Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:33

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-01-2022
Datum publicatie
08-02-2022
Zaaknummer
21/01604
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:931, Gevolgd
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Verbintenissenrecht. Beslagrecht. Vordering tot ontbinding huurovereenkomst woonruimte en ontruiming. Toerekening van betalingen. Verrekening. Reikwijdte van uitzondering op beslagverbod op huurtoeslag (art. 45 lid 1 onder a Awir).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2022/4, UDH:S&E HW/52256 met annotatie van Wouter Kempe
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/01604

Zitting 14 januari 2022

CONCLUSIE

M.H. Wissink

In de zaak

Stichting Portaal

Tegen

[huurder]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als Portaal respectievelijk huurder. In deze zaak is de door Portaal als verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming afgewezen. Het cassatiemiddel stelt de reikwijdte van de uitzondering op het beslagverbod van art. 45 lid 1 onder a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) aan de orde. Voorts wordt geklaagd over met de feiten van deze zaak samenhangende vragen betreffende de toerekening en verrekening van betalingen, de grenzen van de rechtsstrijd en de toepassing van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) Portaal heeft tot en met september 2020 de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] verhuurd aan huurder. Hierbij gaat het om zogenaamde sociale verhuur. In oktober 2020 heeft huurder een andere huurwoning betrokken.

(ii) Voordat Portaal de dagvaarding in eerste aanleg heeft uitgebracht was huurder al in een vonnis van 17 november 2017 veroordeeld om aan Portaal een huurschuld te betalen van € 622,75 ter zake de huur tot en met oktober 2017, verhoogd met rente en (proces)kosten. Hieronder zal deze schuld 'de oude huurschuld' worden genoemd. In de procedure die tot het vonnis van 2017 leidde, had Portaal eerst ook de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning gevorderd. Die vorderingen heeft zij echter ingetrokken, kennelijk omdat huurder de dag voor de comparitie in die procedure nog een bedrag van € 800,- bleek te hebben betaald.

(iii) In de periode van november 2017 tot het moment van de dagvaarding in eerste aanleg (22 januari 2019) zijn de volgende huurtermijnen verschenen:

Maand

Bedrag

Nov. ’17

€ 534,74

Dec. ‘17

€ 534,74

Jan. ‘18

€ 534,74

Feb. ‘18

€ 534,74

Mrt. ‘18

€ 534,74

Apr. ‘18

€ 534,74

Mei ‘18

€ 534,74

Jun. ‘18

€ 534,74

Jul. ‘18

€ 540,78

Aug. ‘18

€ 540,78

Sep. ‘18

€ 540,78

Okt. ‘19

€ 540,78

Nov. ‘18

€ 540,78

Dec. ‘18

€ 540,78

Jan. ‘18

€ 540,78

Totaal

€ 8.063,38

Over de daarop volgende periode vanaf de dagvaarding in eerste aanleg tot 1 juni 2019 is huurder de volgende huurtermijnen verschuldigd.

Maand

Bedrag

Feb. ‘19

€ 540,78

Mrt. ‘19

€ 540,78

Apr. ’19

€ 540,78

Mei ’19

€ 540,78

Jun. ’19

€ 540,78

Totaal

€ 2.723,91

(iv) In de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 heeft huurder de volgende bedragen overgemaakt aan Portaal, onder opgave van de betalingsreden die hieronder telkens achter iedere betaling staat vermeld.

Datum

Bedrag

Omschrijving bankafschrift

9 jan. ‘18

€ 1.000,-

[postcode] [a-straat 1] huur van dec. en jan.

22 jan. ’18

€ 600,-

huur van januari adres [postcode] [a-straat 1]

25 jan. ‘18

€ 550,-

[a-straat 1] [postcode] [plaats] huur februari

26 mrt. ‘18

€ 329,74

[postcode] [a-straat 1] [plaats] huur maart 205 euro incasso bureau betaald

29 mrt. ‘18

€ 329,74

huur mei [a-straat 1] [postcode] [plaats] 205 euro naar incasso betaald

24 mei ‘18

€ 400,-

huur juni [postcode] [a-straat 1] [plaats]

25 juni. ‘18

€ 400,-

[postcode] [a-straat 1] [plaats] huur van juli 210 euro betaald aan incasso bureau

23 juli. ‘18

€ 400,-

huur augustus [postcode] [a-straat 1] [plaats] 200 incasso betaald

23 aug ‘18

€ 400,-

huur september [a-straat 1] [postcode] [plaats] 200 euro incasso bureau betaald

23 okt. ‘18

€ 400,-

huur van november [a-straat 1] [postcode] 200 aan incasso betaald

21 dec. ‘18

€ 600,-

huur van [a-straat 1] [postcode] [plaats] januari

Totaal

€ 5.759,48

Over de periode vanaf de dagvaarding in eerste aanleg tot 1 juni 2019 heeft huurder de volgende bedragen overgemaakt aan Portaal, telkens onder opgave van de vermelde betalingsreden.

Datum

Bedrag

Omschrijving bankafschrift

23 jan. ‘19

€ 545,-

huur van februari [a-straat 1] [postcode] [plaats]

25 feb. ‘19

€ 700,-

Huur van maart en openslaande [a-straat 1] [postcode] [plaats]

22 mrt. ‘19

€ 700,-

huur van april en achterstand [a-straat 1] [postcode] [plaats]

11 apr. ‘19

€ 250,-

huur van [a-straat 1] [postcode]

18 apr. ‘19

€ 300,-

huur van [a-straat 1] [postcode] [plaats]

23 apr. ‘19

€ 700,-

huur van mei en achterstand van huur [a-straat 1] [postcode] [plaats]

23 mei ‘19

€ 650,-

[a-straat 1] [postcode] [plaats] huur van juni en 100 euro huur achterstand van 2018

Totaal

€ 3.845,-

(v) Portaal heeft met het vonnis in de oude zaak executoriaal beslag gelegd op de huursubsidie-uitkering van huurder, waarmee zij de volgende bedragen heeft geïnd.

Datum

Bedrag

26 mrt. ’18

€ 205,-

26 apr. ‘18

€ 205,-

28 mei ‘18

€ 205,-

25 jun. ‘18

€ 205,-

26 jul. ’18

€ 206,-

24 aug. ’18

€ 206,-

26 sep. ’18

€ 206,-

7 nov. ’18

€ 206,-

28 nov. ‘18

€ 137,59

Totaal

€ 1.781,59

1.2

In eerste aanleg heeft Portaal de ontbinding gevorderd van de huurovereenkomst, de ontruiming van het gehuurde, de betaling van een huurachterstand van € 1.191,69 over de huurperiode tot en met juni 2019 en een vergoeding van € 540,78 per maand vanaf 1 juli 2019 voor het gebruik van de woning tot de ontruiming, vermeerderd met rente en kosten.

1.3

De kantonrechter heeft bij vonnis de vorderingen van Portaal toegewezen met veroordeling van huurder in de proceskosten.

1.4

Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 januari 2021 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van Portaal afgewezen, met veroordeling van Portaal in de kosten van beide instanties

1.5

Bij procesinleiding van 12 april 2021 – en daarmee tijdig – heeft Portaal cassatieberoep ingesteld. Er is geen gebruik gemaakt van het voorbehoud in de procesinleiding om het middel aan te vullen na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 13 oktober 2020 en de aantekeningen van de griffier van de voortgezette comparitie in eerste aanleg. Het middel is niet afzonderlijk toegelicht. Huurder is in cassatie niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit zes klachten. Klacht I betreft het oordeel in rov. 4.2 dat Portaal bepaalde bedragen heeft afgeboekt op de oude huurschuld. Klacht II betreft het oordeel in rov. 4.3 over de verrekening van de servicekosten. Volgens klacht III is het hof met zijn oordeel in rov. 4.4 dat sprake is van een beslagverbod buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Klacht IV betreft het oordeel over de strekking van de uitzondering op het beslagverbod van art. 45 Awir. Klacht V betreft het oordeel in rov. 4.5 dat de ontbinding niet gerechtvaardigd is. Klacht VI bevat een louter voortbouwende klacht.

2.2

Ik stel het volgende voorop. In zijn arrest maakt het hof een onderscheid tussen de ‘oude huurschuld’ (dat wil zeggen het in rov. 2.2 bedoelde bedrag van € 622,75 ter zake de huur tot en met oktober 2017, waarvoor Portaal een executoriale titel had) en de ‘nieuwe huurschuld’ (dat wil zeggen hetgeen de huurder nog verschuldigd is in de periode van november 2017 tot het moment van dagvaarding in eerste aanleg).
Om de omvang van de nieuwe huurschuld op de peildatum (22 januari 2019) te kunnen berekenen, dient het hof te bepalen of tot de peildatum de verschillende bedragen die (i) in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 door huurder zijn betaald (€5.759,48; rov. 4.2), (ii) door Portaal wegens te veel betaalde voorschotten servicekosten aan huurder verschuldigd waren geworden (€ 25,34 en € 318,65; rov. 4.3) dan wel (iii) door Portaal krachtens het beslag op de huurtoeslag (door het hof huursubsidie genoemd) ontvangen waren (€ 1.781,59; rov. 4.4), moeten worden toegerekend aan de oude dan wel aan de nieuwe huurschuld.
Na te hebben overwogen dat de verschillende bedragen moeten worden toegerekend aan de nieuwe huurschuld (rov. 4.2-4.4) komt het hof in rov. 4.5 tot de volgende berekening van de nieuwe huurschuld: € 8.063,38 (de in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 maandelijks ontstane verplichtingen tot betaling van de huur) verminderd met € 5.759,48 (door huurder verrichte betalingen), verminderd met € 1.781,59 (het door Portaal in 2018 krachtens het beslag op de huurtoeslag geïnde bedrag) en verminderd met € 25,34 en € 318,65 (de vaststelling in 2018 van de in 2017 te veel betaalde servicekosten), zodat resteert als nieuwe huurschuld € 178,32.

Klacht I

2.3

Deze klacht is gericht tegen de laatste volzin van rov. 4.2. Hierin overweegt het hof dat “deze betalingen [van de huurder van in totaal € 5.759,48 in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019; plv.] hadden moeten worden afgeboekt op de verschuldigde huurtermijnen over de periode van november 2017 tot 22 januari 2019, en niet op de oude huurschuld”. Volgens de klacht is deze overweging onjuist althans onbegrijpelijk, omdat Portaal deze betalingen wel degelijk heeft afgeboekt op de huurtermijnen over de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 en niet op de oude huurtermijnen.

2.4

Klacht I berust op een onjuiste lezing van de bestreden overweging en dient daarom te falen. De klacht veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat de bedoelde betalingen door Portaal zijn afgeboekt op de oude schuld. Dit heeft het hof echter niet geoordeeld. Het hof oordeelt in rov. 4.2 slechts, dat de bedragen die in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 door huurder zijn betaald (in totaal € 5.759,48) op de voet van art. 6:43 lid 1 BW dienen te worden toegerekend aan de in die periode maandelijks ontstane verplichtingen tot betaling van de huur (in totaal € 8.063,38), dus aan de nieuwe huurschuld. Op basis van dit uitgangspunt berekent het hof in rov. 4.5 de omvang van de nieuwe huurschuld door de verplichtingen ad € 8.063,38 te verminderen met onder meer het bedrag van € 5.759,48.

Klacht II

2.5

Deze klacht komt op tegen rov 4.3, waarin het hof overwoog:

“4.3 [huurder] heeft over de jaren 2017 en 2018 teveel servicekosten betaald. Op 1 mei 2018 en 21 juni 2018 heeft Portaal wegens in 2017 teveel betaalde servicekosten aan [huurder] € 25,34 en € 318,65 toegekend. Ook over het jaar 2018 heeft [huurder] teveel voorschotten betaald. Dit heeft Portaal met hem afgerekend door op 1 mei 2019 aan [huurder] € 595,32 en € 35,26 toe te kennen.

Portaal heeft de teveel betaalde servicekosten niet uitbetaald, maar wil deze verrekenen met de oude huurschuld van [huurder]: zie de berekening die haar gemachtigde bij e-mailbericht van 17 juni 2019 aan de advocaat van [huurder] heeft gestuurd. Deze mededeling dateert echter van kort voor de zitting in eerste aanleg. Van een eerdere mededeling is het hof niet gebleken en evenmin ziet het hof in de processtukken aanwijzingen dat partijen afspraken hebben gemaakt waarmee zij zijn afgeweken van de wettelijke regeling van artikel 6:137 BW in combinatie met artikel 6:43 lid 2 BW. Volgens die wettelijke regeling moest Portaal de teruggave van de servicekosten over 2017 verrekenen met de schuld die voor [huurder] de meest bezwarende schuld was. Dat was de nieuwe huurschuld, omdat die schuld het gevaar van ontbinding en ontruiming opriep. (…).”

Het hof heeft vervolgens in rov. 4.5 bij de berekening van de omvang van de nieuwe huurschuld op de verplichtingen ad € 8.063,38 ook in mindering gebracht de bedragen van € 25,34 en € 318,65, die Portaal in 2018 (dus voor de peildatum van 22 januari 2019) had toegekend.

2.6

Volgens klacht II is rov. 4.3 onjuist althans onbegrijpelijk, omdat degene die zich op verrekening beroept in beginsel een vrije keuze heeft welke vordering en schuld hij in zijn beroep op verrekening betrekt. Dit volgt uit de artikelen 6:127 lid 1 en 6:137 lid 1 BW en sluit aan bij artikel 6:43 lid 1 BW. Men komt pas toe aan artikel 6:43 lid 2 BW als de verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit het overzicht van 17 juni 2019 blijkt dat Portaal de servicekosten wilde verrekenen met de oude huurschuld, zoals het hof onderkent in rov. 4.3. Dat Portaal pas vlak voor de zitting de verrekeningsverklaring heeft gedaan, is rechtens niet relevant. Evenmin is relevant dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over afwijking van de artikelen 6:137 en 6:43 lid 2 BW, nu partijen daarvan niet zijn afgeweken, aldus de klacht.

2.7

Artikel 6:127 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet gaan.
Artikel 6:137 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken, de volgorde van toerekening zoals aangegeven in de artikelen 6:43 en 6:44 BW geldt.
Artikel 6:43 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een schuldenaar een betaling verricht die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser, de toerekening geschiedt op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst. Wanneer een dergelijke aanwijzing ontbreekt, bepaalt art. 6:43 lid 2 BW de toerekening van de betaling op de verbintenissen. De toerekening geschiedt dan in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er meerdere opeisbare verbintenissen, dan geschiedt de toerekening in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.
Artikel 6:44 lid BW geeft de imputatieregeling voor geldschulden. Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.

2.8

Klacht II slaagt. Uit rov. 4.3 volgt dat Portaal blijkens de berekening die was gevoegd bij de e-mail van 17 juni 2019 de bedragen aan te veel betaalde servicekosten ad € 25,34 en € 318,65 heeft willen verrekenen met de oude huurschuld. Het hof gaat dus uit van het bestaan van een verrekeningsverklaring die betrekking heeft op de oude huurschuld. De klacht wijst er terecht op dat dit meebrengt dat niet wordt toegekomen aan toepassing van artikel 6:43 lid 2 BW, omdat volgens artikel 6:137 lid 1 BW daaraan pas wordt toegekomen indien de verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken. In dit verband is niet relevant de omstandigheid dat de verrekeningsverklaring dateert van kort voor de zitting in eerste aanleg. Een verrekeningsverklaring kan immers in beginsel worden uitgebracht zodra en zolang een partij daartoe op grond van. 6:127 lid 1 BW bevoegd is. Het hof heeft niets vastgesteld over omstandigheden die op het bestaan of de uitoefening van deze bevoegdheid van invloed kunnen zijn. Het oordeel in rov. 4.3 geeft hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende begrijpelijk.

Klacht III

2.9

Deze klacht komt op tegen rechtsoverweging 4.4, waarin het hof heeft geoordeeld dat de bedragen die Portaal in de periode tussen maart 2018 en november 2018 heeft geïnd door de beslaglegging op de huurtoeslag van huurder (in totaal € 1.781,59) niet mogen worden toegerekend aan de oude huurschuld.

2.10

Volgens klacht III is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. De vraag of het beslag nietig is en de daarmee verband houdende vraag of Portaal de geïnde bedragen rechtsgeldig kon afboeken op de oude huurschuld zijn niet in het partijdebat aan de orde gekomen. De huurder is in de memorie van grieven slechts ingegaan op de vraag in welke volgorde de geïnde bedragen in mindering moeten worden gebracht op de hoofdsom, rente en kosten. Het hof mocht gelet op de reikwijdte van het partijdebat niet (ambtshalve) de rechtmatigheid van het beslag beoordelen. Van een uitzondering op de regels van openbare orde is hier geen sprake, aldus de klacht.

2.11.1

In deze procedure heeft de huurder zich op het standpunt gesteld dat er geen nieuwe huurschuld is, omdat steeds is afbetaald op de lopende huur. De advocaat van huurder heeft in eerste aanleg onder meer aangevoerd dat met de huurtoeslag de oude huurschuld is betaald en dat Portaal de betalingen niet mocht afboeken op de (proces)kosten van de oude zaak, maar wel op eventuele huur die nog openstond (zie het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg van 21 juni 2019, p. 2).
In de memorie van grieven (nr. 10) heeft huurder aangevoerd dat beslag op huurtoeslag alleen mogelijk is voor een huurschuld; en dat ook de betalingen die volgen uit het beslag op de huurschuld in mindering dienen te strekken.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is vervolgens aan de orde gekomen de vraag aan welke schulden de inkomsten uit de huurtoeslag moeten worden toegerekend (zie het proces-verbaal van de zitting van het hof van 13 oktober 2020, p. 2, onderaan). Daarop is een debat gevolgd over de vraag of de wet toelaat om de krachtens het beslag geïnde bedragen toe te rekenen aan de rente en kosten in verband met de incasso van een huurschuld (p. 3). Tevens heeft de advocaat van de huurder desgevraagd verklaard: “[Huurder] heeft alle huurtermijnen voldaan en een deel van de incassokosten betaald. Dit was ten tijde van de comparitie in eerste aanleg. Vijf maanden na de dagvaarding. Vóór de eerste zitting was er al geen huurschuld meer.” (p. 5).
Het hof overweegt in rov. 4.4 onder meer dat huurder heeft aangevoerd dat Portaal geen beslag had mogen leggen op de huursubsidie omdat beslag daarop wettelijk is uitgesloten.

211.2 Het hof kon naar mijn mening uit het voorgaande afleiden, dat het partijdebat niet alleen ging over de vraag of de krachtens het beslag geïnde bedragen slechts konden worden toegerekend aan een huurschuld dan wel ook aan rente en kosten ter zake van een dergelijke schuld. Er is namelijk ook een verband gelegd met de vraag op welke huurschulden deze bedragen konden worden toegerekend. Dit laatste hing samen met de stelling van huurder dat er geen nieuwe huurschuld is. Het hof geeft dit verkort weer door in rov. 4.4. te overwegen dat huurder heeft aangevoerd dat Portaal geen beslag had mogen leggen op de huursubsidie omdat beslag daarop wettelijk is uitgesloten. Het hof heeft daarom in rov. 4.4 niet de grenzen van het partijdebat overschreden. Klacht III slaagt naar mijn mening niet.

Klacht IV

2.12

Deze klacht betreft de uitleg die het hof in rov. 4.4 geeft aan artikel 45 lid 1 onder a Awir en de gevolgen die het hof daaraan vervolgens verbindt. Na een weergave van deze bepaling en van een passage uit de daarbij behorende memorie van toelichting, overweegt het hof:

“Voorop staat dat het door Portaal op de huursubsidie gelegde beslag in beginsel nietig is, dit onder meer om te waarborgen dat de subsidie daadwerkelijk wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze aan [huurder] is toegekend. Portaal beroept zich op de uitzondering waarmee zij toch verhaal op de huursubsidie mag zoeken wanneer [huurder] niet zijn betalingsverplichtingen nakomt met het oog waarop de huursubsidie hem is verleend.
De huursubsidie was bedoeld om [huurder] beter in staat te stellen om aan zijn verplichting tot betaling van de lopende huurtermijnen te voldoen. Dat is iets anders dan de voldoening van de huurschuld uit 2017. Zou de huursubsidie worden gebruikt voor de schuld uit andere jaren, zoals Portaal dat heeft gedaan door de beslagopbrengsten op de schuld uit 2018 af te boeken, dan wordt daarmee het tijdgebonden karakter van de huursubsidie miskend. De subsidie, die inkomstenafhankelijk is, wordt immers steeds slechts voor een bepaalde periode toegekend. Het beslag frustreert daarmee de besteding van de huursubsidie aan de uitgaven waarvoor die wordt verleend.

Hier komt bij dat de incasso van de oude huurschuld door de beslaglegging op de huursubsidie logischerwijs een 'nieuwe' huurschuld doet ontstaan: de huursubsidie wordt immers toegekend omdat [huurder] zonder die subsidie de lopende huurtermijnen niet kan betalen. Het vervolgens gebruiken van de aldus gecreëerde nieuwe huurschuld om ontbinding en ontruiming te vorderen maakte het voor [huurder] feitelijk onmogelijk om in de huurwoning te blijven wonen, terwijl Portaal in de procedure die leidde tot het vonnis van 17 november 2017 de vordering tot ontbinding had ingetrokken, met als gevolg dat [huurder] zijn woonrecht nu juist kon behouden.
In lijn met de bedoelingen van de wetgever met het verstrekken van de huursubsidie en het beslagverbod zal het hof de door de beslaglegging geïnde huursubsidie dan ook in mindering brengen op de huurvordering die in de onderhavige procedure is ingesteld. Het hof houdt daarom geen rekening met de kosten van het nietige, althans onrechtmatige beslag.”

2.13

Volgens klacht IV heeft het hof met het oordeel dat geen beslag mag worden gelegd op huurtoeslag voor de voldoening van een oude huurschuld en beslag op huurtoeslag alleen is toegestaan voor de voldoening van lopende huurtermijnen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Een verhuurder kan beslag leggen op huurtoeslag die is verstrekt voor de huur van een bepaalde woning, tot voldoening van de huur van die woning, ongeacht of de huurschuld ‘oud’ of ‘nieuw’ is. (procesinleiding nr. 2.4.1). Op grond van artikel 3:276 BW kan een schuldeiser zijn vordering verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt. Op grond van artikel 45 lid 1 onder a Awir kan beslag worden gelegd op huurtoeslag die is verstrekt voor de huur van een bepaalde woning, voor een huurvordering ter zake van die woning. (procesinleiding nr. 2.4.2.) Uit artikel 22 lid 7 Awir blijkt ook dat beslag op een tegemoetkoming niet tijdvakgebonden is (procesinleiding nr. 2.4.3).
De klacht betoogt voorts, samengevat, dat het oordeel dat het door Portaal gelegde beslag op de huurtoeslag voor de “oude huurschuld” nietig is, onjuist althans onbegrijpelijk is, dat het hof de (ratio van) de wettelijke uitzondering van artikel 45 lid 1 onder a Awir miskend en dat er geen sprake is van “een te ver verwijderd verband” bij het beslag op de huurtoeslag ten behoeve van de inning van de hier aan de orde zijnde “oude huurschuld”. (procesinleiding nrs. 2.4.7-3.4.11) Een verhuurder als Portaal mag in ieder geval binnen de met de huurder bestaande rechtsverhouding (het lopende huurcontract) beslag leggen op de huurtoeslag ter incassering van de oude huurschuld en de in verband daarmee gemaakte proces- en buitengerechtelijke kosten, die de rechter bij zijn uitspraak heeft vastgesteld. (procesinleiding nr. 2.4.12)

2.14

Ik schets het juridisch kader alvorens deze klacht te bespreken. Op grond van artikel 3:276 BW kan een schuldeiser zijn vordering verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt. Volgens artikel 475a Rv strekt een executoriaal derdenbeslag zich niet uit tot, onder meer, vorderingen die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn. Artikel 45 Awir bevat een dergelijk beslagverbod.

2.15

Aanvankelijk bepaalde artikel 32 Huursubsidiewet:2

“1. De huursubsidie is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, behoudens dat beslag is toegestaan met het oog op de inning van de huur.

2.Elk beding, strijdig met het eerste lid, is nietig.”

Deze bepaling is destijds als volgt toegelicht:3

“Overdracht van de bijdrage die in allerlei vormen kan geschieden, brengt administratief nogal wat rompslomp te weeg. Zij is ook in strijd met de gedachte die aan de huursubsidie ten grondslag ligt, namelijk dat de huurder die subsidie nodig heeft om te kunnen wonen. Dit geldt ook voor het beslag op de bijdrage. Om deze reden wordt een beslag op de bijdrage wettelijk uitgesloten.

Om elke twijfel uit te sluiten dat partijen geen beding in strijd met het eerste lid kunnen maken, wordt in het tweede lid bepaald dat een dergelijk beding nietig is.”

Een vergelijkbare bepaling in artikel 41 Wet kinderopvang (Stb. 2004/455) kende vanaf de aanvang een uitzondering op het (beslag)verbod voor (destijds) vorderingen van houders4 of gastouders ter zake van verleende kinderopvang of van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Hieraan lag ten grondslag:5

“De tegemoetkoming is bedoeld voor kinderopvang; daarom kan in het kader van de betaling van die kinderopvang, wel cessie, beslag en dergelijke plaatsvinden.”

2.16

Bij de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is de Wet op de huursubsidie vernoemd tot Wet op de huurtoeslag en spreekt die wet niet langer van huursubsidie, maar van huurtoeslag.6 De Awir beoogt inkomensafhankelijke regelingen, met name voor zorg, kinderen en wonen, verder te stroomlijnen.7 In verband daarmee is artikel 32 Huursubsidiewet vervallen en bepaalt artikel 1a onder a van de Wet op de huurtoeslag, kort gezegd, dat op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing is.8

2.17.1

Artikel 45 Awir bepaalt:

“1. Een tegemoetkoming is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij het betreft beslag wegens:

a. een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming;

b. een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering dat betrekking heeft op dezelfde inkomensafhankelijke regeling.

De uitzondering opgenomen in onderdeel a van dit lid is niet van toepassing met betrekking tot een tegemoetkoming in het kader van de Wet op het kindgebonden budget.

2. Bij een beslag als bedoeld in het eerste lid is artikel 475c, tweede lid, niet van toepassing.

3. Elk beding dat strijdt met het eerste lid is nietig.”

2.17.2

In de Memorie van Toelichting is bij artikel 44, thans artikel 45 Awir, opgenomen:9

“Artikel 44 Beslagverbod

Ter bescherming van de belanghebbende en om te waarborgen dat de toegekende tegemoetkoming daadwerkelijk wordt aangewend voor het doel waarvoor deze is bestemd, is in dit artikel geregeld dat de in civielrechtelijke zin gebruikelijke rechtshandelingen met betrekking tot vermogensbestanddelen niet het daarmee beoogde rechtsgevolg hebben als het gaat om de tegemoetkoming. De Huursubsidiewet en de Wet kinderopvang bevatten tot aan de inwerkingtreding van deze wet een soortgelijke bepaling.

In een tweetal gevallen geldt hierop een uitzondering. Met de in onderdeel a genoemde prestatie van een schuldeiser wordt gedoeld op, bijvoorbeeld, het beschikbaar stellen van een woning door een verhuurder of het verlenen van zorg voor een kind door een gastouder. Als de belanghebbende niet aan zijn betalingsverplichtingen jegens die schuldeisers voldoet, is het billijk dat door hen verhaal kan worden gezocht op de tegemoetkoming. De tegemoetkoming is immers bedoeld de belanghebbende beter in staat te stellen aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen juist als het gaat om die prestaties.

Het bepaalde in onderdeel b bestendigt de lijn zoals die ook is opgenomen in de verrekeningsbevoegdheid van de Belastingdienst Toeslagen om een nog uit te betalen tegemoetkoming te kunnen aanwenden ten behoeve van de voldoening van een terug te vorderen bedrag terzake van een eerder uitbetaalde tegemoetkoming in het kader van dezelfde regeling.”

2.17.3

De laatste volzin van artikel 45 lid 1 Awir is later ingevoegd om beslag op het kindgebonden budget geheel uit te sluiten. In de toelichting ook een opmerking gemaakt over de positie van de verhuurder:10

“Daarnaast wordt een onderdeel toegevoegd, waarin artikel 45 van de Awir wordt gewijzigd. In artikel 45 van de Awir is opgenomen dat een beslagverbod geldt voor tegemoetkomingen op grond van de Awir tenzij het betreft een beslag wegens een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij die betalingsverplichting de oorzaak is van de tegemoetkoming (zie het eerste lid, onderdeel a, van artikel 45 van de Awir). Dit betekent bijvoorbeeld dat indien een huurder zijn huur niet betaalt, beslag gelegd kan worden op zijn huurtoeslag.

Voor het kindgebonden budget geldt dat er niet een specifieke kostenpost te benoemen is waarvoor het kindgebonden budget wordt gegeven. Immers, het kindgebonden budget ziet op een categorie van kosten, namelijk de kosten voor kinderen. Indien de hierbedoelde bepaling ook van toepassing zou zijn op het kindgebonden budget, dan zou dat betekenen dat vele schuldeisers beslag zouden kunnen leggen op dat kindgebonden budget. Er zijn ten slotte vele kostenposten die verband houden met kinderen. Dit acht het kabinet niet wenselijk. Om die reden wordt in deze bepaling een volzin toegevoegd die ertoe leidt dat de uitzondering opgenomen in onderdeel a niet van toepassing is op het kindgebonden budget. Dit betekent in feite dat er voor kindgebonden budget een algeheel beslagverbod geldt.”

2.17.4

Het tweede lid van artikel 45 Awir is ingevoegd bij de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en verwijst naar artikel 475c lid 2 Rv.11 In de Memorie van Toelichting is hierover opgemerkt:12

“Met de wijziging van artikel 45 Awir wordt een nieuw tweede lid ingevoegd. Hierin wordt geregeld dat voor beslag op tegemoetkomingen als bedoeld in de Awir de in Rv voorgeschreven volgorde niet van toepassing is. Zou de volgorde regeling hier wel onverkort op van toepassing zijn dan zou beslag op dit inkomensbestanddeel gezien zijn positie in de volgorde vrijwel niet tot de mogelijkheden behoren, daar waar de beperkte mogelijkheden tot beslaglegging, zoals vormgegeven in artikel 45 Awir, juist de zorgverzekeraar, de kinderopvanginstelling dan wel de huidige verhuurder een extra verhaalsmogelijkheid willen geven, voor zover hier met in acht name van de beslagvrije voet ruimte voor is.”

2.17.5

Artikel 22 lid 7 Awir is eveneens later ingevoegd. Deze bepaling maakt het mogelijk beslag te leggen op een voorschot op een toeslag, hetgeen voor de Belastingdienst/Toeslagen een besparing op de uitvoeringskosten meebrengt.13

2.18

Uit het voorgaande blijkt dat het in artikel 45 lid 1 Awir opgenomen (beslag)verbod strekt “[t]er bescherming van de belanghebbende en om te waarborgen dat de toegekende tegemoetkoming daadwerkelijk wordt aangewend voor het doel waarvoor deze is bestemd”.
De onder a van die bepaling opgenomen uitzondering op het (beslag)verbod voor “een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming” stelt bepaalde schuldeisers in staat verhaal te nemen op de met hun prestatie samenhangende tegemoetkoming. De uitzondering op het (beslag)verbod volgt daarmee de ratio van het verbod, in zoverre dat “[d]e tegemoetkoming is (…) bedoeld de belanghebbende beter in staat te stellen aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen juist als het gaat om die prestaties.” Hiervan is onder meer sprake bij “het beschikbaar stellen van een woning door een verhuurder” respectievelijk wanneer “een huurder zijn huur niet betaalt”.
In de opvatting van de wetgever wordt er dus een inhoudelijk verband gelegd tussen enerzijds de vordering van de verhuurder ter zake van diens prestatie en anderzijds de toeslag die beoogt de huurder in staat te stellen deze vordering te voldoen. Er wordt geen temporeel verband gelegd tussen de vordering en de toeslag, in die zin dat de uitzondering op het (beslag)verbod slechts zou gelden voor zover het betreft een (huur)toeslag voor de periode waarop de betreffende (huur)vordering ziet. Dat is verklaarbaar, omdat bij een executoriaal beslag sprake zal zijn van schulden die zijn ontstaan in het verleden en waarvoor een titel is verkregen die ten uitvoer kan worden gelegd.14

2.19.1

In de rechtspraak wordt de in artikel 45 lid 1 onder a Awir opgenomen uitzondering op het (beslag)verbod restrictief uitgelegd. Zo is de uitzondering door het Hof ‘s-Hertogenbosch Bosch niet van toepassing geacht op huurtoeslagen die gelden als tegemoetkoming voor huurverplichtingen uit hoofde van een andere huurovereenkomst (voor een andere woning).15

2.19.2

De uitzondering is voorts door het Hof Amsterdam niet van toepassing geacht op beslag tot verhaal van een vordering van een voormalige verhuurder, die de verhuurde woning had overgedragen zodat de huurovereenkomst krachtens artikel 7:226 BW wordt voortgezet door de verkrijger van de woning als nieuwe verhuurder.16 Het hof achtte het niet billijk dat de voormalige verhuurder langs de weg van executoriaal beslag de huurtoeslag zou innen, met als gevolg dat de toeslag niet ten goede kan komen aan voldoening van de betalingsverplichtingen van de huurder aan de huidige verhuurder, die de betreffende prestatie levert. De annotator bij deze uitspraak merkt op dat de huurder huurtoeslag krijgt op basis van de geleverde prestatie door de huidige verhuurder, zodat de oorzaak van de huurtoeslag niet een betalingsverplichting aan de voormalige verhuurder is, maar een betalingsverplichting aan de nieuwe verhuurder.
In een dergelijke situatie sluipt een temporeel element in de toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel 45 lid 1 onder a Awir. Het is echter niet dit element, maar de wisseling van de partij die de prestatie levert die verklaart waarom de voormalige verhuurder voor zijn ‘oude’ vordering geen beslag kan leggen op de lopende huurtoeslag.

2.19.3

Hof Den Haag 26 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1183, betrof een geval dat lijkt op het geval in deze cassatieprocedure. In een eerdere procedure was de huurder veroordeeld tot betaling van een huurachterstand, vermeerderd met rente en kosten (‘vonnis I‘). De verhuurder legde beslag op de lopende huurtoeslag tot verhaal van deze ‘oude’ huurschuld. Toen vervolgens weer een huurachterstand ontstond, vorderde de verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming. De huurder betwistte niet dat de verhuurder beslag op de huurtoeslag mocht leggen tot verhaal van de ‘oude’ schuld, maar betoogde dat bij de toepassing van de tenzij-bepaling van artikel 6:265 lid 1 BW moest meewegen dat de nieuwe achterstand was veroorzaakt door het beslag op de lopende huurtoeslagen. Het hof overwoog daarover:

“9. [appellant] heeft betoogd, naar het hof begrijpt, dat het beslag dat is gelegd ter verhaal van vonnis I, bij de beoordeling van de uitzonderingsgrond moeten worden ‘weggedacht’, althans tenminste voor zover daarmee de kosten zijn verhaald, en wel in die zin dat het bedrag aan huurachterstand eerst fictief moet worden verminderd met het in beslag genomen bedrag (althans voor zover dit bedrag is aangewend ter verhaal van kosten uit vonnis I), waarna slechts de aldus verkregen (geringere) huurachterstand moet worden beoordeeld op de aspecten aard en ernst van de tekortkoming (in de zin van artikel 6:265, eerste lid BW). In zijn algemeenheid gaat dit betoog naar het oordeel van het hof te ver. Wél is het hof van oordeel dat voor zover het beslag is aangewend ter verhaal van kosten in het lopende huurcontract, dit een omstandigheid is die dient te worden meegewogen bij alle omstandigheden van het geval.”

2.20

In de literatuur wordt niet bestreden dat de verhuurder bij een lopende huurovereenkomst beslag kan leggen op de huurtoeslag tot verhaal van een in het verleden ontstane huurschuld waarvoor de verhuurder een executoriale titel heeft verkregen.17 Wel wordt gesignaleerd dat dit tot gevolg kan hebben dat de huurder daardoor in de problemen komt met de betaling van de lopende huurtermijnen.18 Van der Putten en Van Zanten merken hierover op:19

“De keuze van de wetgever om de verhuurder de bevoegdheid te geven beslag op de huurtoeslag te leggen, is op zichzelf niet zo vreemd. Er is immers een huurschuld ontstaan en kennelijk is de huurtoeslag niet aan de huur besteed. Eenzelfde redenering geldt voor de zorgverzekeraar en de kinderopvanginstelling. De uitwerking van het beslag heeft echter onwenselijke gevolgen. Aan het beslag ligt een vonnis ten grondslag waarbij de rechter aan een achterstand een executoriale titel heeft verleend. Door vervolgens beslag op een toeslag te leggen, worden de geïnde toeslagen afgeboekt op deze achterstand. De kans is erg groot dat de lopende betalingsverplichtingen hierdoor niet meer voldaan kunnen worden.

Wel zal met invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet direct een beslagvrije voet gaan gelden en is een verzoek hiertoe op basis van art. 475f Rv bij de kantonrechter niet meer nodig. Bij een combinatie van beslag op toeslag en loonbeslag of verrekening zal gelden: wie het eerst komt, het eerst maalt. Wanneer eerst beslag op een toeslag en later loonbeslag wordt gelegd, dan moet bij het loonbeslag rekening worden gehouden met het beslag op de toeslag. En vice versa.

Een gemiste kans, want de wetswijziging lost de kern van het probleem niet op, te weten dat beslag op de toeslag de lopende betalingsverplichting doorkruist. Dit kan voorkomen worden door in plaats van beslag op toeslagen, verhuurders, zorgverzekeraars en kinderopvanginstellingen bij een achterstand een zelfstandig recht te geven om de toeslag rechtstreeks te innen om daarmee de lopende verplichting te voldoen.”20

2.21

Het hof overweegt in rov. 4.4 op zichzelf terecht dat de huurtoeslag (huursubsidie) is bedoeld om de huurder in staat te stellen om aan zijn verplichting tot betaling van de lopende huurtermijnen te voldoen en dat huurtoeslag slechts voor een bepaalde periode wordt toegekend. De huurtoeslag wordt per berekeningsjaar toegekend21 en is onder meer afhankelijk van de draagkracht.22
Het hof verbindt hieraan de conclusie dat de over een bepaald jaar toegekende huurtoeslag niet mag dienen als verhaalsobject voor een over een ander (dat wil zeggen eerder) jaar ontstane huurschuld. Anders frustreert het beslag de besteding van de huurtoeslag aan de uitgaven waarvoor die wordt verleend.
In deze procedure maakt het hof een onderscheid tussen ‘de oude huurschuld’ tot en met oktober 2017 (waarover tussen partijen eerder een procedure is gevoerd die eindigde met het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2017 dat Portaal ten uitvoer kan leggen) en ‘de nieuwe huurschuld’ (die ziet op de periode november 2017 tot 22 januari 2019 en waarover deze procedure gaat). Zou de huurtoeslag over 2018 worden gebruikt voor een schuld uit 2017, dan wordt volgens het hof het tijdgebonden karakter van de huurtoeslag miskend. Het hof brengt de in 2018 door Portaal op grond van het beslag geïnde bedragen aan huurtoeslag daarom in mindering op de huurvordering die in de onderhavige procedure is ingesteld.

2.22

In de rechtsopvatting van het hof bevat de in artikel 45 lid 1 onder a Awir bedoelde uitzondering op het beslagverbod een temporeel element. Dit element komt niet voor in de tekst van deze bepaling, Uit de toelichting op deze bepaling blijkt niet, dat bij de totstandkoming van deze bepaling aan een dergelijke temporeel element is gedacht of dat een verband is gelegd tussen de uitzondering op het beslagverbod en het gegeven dat de huurtoeslag jaarlijks wordt toegekend. Nog bij herziening van de regeling van de beslagvrije voet is overwogen dat “de beperkte mogelijkheden tot beslaglegging, zoals vormgegeven in artikel 45 Awir, juist (…) de huidige verhuurder een extra verhaalsmogelijkheid willen geven, voor zover hier met in acht name van de beslagvrije voet ruimte voor is.” Het blijkt niet dat de wetgever een verband heeft gelegd tussen de uitzondering op het beslagverbod en het gegeven dat de huurtoeslag jaarlijks wordt toegekend.

2.23

Zie ik het goed, dan brengt de rechtsopvatting van het hof mee dat een verhuurder beslag kan leggen op de huurtoeslag in een bepaald jaar voor de huurschuld in dat jaar. Dat biedt een beperkte verhaalsmogelijkheid voor een verhuurder die in de loop van enig jaar een executoriale titel heeft verkregen ter zake van een in dat jaar ontstane huurschuld. De omvang van deze verhaalsmogelijkheid wordt dan bepaald door het moment waarop de titel wordt verkregen en het executoriale beslag op de toeslag kan worden gelegd. In veel gevallen resteert in deze opvatting echter geen mogelijkheid om beslag te leggen op de huurtoeslag. 23

2.24

Ik meen dat het middel terecht klaagt dat rov. 4.4 is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, omdat artikel 45 lid 1 onder a Awir toelaat dat de verhuurder binnen een met de huurder bestaande rechtsverhouding (het lopende huurcontract) beslag legt op de huurtoeslag ter incassering van een huurschuld. Klacht IV slaagt in zoverre.

2.25

In zijn in cassatie bestreden arrest heeft het hof geen oordeel gegeven over de vraag of het beslag, voor zover dat wordt toegelaten door artikel 45 lid 1 onder a Awir, ook betrekking heeft op de rente en kosten ter zake van de huurschuld waarvoor het beslag op de huurtoeslag kan worden gelegd. Het hiervoor in 2.19.3 genoemde arrest van het Hof Den Haag 26 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1183, overwoog daarover:

“(…) Naar het oordeel van het hof dienen onder deze huurschulden in beginsel ook begrepen te worden de in verband daarmee gemaakte proces- en buitengerechtelijke kosten, die de rechter bij zijn uitspraak heeft vastgesteld. Niet valt immers in te zien dat de kosten die de verhuurder heeft moeten maken om zijn huurvordering te incasseren en die door de rechter zijn toegekend, niet onder de uitzondering van artikel 45, aanhef en onder a. Awir zouden vallen. (…)”

Ik ben geneigd dot standpunt te onderschrijven. De incasso van schulden gaat nu eenmaal gepaard met rente en kosten. Artikel 6:44 lid 1 BW gaat daar ook vanuit. Artikel 45 lid 1 onder a Awir noch de toelichting daarop geven aanleiding om anders te oordelen.24 Zou het beslag op de huurtoeslag alleen de hoofdsom omvatten en niet de bedragen voor rente en kosten, dan zal de verhuurder vermoedelijk andere maatregelen dienen te treffen om die bedragen te incasseren, zoals een executoriaal beslag op andere goederen van de huurder, met alle extra kosten van dien.

2.26

Het hof heeft in rov. 4.4 voorts aandacht besteed aan de omstandigheden dat de incasso van de ‘oude’ huurschuld door de beslaglegging op de huurtoeslag door Portaal een ‘nieuwe’ huurschuld doet ontstaan, dat Portaal haar vorderingen tot ontbinding en ontruiming op deze nieuwe schuld baseert en dat dit het voor de huurder feitelijk onmogelijk maakt om in de huurwoning te blijven wonen, terwijl Portaal in de procedure die leidde tot het vonnis van 17 november 2017 de vordering tot ontbinding had ingetrokken, met als gevolg dat huurder zijn woonrecht nu juist kon behouden.
Dergelijke omstandigheden kunnen worden gewogen in het kader van de tenzij-bepaling van artikel 6:265 lid 1 BW. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Zo kan ten gunste van de schuldenaar bijvoorbeeld rekening worden gehouden met het feit dat hij na het intreden van zijn verzuim de achterstallige bedragen alsnog heeft betaald, met de aard van de desbetreffende overeenkomst, met de aard en betekenis van het beding in de naleving waarvan de schuldenaar is tekortgeschoten of met de omstandigheid dat de schuldenaar zich niet bewust was van de tekortkoming, het bestaan van een voor de schuldenaar minder bezwaarlijke mogelijkheid van redres, het belang van sociale woningbouwverenigingen of -stichtingen om de woning beschikbaar te krijgen ten behoeve van anderen die aangewezen zijn op een sociale huurwoning en het belang van de huurder om het ingrijpende gevolg van ontbinding en ontruiming te vermijden.25

Overige klachten; slotsom

2.27

Klacht V komt op tegen rov. 4.5 en 4.6, waarin het hof concludeert dat de ontbinding niet gerechtvaardigd was. De klacht (in de procesinleiding nr. 2.5.2) dat voor zover voorgaande klachten slagen deze rechtsoverwegingen evenmin in stand kunnen blijven, slaagt. Klacht VI bevat een op de voorgaande klachten louter voortbouwende klacht die is gericht tegen met name de rov. 4.6 tot en met 5.3 en het eindoordeel in rechtsoverweging 6. Gezien het slagen van onderdeel II en IV, slagen ook de klachten V en VI.

2.28

De slotsom is dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Plv.

1 Vgl. het in cassatie bestreden het arrest, Hof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:205, JHV 2021/10 m.nt. A. Machielse, rov. 2.

2 Stb. 1997/197.

3 Kamerstukken II, 1996-1997, 25 090, nr. 3, p. 39 (artikel 31 in het wetsvoorstel).

4 Een houder is degene die een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert (artikel1 lid 1 onder m Wet kinderopvang).

5 Kamerstukken II, 2001–2002, 28 447, nr. 3, p. 76.

6 Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang, de Huursubsidiewet en enige andere wetten, Stb. 2005/345, artikel IV.

7 MvT, Kamerstukken II, 2004–2005, 29 764, nr. 3, p. 1; H.C.I. Rietman, Module Inkomensafhankelijke regelingen, regeling Awir, aant. 1.1; Lexplicatie, commentaar op Awir, Inleiding; I. Lunenburg & H.W.M. Nacinovic, PS-Special Armoedebestrijding, 2012, p. 87.

8 Art. I onder DD respectievelijk onder B van de Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen), Stb. 2005/343.

9 Kamerstukken II, 2004-2005, 29 764, nr. 3, p. 63.

10 Wet van 20 december 2007, houdende wijzigingen van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Stb. 2007/563); Kamerstukken II, 2007-2008, 31 206, nr. 15, p. 7-8.

11 Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet(, Stb. 2017/110. Art. 475c lid 2 Rv ging luiden: “De beslaglegger legt beslag op de vorderingen tot periodieke betaling, bedoeld in het eerste lid, in de volgorde van de onderdelen in dit lid. Indien sprake is van meerdere vorderingen tot periodieke betaling binnen een onderdeel gaat de hoogste vordering voor.”

12 Kamerstukken II, 2016-2017, 34 628, nr. 3, p. 76.

13 Wet van 23 december 2010 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2011), Stb. 2010/873; Kamerstukken II, 2010–2011, 32 505, nr. 3, p. 45.

14 Terzijde: de aanpassingen van de Awir in verband met de “kindertoeslagaffaire” (Stb. 2020, 543) staan los van art. 45 Awir.

15 Hof ‘s-Hertogenbosch 15 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2173, WR 2014/120 m.nt. J.M. Huber, rov. 3.9. In deze zin ook Rb. Den Haag 22 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7217, rov. 3.5. Vgl. anders Rb. Limburg 29 april 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:4044, rov. 4.5, en i.v.m. kinderopvangtoeslag Rb. Almelo 3 maart 2009, ECLI:NL:RBALM:2009:BH4739, rov. 4.

16 Hof Amsterdam 22 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3889, WR 2015/3 m.nt. J.M. Huber, rov. 3.6.

17 Vgl. H.G. Punt, Memo beslagrecht, 2020, p. 47 en 394; Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/24 en voorts de in de volgende voetnoot genoemde literatuur.

18 N. Jungmann, A.J. Moerman, H.D.L.M. Schruer & I. van den Berg, Rapport Paritas Passé, maart 2012, p. 80 e.v.; A. Moerman, De waanzin van beslag op toeslag, Tijdschrift voor Schuldsanering 2015/2, p. 7.

19 S.J.W. van der Putten & M.R. van Zanten, Compendium Beslag- en executierecht, 2018, nr. 8.4. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (art. 475b e.v. Rv) is in werking getreden op 1 januari 2021. Zie A.J. Gieske, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 475b Rv, aant. 1.b en 5.

20 De voetnoot bij dit citaat vermeldt: “Voor zorgverzekeraars heeft de Tweede Kamer al een amendement aangenomen waardoor art. 18aa Zorgverzekeringswet regelt dat bij of krachtens AMvB te stellen voorwaarden de zorgtoeslag rechtstreeks aan de zorgverzekeraar uitbetaald kan worden indien er een premieachterstand van drie maanden is (Kamerstukken II, 2014-2015, 33 683, nr. 43). Eenzelfde regeling zou ook ingevoerd kunnen worden voor verhuurders en kinderopvanginstellingen.” Artikel 18aa Zorgverzekeringswet voorziet vanaf 1 juli 2016 in een dergelijke mogelijkheid, die beoogt dat zwaardere maatregelen (het bestuursrechtelijk regime als bedoeld in artikel 18c e.v. Zvw) voorkomen kunnen worden. Zie Kamerstukken II 2014/15, 33683, 53, p. 2; C.C. Beerepoot, Lexplicatie, commentaar op art. 18aa Zvw.

21 Artikel 1a Wet op de huurtoeslag in verbinding met de artikel 2 lid 1 onder b Awir.

22 Artikelen 7 en 14 Wet op de huurtoeslag.

23 Zie A. Machielse in haar noot onder dit arrest in JHV 2021/10.

24 Vgl. ook artikel 18a lid 1 onder b Zorgverzekeringswet (een betalingsregeling na twee maanden achterstand omvat mede afspraken inzake de afwikkeling van de uit de zorgverzekering voortvloeiende schulden van de verzekeringnemer aan de zorgverzekeraar, inclusief rente en incassokosten). Artikel 18f Zorgverzekeringswet biedt een grondslag waarop het CAK de bestuursrechtelijke premie kan innen. Artikel 8 lid 6 van de Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2018 bepaalt: “Het CJIB zal, namens het CAK, de kosten van invordering en beslaglegging in verband met de invordering van het saldo op de eindafrekening bij de verzekeringnemer in rekening brengen.”

25 Vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446 m.nt. J. Hijma, JBPr 2018/61 m.nt. F.J.P. Lock, TBR 2018/197 m.nt. S. van Gulijk, AA20190293 m.nt. H.N. Schelhaas, JHV 2018/29 m.nt. T. Gardenbroek, Jurisprudentie Grondzaken 2018/255 m.nt. F.M.A. van der Loo (Tenzij-arrest), rov. 3.8.2, 3.8.3 en 3.9.