Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:961

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-08-2021
Datum publicatie
12-10-2021
Zaaknummer
20/02102
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1502
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Zedenzaak, artt. 246, 248 en 249 Sr. Feitelijke aanranding van een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige en ontucht met een andere minderjarige in de hoedanigheid als sportmasseur/fysiotherapeut. Bijzondere voorwaarde, art. 14c.2 sub 14 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1215. De i.c. door het hof gestelde bijzondere voorwaarde: “de verdachte zorgt ervoor dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene, die kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde” is in strijd met genoemde bepaling omdat het niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de veroordeelde of hij zich in een ruimte met minderjarigen zal bevinden en of hierbij een volwassene aanwezig zal zijn die toezicht houdt en bovendien kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde. HR vernietigt de bijzondere voorwaarde en verwerpt het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02102

Zitting 31 augustus 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 7 juli 2020 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1 primair ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige’, 2 subsidiair ‘de eendaadse samenloop van ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige en werkzaam in de gezondheidszorg ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd’ veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft bijzondere voorwaarden opgelegd en deze dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts heeft het hof de verdachte ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van sportmasseur en/of fysiotherapeut voor de duur van 3 jaren, de onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen voorwerp bevolen en een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toegewezen.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel keert zich tegen de bewijsconstructie met de klacht dat niet is voldaan aan artikel 342, tweede lid Sv, doordat het hof het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten de aangever. Alvorens het middel te bespreken geef ik de bewezenverklaring van dit feit, de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van het hof weer.

4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

‘hij op 08 februari 2017 te Rotterdam ontucht heeft gepleegd heeft gepleegd met een, in verdachtes hoedanigheid van sportmasseur/fysiotherapeut, aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000, en terwijl hij werkzaam was als sportmasseur/fysiotherapeut ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000, die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd,

bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte,

- meermalen zijn hand in de onderbroek van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en

- (vervolgens) de penis van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en deze uit de onderbroek van die [slachtoffer 2] heeft gehaald en

- (daarbij) aan die [slachtoffer 2] heeft toegevoegd de woorden: “Hij is mooi” en “Mag ik hem zuigen?”

5. In de aanvulling is geen onderscheid gemaakt tussen de bewijsmiddelen die op feit 1 betrekking hebben en de bewijsmiddelen die op feit 2 betrekking hebben. De bewezenverklaring onder 2 steunt in het bijzonder op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 januari 2018 verklaard - zakelijk weergegeven -:

(…) U bespreekt met mij het tweede tenlastegelegde feit. Ik ben sportmasseur van beroep. De aangever [slachtoffer 2] is bij mij geweest en ik heb hem gemasseerd. Ik zag dat hij een erectie had gekregen.

(…)

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 oktober 2017 van Politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 11 oktober 2017 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik heb gemasseerd bij [A] . Ik heb daar een jongen die ik [slachtoffer 2] noem een massage gegeven. Ik was zijn benen aan het masseren. Ik heb een massage gegeven op zijn rug en de achterzijde van zijn benen. Ik heb toen gezegd dat hij zich op zijn rug moest keren. Ik was bezig met de voorzijde van zijn benen.

(…)

9. Een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 16 februari 2017 van Politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaren:

Informatief gesprek met: [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000. Betrokkene zit in de voetbalselectie van vereniging [A] te Rotterdam .

Op 8 februari 2017 zou hij op de voetbal door de vaste fysiotherapeut worden behandeld aan zijn knie waar hij al een tijdje last van had. De fysio stelde voor om alles te behandelen en gaf aan dat hij op zijn buik kon gaan liggen. Hij heeft bij de betrokkene vervolgens diens rug, armen, kuiten en schouderbladen gemasseerd. De betrokkene had daarvoor zijn onderhemd uitgedaan en droeg alleen nog een wat ruimer vallende boxer. Nadat de achterzijde was gedaan, zou de fysio zijn bovenbenen en zijn knie gaan behandelen. De fysio haalde op een gegeven moment geheel onverwacht de piemel van betrokkene via de rechterpijp van zijn boxer uit zijn boxer.

De fysio zei toen: "Mag ik hem zuigen" waarop de betrokkene, zijn piemel weer terug in zijn boxer deed en "nee" zei tegen zijn fysio. Daarna pakte de fysio wederom zijn piemel op dezelfde manier uit zijn boxer en zei: "Hij is mooi". Betrokkene gaf aan dat de fysio zijn piemel heen en weer deed. Toen hij wegliep zei de fysio tegen de betrokkene dat hij het tegen niemand moest vertellen en het geheim moest houden.

De betrokkene is vervolgens naar huis gefietst en heeft onderweg heel hard geschreeuwd en gehuild. Hij gaf aan dat hij het verschrikkelijk vond en het niet kon geloven dat dit hem was overkomen en dit had laten gebeuren en hij niks had gedaan om de fysio tegen te houden. Onderweg heeft de betrokkene zijn trainer gebeld en het verhaal verteld. Deze trainer adviseerde hem om het tegen zijn ouders te gaan vertellen wat hij later ook heeft gedaan.

10. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 11 oktober 2017 van Politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 11 oktober 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik heb na de intake geen contact meer met de politie opgenomen, omdat ik er niet meer over wilde praten. Ik wilde één keer mijn verhaal doen en er daarna niet meer over praten.

Ik hoorde dat hij ook verdacht was van een andere zaak. Ik begreep dat als ik hier mijn verhaal zou doen, dat zou kunnen helpen om die man terecht te laten stellen. Met deze aangifte wil ik bereiken dat er na dit gesprek meer informatie is en dat het duidelijk is wat er is gebeurd. Zodat die man gestraft kan worden voor zijn daad. De persoon tegen wie ik aangifte doe, heet [verdachte] .

Op 8 februari 2017 was ik bij de voetbalclub [A] . Daar was ik na de training naar de fysio gegaan. Ik had een blessure aan mijn knieholte en bovenbeen. Ik moest mijn bovenkleding uit doen. Ik had alleen nog een onderbroek aan. Op een gegeven moment pakte hij mijn penis vast en veegde ik zijn hand weg. Hij pakte hem vast en toen sloeg ik zijn hand weg. Hij zei: "Mag ik hem vastpakken?" Ik veegde zijn hand weg en zei: "Niet doen". Hij heeft mijn penis aangeraakt en vroeg of hij mij mocht zuigen. Ik heb toen weer zijn hand weggeduwd.

Hij pakte mijn penis vast en deed zijn hand van links naar rechts. Dit was de keer dat hij zijn hand in mijn broek deed. Mijn penis is uit mijn boxer geweest. Nadat ik zijn hand had weggeduwd had de fysio mijn piemel gepakt en gezegd: "Hij is mooi".

De bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.’

6. Het hof heeft in het bestreden arrest voorts de volgende bewijsoverweging opgenomen (met weglating van verwijzingen):

‘De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van de aangever veel tegenstrijdigheden bevatten en mitsdien onvoldoende betrouwbaar zijn om op grond daarvan tot een bewezenverklaring te komen. Nu voor die verklaringen bovendien geen (objectief) steunbewijs voorhanden is en de verdachte het feit van meet af aan heeft ontkend, dient vrijspraak te volgen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

Op 15 februari 2017 heeft een informatief gesprek met aangever [slachtoffer 2] plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft de aangever verklaard dat hij op 8 februari 2017 vanwege knieklachten door de fysiotherapeut (het hof: verdachte) van zijn voetbalclub te Rotterdam was behandeld. Deze had voorgesteld om alles te behandelen en tegen de aangever gezegd dat hij op zijn buik kon gaan liggen. Vervolgens had de fysiotherapeut de rug, armen, kuiten en schouderbladen van de aangever gemasseerd. De aangever had zijn onderhemd uitgedaan en alleen een wat ruimer vallende boxer gedragen. Nadat de fysiotherapeut de achterzijde had gemasseerd, ging hij de bovenbenen en knie behandelen. Daartoe is de aangever op zijn rug gaan liggen. Op een gegeven moment voelde de aangever dat de fysiotherapeut geheel onverwacht de penis uit zijn boxer had gehaald. De fysiotherapeut vroeg of hij hem mocht zuigen; de aangever deed daarop de penis weer terug in zijn boxer en zei "Nee". Daarna had de fysiotherapeut wederom de penis uit de boxer gepakt onder toevoeging van de woorden: "Hij is mooi". Bij het vastpakken van de penis had de fysiotherapeut hem heen en weer bewogen.

Toen de behandeling was beëindigd had de fysiotherapeut tegen de aangever gezegd dat hij het tegen niemand moest vertellen en dat hij het geheim moest houden.

Onderweg naar huis heeft de aangever heel hard geschreeuwd en gehuild. Hij kon niet geloven dat dit hem was overkomen en dat hij niets had gedaan om de fysiotherapeut tegen te houden. Ook heeft hij zijn trainer gebeld. Die adviseerde hem om het aan zijn ouders te vertellen, wat de aangever later ook heeft gedaan.

Pas nadat de aangever had gehoord dat de fysiotherapeut van een andere zaak werd verdacht, heeft hij op 11 oktober 2017 aangifte tegen hem gedaan. Aanvankelijk had de aangever niet meer willen praten over wat hem was overkomen. Door aangifte te doen hoopte hij meer duidelijkheid te kunnen verschaffen over hetgeen tussen hem en de fysiotherapeut was voorgevallen en hoopte hij dat de fysiotherapeut voor zijn gedragingen zou worden bestraft. De naam van de fysiotherapeut bleek [verdachte] te zijn.

Het hof heeft aan de hand van de aangifte (…) vastgesteld dat die op hoofdlijnen overeenkomt met wat de aangever tijdens het informatief gesprek op 15 februari 2017 heeft verklaard.

Uit de aangifte volgt namelijk dat de verdachte meermalen de penis van de aangever heeft vastgepakt, dat hij de penis uit de boxershort van de aangever heeft gehaald, aangeraakt en gevraagd of hij hem mocht zuigen. Ook dat de verdachte heeft gezegd dat hij hem mooi vond en de penis met zijn hand van links naar rechts heeft bewogen.

Over de wijze waarop de verdachte de penis uit de boxershort van de aangever heeft gehaald, heeft de aangever in zijn aangifte ietwat wisselend verklaard. Tegen het einde van de aangifte heeft hij op de vraag: "Hoe ging die hand in jouw boxer?" geantwoord: "Ik denk van de onderkant, als ik dat de eerste keer gezegd heb. Toen zat het nog beter in mijn geheugen" (…).

Nu het hof heeft vastgesteld dat de verklaringen van de aangever op hoofdlijnen gelijkluidend en consistent zijn, is het hof van oordeel dat die verklaringen voldoende betrouwbaar zijn en mitsdien voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De omstandigheid dat de aangever in zijn tweede verklaring (de ruim acht maanden later gedane aangifte) op een onderdeel wisselend heeft verklaard en zich bepaalde details niet meer kon herinneren, doet hieraan niet af. Het is een feit van algemene bekendheid dat door tijdsverloop herinneringen van details kunnen vervagen. Dat zulks het geval was, blijkt ook uit het feit dat de aangever bij de uiteindelijke aangifte heeft verklaard dat het incident bij het eerste informatieve gesprek beter in zijn geheugen zat.

Het hof is voorts van oordeel dat voor de verklaringen van de aangever voldoende steunbewijs voorhanden is. Dat steunbewijs betreft de op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 januari 2018 afgelegde verklaring van de verdachte, die verklaarde dat hij de aangever op 8 februari 2017 op de voetbalclub te Rotterdam , alwaar de verdachte als sportmasseur werkzaam was, had gemasseerd. De verdachte had toen gezien dat de aangever een erectie kreeg.

Het hof acht op grond van de verklaringen van de aangever en de op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Dit brengt mee dat het verweer van de verdediging wordt verworpen.’

7. Art. 342, tweede lid, Sv, luidt:

‘Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.’

8. Uw Raad hanteert bij deze bewijsminimumregel de volgende standaardoverweging:1

‘Volgens het tweede lid van art. 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen (…).

Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.’

9. Niet vereist is dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde (ontuchtige) gedragingen.2 Bepalend is of de (door de aangever) gereleveerde feiten en omstandigheden voldoende steun vinden in het overige door het hof gebezigde bewijsmateriaal. Daarbij mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen die verklaring en dat overige bewijsmateriaal.3 Het vereiste van voldoende steun lijkt het beste te kunnen worden omschreven als een eis van inhoudelijk verband. Die eis strekt er vooral toe, dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.4

10. Het hof heeft in de nadere bewijsoverweging de verklaring weergegeven die de aangever in het informatief gesprek heeft afgelegd. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de aangifte op hoofdlijnen overeenkomt met wat de aangever tijdens het informatief gesprek heeft verklaard en geoordeeld dat beide verklaringen voldoende betrouwbaar zijn en mitsdien voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof heeft vervolgens gemotiveerd uiteengezet waarom de verklaringen van de aangever voldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal.5 Het hof stelt daaromtrent vast dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij de aangever op 8 februari 2017 op de voetbalclub te Rotterdam , waar hij als sportmasseur werkzaam was, had gemasseerd en dat hij had gezien dat de aangever een erectie kreeg.

11. De steller van het middel betoogt dat de omstandigheid dat een massage werd gegeven niet direct iets zegt over de vraag of er ontuchtige handelingen hebben plaatsgehad. En dat de verdachte wat betreft de erectie die hij zou hebben waargenomen heeft verklaard dat dit vaker voorkomt bij het geven van massages. Dit gegeven zou derhalve niet zonder meer een specifieke omstandigheid in deze zaak zijn.

12. Een en ander staat er naar het mij voorkomt niet aan in de weg dat het hof heeft kunnen oordelen dat voor de verklaring van de aangever voldoende steun te vinden is in de verklaring van de verdachte. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat hij op de dag waarop de ontuchtige handelingen volgens de aangever hebben plaatsgevonden, de aangever een (sport)massage heeft gegeven én dat hij tijdens die massage een erectie bij de aangever heeft waargenomen. Daarin ligt besloten dat niet alleen de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict uit het steunbewijs volgt, maar ook de setting waarin het delict heeft plaatsgevonden en een seksueel element dat de directe aanleiding tot de strafbare gedragingen kan zijn geweest. Ik merk daarbij nog op dat de verdachte in een verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd (bewijsmiddel 4) bevestigt dat hij de aangever, die in verband met een knieblessure naar hem toe kwam (bewijsmiddel 9) een massage heeft gegeven waar lichaamsdelen bij zijn betrokken die met deze blessure niet direct in verband staan. Tegen deze achtergrond kan niet gezegd worden dat de door de aangever gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.6

13. Het eerste middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt dat de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, inhoudend dat de verdachte ervoor zorgt dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene die kennis draag van de veroordeling van de veroordeelde, niet toelaatbaar is, aangezien dit geen het gedrag van de veroordeelde betreffende voorwaarde zou betreffen als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 14o, Sr.

15. Aan de deels voorwaardelijke gevangenisstraf heeft het hof een proeftijd en algemene en bijzondere voorwaarden verbonden. Het hof heeft (onder meer) als bijzondere voorwaarde gesteld dat:

‘- de verdachte wordt verplicht zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt te houden aan de volgende gedragsbepalingen:

(…)

º (II) de verdachte zorgt ervoor dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene, die kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde;

(…)

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.’

16. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten luidde artikel 14c, tweede lid, Sr, voor zover in cassatie van belang, als volgt:

‘Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daar van, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:

(…)

14º andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.’

17. Als ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’ kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Zo’n voorwaarde dient voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift te formuleren.7 Een voorwaarde waarvan de vervulling mede afhankelijk is van gedrag van anderen is niet een voorwaarde die (alleen) het gedrag van de veroordeelde betreft.8

18. De steller van het middel wijst op HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2981, NJ 2015/431. In die zaak werd de verdachte wegens (kort gezegd) verkrachting en ontucht met een minderjarige, beide meermalen gepleegd, veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van vijf jaren. Eén van die bijzondere voorwaarden hield in ‘dat gedurende de proeftijd geen minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig mogen zijn in de manege (waaronder de stallen en/of de rijbak en/of de kantine) van de veroordeelde’. Uw Raad oordeelde dat deze voorwaarde in strijd was met art. 14c, tweede lid onder 14o, Sr, ‘omdat het niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de veroordeelde of in de manege (waaronder de stallen en/of de rijbak en/of de kantine) minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig zullen zijn.’ De steller van het middel betoogt dat dit ook geldt voor de in de onderhavige zaak door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, nu deze niet zozeer op het gedrag van de verdachte als wel ‘op het gedrag van de minderjarige of van de volwassene’ ziet.

19. Ook andere arresten geven inzicht in de grenzen van te stellen gedragsvoorwaarden. In HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1400, NJ 2016/329 was onder meer de bijzondere voorwaarde gesteld dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd (kort gezegd) op geen enkele wijze over zijn ex-partner en kinderen mocht uiten behoudens ten behoeve van gerechtelijke procedures en in gesprekken met instanties die daarbij betrokken waren. Uw Raad oordeelde dat deze voorwaarde gelet op de duur en de mate waarin zij de verdachte in zijn uitingsvrijheid beperkte, in strijd was met art. 14c, tweede lid onder 14o, Sr, en nam daarbij mede in aanmerking dat de voorwaarde ook in de weg stond aan uitingen door de verdachte die in het licht van de genoemde maatstaven (bevorderen goede levensgedrag; uit oogpunt maatschappelijke betamelijkheid gehouden) ‘niet ontoelaatbaar moeten worden geacht, waaronder uitingen over zijn ex-partner en zijn kinderen in persoonlijke of medische kring’. In HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2392, NJ 2017/389 was onder meer de bijzondere voorwaarde gesteld dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zou opnemen, zoeken of hebben met beide slachtoffers ‘dan wel relaties van voornoemde personen’. Uw Raad oordeelde dat in deze voorwaarde voor zover zij betrekking had op ‘relaties van voornoemde personen’ niet een voldoende precies gedragsvoorschrift was geformuleerd en vernietigde de bijzondere voorwaarde in zoverre. In HR 1 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1347, NJ 2021/182 m.nt. Vellinga liet Uw Raad evenwel een voorwaarde in stand die inhield dat de verdachte gedurende de proeftijd ‘enkel contact heeft met (zijn) kinderen onder toeziend oog van hulpverlening/andere volwassenen, indien en voor zover de reclassering dit nodig acht’.

20. Met de steller van het middel meen ik dat de door het hof gestelde voorwaarde mede afhankelijk is van het gedrag van anderen. De formulering maakt duidelijk dat de voorwaarde niet alleen ziet op situaties waarin zich reeds één of meer minderjarigen bevinden in de betreffende ruimte, en het daarmee van een gedraging van de verdachte afhankelijk is of hij zich met minderjarigen in één ruimte gaat bevinden. De steller van het middel noemt het voorbeeld van een openbaar toilet waarin de verdachte de enige aanwezige is totdat een tweede toiletbezoeker binnenloopt die minderjarig is. De in aanmerking komende ruimten zijn voorts niet nader gepreciseerd. Ook grotere ruimtes, zoals een bioscoopzaal, zouden daar onder kunnen worden begrepen. Mede in dat licht omvat de voorwaarde ook gedragingen die in het licht van de maatstaven welke bij de ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’, van toepassing zijn, niet ontoelaatbaar moeten worden geacht. Te denken valt in het bijzonder aan situaties waarin zich in de betreffende ruimte een groot aantal personen bevinden, en de verdachte en de minderjarige geen contact hebben. Ik merk tenslotte op dat de verdachte ook het gedrag van volwassenen die kennis dragen van zijn veroordeling niet altijd in de hand heeft.

21. Het middel slaagt.

22. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Uw Raad kan de zaak om redenen van doelmatigheid zelf afdoen en de betreffende bijzondere voorwaarde vernietigen.9

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde ‘de verdachte zorgt ervoor dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene, die kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde’ en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie: HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. Borgers en meer recent, in een wat aangepaste formulering, HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2034.

2 Vlg. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298 m.nt. N. Rozemond, rov. 2.4.

3 Vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512 (rov. 3.4) m.nt. Borgers onder NJ 2010/515. Het oordeel dat van voldoende steun sprake was werd niet zonder meer begrijpelijk geoordeeld in HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189, NJ 2018/297 m.nt. N. Rozemond en in HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:637, NJ 2020/254 m.nt. W.H. Vellinga.

4 Vlg. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, tiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 850 – 851.

5 Het hof heeft de vraag of aan het bewijsminimum voldaan is derhalve duidelijk onderscheiden van de vraag of het de verklaring van de aangever betrouwbaar achtte.

6 Ik laat daarbij rusten dat ook aan de bewijsmiddelen die in het bijzonder betrekking hebben op het andere (onder 1) bewezenverklaarde feit nog steunbewijs voor het onder 2 bewezenverklaarde feit zou kunnen worden ontleend.

7 Vgl. onder meer HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248, rov. 2.3.2.

8 Zie: F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 347-348. Zie naast de daar genoemde rechtspraak ook HR 19 mei 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4195, NJ 1981/419 m.nt. Van Veen.

9 Vlg. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2981, NJ 2015/431 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1400, NJ 2016/329. De mogelijkheid om de gestelde voorwaarde zodanig aan te passen dat deze aan de daaraan te stellen eisen voldoet (vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2392, NJ 2017/389) doet zich hier naar het mij voorkomt niet voor.