Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:241

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-03-2022
Datum publicatie
17-03-2022
Zaaknummer
20/01803
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:655
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG, art. 8.1, eerste lid, Wet milieubeheer. OM-cassatie. Middel klaagt dat het hof met de partiële vrijspraak van het onder 1 sub a en b tenlastegelegde een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het in art. 8.1, eerste lid, (oud) Wet milieubeheer voorkomende begrip ‘veranderen van (de werking van) de inrichting’. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover betreft deze partiële vrijspraak alsmede de strafoplegging en tot terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2022/61 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/01803

Zitting 15 maart 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats]

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 22 augustus 2018 door de economische kamer van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon’; 2. ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon’ en 3. ‘overtreding van een voorschrift krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,00.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/04023, 20/02903 en 20/01807. In de zaak 18/04023 is het cassatieberoep ingetrokken. In de zaken 20/02903 en 20/01807 zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie heeft één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte is incidenteel cassatieberoep ingesteld. Mr. R. Croes-Hogendoorn, advocaat te Leiden, heeft een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.

  4. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 3 november 2020 aan de verdachte betekend. Namens de verdachte zijn binnen de wettelijke termijn geen middelen van cassatie voorgesteld (art. 437, tweede lid, Sv). Dat brengt mee dat de verdachte in het incidenteel ingestelde beroep in cassatie niet-ontvankelijk is.

  5. Het middel ziet op de partiële vrijspraak van het onder 1 sub a en b tenlastegelegde. Het behelst de klacht dat het hof bij de beslissing tot vrijspraak de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een te beperkte en daarmee een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het daarin voorkomende, aan art. 8.1, eerste lid, (oud) Wet milieubeheer ontleende bestanddeel ‘veranderen van (de werking van) de inrichting’ en aldus de verdachte heeft vrijgesproken van iets anders dan haar ten laste was gelegd. In ieder geval zou ’s hofs oordeel dat geen sprake is geweest van een verandering van (de werking van) de inrichting als bedoeld in die bepaling zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk zijn.

  6. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

‘zij in of omstreeks de periode januari 2007 tot en met september 2008 te [plaats], al dan niet opzettelijk een in of op het perceel [a-straat 1] gelegen inrichting voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28.4 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, vanaf 1 januari 2008 behorende tot een bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen categorie inrichting, waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde verbod geldt, nadat die inrichting was veranderd en/of de werking van die inrichting was veranderd, door

a. het niet meer afvoeren en verwerken van het bedrijfsafvalwater via het rioolstelsel en/of de afvalwaterbehandelingsinstallatie op het openbaar riool en/of

b. het niet meer gescheiden verwerken en/of afvoeren van het percolaat van de opslagvakken van afvalstoffen en het overige bedrijfsafvalwater en/of

c. het aanbrengen van één of meer bassins voor het opslaan en/of laten bezinken van afvalwater en/of regenwater,

voormelde inrichting zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, althans ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad;’

7. Het hof heeft de verdachte partieel vrijgesproken van het onder 1 aanhef en onder a en b tenlastegelegde. Het heeft deze partiële vrijspraak als volgt gemotiveerd (met weglating van voetnoten):

‘ [verdachte] wordt onder 1 verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer [hierna aangeduid als: Wm].
Deze bepaling luidde ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:


"Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort:
o a. op te richten;
o b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;
o c. in werking te hebben. ”


Kort weergegeven is aan [verdachte] ten laste gelegd dat zij in de ten laste gelegde periode een inrichting zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, althans die inrichting heeft veranderd en/of die veranderde inrichting zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad. In de tenlastelegging zijn drie specifieke situaties [hof: onder a., b. en c.] opgenomen, waardoor de (werking van de) inrichting zou zijn veranderd, te weten:
a. het niet meer afvoeren en verwerken van het bedrijfsafvalwater via het rioolstelsel en/of de afvalwaterbehandelingsinstallatie op het openbaar riool en/of
b. het niet meer gescheiden verwerken en/of afvoeren van het percolaat van de opslagvakken van afvalstoffen en het overige bedrijfsafvalwater en/of
c. het aanbrengen van één of meer bassins voor het opslaan en/of laten bezinken van afvalwater en/of regenwater.


Aan het hof ligt de beantwoording van de vraag voor of de onder a. en b. weergegeven situaties met betrekking tot de verwerking van de afvalwaterstromen binnen de inrichting ertoe hebben geleid dat zonder vergunning de (werking van de) inrichting is veranderd.


Het hof overweegt in dit verband als volgt.


Het hof stelt voorop dat hetgeen onder 1 is ten laste gelegd uitsluitend betrekking heeft op de vergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer [hierna aangeduid als: Wm-vergunning] die op 3 juli 2001 door de Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant [hierna aangeduid als: de Provincie] is verleend aan de voorganger van [verdachte] .

‘ Het hof stelt in dit verband vast dat blijkens onderdeel 4 van het besluit (het ‘dictum’; pag. 2193) niet alle onderdelen van de aanvraag deel uitmaken van de Wm-vergunning, maar slechts hoofdstuk 5, onderdelen Stof en Geur, het monitoringsvoorstel [naam] I en II hoofdstuk 5, onderdeel Bodem en voorts het bedrijfsnoodplan en het akoestisch rapport.


Het hof ziet zich derhalve gesteld voor de vraag hoe de Wm-vergunning dient te worden uitgelegd.


Daaromtrent is het volgende van belang.


Bij brief van 13 december 2007 is namens [A] . [hierna aangeduid als: [A]] door een advocaat van [B] aan de Provincie het verzoek gedaan tot – kort gezegd – handhavend optreden jegens [verdachte] dan wel aanpassing/intrekking van de Wm-vergunning van [verdachte] . Daartoe is (onder meer) aangevoerd dat voorheen bij [verdachte] sprake was van drie waterstromen (schoon hemelwater, grijs water en zwart water), maar dat [verdachte] haar bedrijfsvoering heeft gewijzigd door grijs en zwart water samen te voegen. Bovendien zou afvalwater mogelijk worden uitgereden over gereinigde grond.


De Provincie heeft voornoemd verzoek tot handhavend optreden per brief d.d. 11 januari 2008 afgewezen en heeft dat als volgt gemotiveerd:


Op 26 september 2007 en 21 december 2007 heeft een medewerker van de Regionale Milieudienst West-Brabant een milieucontrole bij [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [verdachte] ] uitgevoerd. Tijdens deze controles zijn van de gecontroleerde onderdelen geen veranderingen ten aanzien van de huidige milieuvergunning geconstateerd. Het door u naar voren gebrachte uitrijden van afvalwater over (verontreinigde) grond is niet bij deze controles betrokken. Ten aanzien van afvalwaterstromen wijkt de werkwijze van [verdachte] af van hetgeen in de aanvraag is beschreven. Echter, dit onderdeel van de aanvraag is niet in de huidige vergunning opgenomen, omdat het niet vermeld staat in het dictum van onze vergunning van 3 juli 2001, onder de onderdelen van de gewaarmerkte aanvraag. Dat betekent dat artikel 8.1 Wm niet wordt overtreden. Wij zijn dan ook van oordeel dat handhavend optreden ten aanzien van artikel 8.1 Wm niet aan de orde is.”


De Provincie heeft een afschrift van deze brief verzonden naar [verdachte] . Hieruit volgt dat de vergunningverlener op dit onderdeel een restrictieve uitleg heeft gegeven aan de inhoud van de Wm-vergunning. Daaruit blijkt dat de verwerking en afvoer van het bedrijfsafvalwater op het openbaar riool en het niet meer gescheiden verwerken en afvoeren van de verschillende afvalwaterstromen volgens de vergunningverlener geen onderdeel uitmaakten van de Wm-vergunning. Volgens de vergunningverlener heeft [verdachte] , door te handelen zoals in de tenlastelegging is omschreven, dan ook niet in strijd gehandeld met artikel 8.1 Wm.

Het hof volgt de interpretatie van de Provincie. Het betreft hier immers het standpunt van de vergunningverlenende instantie zelf, welk standpunt in de ten laste gelegde periode ook expliciet is gecommuniceerd met [verdachte] . Daarbij merkt het hof op dat de interpretatie van de Wm-vergunning door de Provincie niet op voorhand als onbegrijpelijk of onjuist kan worden beschouwd.

Het hof merkt op dat wel in strijd is gehandeld met de Wvo-vergunning, maar dit is niet ten laste gelegd.


Met de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder a. en b. ten laste gelegde handelingen voor wat betreft feit 1.’

8. Alvorens het middel te bespreken, geef ik de relevante artikelen uit de Wet milieubeheer (verder: Wm) en Wet verontreiniging oppervlaktewateren (verder: Wvo) weer zoals deze golden ten tijde van het tenlastegelegde feit, alsmede passages uit de kamerstukken die op deze artikelen betrekking hebben. Ook geef ik de bewezenverklaring van de drie feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld weer en delen van de bewijsvoering, ten behoeve van het begrip van de feitelijke situatie en in verband met een verwijzing in de schriftuur naar de bewijsvoering.1

Relevante wetgeving en kamerstukken

9. Art. 8.1 Wm luidde in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 als volgt:2

‘1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:


a. op te richten;


b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;


c. in werking te hebben.


2. Het verbod geldt niet met betrekking tot inrichtingen, behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, is aangewezen, behoudens in gevallen waarin, krachtens de tweede volzin van dat lid, de bij die maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting.


3. Het verbod bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt niet met betrekking tot veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften.’

10. Vanaf 1 januari 2008 luidde art. 8.1 Wm als volgt:3

‘1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort:


a. op te richten;


b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;


c. in werking te hebben.


2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde verboden gelden.


3. Voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid dan wel voor een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, geldt het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, niet met betrekking tot veranderingen van die inrichting of van de werking daarvan, die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften.
4. Voor een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, geldt het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, evenmin met betrekking tot veranderingen van die inrichting of van de werking daarvan, voor zover daarop regels, gesteld krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40, van toepassing zijn.’

11. Categorie 28.4 van Bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer bepaalde in de tenlastegelegde periode dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag waren ten aanzien van inrichtingen behorende tot deze categorie. Daarbij ging het (kort gezegd) om inrichtingen voor onder meer het opslaan en overslaan van daarin omschreven afvalstoffen.4 Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer trad (behoudens enkele uitzonderingen) op 1 januari 2008 in werking.5 Dat besluit bepaalde onder meer dat de in art. 8.1, tweede lid, van de wet bedoelde categorieën van inrichtingen in bijlage 1 worden genoemd (art. 1.5). Bijlage 1 noemde onder ll diverse categorieën inrichtingen voor (onder meer) het opslaan en overslaan van afvalstoffen.

12. Art. 8.19 Wm luidde in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 voor zover van belang als volgt:6

‘2. Een voor een inrichting verleende vergunning geldt tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:


a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;


b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en


c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.’

13. Art. 8.19 luidde vanaf 1 januari 2008 als volgt:7

‘1. Een voor een inrichting verleende vergunning geldt tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:


a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;


b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en


c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.’

14. De inhoud van beide artikelen is voorafgaand aan de tenlastegelegde periode in belangrijke mate bepaald door de Wet meldingenstelsel.8 De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet leidde, bevatte onder meer de volgende passages:9

4.2 Categorieën veranderingen


De voorgestelde wet maakt een onderscheid in veranderingen welke zonder meer, met een melding dan wel pas na een vergunningwijziging mogen worden doorgevoerd:

a) Veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften (inclusief de aanvraag om de vergunning voorzover deze overeenkomstig artikel 8.11, eerste lid, van de Wm deel uitmaakt van de vergunning) (artikel 8.1, derde lid).

Uit het nieuwe derde lid van artikel 8.1 van de Wm volgt dat veranderingen die overeenkomen met de vergunning en de daarin opgenomen beperkingen en voorschriften, zonder melding en zonder vergunningwijziging kunnen worden doorgevoerd. Indien het bevoegd gezag toepassing heeft gegeven aan artikel 8.13, eerste lid, onder g, zal de vergunninghouder het bevoegd gezag wel van bepaalde veranderingen uit deze categorie op de hoogte moeten stellen.

b) Veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan, die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:

a. deze niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk aan het bevoegd gezag is gemeld en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25 (artikel 8.19, tweede lid).

Op voorwaarde dat de gevolgen van de verandering voor het milieu blijven binnen de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting mag veroorzaken ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, kan de betrokken verandering met inachtneming van de daaromtrent in artikel 8.19 van de Wm gestelde regels in beginsel worden afgedaan met een melding.

c) Veranderingen die tot gevolg hebben dat de nadelige gevolgen voor het milieu, veroorzaakt door de inrichting, de grenzen van de vergunning overschrijden.

Voor veranderingen die ertoe leiden dat de toegestane milieubelasting van de inrichting wordt overschreden – dus leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen toestaan – is steeds een aanvraag tot wijziging van de vergunning nodig. Uit de systematiek van hoofdstuk 8 (artikel 8.1, eerste en derde lid, juncto artikel 8.19, tweede lid) volgt dat het bevoegd gezag de grenzen voor toekomstige veranderingen trekt door middel van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen. De vergunning bepaalt de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu mag veroorzaken. Daarmee wordt dan tevens aangegeven dat buiten die grenzen veranderingen slechts mogelijk zijn door middel van een wijzigingsaanvraag (en de daarmee gepaard gaande rechtsbescherming).’ (p. 7-8)


8. Artikelsgewijze toelichting


Artikel I, onder A


Artikel 8.1, derde lid


Met dit artikellid wordt expliciet aangegeven dat voor veranderingen die in overeenstemming zijn met hetgeen het bevoegd gezag in de vergunning heeft voorgeschreven, geen wijzigingsvergunning noodzakelijk is.

«In overeenstemming met» moet strikt worden uitgelegd: het moet gaan om veranderingen die voldoen aan het in de vergunning bepaalde. Bij afwijking van het door de vergunning toegestane, zal de verandering conform artikel 8.19, tweede lid, moeten worden gemeld (dit kan alleen als de verandering niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning mag veroorzaken) of zal een vergunningwijziging moeten worden aangevraagd (als niet voldaan kan worden aan de vereisten van artikel 8.19, tweede lid).’ (p. 19)

‘De vraag kan zich voordoen of in artikel I van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) een met artikel 8.1, derde lid, vergelijkbare bepaling moet worden opgenomen. Dit is niet het geval. Op grond van artikel 8.1, eerste lid, Wm is het verboden om zonder vergunning een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen of in werking te hebben. De hiervoor aangehaalde jurisprudentie die aanleiding heeft gegeven tot het toevoegen van artikel 8.1, derde lid, ziet steeds op veranderingen in de inrichting, waarbij de vraag zich voordeed of deze als zodanig vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel I van de Wvo is het, kort gezegd, verboden om stoffen in het oppervlaktewater te brengen zonder vergunning. Anders dan in de Wet milieubeheer zijn veranderingen in de inrichting als zodanig niet vergunningplichtig. Indien op grond van artikel I van de Wvo een vergunning is verleend voor lozing van stoffen op het oppervlaktewater, dan is een lozing die in overeenstemming is met de vergunning, rechtmatig. In de praktijk zal het veelal zo zijn dat een voortdurende lozing op het ene tijdstip de waterkwaliteit meer belast dan op het andere tijdstip. Dat is toegestaan, zolang de lozing blijft binnen de vergunningvoorschriften en beperkingen.’ (p. 20)


Artikel I, onder C


Artikel 8.19


De wijzigingen in artikel 8.19 hebben, gelet op de verwijzing in artikel 7, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), ook betekenis voor vergunningen krachtens die wet. Wvo-vergunningen zien op het in het oppervlaktewater brengen van stoffen. Veranderingen in een inrichting van waaruit een lozing plaatsvindt worden als zodanig niet gereguleerd in de vergunning. Desalniettemin kan de regeling van artikel 8.19, tweede en volgende leden, van toepassing zijn bij Wvo-vergunningen. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie dat de samenstelling van de toegestane lozing tamelijk nauwkeurig is beschreven. Indien de samenstelling van de lozing verandert, bijvoorbeeld als gevolg van veranderingen in een bedrijf, dan is die «nieuwe» lozing niet in overeenstemming met de vergunning. Het is echter niet uitgesloten dat die lozing gunstiger is voor de kwaliteit van het oppervlaktewater dan de lozing die op grond van de vergunning is toegestaan. In dergelijke gevallen kan worden volstaan met een melding van de voorgenomen verandering in de lozing aan het bevoegd gezag, in casu de waterkwaliteitsbeheerder.


Als er sprake is van een verandering van een bedrijfsactiviteit die relevant is op zowel het terrein van de milieuvergunning op basis van de Wm als de lozingsvergunning op basis van de Wvo (bijvoorbeeld een verandering in een industriële installatie die ook gevolgen heeft voor de kwaliteit van de lozing vanuit die installatie), zullen in het kader van beide wetten meldingen dienen plaats te vinden (mits uiteraard op het terrein van beide wetten voldaan wordt aan de criteria voor het doen van een melding). Hoewel hiervoor geen wettelijke regeling is opgenomen, verdient het aanbeveling dat de bevoegde gezagsinstanties elkaar betrekken bij en zeker informeren over de reactie op de melding. Een expliciete regeling van deze afstemming is niet noodzakelijk geacht omdat de reactie van het bevoegd gezag op de melding niet leidt tot wijziging van de vergunning. In dit verband wordt wel gewezen op de artikelen 8.33 en 8.34 van de Wm waarin ten aanzien van de procedures op grond van de artikelen 8.22, 8.23 en 8.25 tot wijziging of intrekking van de vergunning, de bepalingen van de Wm waarin de afstemming tussen de Wm- en Wvo-vergunning wordt geregeld, van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Bij weigering van een positieve verklaring inzake de melding van de vergunninghouder in verband met het oordeel dat een wijziging of intrekking van de vergunning noodzakelijk is, is het in verband met de vervolgprocedure wel aan te bevelen dat in een vroegtijdig stadium afstemming plaatsvindt.
Artikel 8.19, tweede lid

De «buitengrens» voor veranderingen die met een melding kunnen worden afgedaan, wordt gevormd door de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Daarbuiten kan niet getreden worden, want in dat geval is gelet op de systematiek van het vergunningendeel van hoofdstuk 8 en de daarin neergelegde rechtsbescherming voor derden, een beoordeling in het kader van een vergunningprocedure (aanvraag/wijziging) noodzakelijk.

Meldingsplichtig zijn in de toekomst die veranderingen die afwijken van de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften (dus niet voldoen aan het vereiste van artikel 8.1, derde lid, van het geheel in overeenstemming zijn met de vergunning), maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning mag veroorzaken. Het zal daarbij gaan om een afwijking op onderdelen van de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften; hoe groot of hoe klein die afwijking is, maakt daarbij in beginsel niet uit, met dien verstande dat de verandering niet mag leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend (artikel 8.19, tweede lid, onder a). Bovendien is de meldingsmogelijkheid niet van toepassing op veranderingen ter voorbereiding waarvan, indien zij vergunningplichtig zouden zijn geweest, een milieueffect-rapport had moeten worden opgesteld (artikel 8.19, derde lid).


Als voorbeeld van een meldingsplichtige verandering kan genoemd worden een wijziging van een in de vergunning voorgeschreven installatie waarbij de toegestane milieubelasting (de emissies naar de lucht en de bodem, de geluidsbelasting, de veiligheidsrisico’s, etcetera) niet wordt overschreden. Er kan zelfs sprake zijn van een feitelijke toename van de milieubelasting, maar wanneer deze blijft binnen de grenzen die de vergunning aan de nadelige gevolgen stelt, mag er vanuit worden gegaan dat met de toename van de omvang van die milieubelasting bij de vergunningverlening rekening is gehouden.

Een ander voorbeeld in dit kader vormt de in de vergunning niet voorziene bijplaatsing van een installatie waardoor de feitelijke geluidsbelasting toeneemt, maar waarbij gebleven wordt binnen de toegestane geluidsbelasting en ook binnen de overige toegestane milieubelasting van de inrichting.


Welke en hoe groot de nadelige gevolgen voor het milieu mogen zijn, moet blijken uit de formulering van de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften. Het zal hier met name de voorschriften betreffen die handelen over de toegestane emissies, de veiligheidsrisico’s, de capaciteit van de inrichting, de doelmatige verwijdering en preventie van afvalstoffen en het energieverbruik. Een moderne vergunningverlening vereist dat de toegestane milieugevolgen zo duidelijk mogelijk worden aangegeven en bij voorkeur ook in de vorm van resultaatsverplichtingen worden opgenomen. In sommige gevallen kan er sprake zijn van zorg- of onderzoeksverplichtingen, bijvoorbeeld ten aanzien van het verbruik van energie in de inrichting. Voor het bevoegd gezag is het dan belangrijk te beoordelen of de voorgenomen verandering spoort met het met die zorg- of onderzoeksverplichting beoogde resultaat. Indien de vergunning hierover onvoldoende duidelijkheid biedt (omdat erin geen sprake is van een resultaat dat blijkt uit een voorschrift), dan is beoordeling van de verandering die leidt tot meer nadelige milieugevolgen in het kader van een wijzigingsaanvraag aangewezen.

Als over een nadelig gevolg in de vergunning niets expliciet is bepaald, geldt de inrichting waarvoor vergunning is gevraagd en verleend als uitgangspunt voor de bepaling van de toegestane milieugevolgen. Als ten aanzien van het betreffende milieugevolg uit de vergunning geen concrete verplichting of beperking valt af te leiden, kan niet voldaan worden aan het vereiste van dit artikellid, daar niet gesteld kan worden dat de verandering niet leidt tot andere of grotere nadelige milieugevolgen dan die de inrichting ingevolge de vergunning mag veroorzaken. Er is in dat geval voor het uitvoeren van de verandering een wijziging van de vergunning noodzakelijk (tenzij uiteraard het milieu-aspect in rechtstreeks geldende algemene regels als bedoeld in artikel 8.44 van de Wm is geregeld).


Het veranderen van de inrichting zonder dat er sprake is van een rechtsgeldige verklaring van het bevoegd gezag is strijdig met artikel 8.1. van de Wm, waarin onder meer verboden wordt om een inrichting in werking te hebben, te veranderen of de werking ervan te veranderen zonder daartoe verleende vergunning, en kan leiden tot strafrechtelijke of bestuursrechtelijke handhaving wegens strijd met dat artikel. Artikel 8.19, tweede lid, is niet zelfstandig strafbaar gesteld; dit is ook niet nodig door de gekozen constructie waarbij gesteld wordt dat een vergunning tevens geldt voor veranderingen die aan de voorwaarden van dat artikellid voldoen. Op het moment dat in het kader van toezicht of opsporing de verandering wordt geconstateerd en tevens kan worden vastgesteld dat geen melding gevolgd door een verklaring van het bevoegd gezag is gedaan, is dit voldoende voor de vaststelling dat de inrichting zonder toereikende vergunning in werking is. Als er een verklaring is gegeven maar later blijkt dat de verandering waarbij afgeweken wordt van de vergunningvoorschriften door de vergunninghouder niet overeenkomstig de melding is uitgevoerd, is eveneens sprake van strijd met artikel 8.1 van de Wm. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn als blijkt dat de verandering leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die in de melding zijn aangegeven, of zelfs leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen dan ingevolge de vergunning zijn toegestaan.

Artikel 18.19, tweede lid, onder a


Zoals reeds hierboven is aangegeven, maakt het in beginsel niet uit hoe groot of hoe klein de afwijking is, mits gebleven wordt binnen de door de vergunning toegestane milieugevolgen. Daarbij geldt wel als beperking dat de verandering niet mag leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend. Of dit aan de orde is, zal van geval tot geval moeten worden bepaald. Een eerste handvat hiervoor kan worden gevonden in de categorie-indeling van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb). Als de verandering leidt tot een inrichting in een andere categorie dan waarvoor de vergunning is aangevraagd en verleend, dan wordt niet voldaan aan het criterium onder a. Ditzelfde geldt als bijvoorbeeld door het bijplaatsen van een niet in de vergunning voorziene installatie een tot nu toe niet vergunde maar op zichzelf ingevolge het Ivb vergunningplichtige activiteit gaat plaatsvinden.
Ook wanneer binnen een categorie van het Ivb wordt gebleven, kan sprake zijn van een andere inrichting. Dit hangt samen met het feit dat een aantal categorieën van het Ivb verschillende soorten inrichtingen omvat. Zie bijvoorbeeld categorie 28 waaronder zowel stort- als verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen vallen. In dergelijke gevallen is het oordeel van het bevoegd gezag of de inrichting niet zodanig verandert dat kan worden gesproken van een andere inrichting, leidend. Daarbij kan de jurisprudentie omtrent het verlenen van vergunningen (er mag geen vergunning worden verleend voor een andere inrichting dan waarvoor deze is aangevraagd; zie onder meer Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 6 april 1998, no. E03.96.1439, Roosendaal en Nispen), een handvat zijn.
Indien de verandering leidt tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend, zal – mede gelet op artikel 8.11, eerste lid, dat bepaalt dat in een vergunning duidelijk moet worden aangegeven waarop zij betrekking heeft – altijd een wijziging van de vergunning moeten worden aangevraagd.’ (p. 21-24)

15. De Wet milieubeheer werd voorafgegaan door de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne.10 Art. 24 van de wet die tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne leidde en de naam veranderde in Wet milieubeheer, is vernummerd tot art. 8.19 (oud) Wm.11 Dat artikel luidde als volgt:

‘1. Een voor een inrichting verleende vergunning geldt, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens het tweede lid en het derde lid, onder a, gestelde voorwaarden, ook voor veranderingen van de inrichting en van de werking daarvan, ten aanzien waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij geen gevolgen hebben voor de aard en omvang, dan wel uitsluitend gunstige gevolgen voor de omvang van de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting veroorzaakt.


2. Een verandering als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste een maand voordat met de verwezenlijking ervan wordt begonnen, schriftelijk gemeld aan het bevoegd gezag.


3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:


a. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt;


b. de bekendmaking van de melding.’

16. De Memorie van Toelichting op dit artikel hield het volgende in:12

‘Evenals thans het geval is bij de bestaande inrichtingenregimes van de Hinderwet, het Mijnreglement 1964, de Wet geluidhinder en de Wet inzake de luchtverontreiniging, zal het in de toekomst niet nodig zijn om een vergunning aan te vragen voor milieugunstige of milieu-neutrale - complexen van - veranderingen van een inrichting of de werking daarvan. Volstaan kan worden met een melding aan het bevoegd gezag. De voorschriften van de vergunning, voor zover relevant, moeten ook worden nageleefd in het veranderde gedeelte van de inrichting. (...).

Voor het milieu ongunstige veranderingen zijn uiteraard niet van het verbod om een inrichting zonder vergunning te veranderen of in zijn werking te veranderen, vrijgesteld. Dit geldt ook voor veranderingen in de aard van de gevolgen voor het milieu. De ratio hiervan is dat veranderingen in bijvoorbeeld het patroon van uitworpen van verschillende stoffen in lucht en water in verschillende omstandigheden de ene keer gunstig en de andere keer ongunstig voor het milieu zijn, terwijl het voorts niet goed mogelijk is objectief te bepalen of een dergelijke verandering in het emissiepatroon - gezien de onvergelijkbaarheid van de gevolgen van emissies van verschillende stoffen - wel of niet als gunstig beoordeeld moet worden. Ook behoeft een op het oog positieve verandering ten aanzien van afvalstoffen niet zonder meer gunstig te zijn voor de doelmatige verwijdering van afvalstoffen. Als gevolg hiervan kan het voorkomen dat de vergunninghouder, het bevoegd gezag en derden belanghebbenden daarover verschillende visies hebben. Een vergunningprocedure blijft derhalve voor dit soort gevallen aangewezen.’

17. De Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer op art. 24 van het wetsvoorstel hield voorts het volgende in:13

‘Naar aanleiding van de vragen van genoemde leden over het meldingensysteem voor veranderingen in de inrichting wijs ik erop dat artikel 24 alleen van toepassing is op veranderingen in de inrichting, die geschieden in afwijking van de vergunning. Voor veranderingen die binnen de vergunning blijven, hoeft dus geen melding plaats te vinden. Dit betekent dat veel afhangt van de flexibiliteit van de vergunning in het concrete geval. Hoe gedetailleerder de vergunning, des te groter is de kans dat een verandering gemeld moet worden.’

18. Art. 22.1, tweede lid, Wm luidde in de tenlastegelegde periode voor zover van belang als volgt:14

‘Hoofdstuk 8 van deze wet is niet van toepassing op inrichtingen, voor zover daarvoor een vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden krachtens (…) de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, (…) behoudens voor zover uit de bepalingen van die wetten anders blijkt.’15

19. Over de vergunningsverplichting van de Wm en de verhouding tussen de Wm en de Wvo wat betreft de vergunningsverplichtingen houdt de memorie van toelichting bij het eerdergenoemde voorstel van wet tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne het volgende in, voor zover van belang:16

2. VERGUNNINGEN EN ALGEMENE REGELS VOOR INRICHTINGEN

2.1. Inleiding
  • -


    (…)
    Vergunningen en algemene regels op grond van de hier voorgestelde regeling beogen de inrichting als bron van milieubelasting te reguleren. Zij geven de overheid de mogelijkheid tot gedragsbeïnvloeding betreffende het oprichten, in werking hebben of veranderen van inrichtingen.
    (…)
    Bij het instrument vergunning is sprake van een individuele beoordeling van de inrichting, op grond waarvan - bij verlening van de vergunning - een op deze inrichting afgestemd pakket voorschriften kan worden opgesteld (maatwerk). Uitgangspunt is dat het verboden is een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen, dan wel in werking te hebben, zonder een daartoe verleende vergunning. Dit verbod geldt evenwel niet voor inrichtingen behorende tot een categorie waarvoor bij amvb algemene regels zijn gesteld, die - doordat ze een algemeen, voor de omschreven categorie bruikbaar pakket standaardvoorschriften geven - de vergunningplicht opheffen (confectiewerk).

    Dit betekent dat de (potentiële) houder van een inrichting in principe slechts te maken heeft met één regime van regulering: óf hij heeft een vergunning nodig, óf hij moet aan algemene regels voldoen. In het laatste geval zal melding moeten geschieden bij het in de amvb aangewezen gezag.

    (…)

2.2. Vergunningen

2.2.1. Integratie van vergunningen

(…)
Bij het opnemen van de vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewaterenWVO), voor zover die betrekking heeft op lozingen vanuit inrichtingen, stuit men op een aantal problemen.

De bevoegdheid tot vergunningverlening op grond van deze wet is - daar waar de provincies bevoegd gezag zijn - in de meeste provincies gedelegeerd aan waterschappen of zuiveringsschappen. Alleen in Groningen, Friesland en Utrecht is dit niet gebeurd en verlenen gedeputeerde staten de vergunning zelf. Zolang hierin geen wijziging komt -bijvoorbeeld als uitvloeisel van de toekomstige Waterschapswet - zal het in die provincies straks dan ook mogelijk zijn, voor zover gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn voor zowel de Wabm- als de WVO-vergunning, te komen tot één document dat twee vergunningen bevat. Uiteraard zal het dan onder andere in verband met de handhaving nodig zijn dat duidelijk blijkt aan welke vergunning de verschillende voorschriften zijn verbonden.

Wanneer de vergunning op grond van de WVO zou worden opgenomen in de Wabm-vergunning, zou de vergunningverlenende bevoegdheid voor de WVO-vergunning, die nu berust bij waterschappen, zuiveringsschappen of de minister van Verkeer en Waterstaat, overgaan naar het gezag dat de Wabm-vergunning verleent. De waterkwaliteitsbeheerder verliest dan zijn invloed op de kwaliteit van het door hem beheerde oppervlaktewater en op het functioneren van de door hem

beheerde zuiveringsinstallatie, waarmee een onmisbare sturingsmogelijkheid voor het voeren van een adequaat en samenhangend waterkwaliteitsbeheer, welke samenhang onder meer tot uitdrukking komt in de relatie tussen de vergunningverlening op grond van de WVO en andere instrumenten uit die wet (zoals heffingen en handhavingsbevoegdheden), zou komen te vervallen. In een aantal kaders zijn bedoelde bezwaren tegen een zodanig integreren van de WVO-vergunning en de Wabm-vergunning onderkend (…). Overigens wordt er op gewezen dat destijds andere denkbare mogelijkheden om het lozingsaspect in de milieuvergunning onder te brengen zonder dat de waterkwaliteitsbeheerder zijn invloed verliest, niet in de discussie en de bestuurseffectrapportage zijn betrokken.


In verband met de hierboven genoemde bezwaren is in het nu voorliggende wetsvoorstel de vergunning op grond van de WVO niet mede geïntegreerd. Wel wordt, om toch zo veel mogelijk de in het geding zijnde beslissingen op elkaar af te stemmen, voor bepaalde situaties een coördinatieconstructie voorgesteld.

Deze constructie houdt in dat gedeputeerde staten, wanneer zij het bevoegd gezag met betrekking tot de Wabm-vergunning zijn, de mogelijkheid krijgen om de inhoud van de vergunning krachtens de WVO - wanneer zij die niet zelf verlenen - te beïnvloeden met het oog op een integrale afweging van alle milieugevolgen en een consistentie van het geheel aan voorschriften waaraan de betrokken inrichting moet voldoen. Deze beïnvloedingsmogelijkheid heeft als volgt vorm gekregen.

Met betrekking tot de inrichtingen die behoren tot de categorieën ten aanzien waarvan de provincie het bevoegde gezag is, moeten vergunningaanvragen krachtens de Wabm en de WVO gelijktijdig worden ingediend bij gedeputeerde staten (één loket). Zij zenden de aanvraag om vergunning krachtens de WVO, nadat zij daarop de datum van ontvangst hebben aangetekend, onverwijld naar het gezag dat krachtens de WVO ter zake bevoegd is. Het college van gedeputeerde staten en het bevoegd gezag krachtens de WVO stellen vervolgens - ieder ten aanzien van de aanvraag waarvoor het bevoegd is - een ontwerp-beschikking op. Met het oog op de samenhang van beide ontwerp-beschikkingen worden beide instanties verplicht elkaar binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag te adviseren. De ontwerp-beschikkingen worden gelijktijdig en gezamenlijk ter inzage gelegd. Naar aanleiding van beide aanvragen wordt door het bevoegd gezag over en weer advies ingewonnen. Voor zover een integrale afweging van alle milieugevolgen zulks vereist en daarover geen overeenstemming kan worden bereikt, kan het college van gedeputeerde staten aan de waterkwaliteitsbeheerder (derhalve aan de water- en zuiveringsschappen, de minister van Verkeer en Waterstaat of gemeenten) een aanwijzing geven met betrekking tot de inhoud van de door die instantie te verlenen vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De waterkwaliteitsbeheerder neemt de aanwijzing bij het geven van laatstgenoemde vergunning in acht.
Deze afstemmingsconstructie, die ook geldt ingeval de minister van VROM bevoegd gezag is voor de Wabm-vergunning, heeft alleen betrekking op situaties waarin een inrichting geen gebruik kan maken van een vergunning krachtens de Wabm als niet tevens een vergunning krachtens de WVO is verleend of gewijzigd. Wanneer tijdens het in werking zijn van een inrichting waarvoor vergunningen zijn verleend met toepassing van de afstemmingsconstructie, een beslissing inzake slechts één van beide vergunningen wordt geïnitieerd, is deze constructie niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat ook in zo'n situatie een goed samenspel tussen beide bevoegde instanties nodig kan zijn om het verschuiven van milieuproblemen te voorkomen en consistentie van voorschriften te waarborgen.

De voorgestelde constructie heeft de instemming gekregen van de (meerderheid) van de Raad van de Waterstaat en de (meerderheid) van de Centrale raad voor de milieuhygiëne (Crmh). De Raad van de Waterstaat wijst er evenwel nadrukkelijk op dat de verdere integratie van de milieuwetgeving naar zijn oordeel de samenvoeging van de verschillende wetten op het terrein van de waterhuishouding niet mag belemmeren. De Crmh acht het voorstel aanvaardbaar als een voorlopige tussenstap naar verdere integratie. Hij betreurt dat niet reeds thans voorgesteld wordt ook de vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in de integrale vergunning op te nemen. Hij blijft van mening dat het opnemen van die vergunning in de integrale vergunning doel zal moeten blijven van het integratieproces dat door de regering is ingezet en dat dit onderwerp voorwerp van onderzoek bij de evaluatie van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne zal moeten zijn. Een minderheid van de Crmh is van mening dat reeds nu gekozen moet worden voor verdergaande integratie door in de voorgestelde Wabm-vergunning de vergunning op grond van de WVO en die op grond van de Grondwaterwet op te nemen. Alles beschouwende ben ik van mening dat de hierboven beschreven constructie een goede oplossing biedt; dit neemt niet weg dat de ontwikkeling van nieuwe mogelijkheden tot verdere verbetering en vereenvoudiging van de regulering van inrichtingen, die geen afbreuk doen aan de verantwoordelijkheden die de waterkwaliteitsbeheerders hebben voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en voor een doelmatige werking van de zuiveringsinstallaties, niet op voorhand moet worden uitgesloten.
Zo is in het kader van het bestuursakkoord tussen de minister van VROM en de VNG de problematiek van de WVO-vergunning recent wederom aan de orde gesteld. Wanneer gemeenten het bevoegd gezag zijn voor de Wabm-vergunning is immers niet op de hierboven beschreven wijze voorzien in een afstemming met de WVO-vergunning, zij het dat de betrokken instanties volgens de algemene procedure altijd over en weer advies kunnen uitbrengen.

Dit is een minder gewenste situatie, niet alleen in verband met de wens de verschillende milieubelastende aspecten van inrichtingen in hun onderlinge samenhang te kunnen beoordelen. Ook uit een oogpunt van inzichtelijkheid (voor het betrokken bedrijf), consistentie en handhaafbaarheid pleit er veel voor om alle milieuvoorschriften waaraan een inrichting moet voldoen, in één document te bundelen. Afgesproken is derhalve dat met betrekking tot lozingen vanuit inrichtingen, voorzover de WVO daarop van toepassing is, door de minister van VROM en de VNG op korte termijn zal worden onderzocht:

- of het noodzakelijk is om uit een oogpunt van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van alle milieuvoorschriften voor een bedrijf verbetering te brengen in de samenhang van de voorschriften voor lozingen en de andere milieuvoorschriften;

- zo ja, hoe door afstemming of anderszins verbetering kan plaats hebben.

Dit onderzoek, dat geschiedt in overleg met de minister van Verkeer en Waterstaat in verband met de raakvlakken van het milieubeheer en het waterbeheer, wordt verricht onder auspiciën van de Evaluatiecommissie Wabm. Dit onderzoek blijft niet beperkt tot situaties waarin burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn voor de Wabm-vergunning. Alle situaties waarin sprake is van een samenloop van Wabm-vergunning en WVO-vergunning voor inrichtingen, worden in ogenschouw genomen en diverse varianten worden verkend. Als zodanig heeft dit onderzoek mede het karakter van een evaluatie ex ante van een onderdeel van het onderhavige wetsvoorstel. De verwachting is dat de uitkomsten van het onderzoek in de eerste helft van 1989 beschikbaar zullen komen, zodat zij dan kunnen worden betrokken bij de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel.


(…)


2.2.2. Vergunningplicht


Zoals al eerder is aangegeven bevat het wetsvoorstel het verbod (artikel 6) zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen, dan wel in werking te hebben. Onder een «inrichting» wordt verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die is aangewezen in de amvb op grond van artikel 1, derde lid (inrichtingenbesluit Wabm). Het verbod geldt niet voor inrichtingen die behoren tot een categorie waarvoor, doordat er door de Kroon algemene regels zijn gesteld, de vergunningplicht is opgeheven. In paragraaf 2.1. is reeds op de verhouding tussen algemene regels en vergunningen ingegaan. Daarbij is opgemerkt dat er ook algemene regels kunnen worden gesteld die de vergunningplicht niet opheffen (algemene regels voor vergunningplichtige inrichtingen).


(…)

Een eenmaal opgerichte en in werking zijnde inrichting is echter over het algemeen geen statisch geheel. Vele inrichtingen worden veelvuldig veranderd of in hun werking veranderd. Deze veranderingen kunnen in enige soorten worden onderscheiden: veranderingen die binnen de in de vergunning aangegeven grenzen op eigen verantwoordelijkheid van de drijver van de inrichting mogen worden aangebracht, veranderingen die gemeld moeten worden en veranderingen die vergunningplichtig zijn.


De eerste soort veranderingen speelt zich als het ware binnen de vergunning af, omdat in de vergunning de vergunninghouder impliciet of expliciet de vrijheid is gelaten om de desbetreffende veranderingen aan te brengen of omdat conform de vergunning wordt gehandeld. Het staat de vergunninghouder bijvoorbeeld vrij een onderdeel van een bepaald merk of een bepaald materiaal te vervangen door een onderdeel van een ander merk of een ander materiaal, indien het merk of het materiaal niet vastligt in de vergunning of de daarvan deel uitmakende beschrijving en tekeningen.

Het verdient vanzelfsprekend aanbeveling in de vergunning zo min mogelijk vast te leggen betreffende inrichting en werking van installaties voor zover dat geen consequenties heeft voor de aard en omvang van de nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geeft de vergunninghouder meer vrijheid - zonder consequenties voor de vergunning - veranderingen aan te brengen.

Een tweede soort veranderingen van een inrichting of de werking daarvan betreft veranderingen, die weliswaar plaatsvinden in afwijking van hetgeen bij de vergunning is bepaald, maar die milieu-indifferent of milieugunstig zijn. Deze soort veranderingen behoeft slechts te worden gemeld (artikel 24).

De derde soort veranderingen van inrichtingen en de werking daarvan zijn die veranderingen waarvoor de vergunninghouder óf een revisievergunning (artikel 9), óf een wijziging van zijn vergunning moet verkrijgen. Een revisievergunning komt aan de orde in de situatie waarbij een (abstracte) vergunning voor een inrichting in verschillende (concrete) stukken te vinden is en het vergunningenbestand van een inrichting na verloop van tijd daarmee onoverzichtelijk wordt. Dit vergunningenbestand moet dan worden gereviseerd en opgenomen in één stuk, dat een interne samenhang vertoont. De figuur van de revisievergunning biedt de mogelijkheid van de houder van een inrichting te verlangen dat een aanvraag voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning wordt ingediend. De houder van een inrichting kan hier ook uit eigen beweging toe over gaan. Op de regel dat een revisievergunning de gehele inrichting dient te omvatten, is een uitzondering mogelijk, indien sprake is van een zeer omvangrijke en ingewikkelde inrichting die bovendien in feite bestaat uit een aantal zelfstandig te onderscheiden onderdelen. In zo'n situatie kan het uit een oogpunt van doelmatigheid nodig zijn om te kiezen voor een revisievergunning voor samenhangende delen van de inrichting.

Het bevoegd gezag houdt bij verlening van de revisievergunning rekening met de eerder verleende vergunningen, maar heeft de mogelijkheid de voorschriften te stroomlijnen, te wijzigen en aan te passen.

Het zal echter lang niet altijd nodig zijn een revisievergunning te vragen; vaak zal met een wijziging van de bestaande vergunning kunnen worden volstaan. Om onoverzichtelijke situaties te voorkomen lijkt het verstandig waar mogelijk een wijziging in de oude vergunning(en) te verwerken tot één document, dat als zodanig een duidelijk en geactualiseerd beeld geeft van de toegestane activiteiten.’ (p. 19-31)
‘II. De doelstellingen van de regeling
(…)
6.6. In paragraaf 2.2.1. van deze toelichting is reeds aangegeven dat de algemene regeling van milieuvergunningen voor inrichtingen een nauwe samenhang vertoont met die van de vergunningen voor lozingen ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de gemeentelijke lozingsverordening. Het wetsvoorstel bevat een specifieke voorziening voor een afstemming tussen de Wabm-vergunning en de WVO-vergunning met betrekking tot inrichtingen waarvoor het college van gedeputeerde staten of de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingevolge de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne bevoegd gezag is.’ (p. 61-62)
‘Artikel X (wijziging van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren)
(…)
D
Dit wetsvoorstel beoogt onder meer in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne een hoofdstuk Vergunningen en algemene regels voor inrichtingen op te nemen. In hoofdstuk 2 van deze memorie is hier uitgebreid op ingegaan. De bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen voor inrichtingen is neergelegd in artikel 38 (regels voor niet-vergunningplichtige inrichtingen) en artikel 39 (regels voor vergunningplichtige inrichtingen) van artikel I van dit wetsvoorstel. In aansluiting op de in paragraaf 2.2.1. van deze memorie toegelichte keuze de vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren niet op te nemen in de vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, is besloten ook de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels voor het lozen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewater - aan welke bevoegdheid evenzeer behoefte bestaat - in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zelf te regelen. De artikelen 2a, 2b en 2c voorzien in

een dergelijke regeling, waarbij zo veel mogelijk aansluiting is gezocht bij de voorgestelde regeling in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne.

De reikwijdte van de algemene maatregelen van bestuur, die op grond van artikel 2a kunnen worden opgesteld, komt overeen met de reikwijdte van de krachtens artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bestaande vergunningplicht. Het opstellen van algemene regels op grond van artikel 2a zal derhalve alleen geschieden voor lozingen die in beginsel vergunningplichtig zijn. In de tekst van artikel 2a, eerste lid, is dit tot uitdrukking gebracht door de bepaling dat deze regels betrekking hebben op lozingen die met behulp van een werk of op een andere bij de maatregel aangegeven wijze in het oppervlaktewater worden gebracht (vergelijk artikel 1, eerste, tweede en derde lid). Het bovenstaande betekent tevens dat voor indirecte lozingen die niet onder de werkingssfeer van het verbod van artikel 1 vallen, geen algemene regels op grond van artikel 2a zullen worden gesteld; op deze lozingen blijft de gemeentelijke lozingsverordening van toepassing.

Ingevolge artikel 2a, eerste lid, gestelde regels ten aanzien van lozingen bestaan in beginsel naast de vergunningplicht. In die situatie moet degene die de lozing verricht zowel aan de voor hem geldende algemene regels als aan de voor hem geldende vergunningvoorschriften voldoen. Wanneer echter voor bepaalde categorieën van lozingen een pakket van regels kan worden ontwikkeld dat zodanig dekkend is, dat een afzonderlijke vergunning voor de betrokken lozingen achterwege kan blijven, kan op grond van artikel 2a, tweede lid, in de maatregel waarbij de regels worden gesteld, de vergunningplicht voor die lozingen worden opgeheven. In dat geval - waarin degene die de lozing verricht alleen aan de voor hem geldende algemene regels behoeft te voldoen en geen vergunning meer nodig heeft - dient ingevolge artikel 2b de verplichting te worden opgelegd het lozen of het veranderen daarvan te melden.

In artikel 2c, eerste lid, is aangegeven dat - wanneer de vergunningplicht niet wordt opgeheven - bij de maatregel kan worden bepaald dat het bevoegd gezag bij het verlenen of wijzigen van de vergunning van de gestelde regels kan afwijken. In dat geval moet tevens worden aangegeven, in hoeverre dat afwijken is toegestaan. Buiten deze «bandbreedte» is afwijken niet mogelijk. Desgewenst kan het afwijken ook aan bepaalde voorwaarden worden verbonden (artikel 2c, eerste lid, derde volzin).

In artikel 2d is een regeling opgenomen die vergelijkbaar is met artikel 39a van artikel I. In artikel 2d, tweede lid, is bepaald dat bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid de afwijkings-mogelijkheid moet worden aangegeven. Zie voor een meer uitgebreide toelichting op het instrument van artikel 2d paragraaf 2.3.3., alsmede hoofdstuk 7, artikel 39a, van deze memorie.

Opgemerkt kan worden dat het niet is uitgesloten dat meerdere algemene maatregelen van bestuur (bijvoorbeeld op grond van de artikelen 2a en 2d) naast elkaar van toepassing zijn op één lozing.

Er is van afgezien om in het wetsvoorstel de bevoegdheid tot het doen van een voordracht voor algemene maatregelen van bestuur ingevolge de artikelen 2a en 2d te regelen, omdat in het kader van het wetsvoorstel tot wijziging en uitbreiding van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (milieubeleidsplanning en milieukwaliteitseisen), waarvan in februari 1987 een voorontwerp openbaar is gemaakt, een algemene regeling van de bevoegdheid tot het doen van voordracht van algemene maatregelen van bestuur ingevolge deze wet zal plaatsvinden.‘ (p. 115-116)
‘H
In de onderhavige voorstellen is gekozen voor een constructie waarin de vergunningen voor inrichtingen op grond van de Hinderwet, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet geluidhinder, de Afvalstoffenwet en de Wet chemische afvalstoffen worden opgenomen in één vergunning voor inrichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne. Tussen laatstgenoemde vergunning, alsmede de betrokken vergunningen op grond van de Mijnwet en de Kernenergiewet en de vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zal een sterke procedurele en inhoudelijke koppeling worden gelegd. Hierop is reeds ingegaan in paragraaf 2.2.1. van deze memorie. (…) In de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is deze koppeling neergelegd in de artikelen 7b en 7c. Ingevolge artikel 7b moeten aanvragen om een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor lozingen vanuit een inrichting waarvoor ook een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne van

gedeputeerde staten onderscheidenlijk van een of meer betrokken ministers is vereist, bij gedeputeerde staten of de betrokken minister worden ingediend. Ingevolge artikel 7c hebben laatstgenoemde overheidsorganen de bevoegdheid met het oog op een meer integraal afgewogen verdeling over de diverse milieucompartimenten van de milieugevolgen van activiteiten in of met inrichtingen de waterkwaliteitsbeheerder een aanwijzing te geven. Bovendien zijn zij verplicht de voorbereiding en behandeling van dergelijke aanvragen te coördineren (zie artikel 7b, derde lid). Deze coördinatie houdt onder meer in dat een aantal handelingen in de procedure met betrekking tot deze aanvragen gelijktijdig wordt verricht. Daarom is het noodzakelijk dat zij vanaf het vroegste stadium van de formele procedure met betrekking tot vergunningen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren van de diverse procedure-stappen op de hoogte zijn.’ (p. 116-117)

20. Op grond van art. 8.11, eerste lid, (oud) Wm zoals dat in de tenlastegelegde periode luidde, diende in de vergunning duidelijk te worden aangegeven waarop zij betrekking had. Het voorschrift dat de aanvraag van de vergunning deel uitmaakte van de vergunning, voor zover dat in de vergunning was aangegeven, was in de tenlastegelegde periode inmiddels vervallen.17 Ten tijde van het verlenen van de Wm-vergunning in de onderhavige zaak (op 3 juli 2001) was dit voorschrift nog wel van toepassing.

21. De relevante (leden van) bepalingen van de Wvo luidden bij de aanvang van de tenlastegelegde periode voor zover van belang als volgt:

  • -

    art. 1 (oud) Wvo:

    ‘1. Het is verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.

    (…)

    3. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen Wij mede bepalen dat ten aanzien van alle of van bepaalde oppervlaktewateren het brengen op welke wijze ook van daarbij aan te geven soorten van stoffen als bedoeld in het eerste lid in oppervlaktewateren is verboden. Voorzover hierin door Ons niet bij algemene maatregel van bestuur is voorzien, kunnen provinciale staten bij verordening bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk te brengen in oppervlaktewateren, als bedoeld in artikel 3, tweede lid.’
    - art. 2a (oud) Wvo:18

‘1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het brengen in oppervlaktewater van daarbij aangewezen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen met behulp van een werk of op een andere daarbij aangegeven wijze, regels worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer is van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de artikelen 8.11, derde lid, 8.12, 8.13, 8.15, 8.16 en 8.22, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

2. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid kan worden bepaald dat de bij of krachtens artikel 1 gestelde verboden niet gelden met betrekking tot het brengen van stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, in het oppervlaktewater in gevallen, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie, behoudens voor zover het betreft lozingen vanuit inrichtingen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage I van de richtlijn (EG) nr. 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257).’
- art. 2b (oud) Wvo:19

‘1. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a, eerste lid, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 2a, tweede lid, wordt de verplichting opgelegd het betrokken brengen van stoffen in het oppervlaktewater of het brengen van verandering daarin te melden.

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt bij de maatregel aangegeven:

a. het bestuursorgaan waaraan de melding wordt gericht;

b. het tijdstip, voorafgaand aan het betrokken brengen van stoffen in het oppervlaktewater of het brengen van verandering daarin, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan;

c. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt.’
- art. 2c (oud) Wvo:
‘1. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a kan - behoudens in gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 2a, tweede lid - worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 1 te verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen in de beperkingen waaronder de vergunning wordt verleend, of in de daaraan verbonden voorschriften van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de maatregel kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

2. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a kan de verplichting worden opgelegd te voldoen aan nadere eisen met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Bij de maatregel wordt het bestuursorgaan aangegeven, dat die eisen kan stellen. Een nadere eis kan worden gesteld als beperking waaronder de vergunning wordt verleend, of als voorschrift dat daaraan wordt verbonden. (…)’
- art. 7 (oud) Wvo:

‘1. Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om verlening van een vergunning krachtens artikel 1, eerste of vierde lid, of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1, derde lid, eerste volzin, voorzover dit bij die maatregel is bepaald, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing.
(…)
5. De artikelen 8.8 tot en met 8.13, 8.15 tot en met 8.20, 8.21, voor zover het gevallen betreft waarop artikel 31a niet van toepassing is, 8.22, 8.27 en 21.1 van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor die toepassing onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.’
- art. 30a (oud) Wvo:

‘Een gedraging in strijd met een aan een vergunning verbonden voorschrift, is verboden.’

22. Op art. 1, derde lid, Wvo is een uitvoeringsbesluit gebaseerd. Art. 4, eerste lid, van dit besluit luidde bij aanvang van de tenlastegelegde periode als volgt:20

‘1. Onverminderd artikel 3 is het verboden zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater te brengen, onder meer

a. door deze daarin te storten;

b. door deze onder het wateroppervlak uit te pompen, weg te pompen of te doen of te laten afvloeien;

c. door deze te storten, neder te leggen, te laten liggen, of te doen of te laten afvloeien op duinen, stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen, vlonders, aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed van enig oppervlaktewater;

d. bij het laden, lossen of overladen daarvan;

e. bij het uit- of inwendig reinigen van enig voertuig, vaartuig of luchtvaartuig.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen in enig oppervlaktewater van:

a. huishoudelijk afvalwater vanaf vaartuigen, tenzij die uit hoofde van hun feitelijke bestemming plaatsgebonden zijn;

b. ammoniak door depositie daarvan, die veroorzaakt kan worden door een veehouderij als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Interimwet ammoniak en veehouderij.’

23. Paragraaf 8.1.3.2 Wet milieubeheer zag in de tenlastegelegde periode op ‘(g)evallen waarin mede een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist is’. Daarin was onder meer bepaald dat het bevoegd gezag een vergunning geheel of gedeeltelijk kon intrekken ‘indien de krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken’ (art. 8.34, eerste lid, (oud) Wm.21

24. De Wvo is eind 2009 ingetrokken door de Invoeringswet Waterwet.22

25. In verband met de reikwijdte van de Wm en de verhouding tot de Wvo wijs ik ook nog op twee andere artikelen in de Wm, die voor zover geciteerd in de tenlastegelegde periode (en nog steeds) als volgt luid(d)en:

25. Artikel 1.1

‘1. (…)

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen:
(…)
b. worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, gevolgen die verband houden met het verbruik van energie en grondstoffen, alsmede gevolgen die verband houden met het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting;’

Artikel 10.1

‘1. Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.’

26. Het verbod van art. 8.1 Wm is in 2010 vervangen door art. 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder Wabo).23 Dat luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:


(…)
e. 1°. het oprichten,


2°. het veranderen of veranderen van de werking of


3°. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,


(…)


2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.’

27. Ook de regeling van art. 8.19, tweede lid, Wm is in 2010 in aangepaste vorm in de Wabo geïntegreerd. Art. 3.10, derde lid, Wabo luidt:24

‘In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een verandering van een inrichting of mijnbouwwerk of de werking daarvan, die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, en die niet leidt tot een andere inrichting of mijnbouwwerk dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.’

28. De memorie van toelichting op art. 3.10, derde lid, Wabo houdt het volgende in:25

‘Het derde lid bevat een met artikel 8.19, tweede lid, van de Wm overeenkomende bepaling. Daar gaat het om een melding, waarop het bevoegd gezag moet reageren met een verklaring dat met de melding kon worden volstaan, met andere woorden dat een vergunning voor de betrokken verandering niet behoeft te worden aangevraagd. Materieel gaat het dus eigenlijk om een beknopte vergunning. Bovendien gaat het om beperkte veranderingen van activiteiten, die niet leiden tot andere of grotere gevolgen voor het milieu (vgl. artikel 8.19 van de Wm), voor de beoordeling waarvan daarom een uitgebreide voorbereidingsprocedure niet nodig is. Daarom is nu de constructie van de uitzondering op de uitgebreide voorbereidingsprocedure gekozen, waardoor de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing zal zijn. De toetsing komt in deze gevallen, net als nu in het kader van de Wm, in feite neer op een beoordeling of met een reguliere voorbereidingsprocedure kan worden volstaan of de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden doorlopen. Het derde lid van artikel 3.1 verplicht het bevoegd gezag er onder meer toe de aanvrager te melden welke procedure in het concrete geval moet worden doorlopen.’

29. Art. 8.34, eerste lid, (oud) Wm is in 2010 vervangen door art. 3.23 Wabo, dat aanvankelijk als volgt luidde:26

‘Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de krachtens artikel 6.2 van de Waterwet verleende vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken.’

30. Overtreding van art. 8.1, eerste lid, Wm was in de tenlastegelegde periode een economisch delict ingevolge art. 1a onder 1 (oud) Wet op de economische delicten. Dat gold ook voor overtreding van art. 1, eerste en derde lid, en art. 30a (oud) Wvo.

Bewezenverklaringen en bewijsoverwegingen

31. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘1. zij in de periode januari 2007 tot en met september 2008 te [plaats] opzettelijk een op het perceel [a-straat 1] gelegen inrichting voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28.4 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, vanaf 1 januari 2008 behorende tot een bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen categorie inrichting, waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde verbod geldt, nadat de werking van die inrichting was veranderd, door

c. het aanbrengen van bassins voor het opslaan van afvalwater,

voormelde inrichting ten aanzien van die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad;


2. zij in de periode 18 oktober 2007 tot en met 4 maart 2008 te [plaats], terwijl aan [D] door Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant bij besluit van 3 juli 2001 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente op het perceel [a-straat 1] in werking hebben van een inrichting bestemd voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan voormelde vergunning, immers werd de inrichting niet schoon en zindelijk gehouden en verkeerde de inrichting niet in goede staat van onderhoud (voorschrift 1.4.4.), immers waren diverse rioolputten op het terrein verstopt met slib of andere afvalstoffen en/of overgelopen en liep afvalwater en/of percolaat over de opstaande randen van de opslagvakken en lekten naden van keerwanden van opslagvakken en vond vermenging van afvalwaterstromen plaats en stond op rijwegen/rijpaden en inspectiepaden een (grote) hoeveelheid afvalwater en/of percolaat;


3. zij op tijdstippen in de periode 15 oktober 2007 tot en met 17 juni 2008 te [plaats] opzettelijk een lozing van overige vloeistoffen (te weten afvalwater, in elk geval verontreinigd water) in de bodem van en/of nabij een terrein aan de [a-straat 1] heeft uitgevoerd, te weten:

- op 15 oktober 2007 in de bodem en in een greppel op/langs het [verdachte] III terreingedeelte en

- op 28 november 2007 in de bodem op een strook grond en van een greppel aan de achterzijde van de opslagvakken 43 en 44 en

- op 10 januari 2008 in de bodem van het terrein en van een greppel aan de achterzijde van de opslagvakken 43 en 44 en

- op 17 juni 2008 in de bodem van een greppel op/langs het [verdachte] III terreingedeelte en in de bodem van het terrein aan de [a-straat 2] .’

32. Het hof heeft aan de bewezenverklaring van deze feiten onder meer de volgende bewijsoverwegingen gewijd (met weglating van voetnoten met verwijzingen naar bewijsmiddelen):

‘1. Inleidende overwegingen


[verdachte] was in de ten laste gelegde periode de drijver van de inrichting gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. [betrokkene 1] was destijds bestuurder en indirect enig aandeelhouder van [verdachte] . In de ten laste gelegde periode fungeerde [betrokkene 2] als bedrijfsleider van [verdachte] . [betrokkene 2] had de algemene leiding bij de vestiging van [verdachte] aan de [a-straat 1] te [plaats].


Het terrein van de inrichting van [verdachte] bestond hoofdzakelijk uit opslagvoorzieningen ten behoeve van (gevaarlijke) bedrijfsafvalstoffen ( [verdachte] I en II) en categorie I bouwstoffen ( [verdachte] III). [verdachte] I en II waren geheel voorzien van een vloeistofdichte asfaltverharding welke in combinatie met de betonnen keerwanden de opslagvakken vormden. Een aantal van deze opslagvakken was voorzien van een dak en zijwanden. In deze vakken werden de afvalstoffen opgeslagen. Onder de asfaltverharding bevond zich als tweede veiligheid een 2 mm dikke HDPE-folie. [verdachte] III was voorzien van een halfverharding; hierop werden alleen bouwstoffen behorende tot categorie I uit liet Bouwstoffenbesluit opgeslagen. [verdachte] III bood geen bescherming tegen bodemverontreiniging. Deze locatie was derhalve niet geschikt voor de opslag van bodembedreigende materialen.

Voor het bevoorraden van de opslagvakken en handeling van materialen waren over het gehele terrein van [verdachte] I, II en III rijroutes aanwezig welke het voor een vrachtwagen mogelijk maakten alle opslagvakken te bereiken en te kunnen manoeuvreren op het terrein. Zowel de rijroutes op [verdachte] I en II als die op [verdachte] III waren voorzien van een asfaltverharding.

De inrichting was verder voorzien van een weeg- en registratieruimte, een weegbrug en een afspuitplaats voor transportvoertuigen. Tevens was een afvalwaterbehandelingsinstallatie op het terrein aanwezig.


Binnen de inrichting kon verontreinigd materiaal worden opgeslagen dat een potentiële bodemverontreiniging of verontreiniging van oppervlaktewater als gevolg van uitloging kan veroorzaken indien hiertoe geen doelmatige voorzieningen zijn aangebracht. Tevens konden stoffen binnen de inrichting worden opgeslagen als ongerijpt slib, land- en tuinbouwfolie die, indien hiervoor geen geurbeperkende voorzieningen worden getroffen, geuroverlast naar de omgeving tot gevolg kunnen hebben.


Blijkens de Wvo-vergunning was, om vermenging van verschillende (afval)waterstromen te voorkomen, een meervoudig gescheiden rioolstelsel op het terrein aangebracht, te weten:

- schoonwaterriool: niet verontreinigd regenwater, afkomstig van 7.000 m2 dakoppervlak van het kantoor en loodsen, en van lege opslagvakken. Het niet verontreinigd regenwater werd geloosd op oppervlaktewater;

- grijswaterriool: (mogelijk) verontreinigd regenwater, afkomstig van wegen en controlestroken, weegbrug en wasplaats voor voertuigen (reiniging banden). Dit afvalwater en mogelijk verontreinigd regenwater wordt na behandeling in de zuivering geloosd op het vuilwaterriool van het Havenschap [plaats];

- zwartwaterriool: percolaat, afkomstig van de opgeslagen verontreinigde materialen. Dit percolaat wordt via het zwartwaterriool opgevangen in een buffer en per as afgevoerd naar een externe verwerker;

- huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig van de sanitaire voorzieningen (circa 125 m3/jaar). Dit afvalwater werd via een separaat huishoudelijk afvalwaterrioolstelsel geloosd op het vuilwaterriool van het Havenschap [plaats].


De compartimenten [verdachte] I en de rijroutes en controlestroken van [verdachte] II beschikten over drie aansluitingen op respectievelijk het niet verontreinigd schoon water-, het grijswater- en het zwartwaterriool. Afhankelijk van het in gebruik zijn van het compartiment, de aangebrachte afdekking en de samenstelling van het opgeslagen materiaal werd het hemelwater afgevoerd via één van de drie genoemde rioolstelsels. De vakken van [verdachte] II zijn alleen aangesloten op het schoonwater- en zwartwaterriool.


Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het Waterschap Brabantse Delta de lozingsvoorzieningen op de riolering en het oppervlaktewater van [verdachte] afgesloten omdat deze artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en een aantal voorschriften had overtreden. Pas in november 2008 werd die verzegeling opgeheven.


Vergunningen


Uit het wettelijk systeem, waarbij overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer op grond van de Wet op de economische delicten [hierna aangeduid als: Wed] strafbaar gesteld worden, volgt dat het verboden is om zonder vergunning of ontheffing of in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften bepaalde handelingen of bepaalde activiteiten te verrichten dan wel de inrichting of werking van de inrichting te veranderen. De vragen welke activiteiten of welke handelingen verboden zijn en wanneer sprake is van een verboden wijziging van (de werking van) de inrichting dienen te worden beantwoord aan de hand van de omschrijving van de vergunde activiteiten in de verleende vergunning of ontheffing. Er is hierbij sprake van een gelede normstelling. Die beantwoording dient - in beginsel - te geschieden in samenhang met de voorschriften die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden. In de vergunning dient het bevoegd gezag daarbij zo duidelijk mogelijk aan te geven voor welke vergunningplichtige activiteiten de vergunning is verleend. In het wettelijk systeem behoeft daarbij de aanduiding van de activiteiten niet in extenso in de vergunning zelf te worden opgenomen en kan worden verwezen naar (delen van) de aanvraag op basis waarvan de vergunning wordt verleend.


Op 15 januari 2001 is er namens [C] een aanvraag ingediend teneinde een Wm-vergunning te verkrijgen voor de inrichting gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Gedurende de aanvraagprocedure is de naam van de aanvrager veranderd naar [C1] De Provincie heeft op 3 juli 2001 besloten om de Wm-vergunning te verlenen aan [C1]


Op 27 november 2002 is namens [C1] verzocht een Wvo-vergunning te verlenen voor de inrichting gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Deze vergunning is verleend door het Hoogheemraadschap van West-Brabant op 3 juli 2003.


In de tenlastegelegde periode was [verdachte] de drijver van de inrichting.


De vergunning op grond van de Wet milieubeheer


Het hof stelt vast dat aan de Wm-vergunning een considerans en voorschriften zijn verbonden. Voorts heeft de Provincie zich op het standpunt gesteld dat niet de gehele aanvraag deel uitmaakt van de Wm-vergunning, maar slechts:

a. De beschreven maatregelen ter voorkoming van stofemissie (hoofdstuk 5, onderdeel Stof);

b. De beschreven maatregelen ter voorkoming van geurhinder (hoofdstuk 5, onderdeel Geur);

c. Het monitoringsvoorstel [verdachte] I en II (hoofdstuk 5, onderdeel Bodem);

d. Het bedrijfsnoodplan (bijlage 14 van de aanvraag);

e. Het akoestisch rapport (bijlage 19 van de aanvraag) en de daarbij behorende aanvulling (kenmerk WMB 20000170b, ontvangen op 12 maart 2001 ).


Hierna zullen per feit - voor zover van belang - de relevante onderdelen van de Wm-vergunning (alsmede de vergunningsvoorschriften) worden vermeld.


2. Ten aanzien van feit 1 onder c (het aanbrengen van bassins voor het opslaan van afvalwater)

2.1 Standpunt verdediging


De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 sub c ten laste gelegde. (…) In ieder geval kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat [verdachte] het opzet heeft gehad de onder c ten laste gelegde handelingen te verrichten, nu de Wm-vergunning en Wvo-vergunning allerminst duidelijk zijn en zelfs op punten strijdig met elkaar, [verdachte] het beleid van haar voorganger heeft voortgezet en de bezoekverslagen bevestigden dat conform de vergunning werd gehandeld.


2.2 Overwegingen van het hof


2.2.1 Vooropstelling door het hof


Het hof herhaalt - zoals is verwoord onder het kopje ‘Partiële vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde’ - dat het hof als uitgangspunt neemt dat hetgeen onder 1 is ten laste gelegd uitsluitend betrekking heeft op de Wm-vergunning. Het hof stelt vast dat - voor zover van belang - het volgende in de Wm-vergunning is opgenomen.


2.2.2 Opslag van afvalwater in opslagvakken


Uitgangspunt is dat de inrichting bestemd was voor het opslaan van vaste, al dan niet gevaarlijke afvalstoffen, categorie I bouwstoffen en communaal slib. In voorschrift 6.1.4 en 6.1.7 staat opgenomen dat binnen de inrichting uitsluitend bepaalde - van buiten de inrichting afkomstige - afvalstoffen worden opgeslagen en overgeslagen. Afvalwater staat in dat voorschrift niet vermeld. De voorschriften 6.1.4 en 6.1.7 zijn opgenomen in onderdeel 6, Afval- en reststoffen. Afvalwater wordt besproken in een ander onderdeel, namelijk onderdeel 7 van de voorschriften.


Vervolgens stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.


In de loop van het onderzoek zijn door verbalisanten diverse bedrijfscontroles verricht op het terrein van [verdachte] aan de [a-straat 1] te [plaats]. Hierbij is op verschillende momenten geconstateerd dat er veel water in de opslagvakken stond. Zo werd op 10 januari 2008 door verbalisanten waargenomen dat de opslagvakken 39, 40 en 41 op [verdachte] II in gebruik waren genomen als opslagbassins voor afvalwater. De inrijopeningen van deze vakken waren afgedamd met een rug afval, zoals gebroken puin en slib, met als doel het afvalwater in de vakken te houden. Gezien werd dat in de bassins nog afval was opgeslagen en dat de vrije ruimte in deze vakken vol met afvalwater stond.

Ook bij het bedrijfsbezoek op 27 januari 2008 werd waargenomen dat op [verdachte] II in zowel opslagvak 39 als 41 een opslagbassin was gecreëerd voor afvalwater. In de in- en uitrijopeningen van beide vakken was een wal met afval van ongeveer 100 tot 125 cm hoogte aangebracht, teneinde het afvalwater in het vak te kunnen houden. Bij de bedrijfscontroles op 20 en 21 februari 2008 is gebleken dat de opslagvakken 39, 40 en 41 nog steeds waren ingericht als waterbassins met daarin een grote hoeveelheid water, waarbij de wanden werden gevormd door betonwanden en een dijk van grond.

Door de verbalisanten is - gelet op de waargenomen wijze van bedrijfsvoering - geconcludeerd dat [verdachte] geen scheiding meer maakte tussen de verschillende afvalwaterstromen binnen de inrichting.


Werknemer [betrokkene 3] heeft in dit verband verklaard dat in de vakken 39, 40 en 41 opvangbassins voor water zijn gecreëerd en dat [betrokkene 2] en [betrokkene 4] de vakken met steenpuin en grond hebben dichtgeschoven. Voorts heeft [betrokkene 3] verklaard dat [betrokkene 2] met het idee kwam om van een aantal opslagvakken opvangbassins te maken. In deze bassins werd het afvalwater uit het grijswaterbassin aan de voorzijde van het terrein geloosd. [betrokkene 3] nam dit afvalwater in met de giertank en loosde het afvalwater in de bassins. [betrokkene 3] heeft voorts verklaard dat [betrokkene 2] en hijzelf wisten dat dit afvalwater vermengd was met percolaat dat afkomstig was uit de vakken.


Uit de verklaring [betrokkene 1] dienaangaande volgt dat hij op de hoogte was van het feit dat de opslagvakken 39, 40 en 41 als opvangbassins voor afvalwater waren ingericht en dat dit was gebeurd op initiatief van [betrokkene 2] en hemzelf. Tevens heeft [betrokkene 1] verklaard dat een depot in een vak werd gemaakt indien er te veel water op het terrein stond. Het water werd dan tijdelijk in dat depot opgeslagen. Volgens [betrokkene 1] maakte het niet uit welk soort water het was. Water is water, aldus [betrokkene 1] . Al het water binnen de inrichting werd tenslotte op het terrein gebruikt.


Door bedrijfsleider [betrokkene 2] is verklaard dat de opslagvakken 39, 40 en 41 werden gebruikt om grijs water op te slaan. Tevens heeft [betrokkene 2] verklaard dat de dammen in deze opslagvakken door hemzelf waren aangelegd met de shovel dan wel dat hij daartoe iemand anders de opdracht had gegeven. Hiervoor werd gebroken en ongebroken puin gebruikt. Voorts heeft [betrokkene 2] verklaard dat als gevolg van een discussie tussen het Waterschap en [betrokkene 5] niet meer mocht worden geloosd op het riool. Als oplossing is [betrokkene 2] noodbassins aan gaan leggen.


Gelet op de inhoud van de Wm-vergunning, de vorenstaande bevindingen van de verbalisanten alsmede de verklaringen van [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door het aanbrengen van bassins voor het opslaan van afvalwater de werking van de inrichting was veranderd en dat [verdachte] opzettelijk de inrichting ten aanzien van die veranderde werking zonder vergunning in werking heeft gehad. Het opslaan van (een overschot aan) afvalwater in de opslagvakken was niet vergund. Blijkens vergunningsvoorschriften 6.1.4. en 6.1.7 mochten binnen de inrichting immers uitsluitend de in die voorschriften genoemde afvalstoffen - waarbij afvalwater niet werd genoemd - worden opgeslagen en overgeslagen. Het afvalwater is in een afzonderlijk onderdeel van de voorschriften geregeld. Daar is niet opgenomen dat het afvalwater in de opslagvakken zou mogen worden opgeslagen. De Wm-vergunning is op dit onderdeel duidelijk en er is geen strijd met de Wvo-vergunning.

Het hof merkt nog op dat ook de Provincie in haar brief van 23 april 2008 (het voornemen tot oplegging van een dwangsom) zich op het standpunt heeft gesteld dat uit ingesteld onderzoek is gebleken dat is geconstateerd dat opslag van afvalwater in de opslagvakken bestemd voor de opslag van vaste afvalstoffen en slib plaatsvond, dat dit niet is vergund en dat door [verdachte] daarmee in strijd wordt gehandeld met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. De Provincie heeft vervolgens aan verdachte op 3 juli 2008 een dwangsombeschikking opgelegd. [verdachte] diende binnen vier weken na verzending van voormelde brief van 3 juli 2008 de overtreding van artikel 8.1 Wm te beëindigen door het afvalwater dat in vakken bestemd voor de opslag van vaste afvalstoffen werd opgeslagen, naar een erkende verwerker af te voeren. Deze dwangsombeschikking is door de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in stand gelaten. De controles waarover de verdediging spreekt (van 12, 16, 19 en 23 september 2008) hebben alle plaatsgevonden na het verstrijken van de aangekondigde dwangsomtermijn.


(…)


3. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde


(…)


3.2 Overwegingen van het hof


3.2.1 Vooropstelling door het hof


Het hof stelt voorop dat aan [D] bij besluit van 3 juli 2001 door de Provincie een Wm-vergunning was verleend tot het in die gemeente op het perceel [a-straat 1] in werking hebben van een inrichting bestemd voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen. Aan die vergunning was (onder meer) verbonden voorschrift 1.4.4, luidende:

“De inrichting moet schoon en zindelijk worden gehouden en in goede slaat van onderhoud verkeren.”


Ter beoordeling van voornoemd feit heeft het hof op basis van het onderzoek onder meer het navolgende vastgesteld.


(…)


3.3 Bespreking verweren


(…)


Weliswaar stelt de onderhavige Wm-vergunning niet als voorwaarde dat de afvalwaterstromen op het terrein gescheiden moeten worden gehouden, maar dit staat naar het oordeel van het hof los van de vraag of bij het - al dan niet geoorloofde - vermengen van afvalwaterstromen sprake kan zijn van handelen in strijd met vergunningsvoorschrift 1.4.4. Het hof heeft vastgesteld dat de bedrijfsvoering bij [verdachte] ten tijde van het ten laste gelegde in beginsel erop gericht was om geen water meer af te voeren via het riool, met als gevolg dat het water op het bedrijfsterrein bleef. Afvalwater liep over de opstaande randen van de opslagvakken en rijpaden kwamen onder water te staan. Bassins raakten overvol. De afvalwaterstroom is in contact gekomen met de op het bedrijf aanwezige afvalstoffen. Er zijn rioolputten overvol geraakt en verstopt met slib en andere afvalstoffen waardoor water niet meer kon wegstromen en op de paden bleef staan. Paden zijn vervuild geraakt met afvalstoffen en met afvalwater dat in contact is geweest met afvalstoffen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dan ook dat in strijd met voorschrift 1.4.4. is gehandeld.

Het verweer wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen.


3,4 Daderschap van de rechtspersoon

(…)

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het beleid om geen afvalwater meer te lozen op het riool meebracht dat het afvalwater binnen het bedrijf bleef en niet meer op milieuverantwoorde wijze kon worden beheerd. Afvoeren van rioleringen functioneerden niet meer. Het onderhoud was zeer onvoldoende. Gelet op de waarnemingen was de omvang van het probleem aanzienlijk.

(…)


4. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

(…)


4.2 Overwegingen van het hof met betrekking tot het Lozingenbesluit bodembescherming

In de Nota van Toelichting bij het Lozingenbesluit bodembescherming [hierna aangeduid als: het Lozingenbesluit] staat onder meer het volgende:


Ҥ 2.1. Het besluit is gericht op handelingen die tot doel hebben vloeistoffen definitief in de bodem te brengen. Het strekt zich niet alleen uit tot lozingen van vloeistoffen waarin verontreinigingen van chemische of biologische aard voorkomen, maar het betreft ook het lozen van koelwater in de bodem.

Het gaat bij het lozen in de bodem om handelingen waarbij vloeistoffen door middel van een pijp, buis, zakput, afgedamde sloot, greppel of anderszins onder vrij verval, dan wel onder druk, tot infiltratie in de bodem wordt gebracht. Het besluit strekt zich ook uit tot het verregenen, bevloeien en besproeien van vloeistoffen op de bodem, als daarbij de vloeistoffen tevens voor een deel in de bodem treden. (…)”


(…)


Uit het bovenstaande volgt derhalve dat sprake is van een lozing van overige vloeistoffen (niet zijnde huishoudelijk afvalwater of koelwater) in de bodem in de zin van het verbod uit artikel 25 Lozingenbesluit bodembescherming indien het gaat om een gedraging die ertoe strekt, die naar zijn aard geschikt is, om deze vloeistoffen definitief in de bodem te (doen) brengen en deze vloeistoffen daarbij tenminste voor een deel ook definitief in de bodem zijn getreden. (…)


4.3 Overwegingen van het hof ten aanzien van de bewezen verklaarde lozingen


4.3.1 Vooropstelling door het hof


Door het waterhuishoudingbeleid van het bedrijf vond vermenging van waterstromen plaats: het (verontreinigde) water op de wegen en paden (grijs water) vermengde zich met percolaat (zwart water), afkomstig van afvalstoffen, c.q. met water dat in contact was gekomen met afvalstoffen. Gelet daarop is sprake van verontreinigd afvalwater. Dat niet telkens monsters van het afvalwater zijn genomen, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg.


4.3.2 Ten aanzien van de lozing op 15 oktober 2007


(…)


Het hof overweegt als volgt.


Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd. Op maandag 15 oktober 2007 omstreeks 15.00 uur zag de verbalisant op het bedrijfsterrein van [verdachte] I en II een landbouwtrekker met giertank in opslagvak 13 staan. [verbalisant 1] hoorde, aan het kenmerkende geluid ervan, dat met deze voertuigcombinatie water uit het opslagvak werd gezogen. De feitelijke zuigwerkzaamheden kon [verbalisant 1] , gelet op het feit dat hij buiten de inrichting stond, niet waarnemen, maar wel zag hij dat deze voertuigcombinatie vervolgens over het bedrijfsterrein reed in de richting van de achterzijde van het terreingedeelte van [verdachte] III. Aangekomen op het terreingedeelte van [verdachte] III zag [verbalisant 1] dat de bestuurder van de landbouwtrekkercombinatie zijn lading, door middel van de mestverspreider aan de achterzijde van de tank, al rijdend over het bedrijfsterrein van [verdachte] III uitsproeide. Nadat [verbalisant 1] zag en hoorde dat de tank leeggereden was, reed de bestuurder via dezelfde route terug naar vak 13 op [verdachte] I en II en stopte daar. Wederom hoorde [verbalisant 1] dat met deze voertuigcombinatie water uit het opslagvak werd gezogen. [verbalisant 1] zag en hoorde vervolgens dat wederom naar [verdachte] III werd gereden en op een zelfde wijze de lading werd uitgereden op de onverharde bodem van [verdachte] III. Door [verbalisant 1] werd daarna waargenomen dat de over het terrein van [verdachte] III uitgereden vloeistof in de onverharde bodem trok en afstroomde naar en in een gegraven sloot c.q. greppel, gelegen binnen de inrichting van [verdachte] III. Zowel van het water uit de sloot c.q. greppel als het water uit opslagvak 13 werd die avond omstreeks 22.00 uur respectievelijk 21.00 uur een monster genomen. Het bleek om sterk verontreinigd water te gaan.


(…)

Uit bovenstaande volgt dat er op 15 oktober 2007 sprake was van een lozing die valt onder het verbod van artikel 25 Lozingenbesluit bodembescherming.


4.3.3 Ten aanzien van de lozing op 17 juni 2008


(…)


Door verbalisant [verbalisant 2] is het volgende gerelateerd.

Op 17 juni 2008 zag [verbalisant 2] op het bedrijfsterrein van [verdachte] dat medewerker [betrokkene 3] met de tractor en giertank in opslagvak 11 stond. Hierop hoorde [verbalisant 2] aan het geluid van de pomp op de giertank dat er water werd ingenomen. [verbalisant 2] zag vervolgens dat [betrokkene 3] de giertank achteruit in het vak had gereden en dat er een aanzuigslang aan de achterzijde van de tank was gekoppeld. [verbalisant 2] zag dat de slang in het water lag en dat [betrokkene 3] water aan het innemen was.

Vervolgens reed [betrokkene 3] de rijweg op richting de voorzijde van [verdachte] I/II en richting [verdachte] III. [verbalisant 2] zag ondertussen dat in opslagvak 11 een grote hoeveelheid afval was opgeslagen en hij zag dat dit afval in een grote plas ‘percolaatwater’ lag. Aan de achterzijde van [verdachte] III is [betrokkene 3] daarna aangevangen met het versproeien van het ‘percolaatwater’. [verbalisant 2] zag dat [betrokkene 3] ook langs de grenssloot reed, welke naast het hekwerk van het bedrijf [A] is gelegen. [verbalisant 2] zag dat het water ook in de sloot en op de onbeschermde bodem van het braakliggende achterterrein van [A] terecht kwam.


(…)

Met de verdediging heeft het hof geconstateerd dat geen onderzoek is gedaan naar de samenstelling van het water waarmee [betrokkene 3] op 17 juni 2008 heeft gesproeid. Anders dan de verdediging is het hof echter van oordeel dat dit gegeven niet tot de conclusie leidt dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zou moeten worden vrijgesproken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat sprake is geweest van afvalwater. In artikel 25 van het Lozingenbesluit is verboden een lozing van overige vloeistoffen in de bodem uit te voeren. Onder “overige vloeistoffen” moet worden

verstaan, “vloeistoffen niet zijnde huishoudelijk water of koelwater”. Het hof heeft reeds vastgesteld dat op het bedrijfsterrein van [verdachte] ( [verdachte] I en II) geen sprake meer was van gescheiden afvalwaterstromen, waardoor een vermenging heeft plaatsgevonden van percolaatwater met ander afvalwater. Dit heeft tot gevolg gehad dat één grote - verontreinigde - afvalwaterstroom is ontstaan, niet zijnde huishoudelijk water of koelwater. Voorgaande brengt met zich dat naar het oordeel van het hof [betrokkene 3] met verontreinigd afvalwater heeft gesproeid.


Uit bovenstaande volgt dat er op 17 juni 2008 sprake was van een lozing die valt onder het verbod van artikel 25 Lozingenbesluit bodembescherming.


4.3.4 Ten aanzien van de lozingen op 28 november 2007 en 10 januari 2008


(…)


Door verbalisant [verbalisant 2] is gerelateerd dat hij op 28 november 2007 het volgende heeft waargenomen. Aan de meest noordelijke zijde van [verdachte] II is achter de keerwanden van de opslagvakken met de nummers 41 t/m 46 ruim één meter betonnen vloer gelegen. Deze vloer is op de rand voorzien van een betonnen verhoging, welke moet voorkómen dat er afvalwater van de vloer afstroomt en in de onbeschermde bodem dringt. Deze betonnen strook is nagenoeg tegen de scheiding van [verdachte] II en lIl gelegen. Naast de betonnen strook is op [verdachte] II nog een strook onbeschermde bodem gelegen van ongeveer één meter breed. Op de scheiding zelf is een gazen hekwerk geplaatst. Aan de andere zijde van het hekwerk is op [verdachte] III een diepe en brede greppel gelegen. Ter hoogte van de achterzijde van de opslagvakken 42 t/m 44 zag [verbalisant 2] dat het afvalwater op de betonnen strook zo hoog stond dat het over de betonnen keerrand stroomde en daar in de onbeschermde bodem drong. Tevens zag [verbalisant 2] dat het water afstroomde naar het reeds in de greppel staande water.


Door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] is gerelateerd dat zij op 10 januari 2008 bij en achter opslagvak 41 de betonnen strook opliepen en zich vanaf de achterzijde van [verdachte] II naar de straatzijde begaven. Zij zagen dat in de betonnen keerwanden aan de achterzijde van de opslagvakken diverse grote ronde gaten zaten met een doorsnede van ongeveer 12 cm. Zij zagen dat er afval en ‘percolaatwater’ uit deze gaten stroomde, hetgeen over de wand naar beneden liep en zich op de betonnen vloer met afvalwater vermengde. Op de vloer lag een dikke grijs/beigekleurige sliblaag van ongeveer 5 à 6 cm dik. De strook betonnen vloer stond over de gehele lengte tot de bovenzijde van de keerdorpel vol met afvalwater. Op het moment dat de verbalisanten zich ongeveer ter hoogte van de achterzijde van de opslagvakken 43 en 44 bevonden, zagen zij dat het afvalwater op de vloer over de betonnen keerdorpel afstroomde naar de naastgelegen onbeschermde bodem. Dit was over een lengte van ongeveer 10 meter het geval. Het afstromende afvalwater liep naar een greppel die de scheiding vormde tussen [verdachte] II en III. De greppel was nagenoeg geheel gevuld met water en de greppel liep op een paar plaatsen over. Ook stonden er plassen met afvalwater op de onbeschermde bodem van [verdachte] II. Het afvalwater in de greppel en op de bodem van [verdachte] II kon volgens [verbalisant 3] en [verbalisant 2] ongehinderd in de bodem wegzakken.’

Bespreking van het middel

33. De steller van het middel meent dat in de overwegingen waarmee het hof de vrijspraak heeft gemotiveerd als ‘s hofs oordeel besloten ligt dat de enkele omstandigheid dat het waterhuishoudingsbeleid van de verdachte geen onderdeel uitmaakte van de Wm-vergunning reeds zou meebrengen dat een wijziging van dat beleid niet valt binnen de termen van het begrip ‘verandering (van de werking) van een inrichting’ als bedoeld in art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm. Daarmee zou het hof een te beperkte uitleg aan dit bestanddeel hebben gegeven en aldus blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

34. De steller van het middel licht deze klacht toe met een verwijzing naar de bewijsoverwegingen van het hof bij feit 1 sub c en de feiten 2 en 3. Daarin zou het hof hebben vastgesteld dat de bedrijfsvoering van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde erop gericht was geen afvalwater meer af te voeren via het riool, met als gevolg dat al het afvalwater op het bedrijfsterrein bleef. Het hof zou voorts hebben vastgesteld dat het Waterschap Brabantse Delta bij besluit van 31 maart 2006 de lozingsvoorzieningen op de riolering en het oppervlaktewater van de verdachte had afgesloten, omdat de verdachte art. 30a Wvo en een aantal voorschriften had overtreden. Pas in november 2008 werd die verzegeling opgeheven. Uit deze vaststellingen volgt volgens de steller van het middel dat de verdachte in de tenlastegelegde periode geen handelingen heeft verricht (of kon verrichten) die op grond van de Wvo vergunningplichtig waren. De in art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm bedoelde situatie, waarin de bepalingen van hoofdstuk 8 Wm dienden te wijken voor de bepalingen van de Wvo, zou zich daarom niet voordoen. De overweging van het hof, volgens de steller van het middel inhoudende dat het feitencomplex waarop het onder feit 1 sub a en b tenlastegelegde ziet, tenlastegelegd had moeten worden als handelen in strijd met de Wvo-vergunning, zou in het verlengde daarvan (ook) onjuist of in elk geval onbegrijpelijk zijn.

35. In het vervolg van de toelichting op deze klacht voert de steller van het middel aan dat de wetgever de verschillende soorten veranderingen (van de inrichting of de werking daarvan) heeft onderscheiden in drie categorieën. De eerste categorie bestaat uit veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming zijn met de verleende vergunning. De tweede categorie bestaat uit veranderingen die niet in overeenstemming zijn met de vergunning maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Deze veranderingen kunnen in beginsel worden afgedaan met een melding, mits voldaan is aan de in art. 8.19, tweede lid, (oud) Wm genoemde voorwaarden. De derde categorie bestaat uit veranderingen die afwijken van de vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften en die andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu hebben dan ingevolge de vergunning zijn toegestaan. Voor die laatste veranderingen is een vergunningwijziging nodig. Uit de wetsgeschiedenis zou blijken dat indien een bepaalde verandering een nadelig gevolg kan hebben voor het milieu en in de vergunning niets expliciet is vermeld omtrent dat gevolg, de (werking van de) inrichting zoals deze is vergund als uitgangspunt geldt voor de bepaling van de toegestane milieugevolgen. Die wetsgeschiedenis zou aldus geen andere conclusie toelaten ‘dan dat de enkele omstandigheid dat een verandering van (de werking van) een inrichting leidt tot een nadelig milieugevolg op een terrein dat niet wordt bestreken door de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, niet wegneemt dat die verandering toch vergunningplichtig kan zijn in de zin van art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm.’

36. Aan de verdachte is, voor zover in cassatie van belang, onder 1 tenlastegelegd dat zij (opzettelijk) de inrichting zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, nadat die inrichting en/of de werking van die inrichting was veranderd door (a) het niet meer afvoeren en verwerken van het bedrijfsafvalwater via het rioolstelsel en/of de afvalwaterbehandelingsinstallatie op het openbaar riool en/of (b) het niet meer gescheiden verwerken en/of afvoeren van het percolaat van de opslagvakken van afvalstoffen en het overige bedrijfsafvalwater.

37. Het hof stelt in de overweging die het aan de vrijspraak ten grondslag heeft gelegd, voorop dat niet alle onderdelen van de aanvraag deel uitmaken van de Wm-vergunning die op 3 juli 2001 aan de voorganger van de verdachte is verleend. Het wijst er vervolgens op dat de provincie een verzoek tot handhavend optreden op 11 januari 2008 heeft afgewezen. De provincie heeft in de onderbouwing van deze afwijzing aangegeven dat de werkwijze van de verdachte ten aanzien van afvalwaterstromen afwijkt van hetgeen in de aanvraag is beschreven, maar dat dit onderdeel van de aanvraag niet in de vergunning is opgenomen omdat het niet vermeld staat in het dictum van de vergunning. Daarom is volgens de provincie art. 8.1 (oud) Wm niet overtreden. Het hof leidt uit deze brief af ‘dat de verwerking en afvoer van het bedrijfsafvalwater op het openbaar riool en het niet meer gescheiden verwerken en afvoeren van de verschillende afvalwaterstromen volgens de vergunningverlener geen onderdeel uitmaakten van de Wm-vergunning’ en dat de verdachte volgens de vergunningverlener ‘door te handelen zoals in de tenlastelegging is omschreven, dan ook niet in strijd (heeft) gehandeld met artikel 8.1 Wm’. Het hof overweegt vervolgens dat het de interpretatie van de provincie volgt; de interpretatie van de Wm-vergunning door de provincie zou ‘niet op voorhand als onbegrijpelijk of onjuist’ kunnen worden beschouwd.

38. Vooropgesteld kan worden dat de uitleg van een vergunning aan de feitenrechter is en in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid beoordeeld kan worden.27 De feitenrechter is bij die uitleg niet gebonden aan de uitleg die de vergunningverlener aan de vergunning heeft gegeven. Indien de feitenrechter ervoor kiest om de vergunning op dezelfde wijze uit te leggen als de vergunningverlener, kan in cassatie ook deze uitleg op zijn begrijpelijkheid getoetst worden. Ik merk daarbij op dat niet is aangevoerd of blijkt dat de bestuursrechter zich over de interpretatie van de vergunning heeft uitgelaten en dat zich derhalve niet de vraag voordoet of deze uitleg de strafrechter in de onderhavige strafzaak bindt.

39. Het hof legt de vergunning naar ik begrijp (in navolging van de provincie) aldus uit dat het onderdeel van de aanvraag van de vergunning dat op de werkwijze ten aanzien van de afvalwaterstromen ziet, niet in de vergunning is opgenomen omdat het niet vermeld staat in het dictum van de vergunning. Uit dat dictum volgt evenwel niet dat de Wm-vergunning in het geheel niet ziet op de verwerking van afvalwater door de verdachte. Ik wijs er in dat verband op dat uit het dictum van de vergunning, die in zoverre onder de bewijsmiddelen is opgenomen (bewijsmiddel 9), blijkt dat Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben besloten ‘aan de vergunning aangehechte voorschriften te verbinden’. Voorschrift 5.1.8 bepaalt: ‘Het onderhoud van bedrijfsriolering dient ten minste te geschieden overeenkomstig NPR 3218.’ En voorschrift 7.1.1, dat onderdeel uitmaakt van het hoofdstuk ‘Afvalwater’, bevat voorwaarden waaronder afvalwater in ‘een openbaar riool of andere voorziening voor de inzameling of het transport van afvalwater’ mag worden gebracht.28

40. Daar komt bij, en dat lijkt mij belangrijker, dat de onderwerpen die in de vergunning geregeld worden niet bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of art. 8.1 Wm is overtreden.29 Art. 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, (oud) Wm verbood in de bewezenverklaarde periode ‘zonder daartoe verleende vergunning een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen’. De tenlastelegging is erop gericht dat het hof zich een oordeel vormt over (kort gezegd) de vraag of de (werking van) de inrichting in de tenlastegelegde periode is veranderd door de onder a en b omschreven gedragingen. De interpretatie van de vergunning is bij de bewijsvraag in die zin van belang, dat het hof dient te beoordelen of de omschreven veranderingen, indien het hof deze bewezen acht, door de vergunning worden gedekt.30 De tenlastelegging stelt het hof kortom niet enkel voor de vraag ‘hoe de Wm-vergunning dient te worden uitgelegd’.31

41. Mogelijk is de vrijspraak, die een uitvloeisel is van de vaststelling dat niet ‘in strijd (is) gehandeld met artikel 8.1 Wm’, door het hof (impliciet) gebaseerd op het oordeel dat het verbod van art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm op grond van een andere wetsbepaling niet van toepassing was. Ik wijs er in dit verband op dat in de tenlastegelegde periode uit art. 8.1, derde lid, (oud) Wm volgde dat het verbod bedoeld in het eerste lid, onder b, niet gold ‘met betrekking tot veranderingen van d(i)e inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften’. En dat uit art. 8.19, tweede (later eerste) lid, (oud) Wm volgde dat een voor een inrichting verleende vergunning onder daarin omschreven voorwaarden tevens gold voor veranderingen van (de werking van) een inrichting die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, ‘maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken’.

42. Met de steller van het middel, zo begrijp ik, meen ik dat uit het samenstel van deze bepalingen en uit de toelichting daarop kan worden afgeleid dat de (door de vergunning) ‘toegestane milieubelasting’ van de inrichting leidend is bij de vraag of een verandering van (de werkwijze van) de inrichting door de vergunning wordt gedekt.32 Ik wijs er daarbij in het bijzonder op dat de term ‘in overeenstemming met’ in art. 8.1, derde lid, (oud) Wm volgens de memorie van toelichting strikt moet worden uitgelegd en dat het moet gaan om ‘veranderingen die voldoen aan het in de vergunning bepaalde’. Het ligt ook in het licht van de ratio van de regeling voor de hand dat een vergunning niet veranderingen (in de werkwijze) afdekt die bedoeld of onbedoeld buiten de (aanvraag van een) vergunning zijn gebleven en nadelige gevolgen voor het milieu hebben.

43. Ik merk voorts op dat de vraag of de veranderingen die niet voldoen aan het in de vergunning bepaalde daadwerkelijk andere of nadelige gevolgen voor het milieu hebben veroorzaakt, in deze strafzaak niet behoeft te worden beantwoord, in het licht van de voorwaarden die art. 8.19, tweede (later eerste) lid, (oud) Wm stelt. Voorwaarde voor toepasselijkheid van dat artikellid is dat het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk aan het bevoegd gezag is gemeld.33 Voorwaarde is ook dat het bevoegd gezag schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Uit de vaststellingen van het hof blijkt niet dat aan deze voorwaarden is voldaan.

44. Het hof overweegt in het kader van de motivering van de partiële vrijspraak ook ‘dat wel in strijd is gehandeld met de Wvo-vergunning’.34 Dat doet de vraag opkomen of de vrijspraak gebaseerd zou kunnen zijn op art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm. Uit dat artikellid volgde dat hoofdstuk 8 Wm niet van toepassing was op inrichtingen voor zover daarvoor een vergunning was vereist of algemene voorschriften golden krachtens de Wvo, behoudens voor zover uit de bepalingen van de Wvo anders bleek.35

45. Ook indien ’s hofs overwegingen aldus gelezen worden, meen ik dat de motivering van het hof voor de gegeven vrijspraak niet zonder meer begrijpelijk is. Uit de tekst van art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm en uit par. 8.1.3.2 (oud) Wm volgde dat voor een inrichting zowel een vergunning ingevolge de Wm als een vergunning ingevolge de Wvo vereist kon zijn.36 De enkele omstandigheid dat in strijd is gehandeld met de Wvo-vergunning, impliceert derhalve niet dat niet tevens in strijd kan zijn gehandeld met art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm.

46. In verband met de reikwijdte van art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm is een uitspraak van de Afdeling van 5 april 2006 van belang.37 Daarin werd overwogen (rov. 2.12.1): ‘In artikel 22.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer is onder meer bepaald dat hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is op inrichtingen, voor zover daarvoor een vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, behoudens voor zover uit de bepalingen van die wet anders blijkt. Hieruit volgt dat voor zover bij of krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voorschriften kunnen worden of zijn gesteld, omtrent het onderwerp daarvan geen voorschriften meer in een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kunnen worden opgenomen.’ Van belang is derhalve of krachtens de Wvo terzake voorschriften kunnen worden of zijn gesteld.38

47. Wat de voorschriften betreft die in de Wvo-vergunning zijn opgenomen: een blik over de papieren muur leert dat deze vergunning een groot aantal voorschriften bevat. Zo is inzake de afvalwaterstromen voorgeschreven waaruit het op de vuilwaterriolering te lozen afvalwater mag bestaan en waaruit het op oppervlaktewater te lozen water mag bestaan (voorschriften 2.1 en 2.2). Ook is voorgeschreven dat het bedrijfsafvalwater alvorens het wordt geloosd dient te worden geleid via een bezinkinrichting, olie-benzineafscheider gevolgd door zandinfiltratie (voorschrift 4.1). De vergunning bevat ook lozingsnormen (voorschriften 5 en 8). De vergunninghouder dient binnen 6 maanden na het van kracht worden van de vergunning een procedure voor een intern zorgsysteem op te zetten ‘hoe moet worden omgegaan met het schoonwater-, grijswater- en zwartwaterrioolstelsel’ (voorschrift 9). En ‘de opslag, overslag, bewerking en/of verwerking van materialen, grondstoffen, hulpstoffen, producten, nevenproducten en afvalstoffen’ moet zodanig geschieden dat wordt vermeden dat daardoor het van vloer- en terreinoppervlakken naar het grijswaterriool dan wel oppervlaktewater afstromend regenwater meer dan onvermijdelijk wordt verontreinigd (voorschriften 10.1 en 10.2).

48. Ook als ervan wordt uitgegaan (gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling) dat in de Wvo-vergunning opgenomen voorschriften op grond van art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm aan een veroordeling wegens art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm in de weg kunnen staan, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, naar het mij voorkomt niet duidelijk welk(e) van de genoemde voorschriften een veroordeling zou(den) blokkeren. In die vergunning worden eisen gesteld aan de lozingen van afvalwater; daarnaast worden eisen gesteld aan de bedrijfsvoering die met die lozingen verband houden. De vergunning verplicht niet tot het lozen op oppervlaktewater. In de tenlastelegging van feit 1 onder a en b zijn gedragingen tenlastegelegd die niet samenvallen met de eisen die aan de lozingen worden gesteld en die evenmin één op één samenvallen met de eisen die met het oog op die lozingen aan de bedrijfsvoering worden gesteld.

49. Daarbij zijn er naar het mij voorkomt argumenten om niet te snel aan te nemen dat art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm een veroordeling wegens art. 8.1 Wm blokkeert. Dat de Wvo naast de Wm is gehandhaafd is – zo blijkt uit de wetsgeschiedenis die hiervoor is weergegeven – terug te voeren op de wens de waterkwaliteitsbeheerder zijn invloed op de kwaliteit van het door hem beheerde oppervlaktewater en op het functioneren van de door hem beheerde zuiveringsinstallatie te laten behouden. Een samenhangend waterkwaliteitsbeheer zou tot uitdrukking komen in de relatie tussen de vergunningverlening op grond van de Wvo en andere instrumenten uit die wet. Die wens leidde tot een verdeling van competenties tussen vergunningverleners, met een wettelijke afstemmingsconstructie. Deze ratio van art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm dwingt er niet toe in het strafrecht snel aan te nemen dat een veroordeling op grond van art. 8.1 Wm is geblokkeerd op de enkele grond dat tevens voorschriften van een op grond van de Wvo verleende vergunning zijn overtreden.

50. In het licht van één en ander meen ik dat het hof, in het geval het van oordeel was dat art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm aan een veroordeling in de weg staat, dat oordeel nader had moeten motiveren.

51. De steller van het middel wijst er nog op dat het hof in ander verband vaststelt dat het Waterschap Brabantse Delta bij besluit van 31 maart 2006 de lozingsvoorzieningen op de riolering en het oppervlaktewater van de verdachte heeft afgesloten, omdat de verdachte art. 30a Wvo en een aantal voorschriften had overtreden, en dat die verzegeling pas in november 2008 is opgeheven. Met de steller van het middel zie ik daarin een aanwijzing dat de verdachte in de tenlastegelegde periode geen handelingen heeft verricht die op grond van de Wvo vergunningplichtig waren. Ik merk in dit verband op dat de bij en krachtens art. 1, eerste en derde lid, (oud) Wvo geformuleerde vergunningsplichten zagen op het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewater. Ook in dat licht meen ik dat het hof, in het geval het van oordeel was dat dat art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm aan een veroordeling wegens overtreding van art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm in de weg stond, dat oordeel nader had moeten motiveren.

52. Ten overvloede wijs ik er nog op dat de overwegingen die in het voorgaande in verband met art. 8.1, derde lid, art. 8.19, tweede (later eerste) lid, en art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm naar voren zijn gebracht er niet aan afdoen dat de lezing waarin het hof de vrijspraak heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de verwerking en afvoer van het bedrijfsafvalwater op het openbaar riool en het niet meer gescheiden verwerken en afvoeren van de verschillende afvalwaterstromen (in het licht van het dictum van de Wm-vergunning) geen onderdeel uitmaakten van de Wm-vergunning, de meest waarschijnlijke is. En dat de formulering van de genoemde artikelen juist een aanwijzing is dat die omstandigheid er niet aan afdoet dat de wijziging (in beginsel) onder art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm valt. Dat art. 22.1, tweede lid, (oud) Wm de toepasselijkheid van hoofdstuk 8 Wm onder voorwaarden uitsluit als een vergunning ingevolge de Wvo vereist is, impliceert dat de verandering van (de werking van) de inrichting door de bestanddelen van art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm bestreken wordt.

53. In verband met de formulering van het middel vraagt nog de aandacht dat het middel in de eerste plaats klaagt over grondslagverlating: het hof zou een onjuiste uitleg hebben gegeven aan het bestanddeel ‘veranderen van (de werking van) de inrichting’. Subsidiair klaagt het middel dat ‘s hofs oordeel dat geen sprake is geweest van een verandering van (de werking van) de inrichting zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk is. De formulering van ’s hofs overweging duidt erop dat het hof de vrijspraak heeft gebaseerd op de omstandigheid dat het dictum van de vergunning niet over de verwerking en afvoer van het bedrijfsafvalwater op het openbaar riool en het niet meer gescheiden verwerken en afvoeren van de verschillende afvalwaterstromen rept. Zelf zou ik, nu uit ’s hofs overwegingen niet heel duidelijk af te leiden valt welk onderdeel van het tenlastegelegde het hof niet bewezen acht, het middel willen opvatten als te zijn gericht tegen de motivering van de vrijspraak in zijn geheel.

54. De eerste deelklacht slaagt.

55. De steller van het middel formuleert tevens een motiveringsklacht. Het oordeel van het hof dat geen sprake is geweest van een verandering van (de werking van) de inrichting als bedoeld in art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm zou zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk zijn. De steller van het middel wijst daarbij onder meer op ABRvS 11 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF9867. Uit die uitspraak zou volgen dat in de onderhavige zaak te gelden heeft dat sprake is van grotere nadelige gevolgen voor het milieu in de zin van art. 8.19, tweede lid, (oud) Wm indien de wijziging van het waterhuishoudingsbeleid van de verdachte heeft geleid tot een minder doelmatig beheer van afvalwater dan het geval was in de vergunde (begin)situatie.

56. De steller van het middel voert in dit verband aan dat de Wm-vergunning uitging van de premisse dat binnen de inrichting een scheiding van afvalwaterstromen plaatsvond. Dit zou onder meer tot uitdrukking komen in onderdeel 3.5 van de considerans waarin wordt opgemerkt: ‘Afvalwater wordt via een riolering afgevoerd en, afhankelijk van de kwaliteit, direct geloosd, geloosd na zuivering of per as afgevoerd naar derden’. Voorts zou uit onderdeel 2.2 van de considerans blijken dat het Hoogheemraadschap van West-Brabant aan Gedeputeerde Staten heeft medegedeeld dat de aanvraag geen aanleiding gaf tot wijziging van de Wvo-vergunning, aangezien uit de aanvraag bleek dat het afvalwater van de nieuwe activiteiten (percolaat en verontreinigd regenwater afkomstig van de land- en tuinbouwfolies) niet in de waterbehandelingsinstallatie werd behandeld, maar werd afgevoerd naar derden.

57. Uit de vaststellingen van het hof in verband met de feiten 2 en 3 kan volgens de steller van het middel niet anders volgen dan dat de wijziging van het waterhuishoudingsbeleid van de verdachte heeft geresulteerd in een beheer van afvalwater dat ten opzichte van de vergunde (begin)situatie minder doelmatig was. Daarmee zou die wijziging hebben geleid tot andere en/of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mocht veroorzaken. In het licht daarvan zou ‘s hofs oordeel dat er geen sprake is geweest van een verandering van (de werking van) de inrichting als bedoeld in art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk zijn.

58. Het hof verwijst in de overwegingen waarin het de partiële vrijspraak van het onder 1 sub a en b tenlastegelegde motiveert naar een brief van (Gedeputeerde Staten van) de provincie Noord-Brabant. Daarin is een verzoek tot handhavend optreden afgewezen omdat art. 8.1 (oud) Wm niet zou zijn overtreden nu de werkwijze van de verdachte ten aanzien van afvalwaterstromen niet in het dictum van de vergunning is opgenomen. Het hof heeft aangegeven dat het deze interpretatie van de provincie volgt. Uit deze overwegingen van het hof kan naar het mij voorkomt niet worden afgeleid dat de vrijspraak gebaseerd is op het argument dat geen sprake is geweest van een verandering van (de werking van) de inrichting als bedoeld in art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm. De overwegingen duiden er veeleer op dat het hof ervanuit is gegaan dat art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm niet is overtreden omdat in de vergunning niets over de werkwijze ten aanzien van afvalwaterstromen zou zijn bepaald. Daarvan uitgaand faalt deze deelklacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.

59. In verband met de overwegingen van het hof alsmede de regelgeving en rechtspraak waar de steller van het middel zich in dit verband op beroept, merk ik nog het volgende op. De steller van het middel meent dat aan de feiten en omstandigheden die het hof heeft vastgesteld in de bewijsoverwegingen die op de feiten 2 en 3 betrekking hebben, aanwijzingen kunnen worden ontleend dat sprake is van een verandering van (de werking van) de inrichting die leidt tot nadelige gevolgen voor het milieu.39 Voor zover dat het geval is, ligt in die vaststellingen dan tevens een aanwijzing besloten dat aan de vrijspraak niet het impliciete oordeel ten grondslag ligt dat van een dergelijke verandering van (de werkwijze van) de inrichting geen sprake is. Ik wijs er voorts op dat het niet van toepassing zijn van art. 8.19, tweede (later eerste) lid, (oud) Wm ook reeds voortvloeit uit de omstandigheid dat aan de overige voorwaarden die dat artikellid stelt niet is voldaan.

60. Het middel slaagt.

61. De steller van de schriftuur houdende tegenspraak meent dat het cassatieberoep niet kan slagen omdat de reden voor het openbaar ministerie om cassatieberoep in te stellen uitsluitend gelegen zou zijn in de omstandigheid dat deze vrijspraak tot gevolg heeft gehad dat aan de verdachte niet een ontnemingsmaatregel is opgelegd. Naar het mij voorkomt staat de omstandigheid dat de gevolgen van de partiële vrijspraak voor de ontnemingsmaatregel hebben meegespeeld bij de beslissing om cassatieberoep in te stellen niet aan de ontvankelijkheid van dat beroep in de weg. Die gevolgen impliceren voorts dat zich niet de situatie voordoet dat belang bij cassatie ontbreekt.

62. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. De overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het cassatieberoep (na het instellen van het beroep zijn meer dan twee jaren verstreken) kan bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.40

63. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het incidentele cassatieberoep en voorts tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover betreft de vrijspraak van het onder 1 sub a en b tenlastegelegde alsmede de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre opnieuw op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor bestuursrechtelijke procedures bij de Raad van State die overtredingen van wetsbepalingen en voorschriften van vergunningen in het bedrijf van de verdachte betreffen Vz. ABRvS 15 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE8837; Vz. ABRvS 23 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4062; ABRvS 2 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6262 en ABRvS 3 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6256, AB 2010/110 m.nt. Michiels. Zie voor (eerdere) procedures in verband met de Wvo ABRvS 30 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT8750 en ABRvS 5 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2946. Naar enkele van deze uitspraken zal in het navolgende nog worden verwezen.

2 Het artikel was daarvoor het laatst gewijzigd door de Wet van 25 april 2000 tot wijziging van de Wet milieubeheer (meldingenstelsel), Stb. 2000, 188, in werking getreden met ingang van 1 oktober 2000 (Stb. 2000, 353).

3 Ingevolge de Wet van 22 november 2006, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere daarmee verband houdende wetten (modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen) Stb. 2006, 606 (zie voor het inwerkingtredingsbesluit Stb. 2007, 472).

4 Zie voor het oorspronkelijke besluit Stb. 1993, 50.

5 Zie Stb. 2007, 415 en Stb. 2007, 472.

6 Het artikel was daarvoor laatstelijk gewijzigd door de Wet van 22 oktober 2003 tot wijziging van diverse wetten in verband met de instelling van het Inspectoraat-Generaal VROM en ter verbetering van de doelmatigheid van gegevensverstrekking met het oog op toezicht, Stb. 2003, 449, in werking getreden op 25 februari 2005 (Stb. 2005, 81).

7 Ingevolge de Wet van 22 november 2006, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere daarmee verband houdende wetten (modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen) Stb. 2006, 606 (zie voor het inwerkingtredingsbesluit Stb. 2007, 472).

8 Wet van 25 april 2000, Stb. 188.

9 Kamerstukken II, 1998-1999, 26 552, nr. 3.

10 Wet van 13 juni 1979, Stb. 1979, 442.

11 Zie de Wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (vergunningen en algemene regels voor inrichtingen; procedures voor vergunningen en ontheffingen; handhaving), Stb. 1992, 414. Zie voor de naamswijziging artikel I onder LL en voor de indeling in hoofdstukken artikel XXIII. Zie in dit verband voorts de Wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (milieubeleidsplanning en milieukwaliteitseisen; provinciale milieuverordening; totstandkoming algemene maatregelen van bestuur), Stb. 1992, 415. Zie voorts de tekstplaatsing van de Wet milieubeheer ingevolge artikel XXIII van eerstgenoemde wet en artikel XXII van laatstgenoemde wet in Stb. 1992, 551.

12 Vgl. Kamerstukken II, 1988-1989, 21 087, nr. 3, p. 81-82.

13 Vgl. Kamerstukken I 1991-1992, 21 087, nr. 154a, p. 15.

14 Met dien verstande dat de Wet van 11 mei 2007, Stb. 2007, 224, inwerkingtreding 1 januari 2008 (Stb. 2007, 528) na ‘vergunning’ nog invoegde: of erkenning. Deze wijziging is in deze context niet van belang.

15 Deze bepaling was aanvankelijk genummerd als art. 81a, vierde lid, (zie de Wet van 2 juli 1992, Stb. 1992, 414), en is nadien vernummerd tot art. 22.1, vierde lid, Wm (Stb. 1992, 551). Art. 81a, vierde lid, is destijds slechts toegelicht met de volgende zin: ‘De afbakening tussen de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vindt in de toekomst plaats in artikel 81a van de eerstgenoemde wet’ (vgl. Kamerstukken II, 1988-1989, 21 087, nr. 3, p. 118). Het vierde lid werd het tweede lid als gevolg van de wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet), Stb. 2002, 542 (in werking getreden op 1 januari 2003, Stb. 2003, 603).

16 Vgl. Kamerstukken II, 1988-1989, 21 087, nr. 3. Zie over de verhouding tussen de Wm-vergunning en de Wvo-vergunning ook F.C.M.A. Michiels, De wet milieubeheer, 4e druk, Deventer: Kluwer 2003, p. 53 e.v.

17 Door de Wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (verduidelijking in verband met de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging; vergunning op hoofdzaken/vergunning op maat), Stb. 2005, 432. Vgl. Kamerstukken II, 2003-2004, 29 711, nr. 3, p. 31. Tot 1 december 2005 bepaalde art. 8.11, eerste lid, tweede volzin, Wm aldus. Zie daarover Michiels, a.w., p. 62 e.v.

18 In de tenlastegelegde periode is art. 2a, eerste lid, eerste volzin, Wvo in die zin gewijzigd dat in ‘Bij algemene maatregel van bestuur’ is ingevoegd: of krachtens. In de tweede volzin van het eerste lid is in ‘Bij de maatregel’ ingevoegd: of krachtens (Wet van 15 maart 2007, Stb. 152, in werking getreden op 1 januari 2008 (Stb. 2007, 571).

19 In de tenlastegelegde periode is art. 2b, eerste lid, Wvo als volgt komen te luiden: ‘Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a, eerste lid, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 2a, tweede lid, kan de verplichting worden opgelegd het betrokken brengen van stoffen in het oppervlaktewater of het brengen van verandering daarin te melden. Bij die maatregel kan worden bepaald dat de verplichting slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen’ (Wet van 22 november 2006, Stb. 2006, 606, in werking getreden op 1 januari 2008 (Stb. 2007, 472)).

20 Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren, Stb. 1974, 709, zoals nadien gewijzigd door het besluit van 10 maart 1982, Stb. 218 en het besluit van 27 januari 2000, Stb. 2000, 43. Het artikel is in de tenlastegelegde periode op twee punten gewijzigd die in dit verband niet ter zake doen.

21 Titel 8.1 van de Wet milieubeheer is komen te vervallen door de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Stb. 2010, 142, artikel 9.10 onder K).

22 Wet van 9 november 2009, Stb. 2009, 489 (zie art. 2.1), in werking getreden op 22 december 2009 (Stb. 2009, 549).

23 Zie de Wet van 6 november 2008, Stb. 2008, 496, zoals gewijzigd door de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Stb. 2010, 142), in werking getreden op 1 oktober 2010 (Stb. 2010, 231). Vgl. Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 94. Deze wet zal, zo is het voornemen, op zijn beurt worden vervangen door de Omgevingswet (zie de Invoeringswet Omgevingswet van 12 februari 2020, Stb. 2020, 172, artikel 3.1).

24 Zie de Wet van 6 november 2008, Stb. 496, zoals gewijzigd door de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Stb. 2010, 142) en de Wet van 29 april 2010 (Stb. 2010, 187), in werking getreden op 1 oktober 2010 (Stb. 2010, 231).

25 Vgl. Kamerstukken II, 2006-2007, 30 844, nr. 3, p. 125-126.

26 Zie de Wet van 6 november 2008, Stb. 496, zoals gewijzigd door de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Stb. 2010, 142), in werking getreden op 1 oktober 2010 (Stb. 2010, 231).

27 Vgl. HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9919, rov. 3.6. Zie ook HR 23 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0054, NJ 1995/695 m.nt. Scheltema, rov. 4.2; HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0185, rov. 3.5; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2348, rov. 2.3.

28 Voorschrift 6.6.18 bepaalt: ‘Het is verboden materialen op het terrein van de inrichting te verbranden, te storten, te begraven of op enigerlei andere wijze in de bodem te brengen’. In ABRvS 3 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6256, AB 2010/110 m.nt. Michiels is geoordeeld dat gelet op dit voorschrift, ‘de plaats van het voorschrift in de vergunning en het feit dat het college ter zitting heeft verklaard de term materialen niet langer toe te passen op situaties als de onderhavige’, aan dit voorschrift ‘een te ruime uitleg (is) gegeven om daaronder in dit geval het in de grond brengen van afvalwater te verstaan’ (rov. 2.6.2). Deze argumentatie laat de mogelijkheid open dat volgens de Afdeling onder een anders (geformuleerd,) gerubriceerd en toegepast voorschrift wel het in de grond brengen van afvalwater had kunnen worden verstaan.

29 Ook in verband met de reikwijdte van art. 8.1 Wm is ABRvS 3 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6256, AB 2010/110 m.nt. Michiels vermeldenswaard. Daarin stond onder meer een last onder dwangsom ter discussie die inhield dat de verdachte ‘overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer dient te beëindigen en beëindigd te houden door ter plaatse van het terrein [verdachte] II afvalwater niet met de opgeslagen categorie I-bouwstof, schone grond, of MVR-grond te mengen en geen gebruik te maken van afvalwater’. De verdachte heeft in verband met deze last betoogd ‘dat voor het sproeien van het terrein [verdachte] III regenwater wordt gebruikt uit het schoonwaterbassin’. Het college stelde daar tegenover dat ‘tijdens controlebezoeken op 23 en 29 juli 2008 (is) geconstateerd dat een medewerker van [verdachte] afvalwater uit het grijswaterbassin pompte en vervolgens op het terrein [verdachte] II sproeide’. De Afdeling oordeelde dat gelet op ‘de rapporten van de controlebezoeken, de bijgevoegde foto's en hetgeen partijen hierover ter zitting hebben gesteld (..) voldoende aannemelijk (is) geworden dat afvalwater wordt gemengd met opgeslagen bouwstoffen. Het mengen van afvalstoffen is niet vergund’. De beroepsgrond faalde (rov. 2.14-2.15.2). De op overtreding van art. 8.1 Wm gebaseerde last bleef in stand.

30 Zie ook HR 17 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1333, HR 15 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1593 en HR 12 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2129.

31 Ik wijs in dit verband ook op een zin die het hof onder het kopje ‘Vergunningen’ in de bewijsmotivering heeft opgenomen: ‘De vragen welke activiteiten of welke handelingen verboden zijn en wanneer sprake is van een verboden wijziging van (de werking van) de inrichting dienen te worden beantwoord aan de hand van de omschrijving van de vergunde activiteiten in de verleende vergunning of ontheffing’. De vraag welke handelingen verboden zijn dient te worden beantwoord aan de hand van de wet, uit de vergunning volgt of die handelingen in het concrete geval bij toepasselijkheid van het wettelijk verbod desalniettemin zijn toegestaan.

32 Zie in dit verband ook (onder meer) ABRvS 11 september 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7481; ABRvS 11 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF9867; ABRvS 13 september 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY8073 en ABRvS 19 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG4728.

33 Van zo’n melding was (vgl. de conclusie van A-G Knigge onder 11) sprake in de zaak die ten grondslag lag aan HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9812, NJ 2008/572.

34 Zie in dit verband ABRvS 5 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2946. Daaruit kan worden afgeleid dat op een eerder moment (het bestreden besluit dateert van 31 maart 2006) in strijd met aan de Wvo-vergunning verbonden voorschriften is gehandeld (rov. 2.6.1).

35 Zie in verband met de interpretatie van het begrip ‘oppervlaktewater’ dat in de Wvo centraal staat HR 30 november 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7799, NJ 1985/89, rov. 5.6 en HR 23 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1835, NJ 1993/605 m.nt. ’t Hart, rov. 6.2.3. Zie ook HR 21 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8079, NJ 2004/641.

36 Vgl. in dit verband bijvoorbeeld ABRvS 14 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA0654, waarin een Wm-vergunning was verleend voor het oprichten en in werking hebben van een baggerspeciedepot.

37 ABRvS 5 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV8652. Zie in verband met art. 22.1 Wm ook ABRvS 8 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO6650 (rov. 2.13.2). Zie in verband met de verhouding tussen Wm en Wvo voorts ABRvS 26 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5629 (rov. 2.4.3).

38 Ik teken daarbij aan dat art. 22.1 Wm hoofdstuk 8 slechts niet van toepassing verklaarde op inrichtingen voor zover daarvoor een vergunning was vereist of algemene voorschriften golden krachtens de Wvo (en uit de bepalingen van de Wvo niet anders bleek).

39 Zie in dat verband de rechtspraak genoemd in noot 32 (waaronder het door de steller van het middel genoemde ABRvS 11 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF9867).

40 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.5.3.