Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:969

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-08-2021
Datum publicatie
12-10-2021
Zaaknummer
19/05291
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1507
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Identiteitsbewijs ex art. 231 Sr. Art. 1 Wet op de Identificatieplicht. Art. 2 Paspoortwet. Is de valse Iraakse identiteitskaart een identiteitsbewijs a.b.i. art. 231 Sr? Blijkens de MvT bij de wijziging van art. 231 Sr waarbij “Nederlandse identiteitskaart” is vervangen door “identiteitsbewijs” moet het gaan om erkende identiteitsbewijzen en vallen niet erkende identiteitsbewijzen onder de werkingssfeer van art 225 of 326 Sr. Het oordeel van het hof dat het identiteitsbewijs i.c. een identiteitsbewijs a.b.i. art. 231 Sr is, is niet begrijpelijk. Opmerking verdient dat het in HR:2020:451 ging om een (valse) identiteitskaart met de functie om de houder ervan het reizen en het verblijf in andere landen te vergemakkelijken en deze daarom als “reisdocument” gold. I.c. is niet gebleken dat het bewijs in kwestie die functie had. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05291

Zitting 31 augustus 2021

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

  1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 november 2019 het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 17 juli 2018 bevestigd waarbij de verdachte was veroordeeld wegens ‘een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan zij weet dat het vals is’, behoudens ten aanzien van de strafoplegging, en bepaald dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring vermelde Iraakse identiteitskaart een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht oplevert, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.

4. Voorafgaand aan de bespreking van het middel geef ik de bewezenverklaring, de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging weer.1

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘zij op 19 december 2017 te Alkmaar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Iraakse identiteitskaart met nummer [001] met tenaamgestelde [verdachte], waarvan zij, verdachte, wist dat deze vals was, voorhanden heeft gehad.’

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een aangifteformulier gemeente Alkmaar, opgemaakt door [betrokkene 1]. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:


Op 19 december 2019 verscheen voor mij, [betrokkene 1], ambtenaar van de gemeente Alkmaar, [verdachte], geboren te [geboorteplaats]. Zij verzocht om aanpassing van haar geboortedatum van […] 1969 naar [geboortedatum] 1980. Zij legde een Iraakse identiteitskaart over. Het stuk is opgestuurd naar bureau Documenten. Zij gaf toe dat de identiteitskaart die was gebruikt voor haar eerste inschrijving, was gebaseerd op valse informatie.


2. Een brief van de gemeente Alkmaar met kenmerk PDV/BZ van 9 oktober 2019, opgemaakt door [betrokkene 2], Unitmanager Publieke Dienstverlening. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:


Op 19 december 2017 is [verdachte] aan de balie geweest en heeft zij de originele identiteitskaart overgelegd. Het document is die dag voor onderzoek op echtheid verzonden naar bureau documenten van de IND.


3. Een verklaring van onderzoek van het Bureau Documenten van de IND van 3 januari 2018, opgemaakt door [betrokkene 3], documentdeskundige. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:


Ik heb een echtheidsonderzoek uitgevoerd naar een document van [verdachte]. Het betreft een Irakees identiteitskaart met nummer [001], afgegeven op 8 januari 1999. Op het document is een andere geboortedatum aangebracht ([…] 1969 vs. [geboortedatum] 1980).


4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 12 april 2018, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de 12 april 2018 tegenover voornoemde verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:


Mijn naam is [verdachte], ik ben geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] in Irak. Op 19 december 2017 ben ik bij de gemeente Alkmaar geweest om mijn geboortedatum aan te passen van […] 1969 naar [geboortedatum] 1980. U houdt mij voor dat de IND onderzoek heeft gedaan naar mijn Iraaks identiteitsbewijs en dat gebleken is dat deze vals is. De IND heeft gelijk, want ik ben niet geregistreerd op de datum die op het identiteitsbewijs staat.’

7. Het hof heeft in het bestreden arrest een gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

‘De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit en heeft daartoe – kort weergegeven – aangevoerd dat de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde identiteitskaart niet op 19 december 2017 voorhanden heeft gehad, dat deze kaart niet vals was en dat de verdachte niet wist dat deze vals was.


Het hof overweegt als volgt.
Uit het aangifteformulier en de (door de raadsman overgelegde) brief van de gemeente Alkmaar van 9 oktober 2019 volgt dat de verdachte op 19 december 2017 aan de balie van de gemeente Alkmaar is geweest en aldaar een identiteitskaart en een nationaliteitsverklaring heeft overgelegd. Deze documenten zijn voor onderzoek op echtheid verzonden naar het Bureau Documenten van de IND. Een documentendeskundige van de IND heeft geconstateerd dat op de identiteitskaart als geboortedatum […] 1969 in plaats van [geboortedatum] 1980 is vermeld. De verdachte heeft verklaard dat de geboortedatum op het document inderdaad onjuist was.


Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verdachte op 19 december 2017 te Alkmaar een identiteitsbewijs voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist dat dit vals was. Het hof deelt niet de opvatting van de raadsman dat alleen het Bureau Echtheidsonderzoeken (en dus niet het Bureau Documenten) van de IND deugdelijke uitspraken kan doen over de valsheid van documenten als de onderhavige.

Het verweer wordt derhalve in alle onderdelen verworpen.’

8. De steller van het middel voert aan dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring vermelde Iraakse identiteitskaart geen identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht jo. art. 231 Sr is. Ter onderbouwing wordt gewezen op de documenten die in art. 1 Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen als documenten waarmee de identiteit van personen kan worden vastgesteld.

9. Art. 231, eerste en tweede lid, Sr luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:2

‘1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.


2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.’

10. Art. 1 Wet op de identificatieplicht luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:3

‘1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:


1°. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart en vervangende Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet;


2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;


3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;


4°. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.


2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan, al dan niet voor een bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen.’

11. Art. 2, eerste en tweede lid, Paspoortwet luidden ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:4

‘1. Reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden zijn:


a. nationaal paspoort;


b. diplomatiek paspoort;


c. dienstpaspoort;


d. reisdocument voor vluchtelingen;


e. reisdocument voor vreemdelingen;


f. nooddocument;


g. andere reisdocumenten, door Onze Minister vast te stellen.

2. Identiteitskaarten van het Europese deel van Nederland zijn de Nederlandse identiteitskaart en de vervangende Nederlandse identiteitskaart. Hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van reisdocumenten is van overeenkomstige toepassing op de Nederlandse identiteitskaart en de vervangende Nederlandse identiteitskaart, tenzij anders is bepaald.’

12. Art. 50, eerste lid, laatste volzin, Vreemdelingenwet 2000 bepaalt en bepaalde ten tijde van het tenlastegelegde feit dat bij algemene maatregel van bestuur de documenten worden aangewezen ‘waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie’. Art. 4.21, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 bepaalde ten tijde van het tenlastegelegde feit:

‘1. Als documenten in de zin van artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Wet, worden aangewezen:


a. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld bij ministeriële regeling;


b. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet: een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart, indien zij de nationaliteit van een staat bezitten als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, of, indien zij een zodanige nationaliteit niet bezitten:


1°. een geldig nationaal paspoort met een voor inreis benodigd visum, indien na inreis nog geen 90 dagen zijn verstreken;


2°. een geldig nationaal paspoort met een stempel van de inreis, indien voor inreis geen visum benodigd is en na inreis nog geen 90 dagen zijn verstreken;


3°. een geldig nationaal paspoort met een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 8.13, vierde lid, indien na afgifte van de verklaring nog geen zes maanden zijn verstreken; of


4°. een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verblijfsdocument als bedoeld in artikel 8.13, vijfde lid, dan wel artikel 8.20, eerste lid;


c. voor vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend, dan wel verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdeel m, van de Wet: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling;


d. voor vreemdelingen, anders dan bedoeld onder c, die rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel f, g, h, j of k, van de Wet hebben en die niet beschikken over een ingevolge de Wet vereist geldig document voor grensoverschrijding: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, dat kan worden voorzien van een inlegvel als bedoeld in artikel 4.29, derde lid, waarop de verblijfsrechtelijke positie is aangetekend;


e. voor andere vreemdelingen: een ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend of waarin een aantekening omtrent de verblijfsrechtelijke positie is geplaatst.’

13. Een Iraakse identiteitskaart is geen reisdocument als bedoeld in art. 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e of g Paspoortwet. Het is evenmin een Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in art. 2, tweede lid, Paspoortwet. En het is ook geen document waarover een vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Ook is geen sprake van een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort als bedoeld in art. 1, eerste lid, onder 3o, Wet op de identificatieplicht, of van een rijbewijs als omschreven in art. 1, eerste lid, onder 4o, Wet op de identificatieplicht.

14. Op grond van art. 1, tweede lid, Wet op de identificatieplicht is het identiteitsbewijs geprivilegieerden aangewezen als een document voor de vaststelling van de identiteit van personen.5 Het artikellid vormt voorts de basis voor een regeling waarin wordt bepaald dat voor de uitoefening van het kiesrecht aan de identificatieplicht kan worden voldaan met in art. 1, eerste lid, Wet op de identificatieplicht genoemde documenten die op de dag van de stemming maximaal vijf jaren hun geldigheid hebben verloren.6 En op dit artikellid is ook een regeling gebaseerd waarin een identiteitsbewijs dat is afgegeven aan een zich voor de dienstuitoefening in Nederland bevindende militair in nader omschreven gevallen is aangewezen als een document waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld.7 Geen van die gevallen doet zich hier voor, zodat ook niet gebleken is dat de Minister van Veiligheid en Justitie het reisdocument op grond van art. 1, tweede lid, van de Wet op de identificatieplicht heeft aangewezen als document ter vaststelling van de identiteit van personen.

15. Al met al volgt uit dit samenstel van bepalingen dat de Iraakse identiteitskaart niet, zoals bewezenverklaard, een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 Wet op de identificatieplicht is. Dat betekent dat het middel slaagt. De vraag is evenwel of het slagen van het middel ook tot cassatie leidt.

16. In dat verband is van belang dat art. 231 Sr ook spreekt over een ‘reisdocument’. In HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:451, NJ 2020/130 deed zich de vraag voor of een identiteitskaart van de Republiek Slovenië kon worden aangemerkt als een reisdocument in de zin van art. 231 Sr.8 Uw Raad overwoog in dat verband:

‘2.3.2 Voor de uitleg die gegeven moet worden aan het begrip ‘reisdocument’ is de volgende wetsgeschiedenis van belang:


- de memorie van toelichting bij het voorstel van rijkswet dat heeft geleid tot de Rijkswet van 26 september 1991, houdende het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten (Paspoortwet, Stb. 1991, 498):


“Vanouds wordt het reisdocument beschouwd als een verzoek van de staat aan buitenlandse autoriteiten om de houder ervan «vrije doortocht te verlenen en zo nodig hulp en bijstand te verschaffen». De belangrijkste functie van het reisdocument is dan ook de houder ervan het reizen van en naar het buitenland, alsmede diens verblijf aldaar te vergemakkelijken.


(...)


In zijn huidige Paspoortinstructie en de daarop gebaseerde specifieke Voorschriften inzake reisdocumenten heeft de minister bijzondere reisdocumenten in het leven geroepen, zoals de identiteitskaarten (toeristenkaarten) A, B en C, het laissez-passer en de collectieve paspoorten. In het wetsvoorstel is de mogelijkheid om dergelijke speciale reisdocumenten in te stellen, gehandhaafd.


(...)


Tegen degenen, die frauduleuze handelingen plegen zal evenals thans strafrechtelijk dienen te worden opgetreden.


Op dit moment geschiedt dit in Nederland op grond van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht.


(...)


Getracht is (...) alle misdrijven welke met betrekking tot reisdocumenten kunnen worden begaan in één artikel samen te brengen. Overwogen is of een dergelijke strafbepaling in de Paspoortwet zelf zou kunnen worden opgenomen, doch deze wet heeft voornamelijk betrekking op Nederlandse reisdocumenten, terwijl het huidige artikel 231 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht zich ook uitstrekt tot buitenlandse reispassen, veiligheidskaarten of reisorders. Gekozen is daarom voor een wijziging van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht.”


(Kamerstukken II 1987/88, 20 393, nr. 3, p. 19, 21, 74 en 75.)


- de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de verbetering van de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden, Stb. 2014, 125:


“In navolging van artikel 438, eerste lid, onderdeel 1e, Sr wordt voorgesteld in het aangepaste artikel 231 Sr de begrippen «identiteitsbewijs» en «reisdocument» naast elkaar te hanteren en niet louter te kiezen voor identiteitsbewijs. Handhaving van het begrip «reisdocument» is van belang omdat zowel buitenlandse reisdocumenten als nooddocumenten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Paspoortwet, niet als identiteitsbewijs in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen. Deze twee reisdocumenten zouden buiten de werkingssfeer van artikel 231 Sr komen te vallen, indien het begrip «reisdocument» zou komen te vervallen. Anders dan het College van procureurs-generaal in zijn advies veronderstelt, hebben de buitenlandse reisdocumenten en de nooddocumenten alleen maar de functie om te kunnen reizen van het ene naar het andere land en geen identificerende functie zoals de andere reisdocumenten die in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht als identiteitsbewijs zijn aangewezen. Het begrip «reisdocument» dient dan ook in artikel 231 Sr naast het begrip «identiteitsbewijs» gehandhaafd te blijven.”


(Kamerstukken II 2011/12, 33 352, nr. 3, p. 15-16.)

2.3.3


2.3.3 De artikelen 4 lid 1 en 5 lid 1 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU 2004, L 158, hierna: Richtlijn 2004/38/EG) luiden:


“Artikel 4 – Uitreisrecht


Onverminderd het bepaalde met betrekking tot reisdocumenten bij nationale grenscontroles, heeft de burger van de Unie die voorzien is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, alsmede familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die voorzien zijn van een geldig paspoort, het recht het grondgebied van een lidstaat te verlaten om zich naar een andere lidstaat te begeven.


(...)


Artikel 5 – Inreisrecht


Onverminderd het bepaalde met betrekking tot reisdocumenten bij nationale grenscontroles, laten de lidstaten de burger van de Unie die voorzien is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, alsmede familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die voorzien zijn van een geldig paspoort, hun grondgebied binnenkomen.”

2.4. Uit de onder 2.3.2 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis volgt dat het begrip ‘reisdocument’ in artikel 231 Sr betrekking heeft op documenten die de functie hebben om de houder ervan het reizen van en naar het buitenland, alsmede zijn verblijf daar te vergemakkelijken. Daaronder vallen ook buitenlandse reisdocumenten. Uit de hiervoor onder 2.3.3 weergegeven regelgeving volgt dat lidstaten van de Europese Unie (hierna: EU) een burger van de EU die is voorzien van een geldige identiteitskaart hun grondgebied laten binnenkomen en dat deze burgers tevens het recht hebben het grondgebied van een lidstaat te verlaten met een geldige identiteitskaart.


Gelet hierop is het oordeel van het hof dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring vermelde identiteitskaart van de Republiek Slovenië, welke Republiek een lidstaat is van de EU, kan worden aangemerkt als een ‘reisdocument’ in de zin van artikel 231 Sr, juist.’

17. Kenmerkend voor het begrip reisdocument is volgens Uw Raad de functie: het reizen van en naar het buitenland alsmede het verblijf aldaar voor de houder te vergemakkelijken. Ook buitenlandse reisdocumenten vallen volgens Uw Raad onder het begrip. Als dit functionele aspect de doorslag geeft, kan ook een Iraakse identiteitskaart als een reisdocument worden aangemerkt.

18. Uw Raad verwijst in rov. 2.4 evenwel ook naar Richtlijn 2004/38/EG, en leidt daaruit af dat lidstaten van de EU een burger van de EU die is voorzien van een geldige identiteitskaart hun grondgebied laten binnenkomen en dat deze burgers tevens het recht hebben het grondgebied van een lidstaat te verlaten met een geldige identiteitskaart. ‘Gelet hierop’, zo vervolgt Uw Raad, is ’s hofs oordeel dat de ‘identiteitskaart van de Republiek Slovenië, welke Republiek een lidstaat is van de EU, kan worden aangemerkt als een ‘reisdocument’ in de zin van artikel 231 Sr, juist’. Dat zou zo kunnen worden gelezen dat een document eerst een reisdocument in de zin van art. 231 Sr is als daar in verband met het naar het buitenland reizen of aldaar verblijven rechten aan verbonden zijn. Als die juridische status van het document de doorslag geeft, staat niet vast dat een Iraakse identiteitskaart als reisdocument kan worden aangemerkt. Mij zijn geen (internationale) rechtsinstrumenten bekend die aan de houder van een dergelijke identiteitskaart (in Nederland) rechten verlenen die met het reizen naar of verblijven in een ander land samenhangen.

19. In verband met deze interpretatievraag is van belang dat art. 231 Sr zoals dat in 1886 in werking trad, niet sprak over een reisdocument maar over een ‘reispas, veiligheidskaart, of reisorder’. Geen van de drie begrippen werd daarbij nader toegelicht.9 Remmelink wees in verband met de ‘reispas’ op HR 6 maart 1939, ECLI:NL:HR:1939:17, NJ 1939/821.10 Uw Raad overwoog in dat arrest dat ‘het hier geldt een ambtelijk stuk, uitgegeven met de bestemming om dengene, op wien het betrekking heeft, tot buitenlandsch paspoort te dienen, en dat als zoodanig ook door de buitenlandsche overheid wordt aanvaard; dat nu een stuk, dat in het internationale verkeer vooromschreven functie vervult, zeker als een reispas in den zin van art. 231 van het Wetboek van Strafrecht is aan te merken’. Ook ‘toeristenkaarten of identiteitskaarten’ zouden er volgens Remmelink evenwel onder vallen. Over het begrip ‘veiligheidskaart’ merkte hij op dat uit de Notulen van de Commissie De Wal kan worden afgeleid dat het ‘een functie kan vervullen tijdens de Staat van Beleg’ en ‘dus wel een soort vrijgeleide’ zal zijn. Een ‘reisorder’ zou een ‘schriftelijke opdracht van een overheidsinstantie zijn om een reis te maken’.

20. Al met al lijkt bij de begrenzing van het oude art. 231 Sr niet centraal te hebben gestaan of aan de betreffende documenten (op basis van internationale rechtsinstrumenten, in andere landen) rechten konden worden ontleend. Doorslaggevend lijkt te zijn geweest dat de documenten van overheidswege werden verstrekt, en dat zij in de praktijk in andere landen of door andere mogendheden als middel van identificatie werden aanvaard.11

21. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de wet die de genoemde drie begrippen in art. 231 Sr verving door het begrip ‘reisdocument’ is de volgende passage opgenomen (met weglating van een voetnoot):12

‘Behalve op deze Nederlandse reisdocumenten, hebben de voorgestelde bepalingen ook betrekking op buitenlandse reisdocumenten. In het huidige artikel 231 worden naast reispassen ook genoemd de veiligheidskaart en de reisorder. Wat precies onder veiligheidskaart moet worden verstaan blijkt volgens Noyon-Langemeyer-Remmelink nergens. Daar wordt aangenomen dat het een soort vrijgeleide zal zijn. Het lijkt dan ook niet nodig de veiligheidskaart nog in het artikel te noemen. Een reisorder zal aldus genoemd commentaar een schriftelijke opdracht van een overheidsinstantie zijn om een reis te maken. Normaliter zal dit een buitenlandse reis zijn. Een dergelijke reisorder valt naar mijn mening ook onder het begrip «reisdocument», zodat aparte vermelding niet nodig is.’

22. In het bijzonder uit de laatste zin van deze passage kan naar het mij voorkomt worden afgeleid dat de functie van een – van overheidswege verstrekt – document als middel van identificatie bij reizen van en naar en het verblijf in andere landen bij de interpretatie van het begrip reisdocument centraal staat.

23. In die stand van zaken is geen wijziging gebracht toen in 2014 in art 231 Sr na ‘reisdocument’ werd ingevoegd: ‘of Nederlandse identiteitskaart’.13 Deze wijziging hing samen met het besluit om de Nederlandse identiteitskaart in de Paspoortwet niet meer de formele status van reisdocument toe te kennen.14 De wijziging strekte ertoe te bewerkstelligen dat de strafbaarstelling ‘ook na de statuswijziging van de Nederlandse identiteitskaart mede betrekking (bleef) hebben op Nederlandse identiteitskaarten. Met de statuswijziging van de Nederlandse identiteitskaart is niet beoogd verandering aan te brengen in het toepassingsbereik’ van art. 231 Sr. 15

24. Ook de wijziging, later in 2014, waarbij de strafbaarstelling zijn huidige vorm kreeg en naast het begrip ‘reisdocument’ de begrippen ‘identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht’ en ‘ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang’ kwamen te staan, heeft in die stand van zaken geen wijziging gebracht.16 Uit de passage in de memorie van toelichting die Uw Raad in het arrest van 17 maart 2020 citeert17, volgt dat handhaving van het begrip ‘reisdocument’ van belang wordt geacht omdat ‘buitenlandse reisdocumenten (…) niet als identiteitsbewijs in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen’. Uit deze memorie van toelichting blijkt naar het mij voorkomt niet dat het begrip ‘reisdocument’ voortaan (in relatie tot buitenlandse documenten) anders zou dienen te worden geïnterpreteerd. Daarmee spoort dat Uw Raad de Sloveense identiteitskaart in genoemd arrest als een reisdocument in de zin van art. 231 Sr heeft aangemerkt.

25. In dat licht begrijp ik de verwijzing in de geciteerde overweging van Uw Raad onder 2.4 naar Richtlijn 2004/38/EG als een verduidelijking van de eerste twee zinnen. De richtlijn verheldert de functie van de Sloveense identiteitskaart als reisdocument. Van een reisdocument is niet eerst sprake als een (internationaal) rechtsinstrument aan dat document rechtsgevolgen verbindt. Daarvan uitgaand is ook een Iraakse identiteitskaart een reisdocument.

26. Ik wijs er in dit verband ook nog op dat de reikwijdte van art. 231 Sr in 2014 is uitgebreid tot identiteitsbewijzen die afgegeven zijn door diensten of organisaties van vitaal of nationaal belang. De memorie van toelichting verduidelijkt dat bij deze categorie identiteitsbewijzen ‘kan worden gedacht aan de pas die toegang geeft tot de Staten-Generaal, een vliegveld of een kerncentrale en die binnen die organisatie tevens de functie van identiteitsbewijs heeft. Een ander voorbeeld van een dergelijk identiteitsbewijs is de pas waarmee een politiefunctionaris zich ten opzichte van een burger of binnen de politieorganisatie legitimeert’.18 Ook bij deze categorie identiteitsbewijzen, die buiten het klassieke domein van art. 231 Sr vallen, geldt kennelijk niet de eis dat (internationale) rechtsinstrumenten daaraan rechtsgevolgen verbinden. Dat maakt het nog minder voor de hand liggend die eis binnen dat klassieke domein wel te stellen.

27. Indien Uw Raad, met mij, ook de Iraakse identiteitskaart als een reisdocument aanmerkt, meen ik dat de bewezenverklaring verbeterd kan worden gelezen. Ik neem daarbij in aanmerking dat aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij in de bewezenverklaarde periode ‘een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (…) voorhanden heeft gehad’. In ieder geval ontbreekt in dit licht belang bij cassatie, nu het hof na terugwijzing tot een verbeterde bewezenverklaring kan komen.

28. Het eerste middel leidt niet tot cassatie.

29. Het tweede middel behelst de klacht dat bij het uitspreken van het arrest ter zitting van het Gerechtshof Amsterdam op 11 november 2019 geen griffier aanwezig was. Daarvan zou in het proces-verbaal melding zijn gemaakt door het doorkrassen van een naam. Daardoor zou het proces-verbaal van die zitting geen weergave bevatten van de door de griffier aangetekende inachtneming van vormen en niet mede door de griffier zijn vastgesteld en ondertekend.

30. Art. 362, eerste lid, Sv luidt: ‘Het vonnis wordt uitgesproken in een openbare zitting der rechtbank. De officier van justitie en de griffier zijn hierbij aanwezig.’ Ingevolge art. 415, eerste lid, Sv is art. 362, eerste lid, Sv van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

31. Op de openbare zitting waar het vonnis wordt uitgesproken zijn een aantal voorschriften van toepassing. De uitspraak geschiedt zo mogelijk door de voorzitter of door een der rechters die over de zaak heeft geoordeeld (art. 362, tweede lid, Sv). Voor de verdachte die zich tijdens het onderzoek ter terechtzitting door een tolk heeft laten bijstaan en die bij de uitspraak aanwezig is, wordt de uitspraak vertolkt (art. 362, derde lid, Sv). De verdachte die zich ter zake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt, is bij de uitspraak tegenwoordig, tenzij hij daartoe buiten staat is of hij mondeling of schriftelijk te kennen heeft gegeven weg te willen blijven (art. 363, eerste lid, Sv). En indien de verdachte bij het uitspreken van het vonnis tegenwoordig is, geeft de voorzitter hem mondeling kennis van het rechtsmiddel dat tegen het vonnis openstaat, en van de termijn, waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend (art. 364, eerste lid, Sv). Ook deze voorschriften zijn ingevolge art. 415, eerste lid, Sv van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

32. In HR 26 oktober 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB6070, NJ 1977/93 m.nt. Van Veen stelde Uw Raad ambtshalve vast dat bij de stukken van het geding onder meer niet aanwezig was een proces-verbaal ‘van een terechtzitting alwaar het bestreden arrest is uitgesproken’. Uw Raad overwoog dat dientengevolge niet kon worden nagegaan of in acht was genomen ‘al hetgeen in art. 362, eerste lid, i.v.m. art. 415 Sv. op straffe van nietigheid is voorgeschreven, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet het geval is geweest’, en vernietigde het bestreden arrest. Daaruit kan worden afgeleid dat het ontbreken van een proces-verbaal van de terechtzitting waar het arrest is uitgesproken grond geeft tot cassatie.

33. In het onderhavige geval bevindt zich bij de stukken van het geding wel een ‘proces-verbaal uitspraak’ van het Gerechtshof Amsterdam, afdeling strafrecht, dat ‘de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 11 november 2019’ betreft. Het proces-verbaal vermeldt parketnummer 23-002733-18, en geeft aan dat de raadsheer de zaak tegen de verdachte doet uitroepen. Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat de verdachte niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig is en dat de raadsman/raadsvrouw niet aanwezig is. Uit de omstandigheid dat ‘tolk’ is doorgestreept kan voorts worden afgeleid dat geen tolk aanwezig was. Vermeld wordt dat de raadsheer het arrest uitspreekt.

34. Waar het om gaat is dat het proces-verbaal aangeeft dat ‘(t)egenwoordig zijn: mr. A.M. van Woensel, raadsheer’, dat de vermelding daaronder van ‘mr. M.C.W. van der Voort, griffier’ is doorgestreept, dat dit deel tevens is omcirkeld, dat voor deze regel een ‘krulletje’ is geplaatst en dat in de zin ‘Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend’ de woorden ‘en de griffier’ zijn doorgestreept. Navraag bij het gerechtshof leerde dat het niet om een misslag in het proces-verbaal gaat; de uitspraak is gedaan zonder dat daarbij een griffier aanwezig was. De reactie van het hof is aan de steller van het middel voorgelegd, die daarop heeft aangegeven het middel te handhaven.

35. De wet stelt geen nietigheid op het niet naleven van art. 362, eerste lid, Sv. Dat was in 1926 anders. Het aanvankelijke tweede lid, dat bepaalde dat het niet nakomen van het eerste lid nietigheid ten gevolge had, is geschrapt door de Wet vormverzuimen.19 Deze wijziging werd als volgt toegelicht: ‘Artikel 362, eerste lid: uitspraak door drie rechters is op straffe van nietigheid voorgeschreven. De Hoge Raad heeft deze bepaling al gerelativeerd. Derhalve wordt voorgesteld de formele nietigheid te schrappen.’20 Daarbij wordt in een voetnoot verwezen naar drie arresten. In HR 6 december 1983, DD84.166 was bij de behandeling ter terechtzitting wel maar bij de uitspraak geen tolk aanwezig. Uw Raad oordeelde dat de verdachte niet in zijn belangen was geschaad nu hij aldaar had doen blijken het gesprokene te begrijpen. In HR 25 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9591, NJ 1987/686 was in het proces-verbaal van de terechtzitting waar uitspraak was gedaan bij vergissing een verkeerde datum vermeld. In HR 24 november 1987, DD 88.127 ten slotte was de officier van justitie niet bij de uitspraak aanwezig geweest; dat leidde niet tot cassatie. Uw Raad heeft ook in 2011 nog geoordeeld over een zaak waarin de advocaat-generaal niet bij de uitspraak aanwezig was. Uw Raad overwoog dat de wet op dat verzuim geen nietigheid stelt. En dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft ‘bij zijn klacht over de niet-nakoming van voormeld voorschrift, dat uitsluitend strekt ter behartiging van de belangen van het openbaar ministerie’.21

36. Er is derhalve in beginsel ruimte voor relativering van voorschriften die in art. 362 Sv zijn opgenomen. Die ruimte is er naar het mij voorkomt evenwel niet waar het de aanwezigheid van de rechter en de griffier betreft. In art. 362, tweede lid, Sv ligt besloten dat de uitspraak door een rechter geschiedt. Uit art. 326, eerste lid, Sv volgt dat de uitspraak geschiedt op een openbare zitting en kan worden afgeleid dat de griffier, wiens aanwezigheid is voorgeschreven, het proces-verbaal van die terechtzitting houdt. De bepaling die de aanwezigheid van de griffier voorschrijft, leent zich tegen deze achtergrond en uit zijn aard niet voor relativering.22

37. Dat wordt niet anders in het licht van de omstandigheid dat art. 327 Sv de mogelijkheid openlaat dat het proces-verbaal zonder medewerking van de griffier wordt vastgesteld voor zover hij ‘tot een en ander buiten staat is’. Deze bepaling ziet slechts op de vaststelling van het proces-verbaal, en maakt het mogelijk om ook als een door de griffier gehouden proces-verbaal der terechtzitting niet door deze kan worden vastgesteld, desalniettemin een proces-verbaal vast te stellen.23 Deze uitzondering op de regel inzake de vaststelling van het proces-verbaal laat niet toe dat de rechter het proces-verbaal ‘houdt’. Het gaat bij art. 326, eerste lid, Sv om een zelfstandige, eigen verantwoordelijkheid van de griffier.24 Ik wijs er in dit verband ook nog op dat in de literatuur wordt aangenomen dat bij uiteenlopende opvattingen van de voorzitter of rechter enerzijds en de griffier anderzijds bij het vaststellen van het proces-verbaal beide opvattingen daarin dienen te worden neergelegd.25

38. Het tweede middel slaagt.

39. Het eerste middel leidt niet tot cassatie. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

40. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik merk daarbij op dat het hof de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen heeft vervangen door de na te noemen bewijsmiddelen, de ‘bespreking van de verweren’ in het vonnis heeft vervangen door een andere bewijsoverweging en dat het hof heeft gerespondeerd op het in hoger beroep gevoerde verweer dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

2 Sinds de inwerkingtreding van de Wet van 12 maart 2014, Stb. 125 op 1 mei 2014.

3 Na de inwerkingtreding van de Rijkswet van 10 februari 2017, Stb. 53 op 1 maart 2017.

4 Na de inwerkingtreding van de Rijkswet van 10 februari 2017, Stb. 53 op 1 maart 2017. Het artikel is nadien gewijzigd door de Rijkswet van 6 maart 2020, Stb. 104.

5 Regeling van de Minister van Justitie van 7 augustus 1997, Stcrt. 1997, 150.

6 Regeling van de Minister van Justitie van 28 april 2010, Stcrt. 7041.

7 Regeling van de Minister van Justitie van 15 februari 2005, Stcrt. 36.

8 Zie eerder al HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5248, NJ 2010/425, over valse Duitse identiteitskaarten.

9 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 2e druk, bewerkt door J.W. Smidt, deel II, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 269.

10 Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, Arnhem: Gouda Quint, losbladig, 7e druk, supplement 11, aant. 2 bij art. 231.

11 Vgl. ook HR 21 april 1913, ECLI:NL:HR:1913:BG9429, NJ 1913, p. 961 (Reispasarrest), waarin Uw Raad sprak over ‘de bestemming van zoodanig stuk als middel ter identificatie’.

12 Kamerstukken II 1987/88, 20 652, nr. 3, p. 3.

13 Rijkswet van 18 december 2013, Stb. 2014, 10.

14 Kamerstukken II 2012/13, 33 440 (R 1990), nr. 3, p. 6.

15 Kamerstukken II 2012/13, 33 440 (R 1990), nr. 3, p. 18.

16 Wet van 12 maart 2014, Stb. 125.

17 Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 352, nr. 3, p. 15-16.

18 Kamerstukken II 2011/12, 33 352, nr. 3, p. 15.

19 Wet van 14 september 1995, Stb. 441. Het artikel is nadien nog gewijzigd door de Wet van 15 januari 1998, Stb. 33.

20 Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3, p. 24.

21 HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2107, NJ 2011/543, onder verwijzing naar HR 10 januari 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC1200, NJ 1978/451.

22 In die zin begrijp ik ook A. Dingemanse, in Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 8.2 bij art. 362 Sv (actueel t/m 1 oktober 2005).

23 Zie bijvoorbeeld HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2651, NJ 2010/45.

24 Zie Melai/Groenhuijsen e.a., art. 326 Sv, aant. 1 (actueel t/m 1 augustus 1993).

25 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 710-711 en B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 509.