Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:533

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2022
Datum publicatie
03-06-2022
Zaaknummer
22/00394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet; zijn gerechtelijke instanties (wettelijk) gehouden om in verband met de openbaarheid van rechtspraak informatie over lopende civiele procedures te verstrekken aan derden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/00394

Zitting 20 mei 2022

VORDERING TOT CASSATIE

IN HET BELANG DER WET

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

1. Holland Iris Select B.V.

2. Holland Bolroy Markt B.V.

3. H.B.M. Flora Vastgoed 1 B.V.

4. H.B.M. Flora Holding B.V.

5. [niet nader bekend]

Tegen

De Griffier van de rechtbank Den Haag

1. Inleiding

1.1 Deze zaak betreft een vordering tot cassatie in het belang der wet. De kernvraag die daarin aan de orde wordt gesteld is of, en zo ja op welke grondslag, gerechten gehouden zijn om informatie over lopende procedures (in bepaalde gevallen of met bepaalde doeleinden) te verstrekken aan derden.

1.2 In de praktijk bestaat behoefte aan dergelijke informatie. Zo kan het voor een partij van belang zijn om te weten of tussen andere partijen een procedure aanhangig is, en om deze te volgen om op grond daarvan haar strategie te bepalen.1 Ook advocaten kunnen er belang bij hebben om procedures te volgen waarvan zij het bestaan kennen (bijvoorbeeld doordat hun cliënt is gedagvaard) maar waarin zij zich nog niet hebben gesteld. Door de procedure te ‘observeren’, kunnen zij beoordelen of het in het belang van hun cliënt is om zich te stellen, of om een vordering tot voeging of tussenkomst in te dienen. Daarnaast blijkt uit navraag (zie hierna paragraaf 5) dat informatie over lopende procedures (telefonisch) bij de gerechten wordt opgevraagd.

1.3 Al in 1995 heeft Van Zwieteren2 zich in een opinie in het NJB afgevraagd waarom de rechtspraak de burger niet de mogelijkheid biedt zich van tevoren op de hoogte te stellen van hetgeen tijdens openbare zittingen zal worden behandeld. Zij wees erop dat in Nederland dagelijks vele civiele pleidooien, kortgedingzaken, meervoudige strafkamerzittingen en politierechterzittingen worden gehouden zonder dat de burger een mogelijkheid heeft zich van tevoren van de inhoud van het behandelde op de hoogte te stellen, derhalve zonder dat hij de beslissing kan nemen of de zitting voor hem interessant is om bij te wonen. Volgens Van Zwieteren betekent openbaarheid in de praktijk alleen dat de rechter zegt dat de zitting openbaar is en dat de pers van de rol op de hoogte wordt gesteld. De pers is evenwel niet het publiek en zij bepleitte dan ook dat de rechtspraak aan het aspect van de openbaarheid meer invulling geeft, met name voor het publiek. Zij is daarin bijgevallen door Smits.3

1.4 Ook Verkerk en Woutering4 hebben er in 2013 op gewezen dat in Nederland de zittingen wel openbaar zijn, maar dat rechtbanken niet willen vertellen waar en wanneer zittingen plaatsvinden, terwijl toegang tot rolinformatie cruciaal is om het voor het publiek mogelijk te maken om een openbare zitting daadwerkelijk bij te (kunnen) wonen.

1.5 Voor de behandeling van de centrale vraag van dit onderzoek is mede van belang of (inter)nationale wet- en regelgeving gerechten verplicht, of juist verbiedt, om (op verzoek of uit eigen beweging, en eventueel onder nadere voorwaarden) informatie te verstrekken over lopende civiele procedures.

1.6 Op een aantal punten is ambtshalve feitelijke informatie verzameld door middel van enquêtes. Zo is de Nederlandse rechtbanken en hoven schriftelijk gevraagd hoe zij omgaan met verzoeken om informatie over aanhangige zaken, en waarop dat beleid is gebaseerd. Voor de rechtsvergelijking zijn soortgelijke vragen uitgezet in het liaison-netwerk van de Europese Commissie voor Democratie door Recht (Commissie van Venetië) van de Raad van Europa, waarvan de Hoge Raad deel uitmaakt. Via de Raad voor de Rechtspraak zijn de handleidingen bij de verschillende Roljournalen verkregen.

1.7 Deze vordering ziet op de openbaarmaking van gegevens over lopende civiele procedures, en dus niet op straf- of bestuursrechtelijke procedures. Daarnaast gaat het om de vraag of moet worden medegedeeld dat procedures aanhangig zijn tussen bepaalde partijen inclusief het zaaknummer ervan, en wanneer zittingen zijn gepland. Het gaat dus niet om de openbaarheid van andere gegevens, zoals processtukken.5

2 Aanleiding vordering

2.1

Aanleiding voor de onderhavige vordering is een uitspraak van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 27 september 2012 (hierna: de uitspraak van 27 september 2012).6 In die procedure heeft de advocaat van Holland Iris c.s. de griffier van de rechtbank verzocht om hem te berichten of bij de rechtbank één of meer procedures aanhangig waren en/of zijn waarbij de heer A partij is. De griffier heeft dit verzoek geweigerd, omdat niet sprake is van een concreet verzoek om een afschrift van een vonnis dat op een bepaalde datum is gewezen tussen met naam en toenaam aangeduide partijen (rov. 2.1).

2.2

In het tegen de weigering ingestelde verzet (op de voet van art. 28 lid 6 Rv (oud), thans art. 29 lid 6 Rv) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat noch art. 28 Rv (oud) noch art. 838 Rv als grondslag kan dienen voor toewijzing van een dergelijk verzoek. De voorzieningenrechter overwoog daartoe het volgende:

“3.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 28 Rv [thans art. 29 Rv, A-G] geen ruimte biedt voor het verstrekken door de griffier van een opgave van alle procedures waarin [A] partij is en/of was. Het artikel heeft alleen betrekking op het verstrekken van afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen en niet op het verstrekken van een overzicht van procedures waarbij een bepaalde partij betrokken is. Het in het verzetschrift onder ii opgenomen verzoek dient derhalve, zowel voor wat betreft het primaire- als het subsidiaire verzoek, te worden afgewezen. In het verzetschrift hebben HBM cs nog aangegeven dat hun verzoek mede gegrond is op artikel 838 Rv en dat de griffier gehouden was om het bepaalde in dat artikel in zijn beoordeling te betrekken. Artikel 838 Rv heeft echter betrekking op het verstrekken van afschriften of uittreksels van akten uit openbare registers. De door HBM cs verlangde opgave van alle procedures waarin [A] partij is valt daar niet onder. Er is met betrekking tot (lopende) civiele procedures immers geen sprake van een openbaar register waaruit afschriften of uittreksels kunnen worden afgegeven. Dit leidt tot de conclusie dat het onder iv meer subsidiair verzochte ook dient te worden afgewezen.”

2.3

In 2019 heeft advocatenkantoor Taylor Wessing N.V. (hierna: Taylor Wessing) de griffier van de rechtbank Den Haag verzocht (i) haar te berichten of sprake is van een zeker beleid op de griffie dat geen informatie wordt verstrekt over procedures bij deze rechtbank aan derden (waaronder advocaten van derden) die niet zelf bij die procedures zijn betrokken en zo ja, dat beleid voor toekomstige verzoeken te herzien, en (ii) haar te berichten of inderdaad procedures aanhangig zijn tussen met name genoemde partijen en zo ja, wanneer de (openbare) zittingen in deze zaak plaatshebben en wat het zaaknummer is.7 Tegen de aanvankelijke weigering van de griffier is Taylor Wessing in verzet gegaan. Vervolgens heeft de griffier de gevraagde informatie daags voor de zitting alsnog verstrekt. De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft het verzoek daarom bij beschikking van 26 november 2019 (hierna: de uitspraak van 26 november 2019) afgewezen wegens gebrek aan belang.

2.4

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft mr. Mulder (advocaat bij Taylor Wessing) zich gewend tot de Commissie cassatie in het belang der wet (hierna: de Commissie).8 De Commissie heeft overwogen dat de uitspraak van 26 november 2019 zich niet leent voor cassatie in het belang der wet, omdat die geen inhoudelijk oordeel bevat waartegen dat beroep zich zou kunnen richten. De uitspraak van 27 september 2012 leent zich daar volgens de Commissie wel voor. Volgens de Commissie is sprake van een duidelijke rechtsvraag met een zaaksoverstijgend belang, die de Hoge Raad vermoedelijk niet op andere wijze zal bereiken. De Commissie heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad daarom geadviseerd om cassatieberoep in het belang der wet in te stellen.9 Dit advies is overgenomen.

3 Plan van behandeling

3.1

In haar advies heeft de Commissie de volgende rechtsvraag geformuleerd:

“Zijn gerechten uit hoofde van art. 27, 29 en/of 838 Rv, art. 15 Besluit orde van dienst gerechten en/of (inter-)nationale wetgeving op het gebied van openbaarheid van rechtspraak verplicht om informatie over lopende procedures (in bepaalde gevallen of met bepaalde doeleinden) aan derden te verstrekken?

3.2

Deze vraag staat in deze vordering centraal. Bij het beantwoorden van die vraag behandel ik de volgende onderwerpen:

- Paragraaf 4: de huidige administratie van civiele zaken bij de Nederlandse gerechten en verschillende wijzen van inzage daarin. In dat verband komt aan de orde:
(i) de rol, de rolzitting en het Roljournaal;
(ii) inzage via het bestaan van openbare websites/andersoortige gegevens voor bepaalde categorieën zaken en
(iii) inzage door de pers.

- Paragraaf 5: de wijze waarop gerechten omgaan met (telefonische) vragen over lopende procedures.

- Paragraaf 6-8: mogelijke grondslagen voor de verplichting om gegevens openbaar te maken.
Paragraaf 6 behelst de door de voorzieningenrechter in de uitspraak van 27 september 2012 beoordeelde wettelijke grondslagen: het huidige art. 29 Rv en art. 838 Rv.
In de paragrafen 7 en 8 worden twee andere grondslagen besproken, te weten het Besluit orde van dienst gerechten en het beginsel van openbaarheid.

- Paragraaf 9: het verstrekken van informatie over lopende zaken door internationale en buitenlandse gerechten.

- Paragraaf 10: de AVG in het licht van de vraag of deze Verordening een contra-indicatie vormt voor het verstrekken van informatie.

- Paragraaf 11 bevat mijn bevindingen, conclusies en aanbevelingen.

- In paragraaf 12 worden tot slot het cassatiemiddel en de vordering geformuleerd.

4. De huidige administratie van civiele zaken bij de Nederlandse gerechten en verschillende wijzen van inzage daarin

(i) Rol, rolzitting en Roljournaal

4.1

Het register waarin de gerechten de aanhangige zaken administreren, wordt aangeduid als de rol.10 De rol heeft tevens de functie van agenda: op de rol wordt onder meer bijgehouden op welke data bepaalde proceshandelingen moeten worden of zijn verricht, zoals het indienen van processtukken, wanneer een mondelinge behandeling staat gepland,11 en wanneer uitspraak wordt gedaan. De rol heeft daarmee niet alleen een interne functie, als administratie en planning voor de gerechten zelf, maar dient ook om procespartijen, hun advocaten en andere betrokkenen te informeren over wat er van hen wordt verwacht.12

4.2

Hoewel de wet uitsluitend voor dagvaardingszaken bepalingen bevat die met de rol verband houden, wordt in de praktijk ook voor verzoekschriftzaken een rol gehanteerd. Zo worden familiezaken bijgehouden op de familierol (die kan worden ingezien via het Familiejournaal)13 en worden verzoekschriftzaken die door de rechtbanken, afdelingen/teams voor handelszaken, met inbegrip van verzoekschriften gericht aan de voorzieningenrechter, worden behandeld,14 bijgehouden op de handelsrol, waarop ook dagvaardingszaken staan. Het gaat dan bijvoorbeeld om verzoeken op het terrein van het ondernemingsrecht (Boek 2 BW). De gerechtshoven hanteren een gecombineerde rol, waarop zowel dagvaardings- als verzoekschriftzaken worden bijgehouden (in te zien via het Journaal civiel gerechtshoven).15

4.3

Artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten (BODG)16 gebiedt de gerechten vóór elke openbare zitting een uittreksel van de rol beschikbaar te stellen, met daarop de zaken die tijdens de zitting zullen worden behandeld. In de praktijk wordt daaraan uitvoering gegeven doordat het uittreksel van de rol op de dag vóór de rolzitting voor eenieder ter inzage ligt bij het gerecht in kwestie. Op dat overzicht zijn alleen de zaken te zien die op de rolzitting zullen worden behandeld, en staat alleen vermeld welke proceshandeling op die rolzitting moet plaatsvinden. Uit het overzicht blijkt dus niet wanneer bijvoorbeeld een mondelinge behandeling plaatsvindt.

4.4

In het verleden vonden bij elk gerecht op vaste dagen fysieke rolzittingen plaats. Deze zittingen waren openbaar, zoals alle zittingen in beginsel openbaar zijn (art. 27 lid 1 Rv, art. 4 RO). Op deze fysieke zittingen konden proceshandelingen worden verricht, werden door een rolrechter beslissingen genomen, zoals het al dan niet verlenen van uitstel, en werd uitspraak gedaan.17 Eenieder kon dus, door de rolzitting bij te wonen, ontdekken welke zaken aanhangig waren, welke partijen daarbij waren betrokken en in welke stand de procedure zich bevond.18

4.5

Fysieke rolzittingen worden sinds najaar 200619 niet meer gehouden, behalve in kantonzaken.20 Desalniettemin wordt de term rolzitting in de praktijk nog wel gebruikt naast het begrip roldatum, om het vaste moment aan te duiden waarop de handelingen die op de rol staan vermeld moeten worden of zijn verricht.21

4.6

Het Roljournaal is een voor advocaten door middel van het internet toegankelijke weergave van de proceshandelingen van de rol van de rechtbank of het hof.22 Het Roljournaal is dus alleen toegankelijk voor advocaten, die daarin in beginsel alleen hun eigen zaken en die van hun kantoorgenoten zien. Andere zaken zijn alleen in te zien als het zaaknummer bekend is. Daarop bestaat in handels- en kantonzaken23 een uitzondering, die bedoeld is voor gevallen waarin de advocaat van de gedaagde de dagvaarding heeft ontvangen, en dus wel de partijnamen weet, maar nog niet over een zaaknummer beschikt. In dergelijke gevallen kan hij de zaak ‘observeren’, om te kunnen beslissen of hij zich in deze zaak zal stellen of niet. Onder observeren wordt verstaan dat een advocaat de voortgang van de zaak volgt, om te kunnen beslissen of hij zich daarin alsnog zal stellen (of een vordering tot voeging of tussenkomst zal instellen).24 Om dit mogelijk te maken kan de advocaat in het Roljournaal zoeken op partijnaam. Vervolgens worden enkel de zaken getoond die de afgelopen vier en komende twee weken op de rol staan.25 Op deze manier is dus beperkt inzicht mogelijk in andere dan de reeds aanhangige eigen zaken.

4.7

Bij de Hoge Raad worden de zaken geadministreerd in een digitaal systeem, dat via het webportaal ‘Mijn Zaak’ kan worden ingezien door de betrokkenen.26 Ook (de advocaten van) partijen die zijn opgeroepen, maar (nog) niet zijn verschenen, krijgen toegang tot ‘Mijn Zaak’, zodat zij de procedure kunnen observeren en desgewenst alsnog verweer kunnen voeren.27 Anderen hebben geen toegang tot de informatie in ‘Mijn Zaak’; zij zijn immers niet opgeroepen.

(ii) Bepaalde categorieën

4.8

Er zijn categorieën zaken waarvan het verloop via openbare websites voor eenieder is te volgen. Zo is op de website van de Hoge Raad een overzicht te vinden van alle aanhangige prejudiciële procedures, waarbij wordt aangegeven wat de stand van zaken is.28
De Ondernemingskamer publiceert online een agenda van aankomende zittingen; daarin worden, naast het onderwerp van de zitting, ook de namen vermeld van de betrokken partijen.29
Sommige rechtbanken publiceren een agenda van geplande zittingen in kortgedingzaken, inclusief het onderwerp van de zittingen.30
De rechtbank Rotterdam publiceert een agenda van alle zittingen, zonder partijnamen maar met vermelding van het onderwerp van de zitting.31
Verder publiceerde de Sectie Intellectuele Eigendom van de rechtbank Den Haag in het verleden een ‘pleidooirooster’ op www.rechtspraak.nl, waarin informatie was opgenomen over de data waarop pleidooien plaatsvinden in bodemprocedures in octrooizaken, met daarbij de namen van de betrokken partijen.32

4.9

Daarnaast bestaat voor digitale vorderingszaken en bepaalde bestuursrechtelijke zaken (KEI-zaken) het digitale Zaakverloopregister op de website van de Rechtspraak.33 Dat register is voor eenieder toegankelijk; er hoeft niet te worden ingelogd. Zowel het verloop van een bepaalde zaak als de uitspraken in de zaken die in dit register staan, kunnen uitsluitend worden ingezien indien men over een zaaknummer beschikt; er kan in het huidige register dus bijvoorbeeld niet op partijnaam worden gezocht. Het zaaknummer zelf kan niet uit het register worden verkregen. Om die redenen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat plaatsing van die uitspraken in het register geen toereikende wijze van openbaarmaking van uitspraken van de bestuursrechter vormt: het register is voor anderen dan partijen en hun advocaten onvoldoende toegankelijk.34

(iii) Inzage door de pers

4.10

Voor de pers bestaat een aparte regeling. Op grond van de Persrichtlijn 2013 voorziet de afdeling communicatie van elk van de gerechten journalisten van informatie over komende en lopende rechtszaken. Komende rechtszaken staan meestal uiterlijk één week voor de zittingsdatum vermeld op zogenoemde ‘zittingslijsten’. Deze lijsten bevatten de zaken die het gerecht in die week in een openbare zitting zal behandelen. Ook de namen van de betrokken procespartijen worden daarin genoemd. Rechtszaken die op grond van de wet achter gesloten deuren worden behandeld, zoals echtscheidingen en ondertoezichtstellingen, zittingen waarop faillissementsaanvragen worden behandeld en zittingen waar belastingzaken aan de orde zijn, staan niet op deze lijsten vermeld.
De gerechten stellen de zittingslijsten een week voor de zitting gratis ter beschikking aan journalisten.35 In strafzaken, voorlopige voorzieningen in bestuurszaken en in kortgedingen liggen dagvaardingen, verzoekschriften en beroepschriften uiterlijk één week voor de zitting onder embargo ter inzage voor journalisten. Hiervan zijn uitgezonderd zaken op het gebied van personen-, familie- en jeugdrecht en andere zaken die op wettelijke gronden achter gesloten deuren worden behandeld. Op alle genoemde informatie rust een embargo tot aan het moment dat de zaak in het openbaar wordt behandeld.36

Tussenconclusie

4.11

Uit het voorgaande volgt dat het in de praktijk zeer beperkt mogelijk is om, zonder over een zaaknummer te beschikken, te achterhalen of tussen bepaalde partijen een procedure aanhangig is, wat het zaaknummer is en in welke stand de procedure zich bevindt. Een advocaat die dat wil weten, zou de partijnamen regelmatig kunnen invoeren in het Roljournaal om te zien wat er binnen de getoonde (korte) periode op de rol staat. Procedures die buiten deze beperkte periode op de rol staan, blijven buiten beeld. Voor anderen dan advocaten is deze informatie sowieso niet toegankelijk.
Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn, bijvoorbeeld in het geval dat een bepaalde categorie zaken bij één gerecht is geconcentreerd, dat men op de dag vóór de rolzitting bij het gerecht langsgaat om ter plekke het overzicht van de op de rolzitting te behandelen zaken te bekijken. Maar dan wordt alleen wetenschap verkregen welke proceshandelingen in deze zaken op die rolzitting worden of moeten zijn verricht. Uit het overzicht is niet af te leiden wanneer in deze zaken een mondelinge behandeling plaatsvindt. Erg efficiënt of gebruikersvriendelijk is deze methode niet.

5 Het inwinnen van informatie bij de griffies

5.1

De eenvoudigste mogelijkheid om te proberen te achterhalen of op een bepaald moment tussen bepaalde partijen procedures aanhangig zijn, is via een telefonisch verzoek aan de griffie of afdeling communicatie van de verschillende gerechten.

5.2

In de praktijk blijken sommige gerechten deze informatie niet te verstrekken, maar andere wel.37
Ik heb via het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel enKanton (LOVCK) en Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel hoven (LOVC-hoven) aan de gerechten in feitelijke instantie de volgende vragen voorgelegd:

“- Verstrekt de griffie van uw gerecht op verzoek informatie over lopende civiele procedures, te weten of op een bepaald moment procedures aanhangig zijn tussen bepaalde partijen, welk zaaknummer die hebben gekregen, en wanneer daarin zittingen staan gepland?

- Op welke wet- of regelgeving is het in de vorige vraag bedoelde beleid gebaseerd?

- Zijn er bijzondere richtlijnen of protocollen over de omgang met specifieke soorten zaken, zoals familiezaken of zaken waarin vertrouwelijke bedrijfseconomische of technische informatie een rol speelt?”

5.3

Hierop hebben vier gerechten gereageerd. De antwoorden luiden (enigszins verkort en samengevat) als volgt:

- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch: de griffie van de sector handelsrecht verstrekt uitsluitend zaaksgegevens aan een advocaat in een bij hem/haar in behandeling zijnde zaak. Een procespartij wordt naar zijn/haar advocaat verwezen voor informatie. Voor het overige verstrekt de griffie geen informatie, maar gelden de afspraken met de afdeling communicatie & voorlichting over informatievoorziening aan de pers en anderen met een wettelijk recht op informatie (zoals het OM).

- Rechtbank Amsterdam: er wordt een onderscheid gemaakt tussen procedurele informatie, (proces)stukken uit het dossier en uitspraken. Procespartijen hebben recht op procedurele informatie. Verstrekking gebeurt eventueel via de advocaat/gemachtigde. Aan derden worden zonder wettelijke grondslag geen stukken uit/informatie over procedures verstrekt. Dit geldt ook voor opsporingsinstanties en voor advocaten die niet in de procedure optreden (deze zijn geen procespartij, en dus derde). Derden hebben geen recht op procedurele informatie. Vragen over de datum van een zitting worden afgestemd met de rechter of secretaris (zitting is openbaar).

- Rechtbank Noord-Nederland: de griffies verstrekken terughoudend gegevens, dit met het oog op de privacywetgeving (AVG). In feite worden alleen gegevens verstrekt als blijkt dat de verzoeker bekend is met de zaak, bijvoorbeeld als hij een zaaknummer weet of betrokken is bij de zaak. Bij insolventiezaken of schuldsanering wordt pas informatie gegeven als de uitspraak openbaar is gemaakt. Bij betrokkenheid van minderjarigen in een procedure wordt nog terughoudender omgegaan met verzoeken om informatie. In kortgedingenzaken, waarin minderjarigen zijn betrokken, wordt alleen informatie verstrekt aan de gemachtigden van partijen. Handelszittingen zijn over het algemeen openbaar. Journalisten worden op voorhand via de afdeling communicatie op de hoogte gesteld van interessante zaken (kort geding, handels- of kantonzaken), uitgezonderd zaken waarbij minderjarigen betrokken zijn.

- Rechtbank Overijssel: de griffie verstrekt informatie aan procespartijen. Aan derden wordt enkel informatie verstrekt als ze een zaaknummer of naam van (een van) partijen vermelden. De griffie gaat niet in de eigen systemen zoeken. Algemene verzoeken worden aan het regiebureau voorgelegd, zaakspecifieke verzoeken worden voorgelegd aan de behandelend rechter.

5.4

Ook de civiele griffie van de Hoge Raad krijgt regelmatig telefonische verzoeken van derden, ook vanuit rechtbanken en hoven, bijvoorbeeld met de vraag of er in een bepaalde zaak cassatieberoep is ingesteld. In beginsel zijn om het systeem te raadplegen de partijnamen, het zaaknummer, de datum van de bestreden uitspraak en de instantie nodig. Als degene die om informatie verzoekt niet al deze gegevens heeft, wordt in het systeem gezocht op basis van de gegevens waarover die persoon op dat moment beschikt. De griffie deelt dan mee of in deze zaak cassatie is ingesteld, en ook of een verklaring is ingediend dat dit niet zal gebeuren (een non-cassatieverklaring). Bij bepaalde gevoelige zaken wordt soms aangetekend dat daarover geen informatie wordt verstrekt.

6. Mogelijke grondslagen voor het verstrekken van informatie; de door de voorzieningenrechter beoordeelde grondslagen

6.1

Zoals hierboven onder 2.2 vermeld, heeft de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 27 september 2012 het primaire verzoek van de advocaat om de griffier te gelasten alsnog opgave te doen van alle procedures waarin A partij is of was, afgewezen. Deze afwijzing gold ook voor het subsidiaire verzoek om de griffier te gelasten alsnog opgave te doen van procedures van 1 januari 2011 tot en met de datum van de uitspraak waarin A partij was of is. De voorzieningenrechter overwoog daartoe dat (het huidige) art. 29 Rv geen grondslag biedt, omdat dit artikel alleen betrekking heeft op het verstrekken van afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen en niet op het verstrekken van een overzicht van procedures waarbij een bepaalde partij betrokken is.

(i) Art. 29 Rv 38

6.2

Art. 29 Rv, dat in het eerste lid het algemene voorschrift van de openbaarheid van rechterlijke uitspraken verwoordt, is in 2002 als art. 28 Rv in de wet gekomen. De leden 2 tot en met 7 handelen over één van de aspecten van de openbaarheid van uitspraken, namelijk het verstrekken van afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen door de griffier aan een ieder die dat verlangt. Als weigeringsgrond is in lid 2 opgenomen de bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen. Het derde lid bepaalt dat onder vonnissen, arresten en beschikkingen stukken zijn begrepen die bij de uitspraak zijn gevoegd en dat van andere tot een procesdossier behorende stukken geen afschrift of uittreksel aan derden wordt verstrekt.

6.3

Art. 29 Rv voorziet blijkens de bewoordingen niet in een recht op het verstrekken van andere informatie en in de wetsgeschiedenis zijn geen aanwijzingen voor het tegendeel te vinden. Het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook onderschreven door annotator Sijmonsma39 en door Tjong Tjin Tai.40

6.4

Aan art. 29 Rv valt dus geen recht op informatie over aanhangige procedures te ontlenen.

(ii) Art. 838 Rv

6.5

De voorzieningenrechter heeft daarnaast zowel de hierboven onder 6.1 genoemde primaire en subsidiaire verzoeken, alsmede het meer subsidiaire verzoek om de griffier te bevelen om afschriften van de rol, althans de administratieve vastlegging van alle zaken over de periode vanaf 1 januari 2011 tot en met datum uitspraak te verstrekken, getoetst aan art. 838 Rv. Genoemde verzoeken zijn afgewezen op de grond dat art. 838 Rv betrekking heeft op het verstrekken van afschriften of uittreksels van akten uit openbare registers en dat bij (lopende) civiele procedures geen sprake is van een openbaar register waaruit afschriften of uittreksels kunnen worden afgegeven (rov. 3.4).

6.6

Vóór de invoering van het huidige art. 29 Rv was het recht op afschrift van rechterlijke uitspraken geregeld in het meer algemene art. 838 Rv. In een uitspraak die betrekking had op laatstgenoemd wetsvoorschrift heeft de Hoge Raad in 2001 geoordeeld dat er geen principiële bezwaren bestaan tegen het verstrekken van afschriften van alle uitspraken die in een bepaalde periode zijn gedaan, mits afdoende maatregelen zijn getroffen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen.41 Ook het huidige art. 29 Rv staat dit toe, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis.42

6.7

Art. 838 Rv luidt als volgt:

“1. “1. De griffiers en andere bewaarders van openbare registers moeten daarvan, zonder rechterlijk bevel, tegen betaling van de hun toekomende rechten, afschrift of uittreksel verstrekken aan eenieder die daarom vraagt, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en renten.

“1. 2. Het eerste lid geldt niet, voor zover artikel 29 van toepassing is.”

6.8

Het eerste lid voorziet dus in een recht op afschrift van of een uittreksel uit gegevens die in een openbaar register worden bewaard. Onder openbare registers moeten in de eerste plaats worden verstaan de registers die de wet als zodanig aanduidt, of ten aanzien waarvan de wet heeft voorgeschreven dat het publiek op een bepaalde wijze van de inhoud daarvan kan kennisnemen.43 Voor de meeste registers bestaat specifieke wetgeving die bepaalt dat zij openbaar zijn en op welke manier daaraan invulling wordt gegeven.44 Art. 838 Rv voegt daaraan niets toe, zo vermeldt de parlementaire geschiedenis.45

6.9

Art. 838 Rv creëert dus als zodanig geen recht op openbaarmaking van gegevens. Er moet een aparte wettelijke regeling zijn die een bepaald register als openbaar aanmerkt.46

6.10

Ook art. 838 Rv biedt daarom geen (zelfstandige) grondslag voor het recht op informatie over lopende civiele procedures.

7. Andere mogelijke grondslag voor het verstrekken van informatie over lopende procedures: het Besluit orde van dienst gerechten

7.1

Het Besluit orde van dienst gerechten (BODG)47, dat is gebaseerd op art. 11 Wet op de rechterlijke organisatie (RO, bevat regels over de organisatie van de gerechten. Deze regels van het BODG gelden in beginsel voor alle zaken (dus ook straf- en bestuursrechtelijke zaken), tenzij anders aangegeven.

7.2

De voorschriften over de wijze van administratie van de zaken bij de gerechten zijn opgenomen in paragraaf 5 (artikel 13 e.v.) BODG. Artikel 13 lid 1 BODG verplicht de gerechten een administratie van aanhangige zaken bij te houden, waarin de namen van partijen en, indien van toepassing, hun advocaten zijn opgenomen en waarin wordt vermeld welk zaaknummer elke zaak gekregen heeft en hoe de procedure verloopt. Genoemd artikellid luidt als volgt48:

“Artikel 13

1. Het bestuur van een gerecht draagt zorg voor een deugdelijke administratie van de bij het gerecht aanhangige zaken, met dien verstande dat deze administratie tenminste voldoet aan de volgende eisen:

a. de rol deel uitmaakt van de administratie en dat inschrijving ter rolle gebeurt door inschrijving in de administratie;

b. zaken worden ingeschreven in de volgorde waarin zij worden aangebracht;

c. elke zaak een afzonderlijk nummer wordt toegekend;

d. bij elke zaak tenminste worden vermeld de namen van de partijen en, indien van toepassing, van de advocaten of gemachtigden, en

e. bij elke zaak aantekening wordt gehouden van het verloop van de procedure en van hetgeen verder dienstig wordt geacht.”

7.3

Artikel 15 BODG49 bevat daarnaast voorschriften over de wijze waarop de op grond van artikel 13 BODG geregistreerde gegevens openbaar moeten worden gemaakt:

“Artikel 15

1. Het bestuur van een gerecht draagt er zorg voor dat tijdig voor elke openbare zitting een overzicht van de te behandelen zaken beschikbaar is, onder vermelding van:

a.de zaken die ter zitting zullen worden behandeld, en

b.de namen van de behandelende rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.

2. Het in het eerste lid bedoelde overzicht kan ook elektronisch beschikbaar worden gesteld.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bestuur ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen, geen of een beperkt overzicht ter beschikking stellen.

4. Indien de zaken gereed zijn voor voordracht, gebeurt dit in de volgorde waarin zij op de rol voorkomen.

5. Indien de behandelend rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast dit noodzakelijk acht in verband met de spoedeisendheid van een zaak, kan deze zaak worden voorgedragen in afwijking van de volgorde op de rol.”50

7.4

Aan het bepaalde in artikel 15 BODG wordt in de praktijk uitvoering gegeven doordat de griffie van het gerecht vóór de rolzitting een uittreksel uit de rol maakt,51 dat ter inzage wordt gelegd.

7.5

Van belang is verder dat het derde lid uitdrukkelijk bepaalt, dat de gegevens die op de rol staan genoteerd, niet in alle gevallen bekend worden gemaakt. Dat gebeurt niet indien zwaarwegende belangen van anderen, waaronder partijen, zich daartegen verzetten. Het kan daarbij gaan om, onder meer, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken procespartijen, of om de veiligheid van de betrokken procespartijen dan wel de behandelende rechters.52

7.6

Met het oog op inwerkingtreding van de KEI-wetgeving, waarin de rolzitting werd afgeschaft, is de tekst van artikel 15 BODG in 2016 daarop aangepast.
In de Nota van Toelichting bij deze wijziging zijn enkele opmerkingen gemaakt over de toegankelijkheid van informatie over aanhangige zaken. Daaruit blijkt dat uitdrukkelijk rekening is gehouden met de mogelijkheid dat advocaten zaken willen observeren waarbij hun cliënt nog geen partij is. In de Nota van Toelichting is daarover het volgende opgenomen:53

“Met de komst van het digitale systeem van gegevensverwerking worden de te behandelen zaken ook niet meer voorgedragen op de rol en heeft het beschikbaar stellen van een als agenda fungerend overzicht van die zaken voor elke openbare zitting geen zin meer. Toch bestaat nog behoefte aan een digitaal roljournaal voor het in de praktijk gangbare observeren van zaken door advocaten van wie de cliënt (nog) geen partij is bij die zaak en dus via «Mijn Zaak» geen toegang heeft, maar die wel de procedure wil volgen. Hierbij kan worden gedacht aan een derde beslagene, die overweegt een vordering tot voeging of tussenkomst in te stellen. Artikel 15 (zie onderdeel C) wordt daarom zodanig aangepast dat het bestuur van een gerecht steeds een overzicht van de bij dat gerecht te behandelen zaken beschikbaar stelt.”

7.7

In de Nota van Toelichting wordt verder toegelicht dat het overzicht van aanhangige zaken niet op papier wordt verstrekt, maar enkel elektronisch beschikbaar zal zijn en wordt opgemerkt dat partijen die geen gebruik (kunnen) maken van de digitale weg, telefonisch bij de griffie van het gerecht de door hen gewenste informatie kunnen opvragen.

7.8

De Nota van Toelichting bevat vervolgens de volgende passage:54

“Op het overzicht van de bij een gerecht in behandeling zijnde zaken staat alleen het nummer waaronder die zaak bij het gerecht geregistreerd staat (het zaaknummer (…)) en de stand waarin de zaak zich in de procedure bevindt (…). Andere informatie, waaronder zaakinhoudelijke gegevens, kan niet uit het overzicht worden afgeleid. De stand van de procedure (…) geeft uitsluitend aan wat de volgende proceshandeling in een zaak is. Als bijvoorbeeld een advocaat voor zijn cliënt wil achterhalen of een procedure tussen twee of meer partijen aanhangig is, dan kan hij dit bij de griffie navragen. Voorstelbaar is dat hiervoor een centraal punt beschikbaar wordt gesteld. Desgewenst kunnen de gerechten er ook voor kiezen om advocaten of andere betrokkenen de mogelijkheid te geven om langs elektronische weg (bijvoorbeeld een specifieke functie binnen «Mijn Zaak» of via de automatische systeemkoppeling) navraag te doen. Met deze bepaling blijft de huidige praktijk van het observeren van (andermans) zaken gehandhaafd.”

7.9

Als gezegd ziet artikel 15 BODG-KEI erop dat na de invoering van KEI bij de gerechten steeds een elektronisch overzicht van de aanhangige zaken beschikbaar moet zijn. Bij de invoering daarvan is, zo blijkt uit het eerste citaat, overwogen dat deze informatie beschikbaar zal moeten worden gesteld middels een op het huidige Roljournaal gelijkend systeem, ten behoeve van degenen die niet via ‘Mijn Zaak’ inzicht hebben in het verloop van een procedure. Het gaat hier, gelet op het in de toelichting gegeven voorbeeld van de derde-beslagene, om een bredere categorie personen dan de beoogde procespartijen: die worden immers opgeroepen en krijgen daarna toezicht tot ‘Mijn Zaak’, waarin zij het verloop van de zaak waarin zij zijn opgeroepen kunnen zien. Het overzicht van aanhangige zaken wordt dus verstrekt ten behoeve van derden, die niet bij de zaak betrokken zijn (maar die zich eventueel wel zouden willen voegen of tussenkomen).

7.10

Ook in het tweede citaat gaat het om het observeren van zaken. In dat verband wordt opgemerkt dat het alleen ter beschikking stellen van het in artikel 15 BODG-KEI bedoelde overzicht niet altijd voldoende zal zijn, omdat hierin alleen het zaaknummer wordt weergegeven, en de volgende proceshandeling die in die zaak moet worden verricht. Er wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat advocaten meer informatie willen, en bijvoorbeeld willen weten of tussen bepaalde partijen een procedure aanhangig is. Volgens de toelichting moeten zij dit bij de griffie kunnen navragen, of kan daarvoor een digitale voorziening worden getroffen. In de toelichting wordt overwogen dat hiervoor een centraal punt zou kunnen worden ingericht.

7.11

Hoewel in de hierboven geciteerde Nota van Toelichting door de Minister is verwoord dat anderen dan de (beoogde) procespartijen en hun advocaten belang kunnen hebben bij informatie over aanhangige procedures, is de context van de geciteerde passages over het doen van navraag toch vooral het handhaven van de al bestaande mogelijkheid van het observeren van zaken. M.i. biedt het BODG of de toelichting op het BODG-KEI dan ook geen uitdrukkelijke (wettelijke) basis voor het telefonisch verstrekken van informatie over aanhangige procedures in het algemeen aan derden (waaronder advocaten van derden) die niet zelf bij die procedures zijn betrokken.

8. Andere mogelijke grondslag voor het verstrekken van informatie over lopende procedures: openbaarheid als beginsel van behoorlijke rechtspleging

8.1

Openbaarheid is een beginsel van behoorlijke rechtspleging, dat zowel ziet op de behandeling ter zitting als op de uitspraak. Openbaarheid maakt de deugdelijkheid van de rechtsgang transparant en controleerbaar voor de individuele procespartijen én voor het publiek, en vormt een bescherming tegen willekeur en partijdigheid. Door openbaarheid kan wantrouwen worden weggenomen; het beginsel fungeert dan als voorwaarde voor het vertrouwen in de rechtspraak. Openbaarheid van de uitspraak heeft verder betekenis voor de rechtsvorming.55
Het EHRM heeft de betekenis van openbaarheid meermalen als volgt geformuleerd:

“The Court reiterates that the public character of proceedings before the judicial bodies referred to in Article 6 § 1 protects litigants against the administration of justice in secret with no public scrutiny; it is also one of the means whereby confidence in the courts, superior and inferior, can be maintained. By rendering the administration of justice visible, publicity contributes to the achievement of the aim of Article 6 § 1, namely a fair trial, the guarantee of which is one of the fundamental principles of any democratic society, within the meaning of the Convention (…).”56

8.2

Het uitgangspunt van openbaarheid is al bijna respectievelijk meer dan twee eeuwen in de Nederlandse wet verankerd: het voorschrift van openbaarheid van de uitspraak is in 1814 in de Grondwet opgenomen; de Wet op de Rechterlijke Organisatie bevatte in 1838 in art. 20 RO het voorschrift van openbaarheid van behandeling.57

(i) Openbaarheid van zitting/behandeling 58

8.3

Het recht op een openbare zitting is neergelegd in verschillende Nederlandse wetsartikelen, namelijk in art. 121 Gw, art. 4 RO, en (voor de civiele procedure) art. 27 Rv. Deze bepalingen luiden alle drie iets anders, maar stemmen inhoudelijk overeen59:

121 Gw

“Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.”

Art. 4 RO

“1. Tenzij bij de wet anders is bepaald, zijn, op straffe van nietigheid, de zittingen openbaar.

2. Om gewichtige redenen kan het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk plaatsvinden met gesloten deuren. In het proces-verbaal van de zitting worden de redenen vermeld.

3. Indien in zaken betreffende het personen- en familierecht of waarop artikel 803 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing is de zitting geheel of gedeeltelijk openbaar is, worden in het proces-verbaal van de zitting de redenen daarvoor vermeld.”

Art. 27 Rv

“1. De zitting is openbaar. De rechter kan evenwel gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren of slechts met toelating van bepaalde personen bevelen:

a. in het belang van de openbare orde of de goede zeden,

b. in het belang van de veiligheid van de Staat,

c. indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen, of

d. indien openbaarheid het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.

2. Indien iemand op een zitting de orde verstoort, kan de rechter hem laten verwijderen.”

8.4

Het recht op een openbare zitting/behandeling is daarnaast neergelegd in art. 6 lid 1 EVRM. Dit artikellid luidt, in de oorspronkelijke Engelse tekst, als volgt:

Article 6 Right to a fair trial

“1. In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law. Judgment shall be pronounced publicly but the press and public may be excluded from all or part of the trial in the interests of morals, public order or national security in a democratic society, where the interests of juveniles or the protection of the private life of the parties so require, or to the extent strictly necessary in the opinion of the court in special circumstances where publicity would prejudice the interests of justice.”

8.5

Uit de eerste volzin blijkt dat art. 6 EVRM zowel een mondelinge behandeling (‘hearing’) als de openbaarheid daarvan (‘public’) garandeert, waarbij de openbaarheid in de eerste plaats vorm krijgt door de aanwezigheid van de pers en het publiek bij de zitting.60 Uit de tweede volzin van art. 6 lid 1 EVRM blijkt verder dat openbaarheid van de zitting uitgangspunt is, maar dat hierop uitzonderingen mogelijk zijn in de in het artikel limitatief opgesomde gevallen. Deze, en de in de Nederlandse wetgeving opgenomen, uitzonderingen komen hierna onder 8.11 e.v. aan de orde.

8.6

Dat het publiek en de pers bij de zitting aanwezig moeten kunnen zijn, impliceert dat tijdig en op adequate wijze bekend is dat een zitting plaatsvindt, en waar en wanneer die zal zijn. Dat strookt met het uitgangspunt van het EHRM, dat het EVRM rechten beoogt te bieden die “not theoretical or illusory, but practical and effective” zijn. Dat is in het bijzonder van belang met betrekking tot art. 6 lid 1 EVRM, gezien de prominente rol die het recht op een eerlijk proces speelt in een democratische samenleving, aldus het EHRM.61

8.7

In twee uitspraken, die hierna worden besproken, heeft het EHRM overwogen dat en hoe het publiek moet worden meegedeeld dat een zitting wordt gehouden. Hoewel beide uitspraken strafzaken betreffen, zijn deze ook voor civiele zaken relevant. Art. 6 lid 1 EVRM maakt wat de daarin neergelegde waarborgen betreft geen onderscheid tussen strafzaken en civiele zaken.62 Het uitgangspunt van openbaarheid van de zitting geldt in beide soorten zaken63, waarmee de uitspraken van het EHRM in strafzaken dus ook van belang zijn voor dit onderzoek.

8.8

De zaak Riepan t. Oostenrijk64betrof een zitting in een strafzaak, waarin de verdachte gedetineerd was en de zitting in de gevangenis werd gehouden. De verdachte klaagde bij het EHRM dat de zitting niet openbaar was geweest, omdat het publiek weliswaar formeel was toegelaten, maar praktisch gezien geen toegang had tot de zitting. Het EHRM overwoog vervolgens dat een zitting slechts als openbaar kan worden beschouwd als deze niet alleen wordt gehouden in een voor het publiek toegankelijke ruimte, maar ook als het publiek kan achterhalen waar en wanneer een zitting plaatsvindt (curs. A-G):

“29. Nevertheless, it must be borne in mind that the Convention is intended to guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are practical and effective (see the Artico v. Italy judgment of 13 May 1980, Series A no. 37, pp. 15-16, § 33). The Court considers that a trial complies with the requirement of publicity only if the public is able to obtain information about its date and place and if this place is easily accessible to the public. In many cases these conditions will be fulfilled by the simple fact that a hearing is held in a regular courtroom large enough to accommodate spectators. (…)”65

Wanneer, zo vervolgt het EHRM, een zitting in een niet (eenvoudig) voor het publiek toegankelijke locatie zoals een gevangenis wordt gehouden, moeten aanvullende maatregelen worden genomen om te zorgen dat het publiek en de media op adequate wijze over de zitting worden geïnformeerd en ‘effectieve toegang’ krijgen. Daaraan was in de zaak Riepan niet voldaan: de zitting was weliswaar aangekondigd in een wekelijks overzicht van zittingen dat bij de rechtbank ter inzage lag en aan de media werd verstrekt, maar dat was gelet op het feit dat de zitting in de gevangenis werd gehouden niet voldoende.66 Van belang is dat niet alleen juridische, maar (juist) ook feitelijke obstakels voor het bijwonen van een zitting een schending van het beginsel van een openbare behandeling kunnen opleveren, zo benadrukt het EHRM.

8.9

In de zaak Luchaninova t. Oekraïne67had een (straf)zitting plaatsgevonden in een voor het publiek niet toegankelijke kliniek, zonder dat de zitting van tevoren was aangekondigd en zonder dat daarbij anderen dan de betrokkenen aanwezig mochten zijn. Het EHRM achtte die gang van zaken niet verenigbaar met art. 6 lid 1 EVRM:

“56. The Court observes that, although public access to the hearing at issue was not formally excluded, the circumstances in which the hearing was held constituted a clear obstacle to its public character. First, the hearing was held in a clinic with restricted access. Secondly, the trial court did not allow persons other than those participating in the proceedings to remain in or enter the room in which it was held. Thirdly, it does not appear that there was any public information about the date and place of the hearing.”

Uit deze rechtsoverweging blijkt andermaal dat, om van een openbare zitting te kunnen spreken, mede van belang is of het publiek op de hoogte is gebracht van de plaats en het tijdstip van de zitting.

8.10

In Nederland wordt, zoals hierboven aan de orde is geweest, op dit moment voor verreweg de meeste zaken nog (steeds) niet publiekelijk aangekondigd dat er zittingen zijn, ook niet geanonimiseerd.

Uitzonderingen op openbaarheid van behandeling

8.11

Op het uitgangspunt van openbaarheid van behandeling bestaan algemene uitzonderingen, die in alle soorten zaken kunnen worden toegepast (art. 4 lid 2 RO en art. 27 lid 1 Rv). De algemene uitzonderingen op het beginsel van openbaarheid in art. 27 lid 1 Rv zijn ontleend aan art. 6 lid 1 EVRM.68 Daarom zal bij de bespreking van deze uitzonderingen ook de EHRM-rechtspraak worden betrokken.

8.12

Daarnaast bestaan er specifieke uitzonderingen voor bepaalde categorieën van zaken, zoals zaken waarbij minderjarigen zijn betrokken (art. 803 Rv).69 Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat het verenigbaar is met art. 6 lid 1 EVRM om een bepaalde categorie van zaken altijd met gesloten deuren te behandelen, zo lang de rechter maar de mogelijkheid heeft om daarvan in individuele gevallen af te wijken.70

8.13

In de parlementaire geschiedenis van art. 27 Rv is nader toegelicht wanneer de uitsluitingsgronden van lid 1 zouden kunnen worden toegepast.71
Met betrekking tot de openbare orde of goede zeden (art. 27 lid 1 aanhef en onder a. Rv) wordt opgemerkt dat in het concrete geval ter beoordeling van de rechter staat onder welke omstandigheden deze gronden tot beperking van de openbaarheid aanleiding geven. Vervolgens wordt als voorbeeld genoemd dat de openbare orde of goede zeden in zaken van smaad of laster, afhankelijk van de aard van de beschuldigingen, kunnen meebrengen dat getuigenverhoren niet in het openbaar plaatsvinden.

8.14

De veiligheid van de Staat (art. 27 lid 1 aanhef en onder b. Rv) kan zich volgens de toelichting onder omstandigheden verzetten tegen een openbare behandeling van zaken betreffende aankopen van defensiematerieel, waarbij militaire gegevens een rol kunnen spelen, of ook als het gaat om kwesties waarbij een inlichtingendienst is betrokken.72
Ook in de rechtspraak van het EHRM is benadrukt dat het enkele feit dat in een bepaalde zaak geheime informatie een rol speelt, niet automatisch het behandelen van die zaak achter gesloten deuren rechtvaardigt: steeds zal de rechter moeten afwegen of dat nodig is met het oog op het betrokken belang, en zal hij de maatregel moeten beperken tot wat noodzakelijk is om dat belang te beschermen.73

8.15

Art. 27 lid 1 aanhef en onder c. Rv bepaalt dat de rechter gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren of slechts met toelating van bepaalde personen kan bevelen indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen.
Over de belangen van minderjarigen wordt in de toelichting alleen vermeld dat in zaken betreffende minderjarigen behandeling met gesloten deuren al snel aangewezen zal kunnen zijn omdat voor minderjarigen een verschijning ter terechtzitting reeds snel een zeer belastende ervaring kan zijn.
Dat behandeling achter gesloten deuren in beginsel gerechtvaardigd is waar de belangen van minderjarigen aan de orde zijn, blijkt ook uit art. 6 lid 1 EVRM zelf en uit rechtspraak van het EHRM.74

8.16

Met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer van de partijen kan volgens de parlementaire geschiedenis worden gewezen op zaken waarin (gevoelige) medische gegevens of gegevens betreffende de seksuele geaardheid een rol spelen. Zoals nader in de memorie van toelichting uiteengezet, kan het ook gaan om vertrouwelijke bedrijfs- of financiële gegevens van natuurlijke personen of rechtspersonen.75 De wet voorziet reeds in dergelijke uitzonderingen zoals bijvoorbeeld in art. 4 lid 1 Faillissementswet (Fw), op grond waarvan een verzoek tot faillietverklaring achter gesloten deuren wordt behandeld.

8.17

In art. 6 lid 1 EVRM en art. 27 lid 1 Rv wordt enkel gesproken over de persoonlijke levenssfeer van partijen zelf. Het EHRM heeft echter geoordeeld dat ook met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen van het uitgangspunt van openbaarheid kan worden afgeweken, zoals bijvoorbeeld de persoonlijke levenssfeer van getuigen76 of patiënten in geval van een medische tuchtzaak.77
Omgekeerd kan het belang van een openbare rechtspraak ook een rechtvaardiging vormen voor een inmenging in de persoonlijke levenssfeer, zo heeft het EHRM geoordeeld in zaken betreffende art. 8 EVRM. Wel moet dan steeds worden onderzocht of die inmenging noodzakelijk is om dat belang te beschermen, waarbij de rechter een beoordelingsmarge toekomt om deze belangen tegen elkaar af te wegen.78

8.18

In welke gevallen kan worden gesproken van een risico dat openbaarheid van de zitting het belang van de rechtspleging ernstig zou schaden (art. 27 lid 1 aanhef en onder d. Rv), is ook volgens de wetgever moeilijk concreet te maken. Een mogelijk voorbeeld, dat in de Nota naar aanleiding van het Verslag wordt genoemd, betreft de openbare behandeling van een wrakingsverzoek waarin ernstige beschuldigingen worden geuit tegen een of meer leden van de rechterlijke macht die zo weinig gesubstantieerd zijn dat daartegen niet op eenvoudige wijze verweer kan worden gevoerd.79

(ii) Openbaarheid van de uitspraak

8.19

Zoals eerder besproken, garandeert art. 6 lid 1 EVRM zowel een openbare zitting als een openbare uitspraak. Dit recht is ook verankerd in art. 121 Gw, art. 5 RO en art. 29 Rv. M.i. speelt het aspect van openbaarheid van de uitspraak een ondergeschikte rol bij de vraag of gegevens over aanhangige zaken openbaar moeten worden gemaakt. De uitspraak is immers het sluitstuk van een lopende procedure.

8.20

Wel kan bij het antwoord op de vraag op welke wijze gegevens over aanhangige zaken bekend moeten worden gemaakt, de handelwijze bij het verstrekken van een afschrift van een uitspraak op de voet van art. 29 leden 2 en 4 Rv worden betrokken alsmede de Anonimiseringsrichtlijnen van de Rechtspraak, die worden gehanteerd bij de publicatie van uitspraken.

8.21

In art. 29 lid 2 Rv is bepaald dat wanneer zwaarwegende belangen van partijen of anderen dat vereisen, het aan derden te verstrekken afschrift van een uitspraak kan worden geanonimiseerd, of dat daarvan een uittreksel kan worden verstrekt. Ook kan de griffier weigeren een afschrift te verstrekken. Het is aan de griffier om te beoordelen of hiervoor aanleiding bestaat; dat partijen zelf bezwaar hebben tegen verstrekking van een afschrift aan derden is onvoldoende reden om dat te weigeren.80 Van zaken die achter gesloten deuren zijn behandeld, wordt de uitspraak niet verstrekt (lid 4).

8.22

Alle op www.rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken worden geanonimiseerd volgens de Anonimiseringsrichtlijnen.81 Die houden, kort gezegd, in dat in beginsel alle gegevens van natuurlijke personen worden geanonimiseerd,82 tenzij zij professioneel bij de procedure waren betrokken (bijvoorbeeld als advocaat). Daarbij gaat het om hun namen, maar ook om hun adressen, geboortedata en om andere gevoelige gegevens zoals burgerservicenummers en paspoortnummers. Deze worden vervangen door een neutrale term die de rol van de weggelaten tekst aangeeft, zoals [eiser], [gedaagde], [adres] et cetera. Andere gegevens aan de hand waarvan personen zouden kunnen worden geïdentificeerd (en die dus onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens gelden), worden niet standaard geanonimiseerd; te denken valt aan uiterlijke kenmerken en sociale en economische kenmerken zoals beroep, inkomen en opleiding. Dat leidt er soms toe dat de betrokkenen aan de hand van die gegevens alsnog kunnen worden geïdentificeerd. Een andere benadering is echter moeilijk denkbaar zonder dat de uitspraak onbegrijpelijk wordt.83 Gegevens van rechtspersonen worden in beginsel niet geanonimiseerd, tenzij die herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon.

8.23

Het recht op openbaarheid van de uitspraak biedt m.i. dus geen grondslag voor een recht op informatie over aanhangige zaken, maar de keuzes die in verband met openbaarheid van de uitspraak zijn gemaakt, zijn wel informatief. Analoog aan genoemde bepalingen zou met betrekking tot het geven van informatie over lopende zaken in voorkomende gevallen geen, of slechts beperkte (geanonimiseerde) informatie kunnen worden verstrekt. Een dergelijke benadering past in de bestaande wet- en regelgeving.

9 Vergelijking met internationale en buitenlandse gerechten

9.1

Voor de gedachtevorming over het antwoord op de centrale vraag van dit onderzoek is van belang hoe gerechten buiten Nederland omgaan met informatie over lopende procedures. Allereerst is gekeken naar het beleid van het EHRM en het HvJ EU.
Verder is informatie opgevraagd van gerechten van (voormalige) EU-lidstaten, omdat zij zowel aan het EVRM als de AVG zijn gebonden zijn (of dat tot voor kort waren). De informatie is verkregen door middel van een uitvraag in het liaison-netwerk van de Europese Commissie voor Democratie door Recht (Commissie van Venetië) van de Raad van Europa, waarvan de Hoge Raad deel uitmaakt.
Tot slot is eigen onderzoek gedaan naar de gang van zaken in de ons omringende landen.

Beleid internationale gerechten
EHRM

9.2

Het EHRM maakt vrijwel alle informatie over aanhangige zaken op zijn website bekend. Zo publiceert het EHRM een voorlopige lijst van geplande zittingen,84 waarbij de partijnamen voluit worden genoemd, ook die van natuurlijke personen (tenzij een verzoek tot anonimiteit is gedaan, dat echter niet altijd wordt toegewezen).85 Ook staat op de website een overzicht van de bij de Grote Kamer aanhangige zaken, waaruit het procesverloop in deze zaken blijkt.86 Verder zijn zittingen online te volgen. Uitspraken worden in beginsel evenmin geanonimiseerd, tenzij een verzoek om anonimiteit is toegewezen.87

9.3

Dit alles is gebaseerd op art. 40 EVRM, dat is toegevoegd bij het 11e Protocol bij dat Verdrag. Dit artikel luidt in de authentieke Engelse tekst als volgt:

ARTICLE 40 Public hearings and access to documents

“1. Hearings shall be in public unless the Court in exceptional circumstances decides otherwise.

2. Documents deposited with the Registrar shall be accessible to the public unless the President of the Court decides otherwise.”

9.4

Uit deze bepaling blijkt dat niet alleen de zittingen openbaar zijn, maar ook alle bij de griffier van het hof ingediende documenten.88 In de op art. 40 EVRM gebaseerde Rules of Court is bepaald dat toegang tot de documenten door de president van de betrokken Kamer kan worden beperkt op de gronden die art. 6 lid 1 EVRM noemt voor het houden van een zitting achter gesloten deuren, waaronder dus ook de bescherming van de privacy van partijen. 89

HvJ EU

9.5

Net als het EHRM publiceert het HvJ EU op zijn website een agenda van zittingen.90 Tot 1 juli 2018 werden daarin de partijnamen voluit genoemd. Sindsdien is het HvJ EU er toe overgegaan om in publicaties over prejudiciële zaken de namen van natuurlijke personen te vervangen door willekeurige initialen, dit met het oog op de inwerkingtreding van de AVG.91
Het register van zaken is doorzoekbaar op partijnaam, waarna een overzicht van zowel afgesloten als aanhangige zaken wordt getoond.92 Op die manier is het verloop van aanhangige zaken te volgen, en is bekend wanneer daarin zittingen plaatsvinden.

Uitvraag liaison-netwerk

9.6

Bij de uitvraag in het liaison-netwerk van Commissie van Venetië is de Nederlandse gang van zaken uitgelegd en is het volgende gevraagd:

“1. Can others than those directly involved in a specific case (the parties to that case and their lawyers) have access to information regarding pending civil cases in your country?
en
2. Is it possible to discover whether cases are pending between certain parties, which case number these have, and whether hearings are planned in these cases? If this information is not directly available (for instance online or via a public register), do courts provide it on request? If so, do conditions apply, such as that one should have a legitimate interest in receiving this information, or that there are no privacy concerns?”

9.7

Een aantal landen heeft beschreven hoe de toegang tot informatie over aanhangige zaken in de nationale wetgeving is neergelegd. Het valt op dat verschillende landen daarvoor een uitgewerkte procedure in wet- of regelgeving hebben. De hierna weergegeven citaten zijn steeds ontleend aan de antwoorden van de liaison officers.

9.8

Zo staat in Spanje93 het beginsel van openbare rechtspraak in art.120 van de Grondwet, maar is dit nader uitgewerkt in de Ley Orgánica 6/1985 del Poder Judicial (Organic Law on the Judiciary, de Spaanse wet op de rechterlijke organisatie). In art. 234 lid 1 van deze wet staat beschreven dat belanghebbenden toegang hebben tot informatie over lopende zaken:

“(…) Judicial Administration Clerks and competent civil servants within Judicial Offices shall provide all interested parties with as much information as they request regarding the state of the legal proceedings, which they may examine and study, except where they are or have been declared secret in accordance with the law. Indeed, this kind of knowledge, considered to be particular information, will be provided by the Court Registrars to the interested parties and to any person who claims a legitimate and direct interest in any information on the current stage of court proceedings, as long as they have not been declared secret and confidential (paragraph 4 of article 454 of the Organic Law on the Judiciary and paragraph 1 of article 140 of the Law 1/2000, of 7 January, on Civil Procedure).”

Belanghebbenden zijn volgens art. 234 lid 2 van de wet ‘parties and any individual who accredit a direct and legitimate interest’. Verder worden procedures in Spanje aangekondigd, doordat aan het begin van elke werkweek een overzicht van de aankomende zittingen op een ‘zichtbare plaats’ wordt gepubliceerd.94 Hierbij worden geen partijnamen vermeld.

9.9

In Polen95 is het beginsel van openbare rechtspraak (neergelegd in art. 9 (1) van het Poolse wetboek van burgerlijke rechtsvordering) uitgewerkt in de Rules of Procedure for Common Courts van 18 juni 2019. Deze wetgeving verplicht de gerechten om zittingen aan te kondigen. Dat gebeurt door de informatie over de zittingen (waaronder partijnamen, tenzij bijzondere (privacy)belangen anonimisering rechtvaardigen) buiten de zittingszaal op papier of op een scherm te tonen.

“In accordance with the Minister of Justice's regulation of 18 June 2019 – the Rules of Procedure for Common Courts, court dockets are prepared in a paper form or displayed in an electronic form in front of a relevant courtroom (§ 92). A court docket (from a public hearing or a sitting) contains, inter alia, first names and surnames, as well as business names of parties to and/or participants in proceedings (§ 93(1)). Due to the protection of morality, state security and public order as well as due to the protection of private life or another important personal interest, and in particular the good of a minor affected by a criminal offence, a court docket does not mention first names and surnames of parties to and/or participants in non-contentious proceedings or of other summoned persons. In such a situation, only the initials of those persons are mentioned or no personal data identifying those persons are given (§ 93(4)). A decision within this scope is taken by the presiding judge of a court division, the presiding judge of a court session or at a hearing, or a judge who has been assigned a case (§ 94(1)).
In a situation where court dockets are published on the websites of courts – the personal data of parties to and participants in proceedings are not, however, presented there (§ 94(2)).”

9.10

Er wordt ook op telefonisch verzoek informatie verstrekt, mits men een zaaknummer weet of een partijnaam en het onderwerp van de zaak.

“Pursuant to § 123 of the said regulation, the employees of courts – by phone, and without determining the identity of callers – impart the following non-confidential information in cases that are pending:

1) information which are equivalent to the information provided in a court docket;

2) the date and mode of determining a given case.

However, a prerequisite for obtaining the above-mentioned information is for a caller to indicate:

1) a case reference number or

2) the indication of the parties to and/or at least one participant in non-contentious proceedings as well as the subject-matter of a case.

The other information is, in principle, imparted only to persons who are parties to or participants in proceedings, their representative, attorney or defence counsel, after an appropriate verification of those persons' identity (by means of “remote communication” e.g. as a result of a query filed electronically and signed with a qualified electronic signature and/or after the verification of the telephone number and the confirmation of the caller's identity).”

9.11

Daarnaast houden (sommige) Poolse gerechten online een zittingsagenda bij. Zie bijvoorbeeld de agenda van de Arrondissementsrechtbank te Warschau, waarin geen partijnamen staan vermeld.96

9.12

In Slowakije97is de toegang tot zittingsinformatie eveneens in de wet uitgewerkt, namelijk in art. 82ba van de Law on Courts. Deze wet bepaalt dat de gerechten zittingslijsten publiceren, met daarop onder andere ook de partijnamen:

“Section 82ba of the Law on Courts (no. 757/2004) stipulates that all general courts publish lists of cases to be heard. With respect to each case these lists contain a) date and type of court hearing; b) information about parties to proceedings, i. e. names, surnames, academic titles of natural persons and legal/business names of legal entities; c) case number; d) case subject matter.

The information regarding cases to be heard should be available in court buildings and on the website of the Ministry for Justice of the Slovak Republic (the ˈMinistryˈ).”

Op de website van het Slowaakse Ministerie van Justitie is een agenda te raadplegen van alle zittingen die bij de Slowaakse gerechten plaatsvinden.98 Daarbij worden ook partijnamen genoemd, inclusief die van natuurlijke personen, en andere persoonsgegevens waaronder academische titels.99 Naast de genoemde wetgeving, vormt ook de Law on Freedom of Information een grondslag voor het verstrekken van zittingsinformatie, met uitzondering van persoonsgegevens over de partijen:

“The Law on Freedom of Information (no. 211/2000) stipulates that any person may request any public body for information pertinent to discharging their powers provided that personal data be protected. One of the exceptions to this rule is that courts may refuse to grant the request if it concerns their ˈdecision-making actsˈ.

Pursuant to the Supreme Court case-law on freedom of information, any person may request lists of cases pending before courts and courts are obliged to grant the request as it does not fall within the scope of their decision-making acts. Nevertheless, the courts may not disclose any personal data when granting such requests (cases nos. 10Sžik/3/2017, 3Sži/28/2013). It follows that courts may not reveal personal data of parties to court proceedings according to the Law on Freedom of Information.”

9.13

In Zweden100kan een ieder contact opnemen met een gerecht voor informatie over aanhangige zaken tussen bepaalde partijen. Partijnamen worden slechts dan niet openbaar gemaakt indien de betreffende partij een geheime identiteit heeft. Zaaknummers worden altijd verstrekt evenals de planning van zittingen. De verzoeker behoeft geen belang bij de informatie te stellen en komt bovendien een recht op anonimiteit toe. Dit alles is gebaseerd op het beginsel van:

“(…) public access to information which means that the public is entitled to transparency regarding the activities of public authorities, such as courts. The principal of public access to information manifests in various ways, for example through public access to official documents and public access to court hearings. The fundamental provisions on public access to official documents are found in the Freedom of the Press Act. In principle, everyone is entitled to read, and get a copy of, official documents held by a court and this includes official documents in pending civil cases. All the documents that the parties and their representatives send to the court become official documents as well as the court’s own correspondence with the parties and the court’s decision(s) in the case. This means that the public can access the documents and thereby gain information about the case. However, the right to access to official documents is restricted when information in the documents is classified as secret. The provisions regarding the extent to which official documents may be subject to secrecy are contained in the Public Access to Information and Secrecy Act. In conclusion, the public can access information about pending civil cases as long as the information is not classified as secret by law.”101

9.14

In Tsjechië102 bestaat eveneens een freedom of information-wet (Law No. 106/1999 Coll). Op grond van deze wet kan bepaalde informatie aangaande de rechterlijke macht worden opgevraagd. Gerechten zullen echter geen informatie vrijgeven over de rechterlijke besluitvorming:

“In compliance with Law No. 106/1999 Coll., on free access to information, it is possible to request certain information regarding the judiciary. The courts will not, however, provide any information on decision-making, except for judgments (Art 11 para 4 (b)).”

Verder kan men via de website infoJednani103nagaan welke zitting op een bepaalde dag in een bepaald gerechtsgebouw plaatsvindt. Ook kan via de website InfoSoud104 op zaaknummer worden gezocht, waarna de voortgang in deze zaak wordt getoond. Daarbij worden geen partijnamen getoond. Op geen van beide websites kan op partijnaam worden gezocht.

9.15

Tegelijkertijd wordt opgemerkt dat informatie over lopende zaken, waaronder of tussen bepaalde partijen een zaak aanhangig is, wanneer daarin zittingen gepland staan en welk zaaknummer die gekregen hebben, niet wordt verstrekt.

“Such information is not publicly available and may not be requested. If serious interest is proven, the president of the court may allow for the consultation of the case file (Art 44 Civil Procedure Code). Even then, the person needs to know the case file number.”

Overige landen

9.16

Naast de informatie die is verkregen door de uitvraag in het liaison-netwerk, is door eigen onderzoek de volgende informatie verkregen over de gang van zaken in de ons omringende landen.

 In België wordt via het (vrij toegankelijke) portaal ‘Uw dossier’, na het invoeren van een gerecht en een datum, zaaknummer of kamer een overzicht van alle zittingen getoond, die op die datum en bij dat gerecht worden gehouden.105 Daarbij worden geen partijnamen getoond, maar wel zaaknummers.

 In Duitsland publiceren gerechten online een zittingsagenda, waarin het zaaknummer en het onderwerp van de te behandelen zaken worden genoemd. Partijnamen worden niet genoemd.106

 In Frankrijk kan de justitiabele de eigen zaak volgen via ‘Mon Espace’, een op het Nederlandse ‘Mijn Zaak’ gelijkend portaal.107 Voor zover ik heb kunnen nagaan worden geen online zittingsagenda’s gepubliceerd.

 In het Verenigd Koninkrijk worden telefonisch op verzoek gegevens verstrekt over lopende zaken, waaronder de zittingsdata, de partijnamen, de namen van de betrokken rechter en advocaten en het onderwerp van de zaak. Deze informatie wordt zowel aan journalisten als aan het algemene publiek verstrekt. Zij hebben ook toegang tot inhoudelijke documenten, zoals het claim form108waarin de vordering en de grondslag daarvan worden omschreven.109 Daarnaast publiceren gerechten zittingsagenda’s waarbij partijnamen voluit worden genoemd, behalve in familiezaken.110

Samenvatting

9.17

Uit dit overzicht blijkt dat de twee internationale gerechten (EHRM en HvJ EU) alsmede sommige landen (Zweden, Verenigd Koninkrijk, Slowakije) zeer transparant zijn. Andere landen nemen een middenpositie in door zittingsinformatie te publiceren met weglating van partijnamen (althans die van natuurlijke personen) (België, Duitsland, Tsjechië, Polen). Wat opvalt is dat in de meeste landen de rechterlijke instanties in elk geval een geanonimiseerde zittingsagenda online publiceren, zodat voor eenieder na te gaan is dat er op een bepaald moment en in een bepaalde plaats een zitting plaatsvindt, waarbij meestal ook het onderwerp van de zitting wordt vermeld.

9.18

Voor de volledigheid wijs ik nog op de Ali/Unidroit Principles of Transnational Civil Procedure111, waarin onder het kopje “20. Public Proceedings onder meer het volgende is opgenomen:

“20.1 Ordinarily, oral hearings, including hearings in which evidence is presented and in which judgement is pronounced, should be open to the public. Following consultation with the parties, the court may order that hearings or portions thereof be kept confidential in the interest of justice, public safety, or privacy.
20.2 Court files and records should be public or otherwise accessible to persons with a legal interest or making responsible inquiry, according to forum law.
20.3 In the interest of justice, public safety, or privacy, if the proceedings are public, the judge may order part of them to be conducted in private.”

9.19

In de toelichting bij art. 20 van de ALI - Unidroit Principles of Transnational Civil Procedure wordt opgemerkt dat de mate van transparantie in common law-landen over het algemeen groter is dan in civil law-landen. Ondanks deze verschillen beveelt art. 20.2 van de Principles aan dat ‘court files and records’ openbaar moeten zijn, of anders ten minste toegankelijk voor personen die daarbij een belang hebben of die een gemotiveerd verzoek (‘responsible inquiry’) doen.

10 De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)

10.1

In deze paragraaf wordt onderzocht of de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)112 aan het verstrekken van informatie over lopende procedures in de weg staat.

10.2

Krachtens art. 8 lid 1 EU-Grondrechtenhandvest en art. 16 lid 1 VWEU heeft eenieder recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. De AVG vormt daarvan een uitwerking: de verordening beoogt de rechten van natuurlijke personen bij de verwerking van hun persoonsgegevens te beschermen.113 De bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding, maar moet worden afgewogen tegen andere grondrechten en beginselen, waaronder het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht.114 In overweging 75 bij de AVG wordt duidelijk gemaakt waarom persoonsgegevens moeten worden beschermd. Dat is om te voorkomen dat als gevolg van onrechtmatige gegevensverwerking ernstige lichamelijke, materiële of immateriële schade ontstaat, waarbij kan worden gedacht aan discriminatie, identiteitsdiefstal of -fraude, financiële verliezen, reputatieschade, of verlies van vertrouwelijkheid van door het beroepsgeheim beschermde persoonsgegevens.

10.3

De AVG geldt ook voor verwerking van persoonsgegevens door de gerechten van de lidstaten. Dit volgt (i) uit het toepassingsbereik van de AVG, te weten dat de AVG voor een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens geldt, ongeacht de aard ervan; (ii) het ontbreken van een institutionele uitzondering voor de gerechten of voor andere specifieke instellingen van de staat, en (iii) de uitdrukkelijke vermelding in overweging 20 AVG dat de AVG “onder meer van toepassing is op de activiteiten van gerechten en andere rechterlijke autoriteiten”.115

10.4

De AVG is op 25 mei 2018 van toepassing geworden. De Verordening vervangt Richtlijn 95/46/EG (hierna ook: de Richtlijn), die in Nederland was omgezet in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Bij de inwerkingtreding van de AVG is de Wbp dan ook ingetrokken.116 De belangrijkste beginselen van de AVG waren reeds in de Richtlijn opgenomen.117 Veel literatuur over de Richtlijn en de Wbp blijft daarom relevant voor de AVG.

10.5

Het materiële toepassingsbereik van de AVG is vastgelegd in art. 2 lid 1:

“Deze verordening is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.”

De begrippen die in art. 2 lid 1 AVG worden gehanteerd, worden vervolgens gedefinieerd in art. 4 AVG.

10.6

Het begrip ‘persoonsgegevens’ wordt in art. 4 lid 1 AVG als volgt omschreven:

“persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;”

10.7

Met deze definitie is meteen een belangrijke beperking van het toepassingsbereik van de AVG gegeven: deze heeft alleen betrekking op gegevens van natuurlijke personen, en dus niet op gegevens van rechtspersonen.118 Verder is duidelijk dat de AVG op gegevens ziet aan de hand waarvan een natuurlijke persoon direct of indirect kan worden geïdentificeerd.119 Zo kan een persoon direct worden geïdentificeerd op basis van zijn naam, adres en geboortedatum, maar ook indirect, bijvoorbeeld aan de hand van een telefoonnummer, als dit aan zijn naam is te koppelen. Bij dit laatste is bepalend of de persoon aan de hand van deze gegevens ‘met redelijke middelen’ kan worden geïdentificeerd. Als dat kan, vallen ook dergelijke gegevens onder de AVG.120

10.8

De AVG is evenwel niet van toepassing op geanonimiseerde gegevens121, oftewel gegevens die helemaal niet meer aan een persoon zijn te koppelen. Wanneer dat nog wel kan, door middel van aanvullende gegevens, dan is geen sprake van anonimisering maar van ‘pseudonimisering’ en blijft de AVG van toepassing (art. 4 onder 5 AVG, en overweging 26).

10.9

Het is evident dat de namen van procespartijen die natuurlijke personen zijn als persoonsgegevens zijn aan te merken122, en dat dit tevens geldt voor zaaknummers voor zover deze zijn te herleiden tot procespartijen die natuurlijke personen zijn.

10.10

De definitie van ‘verwerking’ in art. 4 onder 2 AVG luidt als volgt:

“ „verwerking”: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;” (onderstreping A-G)

10.11

De verordening is dus in de eerste plaats van toepassing als persoonsgegevens (deels) geautomatiseerd worden verwerkt.123 Iedere handeling via ICT-middelen of internet is een geautomatiseerde verwerking.124 De AVG is daarnaast van toepassing als gegevens worden verwerkt die zijn opgenomen in een bestand, oftewel een ‘gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn’ (art. 4 onder 6 AVG). Gedacht kan worden aan een archiefkast waarin door middel van een kaartenbak gegevens kunnen worden gevonden.125 Ook een papieren dossier valt hieronder, mits de gegevens daarin volgens bepaalde criteria zijn gestructureerd.126

10.12

Uit de ruime definitie van het begrip ‘verwerking’ volgt dat het openbaar maken of verspreiden van persoonsgegevens een vorm van verwerking is.127
Dat onder de definitie van verwerking vele vormen van openbaar maken of verspreiden vallen, kan ook worden afgeleid uit de eerder genoemde128 conclusie van A-G Bobek bij een recente zaak die aan het HvJ EU was voorgelegd129 over het verstrekken aan de pers van bepaalde processtukken uit een lopende procedure130 bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze stukken, te weten een kopie van het beroepschrift, het verweerschrift en, in voorkomend geval, de bestreden rechterlijke beslissing, zijn bedoeld om de aanwezige journalisten te helpen bij het volgen van de zittingen. De stukken worden vervolgens na afloop van de zittingsdag vernietigd.131

10.13

Door het ter beschikking stellen van genoemde stukken had een journalist inzage in enkele persoonsgegevens, met name de naam en het adres van advocaat ‘X’ en het burgerservicenummer van burger Z. Burger Z beklaagde zich daarover bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Deze achtte zich op grond van artikel 55 lid 3 AVG niet bevoegd om toezicht te houden op naleving van de AVG door de rechterlijke macht.
Advocaat X en burger Z kwamen tegen deze beslissing op bij de rechtbank Midden-Nederland. Om te bepalen of de Autoriteit Persoonsgegevens daadwerkelijk niet bevoegd was om te beslissen op de verzoeken van X en Z, legde de rechtbank het HvJ EU onder meer de prejudiciële vraag voor welke uitleg moet worden gegeven aan artikel 55, lid 3 AVG, waarin is bepaald dat toezichthoudende autoriteiten niet competent zijn om toe te zien op verwerkingen door gerechten “bij de uitoefening van hun rechterlijke taken”.132

10.14

Het HvJ EU overwoog allereerst het volgende:

“37 Met betrekking tot een verwerking als die aan de orde in het hoofdgeding moet worden vast-gesteld dat, onverminderd de nakoming van de materiële verplichtingen uit hoofde van verordening 2016/679, onder meer verwerkingen van persoonsgegevens door gerechten in het kader van hun communicatiebeleid in zaken waarin zij uitspraak moeten doen, zoals die welke bestaan in het tijdelijk ter beschikking stellen aan journalisten van stukken uit een gerechtelijke procedure om hen in staat te stellen daarvan verslag te doen, op grond van artikel 55, lid 3, van deze verordening buiten de competentie van de toezichthoudende autoriteit vallen.
38 Het bepalen, gelet op het voorwerp en de context van een bepaalde zaak, welke informatie uit een dossier van een gerechtelijke procedure aan journalisten mag worden verstrekt met het doel hen in staat te stellen verslag uit te brengen over het verloop van de gerechtelijke procedure of bepaalde aspecten van een gewezen beslissing toe te lichten, houdt namelijk duidelijk verband met de uitoefening door die gerechten van hun „rechterlijke taken”. Het toezicht daarop door een externe autoriteit zou de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in het algemeen in gevaar kunnen brengen.”

Dat leidde tot de volgende beantwoording door het HvJEU van de prejudiciële vraag in rov. 39: Artikel 55, lid 3, van verordening 2016/679 moet aldus worden uitgelegd dat het tot de uitoefening door een gerecht van zijn „rechterlijke taken” in de zin van deze bepaling behoort om uit een gerechtelijke procedure afkomstige stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen tijdelijk ter beschikking te stellen aan journalisten om hen in staat te stellen beter verslag te doen van het verloop van die procedure.

10.15

In zijn heldere conclusie ging A-G Bobek als volgt nader in op de begrippen ‘persoonsgegevens’’ en ‘verwerking’ daarvan:

“45. Uit het procesdossier blijkt dat burger Z er aanstoot aan neemt dat drie processtukken fysiek zijn getoond aan journalist J om deze in staat te stellen beter verslag te doen van de zitting in de zaak tussen burger Z en burgemeester M. Zo zijn zonder toestemming van de betrokkene persoonsgegevens in (ten minste enkele van) die documenten verstrekt door de Raad van State als verwerkingsverantwoordelijke, zodat er sprake is van een (vermoedelijk onrechtmatige) verwerking in de zin van artikel 4, punt 2, AVG.

46. Er lijkt geen meningsverschil te bestaan over het feit dat de betreffende processtukken enkele persoonsgegevens in de zin van artikel 4, punt 1, AVG bevatten. Informatie, zoals de naam en het adres van advocaat X en het burgerservicenummer van burger Z, heeft duidelijk betrekking op „een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”.”

47. Partijen lijken evenmin te betwisten dat er sprake is van een „verwerking” in de zin van artikel 4, punt 2, AVG. Toch is dit een aspect dat tot twijfel zou kunnen leiden. Waarin bestond precies de specifieke verwerking die aanleiding gaf tot toepassing van de AVG?

48. De meest voor de hand liggende keuze in dit verband is het aan een derde door medewerkers van de Raad van State „verstrekken door middel van doorzending” van de documenten in kwestie. Deze zienswijze vindt steun in de rechtspraak aangezien het Hof heeft geoordeeld dat het verstrekken van persoonsgegevens een „verwerking” in de zin van artikel 4, punt 2, AVG vormt.”133

10.16

De vraag was vervolgens of het tonen van de processtukken een (deels) geautomatiseerd proces is als bedoeld in artikel 2, lid 1 AVG dan wel of de getoonde processtukken deel uitmaken van een bestand, zoals bedoeld in artikel 4, punt 6 AVG:

“49. Op grond van artikel 2, lid 1, AVG moet die activiteit echter, in elk geval gedeeltelijk, geautomatiseerd hebben plaatsgevonden. Het procesdossier rept niet over het eventuele gebruik van geautomatiseerde procedés bij die activiteit. In de huidige maatschappij zal er uiteraard op enig moment sprake zijn van gebruik van geautomatiseerde procedés. Aangezien rekening moet worden gehouden met de gehele keten van verwerkingen, geldt bovendien dat zodra iemand de processtukken in kwestie, op enig moment vóór de openbaarmaking ervan, heeft gescand, gekopieerd, afgedrukt, ge-e-maild of anderszins uit een databank heeft verkregen, die verwerking ten minste gedeeltelijk geautomatiseerd heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 2, lid 1, AVG.

50. Daarnaast zijn de persoonsgegevens kennelijk in elk geval verkregen uit het procesdossier zelf met het oog op de verstrekking ervan aan journalist J. Dit betekent logischerwijs dat de Raad van State een dergelijk dossier heeft samengesteld met behulp van een vorm van identificerende informatie (zaaknummer, datum van het geding of de namen van de betrokken partijen). Een dergelijk procesdossier is – per definitie zou men zelfs kunnen zeggen – een „bestand” in de zin van artikel 4, punt 6, AVG omdat het een gestructureerd geheel van (persoons)gegevens vormt die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn.

51. Zelfs als het element „geautomatiseerde” in de definitie van artikel 2, lid 1, AVG buiten beschouwing wordt gelaten, is het derhalve toch vrij duidelijk dat drie documenten die afkomstig en gekopieerd zijn uit een procesdossier van een nationale rechter, deel uitmaken van een bestand, met andere woorden het procesdossier zelf.”

10.17

Het verstrekken van een uittreksel van de rol valt m.i., gelet op het voorgaande, onder de ruime definitie van het verwerken van persoonsgegevens, zodat de AVG daarop van toepassing is. Dat geldt ook indien daarop de namen van natuurlijke personen zijn vervangen door initialen of een rolaanduiding als ‘eiser’ omdat die gegevens door de rechterlijke instantie alsnog zijn te herleiden tot de namen van natuurlijke personen.134

10.18

Ook het verstrekken van telefonische informatie over lopende procedures tussen bepaalde partijen valt m.i. onder ‘verwerking’.

10.19

Nu namen van procespartijen en zaaknummers persoonsgegevens zijn en het verstrekken van telefonische informatie over lopende procedures tussen bepaalde partijen onder ‘verwerking’ valt, dient te worden nagegaan of een dergelijke verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is.

Verwerking rechtmatig en noodzakelijk?

10.20

Art. 5 AVG bevat de bij de verwerking van persoonsgegevens geldende beginselen, waaronder de eis dat de gegevensverwerking rechtmatig is. Daarvan is sprake indien de verwerking berust op één van de in artikel 6 lid 1 AVG genoemde grondslagen. Onder e) wordt als grondslag gegeven dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen.

10.21

Het derde lid van artikel 6 AVG bepaalt vervolgens dat de rechtsgrond voor de in lid 1 onder e) bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij Unierecht of lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Op grond van overweging 45 bij de AVG kan worden volstaan met wetgeving die als basis fungeert voor verwerking die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang dan wel voor een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag.
De Memorie van Toelichting bij de Uitvoeringswet AVG zegt daarover het volgende:135

“Ook met betrekking tot de rechtsgrond «uitvoering van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen» (onderdeel e, hierna ook kortweg: publieke taak) geldt het noodzakelijkheidsvereiste: het doel van de verwerking moet noodzakelijk zijn voor de vervulling van de desbetreffende publieke taak. Naar zijn aard is de publieke taak dynamisch en veranderlijk door de tijd heen. De grenzen van de publieke taak zijn niet altijd op voorhand scherp te trekken. De publieke taak zelf zal echter altijd moeten blijken uit de sectorspecifieke regelgeving die op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Niet noodzakelijk is dat in de sectorspecifieke regelgeving ook expliciet is opgenomen dat ten behoeve van de vervulling van de wettelijke taak gegevens verwerkt mogen worden. Indien het noodzakelijk is om voor de uitvoering van de publieke taak persoonsgegevens te verwerken, kan de wettelijke rechtsgrondslag voor de publieke taak tevens worden beschouwd als rechtsgrondslag voor de verwerking van persoonsgegevens. Het doel van de gegevensverwerking is daarbij naar zijn aard wel gebonden aan de uitoefening van die publieke taak, en de ruimte voor gegevensverwerking vindt hierin zijn begrenzing.”

10.22

Zoals hiervoor betoogd, kan de plicht om in te gaan op verzoeken tot het verstrekken van informatie over lopende procedures worden gegrond op het wettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht op openbaarheid van de rechtspleging. Het verwerken van persoonsgegevens in dat verband voldoet aan het vereiste dat het noodzakelijk is voor de vervulling van de rechterlijke taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag. Daarmee is het verstrekken van informatie van rechtswege in beginsel rechtmatig.

10.23

Uit het voorgaande blijkt dat de AVG niet aan het geven van informatie over lopende procedures in de weg staat.

11 Bevindingen, enkele nadere gedachten en slotsom

11.1

Het voorgaande leidt m.i. tot het volgende.

11.2

Informatie over lopende civiele procedures wordt op dit moment op twee manieren bekendgemaakt. Advocaten kunnen via de Roljournalen hun eigen zaken en die van hun kantoorgenoten volgen. Andere procedures zijn in beginsel alleen op zaaknummer te volgen. Het is mogelijk om op partijnaam te zoeken in de Roljournalen, maar dan worden alleen de zaken getoond die op de rol staan in de voorafgaande vier roldata dan wel de toekomstige twee roldata. Voor anderen dan advocaten is het Roljournaal niet toegankelijk.
Daarnaast leggen gerechten op grond van artikel 15 BODG vóór elke rolzitting een uittreksel van de rol voor eenieder ter inzage. Op dat overzicht is alleen zichtbaar welke zaken zullen worden behandeld en wat daarin op de rolzitting staat te gebeuren, en dus bijvoorbeeld niet wanneer daarin een mondelinge behandeling zal plaatsvinden.

11.3

Via de bestaande registers is het voor derden niet mogelijk om te achterhalen of tussen bepaalde partijen een lopende procedure aanhangig is, welk zaaknummer een procedure heeft gekregen en of daarin een zitting/behandeling is gepland. De meest voor de hand liggende manier om aan die informatie te komen, is middels een telefonisch verzoek aan de griffies van de gerechten. Met dit soort verzoeken wordt verschillend omgegaan.
Uit vergelijking met de gang van zaken bij de internationale en buitenlandse gerechten komt naar voren dat aldaar de meeste instanties in elk geval online een geanonimiseerde zittingsagenda publiceren, zodat voor eenieder is na te gaan dat er op een bepaald moment in een bepaalde plaats een zitting plaatsvindt, waarbij meestal ook het onderwerp van de zitting wordt vermeld.

11.4

De art. 29 Rv en 838 Rv bieden geen wettelijke basis voor het telefonisch verstrekken van informatie over aanhangige procedures aan anderen dan procespartijen en hun advocaten. Hetzelfde geldt voor het BODG.

11.5

Art. 8 lid 1 EVRM staat er in beginsel niet aan in de weg dat privégegevens, waaronder namen van natuurlijke personen, worden bekendgemaakt ten behoeve van de openbaarheid van de rechtspraak. Wel vereist art. 8 lid 1 EVRM dat dergelijke gegevens in bepaalde situaties worden afgeschermd. Dat kan door zittingen achter gesloten deuren te houden (zoals ook art. 6 lid 1 EVRM bepaalt) of door uitspraken en andere openbare documenten te anonimiseren.

11.6

Informatie over lopende zaken kan in voorkomende gevallen niet, of slechts beperkt (geanonimiseerd) worden verstrekt. De weigeringsgronden voor het verstrekken van een afschrift van een rechterlijke uitspraak, zoals in art. 29 Rv is bepaald, de richtlijnen voor het verstrekken van een geanonimiseerd uittreksel van de rol in artikel 15 lid 3 BODG, en de wijze waarop gepubliceerde uitspraken worden geanonimiseerd volgens de Anonimiseringsrichtlijnen, kunnen daarbij tot voorbeeld dienen.

11.7

De AVG staat in beginsel niet in de weg aan het verstrekken van informatie over lopende procedures. De daaraan inherente verwerking van persoonsgegevens is rechtmatig in het belang van de openbaarheid van de rechtspleging en een goede procesvoering, waarvoor de rechtspraak als organisatie verantwoordelijk is.

11.8

Van belang is dat met het verstrekken van informatie over lopende zaken de openbaarheid van de rechtspleging wordt gediend. Openbaarheid is een beginsel van behoorlijke rechtspleging, die ervoor zorgt dat de rechtsgang transparant en controleerbaar is voor de individuele procespartijen én voor het publiek. Openbaarheid vormt tevens een bescherming tegen willekeur en partijdigheid, waardoor wantrouwen kan worden weggenomen en dus het vertrouwen in de rechtspraak bevordert.

11.9

Indien niet bekend wordt gemaakt wanneer in een bepaalde zaak een zitting plaatsvindt, is de zitting daarmee in feite niet voor het publiek toegankelijk en kan niet van een openbare zitting worden gesproken. Het is niet voldoende om alleen mee te delen wanneer een zitting plaatsvindt als degene die dat vraagt over het zaaknummer beschikt: in dergelijke gevallen is hij of zij immers waarschijnlijk reeds bij de zaak betrokken en zal hij of zij dus ook op andere wijze kunnen nagaan of en wanneer zittingen plaatsvinden.

11.10

De huidige Nederlandse praktijk met betrekking tot het geven van informatie over lopende procedures laat zich daarom moeilijk verenigen met het fundamentele beginsel van openbaarheid, dat al zeer lang in onze wetgeving is vastgelegd alsmede in art. 6 lid 1 EVRM is verwoord. De Nederlandse praktijk contrasteert ook met het beleid van het EHRM en het HvJ EU en dat van andere EU-landen.

11.11

Het beginsel van een openbare zitting/behandeling is weliswaar al sinds 1838 een uitgangspunt van het Nederlandse recht, maar het aspect van openbaarmaking van een zittingsagenda in civiele zaken heeft tot nu toe geen aandacht van de wetgever en weinig aandacht van de Rechtspraak gehad. Op dit moment zijn civiele zittingen bij Nederlandse gerechten alleen in die zin openbaar dat de zittingszalen voor het publiek toegankelijk zijn. Dát, waar en wanneer die zittingen plaatsvinden, wordt maar op zeer beperkte schaal publiekelijk aangekondigd. Zo worden bijvoorbeeld pleidooizittingen bij de Hoge Raad, die toch ongebruikelijk en reeds daarom interessant zijn, niet aangekondigd.136
Deze gang van zaken lijkt niet te zijn gebaseerd op een duidelijke keuze.
De consequentie van het ontbreken van een integrale zittingsagenda is dat degene die wil weten wanneer een zitting plaatsvindt, contact zal moeten opnemen met de griffies of de afdeling communicatie van de verschillende gerechten. Deze willen, begrijpelijkerwijs, niet zomaar op verzoek van een onbekende in de systemen gaan ‘grasduinen’ om te kijken om welke zaak het zou kunnen gaan, zoals een van de responderende gerechten het omschreef.

11.12

Mijns inziens is het tijd dat regelgeving over dit aspect van de openbaarheid van zittingen wordt overdacht, waarbij uitgangspunt dient te zijn dat informatie over lopende procedures in beginsel aan derden wordt verstrekt.

11.13

Een herwaardering van het beginsel van openbaarheid van de rechtspleging past ook in de bredere ontwikkeling van het recht op toegang tot (overheids)informatie. De op 1 mei 2022 in werking getreden Wet open overheid (Woo) is daarvan een voorbeeld.137 In die wet is, uitdrukkelijker dan in haar voorganger de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), vastgelegd dat toegang tot overheidsinformatie een recht is,138 en geen gunst moet zijn. Ook is daarin opgenomen dat overheidsinformatie actief openbaar moet worden gemaakt, en niet slechts naar aanleiding van een daarop gericht verzoek.139

11.14

Met de Woo wordt aangesloten bij de ontwikkelingen in andere landen, waar freedom of information-wetgeving is aangenomen.140 In sommige landen, zoals Zweden141, strekt die wetgeving zich ook uit tot de rechtspraak.
En op het vlak van publicatie van uitspraken is een herwaardering van het beginsel van openbaarheid al zichtbaar: daar wordt sinds kort ingezet op het online publiceren van alle uitspraken, in plaats van een selectie.142

11.15

Ik geef in overweging dat binnen de Rechtspraak een richtlijn voor de feitelijke instanties wordt opgesteld, die dan mede ter ondersteuning kan dienen van het griffiepersoneel of de afdeling Communicatie van de gerechten, die tot nu toe met vragen over lopende procedures worden geconfronteerd. Hetzelfde geldt voor de Hoge Raad.

Slotsom

11.16

De slotsom luidt dat de basis voor een verplichting tot het verstrekken van informatie over aanhangige zaken is gegeven in de bestaande wetgeving en rechtspraak over openbaarheid van de behandeling van een zaak.

12 Cassatiemiddel en vordering

12.1

Het voorgaande leidt tot het volgende cassatiemiddel:

Schending van het recht – in het bijzonder van het beginsel van openbaarheid van de zitting zoals bepaald in art. 121 Gw, art. 4 RO, art. 27 Rv en art. 6 EVRM – doordat de voorzieningenrechter in rov. 3.4 van de uitspraak van 27 september 2012, samengevat, heeft geoordeeld dat geen ruimte bestaat voor het verstrekken door de griffier van een opgave van alle procedures waarin A partij is en/of was.

12.2

In de verzetprocedure die heeft geleid tot de uitspraak van 27 september 2012 heeft de voorzieningenrechter de volgende verzoeken beoordeeld:

“i) het verzet gegrond te verklaren;

ii) primair: de griffier te gelasten alsnog opgave te doen van alle procedures waarin [A] partij is en/of was;
subsidiair: de griffier te gelasten alsnog opgave te doen van procedures van 1 januari 2011 tot en met heden waarin [A] partij is en/of was, althans over een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen periode;
iii) primair: de griffier te gelasten afschriften te verstrekken van alle uitspraken waar [A] partij bij was;
subsidiair: de griffier te gelasten afschriften te verstrekken van uitspraken van 1 januari 2011 tot en met heden waarin [A] partij was, althans over een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen periode;
iv) meer subsidiair: de griffier te bevelen om afschriften van de rol, althans de administratieve vastlegging van alle zaken, over de periode vanaf 1 januari 2011 tot en met heden, althans over een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen periode, aan HBM cs te verstrekken.”

In het dictum is het verzet gegrond verklaard, is het primaire verzoek onder (iii) toegewezen en is het meer of anders verzochte afgewezen.

12.3

Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de uitspraak van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 27 september 2012 in het belang der wet zal vernietigen voor zover het primaire verzoek onder (ii) om de griffier te gelasten opgave te doen van alle procedures waarin A partij is, is afgewezen,
en voorts zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel zal toebrengen aan de rechten die door betrokkenen zijn verkregen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie met betrekking tot IE-zaken F.W.E. Eijsvogels, ‘Toegang tot informatie over aanhangige rechtszaken voor derden’, IER 2020/1, p. 1. Zie ook het betoog van advocatenkantoor Taylor Wessing, zoals weergegeven in rov. 3.2 van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 26 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:15092.

2 M.J.A. van Zwieteren, ‘De inhoudsloze openbaarheid van de rechtspraak’, NJB 1995, p. 457.

3 P. Smits, Art. 6 EVRM en de civiele procedure (BPP, nr. 10), 2008, 4.3.2.1.

4 R.R. Verkerk, R.A. Woutering, ‘De openbaarheid van de civiele procedure. Mag het een onsje meer zijn?’, TCR 2013/3, p. 87-88.

5 Zie daarover Smits, a.w., p. 167-169; Verkerk en Woutering, t.a.p., p. 88-89; A.S. Rueb e.a., Compendium burgerlijk procesrecht 2015/2.4, 2018/2.4 en 2021/2.4; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/357. Ik wijs ook op art. 29 Rv.

6 ECLI:NL:RBSGR:2012:BY1768, JBPr 2013/22 m.nt. J.R. Sijmonsma.

7 Rechtbank Den Haag 26 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:15092, rov. 2.2.

8 Zie daarover ook M. Knapen, ‘Hoge Raad gaat zich uitlaten over het beginsel openbaarheid rechtspraak’, geplaatst op 1 februari 2022, op https://www.mr-online.nl/hoge-raad-gaat-zich-uitlaten-over-het-beginsel-openbaarheid-rechtspraak/.

9 Ten tijde van het uitbrengen van het verslag over de tiende en elfde periode van de Commissie cassatie in het belang der wet aan de Procureur-Generaal van 27 augustus 2021, had de Commissie de rechtsvraag nog in beraad, zie p. 17 van dit verslag (te raadplegen via https://www.hogeraad.nl/over-ons/bijzondere-taken-hoge-raad-procureur-generaal/cassatie-belang-wet/commissie-cassatie/ ). Naderhand heeft de Commissie laten weten dat zij de Procureur-Generaal heeft geadviseerd cassatie in het belang der wet in te stellen.

10 Zie Rueb e.a., a.w., 2021/6.1.1; A.I.M. van Mierlo, J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg, 2011/3.1.1.

11 Op de rolzitting worden een datum en tijd voor een mondelinge behandeling bepaald, en die beslissing pleegt op de rol en dus in het Roljournaal te worden vermeld. Daaruit is dus af te leiden wanneer de mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Ook staat in het Roljournaal vermeld dat en wanneer een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.

12 Zie over de rolvoorschriften ook het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken (1 februari 2022) . Het procesreglement is te raadplegen op https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Procesreglement-civiele-dagvaardingszaken-rechtbanken-achtste-versie-1-februari-2022.pdf.

13 Handleiding ‘Journaal Familie Rechtbanken’, p. 1 (verstrekt door de Raad voor de Rechtspraak).

14 In het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank handel/voorzieningenrechter, februari 2022, hoofdstuk 2, staat beschreven om welke procedures het gaat. Het procesreglement is te raadplegen op https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/procesreglement-verzoekschriftprocedures-rechtbank-civiel-handel-voorzieningenrechter-2022.pdf.

15 Zie de website https://www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/paginas/roljournalen.aspx.

16 Stb. 2008, 276.

17 Zie hierover H.J. Snijders, M. Ynzonides, G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 3e druk 2002, nr. 140.

18 Zie daarover G. de Groot, ‘De digitale civiele procedure als onderdeel van een behoorlijke rechtspleging’, TCR 2019/3, p. 124.

19 H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 4e druk 2007, nr. 140.

20 In kantonzaken is het mogelijk om in persoon te procederen en mondeling verweer te voeren. Om de drempel om dat te kunnen doen zo laag mogelijk te houden is de rolzitting in kantonzaken behouden gebleven. Zie nader K. van der Kraats, ‘De rol van de kantonrolzitting; meer (van maken) dan een administratieve bijeenkomst’, TCR 2020/3.

21 Zie Hugenholtz/W.H. Heemskerk en K. Teuben, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2021, nr. 11 en 55. Zie bijvoorbeeld ook het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij rechtbanken (1 februari 2022), onder 2.6: “Een eerste eenstemmig verzoek van partijen tot het verlenen van uitstel voor het verrichten van een proceshandeling, gedaan op de rolzitting op het moment dat de termijn zoals genoemd in artikel 2.5 verstrijkt, wordt ingewilligd.” Ook de rechtbanken spreken nog veelvuldig van rolzittingen, zie bijvoorbeeld de website van de rechtbank Limburg: https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Limburg/Zittingsrooster.

22 Zie artikel 1.2 onder s van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij rechtbanken van 1 februari 2022, en artikel 1.2 onder p van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bi de gerechtshoven. Zie ook de Handleiding bij het Roljournaal Familie Rechtbanken (verstrekt door de Raad voor de Rechtspraak): “Met behulp van het Familiejournaal kan op internet de actuele stand van familiezaken bij de rechtbank geraadpleegd worden.”

23 Het Roljournaal Familie Rechtbanken (handleiding verstrekt door de Raad voor de Rechtspraak) biedt deze mogelijkheid niet. Uit de Handleiding Roljournaal Civiel Gerechtshoven lijkt te volgen dat het observeren van familiezaken op de gecombineerde rol bij de gerechtshoven evenmin mogelijk is; deze handleiding spreekt onder ‘Een zaak observeren’ alleen van zaken die bij dagvaarding worden ingeleid.

24 Zie (naar aanleiding van KEI) Rueb e.a., a.w., 2018/6a.6.4 en GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 114 Rv, aant. 8 (T.F.E. Tjong Tjin Tai).

25 Dit blijkt uit de Handleiding Roljournaal Handelszaken: “In andere zaken dan de eigen zaken kan alleen gezocht worden op zaakkenmerk. Bij nieuwe zaken is bij de advocaat aan zijde van gedaagde nog geen zaakkenmerk bekend, wèl is er via de dagvaarding kennis van de partijnamen. Met het zoekonderdeel 'een zaak observeren' is het mogelijk om naar nieuwe zaken te zoeken op partijnaam zodat de advocaat zich kan stellen in de zaak. De spelregels hierbij zijn: - U kunt alleen op de roldata zoeken van de afgelopen vier weken of de komende twee weken. - Er wordt alleen een resultaat gevonden indien er op de gezochte roldatum een zaak voor 'uitroep ter zitting' staat/stond, waarin de gezochte partijnaam voorkomt.” De Handleiding Roljournaal Civiel Gerechtshoven bevat een vergelijkbare tekst.

26 Zowel advocaten (met advocatenpas) als (rechts)personen (met DigiD of eHerkenning) kunnen in dit portaal inloggen.

27 Zie hierover o.a. K. Teuben, K.J.O Jansen, Het Wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht: kanttekeningen vanuit de procespraktijk, TCR 2015/2, p. 8-9.

28 Te raadplegen via https://www.hogeraad.nl/prejudiciele-vragen/.

29 Te raadplegen via https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Gerechtshoven/Gerechtshof-Amsterdam/Nieuws.

30 Te weten de rechtbank Gelderland, te raadplegen op https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Gelderland/Zittingsrooster/Paginas/Zittingsrooster-kort-geding.aspx en de rechtbank Overijssel, te raadplegen op https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Overijssel/Zittingsrooster/Paginas/zittingsrooster-almelo-civiel-recht.aspx.

31 Te raadplegen via https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Rotterdam/Zittingsrooster.

32 Eijsvogels, t.a.p., p. 1.

33 https://www.rechtspraak.nl/Registers/Zaakverloopregister.

34 ABRvS 30 april 2019, 201803933/1/V3, onder 3.5. De Groot (t.a.p., p. 124) schrijft: “Een aanpassing nadien maakt het mogelijk in het register ook op andere kenmerken [dan het zaaknummer, A-G] te zoeken naar een bepaalde zaak.” Op dit moment (mei 2022) lijkt deze aanpassing echter nog niet te zijn doorgevoerd.

35 De Rechtspraak, Persrichtlijn 2013, artikelen 2.1 en 2.2. Te raadplegen op https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/landelijke-persrichtlijn.pdf.

36 Persrichtlijn, artikel 2.3.

37 Ook Taylor Wessing heeft in deze procedure een overzicht overgelegd van haar ervaringen met de verschillende gerechten. Dat is ook online gepubliceerd: zie M. Knapen, ‘Hoge Raad gaat zich uitlaten over het beginsel openbaarheid rechtspraak’, geplaatst op 1 februari 2022, op https://www.mr-online.nl/hoge-raad-gaat-zich-uitlaten-over-het-beginsel-openbaarheid-rechtspraak/.

38 Zie over art. 29 Rv GS Burgerlijke Rechtsvordering, T.F.E. Tjong Tjin Tai (actueel t/m 1 maart 2022).

39 JBPr 2013/22, onder 4.

40 GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 29 Rv, aant. 1, T.F.E. Tjong Tjin Tai (actueel t/m 1 maart 2022).

41 HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2371, NJ 2001/613 m.nt. W.D.H. Asser.

42 Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3 (MvT), p. 59: “Voor de met het verstrekken van afschriften en eventuele anonimisering gemoeide kosten is een vergoeding verschuldigd, waaromtrent bij algemene maatregel van bestuur regels zullen worden gesteld. Daarbij zal onderscheid kunnen worden gemaakt tussen verzoeken om afschrift van een concrete uitspraak en verzoeken om afschriften van grote aantallen uitspraken voor wetenschappelijk onderzoek of commerciële publicatie.”

43 HR 23 oktober 1936, ECLI:NL:HR:1936:306, NJ 1936/935, m.nt. E.M. Meijers; HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2371, NJ 2001/613 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.6.

44 Vgl. bijvoorbeeld art. 8 Kadasterwet.

45 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 550.

46 Dat betekent niet dat art. 838 Rv geen toegevoegde waarde kan hebben: die bestaat erin dat het een recht op openbaarheid van informatie biedt, ook als de wet het betreffende register zelf niet met zoveel woorden als openbaar bestempelt, en geen zelfstandige regeling voor het verkrijgen van een afschrift bevat. Dat is bijvoorbeeld het geval bij advocatentuchtrechtspraak, zie HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2371, NJ 2001/613 m.nt. W.D.H. Asser.

47 Stb. 2001, 619.

48 Het geciteerde art. 13 BODG is van toepassing op niet-KEI-zaken. Voor KEI-zaken is een andere versie van het artikel geschreven, waarin onderdeel a van lid 1 ontbreekt, maar dat voor het overige inhoudelijk overeenstemt (Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, Stb. 2016, 293). Deze wijziging is op 1 maart 2017 in werking getreden voor vorderingsprocedures bij de Hoge Raad (art. II lid 5 van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2017, Stb. 2017, 16). Voor verzoekprocedures bij de Hoge Raad is zij nog niet in werking getreden.

49 Zie voor de tekst inzake de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt, het Besluit van 11 juli 2018, houdende wijziging van enkele besluiten op het terrein van Justitie en Veiligheid in verband met het doorvoeren van technische verbeteringen (Verzamelbesluit Justitie en Veiligheid 2018), Stb. 2018, 246.

50 Ook dit artikel heeft twee versies, zie de vorige voetnoot.

51 Van Mierlo, Van Dam-Lely, a.w., 2011/3.1.1.

52 Besluit van 2 juli 2004 tot wijziging van het Besluit orde van dienst gerechten en het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen, Stb. 2008, 383, Nota van Toelichting, p. 14.

53 Nota van Toelichting bij het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, Stb. 2016, 293, p. 7.

54 Vindplaats, zie vorige voetnoot.

55 Zie o.a. Smits, a.w., nr. 4.1.3; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/337-339; Hugenholtz/Heemskerk en Teuben, 2021, nr. 3; Verkerk en Woutering, t.a.p., p. 82-87. Zie voor oudere literatuur E.M. Wesseling-van Gent, Het civiele geding in de toekomst, diss. 1987, p. 114-117.

56 EHRM 12 april 2006, zaak 58675/00 (Martinie t. Frankrijk) ECLI:CE:ECHR:2006:0412JUD005867500, rov. 39; in gelijke zin onder andere EHRM 26 september 1995, zaak 18160/91 (Diennet t. Frankrijk), ECLI:CE:ECHR:1995:0926JUD001816091, rov. 33; EHRM 10 december 2009, zaak 20437/05 (Shagin t. Oekraïne), ECLI:CE:ECHR:2009:1210JUD002043705, rov. 56, met verdere verwijzingen; EHRM 8 december 1983, zaak 7984/77, ECLI:CE:ECHR:1983:1208JUD000798477 (Pretto t. Italië), rov. 21.

57 Art. 121 Gw, zoals dat thans luidt, is bij de grondwetsherziening in 1983 ingevoerd. Het beginsel van een openbare zitting is echter reeds in 1848 (in art. 156) in de Grondwet opgenomen (zie ‘Versies Grondwet’ op https://www.denederlandsegrondwet.nl). Zie GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 27 Rv, aant. 1 (T.F.E. Tjong Tjin Tai) (actueel t/m 1 maart 2022) en Wesseling-van Gent, a.w., p. 114 met verwijzingen naar literatuur.

58 Zie over de begrippen ‘behandeling’ en ‘(terecht)zitting’ Smits, a.w., 4.3.2. Zie verder D.J. Harris e.a., Law of the European Convention on Human Rights, 2018, p. 434. Ik gebruik beide begrippen.

59 Zo wordt in art. 27 Rv, anders dan in art. 4 lid 3 RO, niet expliciet verwezen naar art. 803 Rv. Wel is duidelijk dat volgens de wetgever ook bijzondere bepalingen zoals art. 803 Rv een grondslag vormen voor het houden van een zitting achter gesloten deuren, naast de meer algemene in art. 27 Rv genoemde gronden, zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 165.

60 Ook andere vormen van openbaarheid zijn uiteraard denkbaar, zoals het (via internet) uitzenden van zittingen. Zie Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 5 (NV), p. 14; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/357.

61 EHRM 18 februari 2009, zaak 55707/00 (Andrejeva t. Estland), ECLI:CE:ECHR:2009:0218JUD005570700, rov. 98 met verwijzing naar eerdere rechtspraak.

62 Zie C. Rozakis, ‘The right to a fair trial in civil cases’, Judicial Studies Institute Journal 2004, p. 97. Wel zijn sommige waarborgen in strafzaken van meer belang dan in civiele zaken, of andersom, zie Harris e.a., a.w., p. 411-412.

63 Harris e.a., a.w., p. 434.

64 EHRM 14 november 2000, zaak 35115/97 (Riepan t. Oostenrijk).

65 Herhaald in EHRM 13 maart 2014, zaak 27455/06, ECLI:CE:ECHR:2014:0313JUD002745506, (Starokadomsky t. Rusland), rov. 54.

66 EHRM Riepan t. Oostenrijk, rov. 30, en Starokadomsky t. Rusland, rov. 54.

67 EHRM 9 juni 2011, zaak 16347/02, ECLI:CE:ECHR:2011:0609JUD001634702, rov. 56.

68 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo, Bart, p. 165.

69 Zie over dit onderscheid Smits, a.w., 4.3.4.1-4.3.4.2.

70 EHRM 24 april 2001, gevoegde zaken 36337/97 en 35974/97 (B en P t. Verenigd Koninkrijk), ECLI:CE:ECHR:2001:0424JUD003633797, rov. 39; EHRM 21 september 2006, zaak 12643/02 (Moser t. Oostenrijk), ECLI:CE:ECHR:2006:0921JUD001264302, rov. 95. Zie GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 27 Rv, aant. 1 (T.F.E. Tjong Tjin Tai) (actueel t/m 1 maart 2022).

71 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 165.

72 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo, Bart, p. 165.

73 EHRM 4 december 2009, zaak 28617/03 (Belashev t. Rusland), ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD002861703, rov. 83; EHRM 17 december 2013, 20688/04 (Nikolova en Vandova t. Bulgarije), ECLI:CE:ECHR:2013:1217JUD002068804, rov. 74-77.

74 Zie EHRM 24 april 2001, B. en P. t. Verenigd Koninkrijk, vindplaats hierboven in voetnoot 65, rov. 38, met betrekking tot zaken over de vraag waar kinderen na de scheiding van hun ouders zullen gaan wonen.

75 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo, Bart, p. 163.

76 Zie EHRM 24 maart 2005, zaak 54645/00 (Osinger t. Oostenrijk), ECLI:CE:ECHR:2005:0324JUD005464500, rov. 45.

77 EHRM 26 september 1995, zaak 18160/91 (Diennet t. Frankrijk), ECLI:CE:ECHR:1995:0926JUD001816091, rov. 34. In deze zaak achtte het hof het overigens niet gerechtvaardigd dat geen openbare zitting was gehouden, omdat niet aannemelijk was geworden dat daadwerkelijk vertrouwelijke gegevens zouden zijn geopenbaard..

78 Zie voor een voorbeeld van bedoelde belangenafweging EHRM 6 oktober 2009, zaak 1425/06 (C.C. t. Spanje), ECLI:CE:ECHR:2009:1006JUD000142506, rov. 35.

79 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo, Bart, p. 165.

80 Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 5 (NV), p. 31.

81 https://www.rechtspraak.nl/Uitspraken/paginas/anonimiseringsrichtlijnen.aspx.

82 Van Opijnen heeft erop gewezen dat het in feite niet gaat om anonimisering, waarbij gegevens nooit meer tot een specifiek persoon te herleiden zijn, maar om pseudonimisering, omdat zij door de gerechten via zaaksregistratiesystemen en archieven weer aan personen kunnen worden gekoppeld. Dat is van belang, omdat de AVG op gepseudonimiseerde gegevens (en dus ook op de uitspraken op www.rechtspraak.nl) onverkort van toepassing is (M. van Opijnen, 'Alle uitspraken online? Hoe dan? Noodzakelijke ingrediënten voor een wettelijke regeling', Ars Aequi 2021, p. 130).

83 Een bekend voorbeeld is de uitspraak over het ‘zeilmeisje’ Laura Dekker, die als volgt werd geanonimiseerd: “[minderjarige] is bij beschikking van 30 oktober 2009 onder toezicht gesteld omdat zij van plan is een solozeilreis rond de wereld te gaan maken” (Rb. Utrecht 23 december 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7583). Zie L. Mommers, G.-J. Zwenne, B. Schermer, 'Het best bewaarde geheim van de raadkamer. Over de ontoegankelijkheid van de rechtspraak', NJB 2010, 1692, p. 2077; G.A.I. Schuijt, '[De voetballer] en [de prinses]', NJB 2004, p. 18-19.

84 https://echr.coe.int/Pages/home.aspx?p=hearings/calendar&c=.

85 EHRM, Requests for anonymity, te raadplegen op https://www.echr.coe.int/Documents/PD_anonymity_ENG.pdf. In dit document staat beschreven dat alle informatie die het EHRM ontvangt in beginsel openbaar is, en dat verzoeken om anonimiteit toe te kennen, moeten worden onderbouwd door te beschrijven welke gevolgen publicatie voor de betrokkene zou hebben.

86 https://echr.coe.int/Pages/home.aspx?p=hearings/gcpending&c=.

87 Zie over publicatie van uitspraken en de anonimisering daarvan door het EHRM en HvJ EU M. van Opijnen, Op en in het web. Hoe de toegankelijkheid van rechterlijke uitspraken kan worden verbeterd, diss., 2014, p. 127-133.

88 Zie daarover nader het Explanatory Report bij het 11e Protocol, nr. 96. Daarin staat omschreven om welke documenten het gaat.

89 Zie ‘Chapter 4, Hearings’ van de Rules of Court, te raadplegen op Error! Hyperlink reference not valid.https://www.echr.coe.int/documents/rules_court_eng.pdf.

90 https://curia.europa.eu/jcms/jcms/Jo2_17661/nl/.

91 Hof van Justitie van de Europese Unie, De bescherming van persoonsgegevens in het kader van de publicaties die verband houden met gerechtelijke procedures voor het Hof van Justitie, https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2015-11/tra-doc-nl-div-c-0000-2015-201508723-05_00.pdf.

92 https://curia.europa.eu/juris/recherche.jsf?language=nl.

93 Informatie verstrekt door het Spaanse Tribunal Constitucional.

94 Art. 232, lid 2, van de Organic Law 6/1985, of 1 July, on the Judiciary, in Engelse vertaling te raadplegen op https://www.legislationline.org/download/id/6791/file/Spain_law_juidiciary_1985_am2016_en.pdf. Ik heb niet kunnen nagaan of deze lijst ook op internet wordt geplaatst.

95 Informatie verstrekt door het Constitutionele Hof van Polen.

96 https://bip.warszawa.so.gov.pl/e-wokanda/1339.

97 Informatie verstrekt door het Slowaakse Constitutionele Hof.

98 https://obcan.justice.sk/infosud/-/infosud/zoznam/pojednavanie.

99 Art. 82ba van de Law on Courts (no. 757/2004) schrijft dit althans voor, maar in de praktijk lijkt dit niet steeds te gebeuren, aldus de informatie verschaft door de Slowaakse liaison. Wel vermeldt het Slowaakse Hooggerechtshof de partijnamen, ook die van natuurlijke personen, in zijn online zittingsagenda (https://www.nsud.sk/pojednavania/.

100 Informatie verstrekt door het Zweedse Högsta domstolen.

101 Informatie verstrekt door het Zweedse Högsta domstolen.

102 Informatie verstrekt door het Tsjechische Constitutionele Hof.

103 https://infojednani.justice.cz/InfoSoud/public/searchJednani.jsp.

104 http://portal.justice.cz/ejustice/info-soud.html.

105 https://dossier.just.fgov.be/cgi-dossier/dossier.pl?lg=nl.

106 Zie bijvoorbeeld de website van het Keulse Amtsgericht: https://www.ag-koeln.nrw.de/behoerde/sitzungstermine/index.php.

107 Zie https://www.monespace.justice.fr/authentification en de informatie over het portaal op https://www.justice.fr/contact/espace-perso.

108 Zie de verschillende claim forms die ter beschikking worden gesteld op https://www.gov.uk/government/publications/form-n1-claim-form-cpr-part-7.

109 Jurisdictional guidance to support media access to courts and tribunals: Civil court guide (accesible version), 24 februari 2022, HYPERLINK https://www.gov.uk/government/publications/guidance-to-staff-on-supporting-media-access-to-courts-and-tribunals/jurisdictional-guidance-to-support-media-access-to-courts-and-tribunals-civil-court-guide-accesible-version#general-public.

110 Zie bijvoorbeeld de ‘cause lists’ voor de zittingen die worden gehouden in de Royal Courts of Justice in Londen: https://www.gov.uk/government/publications/royal-courts-of-justice-cause-list.

111 Te vinden op https://www.unidroit.org/instruments/civil-procedure/ali-unidroit-principles/.

112 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), Pb EU L 119/1.

113 AVG, overwegingen 1 en 2.

114 AVG, overweging 4.

115 Zie daarover de conclusie van A-G Bobek van 6 oktober 2021 (ECLI:EU:C:2021:822) voor HvJ EU 24 maart 2022, zaak C-245/20, ECLI:EU:C:2022:216 (X, Z tegen Autoriteit Persoonsgegevens) onder 32, met verdere verwijzingen.

116 In 2002 is aan het College bescherming persoonsgegevens (voorloper van de Autoriteit Persoonsgegevens) voorgelegd of het openstellen van de rol van alle Nederlandse gerechten voor alle advocaten (naar aanleiding van de afschaffing van het procuraat) verenigbaar was met de Wbp (CBP 27 februari 2003, z2002-1015, WBP 2009/51). Mijns inziens is de rechterlijke macht niet langer gebonden aan het desbetreffende advies van het CBP, omdat zij sinds de invoering van de AVG niet langer is onderworpen aan het toezicht van het CBP of haar opvolger, de AP, dit met het oog op haar de onafhankelijkheid.

117 J.P. de Jong, ‘De Algemene Verordening Gegevensbescherming’, Ars Aequi 2016, p. 771.

118 Zie ook AVG, overweging 14.

119 Zie daarover ook overweging 26 AVG.

120 Zie A. Engelfriet, L. Chew-Meij en P. Kager, De Algemene Verordening Gegevensbescherming, 2018, par. 4.1; N.J. Margetson, ‘De Algemene verordening gegevensbescherming’, NTHR 2018/3, par. 2.

121 Engelfriet e.a., a.w., par. 4.1.

122 Vgl. HvJ EU 29 juni 2010, zaak C-28/08 P, ECLI:EU:C:2010:378 (Commissie/Bavarian Lager), rov. 68.

123 Margetson, t.a.p., p. 149; Engelfriet e.a., a.w., par. 2.1.

124 Engelfriet e.a., a.w., par. 2.1 en 4.2 met o.m. verwijzing naar HvJ EU 6 november 2003, zaaknr. C-101/01, ECLI:EU:C:2003:596 (Lindqvist).

125 Margetson, t.a.p., p. 149.

126 Zie overweging 15: “Dossiers of een verzameling dossiers en de omslagen ervan, die niet volgens specifieke criteria zijn gestructureerd, mogen niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn [te] vallen.”

127 HvJ EU 29 juni 2010, zaak C-28/08 P, ECLI:EU:C:2010:378 (Commissie/Bavarian Lager), rov. 69. Zie ook HvJ EU 19 april 2012, zaak C‑461/10 EU:C:2012:219 (Bonnier Audio e.a.), rov. 52.

128 Zie voetnoot 116.

129 HvJ EU 24 maart 2022, zaak C-245/20, ECLI:EU:C:2022:216 (X, Z tegen Autoriteit Persoonsgegevens).

130 Zie daarover ook artikel 2.3 van de Persrichtlijn.

131 Zie rov. 11 van het in de vorige voetnoot genoemde arrest.

132 Zie rov. 16 en 17.

133 De A-G verwijst hier onder meer naar de reeds genoemde uitspraken van het HvJ EU in Commissie/Bavarian Lager en Bonnier Audio e.a.

134 Zie daarover M. van Opijnen, ‘Alle uitspraken online? Hoe dan? Noodzakelijke ingrediënten voor een wettelijke regeling’, AA20210127, p. 130.

135 Kamerstukken II 2017-2018, 34 851, nr. 3, p. 35.

136 Overigens bestaat bij de Hoge Raad de mogelijkheid om zittingen online uit te zenden via een livestream. Dat gebeurt enkel bij uitzonderlijke zaken met een zaaksoverstijgend publiek belang of met een zeer groot aantal procespartijen. Ook bij andere gerechten worden zittingen soms via een livestream uitgezonden.

137 Wet open overheid, Stb. 2021, 499.

138 Art. 1.1 Woo; Kamerstukken II 2011-2012, 33 328 nr. 3, p. 2 en 19.

139 Art. 3.1 Woo.

140 Kamerstukken II 2011-2012, 33 328 nr. 3, p. 3.

141 Zie hierboven onder 9.12.

142 Zie H.C. Naves, S. Sicking en J.G.L. van der Wees, 'Meer én verantwoord publiceren van gerechtelijke uitspraken', NJB 2021/3258, p. 3620 e.v.