Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:97

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-02-2021
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
19/04970
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:306
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden (art. 282 Sr). Klacht dat geen sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking doordat de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte van onvoldoende gewicht is. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04970

Zitting 9 februari 2021

(bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 24 oktober 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 106 dagen, met aftrek van het voorarrest.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak met nummer 19/05054. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte van voldoende gewicht zijn geweest om de kwalificatie medeplegen te kunnen rechtvaardigen en dat daarom het verweer dat geen sprake is van medeplegen moet worden verworpen, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.

5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“zij op 07 augustus 2017 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid beroofd heeft gehouden, immers hebben zij, verdachte en/of een of meer van haar mededaders, toen daar opzettelijk wederrechtelijk van de vrijheid heeft gehouden, immers hebben zij, verdachte en/of een of meer van haar mededaders, toen daar opzettelijk wederrechtelijk

- die [slachtoffer] naar een woning (perceel [a-straat 1] ) gebracht en

- die [slachtoffer] vastgepakt en onder bedreiging van een bahco naar voornoemde woning begeleid en

- (daarbij) dreigend geschreeuwd “lopen, lopen” en

- die [slachtoffer] vervolgens in voornoemde woning gehouden door de (voor)deur te blokkeren en door (dreigend) een schroevendraaier vast te houden, waarbij zij, verdachte, tevens een plaats hiertoe heeft verschaft (te weten de woning aan de [a-straat 1] ).”

Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de volgende, in de bijlage bij het arrest opgenomen, bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

A. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 september 2018 verklaard - zakelijk weergegeven-:


Ik zei tegen aangever “hebben ze nog contact?” Hij zei ‘ja’. Daarna ben ik naar buiten gegaan. Mijn zoon [medeverdachte] zei dat er iemand was. De aangever zou mij iets te vertellen hebben over mijn dochter (hof: [betrokkene 2] ) en [betrokkene 3] (hof: [...] ).

B. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 oktober 2019 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik was boven in mijn woning toen in de nacht van 7 augustus 2017 te [plaats] werd aangebeld. [medeverdachte] riep dat ik naar beneden moest komen. Ik ben naar beneden gegaan. Hij zei dat er iemand was die mij iets wilde vertellen over mijn dochter [betrokkene 2] . Zij was in die tijd heel losbandig. Ik heb veel ellende met haar gehad. Ik wilde wel weten of zij weer met iets bezig was. U zegt mij dat op de camerabeelden te zien is dat ik naar de bus loop, dat ik in het raam aan de bijrijderszijde hang en dat mijn zoon [medeverdachte] achter mij staat. Ik weet dat ik "beneden"" heb gezegd. Ik ben in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] geweest.

Er is over en weer veel gedoe geweest met [betrokkene 3] (hof: [...] ) en zijn familie.

2. De eigen waarneming van het hof.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 oktober 2019 camerabeelden van de aankomst bij de [a-straat] van 7 augustus 2017 vanaf 00:44:50 bekeken en waargenomen -zakelijk weergegeven-:

Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte in het raam aan de bijrijderszijde van de bus hangt, dat zij met haar armen zwaait en dat haar zoon [medeverdachte] achter haar staat.

3. De eigen waarneming van het hof.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 oktober 2019 ook de geluidsopname bij de camerabeelden van de aankomst bij de [a-straat] van 7 augustus 2017 vanaf 00:46:00 beluisterd -zakelijk weergegeven-:

Te horen is dat de verdachte tegen haar zoon [medeverdachte] zegt: “Luister, luister nou. Weet... Dat jullie hem hebben?” Daarop antwoordt hij: “Nee, hij weet niks. Nee, ja, uhh hij was in tankstation. Ga naar boven, doe je schoenen aan, ik vertel beneden.” Ook is te horen dat [medeverdachte] even later tegen [betrokkene 4] zegt: “Hou hem goed vast. Als hij wegrent geef je hem een paar tikken op zijn hoofd”.


4. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 7 augustus 2017 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2017223462-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 21-23):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Ik wil aangifte doen van ontvoering. Ik ben tegen mijn wil en opzettelijk meegenomen en vastgehouden. Op 7 augustus 2017 omstreeks 00:45 uur was ik met mijn neef [betrokkene 5] . Wij reden richting de Esso op de [b-straat] te 's-Gravenhage. Ik stapte uit en liep naar de Esso shop. Tijdens het pinnen hoorde ik iemand met hoge toeren aan komen rijden. Ik zag dat dit een witte bus betrof, volgens mij een Ford Transit. Ik zag dat mijn neef wegreed, want zij kwamen met drie man op hem af. Toen ik naar buiten liep, zag ik dat ze op mij af kwamen. Ik kan de mannen als volgt omschrijven:

De hoofdverdachte heet [betrokkene 6] volgens mij. Verdachte 2 is het broertje van [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) Volgens mij noemen ze hem [betrokkene 1] . Verdachte 3 is een vriend van verdachte 2. Ik weet niet hoe hij heet. Ik zag dat [betrokkene 6] naar mij toe liep met een schroevendraaier in zijn rechterhand. Ik voelde een steek in mijn rug en zag dat hij de schroevendraaier op mijn rug had ter hoogte van mijn ruggenwervels. Ik voelde dat hij er lichte druk op had gezet.

Ik hoorde dat [betrokkene 6] zei dat ik moest instappen in de bus. Man 3 kwam erbij en greep mij om mijn nek heen en hield mij zo vast. [betrokkene 6] had mij bij mijn rechterarm vast en de schroevendraaier in mijn rug en zo liepen we naar de witte bus. Ik werd er naar toe gedwongen. Ik werd tegen mijn wil en opzettelijk meegenomen.

We stopten uiteindelijk op de [a-straat 1] te [plaats] . [betrokkene 1] stapte uit de bus en riep zijn moeder die ook op de [a-straat 1] woont. Zijn moeder heet [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] naar beneden kwam lopen. Ik hoorde dat [betrokkene 6] zei “kijk eens wie wij hebben, dit is [slachtoffer] . Wat gaan we met hem doen? Naar boven of beneden?” Ik hoorde dat [verdachte] antwoordde met “beneden”. Man 3 pakte mij weer op mijn nek heen en hield in zijn andere hand de baco vast. Ik werd begeleid naar de voordeur van perceel nr. [1] . [betrokkene 6] was al in de woning, en stond in de woonkamer. In de woning waren [verdachte] , [betrokkene 6] , [betrokkene 1] , man 3 en [medeverdachte] . Hij liet mij de plek zien waar ik moest gaan zitten. [betrokkene 6] zat naast mij naar mij gedraaid en liet weer de schroevendraaier zien. [betrokkene 6] vroeg aan mij of ik [medeverdachte] kende. Ik zei dat ik haar alleen één keer via de telefoon had gesproken en één keer buiten had gezien. [betrokkene 6] liet weer de schroevendraaier zien en zei dat ik loog. [betrokkene 6] zei dat ik moest vertellen wat ik wist. [medeverdachte] zag licht bij het raam, deed dat open en zag politie. [betrokkene 6] was al weg. Ik liep naar het raam en klom er uit. Ik werd opgevangen door de politie.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 augustus 2017 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-20172234 62-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 24-26):


als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:


Ik ben getuige van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Op 7 augustus 2017 omstreeks 00:50 uur was ik in het huis van mijn oma op de [a-straat 2] in [plaats] .


Ik was hier onder meer samen met mijn moeder. Ik woon zelf op de [a-straat 1] te [plaats] . Op dat moment hoorde ik dat de deurbel ging. Toen ik beneden de deur opende zag ik mijn broertje, [medeverdachte] , voor de deur staan. Ik hoorde hem vervolgens tegen mij zeggen: “Roep mamma, nu meteen, schiet op!” Mijn moeder is [verdachte] . Ik zag toen dat mijn moeder naar beneden rende. Ik ben boven voor het raam gaan staan en heb het raam open gedaan.

Ik zag een witte bus voor de deur staan, een witte grote Transporter. Ik zag dat mijn moeder naast de bus stond en met haar vuist zwaaide en met haar wijsvinger in de bus wees.


Ik hoorde mijn broertje hard schreeuwen. Ik hoorde hem zeggen “Lopen, lopen, lopen”. Ik ben toen naar mijn huis gelopen. Ik zag mijn moeder, mijn broertje en [betrokkene 4] . Mijn broertje en [betrokkene 4] stonden tussen de voordeur en de woonkamer in. Ik ben vervolgens doorgelopen naar de woonkamer. Ik zag [slachtoffer] op de bank zitten. Ik ken hem als een vriend van [betrokkene 3] en hij werkt bij mijn schoonvader. Ik zag dat [betrokkene 6] naast [slachtoffer] op de bank zat en een schroevendraaier in zijn hand hield. Ik zag dat hij de schroevendraaier tegen de keel van [slachtoffer] hield. Ik zag angst in de ogen van [slachtoffer] . Ik hoorde [betrokkene 6] tegen [slachtoffer] zeggen: “Een verkeerde beweging en ik steek hem er gewoon in”.

6. Een proces-verbaal eerste beelden aankomst Ford Transit bij [a-straat] d.d. 9 augustus. 2017 van de politie districtsrecherche Den Haag-West met nr. 49. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 92-95):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op foto 3 is een Ford Transit zichtbaar, op bewegende beelden duidelijk met kenteken [kenteken 1] . Naast het voertuig zijn twee personen zichtbaar, een vrouw en een man.

Om 00:44:50 uur gaat de vrouw in gesprek met de inzittenden in de Transit. Tussen 00:45:20 en 00:45:45 gaan vrouw 1 en man met petje de portiek in. tussen 00:45:25. en 00:45:38 uur hebben vrouw 1 en man met petje een conversatie. Man met petje noemt vrouw 1 ‘mam’ waarbij onder andere het volgende gezegd wordt:

Vrouw 1: Luister, luister nou, Weet.. dat jullie hem hebben?

Man met petje: Nee hij weet niks. Nee, ja, uhh hij was in tankstation. Ga naar boven, doe je. schoenen aan, ik vertel beneden”.

De man met petje laat de man met geruite blouse los en loopt terug naar de Ford Transit om de deur dicht te doen. Hij zegt daarbij om 00:46:35 het volgende: ‘hou hem goed vast. Als hij wegrent geef je hem een paar tikken op zijn hoofd’.


7. Het-proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag, van 16 maart 2018. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als de op genoemde datum tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 8] :

Ik was op 7 augustus 2018 in de woning van de oma van [betrokkene 2] aan de [a-straat] . Mijn neefje [medeverdachte] bonkte op de deur. [medeverdachte] schreeuwde dat zijn moeder (mijn tante) snel moest komen. We keken toen uit het raam en daar stond een busje. Mijn tante ging naar beneden. We zagen hun uit het raam gebaren maken met hun handen en we hoorden hen schreeuwen.

Mijn tante en [medeverdachte] stonden buiten het busje te schreeuwen tegen iemand in het busje. Toen gingen we naar beneden en kijken naar de woning van [betrokkene 2] . [betrokkene 4] ( [betrokkene 4] ) stond in die gang, bij de deur. In de woonkamer zagen we [betrokkene 6] , [slachtoffer] en [medeverdachte] . Mijn tante was ook in die woning. [betrokkene 6] was met een schroevendraaier bezig.

8. Een proces-verbaaI van verhoor verdachte d.d. 13 augustus 2017 van de Districtsrecherche Den Haag-West met nr. 67. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergegeven – (blz. 450):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 8]:


[verdachte] zei nog tegen me: ‘we hebben alleen informatie nodig van deze jongen’.”

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 oktober 2019 houdt in dat de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities. Het in deze pleitnota vervatte bewijsverweer heeft het hof in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak van de verdachte van het ten laste gelegde bepleit wegens het ontbreken van bewijs van medeplegen. Zij stelt zich op het standpunt dat er geen vooropgezet plan was, dat de verdachte niets afwist van hetgeen zich heeft afgespeeld voorafgaand aan de aankomst van het busje met de medeverdachten en slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) op de [a-straat] en dat geen sprake was van enige dwang om hem in de woning te houden. Voor de verdachte was ook volstrekt niet duidelijk dat [slachtoffer] mogelijk tegen zijn zin vastgehouden werd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af.

Op 7 augustus 2017 om 00.47 uur kreeg de politie melding van een ontvoering. In die nacht hebben de aangever ( [slachtoffer] ) en de medeverdachten ( [betrokkene 6] , [medeverdachte] (de zoon van verdachte en [betrokkene 4] elkaar getroffen bij het Esso tankstation aan de [b-straat] te Den Haag. [slachtoffer] was daar met [betrokkene 5] . [betrokkene 5] is de broer van [betrokkene 3] . Toen [betrokkene 6] , [medeverdachte] en [betrokkene 4] bij het benzinestation kwamen, is [betrokkene 5] met de auto weggereden. Toen [slachtoffer] uit de winkel van het tankstation naar buiten kwam, is hij meegenomen in het busje, waarin [betrokkene 6] , [betrokkene 4] en [medeverdachte] zaten.

Vervolgens leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende af.

Het busje is vervolgens gereden naar de [a-straat] in [plaats] . Daar wonen verdachte, haar zoon – de medeverdachte [medeverdachte] – en haar dochter [betrokkene 2] . Verdachte had er moeite mee dat [betrokkene 2] een relatie had met [betrokkene 3] . [slachtoffer] is een vriend van de broer van [betrokkene 3] en een werknemer van de vader van [betrokkene 3] .

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij toen hij op de [a-straat] was aangekomen medeverdachte [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) tegen verdachte heeft horen zeggen: “Kijk eens wie wij hebben, dit is [slachtoffer] (hof: [slachtoffer] ). Wat gaan we met hem doen? Naar boven of beneden?” Hij hoort vervolgens dat de verdachte antwoordde met “beneden”.

Verder blijkt uit de camerabeelden met geluidsopnamen bij de [a-straat] , zoals die ter zitting zijn afgespeeld, dat de verdachte tegen haar zoon [medeverdachte] zegt: “Luister, luister nou. Weet ... dat jullie hem hebben?” Hij antwoordt daarop: “Nee, hij weet niks. Nee, ja, uhh hij was in tankstation. Ga naar boven, doe je schoenen aan, ik vertel beneden”.

Ook is te horen dat [medeverdachte] even later tegen [betrokkene 4] zegt: “Hou hem goed vast. Als hij wegrent geef je hem een paar tikken op zijn hoofd”.

[slachtoffer] wordt vastgepakt door [betrokkene 4] die de bahco nog in zijn hand had en [slachtoffer] samen met medeverdachte [medeverdachte] naar de benedenwoning ( [a-straat] nr. [1] ) begeleidt. [slachtoffer] moest in de woonkamer plaatsnemen en wordt ondervraagd door [betrokkene 6] , die de schroevendraaier vasthoudt en ermee dreigt.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat zij aan [slachtoffer] onder meer heeft gevraagd “hebben ze nog contact” en dat hij ja zei.

Haar zoon medeverdachte [medeverdachte] verzocht haar naar beneden te komen want er was een jongen die informatie had over haar dochter [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (hof: ( [...] ).

[betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) heeft verklaard dat zij in de woning van haar oma aan de [a-straat 2] was toen haar broertje [medeverdachte] ( [medeverdachte] ) aan de deur kwam en haar sommeerde hun moeder, de verdachte, te halen. Toen haar moeder naar beneden ging, zag [betrokkene 2] , door het raam een witte bus voor de deur staan. Op enig moment hoorde ze haar broertje hard schreeuwen: “lopen, lopen, lopen”. Toen [betrokkene 2] naar haar eigen woning (nr. [1] ) ging trof ze daar [slachtoffer] , [betrokkene 6] , de verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 4] aan. [betrokkene 4] en [medeverdachte] stonden tussen de voordeur en de deur van de woonkamer in. Ook zag zij dat [betrokkene 6] naast [slachtoffer] zat en een schroevendraaier in zijn hand hield, waarmee hij heeft gedreigd.

[betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8] ) heeft bij de rechter-commissaris op 16 maart 2018 verklaard dat zij op 7 augustus 2018 in de woning van de oma van [betrokkene 2] was toen haar neefje [medeverdachte] ( [medeverdachte] ) op de deur bonkte. [medeverdachte] schreeuwde dat zijn moeder snel moest komen. Ze zag een busje staan. Haar tante (de verdachte) en [medeverdachte] stonden buiten het busje te schreeuwen tegen iemand in het busje. Dat verdachte bij het busje stond is ook te zien op de camerabeelden. Daarop is ook te zien dat zij met haar armen zwaait. Toen gingen ze kijken bij de woning van [betrokkene 2] . [betrokkene 4] stond daar in de gang, bij de deur. In de woonkamer zag ze [betrokkene 6] , [slachtoffer] en [medeverdachte] . De verdachte was ook in de woning.

In de woning heeft de verdachte tegen [betrokkene 8] gezegd “er is niets aan de hand, ja, we hebben alleen informatie nodig van deze jongen”.

Op de camerabeelden heeft het hof tevens waargenomen dat de verdachte eerder in het raam aan de bijrijderszijde van de bus hangt.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten vanaf het moment dat de verdachte op de [a-straat] door de medeverdachten betrokken werd bij de ontvoering van het slachtoffer, is komen vast te staan. Immers: toen de medeverdachten, die aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid aan het beroven waren, met aangever bij de woning aankwamen, was het verdachte die bepaalde naar welke woning aangever moest worden gebracht. Verdachte is zelf naar de woning waar aangever naar toe is gebracht en waar hij werd vastgehouden, gegaan. In haar bijzijn is het slachtoffer ondervraagd over de relatie tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 7] .

Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.”

8. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn of haar mededader(s). Deze kwalificatie is bovendien slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en/of helpen bij de vlucht, dan rust op de rechter die niettemin oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering nauwkeurig te motiveren waarin het medeplegen heeft bestaan. In zijn beoordeling kan de rechter onder meer acht slaan op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Vooral in dergelijke andere, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.1 Uit zijn nadere bewijsoverwegingen blijkt dat het hof dit beoordelingskader in acht heeft genomen bij de beoordeling van de vraag of de verdachte als medepleger van het feit kan worden aangemerkt.

9. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op het delict van art. 282, eerste lid, Sr. Ingevolge die bepaling is het strafbaar opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven of beroofd te houden. Mede gelet op de omstandigheid dat in die bepaling het beroven en beroofd houden naast elkaar zijn strafbaar gesteld, moet worden aangenomen dat daaronder wordt verstaan het zonder daartoe gerechtigd te zijn iemand doen vertoeven op een plaats waarvan of waaruit deze zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen, ook al heeft de dader niet het opzet de toestand van vrijheidsbeneming langere tijd dan enige minuten te laten (voort)duren. Ook dan is immers het iemand beroven van de vrijheid om te gaan en te staan waar hij wil door hem dat zonder enig recht te beletten, voltooid.2 Het delictsbestanddeel ‘beroofd houden’ brengt voorts met zich dat de gedragingen van degene die zelf in de aanvankelijke beroving van de vrijheid geen aandeel heeft, maar de door een of meer anderen gepleegde vrijheidsberoving wel wederrechtelijk voortzet, onder het bereik van de strafbepaling vallen.3

10. Aan de verdachte is in de onderhavige zaak tenlastegelegd dat zij tezamen en in vereniging met anderen de aangever wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van het van de vrijheid beroven van de aangever en van de in de tenlastelegging omschreven feitelijke gedragingen die door de mededaders zijn verricht voordat de aangever op de [a-straat] te [plaats] werd gebracht. Bewezen acht het hof wel dat de verdachte de aangever tezamen en vereniging met anderen wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd heeft gehouden nadat [betrokkene 6] , [medeverdachte] en [betrokkene 4] hem naar de woning van de verdachte op de [a-straat] hadden gebracht.

11. Ten aanzien van de rol van de verdachte bij het op de [a-straat] van de vrijheid beroofd houden van de aangever, heeft het hof blijkens de bewijsvoering het volgende feitelijk vastgesteld. De verdachte had er moeite mee dat haar dochter een relatie had met [betrokkene 3] , een vriend van de broer van de aangever en de zoon van de werkgever van de aangever. [betrokkene 6] , [betrokkene 4] en de zoon van de verdachte, [medeverdachte] , hebben de aangever ontvoerd en in een busje naar de woning van de verdachte gebracht. Toen zij bij de woning aankwamen is de verdachte naar buiten gegaan. De verdachte heeft staan schreeuwen tegen iemand in het busje. [betrokkene 6] zei tegen de verdachte “Kijk eens wie wij hebben” en “Wat gaan we met hem doen? Naar boven of beneden?”, waarop de verdachte antwoordde met “beneden”. Aan haar zoon heeft de verdachte gevraagd of een derde wist dat zij de aangever ‘hadden’. Tegen de getuige [betrokkene 8] heeft de verdachte gezegd dat er niets aan de hand was en dat “wij” – waarmee kennelijk waren bedoeld de verdachte en haar mededaders – van de aangever alleen wat informatie nodig hadden. De verdachte was in haar woning aanwezig toen de aangever daar in de woonkamer tegen zijn wil werd vastgehouden. Zij heeft de aangever zelf ook bevraagd over de relatie tussen haar dochter en [betrokkene 3] , door hem te vragen of zij nog contact hadden.

12. Zou de rol van de verdachte beperkt zijn gebleven tot het ten behoeve van de voortzetting van de vrijheidsberoving (het ‘beroofd houden’) ter beschikbaar stellen van haar woning, dan zou dit mijns inziens een gedraging betreffen die met medeplichtigheid in verband pleegt te worden gebracht.4 Het oordeel dat sprake was van medeplegen zou dan een bijzondere nadere motivering behoeven. Uit zijn vaststellingen heeft het hof evenwel kunnen afleiden dat de rol van de verdachte bij het op de [a-straat] van de vrijheid beroofd houden van de aangever beduidend groter is geweest, en wel zodanig dat sprake was van een gezamenlijke uitvoering. Uit de bewijsvoering kan immers worden afgeleid dat de verdachte na de aankomst van het busje bij haar woning naar beneden is gekomen, dat zij daar met de inzittenden van het busje heeft gesproken, hen heeft geïnstrueerd in de woning niet naar boven maar naar beneden te gaan, en ernaar heeft geïnformeerd of een derde wist dat zij de aangever hadden, dat zij tegen een getuige heeft gezegd dat “wij” informatie van de aangever nodig hebben, dat de verdachte in de woning aanwezig was toen de aangever daar werd vastgehouden en dat zij de aangever zelf heeft bevraagd over het contact tussen haar dochter en [betrokkene 3] .

13. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met haar mededaders en dat de bijdrage van de verdachte aan (de gezamenlijke uitvoering van) het delict van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof, ook in het licht van het in hoger beroep gevoerde verweer, niet gehouden, zodat de bewezenverklaring in dit opzicht naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed.

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond; en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:221, NJ 2020/141, m.nt. Vellinga.

2 HR 23 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8856, NJ 1985/891.

3 Zie in deze zin A.J. Machielse, ‘Art. 282’, in: Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, Deventer: Kluwer, aant. 5 en P.P.J. van der Meij, in: T&C Strafrecht, art. 282, aant. 8c.

4 Vgl. HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:929, NJ 2015/394, m.nt. Mevis. In die zaak kon naar het oordeel van de Hoge Raad uit de bewijsvoering niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte aan het bewezenverklaarde wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd door het ter beschikking stellen van voertuigen waarmee de ‘beroving’ van de vrijheid werd gefaciliteerd en het zich niet distantiëren van de gedragingen van de mededaders.