Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:200

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2022
Datum publicatie
08-03-2022
Zaaknummer
20/04322
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:449
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Zaak Marco Kroon. Wildplassen. De verwerping door het hof van de verweren strekkende tot het buiten werking laten van de APV van de gemeente 's-Hertogenbosch dan wel tot het niet strafbaar verklaren van verdachte op grond van AVAS, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/04322 M

Zitting 8 maart 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 17 december 2020 door de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “Overtreding van artikel 4:5 van de Algemene Plaatselijke Verordening ‘s-Hertogenbosch”, veroordeeld tot een geldboete van € 120,-, subsidiair 2 dagen hechtenis.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 20/04324. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G.G.J.A. Knoops, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel

4.1.

Het middel klaagt dat het hof het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot het buiten werking laten van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente 's-Hertogenbosch dan wel tot het niet strafbaar verklaren van verdachte op grond van AVAS op ongenoegzame en/of onbegrijpelijke gronden heeft verworpen, en/of zijn oordeel dienaangaande ontoereikend heeft gemotiveerd.

4.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij, op 3 maart 2019 te ’s-Hertogenbosch, op of aan de weg, te weten de Parade, binnen de bebouwde kom, zijn natuurlijke behoefte heeft gedaan buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.”

4.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, Team Noordwest Beredenen, Korps landelijke politiediensten, opgemaakte proces-verbaal overtreding van 29 maart 2019, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Ik, [verbalisant 1] , zag dat verdachte op 3 maart 2019 op de Parade te ’s-Hertogenbosch, zijnde een openbare plaats, zijn natuurlijke behoefte deed. Ik zag namelijk dat verdachte urineerde op/tegen een afzethek waar zeil op bevestigd was. Verbalisant zag dat verdachte zijn mannelijk geslachtsdeel in zijn rechter hand had en verbalisant zag een vloeistof gelijkende op urine hieruit komen. Verbalisant zag dat de vloeistof tegen het hek kwam en vanuit hier op de grond droop. Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij [verbalisant 1] , desgevraagd de volgende personalia: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] .

2.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 3 december 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik erken dat er sprake was van wildplassen. Ik moest heel nodig plassen en kon het niet meer ophouden. Ik heb daarom een donker plekje opgezocht en ik ben daar gaan plassen.”

4.4.

Door de verdediging is gepleit overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, (met weglating van de voetnoten) het volgende in:

“2.2 Het VN-verdrag Handicap en de Wgbh/cz (KZ grief 2 en 3 )

(…)

27. Carnaval is bij uitstek een cultureel evenement, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Het is dan ook de gemeente 's-Hertogenbosch die in dit geval een inspanningsverplichting had en heeft om te zorgen dat mensen met een beperking, zoals [verdachte] , kunnen deelnemen aan een cultureel evenement als carnaval. Indien zij - zoals reeds is gebleken uit het rapport van deskundige Rooijakker - hierin tekort schiet is het te meer van belang dat [verdachte] , een gerechtvaardigd beroep kan doen op een schulduitsluitingsgrond, zoals AVAS."
(…)

35. Dit is wat ons inziens een te beperkte en onjuiste weergave van hetgeen in dit rapport is neergelegd.

36. Ten eerste, kan uit het rapport wel degelijk de conclusie getrokken worden dat er een tekort was aan sanitaire voorzieningen voor het aantal bezoekers.

37. Uit het rapport van deskundige Rooijakker komt namelijk het volgende naar voren:
1) De gemeente 's-Hertogenbosch schat dat er 50.000 tot 60.000 mensen aanwezig waren in het centrum Den Bosch op 3 maart 2019.

2) Volgens de richtlijnen van het Landelijk centrum voor Hygiëne en Veiligheid (LCHV) dienen er 64 toiletten op 10.000 bezoekers en 17 plaszuilen op 10.000 bezoekers beschikbaar te zijn.

3) Deze plasgelegenheden moeten op loopafstand van maximaal 150 meter bereikbaar zijn.

4) De aanwezige toiletten zowel binnen als buiten zijn niet of slecht bereikbaar en kennen wachttijden van soms 45 minuten tot een uur (getuige [getuige 1] )

5) Van alle 15 grootste carnavalsgemeentes zijn in Den Bosch de meeste boetes uitgedeeld in verband met wildplassen.

6) De politie tijdens carnaval in principe niet optreedt tegen openbaar dronkenschap.
38. Deskundige Rooijakker komt in zijn rapportage tot de volgende conclusie:

"Als we moeten uitgaan van het aantal bezoekers, 50.000 tot 60.000 gedurende de dag, die volgens het bureau Onderzoek-statistiek van de gemeente 's-Hertogenbosch aanwezig waren op de Parade op 3 maart 2019 dan is het voorstelbaar dat er die avond meer dan 4200 mensen op straat aanwezig waren en als dat het geval is geweest dan waren er te weinig openbare toiletten en plasgelegenheden binnen een afstand van 150 meter aanwezig.”
39. Deskundige Rooijakker heeft een aantal getuige geïnterviewd over de plasgelegenheden, die dit tekort aan sanitaire voorzieningen bevestigen. Een van deze getuige is [getuige 2] , die horecaondernemer is verklaarde onder meer:

"Mensen staan op straat feest te vieren en drinken daarbij vooral bier. Wildplassers tref je dan overal aan, ieder hoekje of steegje wordt daarvoor gebruikt. Dat is ook wel logisch want de extra bijgeplaatste plasgelegenheden zijn onvoldoende en een café binnen gaan is geen optie, daar is het te druk voor olie wordt niet binnengelaten omdat het te vol is. Als je al een plasgelegenheid weet te vinden dan staan daar vaak lange rijen voor en je moet er voor betalen. Over het algemeen doet men niet zo heel moeilijk over het wildplassen want iedereen begrijpt dat er veel bier wordt gedronken en er dus ook veel geplast moet worden."

40. Ook getuige [getuige 3] verklaart over het carnaval:

"Er zijn veel gelegenheden in het centrum van Den Bosch waar feest kan worden gevierd en dus ook drank kan worden genuttigd. Deze gelegenheden trekken heel veel mensen aan waardoor veel mensen buiten op straat blijven staan en het is dan heel lastig om het toilet te bezoeken in de betreffende gelegenheid, wachttijden kunnen wel oplopen tot wel 30 minuten als het je al lukt om binnen te komen. Bezoekers zijn dan aangewezen op de openbare toiletten en die zijn er veel te weinig in het centrum van Den Bosch. Het is ook algemeen bekend dat wel honderden zo niet duizenden mensen wildplassen tijdens carnaval in Den Bosch.”

41. En getuige [getuige 1] :

"De wachttijden bij de plasgelegenheden variëren van 45 minuten tot een uur. Een café binnengaan om te plassen is ook nagenoeg onbegonnen werk want de cafés puilen uit van de feestvierders. Als je dus flink wat gedronken hebt, en dat doen de mensen, en je moet dan nodig plassen dan ontkom je er niet aan om wild te plassen en dat zie dus ook heel vaak gebeuren in het centrum van Den Bosch. Kortom, er zijn dus veel te weinig openbare toiletten voor de bezoekers die op straat feest vieren."

42. Ten tweede, getuige [getuige 4] heeft bij de r-c dit eveneens bevestigd, zij verklaarde onder meer op de vraag "Wat kunt u over de sanitaire voorzieningen in Oeteldonk vertellen tijdens de carnaval? het volgende:

"Die zijn heel summier. Als ze er al zijn dan is het harstikke druk."


43. Kortgezegd bevestigen alle getuigen het beeld dat er een tekort was aan sanitaire voorzieningen en dat bij de beschikbare sanitaire voorzieningen, het maar zeer de vraag was of je deze kon bereiken en als je deze bereikte dan waren er soms wachttijden die opliepen tot 45 minuten.

44. In casu komt er nog een omstandigheid bij, namelijk dat de Korte Putrestraat opeens werd afgesloten die avond vanwege de drukte. De Korte Putstraat is de horecastraat in Den Bosch met enkel cafés en restaurants en dus sanitaire voorzieningen. Dit wordt bevestigd door getuige [getuige 4] , die bij de r-c verklaarde:

"We wilden eigenlijk de Korte Putstraat in omdat [verdachte] moest plassen. Daar konden we niet in. Toen zijn we doorgelopen. Bij de plaszuil was het harstikke druk. Toen is hij een eindje verderop gaan staan."

45. Het oordeel van de militaire kantonrechter dat "Bij drukke evenementen is voorzienbaar dat niet op elk moment een toilet beschikbaar is en dat er soms lange wachtrijen bij de toiletten kunnen ontstaan." Is in het licht bovenstaande is onjuist. Het was en had voor [verdachte] niet voorzienbaar hoeven zijn dat de Korte Putstraat (en dus de sanitaire voorzieningen) afgesloten zou zijn. Dit gebeurde namelijk voor het eerst in 2019 (zie artikel Brabants Dagblad, bijlage 1 pleitnota). [verdachte] kan dus redelijkerwijs geen enkel verwijt worden gemaakt.

46. Tenslotte, heeft de militaire kantonrechter in zijn vonnis het volgende overwogen:

"Ook heeft de verdediging aannemelijk gemaakt dat het ten tijde van de gedraging zeer druk is geweest op de Parade en dat er lange wachtrijen bij de toiletten stonden op het moment dat verdachte moest plassen."

47. Het feit dat er zulke lange wachtrijen staan bij de toiletten bevestigt de conclusie van Rooijakker, het tekort aan sanitaire voorzieningen, temeer. Dit wordt nog eens versterkt door het feit dat de Korte Putstraat was afgesloten, waardoor de meeste sanitaire voorzieningen in de buurt van [verdachte] opeens niet (meer) beschikbaar bleken.

48. Conclusie: Uit zowel het deskundigenrapport van de heer Rooijakker (inclusief de getuigenverklaringen), de getuigenverklaring van [getuige 4] , alsmede de (niet voorzienbare) omstandigheid dat de Korte Putstraat was afgesloten, er lange wachttijden waren bij de plaszuilen, volgt dat er te weinig sanitaire voorzieningen waren in Oeteldonk. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft dus in het licht van haar inspanningsverplichtingen, zoals opgenomen in het VN-Verdrag Handicap alsmede de Wgbh/ Cz, niet voldaan en heeft daarmee indirect onderscheid gemaakt.”

4.5.

In aanvulling hierop is door de raadslieden van de verdachte nog het volgende aangevoerd:

“Mr. Van Es deelt voorts mede, zakelijk weergegeven:

Ik verwijs naar artikel 5b, lid 1 sub c, van de Wgbh. De gemeente had een zorgplicht maar er waren te weinig sanitaire voorzieningen. Dat blijkt uit het rapport van Rooijakker en uit getuigenverklaringen die dit ondersteunen. De APV dient buiten beschouwing te worden gelaten.

[verdachte] wilde de Korte Putstraat in om te plassen, maar die straat was afgesloten. Dat was een voor hem onvoorziene omstandigheid.

Mr. Knoops deelt mede, zakelijk weergegeven:

Als de zorgplicht van de overheid wordt geschonden, is dat voor mijn cliënt onvoorzienbaar. De gemeente schoot schromelijk te kort. We moeten in het kader van het beroep op AVA[S] kijken naar de zorgplicht van mijn cliënt afgezet tegen de zorgplicht van de gemeente. En de gemeente kwam die zorgplicht niet na.

Een wachttijd van 30-45 minuten voor een toilet is vrij aanzienlijk en niet redelijk. Die is veel te lang.

(…)

De gemeente Den Bosch weet hoeveel mensen er op het carnavalsfeest in de stad afkomen. Als je je dan beperkt tot een luttel aantal sanitaire gelegenheden, is niet aan de zorgplicht voldaan. Ik verwijs naar pagina 3 van het rapport van Rooijakker. 1 toilet per 150 personen. Gelet op het aantal bezoekers is de zorgplicht van de gemeente niet nagekomen.”

4.6.

Het hof heeft de door de verdediging gevoerde verweren verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“De verdediging stelt zich op het standpunt dat de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente ’s-Hertogenbosch in het onderhavige geval buiten werking moet worden gelaten waardoor het bewezenverklaarde niet strafbaar is. De verdediging heeft daarbij expliciet aangegeven dat het verweer niet strekt tot het onverbindend verklaren van de APV.

Ter onderbouwing is, kort gezegd, aangevoerd (a) dat verdachte urologische problemen heeft en daarom zijn plas niet lang kan ophouden, (b) dat er op 3 maart 2019 te weinig toiletten waren gelet op het aantal bezoekers in Den Bosch en (c) dat er sprake was van de voor verdachte onvoorziene omstandigheid dat de Korte Putstraat was afgesloten. Voor wat betreft het onder (b) gestelde heeft de verdediging ter onderbouwing verwezen naar een door J. Rooijakker opgemaakt rapport “De sanitaire voorzieningen in Oeteldonk op 3 maart 2019” van 11 juni 2019, op grond waarvan zij concludeert dat de gemeente ’s-Hertogenbosch niet heeft voldaan aan haar zorgplicht.

Volgens de verdediging moet de combinatie van deze factoren leiden tot het buiten beschouwing laten van de APV-bepaling, te meer omdat het vervolgens handhavend optreden een willekeurig vervolgings (strafbeschikkings) beleid oplevert.

De militaire kamer acht aannemelijk geworden dat verdachte als gevolg van urologische problemen vaker dan gemiddeld moet plassen. De militaire kamer kan evenwel niet vaststellen dat de gemeente ’s-Hertogenbosch haar zorgplicht niet is nagekomen doordat niet zou zijn gezorgd voor voldoende sanitaire voorzieningen in de stad. Ook op basis van het rapport van J. Rooijakker kan de militaire kamer dat -gelet op de vele onzekerheden en de vele aannames in dat rapport waardoor de conclusies daarin onvoldoende zijn onderbouwd- niet vaststellen. De militaire kamer acht hierbij nog van belang op te merken dat naar zijn oordeel van de gemeente in redelijkheid ook niet kan worden verwacht dat zij er voor zorgt dat er tijdens de carnavalsviering zó veel toiletten zijn dat ook iemand met een urologisch probleem, nooit (lang) hoeft te wachten.

De omstandigheid dat de Korte Putstraat op 3 maart 2019 was afgesloten toen verdachte daar naar het toilet wilde gaan, rechtvaardigt ook niet het buiten beschouwing laten van de APV, ook niet in combinatie met de urologische problemen van verdachte, omdat dit een omstandigheid is waarmee verdachte in verband met de grote drukte tijdens carnaval rekening moest houden. Dat straten om veiligheidsredenen -tijdelijk - worden afgesloten als het te druk is, is namelijk niet ongebruikelijk en niet onredelijk.

Het verweer dat sprake zou zijn van een willekeurig vervolgingsbeleid als handhavend wordt opgetreden terwijl sprake is van een chronisch tekort aan sanitaire voorzieningen tijdens een drukke carnavalsavond behoeft geen verdere bespreking, alleen al omdat de militaire kamer, zoals hiervoor al is overwogen, van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat sprake was van een chronisch tekort aan sanitaire voorzieningen.

Op basis van het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, wordt het verweer strekkende tot het buiten beschouwing laten van de APV dan ook verworpen.”

4.7.

Met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte en het daaromtrent gedane beroep op AVAS heeft het hof als volgt overwogen:

“Strafbaarheid van de verdachte

De vraag die de militaire kamer vervolgens heeft te beantwoorden, is of er sprake is van een

strafbare dader.

De verdediging stelt dat dat niet geval is omdat verdachte een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld (AVAS).

Zoals hiervoor reeds is overwogen, acht de militaire kamer het aannemelijk dat verdachte urologische klachten heeft en dat hij daardoor vaker dan gemiddeld moet plassen. Dat dit nog wordt verergerd als verdachte meerdere glazen alcohol heeft gedronken, acht de militaire kamer eveneens aannemelijk. Maar de militaire kamer is van oordeel dat dit omstandigheden zijn waarmee verdachte rekening diende te houden. Dat verdachte, zoals is vereist voor een geslaagd beroep op AVAS, geen enkele schuld treft, kan reeds om die reden niet worden geconcludeerd: het is immers verdachte zelf die er voor kiest gedurende de avond meerdere (naar eigen zeggen: veel) glazen bier te drinken.

Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, de militaire kamer ook van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat er onvoldoende sanitaire voorzieningen aanwezig waren en ook dat de omstandigheid dat de Korte Putstraat was afgesloten iets is waarmee verdachte gelet op alle omstandigheden rekening diende te houden, kan niet worden geconcludeerd dat bij verdachte alle schuld ontbrak.

Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

Het door de verdediging gedane beroep op het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en op de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) behoeft in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geen verdere bespreking. Naar het oordeel van de.militaire kamer is immers niet komen vast te staan dat er onvoldoende toiletten waren, ook niet voor mensen met een aandoening als waaraan verdachte lijdt.

Verdachte is strafbaar, aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”

4.8.

Het tot de gedingstukken behorende rapport “De sanitaire voorzieningen in Oeteldonk op 3 maart 2019” van 11 juni 2019 opgesteld door J. Rooijakker houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Conclusie
1. Het in kaart brengen waar op de betreffende avond van 3 maart 2019 de plaszuilen/plasgelegenheden stonden/bevonden in het centrum van ’s-Hertogenbosch, met name op de Parade, in de Lange Putstraat en Kort Putstraat.
Op de Parade, nabij de Sint-Janskathedraal stond een toiletwagen opgesteld. De capaciteit van deze toiletwagen is niet vastgesteld. Op de Parade tegenover de horecagelegenheden stond een plaszuil opgesteld waarvan de capaciteit niet is vastgesteld. In de Lange Putstraat, tegenover de taxistandplaats stond ook een plasgelegenheid opgesteld waarvan de capaciteit niet is vastgesteld. Voor de bezoekers aan de Korte Putstraat waren in de Lange Putstraat openbare toiletvoorzieningen beschikbaar.
2. Waren deze plaszuilen/plasgelegenheden afdoende gezien het aantal bezoekers?
Deze vraag kan niet beantwoord worden omdat de gemeente ’s-Hertogenbosch geen tellingen heeft gehouden in de binnenstad tijdens carnaval.
3. Zo nee, hoe uitte zich dit tekort aan plaszuilen/plasgelegenheden?
Nu vraag 2 niet beantwoord kan worden kan vraag 3 in principe ook niet beantwoord worden, maar gelet op de getuigenverklaringen en de in het verleden uitgeschreven boetes voor wildplassen in Den Bosch lijkt het er op dat er te weinig plasgelegenheden waren in relatie tot het aantal bezoekers.
4. Is er een verschil geweest met voorgaande jaren?
Ja er waren in 2019 weer meer openbare toiletvoorzieningen geplaatst. Hoeveel meer en waar is niet bekend.
5. Wat was de dichtstbijzijnde plaszuil/plasgelegenheid bij de locatie van het incident?
In de buurt van de taxistandplaats, waar het wildplassen plasvond, waren twee openbare plasgelegenheden aanwezig.
6. Is op basis van het onderzoek te concluderen of en in hoeverre er sprake was van een tekort aan plaszuilen/plasgelegenheden die bewuste avond?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet bij benadering bekend zijn hoeveel personen in de avonduren op 3 maart 2019 op de Parade aanwezig waren. Het is niet bekend hoeveel bezoekers daar aanwezig waren waardoor deze vraag niet kan worden beantwoord. De aanwezige plasgelegenheden (3 locaties) voor mannen was toereikend voor maximaal 2250 mannen, waarbij is uitgegaan van het grootste model toiletwagen die op de Parade stond en een capaciteit had van 3 herentoiletten en een plasgoot voor 4 personen. Indien de toiletwagen minder capaciteit had dan waar werd vanuit gegaan dan moet uiteraard het aantal mannelijke bezoekers naar beneden worden bijgesteld.
Als we moeten uitgaan van het aantal bezoekers, 50.000 tot 60.000 gedurende de dag, die volgens het Bureau Onderzoek-statistiek van de gemeente ’s-Hertogenbosch aanwezig waren op de Parade op 3 maart 2019 dan is het voorstelbaar dat er die avond meer dan 4200 mensen op straat aanwezig waren en als dat het geval is geweest dan waren er te weinig openbare toiletten en plasgelegenheden binnen een afstand van 150 meter aanwezig.
Slotwoord
Het is zowel voor de gemeente ’s-Hertogenbosch als exploitanten van de horecagelegenheden heel lastig om vooraf een schatting te maken hoeveel mensen de binnenstad zullen bezoeken op de carnavalsdagen. Men is aangewezen op schattingen uit het verleden waarbij het aantal klachten over wildplassen en het aantal processen-verbaal ter zake wildplassen ook een indicatie kunnen zijn. Bij georganiseerde evenementen die vrij toegankelijk zijn voor bezoekers loopt men dus altijd het risico dat er te weinig of te veel openbare toiletten/plasgelegenheden beschikbaar zijn. In het geval van het carnavalsfeest in ’s-Hertogenbosch is er in ieder geval geen sprake geweest van over capaciteit, eerder het tegendeel zou ik willen zeggen. Ik wil afsluiten met een alles zeggende quote van iemand die woonachtig is in het centrum van ’s-Hertogenbosch:
“Als ik een euro zou krijgen voor elke wildplasser met carnaval in Den Bosch (Oeteldonk), dan hoef ik nooit meer te werken.
Jan Rooijakker.”

4.9.

Volgens de steller van het middel is het hof zonder deugdelijke motivering voorbijgegaan aan de inhoud van het gevoerde verweer dat mede is gebaseerd op de deskundigenrapportage van de heer Rooijakker waaruit volgt dat er op 3 maart 2019 sprake is geweest van te weinig openbare toiletten en plasgelegenheden binnen een afstand van 150 meter en de daarmee gemoeide oplopende wachttijden bij deze toiletten van soms 45 minuten tot een uur. Ook zou het hof ten onrechte niet zijn ingegaan op het betoog van de verdediging dat het ten tijde van de verweten gedraging zeer druk was op de Parade en dat er lange wachtrijen bij de toiletten stonden toen de verdachte moest plassen en aan het betoog - waarbij wordt verwezen naar punt 44 van de pleitnota - dat het voor een burger zoals de verdachte niet voorzienbaar is dat een bepaalde straat wordt afgesloten zonder dat dit overigens door de betreffende gemeente werd aangekondigd in welke straat op dat moment de dichtstbijzijnde plasgelegenheid bevond voor de verdachte. Ten slotte wordt betoogd dat het hof niet is ingegaan op het vaststaande feit dat de verdachte medisch leed aan een urologische aandoening, terwijl bovendien geen woord is gewijd aan het feit dat de gemeente ’s-Hertogenbosch volstrekt niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichtingen zoals die voortvloeien uit het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van 13 december 2006, welk verdrag onder punt 21 t/m 27 van de pleitnota is besproken.

4.10.

Het hof heeft het door de verdediging in het kader van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde gevoerde verweer dat de APV-bepaling in het onderhavige geval buiten beschouwing moet worden gelaten aldus verstaan dat ter onderbouwing van het verweer een beroep is gedaan op een drietal factoren, te weten (a) dat de verdachte urologische problemen heeft en daarom zijn plas niet lang kan ophouden, (b) dat er - onder verwijzing naar een rapport van de heer Rooijakker van 11 juni 2019 - op 3 maart 2019 te weinig toiletten waren gelet op het aantal bezoekers in Den Bosch (zodat de gemeente niet heeft voldaan aan haar zorgplicht) en (c) er sprake was van een voor de verdachte onvoorziene omstandigheid dat de Korte Putstraat was afgesloten.

4.11.

Wat betreft de onder (a) gestelde factor heeft het hof geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat de verdachte als gevolg van urologische problemen vaker dan gemiddeld moet plassen. Het hof is de verdediging echter niet gevolgd voor zover is gesteld dat de gemeente ’s-Hertogenbosch haar zorgplicht niet is nagekomen doordat niet zou zijn gezorgd voor voldoende sanitaire voorzieningen in de stad (factor b). In dat verband overweegt het hof dat een dergelijke vaststelling niet kan worden gedaan en het rapport van J. Rooijakker waarop de verdediging een beroep heeft gedaan dat niet anders maakt, gelet op het onvoldoende onderbouwd zijn van de conclusies in dat rapport. Daarbij acht het hof het voorts van belang dat van de gemeente ook in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij ervoor zorgt dat er tijdens de carnavalsviering zó veel toiletten zijn dat ook iemand met een urologisch probleem nooit (lang) hoeft te wachten. De onder (c) gestelde factor rechtvaardigt volgens het hof ook niet het buiten beschouwing laten van de APV, ook niet in combinatie met de urologische problemen van de verdachte, omdat dit volgens het hof een omstandigheid is waarmee de verdachte in verband met de grote drukte tijdens carnaval rekening moest houden, mede in aanmerking genomen dat het tijdelijk in verband met grote drukte afsluiten van straten om veiligheidsredenen niet ongebruikelijk noch onredelijk is.

4.12.

Voorts heeft het hof, gelet op zijn oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake was van een chronisch tekort aan sanitaire voorzieningen, het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van een willekeurig vervolgingsbeleid als handhavend wordt opgetreden terwijl er sprake is van een chronisch tekort aan sanitaire voorzieningen tijdens een drukke carnavalsavond, niet verder besproken. Het bestreden arrest houdt in het kader van de strafbaarheid van de verdachte een soortgelijk oordeel in voor zover de verdediging een beroep heeft gedaan op het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en op de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz). Volgens het hof behoeft dit verweer ook geen verdere bespreking, omdat niet is komen vast te staan dat er onvoldoende toiletten waren, ook niet voor mensen met een aandoening als waaraan de verdachte lijdt.

4.13.

Ik meen dat het hof door te overwegen zoals hiervoor onder 4.10-4.12 is weergegeven het door de verdediging gevoerde verweer op niet onbegrijpelijke wijze en toereikend gemotiveerd heeft weerlegd. Daarbij merk ik in het bijzonder nog op dat het oordeel van het hof dat de conclusies in het rapport van J. Rooijakker onvoldoende onderbouwd zijn mij, gelet op de inhoud van het rapport zoals onder 4.8 is weergegeven, niet onbegrijpelijk voorkomt. De daar vermelde conclusie houdt immers, zoals het hof ook overweegt, veel onzekerheden en aannames in, o.a. dat het erop lijkt dat er te weinig plasgelegenheden waren in relatie tot het aantal bezoekers, dat het niet bekend is hoeveel bezoekers op 3 maart 2019 in de avonduren op de Parade aanwezig waren en de voorafgaand aan het slotwoord genoemde “als…dan”, “als…dan” redenering. Dat het hof het beroep op het VN-verdrag en de Wgbh/cz eerst expliciet aanhaalt bij zijn oordeel over de strafbaarheid van de verdachte (verwerping AVAS-verweer) komt mij, gelet op punt 27 van de pleitnota zoals onder 4.4 is weergegeven, evenmin onbegrijpelijk voor. Als gezegd was het hof reeds in het kader van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde (impliciet) tot dezelfde uitkomst gekomen.

4.14.

Voor zover in het middel gelezen kan worden dat ook geklaagd wordt over de verwerping van het beroep op afwezigheid van alle schuld (AVAS), in het licht van dezelfde aangevoerde factoren, faalt die klacht eveneens. Het hof overweegt daaromtrent - wederom - dat niet is komen vast te staan dat er onvoldoende sanitaire voorzieningen aanwezig waren en ook dat de omstandigheid dat de Korte Putstraat was afgesloten iets is waarmee verdachte gelet op alle omstandigheden rekening diende te houden, en dat daarom kan niet worden geconcludeerd dat bij de verdachte alle schuld ontbrak. Dat is naar ik meen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

4.15.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG