Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:214

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-03-2022
Datum publicatie
08-04-2022
Zaaknummer
21/05384
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:689, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wvggz. Overplaatsting binnen zelfde zorgaanbieder. Beslissing geneesheer-directeur vereist? (art. 8:16 Wvggz).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/05384

Zitting 4 maart 2022

CONCLUSIE

B.J. Drijber

In de zaak van

[betrokkene] ,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

tegen

1. Stichting Lentis Maatschappelijke Onderneming

2. [de geneesheer-directeur]

3. [de zorgverantwoordelijke],

advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers.

In deze Wvggz-klachtprocedure is aan de orde de vraag of aan de overplaatsing naar een andere accommodatie van dezelfde zorgaanbieder een beslissing van de geneesheer-directeur ten grondslag had moeten liggen (art. 8:16 Wvggz).

1. Feiten1 en procesverloop

1.1 Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) is eind juni 2019 opgenomen in een instelling van verweerster in cassatie onder 1 (Lentis, hierna ook: de zorgaanbieder) te Winschoten.2 Daar verbleef hij op vrijwillige basis.3

1.2 Bij beschikking van 25 januari 20214 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 25 juli 2021, voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder ‘opnemen in een accommodatie’ (art. 3:2 lid 2, onder j, Wvggz). In het zorgplan,5 dat op 5 januari 2021 door verweerster in cassatie onder 3 (hierna: de zorgverantwoordelijke) is opgesteld, staat in rubriek 5.d (onderstreping toegevoegd):

“(…) Betrokkene (…) is reeds langdurig opgenomen binnen kliniek Winschoten en de FPA. Hij is woonachtig in [plaats] en ForFACT is ambulant betrokken. Voor de huidige opname […] in ambulante setting frequente terugvallen met manische ontregelingen agv staken medicatie en/of drugsgebruik. Manische ontregelingen leiden tot ontremd gedrag, dreiging en agressie naar zijn omgeving. Opname binnen een HIC en IC verpleging is dan noodzakelijk ter stabilisatie.

Ook binnen de huidige klinische setting, met name in het afgelopen halfjaar, is het beeld ook moeizaam psychiatrisch stabiel te krijgen. Patiënt is in overleg met ForFACT aangemeld bij het ART (Akkerhoven) in Zuidlaren.

Patiënt is het niet eens met de voortzetting van de opname (verwijzing naar ART) en zou zelf met ontslag naar zijn eigen woning willen. Daarnaast is hij het niet eens met de in onze ogen noodzakelijke beperkingen in de bewegingsvrijheid/verlof en verblijf binnen het IC blok ter stabilisatie van het maniforme beeld. (…)”

1.3 Betrokkene is op 21 mei 2021 wegens de zomersluiting van de accommodatie Winschoten overgeplaatst naar een accommodatie van Lentis te Groningen.6

1.4 Bij brief van 22 mei 20217 heeft de zorgverantwoordelijke aan verweerster in cassatie onder 2 (hierna: de geneesheer-directeur) bericht dat zij heeft besloten om per die datum de volgende vormen van verplichte zorg aan betrokkene te gaan verlenen: (i) beperken van de bewegingsvrijheid, (ii) insluiten en (iii) opnemen in een accommodatie, alle voor maximaal de duur van de verleende zorgmachtiging. Het betreft hier een beslissing op grond van art. 8:9 lid 1 Wvggz. Onder ‘opnemen in een accommodatie’ heeft de zorgverantwoordelijke in de brief het volgende vermeld:

“De verwachting is dat Lentis als zorgaanbieder kan blijven fungeren. De accommodatie waar verplichte zorg zal worden geboden en de eerste accommodatie waar een beroep op zal worden gedaan, zal naar verwachting primair:

[x] HIC Winschoten of Groningen

(…)

[x] Overig, namelijk...

zijn dan wel één van de andere accommodaties van Lentis.”

Onder het kopje ‘motivering’ bij deze vorm van verplichte zorg heeft de zorgverantwoordelijke het volgende geschreven (onderstreping toegevoegd):

“Betrokkene is reeds lange tijd opgenomen in een accommodatie omdat intensieve klinische zorg noodzakelijk is om ernstige ontregeling bij de schizo-affectieve stoornis te voorkomen.

Dhr. heeft een (soms zeer) gestructureerde klinische setting nodig om enige stabiliteit in het psychiatrisch beeld te verkrijgen en behouden. Om deze reden werd er een aanmelding gedaan naar het ART in Zuidlaren. Dhr. is het niet eens met deze verwijzing en zou zelf graag met ontslag naar huis gaan. Inmiddels is er een intake geweest bij het ART en staat dhr. op de wachtlijst voor overplaatsing naar Olmenstaete.”

1.5 Bij brieven van 25 mei 2021 heeft de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:9 lid 3 Wvggz betrokkene en zijn advocaat van de beslissing van de zorgverantwoordelijke op de hoogte gesteld.8

1.6 Op 14 juni 2021 is betrokkene van de accommodatie in Groningen overgeplaatst naar een andere accommodatie van Lentis, ART Zuidlaren, afdeling Olmenstaete.9

1.7 Op 16 juni 2021 heeft betrokkene bij de regionale klachtencommissie een klacht ingediend.10 De brief heeft als aanhef ‘Klacht over overplaatsing’ en verwijst in de eerste alinea naar art. 10:3 lid 1, onder f, Wvggz. Betrokkene heeft in de klachtbrief voorts een verzoek tot schadevergoeding ingediend (art. 10:11 lid 1 Wvggz). Bij brief van 22 juni 2021 heeft de patiëntenvertrouwenspersoon dit verzoek nader onderbouwd.11 Bij brief van 23 juni 2021 heeft de patiëntenvertrouwenspersoon de klacht van betrokkene nader uitgewerkt en toegelicht.12 In cassatie is de in de brief geformuleerde ‘Klacht 1: Toepassing verplichte zorgvorm: 8.9 Wvggz c.q. overplaatsing onder 8:16 Wvggz’ van belang. Deze klacht luidt onder meer:

“De overplaatsing van cliënt naar Olmenstaete had moeten plaatsvinden op basis van een beslissing ex art. 8:16 Wvggz.

Vanwege het overplaatsen van klager naar een andere locatie binnen de instelling heeft klager een andere zorgverantwoordelijke toegewezen gekregen. Deze beslissing is niet door de geneesheer-directeur genomen terwijl deze volgens art. 8:16 lid 1 hiervoor de aangewezen persoon is.

Nu de beslissing niet door de juiste persoon is genomen is, is aan de andere formele vereisten van art 8:16, alsmede de algemene uitgangspunten van hoofdstuk 2 en 3 van de Wvggz ook niet voldaan.”

1.8 De zorgverantwoordelijke heeft schriftelijk gereageerd op de klacht van betrokkene en heeft na de nadere toelichting van de patiëntenvertrouwenspersoon een aanvullend verweerschrift ingediend.13 De raad van bestuur van de zorgaanbieder heeft nadien schriftelijk gereageerd op het verzoek tot schadevergoeding.14

1.9 Bij beslissing van 30 juni 2021,15 verzonden op 14 juli 2021, heeft de klachtencommissie de klacht van betrokkene over de gedwongen overplaatsing naar ART Zuidlaren, locatie Olmenstaete gegrond verklaard en betrokkene een bedrag van € 100,- als schadevergoeding toegekend. Kort gezegd acht de klachtencommissie de beslissing tot overplaatsing materieel juist, maar formeel onjuist omdat die beslissing niet is genomen op de voet van art. 8.16 Wvggz. De klachtencommissie heeft het volgende overwogen (onderstreping toegevoegd):

“(…) Kort gezegd is het de vraag of de beslissing tot overplaatsing gezien moet worden als een onderdeel van de verplichte zorg, die in de zogenoemde 8:9 beslissing van 22 mei 2021 is opgenomen, of dat die beslissing door de geneesheer-directeur genomen had moeten worden op grond van artikel 8:16 Wvggz. Tegen beide beslissingen kan overigens geklaagd worden op grond van artikel 10:3 Wvggz (…).

Los van de vraag in welk juridisch Wvggz-kader de overplaatsing naar Olmenstaete geplaatst zou moeten worden vindt de klachtencommissie het belangrijk eerst te benoemen dat de wijze waarop men tot de conclusie is gekomen dat een andere behandelsetting zoals bij Olmenstaete, geschikter is voor klager, zorgvuldig is. (…) Verweerster heeft gemotiveerd aangegeven dat klager verminderd in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ten aanzien van zijn behandeling. Dit betekent dat ten aanzien van de overplaatsing van klager niet onverkort zijn wensen en voorkeuren worden gehonoreerd ten aanzien van de verplichte zorg.

Wel is gedurende maanden door verweerster en haar voorganger onderzocht en bekeken waar klager het best op zijn plaats is. De klachtencommissie kan volgen dat dit, anders dan klager het liefst zou willen, volgens verweerster niet in de thuissituatie is. Verweerster heeft overtuigend naar voren gebracht dat waar dit voorheen misschien mogelijk was, dit momenteel niet haalbaar is. Klagers situatie is (…) daarvoor niet stabiel genoeg meer. De keuze voor Olmenstaete is vervolgens geen onlogische keuze. Het nadeel voor klager dat hij niet makkelijk meer naar huis kan, om zijn kat even te verzorgen en naar zijn moeder te kunnen gaan, is begrijpelijkerwijs groot. Maar het belang van de juiste behandel- c.q. verblijfplek weegt zwaarder, gelet ook op de langdurige voorgeschiedenis van en de uitkomst van het uitgebreide onderzoek dat is gedaan om tot de beslissing te komen.

(…)

De klachtencommissie is na uitgebreid en zorgvuldig overleg tot de conclusie gekomen dat de beslissing tot overplaatsing van klager geduid moet worden als een beslissing op grond van artikel 8:16 Wvggz, waarvoor in dit geval (omdat klager dat niet wilde) een aanvraag tot overplaatsing gedaan had moeten worden door de zorgverantwoordelijke, bij de geneesheer-directeur. Wanneer sprake is van onder meer een zorgmachtiging kan op grond van dat artikel de geneesheer-directeur op aanvraag of ambtshalve de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg toewijzen aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke toewijzen. Zo’n beslissing moet gemotiveerd en schriftelijk aan de betrokken[en] worden meegedeeld. Voor die tijd moet de beoogde opvolgende zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke zich bereid hebben verklaard tot het verlenen van zorg of verplichte zorg op grond van de geldende maatregel of machtiging. De wet maakt hierbij niet duidelijk of dit alleen aan de orde is bij overplaatsing naar een andere instelling, of dat hiervan ook sprake is bij overplaatsing naar een andere zorgverantwoordelijke binnen dezelfde instelling. Aangegeven is dat het een bestendige landelijke praktijk is (kennelijk vanuit de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie) om een verplaatsing binnen een instelling niet te duiden als een overplaatsing in de zin van artikel 8:16, mede gelet op de regeldruk. Dit laatste punt snapt de klachtencommissie, echter nu de wet geen duidelijkheid geeft, klager zo duidelijk heeft aangegeven dat hij niet naar Zuidlaren overgeplaatst wilde worden en de afdeling waar klager verbleef, Kliniek Winschoten (en die in Groningen) een compleet andere behandelsetting geeft (voor kortdurende acute zorg) dan de afdeling ART, locatie Olmenstaete (afdeling gericht op intensieve zorgverlening aan mensen met langdurige (ernstige) psychiatrische problematiek) was er naar oordeel van de klachtencommissie in dit geval geen plaats voor de inmiddels kennelijk gehanteerde uitvoeringspraktijk ten aanzien van overplaatsingen, wat ook zij van die uitvoeringspraktijk.

Inhoudelijk gezien is de overplaatsing een begrijpelijk besluit, gezien de langdurige opname van klager binnen de acute opnamekliniek, ook al is dit besluit formeel niet door de geneesheer-directeur genomen. De keuze voor een andere behandelsetting lijkt aangewezen, proportioneel, doelmatig en inhoudelijk zoals uit de rapportages blijkt, voldoende onderbouwd. Echter formeel gezien acht de Regionale klachtencommissie Wvggz Groningen de overplaatsing niet correct verlopen en verklaart zij de klacht hierover formeel gegrond op basis van het feit dat de overplaatsing is ingezet op basis van art. 8:9 Wvggz in plaats van art. 8:16 Wvggz.

(…).”

1.10 Bij beschikking van 2 juli 202116 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de rechtbank), ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 2 juli 2022, voor een achttal vormen van verplichte zorg, waaronder ‘opnemen in een accommodatie’. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen (onderstreping toegevoegd, A-G):

“2.4. (…) Er is sprake van een uitgebreide voorgeschiedenis met daarbij diverse verplichte opnames. Gezien het beloop van de afgelopen periode is in overleg met de ambulant behandelaren van ForFact geconcludeerd dat ontslag naar een ambulante setting op korte termijn niet haalbaar lijkt. Ook is met begeleid wonen Winschoten onderzocht of woonbegeleiding of beschermd wonen toereikende begeleiding zouden kunnen bieden om betrokkene te kunnen ontslaan naar een ambulante setting. Geconcludeerd is dat ook deze begeleiding ontoereikend is. Betrokkene heeft een (soms zeer) gestructureerde klinische setting nodig, met 24-uurs toezicht en mogelijkheden voor intensieve begeleiding, om enige stabiliteit in het psychiatrisch beeld te verkrijgen en te behouden. Op deze manier kunnen ernstige escalaties zoals deze zich (frequent) in de voorgeschiedenis voordeden worden voorkomen.

Om die reden is betrokkene aangemeld bij het ART Zuidlaren en is betrokkene op 14 juni 2021 geplaatst op Olmenstaete. Betrokkene is het niet eens met deze plaatsing en de gestelde psychiatrische diagnose. (…)

2.5. De advocaat van betrokkene geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat tijdens zijn verblijf in Winschoten altijd het doel was om terug te werken naar verblijf thuis. Het probleem zat echter bij het FACT-team. Zij waren niet meer bereid om betrokkene thuis te bezoeken na een eerder voorgevallen incident (gijzeling). (…) Betrokkene is zonder verzet naar Olmenstaete gekomen maar heeft het hier niet naar zijn zin. Het is fijn om te horen dat de psychiater gaat onderzoeken wat de mogelijkheden voor betrokkene zijn. Behandeling en medicatie heeft betrokkene wel nodig. Op dit moment is er voor betrokkene geen alternatief, maar zelf vindt hij dat hij niet opgenomen hoeft te worden. (…)”

1.11 Op 5 augustus 2021 heeft de zorgaanbieder bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz.17 Het verzoek richtte zich tegen de volgende oordelen van de klachtencommissie:

- voor betrokkene was niet steeds duidelijk wat nu de ingeslagen weg was en daarmee ook niet wanneer hij kon klagen over de al dan niet op handen zijnde overplaatsing;

- de beslissing tot overplaatsing van betrokkene naar ART Zuidlaren, locatie Olmenstaete moet worden geduid als een beslissing op grond van art. 8:16 Wvggz, waarvoor in dit geval (omdat betrokkene dat niet wilde) een aanvraag tot overplaatsing gedaan had moeten worden door de zorgverantwoordelijke, bij de geneesheer-directeur;

- de overplaatsing van betrokkene is niet correct verlopen en de klacht hierover is formeel gegrond dat de overplaatsing is ingezet op basis van art. 8:9 Wvggz in plaats van art. 8:16 Wvggz.

1.12 De zorgaanbieder heeft de rechtbank verzocht de klachten van betrokkene alsnog ongegrond te verklaren en geen schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder toe te kennen, dan wel het bedrag van de schadevergoeding (verder) te matigen.

1.13 Bij beschikking van 28 september 2021 heeft de rechtbank de beslissing van de klachtencommissie van 30 juni 2021 vernietigd, de klacht van betrokkene ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“5.4. De klacht van betrokkene richt zich tegen de feitelijke overplaatsing naar een andere locatie binnen Lentis. Betrokkene wilde heel nadrukkelijk niet overgeplaatst worden naar ART Zuidlaren, afdeling Olmenstaete. Uit artikel 8:9 Wvggz volgt dat zodra betrokkene verzet vertoont tegen de door de zorgaanbieder te verlenen zorg, voor de toepassing van verplichte zorg een uitvoeringsbeslissing moet worden genomen. De zorgverantwoordelijke is bevoegd deze beslissing te nemen. (…) Door de psychiater is toegelicht dat bij iedere (nieuwe) toepassing van verplichte zorg, in het geval er sprake is van twijfel aan de behandelbereidheid of er is sprake van verzet, een artikel 8:9 Wvggz-beslissing wordt genomen. Indien er sprake is van een wijziging van omstandigheden wordt een voorgaande artikel 8:9 Wvggz-beslissing geactualiseerd door een opvolgende beslissing om zo betrokkene te informeren over deze aanpassing. Ten gevolge van het nadrukkelijke verzet van betrokkene tegen de overplaatsing naar een andere locatie is door de psychiater, zijnde de zorgverantwoordelijke derhalve terecht een artikel 8:9 Wvggz-beslissing genomen.

5.5. Volgens Lentis verbleef betrokkene lange tijd op vrijwillige basis (…) binnen de HIC Winschoten. In de brief van 22 mei 2021 (…) worden door de zorgverantwoordelijke de zorgvormen: beperken van de bewegingsvrijheid, insluiten en opnemen in een accommodatie aangezegd. Door Lentis is gemotiveerd dat deze vormen van verplichte zorg op dat moment zijn aangezegd, omdat betrokkene in het kader van de overplaatsing naar Groningen onrustig werd en de kans reëel werd geacht dat hij beperkt zou moeten worden. Daarnaast is betrokkene - vanwege het vertoonde verzet tegen de opname - ook geïnformeerd over de opname te Groningen en de op handen zijnde overplaatsing naar Olmenstaete. Deze brief is bij brief van 25 mei 2021 door de geneesheer-directeur aan betrokkene en diens advocaat toegezonden. De advocaat heeft ter zitting bevestigd dat zij deze brief heeft ontvangen. (…) Door de advocaat van betrokkene is ter zitting aangegeven dat betrokkene voorafgaand aan de feitelijke overplaatsing naar Olmenstaete ook contact met haar heeft opgenomen over zijn wens hiertegen een klacht in te dienen.

5.6. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Rechtbank van oordeel dat het voor betrokkene, dan wel voor de patiëntenvertrouwenspersoon of advocaat die betrokkene bijstand verleenden, voldoende duidelijk kon zijn dat betrokkene naar aanleiding van het op 22 mei 2021 genomen artikel 8:9 Wvggz-besluit, verzonden op 25 mei 2021 door de geneesheer-directeur, een klacht én een verzoek tot schorsing had kunnen indienen tegen de voorgenomen overplaatsing naar Olmenstaete. Uit de beslissing blijkt immers voldoende concreet dat betrokkene zal worden overgeplaatst naar Olmenstaete, enkel blijkt hieruit niet de exacte datum. Daarbij is de rechtbank voorts van oordeel dat betrokkene door de psychiater c.q. Lentis voldoende en op zorgvuldige wijze op de hoogte is gesteld van alle relevante stappen inzake de overplaatsing naar Olmenstaete en het klachtrecht van betrokkene. (…)

5.7. (…) De stelling van betrokkene in zijn klaagschrift dat de psychiater tot aan begin mei 2021 gezegd zou hebben dat hij misschien weer naar huis zou kunnen, komt de rechtbank gezien het hiervoor overwogene dan ook als onaannemelijk voor. Tevens blijkt uit het voorgaande geenszins dat betrokkene lange tijd door de psychiater dan wel Lentis aan het lijntje is gehouden, zoals door betrokkene zelf gesteld, of lange tijd in onzekerheid is gelaten over zijn verblijf in de kliniek en de vervolgstappen die daarna gezet zouden moeten worden, zoals door de patiëntenvertrouwenspersoon is betoogd. Anders dan door of namens betrokkene gesteld, kan de rechtbank Lentis (c.q. de psychiater) volgen in haar betoog dat de toetsing van de situatie van betrokkene in mei 2021 door een extra zorgoverleg met de betrokken partijen van ART Zuidlaren, Wonen Winschoten en (For)Fact, vanuit het oogpunt van extra zorgvuldigheid is gedaan en niet vanuit de gedachte dat uitplaatsing naar huis met ambulante hulpverlening nog steeds een reële optie was. Uit de stukken blijkt dat reeds in de loop van 2020 door het verloop van de klinische opname duidelijk was dat een ontslag naar een ambulante setting niet haalbaar was en dat betrokkene in ieder geval in november 2020 is aangemeld bij het ART Zuidlaren en deze aanmelding ook met hem op dat moment is besproken. Het standpunt namens betrokkene dat op 25 mei 2021 ineens werd medegedeeld dat (For)Fact en Fact Winschoten niet meer de nodige zorg konden bieden, kan de rechtbank derhalve eveneens niet volgen.

5.8. Daarbij merkt de rechtbank op dat betrokkene uiteindelijk op 16 juni 2021 wel heeft geklaagd tegen de (feitelijke) overplaatsing naar Olmenstaete, welke overplaatsing door de klachtencommissie ook is getoetst op zorgvuldigheid. De motivering van het oordeel van klachtencommissie (…) dat de wijze waarop de behandelaar tot de conclusie is gekomen dat een andere behandelsetting zoals bij Olmenstaete geschikter is voor betrokkene zorgvuldig is (…) kan de rechtbank volgen en neemt de rechtbank over. De rechtbank kan zich dan ook vinden in het oordeel van de klachtencommissie over de feitelijke overplaatsing van betrokkene naar Olmenstaete. Dat deze klacht door de commissie geduid had moeten worden als een klacht tegen een artikel 8:9 Wvggz-beslissing in plaats van een klacht tegen een artikel 8:16 Wvggz-beslissing, maakt het oordeel over de feitelijke overplaatsing niet anders of onjuist. Ook het feit dat betrokkene op het moment van het indienen van de klacht feitelijk al overgeplaatst was, maakt voor de beoordeling van de klacht geen verschil. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLl:NL:HR:2020:2096, waarin door de Hoge Raad is overwogen dat de wettelijke regeling van het klachtrecht geen grondslag biedt voor de opvatting dat de betrokkene in staat moet zijn om de beslissing te doen schorsen, voordat daar uitvoering aan wordt gegeven, nu deze opvatting er toe zou kunnen leiden dat aan de betrokkene de zorg wordt onthouden die de zorgverantwoordelijke op het moment van zijn beslissing in het belang van de betrokkene noodzakelijk acht.

5.9. Voor wat betreft de (onjuiste) conclusie van de klachtencommissie dat door Lentis een artikel 8:16 Wvggz-beslissing had moeten worden genomen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de wet volgt dat indien betrokkene het niet eens is met het krijgen van een andere zorgverantwoordelijke, ook indien dit binnen dezelfde instelling is, de geneesheer-directeur op grond van artikel 8:16 Wvggz hierover een beslissing kan nemen en betrokkene ook op grond van dit artikel kan klagen over deze beslissing. Betrokkene klaagt echter nadrukkelijk niet over het krijgen van een nieuwe zorgverantwoordelijke. Noch in zijn klaagschrift als ter zitting heeft betrokkene er blijk van gegeven dat hij het niet eens is met het hebben van een andere zorgverantwoordelijke. De klacht van betrokkene richt zich juist op de feitelijke overplaatsing, welke beslissing niet beheerst wordt door artikel 8:16 Wvggz, maar […] door artikel 8:9 Wvggz. Lentis heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat haar aanzegging van 22 mei 2021 viel onder de reikwijdte van dat laatste artikel. Dat deze feitelijke overplaatsing met zich brengt dat er ook een wijziging van zorgverantwoordelijke volgt, een (ambtshalve) beslissing die mogelijk wel onder de reikwijdte van artikel 8:16 Wvggz valt, doet in dit geval niet ter zake. De klacht van betrokkene richt zich immers niet tegen de wijziging van zorgverantwoordelijke, maar tegen zijn feitelijke verhuizing naar een andere locatie.”

1.14 Namens betrokkene is op 28 december 2021 − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. De zorgaanbieder heeft op 22 februari 2022 een verweerschrift ingediend met conclusie tot referte. Bij het verweerschrift is een amicus curiae brief d.d. 21 februari 2022 gevoegd van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. Die brief bevat een oproep om de beschikking van de rechtbank in stand te laten. Het zou administratief te belastend zijn als de geneesheer-directeur voor elke wisseling van zorgverantwoordelijke een beslissing zou moeten nemen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel bevat twee onderdelen.

Onderdeel 1

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.9 van de bestreden beschikking en klaagt dat de daar gegeven overwegingen in strijd zijn met de wet, althans onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. De klacht wordt als volgt uitgewerkt:

- Voor overplaatsing is in art. 8:16 Wvggz een aparte regeling opgenomen. In deze zaak is aan de orde de situatie waarin de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de zorg op grond van een zorgmachtiging wordt toegewezen aan een andere zorgverantwoordelijke. Dat betekent dat aan de in art. 8:16 Wvggz vermelde voorwaarden moet worden voldaan. (zie onder 1.1)

- De rechtbank is kennelijk van oordeel dat hier niet sprake is van een beslissing die valt onder de reikwijdte van art. 8:16 Wvggz, omdat de klacht van betrokkene zich richt tegen de feitelijke overplaatsing. Dit betekent echter niet dat art. 8:16 Wvggz niet van toepassing is. De geneesheer-directeur moet voor een overplaatsing een schriftelijke beslissing geven en dient de betrokkene op de hoogte te stellen van de mogelijkheid om tegen die beslissing een klacht in te dienen. (zie onder 1.2)

- De patiëntenvertrouwenspersoon heeft aangevoerd dat, nu de overplaatsing van betrokkene naar een andere locatie meebrengt dat hij een andere zorgverantwoordelijke toegewezen heeft gekregen, de beslissing tot overplaatsing had moeten worden genomen door de geneesheer-directeur. Aldus is geklaagd dat de formele procedure van art. 8:16 Wvggz niet is gevolgd. De klachtencommissie heeft terecht geoordeeld dat de beslissing tot overplaatsing geduid had moeten worden als een beslissing op grond van art. 8:16 Wvggz waarvoor de zorgverantwoordelijke een aanvraag had moeten doen bij de geneesheer-directeur. (zie onder 1.3 en 1.4)

- De beslissing van 22 mei 2021 is een beslissing van de zorgverantwoordelijke als bedoeld in art. 8:9 Wvggz tot het verlenen van verplichte zorg ter uitvoering van de zorgmachtiging van 25 januari 2021. De beslissing met betrekking tot overplaatsing moet echter worden genomen door de geneesheer-directeur en een dergelijke beslissing ontbreekt. De overplaatsing van betrokkene naar Zuidlaren, locatie Olmenstaete, brengt in elk geval mee dat hij daar een andere zorgverantwoordelijke krijgt zoals bedoeld in art. 8:16 lid 1 Wvggz. Nu er ten onrechte vanuit is gegaan dat art. 8:9 Wvggz van toepassing is, terwijl art. 8:16 Wvggz de bepaling is waarin een overplaatsing als in deze zaak aan de orde is geregeld, dient de bestreden beschikking reeds daarom te worden vernietigd. (zie onder 1.5 en 1.6)

2.3

De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Ik stel het volgende voorop.

2.4

Art. 8:9 lid 1 Wvggz luidt:

“De zorgverantwoordelijke neemt ter uitvoering van (…) de zorgmachtiging een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg niet dan nadat hij:

a. zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene,

b. met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd, en

c. voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur.”

De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een verleende zorgmachtiging bepalen op welke wijze verplichte zorg, die is opgenomen in die zorgmachtiging, wordt verleend. Slechts indien de zorgverantwoordelijke geen psychiater is, schrijft de wet de instemming van de geneesheer-directeur voor.

2.5

Art. 8:16 Wvggz staat in paragraaf 5 van hoofdstuk 8, getiteld ‘Overplaatsing, tijdelijke onderbreking en beëindiging’. Het eerste lid luidt als volgt:

“1. De geneesheer-directeur kan op aanvraag of ambtshalve de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke toewijzen. Betrokkene, de vertegenwoordiger, de advocaat of de zorgverantwoordelijke kunnen bij de geneesheer-directeur daartoe een schriftelijke en gemotiveerde aanvraag indienen.”

2.6

Het artikel wordt in de wetsgeschiedenis als volgt summier toegelicht:

“Artikel 8:18 (later vernummerd tot art. 8:16, A-G) maakt het mogelijk om de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg of het toepassen van dwang op grond van een zorgmachtiging of een crisismaatregel aan een andere zorgaanbieder, zorgverantwoordelijke of zorgverlener toe te wijzen. Deze bepaling maakt het mogelijk de zorgplicht (inclusief een eventuele opnameplicht) die verbonden is aan de zorgmachtiging of de crisismaatregel, door een ander te laten uitvoeren dan degene die genoemd is in de zorgmachtiging of de crisismaatregel.

Het uitgangspunt (…) is dat de geneesheer-directeur en betrokkene tot overeenstemming komen met alle betrokken partijen. Voorwaarde is daarmee dat de beoogde zorgaanbieder, geneesheer-directeur en zorgverlener ook instemmen met het overnemen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de zorgmachtiging. (…) De uiteindelijke beslissing van de geneesheer-directeur op het verzoek is klachtwaardig.”18

2.7

Keurentjes schrijft over art. 8:16 Wvggz het volgende:

“Wanneer betrokkene in een accommodatie is geplaatst en hij een voorkeur heeft voor een andere accommodatie dan kan hij of zijn vertegenwoordiger dat aangeven bij de geneesheer-directeur. Daar denken we in eerste instantie aan wanneer het gaat om overplaatsing. Maar het kan ook betekenen dat betrokkene naar een andere zorgaanbieder wil als hij verplichte zorg in een ambulante setting krijgt. Het overplaatsen betekent immers het overdragen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de zorg, zoals geformuleerd in artikel 3:2. Het gaat om het overdragen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg, zie artikel 8:16 lid 1. Een verzoek daartoe moet schriftelijk en gemotiveerd gebeuren. Ook de zorgverantwoordelijke kan van mening zijn dat een andere accommodatie of een andere zorgaanbieder meer geschikt is voor betrokkene. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een betrokkene die geplaatst is in een algemeen psychiatrisch ziekenhuis maar dat zijn verslaving met zich meebrengt dat een plaatsing in een verslavingskliniek meer voor de hand ligt. Dan kan de zorgverantwoordelijke een dergelijke overplaatsing aanvragen bij de geneesheer-directeur. De geneesheer-directeur kan ook ambtshalve besluiten tot het overdragen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg aan betrokkene. De gemotiveerde beslissing op het verzoek of op zijn ambtshalve genomen besluit zet hij op schrift. Hij deelt dat mede aan betrokkene en een afschrift ervan stuurt hij aan de vertegenwoordiger en aan de officier van justitie.

Daarnaast kan, wanneer het gaat om een opname, het zo zijn dat een ander, hoger beschermingsniveau noodzakelijk is vanwege door betrokkene toegepast fysiek geweld of dreiging daarmee. Is dit op voorhand bekend, dan kan gevraagd worden aan de rechter om in zijn beslissing op te nemen dat een plaatsing van maximaal acht weken mogelijk is in een fpc, conform de regeling van artikel 6:4. Maar is een dergelijke mogelijkheid niet meegenomen in de beslissing van de rechter dan is ook plaatsing in een naast hoger beveiligingsniveau mogelijk, zoals overplaatsing naar een fpa of fpk.

De geneesheer-directeur moet voordat hij een beslissing tot overplaatsing wil nemen, eerst een bereidverklaring hebben van de beoogde zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke. Die moet bereid zijn de zorg of verplichte zorg op grond van een crisismaatregel, een voortzetting daarvan of van een zorgmachtiging te verlenen aan betrokkene. Overleg over een voorgenomen overplaatsing is derhalve noodzakelijk. (…)”19

2.8

K.M. Vermeulen schrijft:

“De geneesheer-directeur kan een overplaatsing in gang zetten op eigen initiatief, bijvoorbeeld als hij van mening is dat een andere zorgaanbieder beter past bij de verplichte zorg die betrokkene nodig heeft. Ook kan de geneesheer-directeur overgaan tot overplaatsing naar aanleiding van een aanvraag van de betrokkene of zijn vertegenwoordiger of zorgverantwoordelijke. Dat de geneesheer-directeur de enige is die een eventuele overplaatsing in gang kan zetten past binnen de verantwoordelijkheid die hij heeft als ‘zorgregisseur’. Een voorbeeld voor een aanvraag tot overplaatsing kan zijn dat betrokkene zich niet prettig voelt onder zijn huidige zorgverantwoordelijke en graag overgeplaatst wil worden naar een andere zorgverantwoordelijke. Of deze bepaling enkel betrekking heeft op het structureel overdragen van de verantwoordelijkheid of dat het ook kan gaan om tijdelijke overplaatsingen, bijvoorbeeld wanneer betrokkene tijdelijk in een ziekenhuis wordt opgenomen, blijkt niet duidelijk uit de wet. Met een overplaatsing is bedoeld het overdragen van de zorg-verantwoordelijkheid. Het betreft dus niet altijd een fysieke overplaatsing van de betrokkene van de ene naar de andere accommodatie. Immers kan verplichte zorg ook ambulant worden verleend. Het gaat in deze bepaling om het toewijzen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een maatregel of machtiging aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke. (…)”20

2.9

Uit het voorgaande leid ik af dat art. 8:16 Wvggz ziet op een wisseling van zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke, maar alleen in het geval aan de betrokken persoon al verplichte zorg wordt verleend. De geneesheer-directeur kan hierover ambtshalve een beslissing nemen, bijvoorbeeld als er binnen de instelling verschil van inzicht bestaat over de vraag of het aanwijzen van een nieuwe zorgverantwoordelijke noodzakelijk is. De geneesheer-directeur dient ook een beslissing te nemen over een wisseling van de zorgverantwoordelijke indien de patiënt, zijn vertegenwoordiger of de zorgverantwoordelijke zelf daarom vraagt. Indien overplaatsing naar een andere locatie van dezelfde zorgaanbieder of naar een andere afdeling binnen een zelfde zorginstelling met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor het verlenen van verplichte zorg moet worden overgedragen aan een andere zorgverantwoordelijke, is uitgangspunt dat de geneesheer-directeur een beslissing dient te nemen. Een fysieke overplaatsing als zodanig valt evenwel niet binnen de reikwijdte van art. 8:16 Wvggz.

2.10

Niet zonder meer duidelijk is of de geneesheer-directeur iedere wisseling van een zorgverantwoordelijke binnen dezelfde zorgaanbieder (of zelfs binnen dezelfde locatie van één zorgaanbieder) moet goedkeuren. Het woord ‘kan’ in de eerste zin van die bepaling lijkt erop te duiden dat als de geneesheer-directeur zelf geen aanleiding ziet voor het ambtshalve nemen van een dergelijke beslissing en hem ook niet is gevraagd, door bijvoorbeeld de patiënt of de zorgverantwoordelijke, om een beslissing te nemen, art. 8:16 Wvggz niet ertoe verplicht dat toch een beslissing wordt genomen over de wisseling van de zorgverantwoordelijke.

2.11

Bij de uitleg van de Wvgzz dient mijns inziens rekening te worden gehouden met de noden van de praktijk op de werkvloer. Uit de amicus curiae-brief van NVP spreekt bezorgdheid over de belasting die zou ontstaan, ook voor de patiënt, als bij elke wisseling van zorgverantwoordelijke een beslissing van de geneesheer-directeur nodig zou zijn. Die bezorgdheid lijkt mij een relevant gezichtspunt, dat echter niet ten koste mag gaan van de rechtsbescherming van de patiënt ten aanzien van wie verplichte zorg wordt toegepast.

2.12

Naar mijn mening brengt een redelijke toepassing van art. 8:16 lid 1 Wvggz mee dat voor een wisseling van een zorgverantwoordelijke geen beslissing van de geneesheer-directeur is vereist indien de betrokken patiënt (dan wel diens vertegenwoordiger) niet om een dergelijke beslissing heeft verzocht en zich ook niet verzet tegen een voorstel tot wisseling van de bestaande zorgverantwoordelijke. Op die manier wordt voorkomen dat de geneesheer-directeur ook een beslissing zou dienen te nemen als een wisseling van zorgverantwoordelijke plaatsvindt om redenen die geheel los staan van de persoon of het ziektebeeld van de patiënt, zoals overplaatsing, langdurig verlof, ontslag of pensionering van de zorgverantwoordelijke of als de betrokken patiënt dan wel diens vertegenwoordiger met de voorgestelde wisseling van zorgverantwoordelijke instemt. Een handtekening van de geneesheer-directeur zou in die beide typen gevallen niets wezenlijks toevoegen aan de bescherming van de betrokken patiënt.

2.13

Is door of namens de patiënt gevraagd om een andere zorgverantwoordelijke of juist geprotesteerd tegen de aanwijzing van een andere zorgverantwoordelijke door de instelling, dan dient de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:16 Wvggz een beslissing te nemen. Tegen zowel een beslissing van de geneesheer-directeur als tegen het niet nakomen van de verplichting om een beslissing te nemen kan de patiënt op de voet van art. 10:3 lid 1, onder l, Wvggz opkomen bij de klachtencommissie. Op die manier wordt de rechtsbescherming van de patiënt gewaarborgd.

2.14

Na deze inleidende beschouwingen zal ik nu onderzoeken of in dit geval een beslissing van de geneesheer-directeur als bedoeld in art. 8:16 Wvggz was vereist. Ik roep in herinnering dat betrokkene bezwaar heeft gemaakt tegen zijn overplaatsing naar Zuidlaren.21 Naar ik begrijp wilde betrokkene liever terug naar huis en dus terug naar een ambulante situatie, wat volgens de zorgverantwoordelijke niet verantwoord was. Zij heeft daarom in haar beslissing van 22 mei 2021 bepaald om onder meer ‘insluiting’ en ‘opname in een accommodatie’ als vorm van verplichte zorg aan te zeggen.

2.15

Mij lijkt dat art. 8:16 Wvggz niet van toepassing is op de plaatsing van betrokkene in Olmenstaete (Zuidlaren).

2.16

Ten eerste blijkt uit de zojuist geschetste gang van zaken dat pas met de beslissing van 22 mei 2021 uitvoering is gegeven aan de zorgmachtiging van 25 januari 2021. De eerdere plaatsing in Winschoten was niet gebaseerd op die zorgmachtiging; betrokkene verbleef daar vrijwillig. Al op het moment dat betrokkene aldaar was opgenomen (en daarna tijdelijk in Groningen)22 stond vast dat hij te zijner tijd zou worden geplaatst in Olmenstaete in Zuidlaren en dat hij daar vanaf de aanmelding op een wachtlijst stond. In zoverre kan de plaatsing in Olmenstaete als een initiële plaatsing worden beschouwd en is van een overplaatsing als bedoeld in art. 8:16 Wvggz geen sprake, ook niet als die plaatsing meebrengt dat de persoon van zorgverantwoordelijke wisselt.

2.17

Betrokkene had de mogelijkheid om na de bekendmaking van de beslissing van 22 mei 2021 een klacht in te dienen tegen de voorgenomen overplaatsing naar Olmenstaete. Dit heeft hij niet gedaan (vgl. rov. 5.6 van de bestreden beschikking). De oordelen in rov. 5.6 worden in cassatie niet bestreden en dienen in cassatie derhalve tot uitgangspunt. De rechtbank heeft in rov. 5.7 onder meer overwogen dat betrokkene al in november 2020 is aangemeld bij het ART Zuidlaren en dat deze aanmelding op dat moment met hem is besproken. Twee maanden vóór het verlenen op 25 januari 2021 van de zorgmachtiging stond dus al vast dat betrokkene te zijner tijd zou worden geplaatst in Olmenstaete. Alléén vanwege de omstandigheid dat daar in november 2020 geen plaats voor hem was, is zijn vrijwillig verblijf in Winschoten voortgezet.

2.18

Ten tweede heeft betrokkene er niet over geklaagd dat hij met zijn plaatsing in Olmenstaete een andere zorgverantwoordelijke heeft gekregen (zie rov. 5.9). In deze zaak gaat het om (i) een reeds vóór het verlenen van de van toepassing zijnde zorgmachtiging voorgenomen plaatsing (ii) van een destijds vrijwillig opgenomen patiënt (iii) naar een instelling van dezelfde zorgaanbieder op een andere locatie waarvoor hij direct op de wachtlijst is gezet, terwijl voorts vaststaat (iv) dat betrokkene geen bezwaar maakt tegen de zorgverantwoordelijke die hij in de nieuwe accommodatie heeft gekregen. Art. 8:16 Wvggz is naar mijn mening niet geschreven voor een dergelijke situatie.

2.19

Nu de onderhavige overplaatsing blijkens het voorgaande niet valt onder het bereik van art. 8:16 Wvggz kan de klacht reeds daarom niet tot cassatie leiden, wat er ook zij van de uitleg door de rechtbank van de stellingen van betrokkene (tegen welke uitleg het onderdeel overigens ook geen duidelijke motiveringsklacht richt).

Onderdeel 2

2.20

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.8 van de bestreden beschikking. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank in deze rechtsoverweging “voorbij is gegaan aan de vereisten van art. 8:16 Wvggz, die van openbare orde zijn”. De klacht wordt onder 2.1-2.4 als volgt uitgewerkt.

2.21

Een overplaatsing wordt geregeld in art. 8:16 Wvggz. De geneesheer-directeur dient een schriftelijke beslissing te nemen en een dergelijke beslissing ontbreekt in dit geval. Voor een beslissing over een overplaatsing kan niet worden teruggegrepen op een beslissing van de zorgverantwoordelijke op grond van art. 8:9 Wvggz, ook al heeft de geneesheer-directeur die beslissing naar de betrokkene en zijn advocaat gezonden, aldus de klacht. (zie onder 2.1)

2.22

Met de klacht dat de rechtbank heeft miskend dat de vereisten van art. 8:16 Wvggz van openbare orde zijn, veronderstelt het onderdeel klaarblijkelijk dat dit artikel in deze zaak van toepassing is en dat derhalve aan de overplaatsing van betrokkene een beslissing van de geneesheer-directeur ten grondslag had moeten liggen. Uit de bespreking van onderdeel 1 volgt dat ik van mening ben dat art. 8:16 Wvggz wegens aan de zaak eigen feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet van toepassing is op de overplaatsing van betrokkene naar locatie Olmenstaete in Zuidlaren.

2.23

De tweede klacht houdt in, samengevat, dat betrokkene zich niet kon verenigen met de overplaatsing naar Olmenstaete in Zuidlaren. Er is evenwel geen beslissing waartegen hij kon klagen. (zie onder 2.2)

2.24

Ik memoreer dat in cassatie niet wordt opgekomen tegen rov. 5.6, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het voldoende duidelijk kon zijn dat betrokkene naar aanleiding van het op de voet van art. 8:9 Wvggz genomen besluit van 22 mei 2021 een klacht en een verzoek tot schorsing had kunnen indienen tegen de voorgenomen overplaatsing naar Olmenstaete. De overige punten die in de toelichting op deze klacht worden aangevoerd behoeven geen afzonderlijke bespreking.

2.25

Tot slot voert het onderdeel dat de overweging in rov. 5.10 dat de klacht van betrokkene alsnog ongegrond moet worden verklaard, in strijd is met art. 8:16 Wvggz in verbinding art. 5 lid 1, aanhef en onder e, jo. art. 5 lid 4 EVRM en derhalve recht biedt op schadevergoeding. De afdeling Olmenstaete in Zuidlaren is een zware afdeling en de beslissing om betrokkene daarheen over te plaatsen, terwijl hij nog een eigen huis heeft, betekent een enorme inbreuk op zijn familie- en privéleven. De plaatsing in Olmenstaete kan worden beschouwd als een onmenselijke behandeling als bedoeld in art. 3 EVRM en bij het nemen van die beslissing zal alle voorzichtigheid moeten worden betracht. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Een en ander laat zien hoe belangrijk het is dat er een schriftelijke en gemotiveerde beslissing door de geneesheer-directeur wordt genomen conform de in de wet opgenomen procedure. (zie onder 2.4)

2.26

Ook deze klacht veronderstelt blijkens de verwijzing naar art. 8:16 Wvggz dat dit artikel van toepassing is op de overplaatsing van betrokkene naar locatie Olmenstaete in Zuidlaren. Zoals gezegd is dit niet het geval is. De klacht faalt derhalve reeds op de hiervoor weergegeven gronden. Ik merk daarbij nog op dat de klacht veeleer betrekking heeft op de gevolgen die de overplaatsing van betrokkene naar de locatie Olmenstaete voor hem heeft. Daarop hadden de in de klachtprocedure geformuleerde klachten (althans in elk geval de gronden waarover de rechtbank nadien in de procedure op grond van art. 10:7 Wvggz had te beslissen) evenwel geen betrekking. Die hadden namelijk betrekking op de vraag of aan de overplaatsing een beslissing van de geneesheer-directeur ten grondslag had moeten liggen.

Slotsom

2.27

In het licht van het bovenstaande falen de aangevoerde klachten.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover ik hieronder feiten noem die niet worden vermeld in de bestreden beschikking van 28 september 2021 (prod. 2 van het overgelegde procesdossier), zal ik steeds de vindplaats vermelden. Het proces-verbaal van de zitting van 14 september 2021 (prod. 13 van het overgelegde procesdossier) geeft een goed beeld van de feitelijke achtergrond van deze zaak.

2 Zie het zorgplan van 5 januari 2021, overgelegd als bijlage 6 bij het verzoekschrift ex art. 10:7 Wvggz (prod. 12 van het in cassatie overgelegde procesdossier), blz. 2, rubriek 3.a; de ‘Notitie ter toelichting bij het klaagschrift d.d. 22 juni 2021’ (prod. 5), blz. 3, derde alinea; en het verweerschrift van 18 juni 2021 in de klachtzaak (prod. 4), blz. 1, derde alinea.

3 Zie rov. 5.5 van de bestreden beschikking en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 september 2021 (prod. 13), blz. 4 bovenaan.

4 Bijlage 1 bij het verzoekschrift ex art. 10:7 Wvggz (prod. 12).

5 Het zorgplan is destijds overgelegd bij het verzoek dat heeft geleid tot de zorgmachtiging van 25 januari 2021.

6 Betrokkene heeft aangevoerd dat hij in verband met de zomersluiting van de locatie te Winschoten op 21 mei 2021 is overgeplaatst van Winschoten naar een instelling van Lentis te Groningen. Zie de klachtbrief van betrokkene aan de klachtencommissie van 16 juni 2021 (prod. 3), blz. 1; de Notitie ter toelichting bij het klaagschrift (prod. 5), blz. 1 en 3; en de uitspraak van de klachtencommissie van 30 juni 2021 (prod. 11), blz. 2. De zorgaanbieder heeft de stelling van betrokkene dat hij op 21 mei 2021 in de accommodatie te Groningen is opgenomen, niet betwist

7 Prod. 9 van het overgelegde procesdossier.

8 Beide brieven maken deel uit van prod. 10.

9 Zie rov. 4.1 van de bestreden beschikking.

10 Prod. 3.

11 Prod. 6.

12 Prod. 5.

13 Producties 4 en 7 van het overgelegde procesdossier.

14 Prod. 8 van het overgelegde procesdossier.

15 Prod. 11 van het overgelegde procesdossier.

16 Bijlage 1 bij het verzoekschrift ex art. 10:7 Wvggz (prod. 12 van het overgelegde procesdossier).

17 Prod. 12 van het overgelegde procesdossier.

18 Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 94 en 95.

19 R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Handleiding voor de praktijk, Den Haag: SDU 2021, par. 8.6.

20 SDU Commentaar Gedwongen Zorg, art. 8:16 Wvggz, aant. 1 (K.M. Vermeulen).

21 Tegen de overplaatsing naar Groningen had betrokkene géén bezwaar. Dat was vanwege de zomersluiting van Winschoten ook een gegeven. Hij had wel bezwaar tegen overplaatsing naar Zuidlaren. Zijn klacht was daarom ook uitsluitend gericht tegen die overplaatsing.

22 De plaatsing in Groningen was noodzakelijk vanwege de zomersluiting van Winschoten. Die plaatsing was aanvankelijk eveneens vrijwillig, zij het dat een dag na aankomst door de beslissing van de zorgverantwoordelijke uitvoering is gegeven aan de verplichte zorg ingevolge de zorgmachtiging.