Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:343

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-04-2022
Datum publicatie
12-04-2022
Zaaknummer
21/01083
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:839
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Caribische zaak. Moord op de Curaçaose politicus H.M. Wiels uitgelokt door voormalig Minister van Financiën Curaçao. Daarnaast veroordeeld wegens opzettelijk gebruik maken van vals geschrift en wegens valsheid in geschrift waarbij gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken. Middel over de bewijsvoering van de uitlokking van de moord op Wiels en de verwerping van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten o.a. gelet op motiveringseisen EHRM. Middel over inbreuk op de onschuldpresumptie door het Hof in de zaak tegen een medeverdachte/"moordmakelaar" waarin de verdachte was aangemerkt als opdrachtgever van de moord. Middel met klacht over kwalificatiebeslissing en toepasselijke strafbepalingen en strafmotivering. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01083 C

Zitting 12 april 2022

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij vonnis van 5 maart 2021 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens 2 “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in art. 2:184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, 4 subsidiair “uitlokking van moord”, en 5 “valsheid in geschrift, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren met aftrek van voorarrest en de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht. Het Hof heeft ook beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het vonnis is omschreven.1

2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Na het verstrijken van de in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn maar vóór de dag voor de rolziting, is een schriftelijke toelichting op het tweede middel ingediend.2

3. De zaak kan als volgt worden samengevat. Het meest ernstige feit waarvoor de verdachte is veroordeeld, betreft het uitlokken van de moord op de politicus [slachtoffer] die op 5 mei 2013 op het strand van Curaçao is doodgeschoten. Het Hof heeft dit omschreven als een “op bestelling gepleegde moord” tegen betaling. Daarnaast heeft de verdachte zich als minister van Financiën van het land Curaçao schuldig gemaakt aan het antedateren van een ministeriële Aanschrijving en valse geschriften gebruikt om geld tot een totaalbedrag van bijna een half miljoen (Antilliaanse) gulden te verduisteren.

4. Eerder zijn reeds twee andere verdachten veroordeeld wegens hun betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer] . De ene verdachte komt in het bijzonder bij de bespreking van het tweede middel ter sprake als “moordmakelaar” ( [betrokkene 1] , nr. 18/0506 A). De andere verdachte zal ter sprake komen als degene die [slachtoffer] op het strand heeft doodgeschoten ( [betrokkene 2] , nr. 15/00402 A). De cassatieberoepen die in die zaken zijn ingesteld, zijn verworpen.

Het eerste middel: de uitlokking van moord

5. Het eerste middel komt met een drietal klachten op tegen de bewijsvoering van de onder 4 bewezenverklaarde uitlokking van moord. De eerste klacht is gericht tegen de bewezenverklaring die innerlijk tegenstrijdig zou zijn. De tweede klacht heeft betrekking op de bewijsvoering als zodanig waaronder de redenen die het Hof heeft gegeven om af te wijken van de door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die betrekking hebben op achtereenvolgens het voor de bewijsvoering vereiste “motief” van de verdachte, “de eenzijdigheid van het onderzoek en de tunnelvisie”, de betrouwbaarheid van een vijftal getuigen en de (uitleg die is gegeven aan) de inhoud van SMS-berichten. De derde klacht ligt deels in het verlengde van de tweede klacht en houdt in dat de redenen die het Hof heeft gegeven om af te wijken van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, niet voldoen aan de eisen die het EHRM daaraan stelt.

De eerste klacht: de innerlijke tegenstrijdigheid van de bewezenverklaring van feit 4

6. Ik begin met de klacht waarbij de steller van het middel met betrekking tot de bewijsvoering aanvoert dat de vrijspraak van de verdachte, dat hij de moord op [slachtoffer] door “beloften” heeft uitgelokt, niet te verenigen is met de bewezenverklaring dat de verdachte de uitlokking door “giften” mede heeft gepleegd door [betrokkene 1] als vergoeding voor de moord “een aanzienlijk geldbedrag in het vooruitzicht te stellen”. Om die reden zou de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig zijn.

7. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 4 subsidiair bewezen verklaard dat:

medeverdachte [betrokkene 2] en/of medeverdachte R.J. [betrokkene 3] en/of één of meer anderen op of omstreeks 5 mei 2013 te Curaçao, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben voornoemde [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of één of meer anderen opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam van) en/of in de richting van (het lichaam van) voornoemde [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan die [slachtoffer] meerdere verwondingen en/of letsels heeft bekomen en die [slachtoffer] aan die letsels en/of verwondingen is overleden,

welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode 2 juni 2012 tot en met 5 mei 2013 te Curaçao opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen door

- [betrokkene 1] en/of één of meer anderen te vragen en/of op te dragen om [slachtoffer] te vermoorden en/of

- die [betrokkene 1] en/of één of meer anderen als vergoeding voor de moord op [slachtoffer] een aanzienlijk geldbedrag, in het vooruitzicht te stellen en/of te betalen voor het (mede)plegen van de moord op [slachtoffer] en/of

- die [betrokkene 1] en/of één of meer anderen instructieste geven over de moord op [slachtoffer].”

8. De klacht stuit af op HR 24 november 2015 waarin is overwogen dat “een in het vooruitzicht gesteld en daadwerkelijk ook gegeven beloning [niet] tegelijkertijd [kan] worden aangemerkt als zowel een belofte als een gift waardoor het feit is uitgelokt”.3 De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte het aanzienlijke geldbedrag dat hij aan [betrokkene 1] in het vooruitzicht had gesteld als vergoeding voor de moord op [slachtoffer] , heeft betaald. Uit de bewijsvoering volgt dat de betalingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, zoals bewezen is verklaard, vóórdat de moord op 5 mei 2013 werd uitgevoerd. De vrijspraak van het uitlokken door “beloften” is daarmee niet tegenstrijdig met het door de verdachte aan [betrokkene 1] betalen van de in de bewezenverklaarde giften.

9. De eerste klacht faalt.

De tweede klacht

10. De tweede klacht heeft betrekking op de bewijsvoering als zodanig waaronder de motivering waarmee het Hof voorbij is gegaan aan uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die betrekking hebben op achtereenvolgens de betekenis van het motief voor de bewezenverklaring, “de eenzijdigheid van het onderzoek en de tunnelvisie”, de betrouwbaarheid van een vijftal getuigen en de (uitleg die is gegeven aan) de inhoud van SMS-berichten.

De eerste deelklacht: “de eenzijdigheid van het onderzoek en de tunnelvisie”

11. De eerste deelklacht houdt in dat het Hof in de bewijsmiddelen noch het vonnis “iets [heeft] vastgesteld over de door de verdediging gestelde lacunes en eenzijdigheid in het opsporingsonderzoek en hetgeen door het openbaar ministerie aan de rechter is voorgelegd” terwijl “de verdediging ter terechtzitting uitdrukkelijk en onderbouwd met argumenten [heeft] aangevoerd dat het O.M. in deze zaak blijk heeft gegeven van een ‘tunnelvisie’ door onvoldoende onderzoek te doen naar mogelijke andere scenario's en/of, voor zover wel onderzoek is gedaan, resultaten van die mogelijke onderzoeken niet althans onvoldoende in het dossier op te nemen.”

12. Ik zie ervan af hier weer te geven wat in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota is opgenomen met betrekking tot de lacunes en eenzijdigheid in het opsporingsonderzoek, inclusief “tunnelvisie”, waarop in cassatie een beroep wordt gedaan. Een en ander is namelijk opgenomen in “EEN INTRODUCTIE IN ACHT STAPPEN” van de pleitnota waarmee de raadslieden van de verdachte “enkele observaties” met het Hof willen delen die in onderlinge samenhang “een kader” vormen “voor de beoordeling van de beschuldiging dat [de verdachte] betrokken is geweest bij de moord op [slachtoffer] .” Dat kader is, zo houdt de pleitnota verder in, “vervuld van zorgen van de verdediging. Zorgen over de wijze waarop het vooronderzoek is vormgegeven, zorgen over de wijze waarop het openbaar ministerie de resultaten van dat onderzoek in het dossier en ter terechtzitting heeft gepresenteerd en zorgen over het vonnis dat in eerste aanleg is uitgesproken.”

13. Al deze “zorgen” heeft het Hof kennelijk niet aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarvoor het Hof op grond van art. 402, tweede lid, tweede volzin, Sv Curaçao redenen had moeten geven om ervan af te wijken. De uitleg van wat ter terechtzitting wordt aangevoerd, is aan de feitenrechter en het oordeel dat deze zorgen niet zijn aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, is gelet op het voorgaande bepaald niet onbegrijpelijk.

14. Om die reden faalt de eerste deelklacht. In zoverre wijs ik ten overvloede op de uitvoerige overwegingen die het Hof in zijn vonnis onder 5.1 heeft gewijd aan het in de onderhavige zaak verrichte (opsporings)onderzoek.

De tweede deelklacht: het motief van de verdachte

15. De tweede klacht richt zich tegen het ontbreken van een overweging van het Hof over het motief van de verdachte. Als ik de klacht goed begrijp dan bestaat deze uit twee onderdelen waarbij het eerste onderdeel is gericht tegen de bewijsvoering en het tweede onderdeel is gericht tegen het ontbreken van redenen waarom het Hof voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte geen motief had om [slachtoffer] te laten vermoorden. De steller van het middel voert namelijk aan dat het Hof geen overweging heeft gewijd aan “(het ontbreken van) enig motief van verdachte zodat in cassatie het er voor moet worden gehouden dat verdachte geen motief heeft gehad en (bijgevolg) dus ook geen opzet heeft kunnen hebben het bewezenverklaarde feit te (laten) plegen, althans het ontbreken van enig motief in de weg staat aan het aannemen van de voor uitlokking van moord vereiste opzet en oogmerk. Dit klemt te meer nu de verdediging door argumenten onderbouwd heeft aangevoerd dat en waarom uit het dossier volgt dat anderen wel een motief hebben gehad het feit te plegen en het onderzoek naar die andere verdachten ten onrechte niet heeft plaatsgevonden, althans dat uit het dossier niet kan volgen dat deze onderzoeken zijn verricht, althans dat de resultaten van die onderzoeken niet aan het dossier zijn toegevoegd zodat sprake is van een onvolledig dossier.”

16. Ik zie ook nu ervan af weer te geven wat ter terechtzitting door de verdediging is aangevoerd, ditmaal over het (ontbreken van enig) motief van de verdachte. Voor het bewijs van het onder 4 ten laste gelegde opzet moet namelijk worden vastgesteld dát de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, maar zijn de redenen waarom hij opzettelijk heeft gehandeld, niet relevant. Het motief is “persoonlijk, individueel en extrinsiek aan het misdrijf als juridisch begrip”.4 Daarom kon het Hof ongemotiveerd voorbijgaan aan wat de verdediging naar voren heeft gebracht over het (ontbreken van enig) motief van de verdachte.

17. De tweede deelklacht faalt.

De derde t/m zevende deelklacht: getuigenverklaringen en SMS-berichten

18. Dan kom ik toe aan de bespreking van de deelklachten die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van een vijftal getuigen en de deelklacht die betrekking heeft op de (uitleg die is gegeven aan) de inhoud van SMS-berichten. De vier deelklachten die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van een vijftal getuigen volgen steeds hetzelfde patroon. De deelklachten bevatten steeds meerdere subklachten die overwegend in twee categorieën kunnen worden gegroepeerd. De eerste categorie bestaat uit subklachten die betrekking hebben op de selectie en waardering door het Hof van het voorhanden bewijsmateriaal. De subklachten komen er telkens op neer dat de inhoud van de getuigenverklaringen in strijd is met de inhoud van ander bewijs dat voorhanden is. Vanwege de inhoud van dat andere bewijsmateriaal, zou de beslissing van het Hof, dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen betrouwbaar zijn, onbegrijpelijk zijn. De tweede categorie bestaat uit subklachten die betrekking hebben op redenen die ter terechtzitting ten grondslag zijn gelegd aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de betreffende getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs gebruikt mogen worden. De subklachten komen erop neer dat het Hof daarbij niet zou zijn ingegaan op álle argumenten die ter terechtzitting door de verdediging naar voren zijn gebracht, waardoor het Hof niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht zoals die is neergelegd in art. 402, tweede lid, tweede volzin, Sv Curaçao. De deelklacht die betrekking heeft op de SMS-berichten, bevat daarnaast nog de subklacht dat de (uitleg die is gegeven aan) de inhoud van de berichten, onverenigbaar is met andere onderdelen van de bewijsvoering.

19. De door de steller van het middel aangevoerde subklachten zijn zeer uitvoerig en zeer gedetailleerd en komen vaak neer op een herhaling van stellingen die door de verdachte en de verdediging ter terechtzitting van het Hof naar voren zijn gebracht. Ook de ter terechtzitting van het Hof naar voren gebrachte stellingen waren zeer uitvoerig en zeer gedetailleerd. Het Hof heeft hier in zijn vonnis ook op gewezen aan het slot van de inleiding onder 5.1 in de inleidende opmerkingen. Het Hof tekent bij de bespreking van de gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten aan “dat de feitelijke breedte en detaillering waarvan de verdediging de onderbouwing van haar standpunten in sommige gevallen heeft voorzien in het geval van niet-aanvaarding van dat standpunt niet meebrengt dat het Hof zijn motivering op ieder onderdeel van die onderbouwing zal hebben toe te spitsen.” Ook in cassatie is het niet nodig om op alle subklachten afzonderlijk in te gaan die uiteindelijk varianten zijn op hetzelfde thema dat het Hof afwegingen heeft gemaakt waarmee de steller van het middel het niet eens is.

20. Vanwege de gedetailleerdheid van de aangevoerde klachten en de overeenkomsten in de inhoud en het patroon van de klachten, zie ik ervan af hier de overwegingen weer te geven die het Hof heeft gewijd aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen waarop de deelklachten betrekking hebben. Ik zal mij beperken tot de bespreking van de zesde deelklacht die betrekking heeft op de betrouwbaarheid van twee getuigen gezamenlijk, te weten [getuige 1] en [getuige 2] , en de zevende deelklacht die betrekking heeft op de (uitleg die het Hof heeft gegeven aan) de inhoud van SMS-berichten. De deelklachten die ik inhoudelijk zal bespreken, hangen met elkaar samen omdat, zoals zal blijken, de inhoud van de SMS-berichten naar het oordeel van het Hof wordt ondersteund door onder meer verklaringen van beide getuigen. De deelklachten tegen de overwegingen die het Hof heeft gewijd aan de betrouwbaarheid van de drie andere getuigen zal ik niet inhoudelijk bespreken. Het gaat om deelklachten die betrekking hebben op de getuigen [getuige 3] (derde deelklacht), [getuige 4] (vierde deelklacht) en [getuige 5] (vijfde deelklacht). Voor deze deelklachten geldt dat deze niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, na de deelklachten die ik wél heb besproken.

De zesde deelklacht: de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]

21. Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die voor het bewijs zijn gebruikt, heeft het Hof het volgende overwogen:

5.6 De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]

5.6.1 Beoordeling door het Hof

[getuige 1] en [getuige 2] hebben – kort gezegd – verklaard dat [betrokkene 1] in de periode voor de moord op [slachtoffer] vaak op bezoek kwam bij de verdachte op het kantoor van zijn onderneming [A] , en dat [betrokkene 1] op verschillende momenten het kantoor verliet met gevulde enveloppen dan wel met een stapel bankbiljetten in zijn broekzak ( [getuige 2] ).

Het Hof overweegt ambtshalve als volgt.

Het Hof ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] te twijfelen. Het Hof constateert dat de getuigen op hoofdlijnen en essentiële onderdelen consistent en gelijkluidend hebben verklaard en dat hun verklaringen elkaar onderling versterken. [getuige 1] en [getuige 2] zijn meerdere keren gehoord en de verklaringen zowel afgelegd bij de politie als ten overstaan van de rechter-commissaris zijn op hooflijnen gelijkluidend gebleven. [getuige 1] en [getuige 2] waren toentertijd werkzaam voor de verdachte op zijn kantoor. [getuige 2] werkte daar bijna vijf jaar en kende de verdachte al langer dan vijfentwintig jaar. Hij beschouwde zichzelf als een vertrouwenspersoon van de verdachte. [getuige 1] en [getuige 2] hebben, ieder voor zich, verklaard over de verschillende bezoeken van [betrokkene 1] aan de verdachte op het kantoor, en over de verschillende keren dat zij hebben waargenomen dat [betrokkene 1] met geld/enveloppen het kantoor van de verdachte verliet. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] vinden niet alleen over en weer steun, maar bovendien in verklaringen van anderen, werkzaam bij [A] . Zo blijkt uit de verklaring van 17 augustus 2016 van [getuige 6] , directrice van [A] en voormalige vriendin van de verdachte, dat het haar ook was opgevallen dat [betrokkene 1] vaak bij de verdachte op het kantoor langskwam, en dat de verdachte [betrokkene 1] ook een aantal keer buiten het kantoor ontmoette. Zij heeft de verdachte hiermee geconfronteerd, omdat zij de band tussen de verdachte en [betrokkene 1] , over wie werd verteld dat hij in de drugswereld zat, niet begreep. Op de vraag waarom de verdachte omging met [betrokkene 1] , heeft de verdachte haar medegedeeld dat [betrokkene 1] geld kwam vragen. Verder blijkt uit de verklaring van 18 september 2014 van [getuige 7] , werknemer van de verdachte, dat [betrokkene 1] bij het verlaten van het kantoor aan de verdachte vroeg of dit het eerste gedeelte was. Volgens [getuige 7] snoerde de verdachte op dat moment [betrokkene 1] de mond, omdat hij kennelijk niet wilde dat [getuige 7] dit zou horen. [getuige 7] heeft achteraf de conclusie getrokken dat dit gesprek over geld ging. De verdachte heeft verklaard dat hij in die periode [de] beschikking had over veel cash geld en dat hij op het kantoor aan [betrokkene 1] en aan zijn broer geld heeft gegeven. Aan zijn verklaring dat het zou gaan om slechts een paar honderd gulden wordt, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, geen geloof gehecht.

5.6.2 Bespreking van verweren

De raadsman heeft bepleit dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] als onbetrouwbaar zullen worden aangemerkt en derhalve moeten worden uitgesloten van het bewijs voor het ten laste gelegde. Dit verweer is op de volgende pijlers gestoeld.

Allereerst heeft de raadsman geopperd dat de jegens de verdachte belastende verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet berusten op eigen waarnemingen, maar zouden zijn ingegeven door de geruchtenstroom die op gang is gekomen na de arrestatie van de verdachte.

Het Hof gaat aan deze suggestie voorbij, nu zowel [getuige 1] als [getuige 2] in mei 2014, derhalve voordat de verdachte op 24 juli 2014 werd gearresteerd, belastend over hem hebben verklaard. Ook de suggestie dat [getuige 1] en [getuige 2] voordeel zouden hebben bij hun voor de verdachte belastend verklaren, snijdt geen hout.

Zowel [getuige 1] als [getuige 2] hebben negatieve gevolgen ondervonden van hun verklaren over de verdachte. Beiden, toentertijd werkzaam op het kantoor van de verdachte, zijn twee dagen na het afleggen van hun verklaringen op non-actief gesteld, vanwege vermeende schending van hun geheimhoudingsplicht en zijn niet meer wedergekeerd op het werk. Tevens hebben zij gevreesd voor hun veiligheid en de veiligheid van hun familie.

Voorts is door de raadsman aangevoerd dat [getuige 1] en [getuige 2] zo sterk wisselend hebben verklaard, dat daardoor de betrouwbaarheid van hun verklaringen in de kern is aangetast.

Verklaringen [getuige 1]

Ten aanzien van de verklaring van [getuige 1] heeft de raadsman – in de kern genomen – betoogd dat [getuige 1] sterk wisselend heeft verklaard over de frequentie van de bezoeken van [betrokkene 1] aan de verdachte, uiteenlopend van in totaal vijf of zes bezoeken (eerste verklaring) tot een veelvoud daarvan (latere verklaringen). Het Hof volgt dit betoog niet. De conclusie van de raadsman dat [getuige 1] heeft verklaard dat [betrokkene 1] in totaal vijf of zes keer bij de verdachte op kantoor op bezoek is geweest, berust kennelijk op een onjuiste lezing van de verklaring van 1 mei 2014 van [getuige 1] . [getuige 1] heeft bij die gelegenheid verklaard dat [betrokkene 1] vóór de moord op [slachtoffer] vaker langskwam dan na de moord. Hij heeft niet een totaal aantal genoemd, maar heeft aangegeven dat [betrokkene 1] in de periode voor de moord op [slachtoffer] in een week tijd ongeveer vier of vijf keer langskwam. Deze verklaring sluit aan bij zijn latere verklaringen dat [betrokkene 1] in april 2013 vaak langskwam bij de verdachte op het kantoor, niet elke dag, maar wel vaak, elke werkdag. Daarbij komt, dat dit bovendien steun vindt in de verklaring van [getuige 2] , inhoudend dat [betrokkene 1] in de periode rond de moord op [slachtoffer] heel vaak bij de verdachte op kantoor langskwam, soms elke dag, soms om de twee dagen, uitgaande van de werkdagen van [getuige 2] waarop hij dat heeft kunnen waarnemen.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van [getuige 1] onbetrouwbaar moet worden geacht, nu [getuige 1] in 2016 opeens met een uitgebreide verklaring is gekomen over zijn waarnemingen dat [betrokkene 1] in de periode voor de moord op [slachtoffer] verschillende keren het kantoor van de verdachte heeft verlaten met enveloppen met geld, terwijl hij daar eerder niet over heeft verklaard. Het Hof stelt vast dat [getuige 1] tijdens zijn vierde verhoor op 22 maart 2016 voor het eerst specifiek en gedetailleerd heeft verklaard dat hij heeft waargenomen dat [betrokkene 1] het kantoor van de verdachte verliet met enveloppen. Hij heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over zijn wetenschap dat de door hem genoemde bruine enveloppe, waarmee [betrokkene 1] het kantoor van de verdachte verliet, was gevuld met geld. Het Hof stelt vast dat [getuige 1] deze verklaring in 2016 heeft afgelegd, nadat de verhorende verbalisanten [getuige 1] hadden geconfronteerd met een verklaring van [getuige 2] . [getuige 1] meende dat [getuige 2] over een gebeurtenis had verklaard, die [getuige 1] had waargenomen en niet [getuige 2] . Dit was voor [getuige 1] aanleiding om te verklaren over zijn eigen waarnemingen, die afweken van de waarnemingen van [getuige 2] . In een later verhoor heeft [getuige 1] aangegeven dat het kan zijn dat hij en [getuige 2] hebben verklaard over verschillende gebeurtenissen. De aanleiding om eerst in 2016 over zijn waarnemingen met betrekking tot de enveloppen te verklaren was er voor [getuige 1] derhalve in gelegen dat hij werd geconfronteerd met de verklaring van een andere getuige, waarvan hij meende dat die niet klopte. Hierop heeft hij zijn eigen specifieke en gedetailleerde waarnemingen verteld over de gebeurtenissen die hij zelf had meegemaakt. Gelet op de aanleiding om te verklaren als ook de inhoudelijke gedetailleerdheid van de verklaring, en gelet op het feit dat deze verklaring steun vindt in de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 6] en [getuige 7] , is het Hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat [getuige 1] eerst in 2016 op dit punt een verklaring heeft afgelegd, niet maakt dat deze verklaring als onbetrouwbaar moet worden geoordeeld. Het Hof verwijst op deze plaats nog eens naar wat in dit vonnis inleidend ten aanzien van getuigenbewijs is overwogen. Ook het feit dat uit de door de raadsman bij pleidooi overgelegde bankafschriften van Banco di Caribe blijkt dat [getuige 1] in de periode van 1 april 2013 tot en met 5 mei 2013 geen contant geld van die betreffende bankrekening heeft opgehaald, dwingt niet tot deze conclusie, reeds nu vaststaat dat het bedrijf van de verdachte beschikte over meerdere bankrekeningen en ook dat de verdachte kon beschikken over meerdere en andere bankrekeningen dan die van het bedrijf (waaronder de niet aan het bedrijf gelieerde bankrekening van de stichting [B] , waarop het subsidiegeld werd gestort).

Verklaringen [getuige 2]

Ten aanzien van de verklaring van [getuige 2] heeft de raadsman – in de kern genomen – allereerst gesteld dat [getuige 2] sterk wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal keren dat hij heeft waargenomen dat [betrokkene 1] het kantoor van de verdachte verliet met gevulde enveloppen met geld of met een stapel cash geld in zijn broekzak. Anders dan de raadsman, is het Hof van oordeel dat [getuige 2] hieromtrent niet wisselend noch tegenstrijdig heeft verklaard. Het Hof stelt vast dat [getuige 2] tijdens zijn eerste verhoor heeft verklaard dat [betrokkene 1] heel vaak naar het kantoor van de verdachte kwam om geld te halen, dat hij, [getuige 2] , dat meerdere keren heeft gezien. Twee voorbeelden staan [getuige 2] nog helder voor de geest. Namelijk die ene keer dat hij voor de verdachte cash geld in een enveloppe bij de bank had opgehaald en hij vervolgens zag dat [betrokkene 1] met diezelfde enveloppe het kantoor van de verdachte verliet en een andere keer dat hij zag dat [betrokkene 1] met niets binnenkwam en met een stapel geld in zijn broekzak het kantoor van de verdachte weer verliet. Tijdens zijn tweede verhoor heeft [getuige 2] zijn verklaring dat hij meerdere keren heeft gezien dat [betrokkene 1] met geld wegging, nader gespecificeerd, te weten dat er weken waren dat hij heeft gezien dat [betrokkene 1] een- of tweemaal per week met geld wegging en dat er ook wel eens een week was waarin hij dat niet heeft gezien. De conclusie van de raadsman dat [getuige 2] eerst heeft verklaard in totaal tweemaal te hebben waargenomen dat [betrokkene 1] met geld het kantoor van de verdachte verliet, en dat hij dit aantal in zijn latere verklaringen explosief heeft verhoogd, is derhalve een onjuiste. Evenmin volgt het Hof de raadsman in de stelling dat er strijdigheid bestaat tussen de verklaring van [getuige 2] dat hij nooit een daadwerkelijke overdracht van geld heeft gezien tussen de verdachte en [betrokkene 1] enerzijds en zijn verklaring dat hij meerdere keren heeft waargenomen dat [betrokkene 1] met lege zakken het kantoor van de verdachte binnenkwam en met gevulde enveloppen met geld dan wel met een stapel cash geld in zijn broekzak het kantoor van de verdachte weer verliet anderzijds. Verder heeft de raadsman gesteld dat [getuige 2] op 1 en 5 mei 2014 tegenstrijdig heeft verklaard over het bezoek van de broer van [betrokkene 1] op het kantoor van de verdachte. Volgens de raadsman is [getuige 2] een getuige die op 1 mei 2014 heeft gezegd dat hij niet heeft gezien dat de broer van [betrokkene 1] vertrok en op 5 mei 2014, nota bene vier dagen later, heeft verteld dat hij heeft gezien dat de broer van [betrokkene 1] het pand verliet en dat de verdachte zonder geld in de broekzak achterbleef. Het Hof stelt vast dat [getuige 2] tijdens zijn eerste verhoor op 1 mei 2014 heeft verklaard dat hij niet heeft gezien dat de broer van [betrokkene 1] naar buiten is gegaan om weg te gaan, omdat [getuige 2] toen al was weggegaan. Tijdens zijn tweede verhoor op 5 mei 2014 heeft [getuige 2] verklaard dat hij heeft gezien dat de broer van [betrokkene 1] en de verdachte de achterste kantoorruimte ingingen en dat ze vervolgens deze kantoorruimte uitgingen en naar de kantoorruimte van de verdachte gingen. [getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de broer van [betrokkene 1] en de verdachte de kantoorruimte uitgingen, niet dat hij heeft gezien dat de broer van [betrokkene 1] naar buiten ging en het bedrijfspand verliet. De conclusie van de raadsman dat [getuige 2] tegenstrijdig heeft verklaard, deelt het Hof dan ook niet.

Prikklokgegevens

Tot slot heeft de raadsman gesteld dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] omtrent de bezoeken van [betrokkene 1] in hun geheel aantoonbaar onjuist zijn, gelet op de door de raadsman bij pleidooi gereproduceerde prikklokgegevens van het kantoor van de verdachte, met name de urenregistratie van [getuige 1] en [getuige 2] in de periode van 30 maart 2013 tot en met 5 mei 2013. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] omtrent hun werktijden en omtrent de tijdstippen van de bezoeken van [betrokkene 1] komen niet overeen met de prikklokgegevens, aldus de raadsman.

Vastgesteld wordt dat [getuige 1] en [getuige 2] in mei 2014 hebben verklaard dat de bezoeken van [betrokkene 1] aan de verdachte op het kantoor rond sluitingstijd plaatsvonden, te weten rond 17.00 uur. [getuige 1] heeft hierover verklaard dat [betrokkene 1] na vijven langskwam, maar ook wel eens aan het einde van de middag als er nog andere collega's aanwezig waren. [getuige 2] heeft verklaard dat hij op dinsdag en donderdag tot 17.00 uur werkte en dat hij op maandag, woensdag en vrijdag ook na 17.00 uur werkte. [betrokkene 1] kwam op die dagen rond 17.15 of 17.30 uur op het kantoor langs, waarbij [getuige 2] [betrokkene 1] soms ook buiten trof. Uitgaande van de juistheid van het in de pleitnota neergelegde overzicht van de prikklokgegevens, dwingt nadere bestudering van deze prikklokgegevens, anders dan de raadsman heeft betoogd niet tot de conclusie dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] aantoonbaar onjuist zijn.

De raadsman heeft erop gewezen dat [getuige 2] op 15 maart 2016 heeft verklaard dat hij zich een dag kan herinneren dat hij [betrokkene 1] een maand of anderhalve maand voor de moord op [slachtoffer] , derhalve in maart/april 2013, een keer rond 19.30 uur op het kantoor van de verdachte heeft gezien, terwijl uit de prikklokgegevens blijkt dat [getuige 2] in die periode niet later dan 18.37 uur het kantoor heeft verlaten. Het Hof stelt vast dat uit de prikklokgegevens eveneens blijkt [getuige 2] in die periode – kennelijk – ook niet heeft uitgeklokt, hetgeen overeenkomt met zijn verklaring dat hij de prikklok niet (altijd) gebruikte. Gelet hierop kan, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet met zekerheid worden gesteld dat [getuige 2] in die periode nimmer om 19.30 uur op het kantoor aanwezig was. Daarnaast is sprake van fors tijdsverloop tussen het afleggen van de verklaring in maart 2016 en de betreffende gebeurtenis in maart/april 2013 en is het verschil tussen 18.09 dan wel 18.37 uur (wel geregistreerde tijdstippen van [getuige 2] op de prikklok) en 19.30 uur (het door [getuige 2] in 2016 genoemde tijdstip) in dat licht verwaarloosbaar te achten. De door [getuige 2] in 2016 afgelegde verklaring sluit qua tijdstip in hoofdlijnen aan bij eerdere verklaringen van [getuige 2] – als ook van [getuige 1] – dat [betrokkene 1] rond dan wel na sluitingstijd van het kantoor bij de verdachte langskwam. Het Hof stelt vast dat wat ten aanzien van deze getuigen ten verwere is aangevoerd een treffend voorbeeld vormt van wat in dit vonnis inleidend over getuigenbewijs is overwogen.

5.6.3 Conclusie
Het Hof verwerpt de ten aanzien van deze getuigen gevoerde verweren in al zijn onderdelen en waardeert hun verklaringen als betrouwbaar en mitsdien bruikbaar voor het bewijs.”

22. Ik begin met een groot aantal van subklachten die de steller van het middel naar voren brengt en die erop neerkomen dat de inhoud van de verklaringen van beide getuigen die het Hof voor het bewijs heeft gebruikt, in strijd is met de inhoud van ander bewijs dat voorhanden is. Vanwege de inhoud van dat andere bewijsmateriaal, zou de beslissing van het Hof, dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen betrouwbaar zijn, onbegrijpelijk zijn. Ter illustratie van de naar voren gebrachte subklachten wijs ik op:

(i) de overstelpende hoeveelheid verschillen in de door de beide getuigen afgelegde verklaringen en de discrepanties tussen de verklaringen van de ene getuige ( [getuige 1] ) en die van de andere ( [getuige 2] );

(ii) de verklaringen van beide getuigen over de opname door hen van contante geldbedragen voor de verdachte die door objectieve gegevens niet alleen niet worden ondersteund maar zelfs, zoals mede aan de hand van het uitgevoerde onderzoek en stukken, zoals bankafschriften, uitdrukkelijk worden weergelegd;

(iii) ter terechtzitting overgelegde bankafschriften waaruit zou blijken dat de getuige [getuige 1] , anders dan hij heeft verklaard, in de periode van 1 april 2013 tot en met 5 mei 2013 geen contant geld heeft gehaald bij de Banc di Caribe, en

(iv) verklaringen van [getuige 2] die tegenstrijdigheden bevatten en kennelijk leugenachtig zijn, bijvoorbeeld gelet op objectieve gegevens zoals die van de prikklok.

23. Voor al deze subklachten geldt dat het Hof vrij is in de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal.5 Het Hof heeft de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de getuigen als betrouwbaar beoordeeld ondanks de feiten en omstandigheden en verklaringen van andere getuigen die de verdediging ter terechtzitting naar voren heeft gebracht om de betrouwbaarheid van die verklaringen te betwisten. Voor wat betreft de onder randnummer 18 genoemde eerste categorie subklachten was het Hof niet tot een nadere motivering van de gemaakte selectie en waardering gehouden.

24. Voor de bij randnummer 22 onder (i) samengevatte subklacht komt hier nog bij dat het Hof is ingegaan op een aantal verschillen en discrepanties in de verklaringen van beide getuigen waarop de verdediging ter terechtzitting heeft gewezen. Als voorbeelden noem ik de overweging dat het Hof de “conclusie van de raadsman dat [getuige 2] tegenstrijdig heeft verklaard” niet deelt, en de overweging dat de “conclusie van de raadsman dat [getuige 1] heeft verklaard dat [betrokkene 1] in totaal vijf of zes keer bij de verdachte op kantoor op bezoek is geweest […] kennelijk op een onjuiste lezing van de verklaring van 1 mei 2014 van [getuige 1] ” berust. In zoverre mist de deelklacht feitelijke grondslag.

25. Daarnaast voert de steller van het middel aan dat het Hof niet heeft gerespondeerd op verweren waarin “door argumenten onderbouwd en met verwijzing naar vindplaatsen in het dossier” een aantal punten is aangevoerd. In de schriftuur zijn deze als volgt opgesomd:

“- het feitelijk onmogelijk is dat [getuige 2] vanaf zijn positie in het pand [betrokkene 1] binnen heeft zien komen of heeft zien vertrekken, laat staan dat hij [betrokkene 1] binnen heeft gelaten;

- de verklaringen van andere werknemers van [A] haaks staan op de verklaringen van [getuige 1] (en [getuige 2] ) nu geen van die andere werknemers [betrokkene 1] ooit met geld – in een enveloppe, in een broekzak of in een zak – heeft zien vertrekken;

- de verklaring van [getuige 2] dat hij vanaf zijn beweerdelijke werkplek in de kamer met schotten zicht had op de werkkamer van verdachte – terwijl de gemaakte opnames en foto's laten zien dat dit feitelijk onmogelijk is;

- de bezoekfrequentie van [betrokkene 1] in de verklaringen van de andere medewerkers van [A] heel anders is dan [getuige 1] en [getuige 2] hebben doen voorkomen waarbij gewezen is op het feit dat [getuige 8] [betrokkene 1] in 2014 bijvoorbeeld niet heeft herkend van een foto hetgeen niet duidt op dagelijkse bezoeken van [betrokkene 1]

- [getuige 8] in 2016 nog eens heeft verklaard [betrokkene 1] voor de moord op [slachtoffer] maar een- of tweemaal op het kantoor van [A] te hebben gezien;

- [getuige 6] zich niet kan herinneren dat [betrokkene 1] voor 5 mei 2013 op het kantoor van [A] is geweest”.

26. Deze subklachten reken ik tot de onder randnummer 18 genoemde tweede categorie. De subklachten zijn in feite redenen die ter terechtzitting ten grondslag zijn gelegd aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de betreffende getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs gebruikt mogen worden. De subklachten komen erop neer dat het Hof daarbij niet zou zijn ingegaan op álle argumenten die ter terechtzitting door de verdediging naar voren zijn gebracht, waardoor het Hof niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht zoals die is neergelegd in art. 402, tweede lid, tweede volzin, Sv Curaçao. Anders dan de steller van het middel aangeeft, zijn de hiervoor bij de gedachtestreepjes samengevatte subklachten geen afzonderlijke “verweren” waarop het Hof had moeten responderen. Het zijn argumenten waarmee de verdediging het uitdrukkelijke standpunt heeft onderbouwd dat de verklaringen van de getuigen onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs gebruikt mogen worden. Het Hof is van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken en heeft de redenen daarvoor gegeven in het vonnis onder 5.6.2. Het Hof was niet gehouden in te gaan op alle argumenten waarmee de verdediging het standpunt heeft onderbouwd. De motiveringsplicht ex art. 402, tweede lid, tweede volzin, Sv Curaçao, gaat immers niet zo ver dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.6 In dit verband wijs ik erop dat het Hof voorafgaand aan de bespreking van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen, in zijn vonnis onder 5.1 heeft aangetekend “dat de feitelijke breedte en detaillering waarvan de verdediging de onderbouwing van haar standpunten in sommige gevallen heeft voorzien in het geval van niet-aanvaarding van dat standpunt niet meebrengt dat het Hof zijn motivering op ieder onderdeel van die onderbouwing zal hebben toe te spitsen. Het Hof heeft de argumenten die bij de gedachtestreepjes zijn aangegeven, kennelijk in “de feitelijke breedte en detaillering” van de onderbouwing van de standpunten van de verdediging, aangemerkt als detail en dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

27. De zesde deelklacht faalt in alle onderdelen.

De zevende deelklacht: de SMS-berichten

28. Met het oog op de bespreking van deze deelklacht geef ik eerst de inhoud weer van de SMS-berichten die het Hof voor het bewijs heeft gebruikt:

“35. Proces-verbaal van bevindingen telefonische contacten [betrokkene 1] - [verdachte] - [betrokkene 4] + bijlagen, pagina's B- 595 t/m 599 van het zaaksdossier Maximus, voor zover inhoudende als verklaring van verbalisant:

Uit opgevraagde telecomgegevens van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] (het Hof begrijpt: [betrokkene 1] ) en [verdachte] zijn de volgende sms-berichten gebleken:

-25 april 2013 te 10:38 uur van [verdachte] aan [betrokkene 1] :

ma han un trabow di 4 ora kizaz pa abo ora bo tin chens pasa

(Ik heb werk voor vier uren, misschien iets voorjou. Kom langs wanneerje tijd hebt)

- 30 april 2013 te 15:28 uur van [betrokkene 1] aan [verdachte] :

Ki dia mi wak bo pami por kuminsa traha ruman mi tin mi uniform nan kaba’.

(Wanneer kan ik je zien, zodat ik kan beginnen met werken? Ruman, ik heb reeds mijn uniformen)

- 30 april 2013 te 15:42 uur van [verdachte] aan [betrokkene 1] :

Lora na mi kas pa mi waknan

(Kom bij me thuis, zodat ik ze kan zien)

- 30 april 2013 te 16:01 uur van [betrokkene 1] aan [verdachte] :

Se mi tei

(Ja, ik ben er)
- 3 mei 2013 te 14.33 uur van [betrokkene 1] naar [verdachte] :

Mi ruman e amigu no tei e dianan aki pa judami traha eta afo ora ma bin wak e aki

(Mijn ruman, de vriend is er deze dagen niet om me bij het werk te helpen. Hij is in het buitenland toen ik hier kwam kijken)

- 3 mei 2013 te 14.38 uur van [verdachte] naar [betrokkene 1] :

Si e la kontesta

(Ja hij/zij heeft geantwoord)

- 3 mei 2013 te 14.39 uur van [betrokkene 1] naar [verdachte] :

‘E no tei aki nan no afo su kasa kim os tabata papia di dje a bisami’

(Hij is niet hier, in het buitenland, heeft zijn echtgenote waarover wij het hadden, mij gezegd)

- 4 mei 2013 te 10:53 uur van [verdachte] aan [betrokkene 1] :

‘E la manda pa mi bisa algu ki ora por pasa pa mi bisa bo’

(Hij heeft me laten weten om iets te zeggen. Wanneer kun je langskomen zodat ik het jou kan zeggen)

- 4 mei 2013 te 10:54 uur van [betrokkene 1] aan [verdachte] :

12or ta bon

(12:00 uur is goed)

- 4 mei 2013 te 10:55 uur van [verdachte] aan [betrokkene 1] :

Aworaki lo ta miho. Mi ta na kas

(Nu komt het beter uit. Ik ben thuis)

- 4 mei 2013 te 10:56 uur van [betrokkene 1] aan [verdachte] :

Mi ta bin ok

(Ik kom ok)

- 4 mei 2013 te 18.54 uur van [betrokkene 1] aan [verdachte] :

Mi ta wak drechi di e peki aja pami basila kune

(ik zal dat meisje opzoeken zodat ik met haar kan stoeien)”.

29. Met betrekking tot de uitleg die het Hof heeft gegeven aan de inhoud van SMS-berichten, heeft het Hof het volgende overwogen:

“5.8 De duiding van de sms-berichten en het bezoek van [betrokkene 6] aan de verdachte

5.8.1 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat aan de inhoud van de sms-berichten tussen de verdachte en [betrokkene 1] een geheel andere betekenis dient te worden toegekend dan het openbaar ministerie en het Gerecht hebben gedaan. De berichten hebben niets te maken met (voorbereidingen van) de moord op [slachtoffer] . De woorden ‘werk/werken’, genoemd in de sms-berichten van 25 en 30 april 2013 zien niet op dat delict of wat daarmee samenhangt, en het woord ‘uniform’ in het bericht van 30 april 2013 is geen codewoord voor degenen die de moord hebben uitgevoerd. Bovendien staat die interpretatie haaks op verklaringen die getuigen hebben afgelegd. Voorts is het niet vreemd dat de verdachte en [betrokkene 1] elkaar vanaf de dag van de moord op [slachtoffer] tot en met 5 juli 2013 geen sms-berichten meer hebben gestuurd. Die stilte valt ook in een patroon: de verdachte en [betrokkene 1] stuurden elkaar onregelmatig berichten, soms maandenlang niet.

De raadsman heeft ter ondersteuning van dit onderdeel van het verweer gewezen op drie valkuilen die hij ziet bij de interpretatie van de inhoud van de smsberichten, zoals die zijn gewisseld tussen de verdachte en [betrokkene 1] . Waar de verdachte zélf een uitleg heeft gegeven over de inhoud van de sms-berichten moet onder ogen worden gezien dat die niet is gebaseerd op zijn daadwerkelijke herinnering, maar op verbanden die hem zijn verteld. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg voelde de verdachte zich geroepen tekst en uitleg te geven over de sms-berichten. Zijn verklaring op die terechtzitting is evenmin gebaseerd op een daadwerkelijke herinnering van de verdachte, maar is slechts afgelegd vanuit zijn wens om duidelijk te maken dat de aan hem voorgehouden suggesties niet juist waren.

Ten aanzien van het bezoek van [betrokkene 6] aan de verdachte heeft de raadsman betoogd dat uit de e-mail van [betrokkene 5] , de receptioniste van [A] , aan de verdachte weliswaar blijkt dat [betrokkene 6] op 11 februari 2014 langs is geweest op het kantoor van de verdachte, maar dat uit de daaropvolgende mails kan worden afgeleid dat de broer van [betrokkene 1] niet dezelfde middag is teruggekomen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat uit het dossier geenszins volgt dat [betrokkene 6] geld heeft gekregen van de verdachte voor de advocaatkosten van [betrokkene 1] .

[…]

5.8.3 Beoordeling door het Hof

Vaststaat dat de verdachte en [betrokkene 1] in de periode van 25 april 2013 tot en met 4 mei 2013 een aantal sms-berichten (hierna: de sms-berichten) naar elkaar hebben verzonden. Voor het begrip van de inhoud van die berichten heeft als uitgangspunt te gelden dat de letterlijke tekst daarvan die inhoud weergeeft. Anders gezegd: er staat wat er staat. Dat kan echter anders zijn indien die lezing niet logisch is, in strijd is met hetgeen de gespreksdeelnemers daarover hebben verklaard en/of in strijd is met de inhoud van het dossier.

Op 25 april 2013 om 10.38 uur heeft de verdachte aan [betrokkene 1] het volgende smsbericht gestuurd: ‘ma hart un trabow di 4 ora'kizaz pa abo ora bo tin chens pasa’

(Ik heb werk voor vier uren, misschien iets voorjou. Kom langs wanneer je tijd hebt)

Dit bericht gaat over 'werk (...), misschien iets voor jou'. Daaruit volgt dat het gaat om werk voor [betrokkene 1] zelf, en niet om werk voor anderen met wie [betrokkene 1] volgens de verdachte weleens op zijn werk verscheen en voor wie [betrokkene 1] werk zocht. De verdachte en [betrokkene 1] hebben echter ieder voor zich verklaard dat [betrokkene 1] nooit heeft gewerkt voor de verdachte en dat [betrokkene 1] ook geen beveiligingswerk voor de verdachte wilde doen. Ook [getuige 6] , directrice bij [A] , en [getuige 9] , goede vriend van [betrokkene 1] , hebben als getuigen verklaard dat [betrokkene 1] nooit voor [A] heeft gewerkt. Het werk waarover in voornoemd sms-bericht wordt gesproken kan daarom dan ook niet gaan over beveiligingswerk bij [A] .

De andersluidende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 juni 2019 (ik had parttime werk voor vier uren in de beveiliging) maakt die conclusie niet anders. Het Hof hecht gelet op het voorgaande geen geloof aan deze verklaring, te meer nu door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat de verdachte aan het sms-bericht zelf geen specifieke herinnering heeft, maar die verklaring was gebaseerd op een reconstructie die was ontleend aan de kennis over zijn bedrijf.

Aan dit sms-bericht over het werk wordt blijkens de daaropvolgende sms-berichten een vervolg gegeven. Zo blijkt uit het bericht van 30 april 2013 om 15.28 uur dat [betrokkene 1] aan de verdachte vraagt wanneer hij hem (de verdachte) kan zien, zodat hij kan beginnen met werken en zegt hij dat hij reeds zijn uniformen heeft. Daarop nodigt de verdachte [betrokkene 1] uit om bij hem thuis langs te komen, zodat hij ze kan zien (sms-bericht van 30 april 2013 om 15.42 uur) en is [betrokkene 1] daar volgens zijn sms-bericht op 30 april 16.01 uur (sms-bericht van die datum en dat tijdstip). Een paar dagen later, op 3 mei 2013 om 14.33 uur, sms't [betrokkene 1] naar de verdachte dat de vriend er deze dagen niet is om hem te helpen bij het werk, omdat hij in het buitenland is (cursivering en onderstreping door het Hof).

Nu het werk waarover in de sms-berichten wordt gesproken geen beveiligingswerk voor [A] kan zijn rijst de vraag welk werk dan wél wordt bedoeld. Voor de uitleg die de verdachte en [betrokkene 1] aan de sms-berichten hebben gegeven biedt het dossier geen enkele steun. Daaraan voegt het Hof nog toe dat ook voor de uitleg die de verdachte en [betrokkene 1] aan het woord ‘uniformen’ geven, te weten dat het zou gaan om baseball uniformen, het dossier geen enkele steun biedt. Ook de persoon voor wie die uniformen zouden zijn bedoeld, ondersteunt deze verklaringen niet.

Uit de te bezigen bewijsmiddelen volgt echter wel dat [betrokkene 1] een organiserende rol in de uitvoering van de moord op [slachtoffer] heeft gehad en dat hij daarover met de verdachte in onderhandeling was. Bij gebreke van een redelijke uitleg over de inhoud van de sms-berichten zullen deze met die vaststelling in het achterhoofd worden gelezen.

Het Hof stelt vast dat de berichten naar hun letterlijke tekst niet te begrijpen zijn en dat er onmiskenbaar gebruik is gemaakt van versluierend taalgebruik. Het Hof is van oordeel dat mede gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen het niet anders kan zijn dat met het woord ‘werk’ de moord op [slachtoffer] is bedoeld.

Deze vaststelling wordt door het navolgende ondersteund.

Tijdens de detentie van [betrokkene 1] is een aantal telefoongesprekken tussen hem en zijn vriendin en tussen hem en zijn vader heimelijk afgeluisterd en opgenomen. Uit de telefoongesprekken van 30 januari 2014 en 4 februari 2014, gevoerd tussen [betrokkene 1] en zijn vriendin volgt, dat de advocaat van [betrokkene 1] moest worden betaald en dat zijn moeder daarvoor de helft opzij had gezet. Uit het tapgesprek van 3 februari 2014 tussen de vader van [betrokkene 1] en [betrokkene 1] blijkt dat het bedrag dat aan de advocaat moest worden betaald twee keer zoveel was als de vorige keer en dat [betrokkene 1] tegen zijn vader heeft gezegd dat hij tegen [betrokkene 6] (het Hof begrijpt: de broer van [betrokkene 1] ) moest zeggen ‘om te kijken hoe en wat’. In het telefoongesprek van 8 februari 2014 tussen [betrokkene 1] en zijn vader vertelt zijn vader hem dat er voor dat ding geen probleem is, omdat ‘mama’ het zou regelen totdat zij één van de mensen die moesten betalen hadden bereikt. Voorts zegt de vader van [betrokkene 1] dat hij [betrokkene 6] had gevraagd om bij de man voor wie hij ( [betrokkene 1] ) had gewerkt (onderstreping Hof) langs te rijden, om te kijken of de auto er staat en dat [betrokkene 6] heeft gezegd dat hij tegen de werknemers had gezegd om de man te melden dat [betrokkene 6] langs was geweest. Uit het tapgesprek van 13 februari 2014, gevoerd tussen [betrokkene 1] en zijn vader, blijkt vervolgens dat het [betrokkene 6] is gelukt met dat ding.

Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] volgt dat [betrokkene 6] inderdaad begin 2014 naar het kantoor van [A] is gegaan en tegen de receptioniste heeft gezegd dat hij met de verdachte wilde praten. Zowel [getuige 2] als [getuige 1] hebben verklaard dat de broer van [betrokkene 1] (een paar dagen) later terugkwam. Uit een e-mail van die receptioniste gericht aan de verdachte blijkt dat [betrokkene 6] op 11 februari 2014 langs is geweest en een afspraak met de verdachte wilde maken. Die afspraak is kennelijk gemaakt want zowel [getuige 2] als [getuige 1] hebben gezien dat de verdachte met de broer van [betrokkene 1] de achterste kantoorruimte van het kantoor van [A] is binnengegaan en dat de broekzakken van de verdachte vol met papiergeld zaten. [getuige 1] heeft hierover verklaard dat hij zag dat de broekzak van de verdachte vol met briefjes van NAf 100,- zat, zodanig vol dat zijn hand er niet meer in paste. Beiden hebben verklaard dat toen de verdachte en de broer van [betrokkene 1] deze achterste kantoorruimte weer verlieten, de broekzakken van de verdachte leeg waren.

Uit het afgeluisterde en opgenomen telefoongesprek van 13 februari 2014 blijkt vervolgens dat de vader van [betrokkene 1] aan [betrokkene 1] meldt dat het de broer van [betrokkene 1] is gelukt. Gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , gelezen in samenhang met de inhoud van de bovengenoemde opgenomen telefoongesprekken tussen [betrokkene 1] enerzijds en zijn vader dan wel zijn vriendin anderzijds, is er geen andere redelijke conclusie mogelijk dan dat de verdachte bij gelegenheid van hun ontmoeting in de achterste kantoorruimte aan de broer van [betrokkene 1] een (grote) hoeveelheid cash geld heeft gegeven, waarmee de advocaat van [betrokkene 1] kon worden betaald.

Zonder nadere uitleg aan de zijde van de verdachte, welke uitleg ontbreekt, valt niet in te zien waarom de verdachte zou moeten betalen voor de advocaat van [betrokkene 1] , zeker nu de verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 1] een kennis van hem was en zeker geen vriend.

Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen sms-berichten van 25 april 2013 tot en met 4 mei 2013, gelezen in samenhang met de overige bewijsmiddelen, volgt dat de verdachte en [betrokkene 1] over de opdracht tot moord contact onderhielden en tweemaal afspraken om elkaar bij de verdachte thuis te ontmoeten. Kennelijk kon of mocht over die moordopdracht niet nader per telecom worden gecommuniceerd. Voorts volgt uit die berichten dat een niet bij naam genoemd persoon die in het buitenland was, bij 'het werk' zou moeten helpen.

Ook het sms-bericht van 4 mei 2013 om 18.54 uur van [betrokkene 1] aan de verdachte

Mi ta wak drechi di e peki aja pami basila kune

(ik zal dat meisje opzoeken zodat ik met haar kan stoeien)

past binnen de lezing dat de verdachte de opdracht tot de moord op [slachtoffer] aan [betrokkene 1] heeft verstrekt. Opvallend is overigens dat uit het dossier naar voren komt dat het woord ‘stoeien’ wordt gebruikt als het gaat om een gewelddadige handeling.

Met dit bericht heeft [betrokkene 1] kennelijk de verdachte een dag voor de moord kenbaar gemaakt dat alle seinen daarvoor op groen stonden en hij tot uitvoering van de opdracht over zou gaan. Deze interpretatie van het sms-bericht wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte dat hij geen gemeenschappelijke dingen met [betrokkene 1] had, zoals sport, vuurwapens, auto's en vriendinnen. Een bericht uit het niets van [betrokkene 1] aan de verdachte over ‘het opzoeken van een meisje, zodat hij met haar kan stoeien’ kan dan ook niet anders dan versluierend taalgebruik zijn. Voorts vindt deze interpretatie ondersteuning in hetgeen daarna plaatsvindt. [betrokkene 1] neemt driemaal telefonisch contact met [betrokkene 4] op, zijnde de persoon die de uitvoerders aartstuurde, en wel op 4 mei 2013 om 20.32 uur, 20.35 uur en op 5 mei 2013 te 0.03 uur, waarna [betrokkene 4] de volgende dag onder meer [betrokkene 2] (de schutter) benaderde, die de moordopdracht met enige spoed moest uitvoeren. [slachtoffer] is op 5 mei 2013 omstreeks 16.50 uur door [betrokkene 2] vermoord.

Betekenisvol is ten slotte, dat de verdachte en [betrokkene 1] sinds dat sms-bericht tot in ieder geval 5 juli 2013 geen sms-contact meer hebben gehad. Dat [betrokkene 1] en de verdachte wel vaker elkaar maandenlang geen sms-berichten zouden wisselen, zoals door de raadsman is aangevoerd, maakt dat niet anders.”

30. De zevende deelklacht bestaat hoofdzakelijk uit subklachten tegen de interpretatie door het Hof van de SMS-berichten die erop neerkomt dat met “werken” wordt gedoeld op de voorbereidingen en het uitvoeren van de moord op [slachtoffer] en dat bij die voorbereidingen “uniformen” zijn gebruikt. Voor zover de interpretatie van de SMS-berichten zou betekenen dat deze betrekking hebben op de moord op [slachtoffer] dan zou die interpretatie in strijd zijn met de inhoud van de door het Hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van [getuige 3] , [getuige 1] en [getuige 2] . Ik begin met de subklachten tegen de interpretatie – en soms beter gezegd: “mogelijke interpretatie” – die het Hof heeft gegeven aan de SMS-berichten zelf.

31. Met betrekking tot het SMS-bericht van 25 april 2013 wordt aangevoerd dat een “nadere invulling of specifieke ‘vertaling’ van het bericht (en de overige berichten)” in het vonnis ontbreekt. Tegen de kennelijk vaststelling door het Hof dat met werken wordt gedoeld op de moord op [slachtoffer] , voert de steller van het middel aan dat deze interpretatie afwijkt “van het door argumenten onderbouwde standpunt van de verdediging, te weten dat uit een groot aantal andere SMS-berichten (vanaf 30 november 2012) waarin gesproken wordt over ‘werk’ volgt dat die berichten allen evident betrekking hebben op daadwerkelijk door vrienden of familieleden van [betrokkene 1] te verrichten werkzaamheden, zonder dat het Hof hierop is ingegaan.” Beide subklachten missen feitelijke grondslag. Ten eerste heeft het hof in zijn vonnis overwogen “dat met het woord ‘werk’ de moord op [slachtoffer] is bedoeld”. Ten tweede heeft het Hof uiteengezet dat het bericht van 25 april 2013 betrekking had op door [betrokkene 1] zelf te verrichten werk en dus niet op door anderen te verrichten werk. Het Hof is dus wel degelijk ingegaan op hetgeen ter terechtzitting door de verdediging is aangevoerd, nog daargelaten het antwoord op de vraag of wat is aangevoerd kan worden aangemerkt als een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 402, tweede lid, tweede volzin, Sv.

32. Met betrekking tot de op 3 mei 2013 verstuurde SMS-berichten, wijst de steller van het middel op de vaststelling door het Hof in zijn vonnis dat “een niet bij naam genoemd persoon die in het buitenland was, bij het ‘werk’ zou moeten helpen”. Vervolgens voert de steller van het middel aan dat in het vonnis “een nadere aanduiding van de identiteit” ontbreekt van de persoon die in het buitenland zou verblijven terwijl ook “een nadere uitleg van de werkzaamheden waaruit die hulp zou moeten bestaan” ontbreekt. De vaststelling van het Hof schiet daarom te kort. Daar komt nog bij dat de verdediging het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt heeft ingenomen “dat de door het Hof als uitvoerders van de moord aangewezen personen in die periode in het geheel niet in het buitenland hebben verbleven”. De “mogelijke interpretatie” die het Hof aan dit SMS-bericht heeft gegeven is daarom “in strijd met de inhoud van andere bewijsmiddelen”.

33. De steller van het middel interpreteert de overweging van het Hof, dat “een niet bij naam genoemd persoon die in het buitenland was, bij het ‘werk’ zou moeten helpen”, in die zin dat het daarbij volgens het Hof om een van de “uitvoerders van de moord” gaat. Dat is echter een “mogelijke interpretatie” van de steller van het middel. De overweging van het Hof houdt niet in welke rol degene die “in het buitenland” zou zijn, bij de moord op [slachtoffer] te vervullen zou hebben. Om die reden mocht het Hof voorbijgaan aan de door de verdediging betrokken stelling dat de door het Hof als uitvoerders van de moord aangewezen personen in de betreffende periode niet in het buitenland hebben verbleven. Ik wijs er bovendien op dat het Hof heeft vastgesteld dat bij de berichten gebruik is gemaakt van “versluierend taalgebruik" en dat de berichten naar “naar hun letterlijke tekst niet te begrijpen zijn” zodat ook met het “buitenland” iets anders kan zijn bedoeld dan wat er letterlijk staat. Een interpretatie, dat daarmee werd bedoeld dat degene die bij het “werk” zou moeten helpen op het moment dat de berichten werden verstuurd “niet beschikbaar was”, is ook mogelijk. Voor de vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte als uitlokker van de moord op [slachtoffer] is het trouwens niet relevant wie de door het Hof niet bij naam genoemde persoon was of waaruit de helpende hand van die persoon bij de moord op [slachtoffer] zou bestaan. Die niet bij naam genoemde persoon heeft in de onderhavige zaak niet terecht gestaan.

34. Met betrekking tot de op 30 april 2013 verstuurde SMS-berichten voert de steller van het middel aan dat in het vonnis geen interpretatie van deze berichten wordt gegeven. Hierop laat de steller van het middel volgen dat “het Hof kennelijk heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] met ‘uniformen’ de uitvoerders van de moord heeft bedoeld. Klaarblijkelijk heeft het Hof vastgesteld dat verdachte op 30 april 2013 de feitelijke uitvoerders van de moord in zijn woning heeft geïnspecteerd/kunnen inspecteren, althans heeft gezien/kunnen zien.” Aangevoerd wordt dat deze “vaststelling” onjuist/onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdachte daarover ter terechtzitting heeft verklaard en de verdediging als verweer heeft aangedragen, te weten dat (ik citeer uit de schriftuur):

“- uit het dossier niet kan volgen dat één of meerdere uitvoerders ooit verdachte heeft/hebben bezocht;

- de uitvoerders daaromtrent ook niets hebben verklaard;

- [betrokkene 4] niet eens op Curacao was en ook nog eens zendmastgegevens aantonen dat (één van) de uitvoerders/’uniformen’ in die periode niet eens in de buurt van de woning van verdachte (is) zijn geweest.”

35. De “mogelijke interpretatie van het Hof”, zo vervolgt de steller van het middel, is “derhalve in strijd met de inhoud van andere bewijsmiddelen en daarmee dus ook niet in verband te brengen zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed” is.

36. Inderdaad geeft het Hof in zijn vonnis geen expliciete interpretatie van wat in de SMS-berichten wordt bedoeld met “uniformen”. De steller van het middel interpreteert vervolgens wat het Hof dan met “uniformen” naar zijn mening heeft bedoeld, om daar de conclusie aan te verbinden dat die interpretatie in strijd is met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Ik wijs erop dat het Hof heeft vastgesteld dat de berichten naar hun letterlijke tekst niet te begrijpen zijn en dat onmiskenbaar gebruik is gemaakt van “versluierend taalgebruik”. Dat geldt ook voor wat wordt bedoeld met “uniformen” en de interpretatie dat de verdachte de uitvoerders van de moord “in zijn woning heeft geïnspecteerd/kunnen inspecteren, althans heeft gezien/kunnen zien” zoals de steller van het middel aanvoert. Een interpretatie die het Hof niet heeft gegeven aan de inhoud van de voor het bewijs gebruikte SMS-berichten, wordt niet onbegrijpelijk door een interpretatie die de steller van het middel aan die SMS-berichten geeft omdat die interpretatie afkomstig is van de steller van het middel en niet van het Hof.

37. Tot besluit van de bespreking van de zevende deelklacht bespreek ik de subklachten tegen de interpretatie van de SMS-berichten, voor zover die interpretatie in strijd zou zijn met de inhoud van de door het Hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van [getuige 3] , [getuige 1] en [getuige 2] . De steller van het middel voert aan dat uit “de door het Hof als bewijsmiddelen gebruikte verklaringen van onder meer [getuige 3] (bewijsmiddelen 21 en 22) […] volgt dat [betrokkene 1] al veel eerder, te weten in maart 2013, bereid was de moord te laten plegen” en – als ik de steller van het middel goed begrijp – dus niet pas sinds 25 april 2013 door de verdachte is uitgelokt zoals zou blijken uit het voor bewijs gebruikte SMS-bericht van die dag. Het feit dat [betrokkene 1] “al (maanden) eerder [dan 25 april 2013, AG] bereid zou zijn geweest de moord te (laten) plegen) zou bovendien in strijd zijn met “zowel de voor het bewijs gebruikte verklaring van [getuige 1] , waaruit volgt dat het Hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] al vanaf januari 2013 [de] verdachte op het kantoor bezocht en in maart 2013 zelfs ‘elke werkdag’ op kantoor verscheen en de voor het bewijs gebruikte verklaring van [getuige 2] waarin is gesteld dat [betrokkene 1] al ‘een maand of anderhalve maand’ voor de moord van verdachte een ‘witte enveloppe’ met – volgens [getuige 2] – Ang. 50.000,00 of Ang. 60.000,00 van [de] verdachte op het kantoor in ontvangst heeft kunnen nemen.”

38. Deze klachten berusten op een verkeerde lezing van de bewezenverklaring zodat ik ervan kan afzien de inhoud weer te geven van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de getuigen. Het Hof heeft namelijk niet bewezen verklaard dat de verdachte vanaf 25 april 2013 [betrokkene 1] heeft uitgelokt [slachtoffer] te (laten) vermoorden, maar “in de periode 2 juni 2012 tot en met 5 mei 2013 te Curaçao opzettelijk heeft uitgelokt door giften” et cetera.

39. De zevende deelklacht faalt in alle onderdelen.

40. Hieruit volgt dat alle deelklachten falen die zijn gericht tegen de overwegingen van het Hof die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van een vijftal getuigen en op de (uitleg die is gegeven aan) de inhoud van SMS-berichten. Dit betekent dat de tweede klacht in alle onderdelen faalt.

De derde klacht: de redenen om af te wijken van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten en de motiveringseisen van het EHRM

41. De derde klacht ligt in het verlengde van de tweede klacht en houdt in dat de verwerping door het Hof van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in strijd is met de eisen die het EHRM daaraan stelt. De steller van het middel voert aan dat art. 6 EVRM is geschonden doordat het hof “specific, pertinent and important points made by the accused” heeft genegeerd. In de schriftuur worden vervolgens bij zestien gedachtestreepjes punten samengevat die het Hof heeft “genegeerd” en door de steller van het middel worden gekwalificeerd als “essential issues of the case” en “arguments which are decisive for the outcome of the case”.

42. De steller van het middel onderbouwt zijn klacht met de weergave van een deel van de Guide on Article 6 of the Convention – Right to a fair trial (criminal limb), en citaten uit twee uitspraken van het EHRM. In de zaak Carmel Saliba t. Malta overwoog het EHRM in zijn arrest van 29 november 2016 dat “the right to a fair trial cannot be seen as effective unless the requests and observations of the parties are truly ‘heard’, that is to say, properly examined by the tribunal.”7 In de tweede zaak, Zhang t. Oekraïne, overwoog het EHRM in zijn arrest van 13 november 2018 dat “by ignoring a specific, pertinent and important point made by the accused, the domestic courts fall short of their obligations under Article 6 § 1 of the Convention.”8

43. Van de in de schriftuur geciteerde arresten is dat maar een deel van de overwegingen. Die overwegingen komen erop neer dat de reikwijdte van de motiveringsplicht moet worden bepaald in het licht van de omstandigheden van het geval.9 In een eerdere zaak, Van de Hurk t. Nederland, had het EHRM al overwogen dat de motiveringsplicht de rechter niet verplicht op ieder argument dat door de verdediging is aangedragen een gedetailleerd antwoord te geven.10 Met betrekking tot de gedetailleerdheid van het vereiste antwoord van de rechter, was het EHRM nog iets concreter in zijn arrest in de zaak Moreira Ferreira t. Portugal (No. 2), waarin het volgende werd overwogen:

“The Court also reiterates that according to its established case-law reflecting a principle linked to the proper administration of justice, judgments of courts and tribunals should adequately state the reasons on which they are based. The extent to which this duty to give reasons applies may vary according to the nature of the decision and must be determined in the light of the circumstances of the case […]. Without requiring a detailed answer to every argument advanced by the complainant, this obligation presupposes that parties to judicial proceedings can expect to receive a specific and explicit reply to the arguments which are decisive for the outcome of those proceedings”.11

44. Hieruit volgt dat niet is vereist dat de feitenrechter een gedetailleerd antwoord geeft op ieder argument dat door de verdediging is aangedragen maar dat hij een specifiek en uitdrukkelijke reactie krijgt op argumenten die beslissend zijn voor de uitkomst van de strafzaak.

45. Deze genuanceerde benadering sluit naar mijn mening goed aan bij de genuanceerde benadering van de Hoge Raad bij de eisen die worden gesteld aan de feitenrechter die voorbijgaat aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zoals die aan de orde zijn geweest bij de bespreking van de tweede klacht. Uit de rechtspraak van het EHRM kan ik niet opmaken dat daaruit verdergaande eisen voortvloeien voor de feitenrechter die voorbijgaat aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dan de eisen die de Hoge Raad daar aan stelt.

46. De derde klacht faalt.

47. Het eerste middel faalt in alle onderdelen.

Het tweede middel: schending van de onschuldpresumptie

48. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het Hof – dat in de strafzaak van de medeverdachte [betrokkene 1] niet in strijd is gehandeld met de onschuldpresumptie – getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Om die reden zou het Hof in de onderhavige zaak ten onrechte het verweer hebben verworpen dat ertoe strekte dat de procureur-generaal ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in de vervolging moest worden verklaard vanwege de inbreuk die is gemaakt op de onschuldpresumptie in de strafzaak tegen [betrokkene 1] .

49. In de schriftuur wordt het belang van de onschuldpresumptie, die is neergelegd in onder meer art. 6, tweede lid, EVRM en art. 48 Handvest, benadrukt met een beroep op onder meer rechtspraak van het EHRM, de Guide on Article 6 of the Convention – Right to a fair trial (criminal limb), art. 48 Handvest, art. 14 IVBPR en art. 4, eerste lid, Richtlijn 2016/343 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn. 12

50. Het Hof heeft het verweer waarop het middel betrekking heeft, in zijn vonnis als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:

2 De ontvankelijkheid van de procureur-generaal in de vervolging inzake feit 4 (onderzoek Maximus)

2.1 Het verweer

De verdediging heeft aangevoerd dat het Hof de procureur-generaal ten aanzien van het onder 4 op de inleidende dagvaarding opgenomen feit in de vervolging niet-ontvankelijk zal verklaren. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd.

Het Hof heeft in de zaak van een in de maand juli van 2018 berechte verdachte in hetzelfde feitencomplex (namelijk [betrokkene 1] , hierna te noemen: [betrokkene 1] ) als de rechter die in hoogste aanleg over de feiten oordeelt overwegingen en beslissingen gegeven die een vaststelling van verdachtes schuld impliceren, terwijl zijn schuld niet in rechte vaststaat. Het vonnis in die zaak tegen [betrokkene 1] noch het dat vonnis begeleidende persbericht getuigen van de nodige zorgvuldigheid. Immers, nergens is een voorbehoud te lezen dat erop neerkomt dat het Hof niet heeft beoogd een (definitief) oordeel over de schuld van de verdachte te geven, maar dat het slechts de voor [betrokkene 1] in diens strafzaak relevante feiten heeft vastgesteld. Anders gezegd: een pre judgment, met schending van de in artikel 6, tweede lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde onschuldpresumptie tot gevolg. Een eerlijk proces in de onderhavige strafzaak is al vóór de aanvang van de berechting onmogelijk gemaakt door het even bedoelde vonnis van het Hof in de zaak tegen [betrokkene 1] .

Dat betekent dat geen ander rechtsgevolg kan worden verbonden aan deze schending dan niet-ontvankelijkverklaring van de procureur-generaal in de vervolging ter zake van dit feit. Dat niet-ontvankelijkverklaring als rechtsgevolg is aangewezen geldt te meer, omdat het openbaar ministerie in weerwil van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) voorgeschreven benadering ervoor heeft gekozen de onderhavige strafzaak niet gelijktijdig aan te brengen met die (thans onherroepelijk afgedane) strafzaak tegen [betrokkene 1] , terwijl evident sprake was van strong factual ties. Ondanks het gegeven dat alle signalen wezen op het belang van gelijktijdige berechting is daarvan afgezien, terwijl een rechtens te respecteren belang bij consecutieve vervolging ontbreekt, aldus – samengevat – de verdediging.

2.2 Standpunt van de procureur-generaal

De procureur-generaal heeft weersproken dat de vervolging van de verdachte gepaard gaat met de door de verdediging gestelde schendingen, zodat volgens de mening van de procureur-generaal niets aan die ontvankelijkheid in de weg staat.

2.3 Beoordeling door het Hof

Toetsingskader

In het tweede lid van artikel 6 EVRM is gewaarborgd dat ‘Een ieder tegen wie vervolging is ingesteld, (...) voor onschuldig (wordt) gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.’ Deze zogenoemde onschuldpresumptie brengt voor het handelen van publieke autoriteiten in het algemeen mee, dat zorgvuldigheid en behoedzaamheid jegens verdachten moet worden betracht, zowel binnen het bestek van de strafzaak als daarbuiten. Bejegening moet zijn gespeend van bevooroordeeldheid.

Dit uitgangspunt wordt enigszins problematisch in het geval waarin de rechter die in een strafzaak de vraag naar het bewijs heeft te beantwoorden zich ook uitlaat over het doen of laten van een derde, die niet in die strafzaak terechtstaat. Het EHRM heeft in de uitspraak van Karaman vs. Duitsland overwogen dat een rechterlijke beslissing met betrekking tot een persoon tegen wie een vervolging is ingesteld een ongeoorloofde inbreuk maakt op de onschuldpresumptie, indien daarin tot uitdrukking wordt gebracht dat hij schuldig is voordat deze schuld in rechte is komen vast te staan. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen uitlatingen dat iemand verdacht wordt van een strafbaar feit en de vaststelling dat iemand dat feit daadwerkelijk heeft gepleegd, indien op dat moment nog geen sprake is van een veroordeling door de strafrechter ter zake van dat feit. Echter, het EHRM accepteert daarbij dat in complexe strafrechtelijke procedures tegen meer verdachten die niet simultaan kunnen worden berecht, het in de sleutel van de vaststelling van de mate van betrokkenheid van de verdachte die terechtstaat noodzakelijk kan zijn te verwijzen naar de rol van derden die mogelijk op een later moment worden berecht. Het is immers bij uitstek de taak van de strafrechter in de voorliggende strafzaak de onderliggende feiten precies en nauwkeurig vast te stellen, ook als die feiten raken aan betrokkenheid van derden. Het EHRM onderstreept in dat verband dat niet méér moet worden overwogen dan noodzakelijk is voor de vaststelling van schuld van de verdachte die terechtstaat. De woorden waarin die vaststellingen zijn vervat zijn vanzelfsprekend van groot belang, waarbij ook betekenis toekomt aan de vraag of, en hoe is vermeld dat die vaststellingen voor zover rakend aan derden geen oordeel over hun schuld inhouden.13

In het verlengde van het voorgaande geldt die normering van het handelen van publieke autoriteiten ook voor mededelingen die buiten het bestek van het rechterlijk vonnis worden gedaan, zoals in persberichten. Het wekt geen verbazing dat het EHRM onderstreept dat de beoordeling of een uitlating een schending van de onschuldpresumptie oplevert, plaatsvindt in de context van alle omstandigheden van het geval waarin de gewraakte uitlating is gedaan.14
Het Hof zal het hiervoor omschreven toetsingskader hanteren bij de beoordeling van het verweer.

Beoordeling van het verweer

Het Hof ontleent aan de inhoud van het op 13 juli 2018 in de strafzaak tegen [betrokkene 1] door het Hof gewezen vonnis het volgende.

Het Hof heeft in dat vonnis als de kern van het door het openbaar ministerie aan [betrokkene 1] gemaakte verwijt ten aanzien van de bewijsvraag verwoord, ‘(...) dat hij bij de moord op [slachtoffer] (...) een rol als moordmakelaar heeft gehad: in de visie van het openbaar ministerie en de visie van het Gerecht vormde hij een belangrijke schakel tussen de uitvoerders en de opdrachtgever(s) van de moord.’

Daarvan uitgaand ligt het voor de hand dat bij de bewijslevering in die strafzaak het vizier van het Hof gericht is geweest op zowel die uitvoerders als de opdrachtgever(s). In de door het Hof in die strafzaak vervolgens gebezigde bewijsmiddelen komt de naam van de verdachte voor, en onderwerpt het Hof de contacten tussen [betrokkene 1] en de verdachte aan een beschouwing. In het bestek van het bewijs overweegt het Hof in dat vonnis afsluitend dat ‘(...) uit de door het Hof gehanteerde bewijsmiddelen (...) naar voren komt dat de verdachte de opdracht voor de moord op [slachtoffer] van [verdachte] heeft aangenomen (...)’.

Het Hof onderkent dat wanneer de hierboven gereleveerde vaststellingen en overwegingen worden gelezen door de bril van de verdachte, dit een en ander hem in het licht van zijn ontkennende proceshouding en berechting op het eerste gezicht mogelijk zorgen kan baren, maar een schending van artikel 6, tweede lid, EVRM is daarmee nog niet gegeven. Gelet op de door het Hof in die strafzaak tegen [betrokkene 1] verwoorde kern van het aan hem gemaakte verwijt, was het Hof in die zaak gehouden een onderzoek te verrichten naar de andere schakels, waarvan door het openbaar ministerie werd vermoed dat [betrokkene 1] die door zijn handelen aan elkaar heeft verbonden. Het is louter dat perspectief waarin het Hof zijn vaststellingen heeft gedaan, niet meer en niet minder.

Het is niet ondenkbaar dat een door het Hof in dat strafvonnis ten overvloede gegeven overweging waarin dat perspectief uitdrukkelijk zou zijn verwoord die zorgen bij de verdachte zou hebben weggenomen. Echter, het achterwege laten daarvan door het Hof maakt niet dat de verdachte, gelet op de bewijsopdracht in die andere strafzaak, de vaststellingen dienaangaande en de verwoording daarvan, met vrucht kan klagen over de schending van de onschuldpresumptie. Dat oordeel wordt niet anders wanneer de inhoud van het dat strafvonnis begeleidende persbericht daarbij wordt betrokken. De woordelijke inhoud noch de strekking daarvan wijkt in de kern af van wat door het Hof in dat vonnis is overwogen en vastgesteld.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het Hof het verweer verwerpt, zodat de vraag naar laakbaarheid van consecutieve in plaats van simultane berechting van [betrokkene 1] en de verdachte geen beantwoording behoeft.

Het Hof Iaat wat dit laatste aspect niet onvermeld, dat de ten laste van [betrokkene 1] gewezen vonnissen dateren van 11 mei 2017 (eerste aanleg) en 13 juli 2018 (hoger beroep), terwijl de verdachte om hem moverende redenen ervoor heeft gekozen van medio maart 2016 tot medio 2018 de wijk naar het buitenland (Venezuela) te nemen. Zo bezien valt in redelijkheid niet in te zien hoe de kennelijk gewenste simultane berechting van [betrokkene 1] en de verdachte vorm en inhoud had kunnen krijgen.”

51. Voor de inhoudelijke beoordeling van het middel in het licht van de inhoud van het vonnis waarbij de medeverdachte [betrokkene 1] is veroordeeld en het bijbehorende persbericht, geef ik eerst de relevante inhoud van beide weer. Met het vonnis ben ik ambtshalve bekend omdat de zaak eerder in cassatie aanhangig is geweest. Het persbericht bevindt zich in het dossier dat aan de Hoge Raad is gezonden en is te vinden op de internetsite van het Hof.

52. Het Hof – in een geheel andere samenstelling – heeft bij vonnis van 13 juli 2018 [betrokkene 1] veroordeeld wegens “Medeplegen van moord”. In zijn vonnis heeft het Hof het volgende overwogen:

Vooropstelling ten aanzien van de bewijswaardering

Het Hof ziet in deze uitzonderlijke zaak aanleiding om voorafgaande aan de vaststelling van de feiten en omstandigheden het een en ander voorop te stellen. De verdachte wordt in de kern verweten dat hij bij de moord op [slachtoffer] – een moord die de gemoederen in en buiten Curaçao in sterke mate heeft beziggehouden – een rol als 'moordmakelaar' heeft gehad: in de visie van het openbaar ministerie en de visie van het Gerecht vormde hij een belangrijke schakel tussen de uitvoerders en de opdrachtgever(s) van de moord.
[…]

(iii). Nauwe en bewuste samenwerking

De raadsvrouw heeft verder nog aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en [betrokkene 3] bij de moord op [slachtoffer] . Uit de door het Hof gehanteerde bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte de opdracht voor de moord op [slachtoffer] van [verdachte] heeft aangenomen, dat hij vervolgens met [verdachte] en [betrokkene 4] heeft onderhandeld over de verdere uitvoering van de moord en het bedrag dat daarvoor betaald moest worden, dat hij daarvoor vervolgens via [betrokkene 4] een schutter ([medeverdachte, zaaknr. 15/00402 A]) en een chauffeur ( [betrokkene 3] ) heeft aangezocht, en dat hij het geld dat voor hen bestemd was aan [betrokkene 4] heeft (door)gegeven. De materiële en intellectuele bijdrage van de verdachte aan het geheel is daarmee ontegenzeggelijk aanzienlijk en dus ook van voldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen.”

53. Het persbericht van het Hof van 13 juli 2018, houdt het volgende in:

Andere bewijswaardering
De man heeft daarmee een hogere straf gekregen dan door de eerste rechter aan hem was opgelegd. Omdat het Hof ook deels andere bewijsmiddelen ten grondslag heeft gelegd aan de veroordeling, is het vonnis van de eerste rechter vernietigd.
In een vooropstelling maakt het Hof duidelijk dat zijn taak om de feiten en omstandigheden rondom de moord op [slachtoffer] vast te stellen – wellicht nog meer dan in andere zaken – bijzondere zorgvuldigheid vereist. Dat komt doordat van de drie bekende daders, er één is vermoord ( [betrokkene 3] ook wel bekend als ‘ [betrokkene 3] ’), er één zelfmoord heeft gepleegd ( [betrokkene 4] , bekend als ‘ [betrokkene 4] ’) en de derde ( [betrokkene 2] , bekend als ‘ [betrokkene 2] ’) berekenend en op onderdelen in al zijn verklaringen in de loop der tijd heel wisselend heeft verklaard. Het Hof heeft daarom beslist dat die derde, [betrokkene 2] , ook in hoger beroep op de zitting moest worden gehoord. Dat is gebeurd en dit verhoor is op een geluidsband vastgelegd en later woordelijk uitgewerkt om tot een zo optimaal mogelijke analyse van de betrouwbaarheid van al zijn verklaringen te komen.

Toedracht

Aan de hand van die analyse, die uitvoerig aan het papier is toevertrouwd, is het Hof tot de conclusie gekomen dat de geselecteerde bewijsmiddelen betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs. Het bewijs steunt hoofdzakelijk op vier pijlers: de verklaringen van [betrokkene 2] , een verklaring van het voormalige hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao die over de moord is geïnformeerd door een informant, verklaringen van een ooggetuige over een onderhandeling over de hoogte van het uit te betalen bedrag tussen de verdachte en de voormalige Minister van Financien van Curaçao, [verdachte] , en sms-berichten die de verdachte met [verdachte] heeft gewisseld. Daarmee heeft het Hof ten opzichte van het vonnis van de eerste rechter een pijler terzijde gesteld (de verklaringen van een anonieme getuige B5) en een andere pijler toegevoegd (de verklaringen over de onderhandeling tussen [verdachte] en de verdachte).

De verdachte heeft voor al deze belastende omstandigheden geen aannemelijke verklaring gegeven. Het Hof had de verdachte daarover vragen willen stellen, maar de verdachte heeft in hoger beroep geen enkele verklaring willen afleggen.

Het Hof concludeert dat de verdachte de moordopdracht van [verdachte] heeft aangenomen, dat hij over het daarvoor te betalen bedrag met [verdachte] is gaan onderhandelen, dat hij via [betrokkene 4] een schutter ( [betrokkene 2] ) en een chauffeur ( [betrokkene 3] ) heeft aangezocht, en dat hij het voor hen bestemde geld aan [betrokkene 4] heeft (door)gegeven. De bijdrage van de verdachte aan het geheel is daarmee van zo’n wezenlijk belang dat sprake is van het medeplegen van de moord op [slachtoffer] .”15

54. Met betrekking tot het vonnis van het Hof van 13 juli 2018 en het persbericht van dezelfde datum wordt door de steller van het middel aangevoerd dat daarin “niet slechts [is] gesteld dat [de] verdachte van een strafbaar feit is verdacht maar […] zonder enig voorbehoud [is] gesteld dat [de] verdachte zich als dader aan het aan hem pas nadien in zijn eigen strafzaak aan hem tenlastegelegde feit schuldig heeft gemaakt.” Daarom getuigt het oordeel van het Hof, dat eerder niet in strijd met de onschuldpresumptie is gehandeld, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk.

55. Voor de beoordeling van de vraag, of met de bewoordingen van de rechter die zich in de zaak tegen een medeverdachte heeft uitgelaten over de betrokkenheid van de verdachte, inbreuk is gemaakt op de onschuldpresumptie, is behalve de inhoud ook de context van belang waarin die uitlatingen zijn gedaan. Bemelmans schrijft dat bij het antwoord op de vraag, soms veel gewicht toekomt “aan de aard van de beslissing die was toevertrouwd aan degende die de betwiste uitlatingen deed en in het kader waarvan de uitlatingen plaatsvonden.”16 “Algemeen gesteld”, zo vervolgt hij, “kunnen uitlatingen in de media op minder coulance rekenen dan uitlatingen die in de context van het proces worden gedaan.” Daarbij merkt Bemelmans op dat de rechter die belast is met de strafzaak tegen de medeverdachte van de klager het “wat bonter” moet maken voordat het EHRM schending van art. 6 lid 2 EVRM constateert.17

56. In de schriftuur wordt met betrekking tot de inbreuk op art. 6, tweede lid, EVRM en art. 4, eerste lid, Richtlijn 2016/343 een beroep gedaan op rechtspraak van het EHRM en het HvJ EU. Het Hof heeft in zijn overwegingen in 2.3 onder het kopje “Toetsingskader” de rechtspraak van het EHRM naar mijn oordeel handzaam samengevat zodat ik voor het toetsingskader van het EHRM daarnaar verwijs.

57. In de rechtspraak van het HvJ EU wordt een aanvullende voorwaarde gesteld bij het beantwoorden van de vraag of inbreuk is gemaakt op de onschuldpresumptie zoals die is neergelegd in art. 4, eerste lid, Richtlijn 2016/343.18 Bij de uitleg sluit het HvJ EU aan bij rechtspraak van het EHRM maar stelt het daarbij, bijvoorbeeld in zijn arrest van 5 september 2019, als aanvullende voorwaarde dat duidelijk wordt aangegeven dat de andere verdachte die niet terecht staat in het kader van een afzonderlijke strafprocedure wordt vervolgd en zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan.19

58. De onschuldpresumptie kwam in de jurisprudentie van het HvJ EU in de zaak AH e.a. aan de orde. In Bulgarije werden AH en vijf anderen ervan verdacht te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie. Eén van de verdachten, MH, sloot een overeenkomst met het OM in ruil voor strafvermindering. In de met MH gesloten overeenkomst die aan de Bulgaarse rechter werd voorgelegd, zouden de vijf medeverdachten uitdrukkelijk worden vermeld als mededaders van het betreffende strafbare feit en zouden zij worden aangeduid met hun voornaam, patroniem, familienaam en nationaal identiteitsnummer. De verwijzende rechter wilde antwoord op de vraag of een en ander zich hiertegen zou verzetten. In zijn uitspraak verwijst het HvJ EU onder meer naar de arresten van het EHRM in de zaak Karaman/Duitsland en Navalnyy en Ofitserov/Rusland.

59. In zijn arrest van 5 september 2019, overweegt het HvJ EU het volgende:

“45 Gelet op deze rechtspraak [van het EHRM, AG] moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343 aldus worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat een schikking als die in het hoofdgeding, die door een nationale rechter moet worden goedgekeurd, melding maakt van de deelneming van andere verdachten dan de verdachte die deze schikking heeft getroffen en aldus zijn schuld heeft erkend, die echter afzonderlijk zullen worden berecht, en hen identificeert, op voorwaarde dat ten eerste deze vermelding noodzakelijk is voor de kwalificatie van de juridische aansprakelijkheid van de persoon die deze schikking heeft getroffen en ten tweede diezelfde schikking duidelijk aangeeft dat deze andere verdachten in het kader van een afzonderlijke strafprocedure worden vervolgd en hun schuld niet in rechte is komen vast te staan.

46 Teneinde te verifiëren of het vermoeden van onschuld is geëerbiedigd, is het vereist dat een rechterlijke beslissing en de motivering ervan steeds in hun geheel worden onderzocht in het licht van de bijzondere omstandigheden waarin zij zijn vastgesteld. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, zou een uitdrukkelijke verwijzing, in sommige passages van een rechterlijke beslissing, naar het ontbreken van schuld van de medeverdachten nutteloos zijn indien andere passages van die beslissing konden worden opgevat als een voortijdige uitdrukking van hun schuld.

47 In casu merkt de verwijzende rechter op dat, zoals het nationale recht voorschrijft, slechts sprake kan zijn van een misdaadorganisatie wanneer ten minste drie personen eraan deelnemen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dus, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, dat de vermelding in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schikking van vijf verdachten als mededaders van het strafbare feit noodzakelijk was om de schuld van MH als lid van een misdaadorganisatie vast te stellen.

48 Evenwel blijkt echter dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schikking, zoals die ter goedkeuring aan de verwijzende rechter is voorgelegd, niet duidelijk aangeeft dat de vijf verdachten afzonderlijk worden vervolgd en hun schuld niet in rechte is komen vast te staan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. Zonder een dergelijke verduidelijking kan deze schikking de mening weergeven dat deze personen schuldig zijn, terwijl hun schuld nog niet in rechte is komen vast te staan, in strijd met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343.”20

60. Hieruit maak ik op dat geen inbreuk wordt gemaakt op de in art. 4, eerste lid, Richtlijn 2016/343 neergelegde onschuldpresumptie indien aan twee voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde houdt in dat de vermelding van de verdachte “noodzakelijk is voor de kwalificatie van de juridische aansprakelijkheid” van degene die in de strafzaak schuldig is verklaard (of schuld heeft bekend in geval van een “plea bargain”). De tweede voorwaarde houdt in dat in die zaak “duidelijk wordt gesteld dat de schuld” van deze andere persoon “niet in rechte is komen vast te staan en daarvoor afzonderlijk bewijs zal moeten worden geleverd en een afzonderlijk vonnis zal moeten worden gewezen.”21

61. Toegepast op de onderhavige zaak kunnen de vaststellingen die het Hof heeft gedaan over de rol van de verdachte in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] worden aangemerkt als “noodzakelijk” voor de kwalificatie van de juridische aansprakelijkheid van [betrokkene 1] . De feiten die het Hof vaststelde in het vonnis in de zaak van de medeverdachte [betrokkene 1] , waren immers onmisbaar voor de vaststelling van de schuld van [betrokkene 1] als moordmakelaar, in het bijzonder omdat in die zaak de vraag aan de orde was gesteld of [betrokkene 1] kon worden aangemerkt als medepleger van de moord op [slachtoffer] .22

62. Bij de tweede voorwaarde die wordt gesteld in de rechtspraak van het HvJ EU plaats ik de volgende kanttekening. De voorwaarde dat uitdrukkelijk moet zijn aangegeven dat de schuld van de andere verdachte(n), die niet terecht staat/staan, niet in rechte is komen vast te staan en in het kader van een afzonderlijke strafprocedure wordt/worden vervolgd, heeft het EHRM bij mijn weten niet (uitdrukkelijk) gesteld, ook niet in het recente arrest van 21 november 2021 in de zaak Mucha/Slowakije waarin voor de uitleg van de onschuldpresumptie zoals die is neergelegd in art. 6, tweede lid, EVRM ook wordt verwezen naar rechtspraak van het HvJ EU waarin deze aanvullende voorwaarde is opgenomen, waaronder het arrest van 5 september 2019.23 Voor de onderhavige zaak komt daarbij dat de verdachte zich niet met succes kan beroepen op de uitleg die het HvJ EU heeft gegeven aan de onschuldpresumptie zoals die is neergelegd in art. 48, eerste lid, Handvest. Immers, ter terechtzitting van het Hof is niet aangevoerd dat art. 48, eerste lid, Handvest van toepassing is, in de schriftuur worden geen redenen aangeven waarom Unierecht ten uitvoer wordt gebracht en ik zie ook geen reden waarom dat zo zou zijn.

63. Voor zover in de onderhavige zaak de voorwaarde van toepassing zou zijn, dat de rechter in de zaak van de medeverdachte [betrokkene 1] uitdrukkelijk had moeten aangeven dat de schuld van [verdachte] in de zaak van [betrokkene 1] niet in rechte is vastgesteld en dat daarvoor afzonderlijk bewijs zal moeten worden geleverd en een afzonderlijk vonnis zal moeten worden gewezen, is aan die voorwaarde niet expliciet voldaan. Het Hof heeft in de onderhavige zaak echter wel aangegeven dat het vonnis van het Hof in de zaak van de medeverdachte [betrokkene 1] op die manier moet worden verstaan, door te wijzen op het “perspectief” van waaruit het Hof in de zaak van de medeverdachte [betrokkene 1] zijn overwegingen heeft gedaan, die vervolgens in het persbericht zijn overgenomen, te weten het perspectief dat het Hof zich een oordeel moest vormen over het aan [betrokkene 1] ten laste gelegde feit en niet over enig aan [verdachte] ten laste gelegd feit. Om die reden meen ik dat het oordeel van het Hof in de onderhavige zaak, dat geen inbreuk is gemaakt op de onschuldpresumptie, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is.

64. Het middel faalt.

Het derde middel: de gekwalificeerde valsheid in geschrift

65. Het derde middel komt met twee klachten op tegen de onder 5 bewezenverklaarde valsheid in geschrift. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het Hof, dat de vraag naar het motief voor het feit en de verwezenlijking daarvan bij de bewijsvraag geen beantwoording behoeft en dat kennelijk kan worden volstaan met de vaststelling dat de verdachte het geschrift onjuist heeft ingevuld, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De tweede klacht houdt in dat het Hof ten onrechte en in strijd is met het in art. 1, eerste lid, Sr Curaçao en art. 7, eerste lid, EVRM neergelegde legaliteitsbeginsel heeft geoordeeld dat art. 2:284 Sr Curaçao van toepassing is, omdat die strafbepaling zwaarder is dan de strafbepaling die van toepassing was toen het feit werd begaan. Gelet hierop is/zijn de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging volgens de steller van het middel onvoldoende met redenen omkleed.

66. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 5 bewezen verklaard dat:

“dat hij op of omstreeks 11 april 2011 te Curaçao, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een document genaamd ‘Aanschrijving ter uitvoering van artikel 39, lid 1 sub a, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (Vaststelling en gebruik formulieren vrijwillige verbetering)’, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, indien/terwijl uit dat gebruik e(e))nig nadeel kan ontstaan, door opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid dit geschrift te (laten) antedateren door dit document te (laten) voorzien van de datum 7 april 2011 (APR 07 2011) en/of door dit document te ondertekenen, terwijl dit document op een latere datum werd opgemaakt en/of ondertekend,
terwijl hij door het begaan van dit strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht (als Minister van Financiën van het land Curaçao) schond en/of bij het begaan van dit strafbaar feit gebruik maakte van macht en/of gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken.”

67. Het Hof heeft het feit als volgt gekwalificeerd:

“Het onder 5 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:184 juncto 1:116 van het Wetboek van Strafrecht.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:

valsheid in geschrift, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken.”

68. Voor de bewijsvoering van dit feit heeft het Hof in de bijlage bij het vonnis onder 38 de genoemde Aanschrijving als bewijsmiddel gebruikt, en de twee volgende bewijsmiddelen:

“39. Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek naar pagina 103 dossier Passaat, bijlage 6 bij het schriftelijk pleidooi in eerste aanleg, inhoudende:

Op verzoek van het openbaar ministerie is door mij, verbalisant, een onderzoek ingesteld naar de leesbaarheid van pagina 103 van het dossier van het onderzoek Passaat. Ik, verbalisant, zag bij bestudering van het dossier dat pagina 103 een kopie van een aanschrijving van het ministerie van Financiën is en dat deze aanschrijving gedagtekend is op ‘APR 07 2011’. Door het (her)kopiëren van deze aanschrijving is de leesbaarheid van de dagtekening met het blote oog niet te lezen. De betreffende pagina is door mij gefotografeerd waarbij de dagtekening wel zichtbaar blijft.

40. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2021, inhoudende:

U houdt mij de in de tenlastelegging bedoelde Aanschrijving voor en mijn ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring over dit feit. Ik was van 10 oktober 2010 tot en met september 2012 minister van Financiën van het land Curaçao. Het is juist dat ik in die hoedanigheid die Aanschrijving heb vastgesteld. Ik ontving de door mij vast te stellen definitieve versie op 11 april 2011 en ik heb vervolgens nog diezelfde dag dat geschrift ondertekend en welbewust gedateerd op de datum van 7 april 2011.”

69. Met betrekking tot het bewijs van feit 5 heeft het Hof in zijn vonnis het volgende overwogen:

“Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte:

- in zijn hoedanigheid van minister van Financiën van het land Curaçao gebruik heeft gemaakt van een in artikel 39, lid 1, sub a, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (vaststelling en gebruik formulieren vrijwillige verbetering) aan de minister toekomende bevoegdheid, in de vorm van het (op 11 april 2011) vaststellen van een schriftelijke ‘Aanschrijving (Vaststelling en gebruik formulieren vrijwillige verbetering)’;

- die schriftelijke Aanschrijving op 11 april 2011 heeft ondertekend en willens en wetens onjuist heeft gedateerd op 7 april 2011;

- daarmee het oogmerk heeft gehad dat één of meer anderen (te weten belastingplichtige derden, meer in het bijzonder potentiële inkeerders) overeenkomstig die Aanschrijving en derhalve vanaf de dagtekening daarvan alsnog een juiste of volledige aangifte kunnen doen bij, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen kunnen verstrekken aan de Inspectie der Belastingen, en aldus die even bedoelde Aanschrijving kunnen gebruiken, vanaf die datum van dagtekening, te weten 7 april 2011.

Daarmee is voor het bewijs genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte opzettelijk een geschrift (de Aanschrijving, waarvan de formulieren waarnaar in de Aanschrijving als Bijlagen A en B wordt verwezen onderdeel uit maken) valselijk heeft opgemaakt, terwijl dat geschrift bij uitstek bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen (waaronder de aanvangsdatum van de periode waarin en de voorwaarden waaronder kon worden ingekeerd). Nu de Aanschrijving is vastgesteld voor belastingplichtige derden, meer in het bijzonder potentiële inkeerders, is daarmee voor het bewijs bovendien gegeven dat het oogmerk van de verdachte gericht is geweest op het gebruik daarvan door anderen. De mogelijkheid van nadeel door gebruik ligt besloten in de (valse) ingangsdatum van 7 april 2011.

Nu de bevoegdheid tot het geven van nadere regels (zoals het vaststellen van de onderhavige Aanschrijving) bij wet aan de minister van Financiën is toebedeeld is daarmee gegeven dat de verdachte als ambtenaar bij het begaan van het strafbare feit (het misdrijf van artikel 2:184, eerste lid, Sr) gebruik heeft gemaakt van macht, hem door zijn ambt geschonken, zodat ook de tenlastegelegde strafverhogingsgrond voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

Het Hof merkt nog het volgende op.

In het verlengde van wat tijdens het voorbereidend onderzoek is onderzocht en is vastgesteld heeft het openbaar ministerie in het bijzonder aandacht gevraagd voor het motief dat bij de verdachte moet hebben voorgezeten toen hij de Aanschrijving op 11 april 2011 ondertekende en antedateerde op 7 april 2011. Aan het openbaar ministerie moet worden toegegeven dat het onderzoek zeer sterke aanwijzingen heeft opgeleverd dat (de timing van) het stellen van nadere regels door middel van de Aanschrijving (mede) is ingegeven door de wens van de verdachte zijn broer in de gelegenheid te stellen met gebruikmaking van deze Aanschrijving zo spoedig mogelijk te kunnen inkeren voor zeer aanzienlijke bedragen ten aanzien waarvan over het legale karakter van de herkomst daarvan serieuze vraagtekens kunnen worden geplaatst, terwijl door het antedateren daarvan de suggestie van samenhang tussen het één (het geven van de Aanschrijving) en het ander (de datum van 11 april 2011, zijnde de datum waarop die broer met een beroep op die Aanschrijving zijn voornemen tot inkeer vorm en inhoud geeft) voor de belastinginspecteur moest worden gemaskeerd.

Anders dan het openbaar ministerie en het Gerecht is het Hof van oordeel dat de vraag naar het motief en de verwezenlijking daarvan bij de bewijsvraag geen beantwoording behoeft.”

70. Ten behoeve van beide klachten, geef ik de inhoud weer van art. 230 (oud) en 46 (oud) Sr Curaçao, die van toepassing waren ten tijde van het ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit, en van art. 2:184 jo. 1:116 Sr Curaçao, die met ingang van 15 november 2011 van toepassing zijn.

“Art. 230 (oud) Sr Curaçao
Hij die een geschrift waaruit eenig recht, eenige verbintenis of eenige bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat bestemd is om tot bewijs van eenig feit te dienen, valschelijk opmaakt of vervalscht, met oogmerk om het als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, als schuldig aan valschheid in geschrifte, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.
Art. 46 (oud) Sr Curaçao
Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt of bij het begaan van het strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de straf met een derde worden verhoogd.
Art. 2:184, eerste lid, Sr Curaçao
Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt, als schuldig aan valsheid in geschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Art. 1:116 Sr Curaçao
Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd en wordt de op het feit gestelde geldboete verhoogd naar de naasthogere categorie.”

71. De eerste klacht richt zich tegen de bewijsvoering van de onder 5 bewezen verklaarde valsheid in geschrift. Aangevoerd dat in de bewezenverklaarde bewoordingen “valselijk heeft opgemaakt” besloten ligt dat de verdachte opzet moet hebben gehad op het valselijk opmaken van een geschrift. Gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat de vraag naar het motief en de verwezenlijking daarvan bij de bewijsvraag geen beantwoording behoeft en dat kennelijk kan worden volstaan met de vaststelling dat de verdachte het geschrift onjuist heeft ingevuld, van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de steller van het middel.

72. Inderdaad omvat “valselijk opmaken” in de zin van art. 230 (oud) Sr Curaçao het op die handeling gerichte opzet.24 Het vereiste “opzet” moet niet worden verward met het “motief” van de verdachte.25 Daarom staat de door het Hof niet beantwoorde vraag naar het “motief” van de verdachte, niet in de weg aan de bewezenverklaring van het valselijk opmaken van de Aanschrijving.26

73. De eerste klacht faalt.

74. De tweede klacht houdt in dat het Hof ten onrechte en in strijd is met het in art. 1, eerste lid, Sr Curaçao en art. 7, eerste lid, EVRM neergelegde legaliteitsbeginsel heeft geoordeeld dat art. 2:184 Sr Curaçao van toepassing is, nu die strafbepaling zwaarder is dan de strafbepaling die van toepassing was toen het feit werd begaan. Aangevoerd wordt dat ten tijde van het ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit, art. 230 (oud) Sr Curaçao van toepassing was in combinatie met de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 46 (oud) Sr Curaçao. Het toepasselijke strafmaximum was toen vijf jaren gevangenisstraf, te verhogen met één derde. Door te oordelen dat op het bewezenverklaarde feit art. 2:184, eerste lid, Sr Curaçao van toepassing is in combinatie met de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 1:116 Sr Curaçao, is het Hof ten onrechte uitgegaan van een toepasselijk strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf, te verhogen met één derde. Nu de wet in voor de verdachte ongunstige zin is gewijzigd omdat de strafmaat aanzienlijk is verzwaard, heeft het hof volgens de steller van het middel ten onrechte geoordeeld dat art. 2:184 Sr Curaçao van toepassing is. Gelet hierop is/zijn de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging volgens de steller van het middel onvoldoende met redenen omkleed.

75. Omwille van de leesbaarheid van deze conclusie, herhaal ik hier dat het Hof het onder 5 bewezenverklaarde als volgt strafbaar heeft geacht en heeft gekwalificeerd:

“Het onder 5 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:184 juncto 1:116 van het Wetboek van Strafrecht.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:

valsheid in geschrift, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken.”

76. Voor de beoordeling van deze tweede klacht is voorts het volgende onderdeel van de strafmotivering van belang:

“De bestraffing geschiedt ook voor zijn ernstige misdraging als minister van Financiën. Zo heeft hij in zijn hoedanigheid van minister de kans gezien en benut een ministeriële Aanschrijving opzettelijk te antedateren. En daarnaast heeft hij niet geschroomd om valse geschriften te gebruiken (met het oog op het kunnen verduisteren van geld tot een totaalbedrag van maar liefst bijna een half miljoen gulden), waarmee hij andermaal heeft laten zien zijn hand voor het plegen van bedrog en misleiding niet om te draaien.

Het behoeft echter geen nader betoog dat het soortelijk gewicht van deze laatstbedoelde misdrijven in het licht van de bewezen geachte uitlokking van moord bij de straftoemeting nagenoeg is verdampt. In het onderhavige geval, waarin de verdachte meent te kunnen beschikken over leven en dood van een ander, doet alleen de oplegging van gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur recht aan de strafdoelen van vergelding en generale preventie, zoals hierboven is uiteengezet. Bij de bepaling van de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf heeft het Hof bovendien de eerder aan medeverdachten van de moord op [slachtoffer] opgelegde straffen betrokken. Aan het Hof is niet gebleken van aan de persoon van de verdachte te verbinden feiten of omstandigheden, die nopen tot matiging van de aan de verdachte op te leggen straf.

Al het voorgaande voert het Hof tot de slotsom dat het geen ruimte aanwezig acht voor de oplegging van een andere straf aan de verdachte dan de tijdelijke gevangenisstraf van maximale duur, ofwel 30 jaren.”

77. Voor zover de klacht is gericht tegen de door het Hof bij de straftoemeting toegepaste wetsbepalingen, is van belang dat overtreding van art. 2:184 jo. art. 1:116 Sr Curaçao wordt bedreigd met een gevangenisstraf voor de duur van in totaal acht jaren – te weten zes jaren te verhogen met één derde – terwijl overtreding van art. 230 (oud) jo. art. 46 (oud) Sr Curaçao werd bedreigd met een gevangenisstraf voor de duur van in totaal zes jaren en acht maanden – te weten vijf jaren te verhogen met één derde. Aangezien het Hof heeft overwogen dat het onder 5 bewezenverklaarde is “voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:184 juncto 1:116 van het Wetboek van Strafrecht” moet worden aangenomen dat het Hof ten aanzien van de straftoemeting deze bepalingen heeft toegepast. Aangezien de bepalingen art. 230 (oud) jo. 46 (oud) Sr Curaçao voor de verdachte wat betreft de maximumstraf gunstiger zijn, had het Hof laatstgenoemde bepalingen bij de straftoemeting moeten toepassen.27 Op de vraag of dit tot cassatie moet leiden, kom ik hierna terug.

78. Anders dan wordt aangevoerd, heeft de toepassing door het Hof van art. 2:184 jo. 1:116 Sr Curaçao geen gevolgen voor de motivering van de strafoplegging en de begrijpelijkheid daarvan. Gelet op de ernst van de onder 4 bewezenverklaarde uitlokking tot moord, zoals die tot uitdrukking komt in de daarop gestelde maximum gevangenisstraf, is het onder 5 bewezenverklaarde feit en de daarop gestelde maximumstraf voor de strafoplegging van ondergeschikte betekenis,28 zoals ook blijkt uit de overweging van het Hof dat “het soortelijk gewicht van deze laatstbedoelde misdrijven [te weten: de onder 2 en onder 5 bewezen verklaarde feiten, DP] in het licht van de bewezen geachte uitlokking van moord bij de straftoemeting nagenoeg is verdampt.” Daarmee is niet gezegd dat het onder 5 bewezen verklaarde feit van geen enkele betekenis is geweest bij de strafoplegging maar wel dat de betekenis zodanig ondergeschikt is, dat de toepasselijkheid van een iets lager strafmaximum, zoals die bij de bespreking van deze klacht is gebleken, de motivering van de strafoplegging en de begrijpelijkheid daarvan niet aantast.

79. Uit het voorgaande volgt tevens dat de in randnummer 77 besproken klacht over de toepassing van art. 2:184 jo. 1:116 Sr Curaçao bij de straftoemeting bij gebrek aan belang voor de verdachte niet tot cassatie dient te leiden.

80. Voor de kwalificatiebeslissing verandert het voorgaande niets omdat de wetsbepalingen daarvan geen deel uit maken, zoals blijkt uit de beslissing van het Hof die hierboven is weergegeven bij randnummer 75.29 Het Hof heeft voor de kwalificatie gebruik heeft gemaakt van de kwalificatie die de wetgever zelf aan art. 2:184 Sr Curaçao heeft gegeven (“valsheid in geschrift”) in combinatie met een deel van de strafverzwarende omstandigheden van art. 1:116 Sr Curaçao (“terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken”).30 De kwalificatie wordt niet beïnvloed door de wetswijziging die op 15 november 2015 in werking is getreden omdat art. 230 (oud) Sr Curaçao ook door de wetgever werd gekwalificeerd als “valsheid in geschrift” en de strafverzwarende omstandigheid in art. 46 (oud) Sr Curaçao inhoudelijk niet verschilt van art. 1:116 Sr Curaçao.

81. Ook voor zover de klacht is gericht tegen de kwalificatiebeslissing, faalt de klacht.

82. De tweede klacht kan niet tot cassatie leiden.

83. Het derde middel faalt.

Slotsom

84. De drie middelen falen. Het eerste middel en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

85. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

86. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:OGHACMB:2021:57.

2 Art. 4.3.9.2 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.

3 HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen onder NJ 2016/315, r.o. 3.3.1 onder verwijzing naar HR 27 maart 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB6110 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1973/248: “daar toch een in uitzicht gestelde en daadwerkelijk ook gegeven beloning niet tegelijkertijd kan worden aangemerkt als een gift en als een belofte waardoor het feit is uitgelokt”. Kamerstukken II 1878/79, 110, nr. 3, p. 96: “eene belofte gevolgd door eene gift, zoo is de gift strafbaar”.

4 Vgl. L. Dupont & R. Verstraeten, Handboek Belgisch Strafrecht, Leuven/Amersfoort: Acco 1990, p. 250 nr. 423: “Met het strafrechtelijk ‘opzet’ mag niet verward worden, de drijfveer of het motief van de dader. Bij een opzettelijk misdrijf is het opzet een intrinsiek en constant element van het betrokken misdrijf, dat hetzelfde blijft wie ook om welke reden dat misdrijf gepleegd moge hebben. De drijfveer of het motief daarentegen kan telkens veranderen naargelang van de dader. De drijfveer is persoonlijk, individueel, en extrinsiek aan het misdrijf als juridisch begrip.” Zie ook randnummer 72 m.b.t. de eerste klacht van het derde middel.

5 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.8.1 (Hennepkwekerij, Onderbouwd standpunt en responsieplicht).

6 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.8.4 m.b.t. het met art. 402 lid 2 tweede volzin Sv Curaçao corresponderende art. 359 lid 2 tweede volzin Sv (Hennepkwekerij, Onderbouwd standpunt en responsieplicht).

7 EHRM 29 november 2016, nr. 24221/13, par. 65 (Carmel Saliba/Malta).

8 EHRM 13 november 2018, nr. 6970/15,, par. 61 (Zhang/Oekraïne).

9 EHRM 29 november 2016, nr. 24221/13, par. 66 (Carmel Saliba/Malta); EHRM 13 november 2018, nr. 6970/15,, par. 60-61 (Zhang/Oekraïne).

10 EHRM 19 april 1994, nr. 16034/90, NJ 1995/462 m.nt. E.A. Alkema, par. 61 (Van de Hurk): “Article 6 § 1 obliges courts to give reasons for their decisions, but cannot be understood as requiring a detailed answer to every argument.”

11 EHRM 11 juli 2017, nr. 19867/12, NJ 2019/280 m.nt. P.A.M. Mevis, par. 84 (Moreira Ferreira/Portugal (No. 2)).

12 Richtlijn 2016/343 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, PbEU L 65 van 11 maart 2016, p. 1 e.v.

13 EHRM 27 februari 2014, nr. 171/03/10 (Karaman/Duitsland).

14 EHRM 24 januari 2017, nr. 57435/09 (Paulikas/Litouwen).

15 <http://www.gemhofvanjustitie.org/?eid=451&jaar=2018&maand=7>

16 J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 290.

17 Bemelmans a.w. 2018, p. 290 onder verwijzing naar onder meer EHRM 27 februari 2014, nr. 171/03/10 (Karaman/Duitsland). Zie ook het door het Hof aangehaalde EHRM 24 januari 2017, nr. 57435/09 (Paulikas/Litouwen), par. 49.

18 PbEU L 65 van 11 maart 2016, p. 1 e.v.: ““De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een verdachte of beklaagde in openbare verklaringen van overheidsinstanties en in andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld, niet als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. Dit doet geen afbreuk aan handelingen van de vervolgende instanties die erop zijn gericht te bewijzen dat de verdachte of beklaagde schuldig is, noch aan voorlopige beslissingen van procedurele aard, die zijn genomen door rechterlijke of andere bevoegde instanties, en die zijn gebaseerd op verdenkingen of belastend bewijsmateriaal.”

19 HvJ EU 5 september 2019, nr. C-377/18, ECLI:EU:C:2019:670, NJ 2020/118 (AH e.a. (Présomption d’innocence)). punt 45 , met in punt 43 en 44 verwijzingen naar EHRM 27 februari 2014, nr. 171/03/10 (Karaman/Duitsland) en EHRM 24 augustus 2016, nrs. 46632/13 en 28671/14 (Navalnyy en Ofitserov/Rusland). HvJ EU 28 mei 2020, nr. C-709/18, ECLI:EU:C:2020:411 punt 35 (UL en VM): “indiquent clairement que la culpabilité de cette seconde personne n’a pas été légalement établie et fera l’objet d’une administration de la preuve et d’un jugement distincts.”

20 HvJ EU 5 september 2019, nr. C-377/18, ECLI:EU:C:2019:670, NJ 2020/118 (AH e.a. (Présomption d’innocence)).

21 HvJ EU 28 mei 2020, nr. C-709/18, ECLI:EU:C:2020:411 punt 35 (UL en VM): “ils ne s’opposent pas à ce que, dans le cadre d’une procédure pénale engagée contre deux personnes, une juridiction nationale accepte, d’abord, par voie d’ordonnance, le plaider coupable de la première personne pour des infractions mentionnées dans l’acte d’accusation prétendument commises en réunion avec la seconde personne n’ayant pas plaidé coupable et statue, ensuite, après une administration de la preuve se rapportant aux faits reprochés à cette seconde personne, sur la culpabilité de celle-ci, à la condition, d’une part, que la mention de la seconde personne en tant que coauteur des infractions présumées soit nécessaire pour la qualification de la responsabilité juridique de la personne qui a plaidé coupable et, d’autre part, que cette même ordonnance et/ou l’acte d’accusation auquel celle-ci se réfère indiquent clairement que la culpabilité de cette seconde personne n’a pas été légalement établie et fera l’objet d’une administration de la preuve et d’un jugement distincts.”

22 Vgl. EHRM 25 november 2021, nr. 63703/19, Mucha t. Slowakije, par. 59. EHRM 27 februari 2014, nr. 171/03/10 (Karaman/Duitsland), par. 66.

23 EHRM 25 november 2021, nr. 63703/19, (Mucha/Slowakije), par. 34-36.

24 Vgl. HR 18 maart 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9271, NJ 1986/770, r.o. 5.2 m.b.t. art. 225 Sr.

25 Vgl. Dupont & Verstraeten, a.w. 1990, p. 250 nr. 423 waaruit ik hierboven bij voetnoot 4 heb geciteerd bij de bespreking van de tweede klacht van het eerste middel in randnummer 16.

26 Vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1769, NJ 2019/453 m.nt. H.D. Wolswijk, r.o. 3.3 “Dat de verdachte niet de bedoeling — in de zin van motief — had om [betrokkene 1] letsel toe te brengen, staat aan de bewezenverklaring van opzet/mishandeling niet in de weg.”

27 Vgl. HR 10 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC1755 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1992/322 m.nt. G. Knigge, r.o. 5.3.

28 Vgl. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR1149, NJ 2012/367 m.nt. C.P.M. Cleiren, r.o. 3.8.2; HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5402, NJ 2012/574, r.o. 3.5.2.

29 Vgl. HR 15 januari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4842 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1974/129.

30 C.M. Pelser, De naam van het feit. Over de kwalificatiebeslissing in strafzaken (diss. Leiden), Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 71-72.