Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2022:12

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-01-2022
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
20/03978
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2020:3683
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Feit 1: medeplegen gewelddadige woningoverval op hoogbejaarde vrouw, met fatale afloop (art. 312 Sr). Feit 2: inbraak in (andere) woning gedurende nacht (art. 311 Sr). Falende klachten over oordeel hof met betrekking tot feit 1 dat (i) verdachte opzet had op het medeplegen van het door zijn medeverdachten verrichte geweld op slachtoffer en (ii) de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend. Verder een falende unus testis-klacht inzake feit 2. Tot slot is de klacht dat het hof heeft geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis onder de reikwijdte van art. 6:1:1 Sv valt tevergeefs voorgesteld. Conclusie strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03978

Zitting 11 januari 2022

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 30 november 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (verder: het hof) wegens 1 subsidiair “medeplegen van diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” en 2 “diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geheel toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het bestreden arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte heeft mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, vier middelen van cassatie voorgesteld.1

II Bewezenverklaring en bewijsvoering ter zake van feit 1 subsidiair

3. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

“hij op 29 augustus 2014 in de gemeente [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kistje met sieraden toebehorende aan [betrokkene 1] ,

welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen

- die [betrokkene 1] meermalen heeft geslagen, in elke geval (al dan niet met een voorwerp) krachtig (mechanisch) geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en het lichaam van die [betrokkene 1] en

- de handen van die [betrokkene 1] met een tie-wrap heeft vastgebonden en

- die [betrokkene 1] in hulpeloze toestand heeft achter gelaten,

terwijl dat feit de dood van genoemde [betrokkene 1] ten gevolge had;”

4. Deze bewezenverklaring steunt op 32 bewijsmiddelen. Het is, denk ik, voor de beoordeling van het middel niet nodig om deze hieronder allemaal weer te geven. Ik beperk mij wat dat betreft tot bewijsmiddel 17 – de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 2] –, omdat het hof in zijn, hierna aan te halen, bewijsoverwegingen meermalen expliciet naar dit bewijsmiddel verwijst. Bewijsmiddel 17 houdt het volgende in:

17. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof te ’s Hertogenbosch d.d. 5 november 2020 inzake [betrokkene 2] , voor zover inhoudende de verklaring van [betrokkene 2] :

U, voorzitter, vraagt mij wat er op 29 augustus 2014 is gebeurd. Ik antwoord daarop als volgt. [verdachte] , [betrokkene 3] en ik zijn op 29 augustus 2014 naar de woning van [betrokkene 1] in [plaats] gereden waar wij zouden gaan inbreken. [verdachte] had een tip gekregen dat er veel geld bij haar was te halen. We hebben vooraf overleg gehad. We hadden van tevoren afgesproken dat het een overval zou worden indien zij thuis zou zijn. Ik had een Oxxio jasje in mijn bezit. Dat jasje had ik al eerder naar [betrokkene 3] gebracht om het jasje te laten zien. Het idee was dat jasje aan te doen om daar niet teveel op te vallen in de wijk. Ik zou eerst gaan kijken of de dame thuis zou zijn. Mocht zij thuis zijn, zou ik met een smoes naar binnen gaan dat ik van een energiemaatschappij was en naar de meterkast kwam kijken. Met het Oxxio jasje kwam ik dan ook overtuigender over. Dit hebben wij een week of een aantal weken voor de overval met elkaar besproken.

De tie-wraps die we hadden meegenomen, had ik van [betrokkene 3] gekregen. We hadden de tie-wraps meegenomen om, mocht de [betrokkene 1] thuis zijn, tijd te winnen en later weg te komen. Zo konden wij de woning doorzoeken en kon zij geen hulp gaan halen. Dat was gezamenlijk gepland. [betrokkene 3] zei verder nog dat hij haar desnoods bij haar armen zou pakken en door elkaar zou schudden en dat ze het geld dan zo zou geven.

We hebben bij de flat geparkeerd. [verdachte] wist welke woning het was. Ik ging op verkenning met het Oxxio jasje aan. Ik ben langs de woning van [betrokkene 1] gelopen. Ik zag haar voor het raam zitten. Ik ben teruggelopen om met de jongens te overleggen wat we nu zouden gaan doen. Toen hebben we afgesproken dat ik met een smoes naar binnen zou gaan. Ik zou de deur op een kier laten, zodat [betrokkene 3] later binnen zou komen. Ik heb de tie-wraps vervolgens in mijn mouw gestopt, had een zaklamp bij mij en ben naar de woning gelopen. [betrokkene 1] deed de deur open. Ik zei dat ik van de energiemaatschappij was. Ik stond in de hal en liet de deur op een kier. Ik had nog geen handschoenen aan, die zaten nog in mijn zakken. Daarom heb ik [betrokkene 1] de meterkast open laten doen. Ik scheen met de zaklamp in de meterkast. Ik had de zaklamp in mijn linkerhand. Ik voelde dat ik aangekeken werd en zij voelde dat er iets niet klopte. Zij begon om hulp te roepen. Ik draaide mij om en heb [betrokkene 1] een met twee handen een heel harde duw gegeven en met mijn linkerhand gaf ik haar een harde klap in haar gezicht met de zaklamp. Ik zag haar neusprothese weg vliegen. Zij is hierdoor hard achterover gevallen en kwam in de keuken terecht. Ik ben ongeveer drie minuten alleen in de woning geweest.

[betrokkene 3] is nadien binnengekomen. Hij pakte haar armen bij elkaar. Ik heb de tie-wraps om haar armen gedaan. [betrokkene 3] en ik zijn naar boven gegaan en we hebben de woning doorzocht. Op een gegeven moment gingen we weer naar beneden en gingen we de woonkamer in. Uiteindelijk gaf [betrokkene 3] aan dat hij het rode geldkistje had gevonden. Hierna hebben we de woning verlaten. Ik ging als laatst naar buiten en sloot de deur. We zijn richting de auto gelopen en met [verdachte] weer naar [plaats] gereden.

We zijn richting de auto gelopen en met [verdachte] weer naar [plaats] gereden. U vraagt mij wat er in de auto is gebeurd. Ik antwoord daarop dat ik hoog in mijn emotie zat. Er werd onderling gesproken over wat er was gebeurd. [betrokkene 3] vroeg aan mij “Hoe kan dat gebeurd zijn met die [betrokkene 1] en met die neus?”. Ik zei dat ik haar een duw had gegeven met de zaklamp en dat ze was gevallen. Het was heel heftig wat er was gebeurd. Dat hebben we in de auto besproken.

Toen we terug kwamen op het woonwagenkamp in [plaats] , heeft [verdachte] in zijn schuurtje het geldkistje op de grond gegooid. Het geldkistje begaf het en ging open. Er zaten wat sieraden in, waaronder een ring van de overleden man van [betrokkene 1] . We hadden verwacht een groot geldbedrag in het geldkistje aan te treffen. We hadden daarover vooraf een verdeling afgesproken.

[verdachte] wist ervan dat [betrokkene 1] gewond was geraakt en dat ze met tiewraps was vastgebonden. We hebben daarover gesproken.”

5. Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverwegingen in het bestreden arrest opgenomen:

Ten aanzien van feit 1

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde bepleit, voor zover dit ziet op de geweldscomponent en het tenlastegelegde dodelijke gevolg. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat er “slechts” een woninginbraak zou worden gepleegd. Er was duidelijk afgesproken dat er geen geweld zou worden gebruikt. Verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de diefstal met geweld. Ook nadat de beide medeverdachten terugkeerden naar de auto, stelt verdachte dat hij niets te horen heeft gekregen over wat er in de woning was gebeurd.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

1. Relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de woningoverval

A.

Het hof neemt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen de onder B genoemde feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

Het hof is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van hieronder genoemde onderdelen van de verklaringen van [betrokkene 2] . Hij heeft kort na zijn aanhouding voor het eerst inhoudelijk verklaard (30 september 2016) en heeft nadien nog verschillende malen verklaringen afgelegd, waaronder ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 november 2020. Het hof is van oordeel dat [betrokkene 2] zeer uitgebreid, gedetailleerd en consistent heeft verklaard. De verklaringen van [betrokkene 2] bevatten weliswaar op onderdelen enkele discrepanties, doch het hof is van oordeel dat deze in grote mate en op wezenlijke onderdelen met elkaar overeenkomen. De discrepanties doen geen afbreuk aan de kern van de verklaringen van [betrokkene 2] , zoals is weergegeven in bewijsmiddel 17. Hoewel [betrokkene 2] bij de politie, de rechtbank en het hof hierover kritisch is doorgevraagd, is deze kern van de verklaringen in de loop der tijd niet gewijzigd. Hij heeft zichzelf in zijn verklaringen bovendien niet gespaard, integendeel. Hij heeft vanaf het begin verklaard dat hij de hoofdrol had in de uitvoering van het delict. Tot slot vindt zijn verklaring in belangrijke mate steun in de overige bewijsmiddelen.

B.

[betrokkene 2] is in de ochtend van 29 augustus 2014 vanuit [plaats] samen met [betrokkene 3] en [verdachte] naar de woning van [betrokkene 1] in [plaats] gereden. [verdachte] had een tip gekregen dat daar veel geld was te halen. Aldaar is [betrokkene 2] naar de woning gelopen. Hij droeg een Oxxio-jas. [betrokkene 3] en [verdachte] bleven bij de auto wachten. [betrokkene 2] zag dat [betrokkene 1] thuis was, is terug gegaan naar de auto en heeft met [betrokkene 3] en [verdachte] overlegd wat ze zouden doen. Hierna is [betrokkene 2] opnieuw naar de woning gelopen en heeft hij aangebeld, waarop [betrokkene 1] de deur heeft opengedaan. Vervolgens is [betrokkene 2] door haar binnengelaten met een smoes dat hij van een energiemaatschappij was. In de hal scheen [betrokkene 2] met de zaklamp in de meterkast. [betrokkene 1] voelde dat er iets niet klopte en begon om hulp te roepen. Op dat moment heeft hij haar een harde duw/klap met de zaklamp gegeven, waardoor [betrokkene 1] hard achterover viel. Medeverdachte [betrokkene 3] is na enige tijd ook naar de woning gelopen. Voor de gebeurtenissen daarna wordt verwezen naar het onderstaande. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn daarna samen teruggelopen naar de auto, waar [verdachte] was blijven wachten. Zij zijn vervolgens alle drie weer in de auto van [verdachte] vertrokken naar [plaats] .

[betrokkene 1] is uren later, omstreeks 17.00 uur, door haar zoon aangetroffen. Zij lag zwaar gewond in de woonkamer op de grond en was met een tie-wrap vastgebonden. Haar woning was doorzocht en er was een geldkistje weggenomen. [betrokkene 1] overleed diezelfde avond om 20.37 uur in het ziekenhuis.

C.

Het hof overweegt ten aanzien van de betrokkenheid van [betrokkene 3] bij de woningoverval als volgt.

[betrokkene 3] zelf heeft steeds wisselend verklaard over zijn betrokkenheid en zijn verklaring aangepast op het moment dat hij werd geconfronteerd met nieuwe informatie. Dit ziet zowel op zijn wetenschap vooraf over de overval alsook op zijn bijdrage hieraan. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij wist dat ze naar de woning gingen omdat er makkelijk geld te halen zou zijn en dat het een overval zou worden, maar ter terechtzitting in eerste aanleg kwam hij hierop terug en verklaarde hij dat hij slechts dacht dat ze zouden gaan inbreken. Ter terechtzitting in hoger beroep kwam hij ook hier op terug en verklaarde hij van niets te hebben geweten; hem was verteld dat [betrokkene 2] slechts een Marktplaats-pakketje op ging halen.

Ten aanzien van de tie-wraps heeft hij bij de politie eerst nog gesteld dat hij de tie-wraps niet had gezien en pas achteraf hoorde dat [betrokkene 1] was vastgebonden. Op een later moment verklaarde hij echter dat hij de tie-wraps aan [betrokkene 2] heeft gegeven en ‘dat [betrokkene 1] alleen vastgebonden zou worden’. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg verklaarde hij de tie-wraps (dagen voor de overval) aan [betrokkene 2] te hebben gegeven, maar dat dit was omdat er iets met de auto van [betrokkene 2] aan de hand was. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij ontkend de tie-wraps aan [betrokkene 2] te hebben gegeven; [betrokkene 2] zou ze uit zijn schuur hebben gepakt.

Tot slot heeft hij wisselend verklaard over de vraag of hij binnen is geweest in de woning van [betrokkene 1] . Bij de politie heeft hij eerst verklaard dat hij niet binnen is geweest, later dat hij wel naar binnen is gegaan en in het halletje bleef, en ter terechtzitting in hoger beroep dat hij [betrokkene 1] zag liggen door de deuropening maar (stellig) dat hij ‘geen stap binnen is geweest’.

[betrokkene 3] heeft geen plausibele reden gegeven voor deze inconsistenties in zijn verklaringen, anders dan dat hij zijn rol in eerste instantie groter heeft gemaakt uit angst voor represailles. Die angst als reden voor zijn eerdere verklaringen is niet onderbouwd of aannemelijk geworden.

[betrokkene 2] daarentegen heeft ook op dit punt consistent verklaard. Hij heeft telkenmale (ook toen hij bij de politie geen namen van de medeverdachten wilde noemen) verklaard dat hij de deur conform afspraak op een kier had gelaten en dat een tweede persoon (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) enkele minuten na hem de woning betrad. [betrokkene 1] lag toen al gewond op de grond. [betrokkene 3] heeft vervolgens de armen van [betrokkene 1] vastgehouden, waarna hij, [betrokkene 2] , de armen met een tie-wrap, heeft vastgebonden. Samen hebben zij vervolgens de woning doorzocht en even later verlaten. [betrokkene 3] heeft volgens [betrokkene 2] geen (andere) fysieke handelingen jegens [betrokkene 1] begaan.

Het hof acht niet aannemelijk dat [betrokkene 2] onwaarachtig heeft verklaard en [betrokkene 3] slechts bij de overval heeft betrokken om zichzelf uit de wind te houden. [betrokkene 2] heeft [betrokkene 3] geen handelingen in de schoenen geschoven die zijn eigen rol kleiner zouden maken. Integendeel, verdachte heeft door over de rol van [betrokkene 3] na zijn binnenkomst te verklaren juist geduid op het impliciet strafverzwarende, gevaarzettende aspect van het tezamen en in vereniging plegen van het geweld en de diefstal. Het hof vermag overigens niet in te zien wat het belang van [betrokkene 2] is geweest bij zijn versie van de gebeurtenissen, anders dan naar eigen zeggen het geven van opening van zaken.

Het hof overweegt dat ook dit onderdeel van de verklaring van [betrokkene 2] bovendien in belangrijke mate steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Zo heeft [betrokkene 4] , die twee huizen naast [betrokkene 1] woonde, verklaard dat zij vanuit haar raam zag dat een man met een pet het pad van de woning van [betrokkene 1] op liep. Zij was er zeker van dat de man binnen was geweest omdat hij richting de voordeur ging en doorliep. Acht à tien minuten later zag zij diezelfde man samen met [betrokkene 2] uit de richting van die woning terug kwam lopen. Deze verklaring strookt in het geheel niet met de versie van de verklaring van [betrokkene 3] dat hij slechts kort bij de voordeur heeft gestaan en [betrokkene 2] heeft geroepen en dat [betrokkene 2] hierna naar buiten kwam.

Daar komt bij dat [betrokkene 5] heeft verklaard dat [betrokkene 3] (zijn zwager) hem had verteld dat de deur op een kier stond en dat hij het slachtoffer zwaar toegetakeld op de grond had zien liggen. [betrokkene 3] had tegen hem gezegd dat het er niet uit zag; dat haar hoofd gezwollen was en haar ogen helemaal dicht zaten. Gelet op de verklaring van [betrokkene 2] dat het slachtoffer na de klap met de zaklamp in de keuken terechtkwam en de bloedsporen eerst in de keuken zijn aangetroffen, duidt deze waarneming van [betrokkene 3] er veeleer op dat hij [betrokkene 1] van dichtbij en dus in de woning heeft gezien.

Tot slot heeft [betrokkene 1] zelf kort nadat zij was aangetroffen tegen ambulancepersoneel expliciet over twee Nederlandse mannen gesproken. Een van die mannen had iets zwarts, waarbij [betrokkene 1] een handgebaar over haar hoofd maakte. Ambulancemedewerker [betrokkene 6] maakte daar uit op dat [betrokkene 1] daarmee een zwarte pet of een zwart masker bedoelde.

Het hof gaat gelet op het voorgaande voorbij aan de verklaringen van [betrokkene 3] , voor zover deze hem vrijpleiten van enige betrokkenheid dan wel zijn betrokkenheid marginaliseren tot het meegaan naar een vermeende inbraak en – toen het te lang duurde – naar de woning lopen, het roepen van [betrokkene 2] en het [betrokkene 2] uit de woning zien komen. Het hof acht deze lezingen niet aannemelijk geworden, temeer niet nu die lezingen strijdig zijn met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, welke juist er op duiden dat [betrokkene 3] in de woning aanwezig is geweest en de zwaargewonde toestand van [betrokkene 1] van zeer dichtbij heeft waargenomen. Het hof gaat op dit punt uit van de lezing van [betrokkene 2] (zoals weergegeven in bewijsmiddel 17) en van de onderdelen van de verklaring van [betrokkene 3] zelf die in overeenstemming zijn met de verklaring van [betrokkene 2] en door overige bewijsmiddelen worden ondersteund (bewijsmiddelen 24-32). Het hof acht derhalve bewezen dat [betrokkene 3] vooraf wist dat er een woningoverval zou worden gepleegd, dat hij tie-wraps aan [betrokkene 2] heeft meegegeven, na verloop van enige tijd zelf in de woning is geweest, de zwaargewonde [betrokkene 1] op de grond zag liggen, haar armen heeft vastgehouden zodat [betrokkene 2] de tie-wraps kon vastbinden, de woning samen met [betrokkene 2] heeft doorzocht en zij gelijktijdig de woning hebben verlaten.

[…]

3. De rol van verdachte, medeplegen en redelijke toerekening

Zoals het hof hiervoor onder het kopje ‘vrijspraak’ heeft overwogen, is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen het handelen van verdachte niet kan worden bewezen als medeplegen van doodslag (onder strafverzwarende omstandigheden), zodat hij van het onder 1 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend.

Het hof stelt het volgende voorop.

Voor het bewezen verklaren van medeplegen van diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend, zoals opgenomen in artikel 312, derde lid Wetboek van Strafrecht is vereist dat de diefstal wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld. Het gebruik van geweld of bedreiging met geweld vormt een objectieve strafverzwarende omstandigheid die de aard van de diefstal ernstiger maakt. Vereist is dan ook dat het geweld of de bedreiging met geweld geschiedt met een in die bepaling omschreven bijkomend oogmerk, waarbij de verdachte ten minste moet hebben beseft dat zijn gedragingen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich meebrengen dat de diefstal werd voorbereid en/of vergemakkelijkt en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan de diefstal, hetzij de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren (vgl. HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1031 en HR 2 juli 2013, ECL1:NL:HR:2013:94).

In een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal vergezeld of voorafgegaan van geweld of bedreiging met geweld behoeft niet tot uiting te komen wie van de mededaders elk van de verschillende geweldshandelingen heeft of hebben verricht (vgl. HR 6 februari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB3895, NJ 1969/176; HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:A09905 en HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1606).

Ter zake van het medeplegen van het feit is wel vereist dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte, ook wat het geweld en/of de bedreiging met geweld betreft, zo nauw en bewust met zijn mededaders heeft samengewerkt en zijn – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict zodanig wezenlijk dan wel van dusdanig voldoende gewicht is, dat sprake is van het medeplegen. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, kan de rechter bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Daarbij geldt dat niet uitgesloten is dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd (vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972; HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:13 16 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637).

Op grond van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dient het opzet van de verdachte als medepleger tevens gericht te zijn op het bewezenverklaarde, door de medeverdachte uitgevoerde, geweld of de bedreiging met geweld (vgl. HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0267; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3099 en HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:951). Daarbij geldt ter verduidelijking dat het opzet van verdachte als medepleger gericht dient te zijn op zowel de onderlinge samenwerking met de ander of anderen, als op de verwezenlijking van het grondfeit. Dit opzet op het grondfeit van verdachte hoeft niet een precies karakter te hebben; een wat andere invulling en afloop van het grondfeit dan verdachte als medepleger voor ogen stond, of de omstandigheid dat de verdachte niet op de hoogte was van de precieze gedragingen van zijn mededader(s), valt in beginsel niet buiten het opzet van verdachte (vgl. HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5713). Op dit punt merkt het hof op dat het opzet van de verdachte ook kan bestaan in de zin van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte in dezen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de diefstal zou kunnen worden voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is daarbij geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718).

Ten slotte geldt dat het in art. 312, derde lid, Sr als strafverzwarend aangemerkte gevolg – ‘indien het feit de dood ten gevolge heeft’ – is geobjectiveerd. Dat houdt in dat het opzet van de verdachte ten aanzien van de dood niet bewezen behoeft te worden. Enkel causaal verband tussen de in het eerste lid bedoelde diefstal met geweld en de dood als strafverzwarend gevolg is voldoende (vgl. HR 12 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC2712; HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0607; HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8303). De vraag of causaal verband bestaat tussen het door de verdachte verrichte feit en de dood van het slachtoffer, geschiedt volgens bestendige jurisprudentie aan de hand van de maatstaf of die dood, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, redelijkerwijs als gevolg van de verwijtbare gedraging(en) aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 12 september 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC2616, NJ 1979/60 en HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6397).

Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene blijkt ten aanzien van de bijdrage van verdachte aan het delict het volgende.

Verdachte en medeverdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 2] zijn op initiatief en aanwijzen van verdachte in de auto van verdachte, met verdachte als chauffeur, naar de woning van het slachtoffer gereden met het gezamenlijke doel om daar een groot geldbedrag weg te nemen. De tip over de aanwezigheid van het geld kwam van verdachte. De verdachten hebben vooraf besproken hoe de eventuele buit zou worden verdeeld. De verdachten wisten dat het slachtoffer een oudere vrouw was.

Voorafgaande aan het delict hebben ze gedrieën overleg gehad over de taakverdeling. Het hof acht in dat kader van belang dat de omstandigheid dat [verdachte] niet als feitelijk uitvoerder van het delict heeft gehandeld, enkel naar eigen zeggen was gelegen in het postuur van verdachte. Hij zou teveel opvallen in de wijk.

Verdachte bestuurde de auto. In de auto had [betrokkene 2] tie-wraps bij zich. Er was vooraf gezamenlijk besproken dat de tie-wraps eventueel konden worden gebruikt om tijd te winnen voor het geval dat de vrouw thuis zou zijn.

[betrokkene 2] is naar de woning van het slachtoffer gegaan om te kijken of zij thuis was. Hij zag haar voor het raam zitten en is teruggelopen naar de auto om met verdachte en [betrokkene 3] te overleggen wat ze in deze situatie zouden gaan doen.

[betrokkene 2] heeft toen de tie-wraps, die hij eerder van [betrokkene 3] had gekregen, in zijn mouw gestopt. Ook heeft hij een zware zaklamp meegenomen. [betrokkene 2] is teruggelopen naar de woning van het slachtoffer en heeft daar aangebeld. In de woning is grof geweld gepleegd jegens het slachtoffer. [betrokkene 2] heeft het slachtoffer onder andere geduwd, met de zaklamp een klap in haar gezicht gegeven en geslagen. Het slachtoffer is ernstig gewond geraakt. Op enig moment is ook [betrokkene 3] de woning binnengegaan. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben het slachtoffer hierna met tie-wraps aan een tafel vastgebonden. De woning is vervolgens doorzocht en er is een geldkistje meegenomen. Het slachtoffer is in de woning – ernstig gewond, vastgebonden en liggend op de grond – achtergelaten. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn teruggekeerd naar de auto en verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn gedrieën terug naar huis gereden, waarbij verdachte de auto weer bestuurde. Verdachte heeft het weggenomen geldkistje thuis geopend om de buit toe te eigenen.

Verdachte heeft zelf ook verklaard dat er afspraken waren gemaakt over wat ze zouden doen als het slachtoffer thuis zou zijn. Het plan was dat [betrokkene 2] een Oxxio-jas aan zou doen en zou aanbellen. Het hof acht het vervolg van de verklaring van verdachte op dat punt echter volstrekt onaannemelijk, namelijk dat [betrokkene 2] zich wel met een smoes naar binnen zou praten, een korte tijd met de zaklamp in de meterkast zou schijnen en vervolgens zou zeggen dat alles in orde was en terug naar de auto zou keren. De binnenkomst in de woning heeft in deze lezing immers geen enkele functie of meerwaarde, terwijl de verdachten een geldbedrag wilden wegnemen en [betrokkene 2] daartoe tie-wraps had meegenomen naar de woning.

Het hof gaat derhalve uit van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , inhoudende dat van tevoren gezamenlijk is afgesproken dat het een woningoverval ging worden, en dus niet ‘slechts’ een inbraak. Voorafgaand was besproken om de vrouw vast te binden, er van uitgaande dat zij niet direct en geheel vrijwillig geld zou willen afstaan. [betrokkene 3] heeft daarbij van tevoren gezegd dat hij het slachtoffer desnoods bij haar armen zou pakken en door elkaar zou schudden.

Het hof leidt hieruit af dat verdachten zich derhalve hebben gerealiseerd dat in zekere mate geweld voorzien was. Het hof is in dezen van oordeel dat niet alleen het aanwenden van fysieke kracht tot het toebrengen van pijn of letsel als geweld kan worden aangemerkt, maar dat ook het vastbinden van iemand met tie-wraps, waarbij ten minste iemands vrijheid wederrechtelijk wordt beperkt, als zodanig is aan te merken (vgl. HR 27 augustus 1937, ECLI:NL:HR:1937:121, NJ 1938/29). Dat betekent dat verdachte, gezien de omstandigheden waaronder de overval plaatsvond, naar het oordeel van het hof ten minste het voorwaardelijk opzet had op het gepleegde geweld in de vorm van het vastbinden van het slachtoffer. Met andere woorden; verdachte heeft gezien zijn betrokkenheid bij de overval bewust de aanmerkelijke kans op dat geweld aanvaard. De enkele omstandigheid dat de verdachten tevoren tegen elkaar hadden uitgesproken dat er geen geweld zou worden gepleegd, doet hieraan niet af.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ter zake van de tenlastegelegde diefstal met geweld van [betrokkene 1] . Het hof acht de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking van voldoende gewicht bij verdachte aanwezig en oordeelt dat de geringere rol in de uitvoering van het delict van verdachte, gezien de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, voldoende wordt gecompenseerd. Het hof heeft daarbij gelet op onder meer de intensiteit van de samenwerking en de onderlinge taakverdeling tussen de verdachten, de rol van verdachte in de voorbereiding als initiatiefnemer van de overval en als chauffeur van de auto naar de plaats delict en ten slotte bij de afhandeling van het delict waarbij verdachte eveneens fungeert als chauffeur van de auto terug naar [plaats] , waar verdachte vervolgens de buitgemaakt kist openbreekt ter verdeling van het mogelijk aanwezige geldbedrag.

Het hof merkt daarbij op dat gezien de in het voorgaande weergegeven gedragingen en de feiten en omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, verdachte en zijn medeverdachten ten minste moeten hebben beseft dat het geweld als noodzakelijk en dus het door hen gewild gevolg met zich meebracht dat de uitvoering van het feit – in casu diefstal – werd voorbereid of vergemakkelijkt.

Het hof dient ten slotte de vraag te beantwoorden of het overlijden van [betrokkene 1] aan verdachte kan worden toegerekend. Meer bepaald gaat het daarbij om het antwoord op de vraag of het redelijk is de dood van [betrokkene 1] toe te rekenen aan de verwijtbare gedragingen van de verdachte als medepleger van de overval. De beantwoording van die vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Het hof acht op dit punt dat de gedragingen van verdachte als medepleger van de diefstal met geweld, in het geheel van de omstandigheden van de onderhavige zaak zoals hiervoor weergegeven, het risico op de dood van [betrokkene 1] in zodanige, relevante mate heeft verhoogd, dat het overlijden van [betrokkene 1] in redelijkheid aan verdachte is toe te rekenen. Verdachte en zijn medeverdachten wisten dat de overval zou plaatsvinden op een hoogbejaarde vrouw en zij hebben zich daarbij gerealiseerd dat in zekere mate geweld voorzien was. Bovendien wist verdachte van het uit de hand lopen van de overval en dat het slachtoffer gewond was achtergelaten doordat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de auto op de terugweg naar [plaats] dat duidelijk maakten. Desondanks is hij met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] weggereden zonder zich te bekommeren om het slachtoffer en heeft ook hij het slachtoffer aan haar lot overgelaten. Onder deze omstandigheden acht het hof de gedragingen van de verdachte als medepleger van de diefstal met geweld naar hun aard geschikt om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard, dat zij het vermoeden wettigen dat deze hebben geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8303). Dat het toegepaste geweld van [betrokkene 2] voor verdachte niet als zodanig in dien mate voorzienbaar was, doet hier niet aan af.

5. Conclusie

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de in de bijlage weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, inhoudende dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld, terwijl dat feit de dood ten gevolge heeft.”

III. Het eerste middel en de bespreking daarvan

6. Het middel klaagt dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid voor zover dit het opzet van de verdachte op het medeplegen van het verrichte geweld betreft, althans dat de motivering van het hof te dien aanzien onbegrijpelijk is.

Juridisch kader

7. Vooropgesteld zij dat het hof het juiste juridische kader heeft toegepast. Ik volsta daarom met het leggen van een aantal accenten.2 Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld, terwijl dat de dood ten gevolge heeft. Bij de in art. 312 Sr strafbaar gestelde vorm van gekwalificeerde diefstal geldt als vereiste dat de diefstal wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld. Het gebruik van geweld of bedreiging met geweld wordt hier niet op zichzelf gestraft, maar omdat het de aard van de diefstal ernstiger maakt. Vereist is dan ook dat het geweld of de bedreiging met geweld geschiedt met een in die bepaling omschreven bijkomend oogmerk.

8. In een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal vergezeld of voorafgegaan van geweld (of bedreiging met geweld) behoeft niet te worden vermeld of en, zo ja, welke feitelijke handelingen de verdachte zelf dan wel zijn mededader of mededaders hebben verricht.3 De nadruk ligt op de samenwerking en in mindere mate op de vraag wie welke handelingen heeft verricht. Bij medeplegen van het feit is vereist dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte ook wat het geweld en/of de bedreiging met geweld betreft zo nauw en bewust met zijn mededaders heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedragingen. Dit brengt naar het oordeel van de Hoge Raad mee dat het opzet van de verdachte als medepleger tevens gericht dient te zijn op het bewezenverklaarde, door de medeverdachte uitgevoerde, geweld (of de bewezenverklaarde bedreiging met geweld).4 Voorwaardelijk opzet is in dit verband voldoende. Daarbij moet bovendien worden bedacht dat het opzet op het grondfeit van de deelnemer – om met De Hullu te spreken – “wel een eigen kleur [kan] hebben, die enigszins afwijkt van het opzet van de pleger zelf. Een wat andere afloop en invulling van het grondfeit dan de deelnemer voor ogen stonden, zitten vaak in de rol van deelnemer en dus in zijn opzet ingebakken, al was het maar omdat men niet als pleger de gang van zaken in de hand heeft”.5

Bespreking van het middel

9. Aan het middel is het standpunt ten grondslag gelegd dat het hof heeft miskend dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte als medepleger dient te zijn gericht op het door de medeverdachte(n) gepleegde geweld. Aangevoerd wordt dat in de zaak van de verdachte de bewezenverklaring van alle tenlastegelegde geweldshandelingen niet te rijmen is met de bewijsoverwegingen van het hof, aangezien daarin enkel wordt ingegaan op het gepleegde geweld in de vorm van het vastbinden van het slachtoffer en het voorwaardelijk opzet van de verdachte daarop. De steller van het middel doelt wat de andere geweldshandelingen betreft op het meermalen slaan, in elk geval (al dan niet met een voorwerp) krachtig (mechanisch) geweld uitoefenen op het hoofd en het lichaam van het slachtoffer, en het in hulpeloze toestand achterlaten van haar. Als ik de toelichting op het middel goed begrijp, houdt de klacht echter toch ook in dat ’s hofs oordeel met betrekking tot het vastbinden van het slachtoffer met een tie-wrap ontoereikend is gemotiveerd.

10. Wat betreft ieders rol en de onderlinge taakverdeling, blijkt uit de bewijsvoering van het hof onder meer het volgende. De verdachte was de initiatiefnemer tot het plegen van de overval op het slachtoffer. Hij kwam met de tip over de aanwezigheid van een groot geldbedrag in haar huis en wist bovendien bij welke woning zij in [plaats] moesten zijn. Tezamen met de medeverdachten reed hij naar het adres. Vooraf hadden zij gezamenlijk besproken hoe het geldbedrag weggenomen kon worden en hadden zij bedacht dat zij tie-wrap moesten meenemen voor het geval het slachtoffer thuis zou zijn. De verdachte was vooraf hiervan dus op de hoogte. Besloten werd dat de verdachte in [plaats] in de auto zou blijven zitten omdat hij met zijn postuur te veel zou opvallen in de wijk. Nadat [betrokkene 2] had vastgesteld dat het slachtoffer thuis was, liep hij terug naar de auto om nog eens met de verdachte en [betrokkene 3] te overleggen hoe met deze situatie om te gaan. Voorzien van tie-wrap en een zware zaklamp belde [betrokkene 2] vervolgens bij het slachtoffer aan. Toen hij met de zaklamp in de meterkast keek, kreeg het slachtoffer argwaan en begon zij om hulp te roepen. [betrokkene 2] gaf haar toen een flinke duw en een harde klap met de zaklamp in haar gezicht. Het slachtoffer viel daardoor hard achterover. [betrokkene 3] , die naar de woning was gegaan, zag haar op de grond liggen. Hij hielp [betrokkene 2] door haar armen omhoog te houden, zodat [betrokkene 2] deze met de tie-wrap kon vastbinden aan een tafel. Vervolgens hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de woning doorzocht. Zij vonden een geldkistje en namen dat mee. Terwijl zij het slachtoffer vastgebonden achterlieten, vertrokken zij weer met de door de verdachte bestuurde auto. De verdachte hoorde onderweg wat er was gebeurd en dat het slachtoffer met tie-wrap was vastgebonden; daar werd in de auto over gesproken. Tot slot was het de verdachte die thuis het weggenomen geldkistje open heeft gemaakt om de buit er uit te halen.

11. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachten het gezamenlijke plan hadden om naar de woning van het slachtoffer te rijden met als doel om daar een groot geldbedrag weg te nemen. De tie-wrap diende om eventueel ‘tijd te winnen’ door het slachtoffer daarmee vast te binden, mocht het slachtoffer niet vrijwillig en onmiddellijk haar geld willen afstaan. Desnoods zou [betrokkene 3] haar bij haar armen pakken en door elkaar schudden. Het hof heeft bovendien vastgesteld dat van tevoren was afgesproken dat het een woningoverval ging worden; het ging dus niet ‘slechts’ om een inbraak.

12. Het op het vorengaande gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte en de medeverdachten zich derhalve hebben gerealiseerd dat in zekere mate geweld voorzien was en dat de verdachte gelet op de omstandigheden waaronder de overval plaatsvond ten minste het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het geweld dat is gepleegd en tenlastegelegd, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Naar het mij voorkomt ligt in het bestreden oordeel van het hof besloten, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ingeval van weerstand het geweld verder zou kunnen gaan en dat hij het aan zijn medeverdachten heeft overgelaten met welke vorm van geweld zij hun doel zouden trachten te bereiken. Aldus beschouwd heeft het hof uit een en ander kunnen afleiden dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het gezamenlijk en in vereniging plegen van diefstal met geweld zoals is bewezenverklaard. Daaraan doet niet af dat het hof niet expliciet (afzonderlijke) overwegingen heeft gewijd aan het bewijs voor het opzet van de verdachte op de andere bewezenverklaarde geweldshandelingen jegens haar dan het vastbinden.

13. Het middel faalt in zijn geheel.

IV. Het tweede middel en de bespreking daarvan

14. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend.

Juridisch kader

15. Het in art. 312, derde lid, Sr als strafverzwarende omstandigheid aangemerkte gevolg is geobjectiveerd. Opzet of schuld van de verdachte ten aanzien van de dood behoeft niet te worden bewezen. Causaal verband tussen het in het eerste lid bedoelde feit en de dood is voldoende.6 De vraag of dat causaal verband bestaat wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaf van de redelijke toerekening. Voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte is ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat het gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.7

Bespreking van het middel

16. Het hof heeft in zijn overwegingen er blijk van gegeven voornoemd kader als uitgangspunt te hebben genomen bij de beoordeling van de vraag of de dood van het slachtoffer redelijkerwijs is toe te rekenen aan de verwijtbare gedragingen van de verdachte als medepleger.

17. Blijkens de toelichting op het middel luidt de klacht dat het oordeel van het hof, inhoudend dat het fatale gevolg van de bewezenverklaarde handelingen redelijkerwijs aan de verdachte konden worden toegerekend, onbegrijpelijk is omdat het hof geen overwegingen heeft gewijd aan het vereiste dat een gedraging van de verdachte een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid. Voor zover de steller van het middel meent dat het hof die maatstaf uitdrukkelijk in zijn overweging had moeten betrekken, stelt hij een eis die de wet niet kent. Het als zodanig noemen van die maatstaf, die – gelet op het juridisch kader – hier als ondergrens moet worden beschouwd, is geen vereiste. Voldoende kan immers ook zijn dat in de overwegingen van het hof besloten ligt dat het gedrag van de verdachte een onmisbare schakel heeft gevormd in de bedoelde gebeurtenissen.8

18. Ook overigens is het oordeel van het hof dat het overlijden van het slachtoffer aan de verdachte kan worden toegerekend in het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het hoofd “2. De toedracht van de geconstateerde letsels van [betrokkene 1] ” vastgesteld dat uit onderzoek door de patholoog blijkt dat de combinatie van de verschillende letsels uiteindelijk hebben geleid tot haar overlijden. Voorts blijkt weliswaar uit de bewijsmiddelen dat zij aan een natuurlijke ziekte leed, maar ook dat dit alleen haar dood niet kan verklaren. De geweldsinwerkingen op het gelaat en de ribben van het slachtoffer zijn heftig geweest en de letsels kunnen slechts worden verklaard door toegebracht letsel. Ten aanzien van het letsel aan het hoofd gaat het dan om geweld in de vorm van uitwendig mechanisch plaatselijk hevig stomp botsend geweld op het lichaam en wel meervoudig op het lichaam inwerkend geweld. Volgens de deskundigen, en met hen het hof, is het uitgesloten dat de oorzaak is gelegen in een enkele duw, val of een enkele keer geraakt worden. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de ribbreuken, die zijn opgelopen bij twee afzonderlijke impacts, op een later moment, bijvoorbeeld door medisch handelen zijn ontstaan.9 De verdachte heeft niet eigenhandig die letsels toegebracht, maar hij wist wel degelijk vooraf dat de overval zou plaatsvinden op een hoogbejaarde vrouw en dat toen onder ogen is gezien dat een zekere mate van geweld tot de mogelijkheden behoorde. Na afloop is de verdachte met de medeverdachten, die hem er in de auto van op de hoogte brachten dat de situatie behoorlijk uit de hand was gelopen, teruggereden naar [plaats] zonder zich om het door hen achtergelaten en zwaar gewonde slachtoffer te bekommeren. In de overwegingen van het hof ligt zonder meer besloten dat de door de verdachte medegepleegde geweldshandelingen een onmisbare schakel hebben gevormd in de gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot het dodelijk letsel bij het slachtoffer. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte als medepleger van de diefstal met geweld, bezien in het geheel van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden van het geval, het risico op de dood van het slachtoffer in zodanige, relevante mate hebben verhoogd dat haar overlijden in redelijkheid aan hem is toe te rekenen, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

19. Het middel faalt.

V. Bewezenverklaring en bewijsvoering ter zake van feit 2

20. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

“2. hij op 20 november 2016 te [plaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, heeft weggenomen een kistje met € 1.000,00 à € 1.500,00 toebehorende aan [aangeefster] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, te weten door het openbreken van een deur van voornoemde woning.”

21. In de aanvulling bewijsmiddelen zijn in dat verband door het hof de volgende bewijsmiddelen opgenomen:

Feit 2

1. Een proces-verbaal van aangifte namens [aangeefster] d.d. 20 november 2016, dossierpagina’s 3446-3447, betreffende de verklaring van [betrokkene 7] , voor zover inhoudende:

(dossierpagina 3446)

Ik doe namens mijn ouders aangifte van woninginbraak. Ik woon in het huis van mijn ouders aan de [a-straat 1] te [plaats] . Gisterenavond 19 november 2016 heeft een vriend om 19.00 uur de dieren verzorgd. Volgens hem was er toen nog niets aan de hand. Vanmorgen omstreeks 11.00 uur kwamen mijn vriend en ik thuis en zag ik de deur aan de zijkant van het huis openstaan. Ik zag dat de deur beschadigd was. Ik ben naar binnen gelopen en zag dat er in de woonkamer en slaapkamer allemaal deuren en laden openstonden.

2. Een proces-verbaal van verhoor benadeelde d.d. 25 januari 2017, dossierpagina’s 3448-3550, betreffende de verklaring van [aangeefster] , voor zover inhoudende:

(dossierpagina 3449)

Ik mis uit mijn woning een witkleurig geldkistje, waarin een geldbedrag van ongeveer € 1.000,00 tot € 1.500,00 moet hebben gelegen. Dat geldkistje stond in de grootste houten kast in de woonkamer. Onder de deuren van deze kast zijn twee laden gevestigd. In de linker lade was het geldkistje verstopt.

3. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 28 september 2017, voor zover inhoudende:

Ik heb de inbraak in [plaats] gepleegd. Ik had de tip gekregen dat er in die woning veel contant geld zou liggen. Ik heb binnen in die woning flink gezocht.

4. Een proces-verbaal ambtelijk verslag d.d. 2 maart 2017, dossierpagina’s 3436-3445, betreffende een relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , voor zover inhoudende:

(dossierpagina 3439)

Sinds 14 november 2016 vond er met machtiging van de Rechter-commissaris tevens een onderzoek telecommunicatie plaats op de telefoon van de partner van [verdachte] voorzien van het Imeinummer [001] . (Parketnummer 01/880637-16 en het RC nr: 16/1832.3.)

De partner van [verdachte] betreft [betrokkene 8] . [betrokkene 8] is een nicht van de verdachte [betrokkene 9] .

Uit nader onderzoek bleek dat in de nacht van 19 en 20 november 2016 door [verdachte] , als gebruiker van een tot dan toe bij het onderzoeksteam "Klimtouw" onbekend telefoonnummer [telefoonnummer] , een aantal gesprekken/sms berichten werden gevoerd met [betrokkene 8] .

In de gesprekken werd deels in de door de […] vaker gebruikte […] taal gesproken. Deze gespreksdelen werden door twee tolken beluisterd en vertaald.

2.1.2.1: Tapgesprek 10206

Op 19 november 2016 omstreeks 23:45 uur (sessie 10206) werd door [verdachte] gebeld met zijn partner [betrokkene 8] . Beiden spraken in de […] taal. Door [verdachte] werd aangegeven dat het niet lukt en dat alles is afgesloten. Er werd gesproken over de aanwezigheid van een grote hond.

Vervolg:

In een sms bericht d.d. 20 november 2016 te 02.56 uur (sessienr. 10223) werd door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] aan [betrokkene 8] aangegeven dat hij nu aan zal rijden. In een daaropvolgend telefoongesprek op 20 november 2016 te 03.17 uur (sessienr. 10225) tussen [betrokkene 8] en [verdachte] vroeg [verdachte] of zij zijn SMS had ontvangen.

(dossierpagina 3440)

Door [betrokkene 8] werd in de […] taal gevraagd waar [verdachte] op dat moment was. [verdachte] gaf hierop in het […] aan dat hij net "ter plaatse" daar is. Hij belde met hetzelfde nummer. Om 04:12 uur volgde er een SMS bericht aan [betrokkene 8] met de mededeling: "hij is binnen", (sessienr. 10232).”

22. De bewijsoverwegingen van het hof luiden in dit verband als volgt:

“Het hof acht op grond van de in de bijlage weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 20 november 2016 schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak te [plaats] . Het hof ziet geen reden om aan de verklaring van [aangeefster] te twijfelen, inhoudende dat bij de inbraak een contant geldbedrag van € 1.000,00 tot € 1.500,00 is weggenomen en gaat uit van de juistheid van deze verklaring.”

VI. Het derde middel en de bespreking daarvan

23. Het middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van feit 2 in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv heeft doen steunen op de verklaring van één getuige, te weten de aangever, en deze tot het bewijs gebezigde verklaring van die getuige onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Juridisch kader

24. Ingevolge het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Bij de in cassatie aan te leggen toets kan de nadere motivering van de feitenrechter dat aan het bewijsminimum is voldaan, van belang zijn.10

Bespreking van het middel

25. Aan het middel is ten grondslag gelegd de opvatting dat de bewezenverklaring van feit 2 vrijwel geheel is gebaseerd op de verklaring van aangeefster [aangeefster] , terwijl het hof – behoudens de overweging dat het ‘uitgaat van de juistheid van deze verklaring’ – daar geen nadere bewijsoverwegingen aan heeft gewijd.

26. Ik volg de steller van het middel daarin niet. In de eerste plaats heeft het hof naast de verklaringen van de aangeefster een verklaring van de verdachte tot het bewijs gebezigd. Deze verklaring van de verdachte houdt in dat hij de inbraak heeft gepleegd, dat hij de tip had gekregen dat in het huis van de aangeefster veel geld zou liggen en dat hij daar flink heeft gezocht. In de tweede plaats heeft het hof de bewezenverklaring gegrond op gespreksdelen in de nacht van de inbraak, die uit het onderzoek telecommunicatie op de telefoon van de partner van de verdachte naar voren zijn gekomen. Noch de voornoemde verklaring van de verdachte, noch (kort gezegd) die gespreksdelen zijn terug te voeren op dezelfde bron. Zij zijn derhalve geschikt om zelfstandig als steunbewijs te worden gebruikt.11 Gelet daarop kan bezwaarlijk worden volgehouden dat de unus testis, nullus testis-regel door het hof is geschonden. Voor zover de steller van het middel bedoelt te betogen dat de verklaring van de aangeefster op elk onderdeel bevestiging moet vinden in andere bewijsmiddelen, gaat hij uit van een onjuiste rechtsopvatting. De unus testis-regel heeft immers geen betrekking op elk onderdeel van de tenlastelegging, maar ziet op de tenlastelegging in haar geheel. Niet elk onderdeel behoeft dubbele bevestiging en steunbewijs kan overigens tevens betrekking hebben op onderdelen van de getuigenis die niet direct de tenlastegelegde gedragingen betreffen.12

27. Tot slot is aan het middel ten grondslag gelegd het standpunt dat het hof slechts een gedeelte van de verklaring van de verdachte heeft gebezigd tot het bewijs en het gedeelte daaruit inhoudende dat hij niets uit de woning heeft weggenomen, terzijde heeft geschoven. Gelet op de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter was het hof in casu niet gehouden die keuze nader te motiveren.13 De omstandigheid dat lijnrecht tegenover de verklaring van de aangeefster staat het (niet voor het bewijs gebezigde) deel van de verklaring van de verdachte dat hij niets heeft weggenomen, maakt dat niet anders.

28. Het middel faalt in alle onderdelen.

VII. Het vierde middel en de bespreking daarvan

29. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis onder de reikwijdte van art. 6:1:1 Sv valt en dientengevolge heeft gebruikgemaakt van de in art. 6:1:1, derde lid, Sv bedoelde adviesbevoegdheid, dan wel dat het oordeel van het hof in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

30. Als onderdeel van de strafmotivering heeft het hof overwogen:

Advies omtrent de tenuitvoerlegging

Het hof heeft begrepen dat verdachte aanzienlijke vrijheidsgraden geniet tijdens de tenuitvoerlegging van zijn huidige detentie. In verband met de buitengewone ernst van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde, de grote impact die het delict heeft gehad op de plaatselijke samenleving, het belang dat de nabestaanden hebben bij het verwerken van het verlies van de overledene zonder met verdachte te worden geconfronteerd en gelet op de thans opgelegde straf, adviseert het hof op grond van artikel 6:1:1, derde lid, Sv de minister met klem om de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in een meer gesloten setting voort te zetten.”

31. Voorts staat in het dictum, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“Het hof:

[…]

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

adviseert de minister met klem om de verdere tenuitvoerlegging van de detentie in een meer gesloten setting te doen plaatsvinden;”

Juridisch kader

32. Art. 78 Sv luidt, voor zover hier relevant:

“1. Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.

[…]

4. Het bevel kan voorts in verband met bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte de plaats vermelden waarin de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan.”

33. Art. 6:1:1 Sv luidt:

“1. De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen geschiedt door Onze Minister.

2. Het openbaar ministerie verstrekt daartoe de beslissing aan Onze Minister, uiterlijk veertien dagen nadat deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

3. Het openbaar ministerie voegt daarbij, in voorkomende gevallen, het advies van de rechter omtrent de tenuitvoerlegging.”

34. Op grond van het bepaalde in art. 78, vierde lid, Sv kan de rechter die het bevel tot voorlopige hechtenis geeft daarbij richting geven aan de plaats waar deze zal moeten worden ondergaan. Volgens HR 28 oktober 1975, ECLI:NL:HR:1976:AB6265, NJ 1976/559, m.nt. Melai heeft art. 78, vierde lid, Sv geen andere strekking dan om te bewerkstelligen dat de plaats waar de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan, wordt aangewezen door de rechter die het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan heeft gegeven, en brengt dit mee dat die rechter bevoegd is te achten gedurende de tenuitvoerlegging van dat bevel een andere plaats voor het ondergaan van de voorlopige hechtenis aan te wijzen dan de in dat bevel vermelde. Aanleiding voor een aangepast advies kan bijvoorbeeld worden gevonden in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Overigens wordt in de praktijk doorgaans gebruik gemaakt van een zodanig ruime formulering dat de tenuitvoerlegging zo nodig niet in een huis van bewaring maar elders kan plaatsvinden.14

35. Art. 6:1:1 Sv – waarnaar het hof in het ‘advies omtrent de tenuitvoerlegging’ verwijst – is op 1 januari 2020 ingevoerd met de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en ziet op onder meer de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf.15 Ook voor die tijd was het al voor de strafrechter mogelijk om een advies te geven over de tenuitvoerlegging van de door hem opgelegde straf. Net als toen, is het advies ook thans niet bindend.16 De gedachtegang achter het aanvaarden van de bevoegdheid tot het geven van een advies als hier bedoeld, is dat het tot de verantwoordelijkheid van de rechter wordt gerekend zich reeds bij het nemen van zijn beslissing rekenschap te geven van de wijze van tenuitvoerlegging. Een door de rechter genomen eindbeslissing moet immers niet alleen juridisch juist, maar ten aanzien van de strafoplegging praktisch ook uitvoerbaar zijn en een strafdoel dienen;17 terecht wijst Verpalen erop dat het advies zal moeten wijken indien van praktische bezwaren in de fase van de tenuitvoerlegging sprake is.18

Bespreking van het middel

36. Nu heeft het hof in zijn strafmotivering op grond van art. 6:1:1, derde lid, Sv de minister met klem geadviseerd om de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in een meer gesloten setting voort te zetten. Ik meen dat het hier om een verschrijving gaat, zodat de vraag of het hof in zijn arrest een zodanig advies over de voortzetting van de voorlopige hechtenis kon opnemen geen beantwoording behoeft. Het is mijns inziens evident dat het hof het oog heeft op de tenuitvoerlegging van de straf in de zin van art. 6:1:1, derde lid, Sv. Dit kan worden opgemaakt uit het dictum, waarin het hof het advies eveneens heeft opgenomen, maar dan met betrekking tot de detentie. Nu de strafmotivering van het hof in zoverre verbeterd kan worden gelezen, komt daarmee aan de voorgestelde klacht feitelijke grondslag te ontvallen.

37. Overigens heb ik mij afgevraagd wat het belang van de verdachte bij zijn klacht is. Zoals blijkt uit het juridisch kader geldt dat het advies van de rechter ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de straf op grond van art. 6:1:1, derde lid, Sv, evenals het advies omtrent de voorlopige hechtenis op de voet van art. 78, vierde lid, Sv, geen bindend karakter heeft. Het laat zich eenvoudig voorstellen dat als het advies van het hof betrekking zou hebben op de voortzetting van de voorlopige hechtenis, dit op praktische bezwaren bij de tenuitvoerlegging daarvan zou stuiten. Ook in dat perspectief bezien meen ik dat het dictum hier leidend is.19

38. Het middel faalt.

VIII. Slotsom

39. Alle voorgestelde middelen falen en kunnen mijns inziens met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

40. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij akte van 14 juni 2021 is het cassatieberoep namens de verdachte partieel ingetrokken voor zover het ziet op de vrijspraak van het onder 1 primair, het onder 1 meer subsidiair en het onder 1 meest subsidiair tenlastegelegde.

2 Zie hierover uitvoeriger (onder meer) mijn conclusie vóór HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2036, NJ 2021/17 en mijn bijdrage in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 312, aant. 2 (online, actueel tot en met 9 oktober 2019).

3 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis. Zie voordien reeds HR 6 februari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB3895, NJ 1969/176 en HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443.

4 Zie o.a. HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0267, NJ 2012/677, HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3099, NJ 2014/502 en HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:951, NJ 2015/214. Er zijn ook andere standpunten verdedigd. Ik verwijs in dit verband naar de analyse in de conclusie (onderdeel 17) van mijn ambtgenoot Keulen vóór HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:281, NJ 2020/174, m.nt. Vellinga.

5 J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, achtste druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 429.

6 HR 12 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC2712, NJ 1986/782, m.nt. Melai (Hevige emoties); HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0607, NJ 2001/340; HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8303, NJ 2006/86. Ten aanzien van het gevolg bestaat de mogelijkheid van een beroep op afwezigheid van alle schuld. Naast het vereiste van opzet op (bedreiging met) geweld en het vereiste van causaal verband tussen dat geweld en de dood voorkomt de mogelijkheid van het voeren van een avas-verweer dat er sprake is van een wijze van toerekening die mogelijk in strijd zou kunnen komen met art. 6 EVRM. Vgl. in dat verband o.a. EHRM 2 juni 2005, nr. 50372/99 (Goktepe/België) en EHRM 20 januari 2011, nr. 52131/07, NJ 2012/272, m.nt. Keijzer (Haxhishabani/Luxemburg).

7 HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6397 (Groninger HIV) (rov. 2.4.4), onder verwijzing naar HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8303, NJ 2006/86 (rov. 3.5).

8 Vgl. HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:585, NJ 2017/470, m.nt. Wolswijk (rov. 2.4).

9 Zie over voorbeelden van invloed van derden op het intreden van het gevolg: De Hullu, a.w., p. 176.

10 Zie HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers, zoals herhaald in bijvoorbeeld HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095 en HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1459.

11 Vgl. HR 14 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:1247, NJ 2015/489, m.nt. Borgers.

12 Vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298, m.nt. Rozemond (rov. 2.4).

13 Zie onder meer HR 12 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC2712, NJ 1986/782, m.nt. Melai, HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480 en HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 237 en p. 251.

14 Zo ook W. Morra in T&C Strafvordering, art. 78 Sv, aant. 2 (online, actueel tot en met 1 juli 2021).

15 Stb. 2017, 82 (Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen).

16 Vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7630, NJ 2012/203 (rov. 2.3), onder verwijzing naar HR 9 april 1974, LJN AB4244, NJ 1974/244.

17 Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3 (MvT), p. 40.

18 Zie M.J.M. Verpalen in T&C Strafvordering, art. 6:1:1 Sv, aant. 5 onder a (online, actueel tot en met 1 juli 2021).

19 Vgl. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191, waarin de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen de misslag in het dictum zelf herstelt.