Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:21

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-01-2022
Datum publicatie
13-01-2022
Zaaknummer
20/02862
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Art. 359.3 Sv en art. 423.1 Sv. AG: Nu raadsman ttz in hoger beroep vrijspraak heeft bepleit, heeft hof mondeling vonnis politierechter niet zonder aanvulling van gronden mogen bevestigen. Strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02862

Zitting 11 januari 2022

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 14 september 2020 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 9 augustus 2019, waarbij de verdachte wegens in de zaak met parketnummer 09-188717-19 “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”, in de zaak met parketnummer 09-106301-19 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en in de zaak met parketnummer 09-150406-19 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 dagen met aftrek van het voorarrest, bevestigd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. A.P. Visser, advocaat te ’s-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik bespreek eerst het tweede middel.

Het tweede middel

3. Naar ik begrijp, klaagt het middel erover dat het hof in de zaak met parketnummer 09-106301-19 de bewezenverklaring ten onrechte heeft doen steunen op bewijsmiddelen waarvan de inhoud niet in de bestreden uitspraak is opgenomen.

4. Het hof heeft het mondeling vonnis van de politierechter van 9 augustus 2019 zonder aanvulling van gronden bevestigd.

5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 september 2016 het volgende overwogen over de toepassing van de bewijsmotiveringsvoorschriften door een gerechtshof in geval van bevestiging dan wel vernietiging van een mondeling vonnis van onder andere de politierechter:

“2.2.1. De aantekening van een mondeling vonnis van de politierechter dient ingevolge art. 378, tweede lid, Sv te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) (hierna: de Regeling).

- Art. 1 van de Regeling houdt in dat de aantekening van een mondeling vonnis van de politierechter in geval van bewezenverklaring onder meer de navolgende gegevens dient te bevatten:

“b. alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt).”

- Art. 3 van de Regeling houdt wat betreft de uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep onder meer het volgende in:

“b. beslissing omtrent het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld (gehele of gedeeltelijke bevestiging/gehele of gedeeltelijke vernietiging);

(…)

d. inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) tenlastegelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt).”

2.2.2. Art. 359, derde lid, Sv luidt:

“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”

2.2.3. Art. 423, eerste en derde lid, Sv luidt:

“1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.

3. In geval vernietiging van het vonnis is het gerechtshof niettemin bevoegd bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen.”

Art. 425, tweede en derde lid, Sv luidt:

“2. De enkelvoudige kamer geeft na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk hetzij diezelfde dag op een door haar bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling arrest.

3. Het arrest wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend op de wijze door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen: (…).”

Art. 426, vijfde lid, Sv luidt:

“De enkelvoudige kamer is bevoegd een schriftelijk arrest te wijzen. (…)”.”1

6. Aansluitend heeft de Hoge Raad in voormeld arrest het volgende overwogen over de bevestiging van een mondeling vonnis bij schriftelijk arrest:

“2.3.1. Op grond van art. 423, eerste lid, Sv is zowel de meervoudige als de enkelvoudige kamer van het hof bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen. Dit geldt ook indien het een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. De bevoegdheid om zo een mondeling vonnis te bevestigen is niet beperkt tot het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv (bekennende verdachte).

2.3.2. Indien die aantekening mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in overeenstemming met de Regeling - verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, is de meervoudige kamer van het hof in geval van bevestiging van het vonnis in beginsel niet gehouden de inhoud van die stukken (alsnog) in zijn arrest op te nemen. Gelet op het bepaalde in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv lijdt dit evenwel uitzondering indien ter terechtzitting van de meervoudige kamer in hoger beroep door de verdachte anders - dat wil zeggen: niet in bekennende zin - is verklaard of door zijn raadsman vrijspraak is bepleit. In dat geval dient bevestiging te geschieden met aanvulling van gronden, dus met opneming van de (uitgewerkte) inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in het arrest. Dat houdt in dat de feiten of omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring, moeten zijn vervat in de door het hof gebezigde en in zijn arrest weergegeven bewijsmiddelen. Indien zij niet in die bewijsmiddelen zijn vermeld, moet het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel of de wettige bewijsmiddelen aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.”

7. In de onderhavige zaak houdt het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 9 augustus 2019 wat betreft de in de zaak met parketnummer 09-106301-19 gebruikte bewijsmiddelen het volgende in:

“1. Op 25 januari 2017 liep ik ’s ochtends op de Haagse markt langs de kraam van [betrokkene 1]..... Ik word inderdaad ‘haas’ genoemd.

2. het proces-verbaal van aangifte, d.d. 28 januari 2017, nr. PL 1500-2017024091-1, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag (p.3 e.v.)

3. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], d.d. 11 september 2017, nr. PL 1500-2017024091-3, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag (p. 11 e.v.)”.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 9 augustus 2019 houdt – voor zover hier van belang – verder het volgende in:

“De verdachte verklaart op vragen van de politierechter:

[…]

t.a.v. parketnummer 09/106301-19

Op 25 januari 2017 liep ik ’s ochtends op de Haagse markt langs de kraam van [betrokkene 1], ik deed verder niets, ’s Middags liep ik daar ook, toen was er een ander bij, te weten [betrokkene 2]. Die heeft problemen met haar, misschien heeft hij een gebaar gemaakt. Ik word inderdaad ‘haas’ genoemd. Maar er worden 4 mensen, onder wie ik, ‘haas’ genoemd. Ik heb geen probleem met [betrokkene 1]. Ik was toen niet dronken. [betrokkene 2] maakt me zwart. Ik drink nooit tijdens het werk.”

9. Uit de ter terechtzitting van de politierechter overgelegde pleitnota blijkt dat de verdediging in eerste aanleg vervolgens vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09-106301-19 tenlastegelegde.

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 31 augustus 2020 houdt het volgende in:

“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

[…]

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.P. Visser, advocaat te Den Haag, die mededeelt dat hij door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren.

[…]

De raadsman van de verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven.

De raadsman deelt daarop mede dat zijn cliënt vindt dat hij ten onrechte is veroordeeld voor de bedreiging van [betrokkene 1].

[…]

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan het digitale dossier toegevoegde pleitnota.”

11. De ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

De bedreiging

Voor dit feit tll feit 09/106301-19 moet hij worden vrijgesproken. Om al voornoemde redenen blijkt dat de verklaringen niet met elkaar stroken en [verdachte] onvoldoende door de getuigen als dader is geïdentificeerd. Het valt op dat aangeefster heeft gezegd in haar aangifte dat zij de man die haar bedreigde niet kent. In het politie rapport staat dat ze hem wel kent. Ook dat ze racistisch is en kennelijk in staat is veel heibel te maken. Ze liegt en bedriegt en volgens [betrokkene 2] heeft ze de getuigen geregeld. De verklaringen passen niet goed op elkaar.

Zij spreekt over een zwerverachtig type maar is niet geconfronteerd met [verdachte] of een foto van hem. Zij zegt dat ze nadien meerdere malen door [betrokkene 2] op dezelfde wijze bedreigd is. Getuigen zeggen, na veel maanden, iets geheel anders en wel dat de bedreiger een en dezelfde man is die wel 5 keer langs aangeefster kwam. Dit zou ook [betrokkene 2] kunnen zijn. Ook hebben zij geen persoon op een foto aangewezen, zodat onduidelijk blijft wie die persoon dan is [betrokkene 2], zijn broer, [verdachte] of iemand anders. Onvoldoende (steun) bewijs dat [verdachte] een keer of meerdere keren een bedreiging geuit zou hebben!

Conclusie

[…]

Vrijspraak voor bedreiging.”

12. Gelet op het voorgaande is in de zaak met parketnummer 09-106301-19 noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep sprake van een bekennende verdachte en is door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep (wederom) vrijspraak bepleit.

13. Gelet op art. 378, tweede lid, Sv juncto art. 1, aanhef en onder b, van de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197), heeft de politierechter, ook nu geen sprake was van een bekennende verdachte, in de aantekening van het mondeling vonnis van 9 augustus 2019 kunnen volstaan met een verwijzing naar het proces-verbaal van de terechtzitting en overige processtukken.2 Echter, nu de raadsman wat betreft de zaak met parketnummer 09-106301-9 ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak heeft bepleit, heeft de meervoudige kamer van het hof dit vonnis niet mogen bevestigen dan onder de in art. 423, eerste lid, Sv bedoelde aanvulling van gronden, te weten de in de eerste volzin van art. 359, derde lid, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen met betrekking tot het tenlastegelegde.3 De uitzondering van de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv is dan immers niet van toepassing.

14. Het middel slaagt.

Het eerste middel

15. Het middel bevat kort gezegd de klacht dat het hof in de zaak met parketnummer 09-106301-19 ten onrechte het verzoek tot het horen van “potentieel belastend verklarende maar nog niet eerder gehoorde, getuigen” heeft afgewezen.

16. Gelet op de strekking van deze conclusie, behoeft het eerste middel in mijn ogen geen bespreking. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen, ben ik uiteraard tot nader concluderen bereid.

Slotsom

17. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel behoeft geen bespreking.

18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 09-106301-19 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128 m.nt. P.A.M. Mevis.

2 HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:602, NJ 2015/176 m.nt red., r.o. 2.4 en 2.5.

3 HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2014, r.o. 2.4.