Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:15

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-01-2022
Datum publicatie
12-01-2022
Zaaknummer
20/02241
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, art. 282 Sr. Volgens de AG heeft het hof niet ontoereikend en evenmin onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 20/02280.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02241

Zitting 11 januari 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 20 juli 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van tweeëntwintig maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Bovendien heeft het hof de gevangenneming van de verdachte bevolen.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 20/02280. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Beoordeling van het middel

4. Het middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 1 onbegrijpelijk, althans onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd, dan wel dat de bewezenverklaring niet of onvoldoende wordt geschraagd door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

4.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.
hij op 3 september 2014 te Leiden en/of Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] :

- verhinderd een auto te verlaten en

- gedwongen met die auto van Leiden naar Leidschendam mee te rijden.


2.
hij in de periode tussen 3 september 2014 en 5 september 2014 te Den Haag opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16,8 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”

4.2.

De door het hof gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL1500-2014208855-8, d.d. 4 september 2014, van de politie eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 69 en 70 van het Algemeen dossier):


als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:


Op woensdag 3 september 2014 omstreeks 22.30 uur hoorden wij, verbalisanten dat er een melding via de Centrale Meldkamer van eenheid Den Haag binnenkwam. Wij hoorden de wachtcommandant roepen dat er geschoten was in Leidschendam.

Wij, verbalisanten, hoorden dat de wachtcommandant van ons de opdracht gaf om naar het slachtoffer te gaan.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , liep gelijk naar het slachtoffer. Wij, verbalisanten, zijn bij de man gaan zitten. Wij, verbalisanten, hoorden de man zeggen dat hij neergeschoten was en dat hij dood ging.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vroeg aan [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) wat er was gebeurd. Wij, verbalisanten, hoorden dat hij zei dat hij ontvoerd was uit Leiden.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vroeg aan [slachtoffer] hoeveel mensen er in de auto zaten. Wij, verbalisanten, zagen dat hij met zijn linkerhand twee vingers opstak.

Aan het politiebureau hoorden wij, verbalisanten, dat het slachtoffer [slachtoffer] heette.


2. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2020 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op 3 september 2014 zaten [medeverdachte] en ik samen in de auto en toen kwamen we [slachtoffer] tegen. Ik en [slachtoffer] kennen elkaar heel goed en wij zijn gestopt. [slachtoffer] is toen in mijn auto gestapt om te praten over het kopen van drugs.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met proces-verbaalnummer 2014208855-29, d.d. 5 september 2014, van de politie eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 132 e.v. van het Algemeen dossier):

als de op 5 september 2014 afgelegde verklaring van de verdachte:

Dan gaan we naar woensdag 3 september 2014

[medeverdachte] stond voor de deur. Ik pakte de sleutels van mijn auto en we gingen naar de kelder. We stappen in en we gingen richting Leiden.

We gingen naar [plaats] . Dat is waar [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) woont. Dat is bij zijn huis. Ik zocht hem. Ik wilde hem hebben. Dat was voor handel. Ik ontmoette [slachtoffer] op de weg. [slachtoffer] was met de auto. [slachtoffer] ging bij mij voorin zitten en [medeverdachte] achter [slachtoffer] . We gingen rijden. [slachtoffer] had ongeveer 20 minuten, want hij moest daarna zijn vrouw ophalen bij Schiphol.


4. Een proces-verbaal van verhoor getuige met proces-verbaalnummer 2014208855-362, d.d. 27 november 2014, van de politie eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 991 e.v. van het Algemeen dossier):


als de op 27 november 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :


V: Je bent op vakantie geweest en je zou die avond van het incident landen op Schiphol. Hoe zou jij naar huis gaan?

H: Ik had [slachtoffer] gesproken die middag. Ik had drie uur vertraging. Ik zou om half zeven landen en toen vertelde ik hem dat ik vertraging had en hij zou mij ophalen. Hij zou maar daar niet laten wachten. Dat zou hij nooit doen. Hij zou nooit zijn kinderen laten wachten. Toen ik landde heb ik hem geappt.


5. Een proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 2014208855-406, d.d. 18 december 2014, van de politie eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1004 e.v. van het Algemeen dossier):


als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit dit onderzoek bleek dat de vrouw van [slachtoffer] op 3 september 2014 terugkeerde naar Nederland en door [slachtoffer] opgehaald zouden worden vanaf Schiphol. Voorafgaand aan haar terugkeer en het ophalen hadden [slachtoffer] en [betrokkene 1] chatgesprekken via Whatsapp. Daarbij gebruikt [betrokkene 1] het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en [slachtoffer] het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .


Tel From: + [telefoonnummer 2]

Tel To: [telefoonnummer 1]

From: [slachtoffer] nieuw 2014

To: [betrokkene 1]

From WhatsApp ID: [telefoonnummer 2] @s.whatshapp.net

To WhatsApp ID: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net

Text: Wanneer jullie landen moet je me bellen dan vertrek ik. Time: 3-9-2014 15:22:01 UTC (Device)

Storage: Device

Direction: lncom


6. Een proces-verbaal Reistijd vanaf Leiden naar Leidschendam met proces-verbaalnummer 2014208855-86, d.d. 11 september 2014, van de politie eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 232 en 234 van het Algemeen dossier):


als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Aantreffen voertuig

Op donderdag 4 september 2014 omstreeks 21:50 uur wordt ter hoogte van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] het voertuig van het slachtoffer, een Seat Altea voorzien van kenteken [kenteken] , aangetroffen. Het voertuig stond op de hoek van de straat geparkeerd op het trottoir.

Reistijd

Teneinde meer inzicht te krijgen in de reistijd die nodig is om vanaf de [a-straat] te [plaats] op het plaats delict te komen, heb ik een tijdsmeting gedaan.

Men doet er ongeveer 25 minuten over om van de [a-straat] te [plaats] naar de [c-straat] te Leidschendam te komen.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige met proces-verbaalnummer PL1500-2014208855-4, d.d. 4 september 2014, van de politie eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 83 e.v. van het algemeen dossier):


als de op 3 en 4 september 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :


Ik ben getuige geweest van een schietpartij op [b-straat] , te Leidschendam.

Op woensdag 3 september 2014, omstreeks 22:10 uur, ben ik vanaf mijn huis, […] , te Leidschendam mijn hond gaan uitlaten.

Omstreeks 22:20 uur, kwam ik uit op de [b-straat] . Ik liep toen in de richting van de [c-straat] / [d-straat] .

Ik zag op een gegeven moment een auto ter hoogte van de glasbakken op de [c-straat] . De voorzijde van de auto wees in de richting van de [d-straat] . Toen ik net de rijbaan wilde oplopen zag ik dat deze auto daadwerkelijk stil stond ter hoogte van de glasbakken.

Toen ik midden op de weg stond zag ik dat aan de linkerzijde van de auto de voorste en achterste portier openstonden. Aan de rechterzijde stond alleen het voorste portier open.

Ik zag toen ook 3 personen rennen.

Er rende 1 persoon voorop welke ongeveer 6 meter verwijderd was van de achterzijde van de auto. Daarachter volgde 2 andere personen, beide liepen nog net aan de achterzijde van deze auto.

Alle 3 de personen kwamen echt letterlijk op mij afrennen. Ik stond op dat moment nog op het midden van de weg.

Ik hoorde toen de voorste persoon schreeuwen: "doe mij niks".

Ik hoorde toen iemand roepen: "blijf staan".

Ik hoorde toen de voorste persoon weer roepen: "laat mij met rust, ik heb niets gedaan" of woorden van gelijke strekking.

Toen hij schreeuwde: "Ik heb niets gedaan", passeerde hij mij links en rende weg in de richting van de [e-straat] .”

4.3.

De bewijsoverwegingen van het hof ten aanzien van feit 1 houden, voor zover bij de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft de bewezenverklaring gevorderd van het onder 1 tenlastegelegde op de gronden zoals vermeld in het schriftelijk requisitoir - kort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte (hierna: [verdachte] ) en diens medeverdachte (hierna: [medeverdachte] ) op twee momenten een voorverkenning hebben gedaan bij het huis van het slachtoffer en nabij de latere plaats delict, dat [verdachte] en [medeverdachte] in een auto met daarin een grote hond met het slachtoffer naar Leidschendam zijn gereden, alwaar het slachtoffer met een gescheurd shirt uit de auto is gerend, achtervolgd door [verdachte] en [medeverdachte] .


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de onder 1 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving niet bewezen kan worden, op de gronden zoals vermeld in de pleitnota en mondeling aangevuld ter terechtzitting in hoger beroep - kort en zakelijk weergegeven - inhoudend dat voor het bewijs van het slaan en het stompen van het slachtoffer door [medeverdachte] er alleen de verklaring van [verdachte] is en deze handelingen in het kader van een ruzie werden verricht, dat de aanwezigheid van een hond niet redengevend is voor het bewijs van het tenlastegelegde, terwijl voor de overige elementen van het tenlastegelegde geen direct bewijs is zodat vrijspraak dient te volgen.


Overweging hof

Op 3 september 2014 is [slachtoffer] kort vóór 22.30 uur neergeschoten op de [b-straat] in Leidschendam. Aan de verbalisanten die als eersten ter plaatse zijn, vertelt hij dat hij door twee mannen in een auto is ontvoerd uit [plaats] .

Onbetwist is dat die twee mannen in die auto [verdachte] en [medeverdachte] zijn. Vast staat tevens dat die auto in [plaats] is gaan rijden met het slachtoffer daarin.


Met de verdediging en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat het slachtoffer in [plaats] op de plaats waar hij zijn auto heeft achtergelaten, te weten op het trottoir aan de [a-straat] te [plaats] , gedwongen is om in die auto plaats te nemen. De omstandigheid dat de auto op 4 september volgens de echtgenote van het slachtoffer niet afgesloten is aangetroffen is weliswaar een aanwijzing dat het slachtoffer mogelijkerwijs niet van plan was met [verdachte] en [medeverdachte] te gaan rijden maar het is geen onomstotelijk bewijs dat hij aldaar tegen zijn zin in die auto terecht is gekomen. Dat het slachtoffer nooit zijn auto open zou laten volgens zijn echtgenote en anderen maakt dat niet anders.


Of het slachtoffer rechtmatig dan wel wederrechtelijk in de auto terecht is gekomen is echter niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Een rit in een auto kan immers rechtmatig beginnen maar op enig moment gedurende de rit onrechtmatig worden. Naar het oordeel van het hof is dat het geval en wel op grond van het navolgende in onderlinge samenhang bezien.


Het slachtoffer zou die avond zijn gezin ophalen op Schiphol en heeft daarover contact gehad met zijn echtgenote. Tevens had hij die avond nog andere afspraken zoals blijkt uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Getuige [getuige 1] vroeg op 3 september 2014 om 22.03 uur via zijn mobiele telefoon aan het slachtoffer of hij naar de zaak kon komen en kreeg vervolgens om 22.04 uur een bericht van het slachtoffer dat hij er aan kwam. Getuige [getuige 2] verklaart over een afspraak met het slachtoffer om 22.30 uur alsmede over de omstandigheid dat het slachtoffer zijn gezin moest ophalen op Schiphol. Dat gelet op het tijdsbestek het slachtoffer dan ook nog in de auto van [verdachte] zou stappen mede om, zoals die verklaart, terug naar diens woning in [plaats] te gaan om de hond van de verdachte thuis te brengen is hoogst onwaarschijnlijk, te meer daar [verdachte] hem wilde spreken over/voor drugs en die zelf aangeeft te weten van de afspraak van het slachtoffer op Schiphol.


Gelet op de verklaring van [getuige 1] is het slachtoffer op enig moment na 22.04 uur in de auto van [verdachte] terecht gekomen. Het slachtoffer is kort vóór 22.27 uur in Leidschendam neergeschoten. De getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hebben namelijk op dit tijdstip het alarmnummer 112 gebeld en er zal een korte tijdsspanne gezeten hebben tussen het horen van het schot en het bemerken van c.q. het eerste contact met het slachtoffer. In de tussentijd is de auto van [verdachte] dus van [plaats] naar Leidschendam gereden. Dit kan niet anders dan met behoorlijk hoge snelheid zijn geweest want de reistijd tussen [plaats] en Leidschendam is nader onderzocht en het blijkt dat men er ongeveer 25 minuten over doet om van de [a-straat] te [plaats] naar de [c-straat] in Leidschendam nabij de plaats delict te rijden. Gedurende die rit is er volgens [verdachte] onenigheid ontstaan tussen het slachtoffer en [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen, ook met betrekking tot deze voor hem belastende verklaring van [verdachte] maar geheel los van de vraag of de verklaring van [verdachte] op dit punt betrouwbaar is, volgt in ieder geval uit hetgeen zich in het dossier bevindt dat het slachtoffer uit de auto is gevlucht ter hoogte van de glasbakken op de [c-straat] terwijl die auto stil stond met de voorzijde in de richting van de [d-straat] , dat het slachtoffer direct door zowel [medeverdachte] als [verdachte] achterna is gerend en vervolgens is neergeschoten terwijl hij riep "doe mij niks", laat mij met rust, ik heb niets gedaan" en "ik heb het niet gedaan" en een van de twee achtervolgende mannen riep "blijf staan". Dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] achter het slachtoffer rennen duidt er naar de uiterlijke verschijningvorm bezien niet alleen op dat het slachtoffer probeerde om aan een onveilige situatie en dus weg uit de auto en aan [verdachte] en [medeverdachte] te ontkomen maar ook dat [verdachte] en [medeverdachte] beoogden het slachtoffer daarvan te weerhouden en hem onder hun invloedssfeer te houden, terwijl uit de woorden van het slachtoffer ook bezwaarlijk iets anders is af te leiden dan dat hem door [medeverdachte] en [verdachte] iets werd verweten.


Conclusie

Op grond van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang gelezen komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd.”

4.4.

De steller van het middel voert allereerst wat betreft het oordeel van het hof omtrent de door [slachtoffer] gemaakte afspraken aan dat [slachtoffer] wellicht niet genegen zou zijn om met de verdachte naar Leidschendam te rijden, maar dat de twee andere door hem gemaakte afspraken net zo vreemd zijn als het meegaan met de verdachte. Dat [slachtoffer] nog twee andere afspraken had gemaakt, doet volgens de steller van het middel dus juist af aan de gedachtegang van het hof dat hij eigenlijk naar Schiphol moest.

4.5.

Uit ’s hofs bewijsoverweging en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het hof onder meer betekenis heeft toegekend aan de afspraak van [slachtoffer] om zijn vrouw en kinderen op te halen op Schiphol en de twee andere door hem gemaakte afspraken met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de vrouw van [slachtoffer] heeft verklaard dat hij haar en hun kinderen op Schiphol zou ophalen en dat [slachtoffer] hierover diezelfde dag nog contact met haar heeft gehad en dat zij zou landen om half zeven, maar dat haar vlucht drie uur vertraging had. Bovendien blijkt uit bewijsmiddel 3 dat de verdachte zelf heeft verklaard dat [slachtoffer] twintig minuten de tijd had, omdat hij zijn vrouw moest ophalen op Schiphol. Ook vroeg getuige [getuige 1] op 3 september 2014 om 22.03 uur via zijn mobiele telefoon aan [slachtoffer] of hij naar de zaak kon komen en kreeg hij vervolgens om 22.04 uur een bericht van [slachtoffer] dat hij er aan kwam. Getuige [getuige 2] verklaart over een afspraak met het slachtoffer om 22.30 uur. Het hof acht het hoogst onwaarschijnlijk dat, gelet op het tijdsbestek, [slachtoffer] dan ook nog in de auto van de verdachte zou stappen mede om, zoals de verdachte zelf heeft verklaard, terug naar zijn woning te gaan in [plaats] om de hond van de verdachte thuis te brengen, te meer omdat de verdachte hem wilde spreken voor of over drugs en de verdachte zelf heeft aangegeven te weten van de afspraak van [slachtoffer] op Schiphol.

4.6.

De steller van het middel miskent aldus dat het hof niet enkel betekenis heeft toegekend aan de afspraak van [slachtoffer] om zijn vrouw en kinderen op Schiphol op te halen, maar ook aan de andere door [slachtoffer] gemaakte afspraken. Het hof komt op basis van deze drie door [slachtoffer] gemaakte afspraken niet onbegrijpelijk tot het oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] ook nog in de auto van de verdachte zou stappen. Dat de steller van het middel meent dat de door [slachtoffer] gemaakte overige afspraken net zo vreemd zijn als het meegaan in de auto van de verdachte, doet hieraan niet af.

4.7.

Deze klacht faalt.

4.8.

Voorts klaagt de steller van het middel dat het oordeel van het hof dat, gelet op de verklaring van getuige [getuige 1] , [slachtoffer] op enig moment na 22.04 uur in de auto van de verdachte terecht is gekomen geen feitelijke grondslag heeft en een onterechte aanname is en dat het hof vervolgens onjuist tot het oordeel is gekomen dat de auto van de verdachte waarin [slachtoffer] zich bevond met behoorlijke snelheid heeft gereden.

4.9.

Het hof heeft geoordeeld dat het slachtoffer op enig moment na 22.04 uur in de auto van de verdachte is terechtgekomen en dat hij kort voor 22.27 uur in Leidschendam is neergeschoten. Het hof baseert dit op de verklaring van getuige [getuige 1] die op 3 september 2014 om 22.03 via zijn mobiele telefoon aan [slachtoffer] vroeg of hij naar de zaak kon komen. Hij kreeg vervolgens om 22.04 uur een bericht van [slachtoffer] dat hij eraan kwam. Het hof is dus gelet hierop kennelijk van oordeel – en dat oordeel is niet onbegrijpelijk – dat [slachtoffer] zich voor 22.04 uur nog niet in de auto van de verdachte bevond. Dat [slachtoffer] kort voor 22.27 uur is neergeschoten, baseert het hof op de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] die op dit tijdstip het alarmnummer 112 hebben gebeld. Het hof is van oordeel dat er een korte tijdsspanne zal hebben gezeten tussen het horen van het schoten en het bemerken van het slachtoffer dan wel het eerste contact met het slachtoffer. Op basis van deze door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden komt het hof vervolgens tot het oordeel – en dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk – dat de auto van de verdachte in de tussentijd van [plaats] naar Leidschendam is gereden. Uit bewijsmiddel 6 volgt dat men er ongeveer 25 minuten over doet om van [a-straat] te [plaats] – de plaats waar [slachtoffer] zijn auto heeft achtergelaten – naar de [c-straat] te Leidschendam – de plaats waar de verdachte is neergeschoten – te komen. Het hof komt op basis van deze feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de auto met behoorlijk hoge snelheid heeft gereden, zodat ook deze klacht faalt.

4.10.

Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat [slachtoffer] op de [c-straat] te Leidschendam uit de stilstaande auto is gevlucht. Het feit dat de auto stilstond en kennelijk niet op slot was, verhoudt zich volgens de steller van het middel moeizaam met het idee van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het wijst er in ieder geval op dat [slachtoffer] niet is verhinderd de auto te verlaten, zoals wel bewezen is verklaard, aldus de steller van het middel.

4.11.

In de onderhavige zaak heeft het hof onder meer overwogen dat [slachtoffer] uit de auto is gevlucht ter hoogte van de glasbakken op de [c-straat] te Leidschendam, terwijl de auto stil stond, dat hij direct door zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte] achterna is gerend en vervolgens is neergeschoten terwijl hij riep “doe mij niks”, “laat mij met rust, ik heb niets gedaan” en “ik heb het niet gedaan”. Voorts blijkt uit bewijsmiddel 1 dat [slachtoffer] vlak nadat hij was neergeschoten tegen verbalisanten had gezegd dat hij was ontvoerd uit [plaats] . Dat zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte] achter [slachtoffer] aanrennen, duidt er volgens het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien niet alleen op dat [slachtoffer] probeerde om aan een onveilige situatie te ontkomen, en dus weg uit de auto en weg van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , maar ook dat zij beoogden [slachtoffer] daarvan te weerhouden en hem onder hun invloedssfeer te houden, terwijl uit de woorden van [slachtoffer] ook bezwaarlijk iets anders is af te leiden dan dat hem door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] iets werd verweten.

4.12.

Het hof komt op basis hiervan in samenhang met de overige door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden. Dat [slachtoffer] op enig moment erin is geslaagd om de auto te verlaten en de auto stilstond en kennelijk niet op slot was, doet aan dit oordeel niet af.

4.13.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Conclusie

5. Het middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

6. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 21 juli 2020 en de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. In dat opzicht is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM geschonden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.1

7. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.