontstaan waarin het gedrag van AB volgens de ene Unierechter wel en volgens de andere niet in strijd is met art. 102 VWEU (rov. 3.6).

v) Van een geval waarin, zoals de rechtbank kennelijk heeft aangenomen, de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel I-bis wordt misbruikt om AB van haar gewone rechter af te trekken door een vordering in Nederland tegen Heineken als ankergedaagde in te stellen, is geen sprake. Ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s. valt op dit moment niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt. In de beschikking van HCC valt ook niet te lezen dat zij van oordeel is dat Heineken zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie, zodat toewijzing van de vordering niet op voorhand redelijkerwijs reeds uitgesloten moet worden geacht (rov. 3.8-3.9).

vi) Ook gaat het MTB niet louter om een oordeel van de Nederlandse rechter over het handelen van AB, maar juist ook om een oordeel over Heineken (rov. 3.10).

vii) AB wordt verweten dat zij bij de verkoop van onder meer bier van het Heineken-merk op de Griekse markt misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie. Dat dit verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap was in redelijkheid voor AB te voorzien, nu het verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van het concern en het bier van het merk waarvan de rechten bij dat concern liggen (rov. 3.11).

3.7

Bij arrest van 18 mei 2021 heeft het hof op verzoek van Heineken c.s. bepaald dat tegen het arrest van 16 februari 2021 tussentijds cassatieberoep openstaat.

3.8

Bij procesinleiding van 17 mei 2021 hebben Heineken c.s. tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 16 februari 2021. MTB heeft verweer gevoerd in het principaal cassatieberoep en tevens (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarbij Heineken c.s. zich hebben beperkt tot een reactie op het incidentele cassatieberoep. Daarna heeft repliek en dupliek plaatsgevonden.

4 Juridisch kader

4.1

Voor ik toekom aan het cassatieberoep ga ik in op de juridische achtergronden.

Internationaal privaatrecht: regels internationale bevoegdheid

4.2

De bevoegdheidsvraag wordt beheerst door Brussel I-bis. Deze verordening is materieel en temporeel van toepassing op de onderhavige zaak.

4.3

De belangrijkste doelstelling van Brussel I-bis is het creëren van een stelsel van uniforme en voorspelbare bevoegdheidsregels in burgerlijke en handelszaken. Volgens de algemene regel van art. 4 is de rechter van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, bevoegd om over het geschil te oordelen (het forum rei). Slechts in afwijking van deze algemene regel voorziet de verordening in limitatief opgesomde gevallen in een bijzondere of exclusieve bevoegdheid waardoor de verweerder kan, of naar gelang het geval moet, worden opgeroepen voor het gerecht van een andere lidstaat.7

4.4

De overwegingen 15 en 16 van Brussel I-bis luiden (mijn onderstreping):

“(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt.(…).

(16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was.(…).”

4.5

Art. 4 Brussel I-bis bepaalt:

“Onverminderd deze verordening worden zij die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

Art. 5 lid 1 Brussel I-bis bepaalt:

“Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

4.6

Art. 8 Brussel I-bis, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk II van deze verordening, voorziet in een bijzondere bevoegdheid in geval van pluraliteit van verweerders. Het eerste lid is hier van belang:

“Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven; (…).”

Deze bepaling stond voorheen in art. 6 punt 1 van Verordening 44/2001 en daarvoor in art. 6 punt 1 van het EEX-Verdrag.

4.7

Op grond van dit artikel kan de eiser in geval hij meerdere verweerders uit verschillende EU-lidstaten dagvaardt, bij uitzondering kiezen een verweerder op te roepen voor het gerecht waar één van de verweerders woonplaats heeft, de ‘ankerverweerder’. Voorwaarde is dus dat de bevoegdheid met betrekking tot de vordering tegen de ankerverweerder berust op diens woon- of vestigingsplaats. De woonplaats van de eiser is niet van belang voor de vraag of een zaak binnen de formele werkingssfeer van Brussel I-bis valt.8 Voorts geldt geen hiërarchie tussen verweerders, in die zin dat de vordering tegen de ankerverweerder meer omvattend dient te zijn of een groter belang dient te vertegenwoordigen dan de vordering tegen de andere verweerders.9

4.8

Om te voorkomen dat rechtsmacht op grond van de alternatieve bevoegdheidsregel in art. 8 Brussel I-bis exorbitant zou zijn, geldt als voorwaarde dat tussen de vorderingen die door eiser tegen verschillende verweerders worden ingesteld, een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling door één rechter teneinde onverenigbare beslissingen van gerechten uit verschillende lidstaten te voorkomen (forum connexitatis). Doel van deze bijzondere bevoegdheid is niet de band tussen het gerecht en de vordering, maar de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken (vgl. overweging (16), geciteerd in 4.4). Samenhang tussen vorderingen houdt in dat er gevaar voor ‘onverenigbare beslissingen’ bestaat wanneer die vorderingen afzonderlijk worden berecht. Het begrip ‘onverenigbare beslissingen’ moet ruim worden uitgelegd als ‘tegenstrijdige beslissingen’, waarbij de tegenstrijdigheid zich moet voordoen in ‘een zelfde situatie, feitelijk en rechtens’.10

4.9

Het HvJEU heeft in het arrest Freeport/Andersson de eis dat sprake moet zijn van een zelfde juridische situatie in zoverre genuanceerd dat aan die eis ook kan zijn voldaan als vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben.11 In het arrest Painer voegde het Hof daar aan toe – mogelijk als tegenwicht voor de verruiming tot vorderingen met verschillende rechtsgrondslagen – dat voor verweerders voorzienbaar moest zijn dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste een van hen woonplaats heeft.12

4.10

Uit de Europese rechtspraak blijkt verder dat het antwoord op de vraag of een nauwe band tussen de vorderingen bestaat, beoordeeld moet worden aan de hand van alle noodzakelijke elementen van de zaak.13Bij die toets moet de rechter ‘alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder, maar hij hoeft daarbij niet over te gaan tot een bewijsprocedure.14 De bevoegdheid mag dus niet worden bepaald op basis van enkel de door eiser gekozen grondslag en de door hem aangevoerde feiten.15

4.11

Indien voldaan is aan het vereiste van een voldoende nauwe band lijkt er in beginsel nog maar weinig ruimte om misbruik van procesrecht aan te nemen. Met genoemd vereiste wordt immers beoogd te voorkomen dat de eiser vorderingen instelt tegen verschillende verweerders met het enkele doel een verweerder af te trekken van de rechter van het land waar hij zijn woonplaats heeft.16 Een aangezochte rechter kan een eventuele omzeiling van de in art. 8 lid 1 Brussel I-bis vastgelegde bevoegdheidsregel slechts vaststellen, indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.17 Het nationaalrechtelijke leerstuk van misbruik van recht kan eveneens leiden tot onbevoegdheid van de rechter, maar mag geen afbreuk doen aan de volle werking van Brussel I-bis.18

Mededingingsrecht; begrip onderneming

4.12

De Europese mededingingsregels zijn gericht tot ondernemingen als rechtssubject van de belangrijkste mededingingsrechtelijke verbodsnormen, het kartelverbod (art. 101 VWEU) en het verbod van misbruik van machtspositie (art. 102 VWEU). Wanneer de Commissie een boete wil opleggen aan een onderneming wegens schending van de mededingingsregels, dan moet zij bepalen aan welke rechtspersoon of rechtspersonen binnen die onderneming zij het boetebesluit zal richten. In de regel zijn dat de rechtspersoon die de inbreukmakende gedragingen feitelijk heeft verricht en/of de (top)holdingvennootschap. Het opleggen van een boete aan de (top)holdingvennootschap is alleen mogelijk indien die vennootschap beslissende invloed heeft uitgeoefend op het beleid van de dochter. Al vrij snel wordt aangenomen dat dit het geval is. Sterker: indien een holdingvennootschap direct of indirect alle of nagenoeg alle aandelen in een dochter houdt, wordt zij vermoed beslissende invloed op het beleid van die dochter uit te oefenen.19

4.13

De meeste uitspraken over het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ zijn gedaan in zaken waarin art. 101 VWEU is toegepast. Vaststaat dat voor art. 102 VWEU eenzelfde uitleg dient te worden gegeven, met inbegrip van het zojuist genoemde vermoeden. Dit werd onlangs bevestigd in het arrest SEN/AGCM in een geschil tussen een Italiaanse onderneming en de Italiaanse mededingingsautoriteit. Het Hof oordeelde

“(…) dat artikel 102 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat wanneer misbruik wordt gemaakt van een machtspositie door een of meer dochterondernemingen die tot een economische eenheid behoren, het bestaan van deze eenheid volstaat om de moedermaatschappij medeverantwoordelijk te achten voor dit misbruik. Het bestaan van een dergelijke eenheid moet worden vermoed indien ten tijde van de feiten ten minste nagenoeg het gehele kapitaal van deze dochterondernemingen direct of indirect in handen was van de moedermaatschappij. De mededingingsautoriteit hoeft geen aanvullend bewijs te leveren, tenzij de moedermaatschappij aantoont dat zij niet in staat was om het gedrag van haar dochterondernemingen te bepalen, aangezien deze zelfstandig handelen.” 20

4.14

Benadeelde partijen hebben volgens vaste rechtspraak van het HvJEU recht op vergoeding van schade wegens schending van de Europese mededingingsregels. De nationale rechter moet deze Unierechtelijke aanspraak geldend maken met behulp van zijn nationale recht, maar is daarbij gebonden i) aan (de implementatiewetgeving van) Richtlijn 2014/104/EU, de kartelschaderichtlijn,21 ii) aan de rechtspraak waarin genoemde richtlijn dan wel de toepassingsvoorwaarden van art. 101 en 102 VWEU worden uitgelegd, en iii) aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, die grenzen stellen aan de ‘nationale procedurele autonomie’.

4.15

Uit recente rechtspraak van het Hof blijkt dat het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’, zoals dat is ontwikkeld in het kader van de publiekrechtelijke handhaving, ook gevolgen kan hebben voor de kring van vennootschappen waartegen bij de civiele rechter een vordering tot schadevergoeding wegens schending van de mededingingsregels kan worden ingesteld. Tot betrekkelijk kort geleden werd veelal aangenomen dat aan de hand van het toepasselijke nationale aansprakelijkheidsrecht moest worden bepaald of een rechtspersoon die door een mededingingsautoriteit is beboet, civielrechtelijk aansprakelijk is tegenover benadeelden van de inbreuk. In het arrest Skanska van 14 maart 2019 heeft het Hof echter uitgemaakt dat het Unierecht bepaalt welke entiteit gehouden is tot vergoeding van de door een inbreuk op art. 101 VWEU veroorzaakte schade.22 Het (autonome) ondernemingsbegrip dat wordt toegepast bij publiekrechtelijke handhaving wordt aldus doorgetrokken naar de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht bij de civiele rechter.23

4.16

De feitelijke context van de Skanska-zaak is tamelijk specifiek. Drie deelnemers aan een asfaltkartel in Finland zijn nadien door andere partijen uit de branche overgenomen en vervolgens geliquideerd. De Finse mededingingsautoriteit heeft de verkrijgende vennootschappen een boete opgelegd. Daarbij was de in het Europese mededingingsrecht gebruikelijke figuur van de ‘economische continuïteit’ toegepast: als de activiteiten van een vennootschap die een kartelinbreuk heeft begaan nadien door een andere partij zijn voortgezet en de karteldeelnemer vervolgens is ontbonden, is de aansprakelijkheid voor de kartelinbreuk overgegaan op de verkrijger. Deze rechtsfiguur stond haaks op een beginsel van Fins vermogensrecht dat aansprakelijkheid voor schade uitsluitend kan rusten op de juridische entiteit die de schade heeft veroorzaakt. De Finse rechter die moest oordelen over een schadevergoedingsactie tegen de verkrijgende vennootschappen worstelde met de combinatie van genoemd vermogensrechtelijk beginsel en de omstandigheid dat de feitelijke inbreukmakers niet meer bestonden waardoor de benadeelde partij (een gemeente) achter het net dreigde te vissen.

4.17

Onder verwijzing naar het Skanska-arrest hebben Nederlandse gerechten inmiddels enkele malen ‘opwaartse aansprakelijkheid’ van een moedermaatschappij aangenomen voor inbreukmakend gedrag van een dochtermaatschappij.24 Daarnaast is in ten minste één zaak ‘neerwaartse aansprakelijkheid’ van een dochtermaatschappij voor gedragingen van de moedermaatschappij aangenomen.25 Dat was nog vóór het arrest van 6 oktober 2021 in de zaak Sumal, welke zaak betrekking heeft op neerwaartse aansprakelijkheid.

4.18

In Sumal26verduidelijkte het Hof in de eerste plaats dat ook buiten de nogal specifieke context van de Skanska-zaak (waar een risico van omzeiling aan de orde was) op grond van het Unierecht moet worden bepaald welke partijen aansprakelijk gehouden kunnen worden voor schade die het gevolg is van een inbreuk op de mededingingsregels. Het Hof verduidelijkte in de tweede plaats aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voor het aannemen van neerwaartse aansprakelijkheid van een dochtermaatschappij: (a) de dochter- en de moedermaatschappij vormden gedurende de periode van de inbreuk een economische eenheid en (b) ten tijde van de inbreuk bestond er een ‘concreet verband’27 tussen de activiteit van de dochtermaatschappij en het voorwerp van de inbreuk.28

4.19

Het criterium onder (b) maakt duidelijk dat voor neerwaartse toerekening niet enkel volstaat dat beide entiteiten deel uitmaken van dezelfde onderneming.29 Over de invulling van de aanvullende voorwaarde ‘een concreet verband’ is het laatste woord vermoedelijk nog niet gezegd. Zij die een ruime uitleg van Sumal verdedigen, erkennen alleen een exceptie voor conglomeraten. Als een concern bijvoorbeeld actief is in de sectoren chemie en farmacie en de topholding is beboet voor deelname aan een chemiekartel, kunnen de dochtervennootschappen van de farmacietak niet aansprakelijk gesteld worden (vgl. punt 47 van het arrest), maar alle vennootschappen van de chemietak wel, ook dochter-, zuster- en andere vennootschappen die geen enkele betrokkenheid bij het kartel of zelfs maar het kartelproduct hebben gehad. Ik geef een fictief voorbeeld: als een Zweedse moeder is beboet voor deelname van een Duitse dochter aan een kartel op de markt van Roemenië en Bulgarije, dan kan in Nederland een schadevergoedingsactie worden ingesteld indien hier te lande een zustervennootschap van de Duitse dochter is gevestigd, zelfs als die Nederlandse vennootschap zich uitsluitend bezig houdt met andere chemische producten dan waar de inbreuk op ziet.

Doorwerking ondernemingsbegrip in regels over internationale rechtsmacht?

4.20

Ik ga nu verder met de vraag of de hiervoor genoemde mededingrechtelijke rechtspraak kan doorwerken in bevoegdheidsvragen en meer in het bijzonder art. 8 lid 1 Brussel I-bis van nieuwe dynamiek kan voorzien. Een uitbreiding van het aantal rechtspersonen dat aansprakelijk kan worden gehouden voor schade, kan het aantal potentiële ankergedaagden fors uitbreiden. De verleiding kan bestaan op zoek te gaan naar vennootschappen die zijn gevestigd in een jurisdictie die voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding als gunstig wordt gepercipieerd.

4.21

Ik doe even een stapje terug en noem de Europese en Nederlandse rechtspraak waarin een uitleg is gegeven aan art. 8 lid 1 Brussel I-bis in follow-on acties en waarbij het ging om vorderingen tegen dochtermaatschappijen en/of hun holdingmaatschappij die door de Commissie als karteldeelnemer waren geïdentificeerd.

4.22

Het belangrijkste Europese precedent is (nog steeds) het arrest CDC/Akzo uit 2015. Het Hof aanvaardde in die zaak de rechtsmacht van Landgericht Dortmund, omdat een van de verweerders daar haar zetel had. Het oordeelde dat in het betreffende geval was voldaan aan de voorwaarde van ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’. De ingestelde vorderingen waren gebaseerd op één enkele voortdurende inbreuk op het Europese mededingingsrecht. Het Hof oordeelde verder dat deelnemers aan een kartel er rekening mee moeten houden dat zij kunnen worden opgeroepen voor de gerechten van een lidstaat waarin één van hen zijn vestigingsplaats heeft, wanneer de Commissie een bindende beslissing heeft gegeven waarin een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie is vastgesteld.30

4.23

Er zijn andere Europese arresten over de rechterlijke bevoegdheid in kartelschadezaken, maar die gaan over de bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in art. 7 lid 2 Brussel I-bis.31

4.24

De nationale rechtspraak kent voorbeelden van zaken waarin een Nederlandse holdingvennootschap als ankergedaagde diende. Deze holdingvennootschap was niet zelf partij geweest bij een door de Commissie vastgestelde inbreuk op het kartelverbod, maar de Commissie had de door een dochtervennootschap begane inbreuk wel aan die vennootschap toegerekend. De holdingvennootschap stond dus in het besluit van de Commissie genoemd en had ook een boete gekregen. De Nederlandse rechter was op grond van art. 4 Brussel I-bis bevoegd ten aanzien van de holdingvennootschap, die vervolgens als ankergedaagde fungeerde. De Nederlandse rechter was op grond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis daarom tevens bevoegd ten aanzien van de andere gedaagden met vestigingsplaats binnen de Europese Unie.32

4.25

Er zijn ook uitspraken waarin een beroep op art. 8 lid 1 Brussel I-bis c.q. art. 7 lid 1 Rv is afgewezen. Een eerste zaak betreft (geen mededingingszaak, maar) een collectieve actie tegen banken wegens LIBOR benchmarkmanipulatie. Rabobank was de Nederlandse ankergedaagde, maar de rechtbank Amsterdam oordeelde dat ten aanzien van andere gedaagden niet aan het vereiste van een nauwe band was voldaan omdat eiseres in die zaak (een claimstichting) de aangesproken banken zelfstandige gedragingen verweet.33

4.26

Een tweede uitspraak, eveneens van de rechtbank Amsterdam, betreft een follow-on actie van nutsbedrijven uit het Midden-Oosten tegen rechtspersonen van ondernemingen die hebben deelgenomen aan het door de Commissie beboete stroomkabelkartel. Tot de gedagvaarde rechtspersonen behoorde enkele in Nederland gevestigde rechtspersonen die kennelijk behoren tot de onderneming van enkele inbreukmakers. De vraag of zij gelet op deze Nederlandse ankergedaagden rechtsmacht had ten aanzien van de verschillende buitenlandse gedaagden beantwoordde de rechtbank ontkennend. Het feit dat de Nederlandse ankergedaagden, die in het besluit van de Commissie niet waren genoemd als deelnemer aan het kartel, deel uitmaken van ondernemingen waarvan wél is vastgesteld dat zij daaraan hebben deelgenomen, was volgens de rechtbank onvoldoende om een ‘nauwe band’ tussen de vorderingen te kunnen aannemen.34

4.27

Daarmee ben ik aangeland bij de kernvraag of de arresten Skanska en Sumal, die niet gingen over een bevoegdheidskwestie, toch van invloed zijn op de uitleg en toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels, in het bijzonder art. 8 lid 1 Brussel I-bis. Hierover is al het nodige geschreven in de vakliteratuur. Ik geef daarvan hieronder een – verre van uitputtend – overzicht (onderstrepingen zijn steeds door mij toegevoegd).35

4.28

Boersen en De Jong schrijven (na Skanska, voor Sumal):

“Naast deze meer dogmatische vraagstukken, zou een ruimere benadering van de overwegingen in de Skanska-beslissing ook praktische consequenties hebben. In kartelschadezaken, die in de regel een grensoverschrijdend karakter hebben, wordt bij het aanzoeken van een bevoegde rechter regelmatig een beroep gedaan op art. 8 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening. Daarin is bepaald dat een gedaagde kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een medegedaagde (de ‘ankergedaagde’), op voorwaarde dat er tussen de vorderingen op beide partijen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting.‍ Ongetwijfeld zullen eisers bij toekomstige zaken op zoek gaan naar groepsvennootschappen van de inbreukmakende onderneming die zijn gevestigd in een ‘gunstige’ jurisdictie, om daarmee een forum te creëren waarin alle overige karteldeelnemers kunnen worden gedagvaard. Naar onze mening kan een eiser evenwel niet naar believen elke entiteit binnen een onderneming als ankergedaagde betrekken, simpelweg omdat de Commissie ook niet iedere groepsvennootschap kan beboeten voor het gedrag van één rechtspersoon binnen de onderneming. Dochter- en zustervennootschappen van de vennootschap die de concurrentiebeperkende gedragingen heeft verricht, zijn niet (boete)aansprakelijk, uitzonderingen daargelaten. Dit laat uiteraard onverlet dat sinds de Skanska-zaak er allicht wel meer ruimte zal worden gezocht voor cherry-picking uit moedervennootschappen die beslissende invloed hebben uitgeoefend op de inbreukmakende dochtervennootschap. (…)”36

Omwille van de transparantie merk ik op dat ik mij in een annotatie bij het Skanska-arrest in vergelijkbare zin heb uitgelaten als weergegeven in de onderstreepte passage: de Commissie doet zelf niet aan ‘toerekening naar beneden’ en al helemaal niet aan ‘zijwaartse toerekening’ aan zustervennootschappen. Gelet op de nagestreefde parallellie met publieke handhaving zou private handhaving ook niet zo ver moeten gaan, of daar zouden bijzondere redenen voor moeten zijn.37

4.29

Van Dijken wijst in een ipr-rechtelijk ingestoken artikel op het gevaar van forum shopping, maar schrijft (eveneens na Skanska en voor Sumal)) dat nog geen duidelijkheid bestaat over de doorwerking van het Skanska-arrest in de bepaling van de rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Brussel I bis. 38 Van Dijken is van mening dat:

“(…) Skanska Industrial Solutions geen directe doorwerking heeft in artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, om ten minste drie (samenhangende) redenen: (i) het maakt een te vergaande inbreuk op het beginsel van oproeping voor het forum rei (….), (ii) het leidt tot onvoorzienbaarheid in de aanneming van rechtsmacht (…), en (iii) het [zou] ongerijmd zijn met artikel 6 lid 3 onder b Rome II (..).”

Van Dijken merkt verder op dat de toekenning van rechtsmacht onverenigbare beslissingen niet kan voorkómen en de inbreukplegende ondernemingen af kan houden van de eigen rechter.

4.30

De hierna te noemen artikelen dateren van na het Sumal-arrest. Ik begin met een artikel van Cornelissen c.s. van zeer kort daarna. De auteurs benadrukken de beperkende voorwaarden die het Hof volgens hen heeft gesteld aan ‘toerekening naar beneden’: 39

“Het Sumal-arrest van het HvJ EU leidt er in ieder geval toe dat de meest ruime uitleg van het 'ondernemingsbegrip' en het toerekeningsvraagstuk op grond waarvan elke entiteit binnen een vennootschapsrechtelijk concern aansprakelijk gehouden kan worden – (…) – definitief van tafel is. Deze uitleg is onverenigbaar met het functionele karakter van het 'ondernemingsbegrip' en het voor toerekening 'naar beneden' vereiste concreet verband. Hiermee wordt ook de mogelijkheid van 'forum shopping' door claimende partijen beperkt tot die jurisdicties waarin concreet inbreukmakend gedrag heeft plaatsgevonden. Jurisdictie trachten te creëren in vestigingslanden van concernentiteiten waarvan de activiteiten niet in concreet verband staan met de inbreuk behoort dan niet meer tot de mogelijkheden.”

4.31

S.A. van Dijk ziet ook grenzen aan het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip als grondslag voor (het creëren van) internationale rechtsmacht:40

“Het lijkt erop dat het Unierecht forum shopping in kartelschadezaken in vergaande mate toestaat. Als bewezen kan worden dat er een verband bestaat tussen de economische activiteit van de groepsvennootschap en het voorwerp van de inbreuk, zal die groepsvennootschap aansprakelijk zijn. Dat creëert rechtsmacht in de lidstaat van de verweerder. Dit is een logisch gevolg van de toepassing van het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip. Niettemin bestaat in het Europese internationaal bevoegdheidsrecht de wens om de bevoegdheid enigszins te beperken tot die jurisdicties waarmee een concrete band bestaat, om een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting mogelijk te maken (vgl. Asser/Vonken 10-I 2018/3). Mogelijk zorgt de mogelijkheid tot forum shopping voor een verhoging van de druk op de rechtspraak in populaire jurisdicties (bijv. Nederland). De confrontatie van deze belangen leidt ongetwijfeld op korte termijn tot nieuwe discussie bij het Hof van Justitie.”

4.32

Kroes ziet in de ‘Sumal-doctrine’ gevolgen voor de mogelijkheden tot forum shopping:41

“De Sumal-doctrine heeft vooral gevolgen voor de mogelijkheden tot forum shopping bij toepassing van artikel 8 lid 1 EEX-Vo. Aangezien de Europese Commissie in inbreukbeschikkingen vrijwel steeds één voortdurende inbreuk vaststelt, zal in de meeste kartelschadezaken zijn voldaan aan het vereiste voor toepassing van artikel 8 lid 1 EEX-Vo. Dat geeft op zichzelf al ruime mogelijkheden voor forum shopping. De Sumal-doctrine vergroot die evenwel aanzienlijk. Een eiser hoeft zich nu immers niet beperkt te weten tot de gerechten van de vestigingsplaatsen van de geadresseerde inbreukmakers. Hij kan ook een procedure beginnen voor de gerechten in bijvoorbeeld Boekarest met als ankergedaagde de aldaar gevestigde dochtermaatschappij die 1% van de concernverkopen vertegenwoordigt in het product dat voorwerp is van de inbreuk.”

4.33

Hoyer pleit voor een ruime uitleg van Sumal en heeft kritiek op het in 4.26 genoemde vonnis van de rechtbank Amsterdam in de zaak stroomkabels:42

Het enige en doorslaggevende criterium voor aansprakelijkheid is of [de moeder- en dochtermaatschappij] behoren tot de onderneming die de inbreuk heeft gepleegd. Voor zover hierover al onduidelijkheid zou hebben bestaan, dan is die met het arrest Sumal definitief weggenomen.

Omdat het in deze procedure gaat om neerwaartse dan wel zijwaartse toerekening, dient voor de aansprakelijkheid van de Nederlandse gedaagden nog wel te worden nagegaan of de Prysmian Groep, ABB Groep en Nexans Groep zich mogelijk bezighouden met meerdere, volledig opzichzelfstaande economische activiteiten. In dat geval behoren de Nederlandse entiteiten immers niet ipso facto tot de onderneming die de inbreuk heeft gepleegd en zal toerekening enkel mogelijk zijn indien er sprake is van een specifieke band als bedoeld in Sumal (ervan uitgaande dat de Nederlandse entiteiten onder de beslissende invloed staan van de (beboete) moedermaatschappijen). Dat hoeft (ook volgens het gerechtshof Amsterdam) ook helemaal niet vast te staan in het bevoegdheidsincident.”

Zie ik het goed dan legt de auteur de eis van concreet verband in die zin uit dat daar voor alle rechtspersonen binnen een economische eenheid per definitie aan is voldaan en dat dit alleen anders is tussen onderdelen van een conglomeraat (vgl. hiervoor, 4.19).

4.34

Tuinenga toont zich eveneens pleitbezorger van een ruime uitleg van Sumal, om daaruit af te leiden dat iedere groepsvennootschap binnen de economische eenheid die de inbreukmakende onderneming vormt, civielrechtelijk aansprakelijk is en daarom in aansprakelijkheidszaken als ankergedaagde kan fungeren. Althans geldt dit voor vennootschappen die hetzelfde product verkopen:43

“Selling the same products or services at issue in the Commission cartel decision is clearly sufficient following the Sumal judgment, and this likely also applies to the sale of products downstream or upstream of the cartelized product. However, the assessment becomes less clear when it concerns the provision of administrative services for group companies or the sale of complementary products.”

4.35

Deze laatste nuancering illustreert dat gemakkelijk discussie kan ontstaan, bijvoorbeeld of alleen vennootschappen met een speciale functie in de groep (die bijvoorbeeld het vastgoed bezitten of waarbij de werknemers in dienst zijn, etc.) buiten schot blijven, of dat moet worden aangeknoopt bij de mededingingsinbreuk en daarom alleen de vennootschappen kunnen worden aangesproken die direct of indirect betrokken zijn (geweest) bij de producten of diensten die het voorwerp van de inbreuk vormen. Ik sluit niet uit dat over deze materie snel nieuwe prejudiciële vragen aan het HvJEU zullen worden gesteld, met name om meer duidelijkheid te krijgen over de betekenis van het criterium ‘concreet verband’ genoemd in de punten 51 en 52 van het Sumal-arrest.

4.36

In dat verband wil ik ten slotte benadrukken dat het uitgangspunt bij het bevoegdheidsrecht is dat een inhoudelijke beoordeling van de vordering(en) moet worden vermeden én dat Brussel I-bis ‘verordeningsautonoom’ moet worden uitgelegd. Begrippen uit Brussel I-bis kunnen niet per definitie worden ingevuld met behulp van begrippen uit een andere Unierechtelijke context.44 Met deze caveat keer ik terug naar de onderhavige zaak.

5 Bespreking van het principaal cassatiemiddel

5.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 vecht het oordeel aan dat tussen de vorderingen van MTB jegens AB en Heineken een voldoende nauwe band bestaat. Onderdeel 2 acht het onjuist dan wel onbegrijpelijk dat MTB volgens het hof geen misbruik van procesrecht maakt. Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel dat voor AB voorzienbaar was dat zij door MTB voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd.

Onderdeel 1 (vereiste van nauwe band)

5.2

Onderdeel 1 bestrijdt rechtsoverwegingen 3.3-3.7, waarin het hof oordeelt dat tussen de vorderingen van MTB jegens AB en jegens Heineken een nauwe band bestaat als bedoeld in art. 8 lid 1 Brussel I-bis en/of dat in beginsel voldaan is aan de eis van die bepaling dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting. Het onderdeel valt in twee subonderdelen uiteen.

5.3

Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 3.5 als uitgangspunt neemt dat de Nederlandse rechter pas toekomt aan een beoordeling van de vordering jegens Heineken als aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan, zodat de rechter een oordeel over het handelen van AB moet geven. In de bedoelde passage overweegt het hof:

“(…) De Nederlandse rechter is in elk geval bevoegd kennis te nemen van de vordering jegens Heineken en zal in deze procedure op die vordering beslissen. De Nederlandse rechter zal, bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken, niet anders kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC. Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan doet zich immers de vraag voor of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn.”

5.4

Volgens het subonderdeel heeft het hof aldus miskend dat de volgorde waarin de rechter zijn beslissingen neemt aan het procesbeleid van de rechter is overgelaten. Het subonderdeel stelt voor dat de rechter veronderstellenderwijs kan uitgaan van de juistheid van de stellingen van MTB ‘over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC’, zonder daarover een oordeel te geven en aldus eerst kan beoordelen of de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn. In het geval dat de rechter tot het oordeel komt dat niet aan de extra eisen is voldaan, dan zal hij bij de beoordeling van de vordering tegen Heineken niet toekomen aan een oordeel over het handelen van AB, zodat het risico van onverenigbare beslissingen zich niet zal kunnen verwezenlijken.

5.5

Aan het subonderdeel kan worden toegegeven dat de rechter vrij is in de volgorde waarin hij zijn beslissingen neemt. Heineken c.s. gaan er echter aan voorbij dat linksom of rechtsom de rechter een inhoudelijk oordeel moet geven over het handelen van AB omdat Heineken alleen aansprakelijk kan zijn voor de gestelde schade indien is vastgesteld dat AB aansprakelijk is. Het omgekeerde, dat AB niet aansprakelijk wordt gehouden maar Heineken wel, is niet goed voorstelbaar. De klacht faalt derhalve. De voortbouwende klachten tegen rov. 3.3.3, 3.6, 3.7 en 3.1345 kunnen om dezelfde reden niet slagen.

5.6

Subonderdeel 1.2 voert aan dat het hof bij de beantwoording van de vraag of een (voldoende) nauwe band als bedoeld in art. 8 lid 1 Brussel I-bis bestaat, blijkens het Kolassa-arrest op zijn minst (kenbaar) inhoudelijk diende in te gaan op de betwisting van Heineken c.s. dat sprake is van één onderneming en ook op de stelling van Heineken dat het behoren tot één onderneming niet voldoende is voor aansprakelijkstelling omdat het Skanska-arrest alleen ziet op de situatie van economische opvolging, althans had het hof (kenbaar) moeten nagaan of MTB op die punten aan haar stelplicht heeft voldaan. Volgens het subonderdeel impliceert de opvatting van het hof dat een in een bepaalde staat gevestigde dochteronderneming die wordt beschuldigd van misbruik van machtspositie op de markt van die staat, steeds voor de rechter kan worden gedaagd van de staat waarin haar moedervennootschap/topholding is gevestigd, op de enkele grond dat de eiser de stelling inneemt dat de dochtervennootschap en de moedervennootschap beide deel uitmaken van één onderneming. Deze opvatting is niet alleen in strijd met de op de rechter rustende verplichting uit het Kolassa-arrest, maar holt ook de toets van art. 8 lid 1 Brussel I-bis uit terwijl deze bepaling als bijzondere bevoegdheidsgrond eng moet worden uitgelegd.

5.7

Zoals uiteengezet onder het juridische kader (zie hiervoor, 4.10), volgt uit het Kolossa-arrest van het HvJEU dat de rechter bij de beoordeling van de bevoegdheid alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking dient te nemen, waaronder de betwistingen van de verweerder. Deze verplichting gaat naar mijn mening echter niet zo ver dat de rechter pas zou kunnen beslissen op een bevoegdheidsverweer als hij voorshands heeft geoordeeld of aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan, of dat hij over zou moeten gaan tot een bewijsprocedure.46 Subonderdeel 1.2 gaat dan ook uit van een te ruime uitleg van de genoemde verplichting uit het Kolassa-arrest.

5.8

Daar komt bij dat het hof, zoals onder 32 van de procesinleiding ook wordt erkend, de beide verweren van Heineken c.s. heeft betrokken in zijn beoordeling. In rov. 3.5 overweegt het hof dat in geschil is of ‘Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU vormen.’ Het hof vervolgt dat het belang van het verschil in feitelijke dan wel juridische positie tussen AB en Heineken voor de bevoegdheidsvraag beperkt is. Het hof doelt hierbij mijns inziens op de feitelijke dan wel juridische positie in de context van de inhoudelijke aansprakelijkheidskwestie. In rov. 3.7 oordeelt het hof in dezelfde zin immers dat ‘de omstandigheid dat de positie van Heineken niet gelijk is aan die van de aangesproken partij in de Skanska-zaak, zodat Heineken niet zonder meer aansprakelijk is als AB dat is, is om dezelfde reden als hiervoor onder 3.5 toegelicht, voor de thans voorliggende kwestie niet van voldoende belang is.’

5.9

Het hof vervolgt dan in rov. 3.6:

“Als hetzelfde handelen van AB en die HCC-beschikking aan de Griekse civiele rechter worden voorgelegd om te beslissen op de vorderingen van MTB jegens AB valt niet uit te sluiten dat deze komt tot een andere waardering dan de Nederlandse rechter die hoe dan ook dient te beslissen op de vorderingen van MTB jegens Heineken. Dan zou, in een geschil dat draait om de vraag of sprake is van overtreding van het Unierechtelijk verbod op misbruik van machtspositie, de situatie kunnen ontstaan dat het gedrag van AB volgens de ene Unierechter wel en volgens de andere niet in strijd is met dat verbod.

Gelet op dat risico van onverenigbare beslissingen is in beginsel voldaan aan de eis van art. 8 lid 1 van verordening Brussel Ibis, dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting.”

5.10

Dit oordeel van het hof is niet onjuist of onbegrijpelijk. Het gebruik van de term ‘Unierechter’, welke aanduiding is voorbehouden aan het Hof van Justitie (HvJEU) en het Gerecht (GEU), maakt dit niet anders.47 Het is immers genoegzaam duidelijk dat het hof hier bedoelt de situatie waarin twee nationale gerechten uit verschillende EU-lidstaten over dezelfde Unierechtelijke geschilpunten verschillend oordelen.

Onderdeel 2 (misbruik van procesrecht)

5.11

Onderdeel 2 vecht het oordeel aan dat MTB zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht door Heineken c.s. gezamenlijk te dagvaarden voor de Nederlandse rechter en de uitleg van de HCC-beschikking in dat kader. Het onderdeel keert zich tegen rov. 3.9 van het bestreden arrest, dat als volgt luidt (ik citeer ook rov. 3.8):

“3.8 Van een geval waarin, zoals de rechtbank kennelijk heeft aangenomen, de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 van verordening Brussel Ibis wordt misbruikt om AB van haar gewone rechter af te trekken door een vordering in Nederland tegen Heineken als ankergedaagde in te stellen is gelet op het navolgende geen sprake.

3.9

Of de vorderingen jegens Heineken toewijsbaar zijn zal in de hoofdzaak moeten worden uitgemaakt. Alleen als toewijzing redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht kan het toch aanbrengen van de zaak bij de Nederlandse rechter als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van verordening Brussel Ibis worden beschouwd. Dat geval doet zich hier niet voor. Ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s. valt op dit moment niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt. In de beschikking van HCC valt ook niet te lezen dat zij meent dat Heineken zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie. HCC heeft slechts, (bij herhaling) vermeld en toegelicht dat het haar vrij staat om het gedrag van Heineken niet bij het onderzoek te betrekken en dat zij aanleiding heeft gezien om inderdaad af te zien van zulk onderzoek, (vgl. 2.5) Die beslissing heeft zij kennelijk mede genomen omdat zij niet beschikte over aanwijzingen dat ook Heineken zich schuldig had gemaakt aan misbruik van machtspositie. Dat is echter, in tegenstelling tot wat Heineken c.s. stelt, voorshands iets anders dan een oordeel van HCC dat Heineken zich niet aan dergelijk gedrag heeft schuldig gemaakt.

Voorts is uit de positie van MTB duidelijk dat het haar niet louter gaat om een oordeel van de Nederlandse rechter over het handelen van AB, maar juist ook om een oordeel over Heineken. Ook in zoverre is van misbruik van de vestigingsplaats van Heineken als ankergedaagde dus geen sprake.”

5.12

Subonderdeel 2.1 voert een rechtsklacht aan. Het hof zou in rov. 3.9 hebben miskend dat misbruik van procesrecht zich ook in andere gevallen kan voordoen, zoals wanneer Unierechtelijke bevoegdheden worden aangewend met als enig doel om een verweerder af te trekken van de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft en/of wanneer alle aanknopingspunten in een zaak naar een lidstaat verwijzen en eiser geen enkel redelijk belang heeft om een gerecht in een andere lidstaat aan te zoeken. Voor zover het oordeel in rov. 3.9 juist is, voert het middel vervolgens een motiveringsklacht aan. Genoemd oordeel van het hof zou onbegrijpelijk zijn in het licht van de volgende stellingen van Heineken c.s.. Ten eerste dat MTB de vordering tegen Heineken enkel heeft ingesteld om AB op grond van de bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel I-bis van de Griekse rechter af te houden. Ten tweede de stelling dat alle aanknopingspunten in de onderhavige zaak verwijzen naar Griekenland, zodat problemen zullen zijn verbonden aan de behandeling van het geschil tussen MTB en AB in Nederland en MTB ook geen enkel redelijk belang heeft om hier te procederen.

5.13

De rechtsklacht kan niet slagen. Het hof heeft in rov. 3.9 expliciet onder ogen gezien dat van misbruik van procesrecht sprake kan zijn als MTB de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel I-bis zou gebruiken om AB van haar gewone rechter af te trekken door een vordering in Nederland tegen Heineken in te stellen waardoor eveneens tegen AB in Nederland vorderingen kunnen worden ingesteld. Om te toetsen of sprake zou zijn van misbruik gaat het hof na of toewijzing van de vordering tegen Heineken reeds op voorhand uitgesloten moet worden. Dat lijkt mij een juiste maatstaf.

5.14

Voorts acht ik niet onbegrijpelijk het oordeel dat zich hier zich geen geval voordoet van het kunstmatig creëren van bevoegdheid c.q. het instellen van een kansloze vordering om een mede-verweerder van de eigen rechter af te houden.48 Het hof oordeelt (i) dat met inachtneming van het Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s niet met voldoende zekerheid valt uit te sluiten dat AB en Heineken in mededingingsrechtelijk opzicht als één onderneming moeten worden aangemerkt (in cassatie onbestreden), (ii) dat in de beschikking van de HCC niet valt te lezen dat de HCC meent dat Heineken zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie (welk oordeel met subonderdeel 2.2 wordt aangevochten) en (iii) dat MTB van de Nederlandse rechter een oordeel verwacht over het gedrag van Heineken om te komen tot een schadevergoeding die (ook) door Heineken verschuldigd is. In het licht van deze overwegingen, en in combinatie met de overwegingen in rov. 3.5-3.7 dat tussen de vorderingen tegen AB en Heineken een nauwe band in de zin van art. 8 lid 1 Brussel I-bis bestaat, is niet onbegrijpelijk wat het hof bedoelt met de ‘positie’ van MTB.

5.15

Met het betoog dat van misbruik van procesrecht (ook) sprake kan zijn als alle aanknopingspunten in een zaak naar één lidstaat verwijzen en eiser geen enkel redelijk belang heeft om een gerecht in een andere lidstaat aan te zoeken, gaan Heineken c.s. voorbij aan het feit dat Heineken als (over)grootmoedermaatschappij van AB in Amsterdam is gevestigd, zodat de Nederlandse rechter aan art. 8 lid 1 Brussel I-bis rechtsmacht jegens AB kan ontlenen als aan de vereisten van die bepaling is voldaan.

5.16

Ten overvloede merk ik op dat aan Heineken c.s. kan worden toegegeven dat het gelet op de nabijheid van de Griekse rechter mogelijk meer voor de hand had gelegen als MTB een vordering tot schadevergoeding tegen AB zou hebben ingesteld bij de rechter in Athene en dan eventueel tevens Heineken voor díe rechter zou hebben gedaagd. MTB heeft echter gekozen voor het omgekeerde.49 Dat dit minder voor de hand ligt, betekent niet dat er sprake is van misbruik van procesrecht. Art. 8 lid 1 Brussel I-bis laat de eiser op zichzelf de keus om het forum van een van de verwerende partijen te kiezen, ook als een ander forum objectief gezien meer aanknopingspunten vertoont met het betrokken geschil.

5.17

Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof aan zijn oordeel over misbruik van procesrecht in rov. 3.9 (hiervoor geciteerd) een verkeerde uitleg van de HCC-beschikking ten grondslag heeft gelegd. Het subonderdeel betoogt dat de beschikking voor de Griekse civiele rechter negatief bindende werking zou hebben gehad (omdat deze op grond van art. 9 Richtlijn 2014/104/EU50 gebonden is aan de vaststelling van de Griekse mededingingsautoriteit dat Heineken geen overtreder is van het Griekse mededingingsrecht), dat MTB dit – voor Heineken gunstige – effect probeert te ontwijken door zich tot de Nederlandse rechter te wenden, wat volgens haar misbruik van procesrecht oplevert.

5.18

Mij lijkt deze klacht te berusten op het uitgangspunt dat Heineken in de HCC-beschikking volledig zou zijn vrijgepleit. Zo lees ik die beschikking niet. Ik wijs op de in rov. 3.5 geciteerde passage daaruit, waarnaar de aangevochten rov. 3.9 verwijst:

“(..) Submission of Macedonian Thrace Brewery for imputation of liability on the parent company

86 In its memoranda, Macedonian Thrace Brewery also refers to the matter of whether Heineken NV bears liability as the parent company of AB, and requests the HCC to expand its investigation to identify any such liability, (..)

88 In the case at hand, the Commission, acting in the context of its discretionary powers and having due regard to all contents of the case file and all facts of the case, held unanimously that there is no evidence or sufficient indications, nor any superior reasons of effectiveness justifying further investigation in that direction. (..)

89 In particular, without disregarding the ability to impute liability on the parent company for an infringement committed by its subsidiary, according to the relevant EU case-law, it is in any case imperative that all conditions imposing such liability based on the principle of proportionality be duly met. Accordingly, such discretion has been exercised by the national competition authorities up to now very scrupulously, and only in special cases. As already mentioned, there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (...)”

Daarop concludeert de HCC:

“90 For all the aforementioned reasons, and in light of the fact that no further postponement is justified, based also on the cost-benefit analysis relating to implementation of the rules of competition for the purpose of restoring competition in the market, the Hellenic Competition Commission finds that no investigation is required with respect to the parent company in the context of this case.”

5.19

Ik lees deze passages zo dat de HCC zegt geen aanwijzingen te hebben van directe betrokkenheid van Heineken bij de inbreuk van AB op de Griekse markt en het om beleidsmatige redenen niet nodig acht om onderzoek te doen naar de vraag of het gedrag van AB aan Heineken kan worden toegerekend op grond van het Unierechtelijke leerstuk van parental liability.

5.20

Heineken c.s. verwijzen (in voetnoot 62 van de procesinleiding) naar voetnoot 111 bij randnummer 89 van de beschikking van de HCC, welke voetnoot niet is opgenomen in het door het hof weergegeven citaat van randnummer 89. Die bewuste voetnoot luidt:

“On the contrary, internal corporate compliance procedures were identified, which were intended to prevent infringements of competition laws (this, of course, does not preclude a priori the ability to impute liability on the parent company in future cases). Hence, the absence of sufficient evidence and/or findings justifying the imputation of liability on the parent company (at least for part of the investigated time period) is confirmed even by the evidence adduced by the intervener itself.”

5.21

Deze voetnoot is opgenomen achter het zinsdeel ‘(…) there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements’. De voetnoot ziet dan ook niet op het zinsdeel van rov. 89 dat volgt, te weten ‘or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary’, waarin het criterium van de beslissende invloed en het daarbij geldende ‘Akzo-vermoeden’ centraal staat.

5.22

Gelet hierop acht ik het aangevochten oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

Onderdeel 3 (voorzienbaarheid)

5.23

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.11 van het bestreden arrest, waarin het hof beoordeelt of het voor AB voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd. De rechtsoverweging luidt als volgt.

“Voor de Unierechtelijk relevante vraag of het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd is van belang dat AB in Griekenland onder het Heineken-merk bier verkoopt en deel uitmaakt van het Heineken-concern. Het verwijt dat haar gemaakt wordt is dat zij bij de verkoop van onder meer dat bier op die markt misbruik van haar machtspositie maakt. Dat dat verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap was in redelijkheid voor haar te voorzien, nu het verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van dat concern en het bier van het merk waarop de rechten bij dat concern liggen. Ook dit aspect staat dus aan bevoegdheid niet in de weg.”

5.24

Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen.

5.25

Subonderdeel 3.1 acht de overwegingen dat, kort gezegd, het aan AB gemaakte verwijt (rechtstreeks) verband zou houden met het feit (a) dat AB lid is van het Heineken-concern en/of (b) dat AB Heineken bier verkoopt, niet dragend voor het oordeel dat voor AB voorzienbaar was dat zij voor een Nederlandse rechter kon worden gedaagd. Het oordeel is onjuist en/of onbegrijpelijk, en dat geldt eveneens voor de conclusie dat dit aspect niet aan bevoegdheid van de rechtbank in de weg staat.

5.26

Volgens subonderdeel 3.2 is het hof met dit oordeel buiten de door art. 24 Rv. gestelde grenzen van de rechtsstrijd getreden en/of heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. MTB heeft gesteld dat aan het vereiste van voorzienbaarheid is voldaan vanwege de beslissende invloed die Heineken als (over)grootmoedervennootschap op AB zou hebben, maar het hof heeft zich nu juist niet uitgesproken over die invloed en ook niet of Heineken en AB één onderneming vormen.

5.27

De twee subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voorop moet worden gesteld dat de rechter ambtshalve moet toetsen of hij internationale rechtsmacht heeft. De appelrechter moet tot een dergelijke toets overgaan, ook als geen van de partijen zich over die vraag heeft uitgelaten en de vraag buiten de grenzen van het door de appelgrieven ontsloten gebied valt. Tegen deze achtergrond kan van een verrassingsbeslissing reeds geen sprake zijn.

5.28

Het hof heeft zijn bevoegdheid gegrond op het gegeven dat de positie van Heineken wat betreft de feiten in zoverre hetzelfde is als die van AB (rov. 3.4), dat Heineken de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is, en dat er ‘een bepaalde centrale beleidsbepaling is’ (rov. 3.5). Het hof gaat er in het kader van de voorzienbaarheid vervolgens terecht van uit dat AB lid is van het Heineken-concern en de vermeende mededingingsinbreuk heeft begaan met betrekking tot (ook) Heineken-bier (rov. 3.11). Daarmee heeft het hof niet getoetst of er één onderneming is.

5.29

Wat het hof wel duidelijk maakt, is dat het voor AB als onderdeel van het concern voorzienbaar is dat een verwijt ten aanzien van haar marktgedrag ook kan worden voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van de topvennootschap van het concern. Ik acht die overweging juist en dragend in het kader van het vereiste van voorzienbaarheid. Hoewel het HvJEU zich nog niet over een situatie als hier aan de orde heeft uitgelaten, meen ik dat het gegeven oordeel niet indruist tegen het doel van de Brussel I-bis om voorspelbare bevoegdheidsregels te creëren.51

5.30

De klachten falen derhalve.

5.31

Subonderdeel 3.3 voert aan dat, voor zover mag worden aangenomen dat het aan AB gemaakte verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van het Heineken-concern en met de biermerken die bij dat concern liggen en indien het hof dat verband wel in zijn oordeel mag meewegen, het oordeel dat het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd, ook in dat geval onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Dit geldt eens te meer in het licht van de volgende door Heineken c.s. gestelde omstandigheden:

i. de HCC heeft geoordeeld dat er geen bevindingen of bewijs voorhanden zijn waaruit zou volgen dat Heineken betrokken is geweest bij het vermeende misbruik van machtspositie door AB;

ii. alle aanknopingspunten in deze zaak verwijzen naar Griekenland en de feiten in deze zaak zijn sterk met de Griekse jurisdictie verbonden

iii. MTB en AB zijn beide Griekse partijen;

iv. Heineken heeft geen beslissende invloed op AB uitgeoefend; en

v. Heineken en AB vormen niet één onderneming in de zin van art. 102 VWEU.

5.32

Ik stel vast dat de klacht een herhaling van eerdere stellingen vormt en daarom het lot van de hiervoor besproken klachtenmoet delen.

Slotsom

5.33

Ik concludeer dat geen van de klachten van Heineken c.s. slaagt.

6 Bespreking van het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatiemiddel

6.1

Het incidentele cassatieberoep bevat zes onderdelen. Onderdelen 2 en 5 zijn voorwaardelijk aangevoerd. Ik zal de klachten in volgorde bespreken.

Incidenteel onderdeel 1 (vergelijking met het Skanska-arrest)

6.2

Onderdeel 1 acht het oordeel in rov. 3.7 onjuist, voor zover het hof daarbij tot uitgangspunt heeft genomen dat het ondernemingsbegrip uit art. 102 VWEU enkel bij economische opvolging in de context van het opleggen van geldboeten door de Commissie geen andere betekenis heeft dan in de context van een schadevergoedingsactie wegens schending van het Europees mededingingsrecht. Daarmee heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven van het Skanska-arrest.

6.3

Ik lees in het bestreden arrest niet wat MTB daar kennelijk in meent te lezen. Het hof oordeelt in rov. 3.7 dat de omstandigheid dat de positie van Heineken niet gelijk is aan die van de aangesproken partij in de Skanska-zaak, zodat Heineken niet zonder meer aansprakelijk is als AB dat is, om dezelfde reden als hiervoor onder 3.5 toegelicht, voor de thans voorliggende kwestie niet van voldoende belang is. Deze overweging ziet enkel op de bevoegdheidsvraag, niet op een oordeel over het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip. Over de vraag of AB en Heineken één onderneming vormen heeft het hof géén oordeel gegeven. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.

Incidenteel onderdeel 2 (voorzienbaarheid)

6.4

Onderdeel 2 heeft net als de klachten in onderdeel 3 van het principaal cassatieberoep betrekking op de eis van voorzienbaarheid en is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van die klachten slaagt. Nu geen van deze klachten slaagt, behoeft de onderhavige incidentele klacht geen bespreking. Ik merk kort nog het volgende op.

6.5

MTB voert aan dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.11 heeft miskend dat de eis van voorzienbaarheid op grond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis slechts geldt als de vordering(en) op de verschillende verweerders een verschillende rechtsgrondslag hebben. Ik wijs erop dat de juistheid van die opvatting weliswaar niet vaststaat,52 maar dat zij zonder meer verdedigbaar is (zie hiervoor 4.9, en noot 12). Wat daar ook van zij, MTB heeft geen belang bij deze klacht nu zij op dit punt in het gelijk is gesteld. Het hof heeft in rov. 3.11 immers geoordeeld dat voor AB in redelijkheid was te voorzien dat het haar gemaakte verwijt ook wordt gericht aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap.

Incidenteel onderdeel 3 (niet toelaten deskundigenrapporten)

6.6

Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.1.2 dat de door MTB als producties 24 en 25 overlegde opinies van prof. Whish (van 6 februari 2020) respectievelijk van prof. Athanassiou en prof. Liappis (van 20 maart 2020) buiten beschouwing dienen te blijven omdat MTB in de eerste termijn van haar schriftelijke pleidooi op 14 juli 2020 deze producties en het belang daarvan niet nader heeft toegelicht, hetgeen niet strookt met de eisen van een goede procesorde. Het onderdeel voert aan dat het overleggen van producties bij de eerste termijn van een schriftelijk pleidooi als uitgangspunt tijdig is, tenzij bijzondere omstandigheden maken dat overlegging op dat moment in strijd is met de goede procesorde. Mocht het oordeel van het hof echter juist zijn, dan is het onvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet kenbaar is nagegaan of de aard en de omvang van de opinies een beletsel zou vormen om binnen de beschikbare tijd van 14 dagen daarvan voldoende kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, en of dit een voldoende bijzondere omstandigheid oplevert om af te wijken van de hoofdregel. MTB voert verder aan dat haar aan het schriftelijke pleidooi voorafgaande processtukken dateren van vóór het Skanska-arrest en zij nog niet op dat arrest had kunnen ingaan, terwijl AB die gelegenheid wél heeft gehad bij haar memorie van antwoord van 6 augustus 2019. Bovendien zien de producties op de uitleg van een rechterlijk oordeel en niet op feitelijke kwesties. Tot slot wijst MTB erop dat er voor het indienen van producties voorafgaand aan een mondeling pleidooi volgens art. 4.5 Procesreglement voor de Hoven 2019 jo. art. 87 lid 6 Rv een termijn van 10 dagen geldt, terwijl Heineken c.s. hier 14 dagen hadden om te reageren.

6.7

Hoewel in dit geval schriftelijk pleidooi is gehouden, meen ik dat aansluiting kan worden gezocht bij de rechtspraak waarin is uitgemaakt dat het indienen van stukken binnen de door het procesreglement gestelde termijn toch in strijd kan zijn met de goede procesorde. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 december 2010 hierover het volgende geoordeeld:53

“3.3.2 Wel kan aan de in een procesreglement gestelde termijn voor indiening van nadere stukken het uitgangspunt worden ontleend dat in het algemeen indiening van nadere stukken (ruimschoots) voor het in het procesreglement bedoelde tijdstip heeft te gelden als zodanig tijdig dat de wederpartij er voldoende van kennis zal kunnen nemen om er adequaat op te kunnen reageren, zo nodig met een gemotiveerd verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak, dan wel om bij nadere akte op de ingediende stukken te mogen reageren. Dit brengt mee dat de rechter op binnen de geldende termijn overgelegde nadere stukken bij de beoordeling acht dient te slaan, tenzij de rechter - naar aanleiding van het door de wederpartij daartegen gemaakt bezwaar of ambtshalve - gemotiveerd anders beslist op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval, waarvan uit de uitspraak of het proces-verbaal van de zitting dient te blijken. Daarbij zal de rechter hebben te beoordelen of het gaat om stukken waarvan de aard en omvang een beletsel vormen om daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, en, zo dat niet van de wederpartij kon worden gevergd, of aanleiding bestaat een maatregel te treffen teneinde een voldoende kennisneming en voorbereiding van een reactie alsnog mogelijk te maken. Hierbij kan van belang zijn of met het oog op het belang van de wederpartij verwacht had mogen worden dat de stukken bij een eerdere gelegenheid in de procedure werden overgelegd, en dat, zeker in de procedure in hoger beroep, de pleitzitting in het algemeen de laatste gelegenheid zal zijn tot nadere feitelijke onderbouwing van een vordering of verweer.”

6.8

In het licht hiervan heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat MTB in strijd met de goede procesorde de producties in haar pleitnota in eerste termijn niet nader heeft toegelicht en evenmin heeft uitgelegd in welk opzicht zij deze van belang acht, omdat het gaat om uitvoerige rapporten die blijkens hun datering reeds maanden daarvoor gereed waren. Evenmin is deze processuele beslissing van het hof onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen MTB had aangevoerd. MTB heeft geen reden gegeven waarom zij de beide opinies niet eerder in het geding heeft gebracht en ook niet eerder melding heeft gemaakt van het feit dat zij over die opinies beschikte.54

Incidenteel onderdeel 4 (volgorde rechterlijke beslissingen)

6.9

Volgens onderdeel 4 is rov. 3.5 onjuist, voor zover het hof daarin heeft geoordeeld dat voor de kwalificatie van Heineken, tezamen met AB, als ‘onderneming’ in de zin van art. 102 VWEU meer of andere eisen gelden dan uit art. 102 VWEU zelf voortvloeien.

6.10

De klacht faalt. Met ‘extra eisen’ waaraan moet zijn voldaan voor toewijzing van de vordering jegens Heineken wordt klaarblijkelijk gedoeld op de vraag of Heineken als topholding beslissende invloed heeft (gehad) op AB. Indien van een dergelijke invloed sprake is, hetgeen het hof in het kader van de bevoegdheidsvraag voorshands aanneemt maar niet vaststelt, dan vormen Heineken en AB een ‘onderneming’ in de zin van art. 102 VWEU en zijn zij, als voldaan is aan de voorwaarden voor het aannemen van een onrechtmatige daad, hoofdelijk aansprakelijk voor de gestelde schade die het gevolg is van de inbreuk op het daarin genoemde verbod.

6.11

Het onderdeel klaagt verder dat het hof heeft miskend dat de vraag of Heineken voor de schade van MTB aansprakelijk is tegelijkertijd kan en mag worden beantwoord met de vraag of AB als zodanig voor de schade aansprakelijk is. Net als Heineken c.s. in subonderdeel 1.1 van het principaal cassatieberoep, gaat MTB eraan voorbij dat de rechter een inhoudelijk oordeel moet geven over het handelen van AB, omdat AB wordt verweten misbruik te hebben gemaakt van haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt. Alleen indien AB aansprakelijk is voor de inbreuk op art. 102 VWEU, kan Heineken eveneens voor de inbreuk aansprakelijk worden gehouden.

Onderdeel 5 (misbruik van procesbevoegdheid; maatstaf)

6.12

Onder de voorwaarde dat een van de klachten van principaal onderdeel 2 slaagt, klaagt dit onderdeel dat het hof in rov. 3.9 voor het aannemen van misbruik van art. 8 lid 1 Brussel I bis heeft miskend dat daarvan slechts sprake kan zijn als het instellen van een vordering voor de Nederlandse rechter gelet op de evidente ongegrondheid ervan in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege moet blijven. Daartoe is vereist dat eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kent dan wel behoorde te kennen of stellingen waarvan hij op voorhand moet begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben. Het oordeel is volgens het onderdeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd omdat daaruit niet blijkt dat het hof aan deze criteria heeft getoetst.

6.13

Het onderdeel hoeft geen bespreking, nu onderdeel 2 van het principale cassatieberoep in het geheel faalt. Ik verwijs nog wel naar 4.11, waar ik ben ingegaan op de vraag wanneer in zijn algemeenheid sprake kan zijn van misbruik van art. 8 lid 1 Brussel I-bis en naar 5.13 en 5.14 hiervoor.

Onderdeel 6 (uitleg HCC-beschikking)

6.14

Met onderdeel 6 komt MTB op tegen de uitleg die het hof in rov. 3.9 van de HCC-beschikking geeft. MTB acht de uitleg dat de HCC enkel heeft afgezien van een onderzoek naar de vraag of Heineken schuld heeft aan misbruik van machtspositie in Griekenland onbegrijpelijk. Volgens haar heeft de HCC afgezien van een onderzoek naar de feitelijke handelingen van Heineken en in dat licht is niet navolgbaar dat en waarom de HCC zich zou hebben uitgelaten over het ontbreken van aanwijzingen met betrekking tot de schuld van Heineken.

6.15

Onderdeel 6 gaat uit van een onjuiste lezing van het oordeel van het hof. Ik verwijs naar hetgeen ik heb opgemerkt onder 5.19-5.22.

Slotsom

6.16

Ik concludeer dat de in het incidenteel beroep aangevoerde klachten op het voorgaande afstuiten.

7 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principaal cassatieberoep als het incidenteel cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012 L 351/1. Deze verordening wordt ook aangeduid als ‘herschikte EEX-Vo’.

2 Zie HvJEU 14 maart 2019, C-624/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortmann (Skanska) en HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal).

3 Vergelijk het bestreden arrest van het hof van 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2019:2144, rov. 2.1-2.6.

4 Uit het procesdossier blijkt niet wat de stand van zaken in de hoger beroepsprocedure is. Voor deze cassatieprocedure lijkt de uitkomst van het hoger beroep van AB mij overigens niet relevant, omdat het hier enkel gaat om de internationale rechtsmacht tegenover AB. Mocht het besluit van de HCC in hoger beroep geheel onderuit gaan, dan zou de feitelijke grondslag aan de vordering tot schadevergoeding jegens AB en – nu de gestelde aansprakelijkheid van Heineken primair wordt gebaseerd op het handelen van AB – ook jegens Heineken komen te ontvallen, maar dit hoeft niet van invloed te zijn op de bevoegdheid van de rechtbank.

5 Recent oordeelde de rechtbank Amsterdam bij tussenvonnis dat het verjaringsverweer van Heineken moet worden verworpen (Rechtbank Amsterdam 25 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2866.

6 ECLI:NL:GHAMS:2021:509.

7 Vaste rechtspraak, zie recent HvJEU 12 mei 2021, C-709/19, ECLI:EU:C:2021:377, NJ 2022/127, m.nt. A.J. Berends (VEB/BP), punt 25.

8 Zie Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019/55.

9 Zie L.M. van Bochove, ‘Internationaalprivaatrechtelijke aspecten van kartelschade’, in: Hoogervorst e.a. (red.) Kartelschade (O&R nr. 108) 2019, p. 207/216, onder verwijzing naar H. Muir Watt, ‘Article 8’, in: U. Magnus en P. Mankowski (red.), Brussel Ibis Regulation, Keulen: Otto Schmidt 2016, nr. 24.

10 HvJEG 13 juli 2006, C-539/03, ECLI:EU:C:2006:458, NJ 2008/76, m.nt. P. Vlas (Roche/Primus), punten 25 en 26, nadien bevestigd in o.a. HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda (CDC/Akzo), punt 20.

11 HvJEU 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80, m.nt. P. Vlas, Ars Aequi 2007, p. 987-995, m.nt. M.V. Polak (Freeport/Arnoldsson), punt 47.

12 HvJEU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma (Painer/Standard Verlags), punt 81. In zijn noot in IER, punt 10, merkt Schaafsma op dat de eis van voorzienbaarheid ‘kennelijk alleen geldt voor het geval dat de rechtsgrondslagen van de vorderingen verschillen’. Het arrest CDC/Akzo (noot 10), punt 23, lijkt voor die opvatting een aanknopingspunt te bieden. Voor de uitleg van de arresten Freeport en Painer verwijs ik verder naar A-G Vlas, ECLI:NL:PHR:2019:123 vóór HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, onder 3.7.

13 Zie Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019/48.

14 HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332, m.nt. L. Strikwerda (Kolassa/Barclays Bank); HvJEU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38, m.nt. L. Strikwerda (Universal Music).

15 Zie HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, NJ 2017/418, m.nt. L. Strikwerda (Zürich/LAG), rov. 4.2.3 (slot).

16 Vgl. reeds HvJEG 27 september 1988, 189/87, ECLI:EU:C:1988:459, NJ 1990/425, m.nt. J.C. Schultsz (Kalfelis/Banque Schröder), punt 9, onder verwijzing naar het rapport Jenard, de toelichting van het comité van deskundigen bij het (oorspronkelijke) EEX-Verdrag.

17 HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, CDC/Akzo, punten 28 en 29. Zie ook S.J. Schaafsma, NIPR 2016, p. 704.

18 Zie o.a. HR 7 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3651, NJ 2010/566, m.nt. Th. De Boer en Ars Aequi 2010, p. 615 e.v., m.nt. M.V. Polak, rov. 3.6.

19 Het zogenoemde ‘Akzo-vermoeden’, zie HvJEG 10 september 2009, C-97/08 P, ECLI:EU:C:2009:536 (Akzo Nobel), vele maken bevestigd onder meer in HvJEU 8 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:289 (Eni) en HvJEU 5 maart 2015, C-512/09 P, ECLI:EU:C:2011:620 (Elf Aquitaine).

20 HvJEU 12 mei 2022, C-377/20, ECLI:EU:C:2022:379 (Servizio Electtrico Nazionale/Autorità Garante della Concurrenza e del Mercato), punt 123.

21 Richtlijn 2014/104/EU betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, PbEU 2014 L 349. Deze richtlijn definieert in art. 2 lid 2 de inbreukpleger als de onderneming of ondernemersvereniging die een inbreuk op het mededingingsrecht heeft begaan’.

22 HvJEU 14 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortman (Skanska), punt 28 e.v., bevestigd in HvJEU 12 december 2019, zoals gerectificeerd bij beschikking van 13 februari 2020, C-435/18, ECLI:EU:C:2019:1069 (Otis).

23 Arrest Skanska, punt 47 e.v.

24 Zie o.a. Rechtbank Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6636 (SECC/Kone e.a.) rov. 4.31 e.v. en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2341 (Deutsche Bahn/Nedri Spanstaal e.a.), rov. 6.25 e.v.

25 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10165 (Alstom/TenneT). Het betrof daar de dochtervennootschap Cogelex, die de inbreukmakende producten op de markt had verkocht, maar niet in het besluit van de Commissie was genoemd. Zie daarover R. Meijer, ‘Concernaansprakelijkheid bij inbreuken op het EU mededingingsrecht: Skanska in actie’, M&M 2020/3, p. 118-124; en H.M. Cornelissen, E.H. Groen & R. van Dijken, ‘Aansprakelijkheid voor kartelschade: zijn dochterentiteiten het kind van de (toe)rekening’, Ondernemingsrecht 2021/109, par. 4 (slot).

26 Sumal was een Spaanse onderneming die vrachtauto’s had afgenomen van een Spaanse dochter van Daimler. Zij stelde die dochter aansprakelijk (en niet de Duitse moeder die als deelnemer aan het truckkartel was geïdentificeerd). Dat Sumal achter de Spaanse dochter aanging lag zakelijk gezien ook voor de hand.

27 Franse taalversie van het arrest: ‘un lien concret’; Engelse taalversie: ‘a special link’.

28 Arrest Sumal, punten 51 en 52.

29 Lezing van de punten 47 en 48 van het Sumal-arrest zou mogelijk de indruk kunnen wekken dat het enkele bestaan van een economische eenheid volstaat om neerwaartse aansprakelijkheid aan te nemen. De punten 51 en 52 maken echter duidelijk dat het om een tweetrapsraket gaat. Dat naast het bestaan van een economische eenheid een aanvullende voorwaarde wordt gesteld (‘concreet verband’) is ook daarom logisch omdat voor opwaartse toerekening ook een bijkomende voorwaarde geldt, namelijk ‘beslissende invloed’. Het zou een anomalie zijn als voor toerekening ‘naar beneden’ minder strikte voorwaarden zouden gelden dan voor de – veel meer voor de hand liggende – toerekening ‘naar boven’.

30 HvJEU 21 mei 2015, C-352/13 (CDC/Akzo Nobel), punt 24. Dit zou erop kunnen wijzen dat ‘peilmoment’ voor het aannemen van voorzienbaarheid niet is de periode waarin het inbreukmakend handelen plaatsvond, maar het moment waarop de mededingingsautoriteit de inbreuk formeel heeft vastgesteld. Logischer zou ik vinden om uit te gaan van het moment van handelen.

31 HvJEU 5 juli 2018, C-27/17, ECLI:EU:C:2018:533 (flyLAL-Lithuanian Airlines), HvJEU 29 juli 2019, C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans/DAF Trucks) en HvJEU 15 juli 2021, C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo). In flyLAL (punt 40) en Tibor-Trans (punt 34) geeft het Hof een tamelijke soepele uitleg van het voorzienbaarheidscriterium, overigens in zaken waarin de uitleg van art. 7 lid 2 Brussel I-bis aan de orde was en niet, zoals hier, art. 8 lid 1 van die verordening. Zie hierover T.S. Hoyer en J.W. Fanoy, ‘Jurisdictie bij schade als gevolg van een inbreuk op het Europees mededingingsrecht’, NtER 2020/1-2, p. 19-25.

32 Rechtbank Den Haag 1 mei 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1870 (CDC/Shell Petroleum B.V. e.a.) en Gerechtshof Amsterdam 21 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3006 (CDC/Akzo Nobel).

33 Rechtbank. Amsterdam 14 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5827 (Stichting Elco/Rabobank e.a.).

34 Rechtbank Amsterdam 25 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5882 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain e.a./ Prysmian Netherlands B.V. e.a.), rov. 5.41.

35 Ik bespreek niet de commentaren op Skanska waarin niet of nauwelijks wordt ingegaan op de eventuele betekenis van dat arrest voor art. 8 lid 1 Brussel I-bis: J.S. Kortmann, NJ 2020/58; M. Goorts & B. Nijhoff, ‘Skanska en de opmars van het ondernemingsbegrip in de civiele procespraktijk’, MP 2019/4; R. Jaspers & T. Binder, ‘Van een kikker kan men geen veren plukken: het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip in het kader van de civielrechtelijke handhaving’, M&M 2019/3, p. 112-119; en S. Tuinenga & M.A. Meijssen, ‘Kroniek civiele rechtspraak 2019’, M&M 2020/2, p. 43-57 en W. Wurmnest, CMLRev. 2020, p. 915-934.

36 S.L. Boersen en S. de Jong, ‘Skanska, de onderneming en de laedens: gamechanger of buitencategorie?’, MvV 2019, afl. 7-8, p. 279-285.

37 B.J. Drijber, ‘Unierecht bepaalt welke vennootschappen aansprakelijk zijn voor kartelschade’ Ondernemingsrecht 2019/74, onder 7.

38 R. Van Dijken, ‘Skanska en de pluraliteit van verweerders bij kartelschadezaken’, NIPR 2019, afl. 4, p. 771-788.

39 H.M. Cornelissen, E.H. Groen & R. van Dijken, ‘Aansprakelijkheid voor kartelschade: zijn dochterentiteiten het kind van de (toe)rekening’, Ondernemingsrecht 2021/109.

40JOR 2022/22.

41 Ch.F. Kroes, Rolled into one: de ‘onderneming‘ als rechtssubject bij de ‘privaatrechtelijke handhaving’ van het mededingingsrecht, MvO, afl. 3-4, 2022.

42 T.S. Hoyer, Aspecten van civiele aansprakelijkheid wegens een inbreuk op het Europees mededingingsrecht, MvV 2021, afl. 11, p. 363-373.

43 S. Tuinenga en R. Lamberti, ‘Kroniek civiele rechtspraak mededingingsrecht 2021’, M&M 2022/1, p. 14-25 (op p. 16) en S. Tuinenga, ‘The Road Ahead for Liability in Damages Actions: Case C-882/19 Sumal’, Journal of European Competition Law & Practice, 21 June 2022.

44 Ze voor een voorbeeld HvJEU 14 september 2017, C-168/16, ECLI:EU:C:2017:688 (Nogueira), punt 65.

45 Zie de procesinleiding, onder 29. De op die plaats aangevoerde motiveringsklacht tegen het door het hof in rov. 3.5 geformuleerde uitgangspunt is niet toegelicht.

46 Zie HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332, m.nt. L. Strikwerda (Kolassa/Barclays Bank); HvJEU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38, m.nt. L. Strikwerda (Universal Music).

47 Feit is dat de ‘gewone’ rechter het Unierecht moet toepassen. Voorheen werd in dit verband wel gesproken van le juge commun du droit communautaire. Maar dat wil niet zeggen dat de nationale rechter in zoverre is aan te merken als ‘Unierechter’ (voorheen: ‘gemeenschapsrechter’).

48 Ook is geen sprake van een mogelijke misbruiksituatie zoals omschreven in het arrest CDC/Akzo (waar eiseres CDC met de Duitse ankergedaagde hangende de procedure een schikking had getroffen en het Hof oordeelde dat de nationale rechter moest nagaan of daarbij een ‘opzetje’ in het spel was om de andere gedaagden van de rechter van hun vestigingsplaats af te trekken). Zie HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, punt 31-33.

49 Wat MTB heeft doen kiezen om in Amsterdam te procederen in plaats van in Athene blijkt niet uit de gedingstukken. Is de verklaring daarvoor niet traditioneel wantrouwen van Macedonië ten aanzien van Attica, dan zou een rol kunnen spelen de verwachting dat procederen bij de Nederlandse rechter sneller gaat (inmiddels zijn wel meer dan vijf jaar opgegaan aan het bevoegdheidsincident). Ook kan niet worden uitgesloten dat MTB ervoor heeft gekozen om de kosten van deze procedure (gedeeltelijk) extern te financieren en dat dit voor een procedure in Griekenland moeilijk te realiseren is.

50 Art. 9 van de Kartelschaderichtlijn bevat een compromis. Ingevolge het eerste lid is een besluit van een nationale mededingingsautoriteit bindend voor de gerechten van dezelfde lidstaat, zoals een besluit van de Commissie dat is op grond van art. 16 Verordening 1/2003/EG. Ingevolge het tweede lid van art. 9 is een besluit van een nationale mededingingsautoriteit voor rechters in een andere lidstaat niet bindend, maar kan door deze wel worden gebruikt als prima facie bewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan. Daarom wordt de vraag in hoeverre de HCC-beschikking bindend is voor de rechtbank Amsterdam beheerst door het toepasselijke nationale recht. Naar kennelijk vaststaat is dat het Griekse recht (vgl. het in voetnoot 5 genoemde tussenvonnis van de rechtbank van 25 mei 2022, rov. 4.13). De rechtbank heeft beslist om een deskundigenbericht in te winnen bij het Internationaal Juridisch Instituut over de vraag, kort gezegd, of de Nederlandse rechter formeel gebonden is aan de aan AB gerichte beschikking van de HCC als die eenmaal onherroepelijk is geworden.

51 In andere situaties kan daar mogelijk wel twijfel over rijzen. Als voorbeeld noem ik het fictieve geval dat de HCC een kartel op de Griekse biermarkt heeft vastgesteld tussen AB en drie kleinere Griekse bierproducenten en MTB als concurrent bij de rechtbank Amsterdam vorderingen instelt tegen Heineken en de vier kartelleden. Het is dan de vraag of het voor de drie kleinere Griekse brouwers voorzienbaar was dat zij op de voet van art. 8 Brussel I-bis in Amsterdam zouden kunnen worden gedagvaard. Voor de volledigheid merk ik ook nog op dat de vraag naar de voorzienbaarheid van het forum alleen relevant is voor de mede-gedaagden en niet voor de ankergedaagde. De laatste kan menen met de mededingingsinbreuk niets te maken te hebben en daarom een dagvaarding niet te hebben voorzien, maar dat betreft dan de inhoudelijke beoordeling van de vordering en is niet relevant voor de internationale bevoegdheid van de rechter (van zijn vestigingsplaats).

52 Vgl. ook de schriftelijke toelichting van Heineken c.s., onder 15-17.

53 HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0197, NJ 2010/650, JBPR 2011/16, m.nt. K. Teuben. In die zaak waren binnen de in het Landelijk Procesreglement gestelde termijn van vier dagen voor de pleitzitting nadere stukken ingediend, maar oordeelde het hof dat dit te laat want in strijd met de goede procesorde was. De Hoge Raad duidt de termijn van vier dagen voor de pleitzitting als ‘aanwijzing’ (rov. 3.3.1), waarvan op grond van de goede procesorde kan worden afgeweken ten nadele van de partij die deze termijn in acht heeft genomen.

54 Vgl. J.G.A. Linssen, ‘Over (laat)tijdige overlegging van stukken en hoor en wederhoor’, JBPR 2017/909, onder 4.3.a: “Maar later in het geding gebrachte stukken zouden terzijde gelaten kunnen worden op basis van nadere omstandigheden zoals de omstandigheid dat de stukken niet eerder in het geding gebracht hadden kunnen worden en er geen redelijke grond voor de indiener bestond om de stukken in aanvang achter te houden.”