Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:953

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-10-2021
Datum publicatie
09-11-2021
Zaaknummer
20/02691
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 21 Auteurswet. Onrechtmatige daad. Filmpje waarin bekende Formule 1-coureur op persiflerende wijze wordt nagespeeld door lookalike. ‘Portret’ als bedoeld in art. 21 Auteurswet? Onrechtmatig profiteren van verzilverbare populariteit van de coureur? Exclusief recht op exploitatie van verzilverbare populariteit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02691

Zitting 8 oktober 2021

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

1. M.E. Verstappen

2. Mavic S.À.R.L.

(hierna: ‘ Verstappen ’, ‘Mavic’ en gezamenlijk: ‘ Verstappen c.s. ’)

tegen

Picnic B.V.
(hierna: ‘Picnic’)

Deze zaak gaat over een kort filmpje waarin, kort gezegd, de bekende Formule 1-coureur Max Verstappen wordt nagespeeld door een lookalike. Het filmpje is in het najaar van 2016 door onlinesupermarkt Picnic op haar Facebook-pagina geplaatst. De lookalike bezorgt in dat filmpje, rijdend in een bestelbusje, boodschappen thuis in een raceoutfit en met een pet die sterk lijken op wat Verstappen draagt tijdens optredens in de media en op het circuit. Het filmpje is online geplaatst daags nadat een televisiereclame van supermarktketen Jumbo verscheen, waarin de werkelijke Verstappen boodschappen thuisbezorgt in een Formule 1 auto. De vraag die centraal staat, is of Verstappen c.s. zich tegen openbaarmaking van het filmpje van Picnic kunnen verzetten en of Picnic onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van Verstappen c.s. Het hof heeft deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend beantwoord. Daartegen zijn de klachten van Verstappen c.s. gericht.

1 Feiten

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.2

Verstappen is een Formule 1-coureur die uitkomt voor het team van Red Bull Racing en wereldwijde bekendheid geniet. Mavic is een vennootschap naar Luxemburgs recht. Mavic behartigt de zakelijke belangen van Verstappen en heeft een exclusieve licentie om de intellectuele eigendomsrechten en het portretrecht van Verstappen te promoten en te exploiteren.

1.3

Picnic is een in 2015 opgerichte onlinesupermarkt die op bestelling boodschappen bij klanten thuisbezorgt. Picnic onderhoudt een Facebook-pagina waarop zij regelmatig korte filmpjes en ‘gimmicks’ plaatst bij wijze van ‘infotainment’ voor haar Facebook-gemeenschap, gericht op bestaande klanten en op haar werknemers, waaronder haar bezorgers (ook runners genoemd).

1.4

Verstappen trad op in een landelijke televisiereclame van supermarktketen Jumbo met de titel ‘Snel besteld, snel thuisbezorgd’. De reclame werd gelanceerd op 27 september 2016. In deze reclamefilm bracht Verstappen de boodschappen van Jumbo langs de deuren van de klanten met een Formule 1-auto, waarmee Jumbo het thuisbezorgen van boodschappen promootte.

1.5

Picnic heeft in de ochtend van 28 september 2016 op haar Facebookpagina een filmpje van circa 32 seconden gedeeld met de titel ‘als je op tijd bent hoef je niet te racen’ (hierna: ‘het filmpje’). In het filmpje is te zien dat een lookalike van Verstappen boodschappen van Picnic rondbrengt. De lookalike draagt eenzelfde raceoutfit en eenzelfde pet als Verstappen draagt tijdens diens optredens in de media en op het circuit. Het filmpje begint met de lookalike die langs een bestelbus van Jumbo loopt en instapt in een bestelbusje van Picnic. In dat bestelbusje rijdt de lookalike bij wijze van ‘pitstop’ langs het distributiecentrum van Picnic en bezorgt hij de boodschappen van Picnic aan huis. Door het filmpje heen komt de tekst: “soms doe je iets voor je werk” en “soms doe je iets voor je lol”. Het filmpje eindigt met de van opzij gefilmde lachende lookalike, waarna het logo van Picnic verschijnt, met de tekst: “supermarkt gratis aan huis”.

1.6

Verstappen en Mavic hebben Picnic op 28 september 2016 gesommeerd (i) om per omgaande iedere openbaarmaking van het filmpje of eventuele andere uitingen met het portret van Verstappen te staken en gestaakt te houden en (ii) tot betaling van schadevergoeding. In reactie hierop heeft Picnic op 29 september 2016 bericht het filmpje offline te zullen halen, wat ook binnen een dag is gebeurd. Het filmpje is sindsdien nog op andere websites te zien, die niet door Picnic worden beheerd.

1.7

Het filmpje is op de Facebook-pagina van Picnic meer dan 100.000 keer bekeken en is vele malen geliket en gedeeld. Op YouTube is het filmpje meer dan 200.000 keer bekeken. Het filmpje is ook op de websites van De Telegraaf en het Algemeen Dagblad geplaatst. Tevens is het filmpje van Picnic diverse keren vertoond op de landelijke televisie, onder andere in RTL Boulevard, bekeken door circa 931.000 kijkers, en – fragmenten daarvan – in Shownieuws, bekeken door circa 624.000 kijkers. In de uitzending van RTL Boulevard heeft een van de oprichters van Picnic onder meer gezegd:

“Wij kwamen die lookalike van Max via via tegen en hebben in de webshop van Max zelf die pet gekocht. Die hebben wij toen opgezet en toen leek hij echt. En toen kwamen wij een beetje op ideetjes: kunnen wij niet een pitstop doen, met de runners erbij? Zo is het eigenlijk ontstaan.

Wij hadden niet verwacht dat het zo groot zou worden, omdat het best wel viraal is gegaan. Kijk dit is gewoon spontaan ontstaan en dat zijn vaak ook de leukste ideeën. Ongetwijfeld zullen wij nog wel eens een keer iets verzinnen, dat zal dan niet met Max Verstappen zijn.”

2. Procesverloop2

Eerste aanleg

2.1

Bij dagvaarding van 17 november 2016 hebben Verstappen c.s. een procedure tegen Picnic aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam. Verstappen c.s. hebben – samengevat en voor zover van belang – na eiswijziging gevorderd (i) voor recht te verklaren dat Picnic onrechtmatig jegens Verstappen c.s. heeft gehandeld door de openbaarmaking van het portret van Verstappen , althans een op Verstappen gelijkend persoon, en dat Picnic onrechtmatig jegens Verstappen c.s. heeft gehandeld door de openbaarmaking van de commercial van Picnic, (ii) schadevergoeding op te maken bij staat en (iii) Picnic te verbieden het portret van Verstappen te verveelvoudigen en de naam Max Verstappen te gebruiken in enige commercial, te gebieden iedere (verdere) verspreiding of andere openbaarmaking van de commercial van Picnic te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom.

2.2

De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 6 september 20173 – geparafraseerd en in hoofdlijnen – het volgende geoordeeld. Het filmpje behelst een portret in de zin van art. 21 Auteurswet 1912 (hierna: ‘Aw’) (rov. 4.1. tot en met 4.3.). Verstappen heeft een redelijk belang in de zin van art. 21 Aw om zich tegen de openbaarmaking van het filmpje te verzetten en Picnic heeft met het openbaar maken daarvan onrechtmatig jegens Verstappen gehandeld en is aansprakelijk voor diens daardoor geleden schade (rov. 4.4. tot en met 4.12.). De omstandigheid dat het portretrecht een persoonlijkheidsrecht is, betekent dat van onrechtmatig handelen door Picnic jegens Mavic geen sprake kan zijn, zodat de gevorderde verklaringen voor recht in zoverre zijn afgewezen (rov. 4.13.). Voor het bepalen van de schadevergoeding heeft de rechtbank nadere gegevens en uitlatingen nodig geacht (rov. 4.15. tot en met 4.18.). In haar eindvonnis van 25 april 2018 heeft de rechtbank de vorderingen voor zover deze zijn ingesteld door Verstappen gedeeltelijk toegewezen en voor zover deze zijn ingesteld door Mavic geheel afgewezen.4 De rechtbank heeft voor recht verklaard “dat Picnic onrechtmatig jegens Verstappen heeft gehandeld door de openbaarmaking van het portret van Verstappen in de commercial van Picnic” en Picnic veroordeeld tot betaling van € 150.000 aan Verstappen .

Hoger beroep

2.3

Bij appeldagvaarding van 19 juli 2018 heeft Picnic bij het gerechtshof Amsterdam hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 6 september 2017 (het tussenvonnis) en 25 april 2018 (het eindvonnis) van de rechtbank.5 Verstappen c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 25 april 2018.

2.4

Het hof heeft het principale en incidentele appel tezamen beoordeeld en is in het bestreden arrest van 2 juni 20206 tot een andere slotsom gekomen dan de rechtbank. Het hof heeft het vonnis van 25 april 2018 vernietigd voor zover daarbij de vordering van Verstappen is toegewezen en diens vordering alsnog geheel afgewezen.7

2.5

Het hof is eerst ingegaan op de vraag of – samengevat – Verstappen en/of Mavic op grond van art. 21 Aw kunnen opkomen tegen openbaarmaking van het filmpje. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat Mavic niet een daartoe strekkende vordering kan instellen omdat art. 21 Aw (slechts) de strekking heeft Verstappen tegen ongeoorloofde openbaarmaking van zijn portret te beschermen (rov. 3.3.1.).

2.6

Vervolgens is het hof ingegaan op de vraag of Verstappen zich op grond van art. 21 Aw kan verzetten tegen openbaarmaking van het filmpje. Het hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het hof heeft in dit verband overwogen en geoordeeld dat het filmpje geen portret (als bedoeld in art. 21 Aw) van Verstappen behelst:

“3.3.2. In het onderhavige geval betreft de beweerde schending van het portretrecht de verspreiding via Facebook van een korte film waarin zowel door het uiterlijk en de kleding van de daarin acterende (hoofd)persoon als door het scenario wordt gerefereerd aan het optreden van Verstappen in reclamefilms voor supermarktketen Jumbo. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de weergave op film van de desbetreffende acteur/lookalike en zijn optreden niet als portret van Verstappen in de zin van artikel 21 Aw kan worden aangemerkt. Hoewel enerzijds met het optreden/figureren van de lookalike het beeld van Verstappen wordt opgeroepen is anderzijds, met name door de (weliswaar gelijkende maar zeker niet identieke) gelaatstrekken van de lookalike en verschillende elementen van het scenario (smal elektrisch bestelbusje in plaats van Formule1 racewagen, nadruk niet op snelheid maar op tijdig vertrekken en plezier bezorger), voor de aanschouwer van de film van Picnic duidelijk dat het niet Verstappen zelf betreft maar dat het gaat om een persiflage van zijn optreden in reclamefilms voor Jumbo. Het gezicht of de persoon van Verstappen zelf wordt niet afgebeeld. De bescherming van een persoon tegen de openbaarmaking van zijn portret ingevolge artikel 21 Aw gaat niet zo ver dat zij zich uitstrekt tot verspreiding van beeldmateriaal waarin bepaalde kenmerken van de verschijning van een persoon door een ander worden uitgebeeld en/of nagespeeld of nagebootst, doch er geen redelijke twijfel bestaat – bijvoorbeeld door het persiflerende of verwijzende karakter van de beelden – dat het niet de persoon zelf betreft doch slechts iemand die op hem lijkt. Dat geldt ook als de associatie met opzet wordt gewekt.

3.3.3.

Dit brengt mee dat niet ingegaan behoeft te worden op de vraag in hoeverre een redelijk belang van Verstappen in de zin van artikel 21 Aw zich tegen openbaarmaking van dat beeldmateriaal verzette althans vergde dat die openbaarmaking achterwege bleef zolang niet op adequate wijze aan het commerciële belang van Verstappen tegemoet was gekomen.”

2.7

Het hof is daarna onder het kopje ‘onrechtmatige daad’ ingegaan op de vraag of Picnic onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van Verstappen c.s. Het heeft in dat verband allereerst overwogen dat openbaarmaking van het filmpje onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn ten opzichte van Verstappen c.s. , wat zich kan voordoen als daardoor de eer en goede naam van Verstappen of diens zakelijke belangen worden geschaad:

“3.4.1. Het voorgaande neemt niet weg dat denkbaar is dat openbaarmaking van beeldmateriaal als het onderhavige jegens Verstappen als degene wiens beeld daarin door een lookalike wordt opgeroepen en/of jegens zakelijk betrokken derden anderszins onrechtmatig kan zijn. Zulks zou het geval kunnen zijn indien het beeldmateriaal van zodanige aard is dat als gevolg daarvan Verstappen in zijn eer en goede naam wordt aangetast dan wel bij diens afbeelding betrokken zakelijke belangen door de openbaarmaking van het beeldmateriaal worden geschaad.”

2.8

Het hof is vervolgens tot het oordeel gekomen dat openbaarmaking van het filmpje niet onrechtmatig is geweest jegens Verstappen en/of Mavic, omdat de eer en goede naam van Verstappen noch diens zakelijke belangen door de openbaarmaking van het filmpje worden geschaad:

“3.4.2. Van het een noch het ander is in het onderhavige geval (voldoende) gebleken. Wat het eerste betreft heeft de rechtbank onbestreden overwogen dat het geen diffamerende uiting betreft (rov. 4.10 tussenvonnis) en zijn ook in hoger beroep geen feiten aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat Verstappen in zijn eer en goede naam is aangetast, laat staan op zodanige wijze dat de bij openbaarmaking van de film van Picnic betrokken uitingsvrijheid daarvoor zou moeten wijken. Dit geldt ook voor de reputatie van Verstappen op zakelijk gebied en het daarmee samenhangend verdienvermogen van Mavic c.s.

Dat Verstappen als gevolg van het posten van de film op Facebook in verband zal worden gebracht met de activiteiten van Picnic en dat het publiek zal menen dat Verstappen de diensten van Picnic ondersteunt, valt gelet op de daarin in acht genomen afstand tot zijn ware persoon en activiteiten, niet aan te nemen. Dat geldt te meer nu de film door de gemiddelde kijker als persiflage zal zijn begrepen. Evenmin is er feitelijke grond om aan te nemen dat de lookalike in beeld is gebracht op een wijze die aan de reputatie van Verstappen en zijn populariteit bij bestaande of potentiële sponsoren of andere contractpartners afbreuk zou kunnen doen

3.4.3.

Ten slotte valt niet in te zien dat het enkele feit dat een bekende persoon verzilverbare populariteit geniet reeds zou meebrengen dat het in een (reclame)filmpje nadoen/nabootsen van die persoon, zonder dat verwarring optreedt ten aanzien van de identiteit van de beide betrokken personen, als onrechtmatig jegens deze bekende persoon (en/of diens zakelijke belangenbehartiger) moet worden gekwalificeerd. Dit is niet anders indien degene die het filmpje heeft gepost bij die uitzending in commercieel opzicht (onder meer door vergroting van zijn naamsbekendheid) belang heeft als gevolg van de grote aandacht die de film heeft gekregen, en dit voordeel ook heeft beoogd.

Om een dergelijke post toch onrechtmatig te achten zouden bijkomende omstandigheden noodzakelijk zijn. Die ontbreken in dit geval. Dat Jumbo, als de ondernemer met wie de bekende persoon Verstappen in dit geval voor reclamedoeleinden heeft gecontracteerd, zich mogelijk tegen een dergelijke nabootsing door een concurrerende ondernemer met succes zou kunnen verzetten, maakt de nabootsing nog niet onrechtmatig jegens Verstappen zelf. In dit geval staat bovendien vast dat Jumbo zich niet verzet heeft, omdat zij de humor ervan inzag.”

2.9

Daarop heeft het hof nog laten volgen dat het van oordeel is dat Verstappen noch Mavic (relevant) nadeel heeft geleden door het filmpje:

“3.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat als relevante omstandigheid valt aan te merken dat rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat als gevolg van de vertoning van het filmpje voor Verstappen of Mavic schade zou ontstaan. In dit verband wordt er (ten overvloede) nog op gewezen dat in de stellingen van Mavic c.s. ook geen grondslag is te vinden voor het oordeel dat hun zakelijke belangen door de uitzending van de film van Picnic daadwerkelijk zijn geschaad. In dit verband acht het hof illustratief dat Jumbo, kort na de openbaarmaking van de film van Picnic, het contract met Verstappen heeft verlengd. Voorts is in dit verband van betekenis dat de lookalike geen rol heeft gespeeld in uitingen waarin ook Verstappen in eigen persoon had kunnen figureren. Niet bestreden is immers dat de sponsorrelatie met Jumbo een dergelijk optreden voor een andere (online) supermarkt door Verstappen niet toeliet, zodat niet valt in te zien dat Verstappen /Mavic daardoor potentieel omzet heeft gemist. Dat bij de vaststelling (van de mogelijkheid van) schade van het voorgaande dient te worden geabstraheerd en dat aangenomen moet worden dat toch sprake is van schade van Mavic c.s., en wel ter hoogte van het bedrag dat zij voor een rol van Verstappen als bezorger in een dergelijke uiting van Picnic zouden hebben kunnen bedingen, vindt geen steun in het recht.”

2.10

Het hof is tot een slotsom gekomen:

“3.6. Het voorgaande brengt mee dat zich in dit geval de situatie dat de belangen van Mavic c.s. dienen te worden afgewogen tegen door artikel 10 EVRM gewaarborgde belangen aan de zijde van Picnic niet voordoet. Noch een schending van het portretrecht noch een onrechtmatige gedraging van andere aard doet zich immers voor.

3.7. Hieruit volgt dat de (principale) grieven van Picnic doel treffen en de (incidentele) grieven van Mavic c.s. geen succes hebben. Bij een verdere bespreking van de grieven hebben partijen geen belang nu deze - ook indien zij op zichzelf terecht zouden zijn voorgesteld - niet tot een andere uitkomst van het geding kunnen leiden. Het bewijsaanbod van Mavic c.s. wordt als niet ter zake dienend gepasseerd. Het eindvonnis van de rechtbank zal worden vernietigd voor zover daarbij de vordering van Verstappen is toegewezen. Deze vordering zal alsnog geheel worden afgewezen. Voor zover daarbij de vordering van Mavic is afgewezen zal het vonnis worden bekrachtigd. Mavic c.s. dienen de kosten van het geding in beide instanties te dragen, er zijn geen termen om hen – zoals door Picnic verlangd – hoofdelijk daarin te veroordelen.”

Parallelle beslagprocedure

2.11

Ik wijs hier voor de volledigheid ook op de parallelle procedure tussen partijen met betrekking tot het verzoek van Verstappen c.s. om verlof voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van Picnic tot zekerheid van de schadevergoedingsvordering van Verstappen c.s. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft het verlof geweigerd, waarbij hij onder meer heeft gewezen op de parodiërende aard van het filmpje en de duidelijke verschillen tussen het filmpje en de reclame van Jumbo.8 Het hof Amsterdam heeft de beschikking bekrachtigd op grond van een vergelijkbare motivering.9

Het cassatieberoep

2.12

Bij procesinleiding van 1 september 2020 hebben Verstappen c.s. – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest van 2 juni 2020. Picnic heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Verstappen c.s. hebben gerepliceerd.

3. De bescherming van de geportretteerde op grond van art. 21 Aw en de aanvullende bescherming wegens het onrechtmatig profiteren van eens anders verzilverbare populariteit

Inleiding

3.1

De centrale vraag in deze zaak is of Verstappen c.s. de openbaarmaking van het filmpje van Picnic – zoals het hof dat in zijn arrest heeft beschreven en gekarakteriseerd – moeten dulden, zonder dat zij in verband daarmee compensatie ontvangen. Voorafgaande aan de bespreking van de cassatieklachten zal ik ingaan op de rechtsregels die voor de beantwoording van die vraag van belang zijn. Ik zal dat vrij uitvoerig doen, omdat het geen alledaagse materie betreft en omdat in deze zaak verschillende onbeantwoorde rechtsvragen aan de orde zijn. De vraag of een filmpje waarin iemand door een lookalike (op persiflerende wijze) wordt nagespeeld een ‘portret’ als bedoeld in art. 21 Aw oplevert of kan opleveren, is in de rechtspraak van Uw Raad nog niet eerder aan de orde gesteld, terwijl het antwoord op die vraag gelet op de toenemende rol van social media vermoedelijk ook voor andere gevallen van belang kan zijn. Hetzelfde geldt voor de rol van de persiflerende aard van het filmpje bij de belangenafweging die art. 21 Aw verlangt en bij de toetsing aan de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm.

3.2

Hierna komt eerst de bescherming van de geportretteerde op grond van art. 21 Aw aan bod (randnummers 3.4 e.v.). Na een uiteenzetting over de achtergrond en strekking van deze bepaling (randnummers 3.4 tot en met 3.9), ga ik in op (de invulling van) het begrip ‘portret’, omdat aan de hand daarvan het toepassingsbereik van art. 21 Aw wordt afgebakend (randnummers 3.10 en 3.11). Als een uiting een portret is, moet worden nagegaan of de geportretteerde een ‘redelijk belang’ heeft dat zich tegen openbaarmaking verzet. Op het redelijk belang ga ik daarom ook in (randnummers 3.12 tot en met 3.17). Het is vervolgens de vraag hoe art. 21 Aw zich verhoudt tot persiflages (randnummers 3.18 tot en met 3.29). Daarbij zoek ik aansluiting bij de auteursrechtelijke parodie-exceptie.

3.3

Vervolgens komt, aan het slot van deze paragraaf (randnummer 3.30 e.v.), het onderwerp ‘onrechtmatig profiteren van eens anders verzilverbare populariteit’ aan de orde. Het leerstuk van de onrechtmatige daad biedt in twee opzichten een aanvullende bescherming, te weten met betrekking tot niet-portretten en aan niet-geportretteerden. Dat betekent voor de onderhavige zaak dat als het filmpje als portret moet worden aangemerkt, Verstappen naast art. 21 Aw geen aanvullende bescherming nodig heeft.10 Omdat Mavic – zoals het hof in cassatie onbestreden heeft beslist – geen beroep kan doen op art. 21 Aw, kunnen haar vorderingen zonder deze aanvullende bescherming niet slagen.

Art. 21 Aw

Wat zijn de achtergrond en strekking van art. 21 Aw?

3.4

Art. 21 Aw luidt als volgt:

“Is een portret vervaardigd zonder daartoe strekkende opdracht, den maker door of vanwege den geportretteerde, of te diens behoeve, gegeven, dan is openbaarmaking daarvan door dengene, wien het auteursrecht daarop toekomt, niet geoorloofd, voor zoover een redelijk belang van den geportretteerde of, na zijn overlijden, van een zijner nabestaanden zich tegen de openbaarmaking verzet.”

3.5

Deze bepaling is iets meer dan een eeuw oud. Zij moet in eerste instantie worden gezien tegen de achtergrond van art. 19 en 20 Aw. Deze bepalingen bevatten, kort gezegd, een regeling voor de openbaarmaking en verveelvoudiging van een portret dat in opdracht van de geportretteerde is vervaardigd. Art. 21 Aw vormt daarop een aanvulling met een regeling voor openbaarmaking van portretten die zónder opdracht van de geportretteerde zijn vervaardigd.11 Deze aanvulling berust op de gedachte dat het “in hoge mate onbehoorlijk” kan zijn om het portret van een ander openbaar te maken en vindt haar oorsprong in een amendement bij de behandeling van het ontwerp voor de Auteurswet 1912.12In 1973 is de tekst van art. 21 Aw enigszins aangepast.13 Die aanpassingen zijn hier niet van belang.

3.6

Anders dan zijn plaatsing in de Auteurswet 1912 kan doen vermoeden, heeft art. 21 Aw slechts zijdelings iets te maken met het auteursrecht.14 Weliswaar is art. 21 Aw volgens zijn tekst gericht tot “dengene, wien het auteursrecht daarop [op het portret, A-G] toekomt”, maar volgens de rechtspraak van Uw Raad richt deze bepaling zich ook tot derden.15 Ook zij mogen het portret onder omstandigheden niet openbaar maken. De vraag of iemand een auteursrecht heeft met betrekking tot het portret en, zo ja, wie, is bij de toepassing van art. 21 Aw in feite niet meer relevant.16

3.7

De strekking of het doel van art. 21 Aw laat zich moeilijk nader omschrijven. In wezen is bij de toepassing van art. 21 Aw de uitingsvrijheid het uitgangspunt.17 In het algemeen geldt dat de geportretteerde in beginsel moet dulden dat het portret openbaar wordt gemaakt. In bepaalde gevallen is dat echter ontoelaatbaar. Het openbaar maken van een portret kan immers, als gezegd, “in hoge mate onbehoorlijk” zijn (randnummer 3.5 hiervoor). Openbaarmaking van een portret kan de persoonlijke levenssfeer van de geportretteerde en/of zijn commerciële belangen aantasten, waarover hierna meer. De geportretteerde kan zich daarom onder omstandigheden tegen die openbaarmaking verzetten. Als aan de voorwaarden van art. 21 Aw is voldaan, kan de geportretteerde op de voet van art. 3:296 lid 1 BW bij de rechter vorderen dat de openbaarmaking wordt verboden en, zo nodig, dat de staking daarvan wordt geboden.18 Een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid in verband met een openbaarmaking die zich al heeft voltrokken, biedt art. 21 Aw niet. Die aansprakelijkheid kan bestaan op grond van art. 6:162 BW als aan de daar geregelde voorwaarden is voldaan.19

3.8

Hoewel in dit verband, ook door Uw Raad, van het in art. 21 Aw geregelde ‘portretrecht’ wordt gesproken, vloeit uit art. 21 Aw niet een specifiek ‘recht’ (en in ieder geval niet een intellectueel eigendomsrecht) van de geportretteerde voort.20 De tekst en de strekking van art. 21 Aw komen immers erop neer dat openbaarmaking van het portret in uitgangspunt is toegestaan, tenzij een redelijk belang zich tegen die openbaarmaking verzet. In de woorden van Uw Raad: “Niet geldt als uitgangspunt dat voor openbaarmaking steeds voorafgaande toestemming van de geportretteerde is vereist.21 Waar privacybelangen in het geding zijn, moet het portretrecht volgens Uw Raad wel worden beschouwd als een persoonlijkheidsrecht, waaraan in de regel een zwaarwegend gewicht zal toekomen.22 Dit geldt, aldus Uw Raad, vooral ten aanzien van geportretteerden die geen publieke bekendheid genieten, in die zin dat zij openbaarmaking van hun portret in beginsel niet behoeven te dulden.23 Ten aanzien van personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, geldt dat niet zonder meer.24 Hierna zal blijken dat ook in bepaalde andere soorten gevallen, waarin van een persoonlijkheidsrecht (wellicht) geen sprake is, het bestaan van een ‘redelijk belang’ snel moet worden aangenomen.

3.9

Ik ga nu eerst in op de vraag wanneer sprake is van een portret, omdat aan de hand van dat begrip het toepassingsbereik van art. 21 Aw moet worden afgebakend. Daarna komt de voorwaarde van een redelijk belang aan bod, gevolgd door een antwoord op de vraag hoe art. 21 Aw zich verhoudt tot persiflages.

Wanneer is sprake van een portret in de zin van art. 21 Aw?

3.10

De term ‘portret’ komt niet alleen in art. 21 Aw voor, maar ook in art. 19 en 20 Aw.25 Een definitie van die term bevat de wet echter niet. In de wetgeschiedenis is wel een definitie te vinden, te weten “een afbeelding van het gelaat van een persoon, met of zonder die van verdere lichaamsdelen, op welke wijze zij ook vervaardigd is”,26 maar deze is gelet op het volgende deels achterhaald. Heel kort kan worden gezegd dat van een portret sprake is als “iemand herkenbaar is afgebeeld”.27 Uit de rechtspraak van Uw Raad kunnen inmiddels de volgende nadere criteria worden afgeleid, die in de literatuur verder zijn uitgewerkt:

(i) Een portret is een afbeelding van een persoon.28 In een portret moet de geportretteerde worden herkend.29 Die herkenning hoeft niet het gevolg te zijn van weergave of nabootsing van het gelaat van een persoon.30 Herkenbaarheid kan ook volgen uit een kenmerkende lichaamshouding, bepaalde kleding of andere uiterlijke kenmerken (te denken valt aan make-up, haardracht en dergelijke). Het is zeker niet nodig dat de geportretteerde poseert.31

(ii) Het gaat erom dat degenen die het werkelijke uiterlijk van de geportretteerde kennen, de geportretteerde in het portret zullen herkennen.32 Het omgekeerde geldt niet: het is niet nodig dat degenen die het werkelijke uiterlijk van de geportretteerde niet kennen, op basis van het portret een duidelijke voorstelling kunnen maken van dat uiterlijk.33 Een portret kan dus ook een gedeeltelijke, zijwaartse, abstracte of overdreven (karikaturale) weergave van de kenmerken van de afgebeelde persoon zijn.34 In dat verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de nogal abstracte (maar niet karikaturale) afbeelding van de contouren van het gezicht van de toenmalige koningin Beatrix op de (laatste) 1-guldenmunt.

3.11

In het licht van deze criteria is het portretbegrip dus ruim. Kan dan ook het naspelen van een ander een portret van die ander opleveren? Gelet op de hiervoor vermelde criteria zou het antwoord bevestigend moeten luiden. Buiten kijf staat dat iemand door een andere persoon, eventueel met de nodige make-up en/of hulp van een grimeur, treffend kan worden nagebootst, zodat de persoon die wordt nagebootst herkenbaar is. Deze herkenbaarheid pleit ervoor om aan te nemen dat een dergelijke uiting een portret is.35 Uiteraard moet er dan wel een voldoende mate van herkenbaarheid zijn, of wellicht beter gezegd: identificeerbaarheid. Het enkele weergeven van een lookalike levert nog niet, zonder meer, een portret van een ander op, want het is nu eenmaal zo dat mensen op elkaar kunnen lijken.36 Wordt echter kenbaar moeite getroost om de lookalike, mede gelet op de context waarin deze wordt weergegeven, op die ander te laten lijken, dan zal van een portret sprake zijn als die ander voldoende herkenbaar is.37 De omstandigheid dat het publiek niet zal zijn geneigd te denken dat de lookalike die de geportretteerde naspeelt daadwerkelijk de geportretteerde is, leidt niet tot de conclusie dat de uiting geen portret is.38

Wanneer is sprake van een ‘redelijk belang’ in de zin van art. 21 Aw?

3.12

Volgens art. 21 Aw is openbaarmaking van een portret dat zonder opdracht is vervaardigd niet geoorloofd als een ‘redelijk belang’ zich tegen die openbaarmaking verzet. Een ‘redelijk belang’ kan op heel verschillende gronden aanwezig zijn. Het kan gaan om een klassiek privacybelang – een onbekend persoon wil onbekend blijven – maar ook om een commercieel belang – een bekend persoon wil zeggenschap hebben over hoe zijn beeltenis wordt gebruikt, omdat met die beeltenis inkomsten kunnen worden gegenereerd.39 Er zijn uiteraard ook tussenliggende gevallen, zoals dat van de bekende persoon die openbaarmaking wil tegengaan van paparazzifoto’s die betrekking hebben op zijn of haar privésituatie. Vrij ongelijksoortige gevallen kunnen dus onder de reikwijdte van art. 21 Aw worden gebracht.40

3.13

De tekst van art. 21 Aw zou de indruk kunnen wekken dat de rechter slechts hoeft vast te stellen of de geportretteerde een op zichzelf redelijk, dus niet onredelijk, belang heeft. Dat is echter niet juist: de rechter moet volgens de rechtspraak van Uw Raad een belangenafweging maken, waarbij (doorgaans) enerzijds het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van art. 8 EVRM en anderzijds de uitingsvrijheid van art. 10 EVRM op de weegschaal liggen.41

3.14

Voor bepaalde soorten gevallen gelden volgens de rechtspraak van Uw Raad specifieke uitgangspunten. Een eerste uitgangspunt is dat indien door de openbaarmaking van een portret inbreuk wordt gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de geportretteerde, in beginsel een redelijk belang als bedoeld in art. 21 Aw aanwezig moet worden geacht.42 Dit uitgangspunt ziet op ‘klassieke privacybelangen’, zoals bijvoorbeeld het privé willen houden van gegevens en het niet geassocieerd willen worden met bepaalde personen, organisaties of plaatsen.43

3.15

Een tweede uitgangspunt is dat geportretteerden niet hoeven toe te laten dat de populariteit die zij in de uitoefening van hun beroep hebben verworven commercieel wordt geëxploiteerd door openbaarmaking van hun portretten, zonder dat zij daarvoor een vergoeding ontvangen.44 Hierbij kan worden gedacht aan exploitatie in de vorm van het publiceren van een fotoboek of het uitgeven van posters. Het belang om mee te delen in de voordelen van die exploitatie is, als uitgangspunt, een redelijk belang in de zin van art. 21 Aw, maar er kunnen, vooral in het licht van art. 10 EVRM, omstandigheden zijn – voornamelijk in de sfeer van informatievoorziening – die rechtvaardigen dat aan dat belang voorbij wordt gegaan.45 Een bekende Nederlander zal, bijvoorbeeld, de weergave van zijn foto bij een nieuwsbericht in beginsel moeten dulden. Het is zeer de vraag of Uw Raad bij de formulering van het uitgangspunt (dat geportretteerden niet hoeven toe te laten dat de populariteit die zij in de uitoefening van hun beroep hebben verworven commercieel wordt geëxploiteerd door openbaarmaking van hun portretten, zonder dat zij daarvoor een vergoeding ontvangen) bijvoorbeeld ook portretten in de vorm van karikaturen en/of persiflages op het oog heeft gehad. Mijns inziens ligt dat niet voor de hand, zoals ik hierna hoop duidelijk te maken.

3.16

Een derde uitgangspunt is dat een geportretteerde – of deze nou bekend of onbekend is – in beginsel niet hoeft te dulden dat zijn portret wordt gebruikt als ondersteuning van een commerciële reclame-uiting. Volgens de rechtspraak van Uw Raad is in een dergelijk geval in beginsel een ‘redelijk belang’ aanwezig.46 Uw Raad heeft over de ratio van dat uitgangspunt het volgende overwogen, waarin duidelijk wordt dat het vooral draait om een vorm van ‘verwarringsgevaar’, waarbij het publiek op het verkeerde been wordt gezet ten aanzien van de rol van de geportretteerde bij de reclame-uiting:

“De opname van een portret in een reclame voor een produkt of dienst heeft immers tot gevolg dat de geportretteerde door het publiek geassocieerd zal worden met dat produkt of die dienst, waarbij het publiek in het algemeen – en doorgaans terecht – ervan uit zal gaan dat het gebruik van het portret niet zal zijn geschied zonder toestemming van de geportretteerde en de opname van het portret in de reclame-uiting zal opvatten als een blijk van publieke ondersteuning van het produkt of de dienst door de geportretteerde.”47

Ook dit uitgangspunt en zijn ratio moeten mijns inziens niet categorisch worden opgevat. Er zijn gevallen denkbaar waarin een portret voorkomt in een reclame-uiting en vanwege de aard van het portret – daarbij moet vooral buiten de categorie van foto’s en filmbeelden van de persoon in kwestie worden gedacht – toch niemand zal menen dat de geportretteerde daarvoor toestemming heeft gegeven en het product of de dienst ondersteunt.48 Mijns inziens is een persiflage daarvan bij uitstek een voorbeeld. Ik ga daarop hierna verder in.

3.17

De rechter moet met inachtneming van deze drie uitgangspunten een belangenafweging maken. Gelet op de veelsoortigheid aan belangen die potentieel in art. 21 Aw bescherming kunnen vinden en de veelzijdige casuïstiek die dat oplevert, is het lastig om de verlangde belangenafweging een nadere duiding te geven. Wel heeft Uw Raad in het arrest Cruijff/Tirion c.s. enkele nuttige aanknopingspunten gegeven voor de door art. 21 Aw verlangde belangenafweging. Het gaat om de volgende:

(i) de persoon van de geportretteerde (waarbij volgens mij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan de mate waarin die persoon bij het publiek bekend is: een bekend persoon zal niet in alle contexten zwaarwegende privacybelangen hebben, maar juist wel weer sneller commerciële belangen);

(ii) de plaats en de wijze van totstandkoming van de afbeelding (bijvoorbeeld in het openbaar, in welk geval minder snel een redelijk belang dat zich tegen openbaarmaking verzet aanwezig zal zijn, of juist in de private sfeer, zodat een dergelijk redelijk belang eerder aanwezig zal zijn);

(iii) de aard en mate van intimiteit waarin de geportretteerde is afgebeeld;

(iv) het karakter van de afbeelding (waaronder wellicht de al dan niet humoristische aard daarvan);

(v) de context van de publicatie (waarbij kan worden gedacht aan het geval waarin een foto een nieuwsbericht over de persoon in kwestie begeleidt en er minder snel een redelijk belang zal zijn dat zich tegen openbaarmaking verzet);

(vi) de juistheid van de overige in de publicatie verstrekte informatie; en

(vii) het maatschappelijk belang en de nieuwswaarde of informatieve waarde van de openbaarmaking hiervan.49

Het onder (iv) genoemde aanknopingspunt verdient in dit verband nadere aandacht, nu de onderhavige zaak betrekking heeft op een filmpje met een persiflerend karakter.

Art. 21 Aw en persiflages

3.18

De onderhavige zaak roept de vraag op hoe art. 21 Aw zich verhoudt tot parodieën en daaraan verwante uitingen. Met andere woorden: beschermt art. 21 Aw in beginsel ook daartegen of zou ook hier, net als in het kader van het auteursrecht, een soort ‘parodie-exceptie’ moeten gelden? Deze kwestie heeft in de literatuur en in de feitenrechtspraak discussie opgeleverd.50 Ik zal hier, zonder dat ik pretendeer deze kwestie volledig te kunnen overzien, vooral aanknopingspunten zoeken voor de zaak die voorligt.

3.19

In het bestreden arrest heeft het hof het filmpje aangemerkt als ‘persiflage’.51 Volgens Van Dale is ‘persiflage’ “het persifleren”, wat op zijn beurt wordt omschreven als “door na te doen belachelijk maken”. In een persiflage schuilt dus per definitie een element van nadoen of naspelen (en daarmee al snel ook van portretteren). Ik zal hierna kortweg spreken van ‘naspelen’. Het zal voor het publiek kenbaar moeten zijn dát er wordt nagespeeld. Als iemand wordt nagespeeld zonder dat het publiek duidelijk wordt dat diegene wordt nagespeeld, kan bezwaarlijk worden gesproken van een persiflage.52 Dit veronderstelt ook dat degene die wordt nagespeeld al bekend is bij het publiek.53 De woorden “belachelijk maken” in de hiervoor aangehaalde omschrijving moeten vermoedelijk niet te negatief worden opgevat. Dit kan worden begrepen als: daarover lachlust opwekken. Die laatste terminologie komen we in de literatuur tegen als het gaat om de parodie,54 waaraan de persiflage verwant is.55 Het gaat dus om het opwekken van een komisch effect, wat doorgaans gebeurt door het uitvergroten van bepaalde typerende kenmerken of het in een andere context plaatsen (in contrast plaatsen) van die kenmerken.56 Er kan ook wel worden gesproken van een humoristische inslag.57 Bij de vraag of een uiting humoristisch van aard is, is overigens niet van belang of iedereen in het publiek of zelfs een meerderheid van het publiek erom kan lachen, laat staan of degene die wordt nagespeeld erom kan lachen.58 De rechter moet dan ook niet al te strenge eisen stellen aan wat humor is.59 Eén ding is hier zonder meer duidelijk: de lengte van de tenen van de geportretteerde is niet maatgevend.

3.20

Het ligt voor de hand om bij de toepassing van art. 21 Aw aansluiting te zoeken bij de specifieke parodie-exceptie die we kennen in de regeling van het auteursrecht. De rechthebbende van een auteursrecht kan zich in beginsel ertegen verzetten dat het beschermde werk, kort gezegd, openbaar wordt gemaakt of wordt verveelvoudigd (gereproduceerd), nu dat in beginsel een inbreuk vormt op het auteursrecht.60 Art. 18b Aw bevat sinds 2004 een uitzondering voor karikaturen, parodieën of pastiches.61 Deze bepaling is ingevoerd naar aanleiding van de implementatie van Richtlijn (EG) 2001/29, die in de mogelijkheid daarvan voorziet.62 In de wetgeschiedenis daarover is onder meer naar voren gekomen dat het “[i]n het kader van de ontwikkeling van de cultuur en bovenal van de vrijheid van meningsuiting, (…) een beroep op auteursrecht [niet past] om een humoristisch bedoelde uiting, die een karikatuur, parodie of pastiche toch doorgaans bedoeld te zijn, te dwarsbomen.63

3.21

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘Hof van Justitie’) heeft in het Deckmyn-arrest uit 2014 duidelijkheid gegeven over de term ‘parodie’ in art. 5 lid 3 onder k Richtlijn (EG) 2001/29, dat volgens het hof autonoom moet worden uitgelegd.64 De casus die voorlag, werd overigens niet alleen gekenmerkt door het feit dat een auteursrechtelijk beschermd werk was nagebootst, maar ook door de bepaald controversiële aard van die nabootsing. Een politicus van Vlaams Belang, Johan Deckmyn, had op een nieuwjaarsreceptie van de stad Gent kalenders verspreid met een afbeelding die was geïnspireerd op de cover van het album van Suske en Wiske van Vandersteen, eiser in die zaak, met de titel ‘De Wilde Weldoener’.65 De parodie was van een aard die niet iedereen smaakvol zal vinden. De oorspronkelijke covertekening “toont een van de hoofdpersonages van dat album [Lambik, A-G], gekleed in een wit gewaad terwijl hij muntstukken uitstrooit voor personen die ze proberen op te rapen.”66 In de nabootsing “is dit personage vervangen door de burgemeester van de stad Gent en werden de personen die de muntstukken oprapen, vervangen door gesluierde en gekleurde figuren.”67 Vandersteen, rechthebbende van het auteursrecht, zag een inbreuk op zijn auteursrecht, maar Deckmyn beriep zich op de exceptie (naar Belgisch recht) voor parodieën. Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Belgische rechter heeft het Hof van Justitie het volgende overwogen en geoordeeld. Volgens het Hof van Justitie ligt de grondslag van de parodie-exceptie in de uitingsvrijheid.68 Naar het oordeel van het Hof van Justitie bestaan de wezenlijke kenmerken van de parodie erin dat een bestaand werk wordt nagebootst, doch met duidelijke verschillen met het bestaande werk, en dat aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven.69 Belangrijk zijn ook de voorwaarden die de verwijzende rechter weliswaar tentatief aan het Hof van Justitie had voorgelegd, maar die het Hof van Justitie niet heeft gesteld, namelijk het vertonen van een eigen oorspronkelijk karakter, het behelzen van kritiek op het geparodieerde werk en vermelding van de bron van het geparodieerde werk.70 Of de parodie (mede) een commerciële achtergrond heeft, lijkt op zichzelf ook niet of nauwelijks relevant.71 Een parodie die wordt gebruikt in een reclame-uiting lijkt vanuit auteursrechtelijk oogpunt in beginsel eveneens toegestaan.72

3.22

In het Deckmyn-arrest wordt dus veel ruimte gelaten voor de parodie. De parodie-exceptie moet niet restrictief worden uitgelegd.73 Het Hof van Justitie heeft er wel op gewezen dat altijd een rechtvaardig evenwicht moet worden bereikt tussen de belangen van de rechthebbende van het auteursrecht en de uitingsvrijheid van degene die zich op het parodiërende karakter van het gebruik van een beschermd werk beroept.74 Het spreekt voor zich dat daarbij allerlei aspecten, die het Hof van Justitie niet als voorwaarden heeft willen aanvaarden, weer een rol kunnen spelen als wegingsfactoren. Dat het Hof van Justitie wijst op de noodzaak een rechtvaardig evenwicht te bereiken, verbaast niet gelet op het karakter van de nabootsing die in het specifieke geval aan de orde was: door de rechthebbende van het auteursrecht werd betoogd dat deze een discriminerende boodschap weergeeft waarmee hij niet wilde worden geassocieerd.75

3.23

Tegen deze achtergrond is het goed te verdedigen dat bij de toepassing van art. 21 Aw in beginsel een uitzondering behoort te worden gemaakt voor persiflages, waarin een bekend persoon wordt nagespeeld met een kenbaar komische bedoeling.76 In verband met art. 21 Aw geldt net als bij het auteursrecht dat humor – en ook de uitingsvrijheid – een groot goed is. Uit het feit dat de wetgever in verband met art. 21 Aw anders dan bij het auteursrecht niet in een parodie-exceptie heeft voorzien, mag mijns inziens niet a contrario worden afgeleid dat het bestaan daarvan niet – in enige vorm – kan worden aangenomen.77 Als humor zelfs een volwaardig intellectueel eigendomsrecht als het auteursrecht aan de kant kan zetten, dan ligt het niet voor de hand dat de meer conditionele en diffuse bescherming van de geportretteerde op grond van art. 21 Aw daartegen volledig bestand is. De bescherming van de geportretteerde is in beginsel minder sterk dan die van degene aan wie een auteursrecht toekomt, terwijl juist het naspelen van een persoon zich bij uitstek voor een parodie leent.78

3.24

Daarmee verdedig ik niet een volwaardige uitzonderingspositie voor parodieën van de werking van art. 21 Aw. Zo’n volledige uitsluiting geldt immers ook niet in verband met de werking van het auteursrecht. Dáár zal een rechtvaardig evenwicht moeten worden gevonden tussen de uitoefening van het auteursrecht en de uitingsvrijheid; hier moet naar analogie hetzelfde worden aangenomen.79 Dat brengt mee dat openbaarmaking van een portret met parodiërend karakter in beginsel geoorloofd is ten opzichte van de geportretteerde, tenzij er goede argumenten bestaan om tot een andere conclusie te komen. Daarom zou het uitgangspunt dat geportretteerden niet hoeven toe te laten dat de populariteit die zij in de uitoefening van hun beroep hebben verworven commercieel wordt geëxploiteerd door openbaarmaking van hun portretten, zonder dat zij daarvoor een vergoeding ontvangen (randnummer 3.15 hiervoor) in een dergelijk geval niet moeten gelden.

3.25

Voor wat betreft persiflages laat deze benadering zich als volgt nader beargumenteren. Doorgaans zullen alleen publieke figuren worden gepersifleerd. Daarbij wordt aangesloten bij typerende kenmerken die bij het publiek al bekend zijn, zodat er doorgaans – uitzonderingen, als altijd, daargelaten – geen ‘klassieke privacybelangen’ in het geding zijn. Er is bovendien veel voor te zeggen dat publieke figuren, mede indachtig de uitdrukking ‘hoge bomen vangen veel wind’,80 in uitingen moeten kunnen worden nagespeeld, zonder dat degenen die dergelijke uitingen openbaar maken, moeten vrezen voor rechtsmaatregelen die berusten op de herkenbaarheid van die publieke figuren. Dat persiflages ‘moeten kunnen,’ is vanuit dat perspectief een beter signaal dan ‘het hangt af van de omstandigheden’.81 Ontoelaatbaarheid van een persiflage ten opzichte van de gepersifleerde zal doorgaans aan de orde kunnen zijn als zij een beledigend/diffamerend karakter heeft,82 maar dat is voor de beoordeling van het cassatiemiddel niet van belang.

3.26

Verder moet worden bedacht dat de commerciële achtergrond van een portret niet zonder meer een goede reden is om een beroep op het persiflerende karakter daarvan niet te honoreren.83 Die commerciële achtergrond is wel een relevante factor,84 maar niet moet worden vergeten dat de uitingsvrijheid ook geldt voor commerciële uitingen.85 Humor en commercie kunnen ook uitstekend samengaan. De teneur in de Nederlandse feitenrechtspraak lijkt weliswaar te zijn dat een beroep op de (auteursrechtelijke) parodie-exceptie niet opgaat als een uiting (overwegend) een concurrentiemotief heeft,86 maar dat lijkt vooral te spelen in gevallen waarin de parodie-exceptie evident als gelegenheidsargument wordt aangevoerd. Sprekend is het geval waarin een strandstoel werd nagemaakt.87 In de woorden van Klomp, in de context van het auteursrecht: “Het moet niet gaan om plagiaat in een als leuk gepresenteerde dekmantel.88 Tegen een beroep op het daadwerkelijk persiflerende karakter van een reclame-uiting met een concurrerend motief zie ik echter in beginsel geen bezwaar.89 Concurreren mag nu eenmaal, in uitgangspunt zelfs als wordt geprofiteerd van de populariteit van een ander.90

3.27

De grens ligt, behalve bij belediging en bij het inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht,91 vooral daar waar verwarring bij het publiek valt te duchten.92 Met andere woorden: het gevaar bestaat dat het publiek ten onrechte ondersteuning van een bepaald(e) product of dienst door een bepaalde persoon zal veronderstellen of (zelfs) producten en diensten niet uit elkaar kan houden. Die kans is bij persiflerende reclame-uitingen in het algemeen klein. De door Uw Raad in de rechtspraak over het gebruik van portretten in reclame-uitingen aangestipte omstandigheid, kort gezegd, dat bij het publiek verwarring kan ontstaan over de vraag of de geportretteerde een product of dienst aanprijst, doet zich bij een persiflage – naar haar aard – niet of nauwelijks voor (randnummer 3.16 hiervoor). Het publiek dat kennisneemt van een persiflage zal doorgaans niet menen dat de gepersifleerde de uiting ondersteunt en zal dus ook niet menen dat de gepersifleerde een in die uiting centraal gesteld(e) product of dienst wil aanprijzen.93

3.28

Dat een persiflage een commerciële achtergrond heeft, betekent verder nog niet dat met zo’n persiflage ongeoorloofd wordt omgesprongen met de commerciële belangen van de geportretteerde, gelegen in diens (al dan niet door beroepsuitoefening of andere prestaties opgebouwde) verzilverbare populariteit.94 In de regel zal de persiflage een andere markt bedienen dan de markt waarop de geportretteerde zich begeeft en kan de gepersifleerde zijn populariteit doorgaans niet verzilveren met een persiflage van zichzelf (in ieder geval niet door zichzelf na te spelen).95 Dat de commerciële belangen van de geportretteerde door de persiflage kan worden geraakt, is waar, maar art. 21 Aw beschermt die belangen in het algemeen ook niet in absolute zin, zo volgt uit het voorgaande.

3.29

Als we de balans opmaken, dan zal er mijns inziens niet snel – maar ook niet nooit – een redelijk belang van de gepersifleerde zijn in de zin van art. 21 Aw dat zich tegen openbaarmaking van het persiflerende portret verzet. Dit brengt weliswaar mee dat ook in de gevallen waarin een portret een persiflerend karakter heeft, wordt toegekomen aan een belangenafweging, maar daarbij moet mijns inziens als uitgangspunt het persiflerende karakter van het portret zwaarder wegen.

Art. 6:162 BW: aanvullende bescherming wegens onrechtmatig profiteren van eens anders verzilverbare populariteit

3.30

De bescherming die art. 21 Aw biedt, omvat niet alle beschermenswaardige belangen met betrekking tot de openbaarmaking van een afbeelding waarin gelijkenissen met een persoon voorkomen. Om te beginnen beschermt die bepaling alleen de geportretteerde en diens nabestaanden. Het openbaar maken van een portret kan onder omstandigheden ook ten opzichte van een ander dan de geportretteerde of diens nabestaanden onrechtmatig zijn, onder andere in het licht van diens commerciële belangen (zoals in dit geval wordt betoogd door Mavic, die een exclusieve licentie96 heeft om het ‘portretrecht’ van Verstappen te promoten en te exploiteren, randnummer 1.2 hiervoor). Verder geldt dat ook een uiting, die geen portret in de zin van art. 21 Aw is maar wel gelijkenissen oproept met een persoon, onrechtmatig kan zijn ten opzichte van die persoon of ten opzichte van anderen. Dat kan onder omstandigheden onder meer het geval zijn als met die uiting wordt ‘aangehaakt’ of ‘aangeleund’ bij (en daarmee geprofiteerd van) de verzilverbare populariteit van die persoon.97 Ik kan over deze aanvullende bescherming relatief kort zijn, omdat veel van het voorgaande hier evenzeer geldt. Ik zal nu in het verlengde van het voorgaande op enkele aspecten nader ingaan.98

3.31 ‘

‘Profiteren’ heeft een negatieve bijklank. Overheerst die bijklank, dan zou men ook ‘parasiteren’ kunnen horen.99 Dat er wordt geprofiteerd van de populariteit van anderen – zelfs van concurrenten – is echter een inherent en veelvoorkomend onderdeel van de vrije markteconomie.100 Het is niet moeilijk te beredeneren dat degenen op wier populariteit wordt voortgebouwd nadeel lijden doordat de ‘profiteur’ een kans benut die zij anders zouden hebben gehad. De fabrikant van een populaire smartphone zou bijvoorbeeld, zo kan worden verondersteld, liefst als enige opereren op de markt voor accessoires voor die smartphones.101 Andere aanbieders van accessoires profiteren van de aantrekkelijkheid en (dus) marktpositie van de smartphone en benutten kansen die – theoretisch – ook de fabrikant zou hebben kunnen grijpen. Men kan deze toestand, zonder daarmee een juridische kwalificatie te geven, zo beschrijven dat er door de ‘profiteurs’ ‘baten’ worden ‘onttrokken’ aan degenen die iets in de markt hebben gezet of anderszins een oorspronkelijke prestatie hebben geleverd in het economisch verkeer. Het gaat echter, bij nadere beschouwing, niet slechts om een verdelingsvraagstuk, waarbij de baten voor de één gelijk zijn aan de (goeddeels theoretische) kosten voor anderen. Voortbouwen op anderen is profiteren, maar niet, althans niet uitsluitend, parasiteren. Wat populair is, voldoet kennelijk aan een vraag. De ‘profiteur’ kan mogelijk verbeteringen aanbrengen102 of wellicht tegen lagere kosten produceren en in dat geval ‘beter’ aan die vraag voldoen (ten gunste van hemzelf en/of consumenten). Concurrentie, ook door nabootsers, wordt in onze economische ordening in beginsel positief gewaardeerd, een monopolie niet.103 Concurrentie brengt namelijk, dat is onomstreden, maatschappelijke baten mee, ook als daar slechts een beperkte mate van originaliteit aan ten grondslag ligt. Al voortbouwend kan bovendien een andere markt worden bediend dan de markt van het product waarop werd voortgebouwd en/of kan de functionaliteit van het product worden uitgebreid, eveneens met maatschappelijke baten. In de economische werkelijkheid is, zo kan iedereen waarnemen, perfecte originaliteit uitzonderlijk en voortbouwen van alle dag.

3.32

Het recht verzet zich dan ook niet tegen deze werkelijkheid.104 Alleen in bepaalde gevallen zijn er grenzen gesteld aan de vrijheid om (al dan niet door nabootsing) te profiteren van wat anderen in de markt hebben gezet (in de ruimste zin des woords). Bij die gevallen spelen doorgaans één of meer van de volgende drie aspecten een rol. Het eerste aspect is het beschermen van onderscheidingstekens wegens het gevaar van verwarring: producten of diensten, ook als zij op elkaar lijken, moeten in voldoende mate uit elkaar kunnen worden gehouden.105 Dit is niet alleen in het belang van aanbieders, maar ook van vragers op een markt.106 De regels rondom handelsnamen107 en merken zijn (mede) in dat licht te begrijpen.108 Het tweede aspect is dat het maatschappelijk nuttig kan zijn om de intellectuele voortbrengselen van bepaalde typen prestaties/investeringen, zoals uitvindingen, tot op zekere hoogte te beschermen tegen concurrenten door het toekennen van een (tijdelijk) (recht op een) monopolie, omdat die prestaties/investeringen daarmee kunnen worden bevorderd.109 Hierbij kan worden gedacht aan het octrooi en het auteursrecht.110 Tot slot is er een aspect van meer morele, immateriële aard. Iemands persoonskenmerken, maar ook de voortbrengselen van iemands intellectuele inspanning, verdienen in bepaalde contexten bijzondere bescherming (binnen en buiten het gebied van intellectuele eigendom). De bescherming van de geportretteerde valt in sommige contexten binnen deze categorie, namelijk waar diens persoonlijke levenssfeer wordt geschonden, maar bijvoorbeeld ook de ‘morele rechten’ van een auteur op grond van de Auteurswet.111

3.33

Het verbaast tegen de achtergrond van het voorgaande niet dat volgens de rechtspraak van Uw Raad niet zonder meer bescherming hoeft te worden geboden tegen het profiteren (door concurrenten of anderszins) van de prestaties en/of populariteit van anderen.112 In het principiële Leesportefeuille-arrest overwoog Uw Raad:

“dat het in het economisch verkeer – waarin doorlopend wordt voortgebouwd op het door anderen tot stand gebrachte – profijt trekken van de aantrekkelijkheid van het produkt van een ander op zich zelf niet in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer jegens dien ander betaamt, en ook dan niet als dit profijt trekken dien ander concurrentie aandoet en hem daardoor nadeel toebrengt;

dat echter wel de wijze waarop of de omstandigheden waaronder dat profijt trekken geschiedt daaraan een onrechtmatig karakter kunnen geven;”113

In de arresten Ja Zuster, Nee Zuster114 en Holland Nautic/Decca115 bevestigde Uw Raad deze lijn. Voortbouwen op de populariteit van een ander kan dus – ook zonder nabootsing en verwarringsgevaar – onder omstandigheden onrechtmatig zijn als het in strijd is met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, maar dat kan niet worden aangenomen op de enkele grond dat al voortbouwend wordt geprofiteerd van wat een ander tot stand heeft gebracht en die ander daardoor (potentieel) wordt benadeeld.116 Bijkomende omstandigheden zijn nodig. Ik zie geen reden om in dit verband een onderscheid te maken tussen profiteren van een concurrent en profiteren van een niet-concurrent, hoewel het eerste vermoedelijk sneller onrechtmatig zal zijn dan het laatste.117

3.34

In de gevallen waarin intellectuele eigendomsrechten geen bescherming bieden, kan dus niet snel een analoge op art. 6:162 BW te baseren bescherming (‘prestatiebescherming’) worden aangenomen.118 Onder omstandigheden kan dat wel, maar daarvoor is in de woorden van Uw Raad “in beginsel tenminste vereist dat wordt geprofiteerd van een prestatie van dien aard dat zij op één lijn valt te stellen met die welke toekenning van een dergelijk recht [een intellectueel eigendomsrecht, A-G] rechtvaardigen”.119 Gelet op wat in deze zaak aan de orde is, is het hier niet nodig om op de precieze implicaties hiervan nader in te gaan. Ik volsta met de opmerking dat een dergelijke ‘prestatiebescherming’ uitzonderlijk is.120

3.35

Het is in het licht van het voorgaande in beginsel niet onrechtmatig om met een filmpje waarin iemand (persiflerend) wordt nagedaan, in te spelen op en te profiteren van de populariteit van die persoon. Een ander uitgangspunt kan niet worden aangenomen op grond van een exclusief recht op (het exploiteren van) verzilverbare populariteit,121 want een dergelijke exclusief recht bestaat niet.122 De wet voorziet er niet in en ik zie ook geen goede argumenten voor het aannemen of construeren van een dergelijk generiek recht in ongeschreven vorm. ‘Prestatiebescherming’ is geen aannemelijke ratio voor zo’n recht. Verzilverbare populariteit kan door allerlei feiten en omstandigheden ontstaan, ook terloops. Bijzondere prestaties van de persoon in kwestie hoeven daaraan in het algemeen niet ten grondslag te liggen.123 Ik veroorloof mij de opmerking dat bijvoorbeeld via social media verzilverbare populariteit op vrij merkwaardige wijze kan ontstaan en voortbestaan, waarbij het soms een raadsel is welke prestaties daar nu precies aan ten grondslag liggen. Weliswaar geldt datzelfde zeker niet voor bijvoorbeeld sportieve en artistieke prestaties, maar ook daar zal verzilverbare populariteit doorgaans een uitvloeisel zijn van prestaties én andere aspecten. Populariteit is mijns inziens ook te fluïde en te diffuus om in algemene zin bescherming in de vorm van een ‘exclusief recht’ te krijgen. De vergelijking met het auteursrecht spreekt boekdelen: dáár wordt een concreet ‘werk’ beschermd tegen openbaarmaking en reproductie zonder toestemming van de rechthebbende van het auteursrecht.124 Hoewel ook daar zeker onduidelijkheden bestaan over wat wel en niet geoorloofd is, zijn er aanknopingspunten aan de hand waarvan de inhoud van het recht kan worden afgebakend. Ik zie, daargelaten dat een dergelijk recht niet wenselijk zou zijn, niet in hoe op dezelfde wijze een eenduidig ‘exclusief recht op verzilverbare populariteit’ kan worden vormgegeven. Zelfs als een dergelijk recht zou worden aanvaard, kan overigens ernstig worden betwijfeld of het bij de beoordeling van de onderhavige zaak de doorslag zou geven. Het ligt dan namelijk voor de hand om naar analogie van de auteursrechtelijke parodie-exceptie aan te nemen dat een filmpje waarin een lookalike een bekende persoon persifleert door de gepersifleerde moet worden geduld (randnummers 3.18 tot en met 3.29 hiervoor).

3.36

Verstappen c.s. maken de vergelijking tussen merken enerzijds en het bewust commercieel profiteren van de verzilverbare populariteit van een bekende persoon door het inzetten van een lookalike anderzijds.125 Zij wijzen erop dat de houder van een bekend merk kan opkomen tegen het ‘trekken’ door anderen van ongerechtvaardigd voordeel uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van dat bekende merk door (kort gezegd) een overeenstemmend teken, ook als er geen verwarringsgevaar kan worden vastgesteld en de merkhouder geen schade lijdt.126 Volgens hen, zo begrijp ik het betoog, moet in een geval als het onderhavige hetzelfde gelden omdat het uiterlijk van een persoon net als een merk onderscheidingsvermogen heeft. Dat laatste is natuurlijk waar en daarin schuilt inderdaad een parallel. Tegen een analogische toepassing van het merkenrechtelijke leerstuk ‘ongerechtvaardigd voordeel trekken’ op een geval als het onderhavige pleit echter dat het naspelen van een persoon aan de hand van een lookalike allerlei functies kan hebben, zoals het publiek informeren over bepaalde gebeurtenissen of het publiek vermaken (al dan niet mede met commerciële motieven). Hierbij kan bijvoorbeeld ook worden gedacht aan de publicatie van een speelfilm waarmee op commerciële wijze wordt geprofiteerd van de (al dan niet verzilverbare) populariteit van een bekend persoon doordat deze daarin wordt nagespeeld. Hiermee worden (potentieel) maatschappelijke baten gegenereerd die degene van wiens verzilverbare populariteit wordt geprofiteerd, niet zonder meer ook zelf kan genereren. In de context van het gebruik van met merken overeenstemmende tekens zal dat doorgaans anders zijn. Het zal in die context in het algemeen sneller gaan om zuiver ‘parasitair’ gedrag,127 zonder duidelijke maatschappelijke baten. Bovendien is het genoemde leerstuk van ‘ongerechtvaardigd voordeel trekken’ tot stand gekomen in de specifieke context van het sterk door het Unierecht beïnvloede merkenrecht en is het, buiten die context, moeilijk te verenigen met de vaste rechtspraak waarin het profiteren van de populariteit van (een product van) een ander nog niet op zichzelf onrechtmatig wordt geacht (randnummer 3.33 hiervoor). Zelfs als het leerstuk van ‘ongerechtvaardigd voordeel trekken’ in een geval als het onderhavige analoog zou moeten worden toegepast, dan kan sterk worden betwijfeld of kan worden gesproken van ongerechtvaardigd voordeel trekken. Ook in het merkenrecht wordt namelijk rekening gehouden met de parodiërende aard van een uiting en wordt zelfs gepleit voor een parodie-exceptie.128 Er is veel voor te zeggen dat met een parodie in beginsel niet ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van dat bekende merk.129

3.37

Het voorgaande betekent geenszins dat ‘verzilverbare populariteit’ geheel weerloos is. Afgezien van die gevallen waarin de reputatie van iemand zonder goede gronden wordt geschaad, kunnen gedragingen die – wat onvriendelijk gezegd – wel erg ‘parasitair’ zijn of waarmee ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat iemand een bepaald product of een bepaalde dienst ondersteunt in strijd komen met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. De cirkel is hier in zekere zin rond, want het gebruiken van iemands portret kan een goed voorbeeld zijn daarvan. Los van auteursrechtelijke aspecten zal het in beginsel onbehoorlijk zijn om bijvoorbeeld een boek uit te geven met foto’s van een persoon met verzilverbare populariteit zonder dat die persoon (en/of een commercieel betrokkene) daarvan profiteert.130 Dat is een relatief concrete, afgebakende norm, waarbij een aanknopingspunt kan worden gezocht niet zo zeer in de verzilverbare populariteit maar in de foto’s.131 Hetzelfde geldt voor filmbeelden van de betrokkene. Wellicht kan in die specifieke context ook wel worden gesproken van een voldoende concreet object dat zich voor een voldoende op maat gemaakt exclusief recht (op exploitatie door openbaarmaking) leent.132 Zonder de maker van bijvoorbeeld zo’n fotoboek te kort te willen doen, is het niet zonder meer de meest originele bijdrage aan het economisch verkeer, terwijl tegelijkertijd in de context van het publiceren van foto’s (of filmbeelden) – die ook al snel de private sfeer van de afgebeelde persoon kunnen raken133 – een notie van exclusiviteit in beginsel goed voorstelbaar is. Iets vergelijkbaars geldt bijvoorbeeld ook voor advertenties en reclames waarin de afgebeelde persoon zelf figureert. Daar speelt de private sfeer in mindere mate een rol, maar het is in beginsel wel erg ‘parasitair’ om zonder diens toestemming foto’s of filmbeelden van iemand te gebruiken voor een reclame. Daarbij wordt bovendien de suggestie gewekt dat de persoon in kwestie het aangeprezen product of de aangeprezen dienst ondersteunt.

3.38

Tegen deze achtergrond is te verklaren waarom Uw Raad in het arrest Cruijff/Tirion c.s. in het verlengde van eerdere rechtspraak overwoog dat “geportretteerden niet behoeven toe te laten dat hun in de uitoefening van hun beroep verworven populariteit commercieel wordt geëxploiteerd door openbaarmaking van hun portretten, zonder dat zij daarvoor een vergoeding ontvangen”.134 Volgens mij moet die overweging vooral worden begrepen tegen de achtergrond van het geval (en het soort gevallen) dat daar voorlag (publicatie van een fotoboek of andere gevallen waarin de geportretteerde met een camera in beeld is gebracht) en kan, zoals ik al opmerkte, worden betwijfeld of zij daadwerkelijk voor alle soorten portretten opgeld doet. Volgens het ruime portretbegrip volstaat immers een voldoende mate van herkenbaarheid, waarmee een grote verscheidenheid aan uitingen in beeld kan komen. Daarbij kan onder andere worden gedacht aan karikaturale tekeningen en speelfilms, waar al snel enig commercieel belang achter schuilt en waarmee de populariteit van de persoon in kwestie in zekere zin kan worden verzilverd. In die gevallen is de private sfeer van de geportretteerde doorgaans niet in het geding en zal niemand menen dat de geportretteerde een product of dienst ondersteunt. De commerciële belangen van de geportretteerde kunnen wel in het geding zijn, maar dat vormt, zo bleek hiervoor al, een te dunne basis voor het aannemen van een exclusief recht. Een exclusief recht met betrekking tot exploitatie van verzilverbare populariteit door het openbaar maken van portretten in generieke zin acht ik dan ook te verstrekkend en ik begrijp het hiervoor genoemde Cruijff/Tirion c.s.-arrest ook niet zo dat Uw Raad het bestaan daarvan heeft aanvaard.135 Daar komt bij dat, zo meen ik, het in beginsel vrij staat te persifleren.

3.39

De hamvraag, in het licht van het voorgaande, is of onrechtmatig wordt gehandeld ten opzichte van een bekende persoon als deze aan de hand van een lookalike op persiflerende wijze wordt nagebootst ten behoeve van een reclame-uiting, waarmee wordt geprofiteerd van diens verzilverbare populariteit. De ingrediënten voor een in beginsel ontkennende beantwoording van deze vraag schuilen mijns inziens in het voorgaande: (i) profiteren van wat anderen doen, mag in beginsel en (ii) humor heeft een bijzonder, beschermd plekje in ons recht (de exceptio humoris136). Daarmee kom ik toe aan de bespreking van het cassatiemiddel.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

Vooraf

4.1

Wie onbekend is, kan allerlei problemen hebben, maar hoeft doorgaans in ieder geval niet te vrezen te worden nagespeeld. Bekenden worden sneller aan dat gevaar blootgesteld en dat gevaar is met de opkomst van social media vermoedelijk toegenomen. Soms heeft dat een vervelend, negatief karakter, maar vaak heeft het een luchtige, vriendelijke aard. Het gaat in deze zaak om de laatste categorie. Het gaat hier om het naspelen van een bekende Formule 1-coureur in een filmpje met een persiflerend karakter137 dat oorspronkelijk op een Facebook-pagina van Picnic verscheen. Biedt het recht de coureur en zijn commerciële vehikel bescherming tegen zo’n filmpje? Het hof heeft gemeend van niet. Als het bestreden arrest door de wimpers wordt bekeken zonder de juridische nitty-gritty in ogenschouw te nemen, dan is duidelijk waarom: het filmpje is duidelijk grappig bedoeld, het is niet beledigend voor Verstappen en het argument dat Verstappen door het filmpje in zijn commerciële belangen geschaad is onvoldoende pregnant om aan te nemen dat het ongeoorloofd is. Ik steek niet onder stoelen of banken dat de door het hof bereikte uitkomst mij niet verbaast. De door het hof gekozen weg daarnaartoe kent wel een te scherpe bocht bij de invulling van het begrip ‘portret’ in art. 21 Aw. Ik meen dat het arrest daarom niet in stand kan blijven.

Onderdeel 1: art. 21 Aw (‘portretrecht’)

4.2

De klachten van onderdeel 1 zijn gericht tegen de oordelen van het hof in rov. 3.3.2. en 3.3.3. met betrekking tot de vraag of Verstappen138 op grond van art. 21 Aw kan opkomen tegen de openbaarmaking van het filmpje door Picnic.

4.3

Subonderdeel 1.1 ziet op de oordelen van het hof in rov. 3.3.2. dat (i) de weergave op film van de lookalike en zijn optreden niet als portret van Verstappen in de zin van art. 21 Aw kan worden aangemerkt en (ii) de bescherming van een persoon tegen de openbaarmaking van zijn portret ingevolge art. 21 Aw zich niet uitstrekt tot verspreiding van beeldmateriaal waarin bepaalde kenmerken van de verschijning van een persoon door een ander worden uitgebeeld en/of nagespeeld of nagebootst, doch er geen redelijke twijfel bestaat – bijvoorbeeld door het persiflerende of verwijzende karakter van de beelden – dat het niet die persoon zelf betreft doch slechts iemand die op hem lijkt.

4.4

Volgens de klacht in de eerste alinea van het subonderdeel geven deze oordelen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In de tweede tot en met vierde alinea wordt deze rechtsklacht uitgewerkt. Die uitwerking komt samengevat neer op het volgende. De omstandigheid dat geen redelijke twijfel kan bestaan dat het beeldmateriaal niet de uitgebeelde persoon zelf betreft, maar een lookalike, kan niet eraan afdoen dat dat beeldmateriaal een portret in de zin van art. 21 Aw is. Dat de lookalike en degene die wordt uitgebeeld identieke gelaatstrekken hebben, is niet vereist. Een persiflerend of verwijzend karakter van het beeldmateriaal staat er niet aan in de weg dat dat beeldmateriaal een portret in de zin van art. 21 Aw behelst. De zesde alinea van subonderdeel 1.1 bevat een ‘achtervangklacht’: het hof is in elk geval uitgegaan van een te beperkte uitleg van het begrip 'portret' in art. 21 Aw en/of een te beperkte reikwijdte van de door dat artikel geboden bescherming.

4.5

De vijfde alinea van subonderdeel 1.1 bevat een motiveringsklacht. Deze komt er samengevat op neer dat, in het licht van de feiten en omstandigheden die het hof heeft vastgesteld, niet valt in te zien dat in het filmpje een onvoldoende herkenbaar beeld van Verstappen zou zijn opgeroepen om van een portret in de zin van art. 21 Aw te kunnen spreken. De klacht wijst erop dat (i) het hof heeft vastgesteld dat in dit geval sprake is van een lookalike van Verstappen met gelijkende gelaatstrekken, die eenzelfde raceoutfit en eenzelfde pet draagt als Verstappen draagt tijdens optredens in de media en op het circuit (rov. 3.1. onder (v)) en (ii) door het uiterlijk en de kleding van de lookalike en door het scenario wordt gerefereerd aan het optreden van Verstappen in reclamefilms voor supermarktketen Jumbo (rov. 3.3.2.).

4.6

De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De bestreden oordelen geven mijns inziens inderdaad blijk van een onjuiste opvatting met betrekking tot het begrip ‘portret’ in art. 21 Aw. Als het hof is uitgegaan van een juist portretbegrip, zijn deze oordelen niet begrijpelijk. In randnummer 3.10 constateerde ik dat voor het antwoord op de vraag of een uiting als portret van iemand moet worden aangemerkt, beslissend is of die persoon in die uiting voldoende herkenbaar is. Bij de inzet van een lookalike gaat het erom of die voldoende mate van herkenbaarheid volgt uit inspanningen om de lookalike, mede gelet op de context waarin deze wordt weergegeven, op die persoon te laten lijken (randnummer 3.11). De omstandigheid dat het publiek niet zal zijn geneigd te denken dat de lookalike die de geportretteerde naspeelt daadwerkelijk de geportretteerde is, staat niet in de weg aan de kwalificatie ‘portret’ (randnummer 3.11). De bestreden oordelen zijn daarmee niet te rijmen. De klachten slagen dus. De volgende stap is dan eenvoudig. In het licht van de hiervoor in randnummer 4.5 aangeduide vaststellingen is de conclusie onontkoombaar dat het filmpje een portret in de zin van art. 21 Aw behelst.139

4.7

Volgens Picnic hebben Verstappen c.s. onvoldoende belang bij de klachten van subonderdeel 1.1.140 Leiden de klachten in subonderdeel 1.1 tot vernietiging van het bestreden arrest, dan zal moeten worden beoordeeld of Verstappen , na de vereiste belangenafweging, een ‘redelijk belang’ heeft in de zin van art. 21 Aw dat zich tegen openbaarmaking van het portret verzet. Volgens Picnic heeft het hof die beoordeling feitelijk al gemaakt en houdt deze stand. Picnic redeneert in dat verband dat het hof in rov. 3.4.1. tot en met rov. 3.5. een belangenafweging heeft gemaakt die materieel samenvalt met de beantwoording van de vraag of in dit geval een ‘redelijk belang’ aanwezig is. Het hof heeft daar, kort samengevat, geoordeeld dat Verstappen door het filmpje niet wordt aangetast in zijn eer en goede naam en dat Verstappen niet (naar ik begrijp: in een rechtens relevant opzicht) in zijn zakelijke belangen wordt geschaad door de openbaarmaking van het beeldmateriaal. De klachten van onderdeel 2 zijn gericht tegen rov. 3.4.1. tot en met rov. 3.5. Slagen die klachten niet – daar gaat Picnic uiteraard van uit – dan valt niet goed in te zien hoe tot de conclusie kan worden gekomen dat een ‘redelijk belang’ aanwezig is, zo vertaal ik het betoog van Picnic.

4.8

Ik stel voorop dat dit betoog mij tot op zekere hoogte aanspreekt. Inderdaad is het moeilijk voorstelbaar dat als de klachten van onderdeel 2 niet slagen, en dat is wat mij betreft inderdaad het geval (hierna randnummers 4.11 e.v.), een vernietiging en verwijzing op grond van het slagen van de klachten van subonderdeel 1.1 alsnog ertoe leiden dat Verstappen op grond van de toepassing van art. 21 Aw aan het langste eind zal trekken.141 Vanuit proceseconomisch oogpunt – in welk teken het vereiste van ‘voldoende belang’ van art. 3:303 BW staat142 – is het daarom aantrekkelijk om het belang bij de klachten van subonderdeel 1.1 afhankelijk te stellen van het slagen van één of meer klachten van onderdeel 2.

4.9

Daar staat tegenover dat (i) het hof met zo veel woorden heeft geconstateerd dat het niet is toegekomen aan – kort gezegd – de vraag of een redelijk belang als bedoeld in art. 21 Aw aanwezig is143 en dat (ii) wat het hof in rov. 3.4.1. tot en met rov. 3.5 overweegt en oordeelt (in essentie ten aanzien van de toepassing van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm) niet zonder meer identiek is aan de beoordeling die art. 21 Aw vergt. Volledig uitgesloten is het niet dat Verstappen c.s. op grond van art. 21 Aw alsnog aan het langste eind zullen trekken. In dat licht is het, hoewel vanuit proceseconomisch oogpunt aantrekkelijk, verstrekkend om Verstappen c.s. een vernietiging en verwijzing op grond van de het slagen van de klachten van subonderdeel 1.1 te ontzeggen wegens het ontbreken van voldoende belang bij die klachten. Op dat laatste hoefden zij, nu het hof zelf te kennen heeft gegeven dat het aan een verdere beoordeling aan de hand van art. 21 Aw niet toekwam, ook niet bedacht te zijn. Deze argumenten moeten mijns inziens uiteindelijk toch de doorslag geven, zodat het in randnummer 4.7 genoemde betoog van Picnic niet opgaat.

4.10

Subonderdeel 1.2 bevat een voortbouwklacht, die is gericht tegen (i) het oordeel van het hof in rov. 3.3.3. dat niet ingegaan behoeft te worden op de vraag in hoeverre een redelijk belang van Verstappen in de zin van art. 21 Aw zich tegen openbaarmaking van dat beeldmateriaal verzette althans vergde dat die openbaarmaking achterwege bleef zolang niet op adequate wijze aan het commerciële belang van Verstappen tegemoet was gekomen en (ii) het oordeel in rov. 3.6. dat geen sprake is van schending van het portretrecht en dat daarom niet de daar door het hof bedoelde belangenafweging hoeft plaats te vinden. Uit het voorgaande volgt dat deze voortbouwklacht slaagt.

Onderdeel 2: onrechtmatige daad

4.11

Mijns inziens lenen de subonderdelen 2.1 en 2.2 zich deels voor gezamenlijke bespreking, namelijk voor zover zij betrekking hebben op de maatstaf aan de hand waarvan moet worden bepaald of Picnic met het openbaar maken van het filmpje onrechtmatig heeft gehandeld jegens Verstappen en/of Mavic. Het gaat om de volgende rechtsklachten:

 In de eerste alinea van subonderdeel 2.1 wordt geklaagd dat het hof in rov. 3.4.1., 3.4.2., 3.4.3. en 3.5. heeft miskend dat het bewust commercieel profiteren van de aantrekkingskracht, de populariteit en/of de reputatie van een (bekende) ander door het inzetten van een lookalike in een openbaar gemaakt reclamefilmpje (in beginsel) onrechtmatig is jegens die ander, ook als het voor het publiek duidelijk is dat het om een lookalike gaat. Volgens het subonderdeel geldt dat in elk geval als met de inzet van de lookalike in een reclamefilmpje wordt geprobeerd te profiteren van de aantrekkingskracht, populariteit en/of reputatie van de nagebootste persoon, waarbij zonder financiële vergoeding (voor die nagebootste persoon) profijt wordt getrokken uit de commerciële en/of andere inspanningen die de nagebootste persoon heeft geleverd om zijn, kort gezegd, verzilverbare populariteit te verwerven en te behouden. Daarmee wordt, aldus het subonderdeel, door de nabootsende partij (in beginsel) onrechtmatig voordeel getrokken jegens (eleganter is mijns inziens: onttrokken aan) de nagebootste persoon. Het subonderdeel voegt daar nog aan toe dat dat te meer althans in elk geval geldt, wat het hof heeft miskend, als de nabootsende partij bij die openbaarmaking in commercieel opzicht belang heeft als gevolg van de grote aandacht voor het filmpje en dit voordeel ook heeft beoogd.

 In de tweede alinea van subonderdeel 2.1 worden klachten gericht tegen rov. 3.4.3. Zij komen er in de kern op neer dat het hof in rov. 3.4.3. ten onrechte heeft geoordeeld dat in dit geval bijkomende omstandigheden nodig zijn om het handelen van de nabootsende partij onrechtmatig te doen zijn.

 In de derde alinea van subonderdeel 2.1 wordt eveneens een klacht gericht tegen rov. 3.4.3. Die luidt – als ik het goed begrijp – dat het hof heeft miskend dat aan de onrechtmatigheid van het filmpje niet afdoet dat geen verwarring optreedt ten aanzien van de identiteit van de beide betrokken personen (nu het volgens het hof voor het publiek duidelijk is dat het om een lookalike gaat) en evenmin dat het publiek niet zal menen dat Verstappen de diensten van Picnic ondersteunt. Die omstandigheden nemen, aldus de klacht, immers niet weg dat door de nabootsende partij (zonder vergoeding) wordt geprofiteerd van de populariteit en inspanningen van de nagebootste persoon en dat de zakelijke belangen van de nagebootste persoon daardoor worden geschaad.

 In subonderdeel 2.2 klagen Verstappen c.s. dat het hof heeft miskend – zoals zou blijken uit rov. 3.4.1., rov. 3.4.2. en 3.5. – dat voor het oordeel dat onrechtmatig is gehandeld door met het inzetten van een lookalike te profiteren van de aantrekkingskracht, populariteit en/of reputatie van de nagebootste persoon niet is vereist dat daardoor aan de nagebootste persoon (direct aanwijsbare) schade is berokkend. De onrechtmatigheid is volgens het subonderdeel al gelegen in het (zonder vergoeding) profiteren van de aantrekkingskracht, populariteit en/of reputatie van een ander en de daartoe door die ander gepleegde inspanningen, in elk geval (zoals in deze zaak) bij het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond daarvoor.

4.12

In al deze klachten wordt bepleit, kort gezegd, dat het in beginsel onrechtmatig is om met een filmpje, waarin een lookalike van een bekende persoon acteert, te profiteren van de populariteit van die bekende persoon, zonder dat deze daarvoor een financiële vergoeding ontvangt. De klachten verdedigen, met aanzienlijk meer woorden, verschillende varianten van dat uitgangspunt. Ik houd het hier eerst algemeen en zal hierna nader ingaan op enkele bijzonderheden.

4.13

Het door Verstappen c.s. verdedigde uitgangspunt doet denken aan een soort exclusief recht op het exploiteren van verzilverbare populariteit,144 waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van art. 6:162 lid 2 BW. Ik kan onder verwijzing naar randnummers 3.34 e.v. kort zijn. Zo’n recht bestaat niet, ook niet met betrekking tot exploitatie door openbaarmaking van portretten. Een ‘inbreuk op een recht’ kan hier dan ook niet worden geconstrueerd.145

4.14

Ook in het kader van de toepassing van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm kan het door Verstappen c.s. bepleite uitgangspunt mijns inziens niet worden aanvaard. Ik zou in dat kader, zoals blijkt uit randnummers 3.33 tot en met 3.39, het tegenovergestelde uitgangspunt willen kiezen. Het is, als uitgangspunt, juist niet onrechtmatig om te profiteren van de populariteit van een ander. Mede in het licht van de uitingsvrijheid, die ook commerciële uitingen beschermt, moeten personen in beginsel ook dulden dat zij in een commerciële uiting worden gepersifleerd. Deze uitgangspunten lijden uitzondering als degene die wordt nagespeeld (zonder rechtvaardigingsgrond) in zijn of haar eer en/of goede naam wordt aangetast of als – zoals het hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen – er andere bijkomende omstandigheden zijn die maken dat de uiting maatschappelijk onzorgvuldig is.

4.15

In het verlengde daarvan verbaast het niet dat het hof zich onder andere heeft gebogen over de vraag of verwarring optreedt ten aanzien van de identiteit van de lookalike en Verstappen en of het publiek zal menen dat Verstappen de diensten van Picnic ondersteunt, wat bijkomende omstandigheden zouden (kunnen) zijn. Evenmin verbaast het dat het hof in dit verband betekenis heeft toegekend – het spreekt in rov. 3.5. van een ‘relevante omstandigheid’ – aan het antwoord op de vraag of Verstappen c.s. concreet nadeel (‘schade’) hebben geleden door het filmpje en of dat nadeel voldoende sprekend is om, in samenhang met andere feiten en omstandigheden, onrechtmatigheid aan te nemen. Het hof heeft met dat laatste evident niet bedoeld dat schade een voorwaarde zou zijn voor het aannemen van onrechtmatigheid. Specifieker heeft het hof kennelijk bedoeld dat voor de vraag of het filmpje onrechtmatig is van belang is of Picnic (ex ante) rekening moest houden met de kans dat openbaarmaking van het filmpje Verstappen en/of Mavic (in noemenswaardige mate) zou schaden. Het hof heeft kennelijk gemeend dat er voor Picnic geen reden was om schade aan de zijde van Verstappen en/of Mavic te verwachten. Het hof heeft in rov. 3.5. niet geoordeeld of blijk gegeven van de opvatting dat het filmpje alleen jegens Verstappen en/of Mavic onrechtmatig kan zijn als komt vast te staan dat één of beiden (ex post) schade heeft/hebben geleden.

4.16

Een nadere opmerking verdient nog het in de eerste alinea van subonderdeel 2.1 aan de orde gestelde aspect dat ik omschrijf met ‘onttrekking van baten’. Kort gezegd redeneren Verstappen c.s. dat als met de inzet van de lookalike in een reclamefilmpje wordt geprobeerd te profiteren van de aantrekkingskracht, populariteit en/of reputatie van de nagebootste persoon, zonder dat deze een financiële vergoeding ontvangt, door de nabootsende partij (in beginsel) onrechtmatig voordeel wordt onttrokken aan de nagebootste persoon. Aan wat ik in randnummers 3.31 e.v. heb uiteengezet, ontleen ik dat er geen reden is om een dergelijke ‘(in beginsel) onrechtmatige profijtonttrekking’ aan te nemen.

4.17

Het hof is dus van een juiste norm uitgegaan. De hiervoor aangestipte rechtsklachten in de eerste, tweede en derde alinea van subonderdeel 2.1 en in subonderdeel 2.2 stuiten daarop af.

4.18

Dan resteert nog een aantal andere klachten. Ik kan hier kort zijn, omdat sprake is van een zekere herhaling. Bovendien is de beantwoording van de vraag of Picnic met het filmpje onzorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van Verstappen c.s. in belangrijke mate verweven met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid maar alleen op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.146

4.19

Subonderdeel 2.3 klaagt dat het hof heeft miskend dat ook in een situatie als in deze zaak door de openbaarmaking van het reclamefilmpje de zakelijke belangen van de nagebootste persoon worden geschaad althans kunnen worden geschaad (en dat in zoverre wel degelijk schade wordt berokkend aan de nagebootste persoon). Wat het hof volgens het subonderdeel heeft miskend, is niet een rechtsregel maar een (hypothetisch) feit. Voor zover in het subonderdeel wordt geklaagd dat het onbegrijpelijk is dat het hof het bestaan van dat feit niet heeft aangenomen, kan die klacht niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 3.4.2. en 3.5. niet-onbegrijpelijke feitelijke oordelen gegeven over de aanwezigheid van (noemenswaardig) nadeel aan de zijde van Verstappen c.s. Die oordelen komen er in de kern op neer dat er geen concrete feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen waaruit dat nadeel kan blijken, laat staan dat dat nadeel zo sprekend is dat daaruit – in afwijking van het uitgangspunt dat op zichzelf van de populariteit van een ander mag worden geprofiteerd, ook als die ander daardoor nadeel wordt toegebracht – zou volgen dat Picnic onrechtmatig heeft gehandeld. Daar komt dan nog bij dat het hof in beschouwing heeft genomen of Picnic (ex ante) rekening moest houden met de mogelijkheid van nadeel aan de zijde van Verstappen c.s. door openbaarmaking van het filmpje en tot een ontkennend antwoord is gekomen. Het hof heeft daarbij in rov. 3.5. verschillende aspecten belicht: (i) Jumbo heeft kort na de openbaarmaking van het filmpje het contract met Verstappen verlengd en (ii) de lookalike heeft geen rol gespeeld in uitingen waarin ook Verstappen in eigen persoon had kunnen figureren, omdat de sponsorrelatie met Jumbo een dergelijk optreden voor een andere (online) supermarkt door Verstappen niet toeliet. Meer hoefde het hof niet te doen. Ik teken aan dat Verstappen c.s. niet betogen dat het hof door hen aangevoerde concrete feiten en omstandigheden buiten beschouwing zou hebben gelaten. Dat het betoog van Verstappen c.s. over de abstracte aard van het (potentiële of te veronderstellen) nadeel – namelijk “in de vorm van een vermindering van de commerciële waarde van de identiteit / het beeld van de nagebootste persoon” – niet kan slagen, volgt al uit het voorgaande. Een absolute bescherming van (de commerciële waarde) van de (verzilverbare) populariteit of reputatie van een persoon biedt het recht niet, in ieder geval niet tegen gedragingen van commerciële (of zelfs concurrerende) aard die die persoon niet op ongeoorloofde wijze in een kwaad daglicht stellen. Voor zover subonderdeel 2.3 (anders dan het hof heeft gedaan en dus zonder feitelijke grondslag) vooruitloopt op eventuele schadebegroting, faalt het eveneens.

4.20

Subonderdeel 2.4 bevat in de eerste alinea een motiveringsklacht. Het hof heeft, aldus het subonderdeel, onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat onder de omstandigheden van deze zaak niet onrechtmatig is gehandeld door Picnic, meer in het bijzonder de oordelen dat de zakelijke belangen van Verstappen en Mavic niet worden geschaad (rov. 3.4.1.-3.4.2.), en/of dat bijkomende omstandigheden voor onrechtmatigheid ontbreken (rov. 3.4.3.), en/of dat in de stellingen van Mavic c.s. ook geen grondslag is te vinden voor het oordeel dat hun zakelijke belangen door de uitzending van het filmpje daadwerkelijk zijn geschaad (rov. 3.5.). Volgens het subonderdeel zijn die oordelen niet voldoende gemotiveerd in het licht van de volgende (in het subonderdeel van vindplaats voorziene) stellingen van Verstappen c.s. , die het hof in het midden zou hebben gelaten en volgens het subonderdeel in cassatie als hypothetische feitelijke grondslag moeten dienen. Gemakshalve citeer ik:

“Picnic, een professioneel bedrijf, heeft bewust en zonder toestemming van Verstappen en Mavic aangehaakt bij de goodwill c.q. verzilverbare populariteit van Verstappen als bekend F1-coureur, om daar commercieel voordeel uit te behalen. Het aldus proberen geassocieerd te worden met Verstappen en zijn professionele activiteiten c.q. het aanhaken bij de verzilverbare populariteit van Verstappen tast de exclusiviteit en (daarmee) de waarde van de sponsorcontracten van Verstappen aan en doet afbreuk aan de commerciële belangen van Verstappen om zijn identiteit te gelde te kunnen maken: immers kan Verstappen , als deze ambush marketing van Picnic wordt toegestaan, niet langer exclusiviteit garanderen, waardoor potentiële sponsors mogelijk niet bereid zullen zijn nog (hetzelfde) te betalen voor sponsorcontracten, terwijl die exclusiviteit allesbepalend is voor Verstappen zijn verzilverbare populariteit, en Mavic een uitgestippelde strategie voert op grond waarvan zij (c.q. Verstappen ) slechts onder strikte voorwaarden (die zich nadrukkelijk niet beperken tot enkel financiële condities) met sponsors in zee gaat. Andere marktpartijen zijn dus gebonden aan voorwaarden en betalen Verstappen voor zijn exclusiviteit en populariteit, terwijl Picnic zich die waarde zonder tegenprestatie toe-eigent. Picnic gebruikt aldus de reclamefilm om naamsbekendheid te genereren en om haar producten te verkopen ten koste van Verstappen .”

4.21

De klacht faalt. Het subonderdeel lijkt om te beginnen voort te bouwen op de onjuiste gedachte dat er een soort exclusief recht op verzilverbare populariteit bestaat. Het subonderdeel gaat er in ieder geval van uit dat het recht bescherming biedt aan “de commerciële belangen van Verstappen om zijn identiteit te gelde te kunnen maken”. Deze belangen zouden, zo menen Verstappen c.s. , in het geding zijn door het persiflerende filmpje van Picnic omdat Verstappen geen ‘exclusiviteit’ meer kan garanderen. Dat het hof korte metten heeft gemaakt met dit betoog, vind ik alleszins begrijpelijk. Het hof heeft kennelijk en terecht tot uitgangspunt genomen dat dergelijke commerciële belangen niet in absolute zin door het recht worden beschermd. Het hof is óók tot het (feitelijke) oordeel gekomen dat – samengevat – die commerciële belangen in dit geval niet in noemenswaardig opzicht worden geraakt. Het hof heeft het in dat verband begrijpelijkerwijs niet geloofwaardig geacht dat door een persiflerend filmpje waarin, zo is mijn vertaling, de draak wordt gestoken met de Jumbo-reclame daadwerkelijk iets zou afdoen aan de mogelijkheid van Verstappen om zinvol exclusieve sponsorcontracten af te sluiten (voor zover dat al – het zij benadrukt – op zichzelf voldoende zou zijn om onrechtmatigheid aan te nemen). Het hof heeft daarbij kennelijk onder andere acht geslagen op de omstandigheden, samengevat, dat – mede gelet op het persiflerende karakter van het filmpje – het publiek niet zal menen dat Verstappen de diensten van Picnic ondersteunt (rov. 3.4.2.) en dat Jumbo na openbaarmaking van het filmpje van Picnic het sponsorcontract met Verstappen heeft verlengd (rov. 3.4.3.).147 Ik kan dit goed volgen. Dat geldt temeer nu het hof het in dit verband kennelijk óók nog tekenend heeft geacht dat Jumbo zich niet tegen het filmpje heeft verzet, omdat zij de humor ervan inzag.148

4.22

Ook de tweede alinea van subonderdeel 2.4 bevat een gecombineerde klacht, die er kort gezegd op neerkomt dat het rechtens onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is dat het hof heeft geoordeeld dat uit de hiervoor in randnummer 4.20 aangehaalde stellingen geen relevant nadeel voortvloeit voor Verstappen c.s. en/of dat het daarin beschreven handelen van Picnic niet onrechtmatig is. Met het bespreken van de klacht zou ik in herhaling vallen. Zij faalt.

4.23

Tot slot is ook in de derde alinea van subonderdeel 2.4 nog een klacht opgenomen. Geklaagd wordt dat de overweging van het hof in rov. 3.4.2. – inhoudende dat er geen feitelijke grond is om aan te nemen dat de lookalike in beeld is gebracht op een wijze die aan de reputatie van Verstappen en zijn populariteit bij bestaande of potentiële sponsoren of andere contractpartners afbreuk zou kunnen doen – niet het oordeel kan dragen dat Picnic niet onrechtmatig heeft gehandeld en/of dat Verstappen en Mavic geen schade hebben ondervonden. Het gaat er, aldus de klacht, immers niet om dat de wijze waarop de lookalike in beeld is gebracht, afbreuk kan doen aan de populariteit van Verstappen bij bestaande of potentiële sponsoren of andere contractpartners, maar het gaat erom dat het gebruik van het beeld/de identiteit van Verstappen door middel van het inzetten van een lookalike op zichzelf al dat nadeel kan toebrengen.

4.24

De klacht faalt. Voor zover wordt geklaagd over een zelfstandig oordeel over ‘schade’ ontbreekt feitelijke grondslag, omdat het hof daarover geen zelfstandig oordeel heeft gegeven. De overwegingen van het hof over (het vooraf rekening houden met) schade/nadeel aan de zijde van Verstappen c.s. staan in het teken van de onrechtmatigheidsvraag. Inderdaad kan het gegeven dat de lookalike niet in beeld is gebracht op een wijze die aan de reputatie van Verstappen en zijn populariteit bij bestaande of potentiële sponsoren of andere contractpartners afbreuk zou kunnen doen niet het onrechtmatigheidsoordeel van het hof dragen, maar dat heeft het hof ook onmiskenbaar niet bedoeld. Het hof heeft dat gegeven als omstandigheid (of mogelijke onrechtmatigheidsgrond) in beschouwing genomen en heeft daarmee niet volstaan, zoals uit het voorgaande blijkt.

4.25

Subonderdeel 2.5 bevat eveneens een motiveringsklacht. De overweging van het hof in rov. 3.4.2., inhoudende dat niet valt aan te nemen dat Verstappen als gevolg van het posten van het filmpje op Facebook in verband zal worden gebracht met de activiteiten van Picnic, is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk gemotiveerd, voor zover daarmee zou worden bedoeld dat er geen enkel verband gelegd zou worden tussen het reclamefilmpje van Picnic en Verstappen . In zoverre zou die overweging ook tegenstrijdig zijn aan de overweging van het hof dat het filmpje door de gemiddelde kijker als persiflage zal zijn begrepen, en aan de verwijzing naar de gewekte “associatie” in rov. 3.3.2., laatste volzin. Het filmpje van Picnic refereert immers juist bewust, aldus nog steeds het subonderdeel, door de inzet van de lookalike aan het optreden van Verstappen in de reclame voor Picnics concurrent Jumbo, en in zoverre wordt dus wel degelijk een verband gelegd.

4.26

De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat er geen enkel verband zou worden gelegd tussen het filmpje van Picnic en Verstappen . Wat het hof in rov. 3.4.2. onmiskenbaar heeft bedoeld is dat het publiek naar aanleiding van het filmpje niet zal menen (a) dat Verstappen daadwerkelijk optreedt in het filmpje en/of (b) dat Verstappen de diensten van Picnic ondersteunt (mede omdat, aldus het hof, het filmpje als persiflage zal zijn begrepen). Deze feitelijke oordelen zijn in cassatie niet bestreden.

4.27

Subonderdeel 2.6 bevat een voortbouwklacht, die gelet op het voorgaande geen bespreking behoeft.

Onderdeel 3: slotklacht

4.28

Onderdeel 3 bouwt voort op onderdelen 1 en 2 en is gericht tegen de beslissingen in rov. 3.6. en 3.7 en het dictum. Het slaagt voor zover het voortbouwt op (het slagen van) onderdeel 1. Dat behoeft mijns inziens geen nadere bespreking.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Dit feitenoverzicht is ontleend aan het bestreden arrest: hof Amsterdam 2 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1410, Mediaforum 2020-6, nr. 17 m.nt. O.G. Trojan, rov. 3.1.

2 Ik teken hier aan dat de door partijen overgelegde procesdossiers niet overeenstemmen. In het door Verstappen c.s. overgelegde procesdossier ontbreekt – anders dan in het door Picnic overgelegde procesdossier – de appeldagvaarding van 19 juli 2018 en lijkt in plaats daarvan per abuis een appeldagvaarding van 1 december 2017 te zijn overgelegd (tabblad 17). Deze laatste appeldagvaarding – die in het procesdossier dat door Picnic is overgelegd, is opgenomen na tabblad A – was gericht tegen het tussenvonnis van 6 september 2017. In het door Picnic overgelegde dossier is na tabblad B een exploot van 22 december 2017 opgenomen dat er kort gezegd toe strekt het hoger beroep tegen dat tussenvonnis in te trekken, zodat dit hoger beroep geen rol meer speelt. Na tabblad C is de appeldagvaarding van 19 juli 2018 opgenomen. Het hof heeft in rov. 1. van het bestreden arrest 19 juli 2018 genoteerd als datum waarop de appeldagvaarding is uitgebracht.

3 Rb. Amsterdam 6 september 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6395.

4 Rb. Amsterdam 25 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2648.

5 Dat blijkt uit de appeldagvaarding en uit onder andere de inhoud van grieven I tot en met V van Picnic. Het hof heeft in rov. 1. van het bestreden arrest van 2 juni 2020 desondanks vermeld dat Picnic in hoger beroep is gekomen van het eindvonnis van 25 april 2018 en heeft het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 6 september 2017 daarbij onvermeld gelaten. Uit de overwegingen en oordelen van het hof volgt echter onmiskenbaar dat het ervan is uitgegaan dat Picnic óók hoger beroep heeft ingesteld tegen het tussenvonnis, aangezien het hof in rov. 3.3.2. in afwijking van het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 6 september 2017 (waar de rechtbank in haar eindvonnis van 25 april bij gebleven is (rov. 2.1.)) en in overeenstemming met de grieven van Picnic heeft geoordeeld dat het filmpje niet een portret behelst.

6 Hof Amsterdam 2 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1410, Mediaforum 2020-6, nr. 17 m.nt. O.G. Trojan.

7 Het hof heeft in het dictum van zijn arrest niet (met zo veel woorden) het tussenvonnis van 6 september 2017 vernietigd. Gelet op de inhoud van voetnoot 5 hiervoor, kan er echter geen misverstand over bestaan dat het hof de grieven tegen dat tussenvonnis, voor zover deze nog behandeling behoefden, gegrond heeft geacht. Gelet op HR 28 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2318, NJ 1997/581 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.2 moet worden aangenomen dat ook het tussenvonnis van 6 september 2017 is vernietigd voor zover het hof in van dat tussenvonnis afwijkende zin heeft beslist. Zie ook H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel, Deventer: Kluwer 2009, p. 245.

8 Rb. Amsterdam (vzr.) 13 oktober 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9747.

9 Hof Amsterdam 2 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1722.

10 Hij kan zich op die grondslag verzetten tegen (verdere) openbaarmaking en (op grond van art. 21 Aw jo. 6:162 BW) schadevergoeding vorderen vanwege een eerdere openbaarmaking.

11 Hoewel dat voor deze zaak niet van bijzonder belang is, benadruk ik dat ‘zonder opdracht’ moet worden onderscheiden van ‘zonder toestemming’. Het element ‘zonder opdracht’ heeft een wetstechnische achtergrond die kan worden begrepen als een blik wordt geworpen op art. 19 en 20 Aw. Niettemin geldt dat als het bestaan van toestemming tot openbaarmaking kan worden aangenomen, een beroep op art. 21 Aw in de regel niet meer mogelijk zal zijn. Vgl. P.G.F.A Geerts & D.J.G. Visser (red.), T&C Intellectuele Eigendom, art. 21 Aw (actueel tot en met 1 augustus 2021), aant. 3 onder b (D.W.F. Verkade). Zie ook J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 390-391.

12 De bepaling werd als art. 19 lid 3 bij wijze van amendement voorgesteld door het Tweede Kamerlid Drucker. Zijn toelichting hierbij was: “Ook bij portretten, die niet in opdracht van den geportretteerde zijn vervaardigd, kan openbaarmaking, ook door den maker, in hooge mate onbehoorlijk zijn. Een algemeene regel is in dezen niet te stellen: alles hangt af van de bijzondere omstandigheden van elk geval.” Zie Kamerstukken II 1911-1912, 227, nr. 8.

13 Stb. 1972/722.

14 J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 381 merken bijvoorbeeld op dat “het portretrecht, zoals beschermd door art. 21 Aw, weinig of niets met het auteursrecht uitstaande heeft”.

15 Uitdrukkelijk werd dat overwogen in HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (a). Over dit aspect bestaat in de literatuur wel enige discussie van meer academische aard, maar die is voor deze zaak niet van belang. Ik wijs bijvoorbeeld op J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 376-377.

16 J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 376.

17 Vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.5.

18 Vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (g). Art. 21 Aw is daarvoor eigenlijk niet noodzakelijk, aangezien de openbaarmaking van een portret die ten opzichte van de geportretteerde in hoge mate onbehoorlijk is ook in strijd zal zijn met wat naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Als art. 21 Aw wordt weggedacht, zou de geportretteerde ook op de voet van art. 3:296 lid 1 BW in verbinding met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm nog steeds een verbod en een gebod kunnen vorderen en op grond van onrechtmatige daad ook schadevergoeding kunnen vorderen. Zie onder anderen G.A.I. Schuijt, ‘Ceci n'est pas une pipe’, in D.J.G. Visser & D.W.F. Verkade (red.), Een eigen, oorspronkelijk karakter (Spoor-bundel), Amstelveen: deLex 2007, p. 312. De meerwaarde van art. 21 Aw schuilt er in ieder geval in dat het duidelijk maakt dat het openbaar maken van een portret sneller dan andere uitingen onrechtmatig is, omdat daarmee de persoonlijke levenssfeer van de geportretteerde relatief snel wordt geraakt. Hoewel de bescherming die art. 21 Aw biedt ook langs andere weg – de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm – kan worden bereikt, vestigt het wel bijzondere aandacht op een bepaalde vorm van onbehoorlijk gedrag.

19 Vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (g). Een gedraging die, in de termen van art. 21 Aw, “niet geoorloofd” is, zal “in strijd met een wettelijke plicht” zijn als bedoeld in art. 6:162 lid 2 BW.

20 J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 384 (“Daarbij is de crux, dat in art. 21 Aw van een quasi eigendomsrechtelijk ‘meest omvattende recht’ van de geportretteerde (vgl. art. 5:1 BW) geen sprake is.”) en p. 389-390, P.G.F.A Geerts & D.J.G. Visser (red,), T&C Intellectuele Eigendom, art. 21 Aw (actueel tot en met 1 augustus 2021), aant. 1 (D.W.F. Verkade) (“Het geeft geen absoluut subjectief recht, doch het geeft via een wettelijke zorgvuldigheidsnorm een vergaande aanspraak tegen publicatie van portretten.”), GS Onrechtmatige daad VII.8.2.7 (actueel tot en met 1 oktober 2020) (O.M.B.J. Volgenant) en M. Frequin, Auteursrechtgids, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 112. Zie in andere zin Th.C.J.A. van Engelen, IE-beginselen - 2019, Utrecht: Uitgeverij Boek 9, p. 30 en p. 431-441, die stelt dat het portretrecht een ongeschreven ‘IE-recht’ is, hoewel “de concrete inhoud van dit portretrecht (…) nog grotendeels in nevelen [is] gehuld” (p. 30). Mijns inziens te categorisch, gelet op wat hierna nog zal volgen, is zijn opmerking dat “de rechtspraak [erkent] dat een geportretteerde met een “verzilverbare populariteit” zich tegenover iedere derde tegen openbaarmaking van zijn portret kan verzetten” (p. 30).

21 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.5. Zie ook J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 381.

22 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.6.2.

23 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.6.2.

24 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.6.2.

25 In HR 16 januari 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC4984, NJ 1970/220 m.nt. G.J. Scholten (Ja Zuster, Nee Zuster), overwoog Uw Raad dat er geen reden is om aan te nemen dat aan het woord 'portret' in art. 21 Aw een andere betekenis moet worden toegekend dan in art. 19 en/of 20 Aw.

26 Kamerstukken II 1911-1912, 227, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 11. Daar wordt verder toegelicht dat het kan gaan om “geboetseerde en gebeeldhouwde afbeeldingen, van medailles en plaques, als bij schilderijen, teekeningen en fotografieën.” De technische wijze van vervaardiging van een uiting is irrelevant voor de vraag of deze een ‘portret’ in de zin van art. 21 Aw is of behelst. Vgl. HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3416, NJ 2004/80 m.nt. E.J. Dommering en AV&S 2003, p. 223 m.nt. L.R. van Harinxma thoe Slooten (Breekijzer), rov.4.6.2. Filmbeelden kunnen, dat staat in deze zaak ook niet ter discussie, een portret behelzen.

27 Aldus M. Frequin, Auteursrechtgids, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 108.

28 J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 372 wijzen erop dat een omschrijving in woorden dus geen portret kan zijn.

29 Meest duidelijk is HR 30 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0034, NJ 1988/277 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMI 1988, p. 58 m.nt. D.E. Bunschoten (Naturistengids), rov. 3.2. Zie verder HR 16 januari 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC4984, NJ 1970/220 m.nt. G.J. Scholten (Ja Zuster, Nee Zuster).

30 HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3416, NJ 2004/80 m.nt. E.J. Dommering en AV&S 2003, p. 223 m.nt. L.R. van Harinxma thoe Slooten (Breekijzer), rov. 4.6.3. Zie ook HR 30 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0034, NJ 1988/277 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMI 1988, p. 58 m.nt. D.E. Bunschoten (Naturistengids), rov. 3.2. Volgens J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 374 is wel vereist “dat ten minste een deel van het gelaat wordt afgebeeld, ook al is dat gelaat dan op zichzelf niet herkenbaar en wordt de herkenbaarheid door andere omstandigheden veroorzaakt.” Deze kwestie kan hier blijven rusten, omdat zij voor deze zaak niet van belang is.

31 J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 372.

32 HR 30 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0034, NJ 1988/277 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMI 1988, p. 58 m.nt. D.E. Bunschoten (Naturistengids), rov. 3.2.

33 HR 30 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0034, NJ 1988/277 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMI 1988, p. 58 m.nt. D.E. Bunschoten (Naturistengids), rov. 3.2.

34 Vgl. J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 372. Zie met betrekking tot karikaturen bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 2 februari 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AS4748, Mediaforum 2005-3, nr. 9 m.nt. D.J.G. Visser en IER 2005/44 m.nt. E.H. Hoogenraad (Staat/Kijkshop).

35 Zie vooral de AMI-noot van J.H. Spoor bij Rb. Amsterdam (Pres.) 22 december 1994, AMI 1995-7, p. 136-137 (Sylvia Millecam). Zie ook G.A.I. Schuijt, ‘Ceci n'est pas une pipe’, in D.J.G. Visser & D.W.F. Verkade (red.), Een eigen, oorspronkelijk karakter (Spoor-bundel), Amstelveen: deLex 2007, p. 317, G.A.I. Schuijt, ‘Look-alikes en andere nep in commercials’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: deLex 2009, p. 43 e.v., D.J.G. Visser, ‘Kroniek van de intellectuele eigendom’, NJB 2018, p. 1036 en GS Onrechtmatige daad VII.8.3.3.5 (actueel tot en met 1 oktober 2020) (O.M.B.J. Volgenant), R. de Vrey, ‘Een race door het portretrecht’, IER 2020 p. 369 en O.G. Trojan in zijn noot bij het bestreden arrest, hof Amsterdam 2 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1410, Mediaforum 2020-6, nr. 17.

36 J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 375: “Het komt voor dat verschillende mensen op elkaar lijken. Enkel overeenstemmende gelaatstrekken van een ‘dubbelganger’ of ‘lookalike’, achten wij op zichzelf niet voldoende voor een portret.” (in originele tekst is enkel ‘niet’ gecursiveerd, A-G) Waarschijnlijk bedoelen G. Fredix en M. Driessen, ‘IE-rechtelijke (s)portretten’, BMM Bulletin 2020 dat ook waar zij op p. 32 schrijven: “Een lookalike is (…) strikt genomen geen portret van degene op wie de lookalike lijkt.” (in het origineel is enkel het woord ‘lookalike’ gecursiveerd (2x), A-G).

37 Vgl. J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 375-376 en GS Onrechtmatige daad VII.8.3.3.5 (actueel tot en met 1 oktober 2020) (O.M.B.J. Volgenant).

38 Portret en geportretteerde zijn per definitie niet hetzelfde, zo is in de literatuur geconstateerd, onder verwijzing naar René Magritte’s La trahison des images, waarop een afbeelding van een pijp én de tekst “Ceci n'est pas une pipe” prijken. Een afbeelding van een pijp is geen pijp; een portret is de geportretteerde niet. Zie G.A.I. Schuijt, ‘Ceci n'est pas une pipe’, in D.J.G. Visser & D.W.F. Verkade (red.), Een eigen, oorspronkelijk karakter (Spoor-bundel), Amstelveen: deLex 2007, p. 311 e.v. Schuijt bouwt voort op de AMI-noot van J.H. Spoor bij Rb. Amsterdam (Pres.) 22 december 1994, AMI 1995-7, p. 136-137 (Sylvia Millecam), waarin onder meer wordt vermeld: “Een portret is per definitie niet een persoon zelf, maar een hulpmiddel waarmee het beeld van die persoon wordt opgeroepen. Met welke techniek, met welke kunstgrepen dat resultaat wordt bereikt is van secundair belang.

39 Zie HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (b). A-G Verkade merkt in randnummer 4.3 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:CA2788) voor dat arrest op dat het bij het ‘redelijk belang’ in art. 21 Aw oorspronkelijk ging om privacybelangen en niet om ‘financiële exploitatiebelangen’.

40 Zie bijvoorbeeld de uitvoerige beschrijving van verschillende gevalstypen in J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 393-417.

41 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (d). Zie ook HR 21 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1240, NJ 1994/473 m.nt. D.W.F. Verkade (Ferdi E.), rov. 3.5. Vgl. J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 385.

42 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (c) en eerder al HR 30 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0034, NJ 1988/277 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMI 1988, p. 58 m.nt. D.E. Bunschoten (Naturistengids), rov. 3.2 en 3.5, HR 1 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB7688, NJ 1988/1000 m.nt. L. Wichers Hoeth (Vondelpark), rov. 3.3 en HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2364, NJ 1997/661 m.nt. D.W.F. Verkade en AMI 1997, nr. 7, p. 143 e.v. m.nt. G.A.I. Schuijt (Discodanser), rov. 3.3.

43 Deze verduidelijking is op haar plaats, omdat art. 8 EVRM niet uitsluitend voorziet in bescherming van die ‘klassieke privacybelangen’, maar ook in bescherming van commerciële belangen. Zie HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.6.3. Zie daarover bijvoorbeeld ook J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 383.

44 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (f). Zie eerder en even principieel HR 19 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6461, NJ 1979/383 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMR 1979, p. 52 m.nt. J.H. Spoor ('t Schaep met de Vijf Pooten). In verband met de bescherming van commerciële belangen van personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, wordt wel gesproken van een ‘commercieel portretrecht’. Zie bijvoorbeeld D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: deLex 2009 en ook D.J.G. Visser, ‘Het commercieel portretrecht van de sporter’, in S.F.H. Jellinghaus (red.) Sport en Recht, buiten rechte of buiten spel?, Zutphen: Paris 2008, p. 107 e.v. en J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 369, 382-384.

45 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (f) in samenhang met rov. 3.6.3. Zie eerder HR 19 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6461, NJ 1979/383 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMR 1979, p. 52 m.nt. J.H. Spoor ('t Schaep met de Vijf Pooten).

46 HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2364, NJ 1997/661 m.nt. D.W.F. Verkade en AMI 1997, nr. 7, p. 143 e.v. m.nt. G.A.I. Schuijt (Discodanser), rov. 3.3.

47 HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2364, NJ 1997/661 m.nt. D.W.F. Verkade en AMI 1997, nr. 7, p. 143 e.v. m.nt. G.A.I. Schuijt (Discodanser), rov. 3.3.

48 Zo’n geval was bijvoorbeeld aan de orde in Rb. Amsterdam 2 februari 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AS4748, Mediaforum 2005-3, nr. 9 m.nt. D.J.G. Visser en IER 2005/44 m.nt. E.H. Hoogenraad (Staat/Kijkshop), waarin de rechtbank overigens oordeelde dat de toenmalige premier Balkenende (die de Staat had gevolmachtigd namens hem op te treden) een karikaturale nabootsing van zijn gezicht op het voorblad van een reclamefolder van Kijkshop niet hoefde te dulden. Mediaforum-annotator D.J.G. Visser is terecht behoorlijk kritisch over het vonnis. Zo schrijft hij: “De kern van het probleem zit in het feit dat een tamelijk onschuldig tekeningetje van een politicus in een reclame voor een koffiezetapparaat wordt gekwalificeerd als ‘een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’. Na deze kwalificatie verbaast het niet dat het commerciële belang van de Kijkshop het hier tegen moet afleggen. Wanneer wij niet spreken over ‘inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’, maar over ‘het gebruik van zijn portret in de vorm van een tekeningetje in een reclame voor een koffiezetapparaat’ en dit afwegen tegen het grondrecht van de informatievrijheid dat blijkens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van Mens ook ziet op commerciële communicatie, klinkt de belangenafweging geheel anders en zal deze daarom vermoedelijk anders uitvallen. Als men terug zou gaan naar de tekst van artikel 21 Aw zou men zich kunnen afvragen of een vooraanstaand politicus er nu een ‘redelijk belang’ bij heeft om zich te verzetten tegen het gebruik van zijn portret in de vorm van een tekeningetje in een reclame voor een koffiezetapparaat, [ge]geven het feit dat niemand zal denken dat hij er aan heeft meegewerkt of toestemming voor heeft gegeven.” Ik kan mij in deze opmerkingen goed vinden. Zie in dezelfde lijn overigens nog D.J.G. Visser, ‘Het commercieel portretrecht van de sporter’, in S.F.H. Jellinghaus (red.), Sport en Recht, buiten rechte of buiten spel?, Zutphen: Paris 2008, p. 110-113.

49 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (d).

50 Zie over dit thema in het bijzonder M. de Cock Buning, ‘Portret en Parodie’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: Uitgeverij deLex 2009, p. 55 e.v.

51 Rov. 3.3.2. en 3.4.2.

52 Een dergelijk geval van ‘naspelen zonder persiflage’ was bijvoorbeeld aan de orde in Rb. 's-Gravenhage (vzr.) 13 april 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AW1770 (Kalou), waarin de voorzieningenrechter moest beslissen over een tv-commercial waarin de voetballer Salomon Kalou niet alleen was afgebeeld maar ook was nagespeeld zonder dat het de kijker duidelijk zal zijn geweest dat hij werd nagespeeld. De voorzieningenrechter merkte ook het uitzenden van de nagespeelde Kalou aan als diens portret (rov. 4.3.) en achtte het openbaar maken daarvan ontoelaatbaar (rov. 4.7.). In die zaak werd overigens ook (terecht) geen beroep gedaan op het persiflerende karakter van dat portret.

53 Vgl., in algemenere zin, R.J.Q. Klomp, ‘Recht op parodie’, in J.M. van Buren-Dee, M.C. van Gestel en E.H. Hondius (red.), Privaatrecht en Gros (Grosheide-bundel), Antwerpen-Groningen: Intersentia 1999, p. 253: “Het geparodieerde werk moet bij het publiek waarvoor de parodie bedoeld is algemene bekendheid genieten.

54 Zie bijvoorbeeld J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 356: “Een parodie is een nabootsing van een ander werk in gewijzigde vorm waardoor dit tot voorwerp van de lachlust gemaakt wordt, of waardoor althans de teneur ervan ingrijpend wordt gewijzigd.” Zie ook, uitgebreider, W. Grosheide, ‘De grondslagen van de parodie-exceptie’, in W. Grosheide (red.), Parodie, Den Haag: Bju 2006, p. 1 e.v.

55 Aldus ook C.T.M.M. Robbers, ‘De parodie in het merkenrecht’, IER 2020, p. 25: “De parodie kent verder enkele verwante uitingsvormen. Te denken valt aan satire, pastiche, burleske, karikatuur en persiflage. In het spraakgebruik overlappen de verschillende termen elkaar en worden ze nogal eens door elkaar gebruikt.

56 Zie M.R. de Zwaan, ‘De bevrijdende lach’, AMI 2014/6, p. 196, die erop wijst dat zo’n contrast vaak humoristisch kan zijn maar niet zonder meer grappig hoeft te zijn.

57 Zie bijvoorbeeld E.C. de Jonge, ‘Auteursrecht en kopiëren in de kunst’, in S.D. Lindenbergh en H.N. Schelhaas (red.), Precies privaatrecht, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 236.

58 Zie hierover G.A.I. Schuijt, ‘Look-alikes en andere nep in commercials’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: deLex 2009, p. 51. Vgl. hof Amsterdam 13 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BS7825, IER 2012/15 m.nt. M.H. Speyart en Mediaforum 2012/1 m.nt. W. Sakulin (Nijntje), rov. 4.8.: “De bedoeling van deze afbeeldingen, die in combinatie met de bijbehorende teksten in schril contrast staan met de oorspronkelijke figuur Nijntje, is onmiskenbaar het opwekken van de lachlust, waaraan niet afdoet dat lang niet iedereen de gewraakte afbeeldingen even grappig of gepast zal vinden. Het gaat hierbij om parodiërend gebruik, immers om nabootsingen in een enigszins gewijzigde vorm waardoor de figuur Nijntje tot voorwerp van de lachlust wordt gemaakt en waardoor de teneur van het oorspronkelijke werk op humoristische, overwegend ironische wijze wordt veranderd. Dat contrast wordt versterkt door de combinatie met de begeleidende teksten. Waar de teksten van Dick Bruna bij uitstek kindvriendelijk en geweldloos zijn, zijn de teksten bij de gewraakte afbeeldingen veelal grof en agressief.

59 D.J.G. Visser, ‘Het commercieel portretrecht van de sporter’, in S.F.H. Jellinghaus (red.), Sport en Recht, buiten rechte of buiten spel?, Zutphen: Paris 2008, p. 115.

60 Zoals omschreven in art. 1 Aw.

61 De tekst van de bepaling luidt als volgt: “Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de openbaarmaking of verveelvoudiging ervan in het kader van een karikatuur, parodie of pastiche mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is.” Eerder werd in de rechtspraak van Uw Raad al wel een (meer beperkte) parodie-exceptie aanvaard. Zie HR 13 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4791, NJ 1984/524 m.nt. L. Wichers Hoeth (Suske en Wiske), rov. 3.3. Ook het al genoemde hof Amsterdam 30 januari 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AK4786, IER 2003/30 m.nt. E.H. Hoogenraad en AMI 2003/3, nr. 9 m.nt. K.J. Koelman (Bassy III) verdient hier vermelding.

62 Deze bepaalt dat lidstaten in zo’n exceptie kunnen voorzien, maar vereist deze niet. Zie art. 5 lid 3 onder k Richtlijn (EG) 2001/29.

63 Kamerstukken II 2001-2002, 28482, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 53.

64 HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351 m.nt. P.B. Hugenholtz, Mediaforum 2014-11/12, nr. 23 m.nt. D. Voorhoof en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn).

65 HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351 m.nt. P.B. Hugenholtz, Mediaforum 2014-11/12, nr. 23 m.nt. D. Voorhoof en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn), punt 9.

66 HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351 m.nt. P.B. Hugenholtz, Mediaforum 2014-11/12, nr. 23 m.nt. D. Voorhoof en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn), punt 9.

67 HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351 m.nt. P.B. Hugenholtz, Mediaforum 2014-11/12, nr. 23 m.nt. D. Voorhoof en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn), punt 9.

68 HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351 m.nt. P.B. Hugenholtz, Mediaforum 2014-11/12, nr. 23 m.nt. D. Voorhoof en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn), punt 25: “Vaststaat dat de parodie een geschikt middel vormt om een mening te uiten.

69 HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351 m.nt. P.B. Hugenholtz, Mediaforum 2014-11/12, nr. 23 m.nt. D. Voorhoof en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn), punt 33.

70 HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351 m.nt. P.B. Hugenholtz, Mediaforum 2014-11/12, nr. 23 m.nt. D. Voorhoof en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn), punt 21.

71 Interessant op dit punt is wat in de wetsgeschiedenis naar voren is gekomen. In Kamerstukken II 2001-2002, 28482, nr. 5 (nota naar aanleiding van het verslag), p. 38 wordt erop gewezen dat “de afwezigheid van elk commercieel belang bij de parodist vrijwel niet voorkomt”. Zie ook G.A.I. Schuijt, ‘Ceci n’est pas une pipe’, in D.J.G. Visser & D.W.F. Verkade (red.), Een eigen, oorspronkelijk karakter (Spoor-bundel), Amstelveen: deLex 2007, p. 319. Anders in verband met het merkenrecht C.T.M.M. Robbers, ‘De parodie in het merkenrecht’, IER 2020, p. 27, die de ‘commerciële parodie’ onderscheidt van de ‘ideële parodie’.

72 Zie de NJ-noot van P.B. Hugenholtz bij HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351, Mediaforum 2014-11/12, nr. 23 m.nt. D. Voorhoof en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn): “Wat bijvoorbeeld te denken van het parodiërend gebruik van werken in een reclame-uiting? Gezien de ruime bewoordingen van het arrest lijkt er geen reden te bestaan dergelijke parodieën van het wettelijke privilege uit te sluiten.”

73 Zie daarover D. Voorhoof, ‘De parodie-exceptie als geharmoniseerd EU-concept’, AMI 2014/6, p. 179.

74 HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351 m.nt. P.B. Hugenholtz en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn), punten 25 e.v.

75 HvJ EU 3 september 2014, C‑201/13, ECLI:EU:C:2014:2132, NJ 2016/351 m.nt. P.B. Hugenholtz en AMI 2014/6, nr. 16 m.nt. K.J. Koelman (Deckmyn), punten 29-31.”

76 Zie ook M. de Cock Buning, ‘Portret en Parodie’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: Uitgeverij deLex 2009, p. 60 e.v., D.J.G. Visser, ‘Het commercieel portretrecht van de sporter’, in S.F.H. Jellinghaus (red.), Sport en Recht, buiten rechte of buiten spel?, Zutphen: Paris 2008, p. 111 e.v. en, onder het motto ‘grapje moet kunnen’, G.A.I. Schuijt in zijn AMI-noot, onder 6, bij HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2364, NJ 1997/661 m.nt. D.W.F. Verkade en AMI 1997, nr. 7, p. 143 e.v. (Discodanser). Schuijt bepleit (zelfs) dat een reclame van Gall & Gall waarin (zonder toestemming) een bewerkte foto van de toenmalige Russische president Jeltsin wordt gebruikt (hij draagt daarin tassen vol wodkaflessen) toelaatbaar moet worden geacht en verwijt de Reclame Code Commissie, die kennelijk anders heeft geoordeeld, een gebrek aan humor. Voor de zekerheid merk ik op dat die casus een geheel andere is dan de casus die aan de orde was in het Discodanser-arrest.

77 Vgl. M. de Cock Buning, ‘Portret en Parodie’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: Uitgeverij deLex 2009, p. 60: “Hoewel het portretrecht nadrukkelijk geen (pseudo)auteursrecht is, maar gecodificeerde bescherming van de persoonlijke levenssfeer alsmede – in het geval van het commerciële portretrecht voor personen met verzilverbare populariteit – een vorm van prestatiebescherming, vormen de door de wetgever geboden aanknopingspunten ten aanzien van de uitleg van de in 2002 op grond van art. 5 lid 3 sub k van de Europese Auteursrechtrichtlijn in de Nederlandse Auteurswet ingevoerde parodie-exceptie goede aanknopingspunten voor beoordeling van de portretparodie.

78 Een interessant voorbeeld, waarin niet de bescherming van art. 21 Aw maar (onder andere) het auteursrecht aan de orde was, is hof Amsterdam 30 januari 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AK4786, IER 2003/30 m.nt. E.H. Hoogenraad en AMI 2003/3, nr. 9 m.nt. K.J. Koelman (Bassy III). De bekende personages Bassie en Adriaan waren evident nagespeeld in een tv-programma, Bassy III. Volgens de beschrijving van het hof was Bassy III satirisch van aard: Bassie en Adriaan, die allerbraafst zijn, werden in een context geplaatst waarin grof taalgebruik en geweld niet worden geschuwd. Het hof oordeelde dat het ging om een vanuit auteursrechtelijk oogpunt toelaatbare parodie (rov. 4.10. tot en met 4.15.).

79 Aldus ook R. de Vrey, ‘Een race door het portretrecht’, IER 2020, p. 370.

80 Zie in dat verband ook de NJ-annotatie van D.W.F. Verkade onder 9 bij HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2364, NJ 1997/661 en AMI 1997, nr. 7, p. 143 e.v. m.nt. G.A.I. Schuijt (Discodanser).

81 Zonder het al te veel te willen dramatiseren, teken ik aan dat niet ondenkbaar is dat van dreigende, op art. 21 Aw gegronde rechtsmaatregelen een – in Straatsburgse termen – chilling effect uitgaat op het uitoefenen van de uitingsvrijheid, ook als die rechtsmaatregelen geen succes zouden moeten hebben. Ik wijs kortheidshalve (en gemakshalve) naar O.G. Trojan en W. Kroeze, ‘Schadeclaims en de vrijheid van meningsuiting’, MvV 2020, p. 294 e.v.

82 Zie ook M. de Cock Buning, ‘Portret en Parodie’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: Uitgeverij deLex 2009, p. 61.

83 Zie meest stellig G.A.I. Schuijt in zijn AMI-noot, onder 6, bij HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2364, NJ 1997/661 m.nt. D.W.F. Verkade en AMI 1997, nr. 7, p. 143 e.v. (Discodanser).

84 Vgl. hiervoor in voetnoot 71 met betrekking tot de parodie-exceptie in het auteursrecht. In verband met die parodie-exceptie is in de wetsgeschiedenis “het ontbreken van concurrentiemotieven” als factor aangemerkt. Zie Kamerstukken II 2001-2002, 28482, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 53. Zie ook M. de Cock Buning, ‘Portret en Parodie’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: Uitgeverij deLex 2009, p. 61: “Commerciële motieven spelen bij de beoordeling van de toelaatbaarheid dus wel degelijk een rol – columnisten, cabaretiers, cartoontekenaars mogen meer dan concurrenten – maar staan niet als zodanig steeds in de weg aan toetsing.

85 Zie ook M. de Cock Buning, ‘Portret en Parodie’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: Uitgeverij deLex 2009, p. 60.

86 R. de Vrey, ‘Een race door het portretrecht’, IER 2020, p. 371.

87 Rb. Rotterdam 10 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3406, rov. 4.19.

88 R.J.Q. Klomp, ‘Potter tegen Grotter, parodie of plagiaat?’, Ars Aequi 2004, p. 114.

89 Vgl. D.J.G. Visser, ‘Het commercieel portretrecht van de sporter’, in S.F.H. Jellinghaus (red.), Sport en Recht, buiten rechte of buiten spel?, Zutphen: Paris 2008, p. 115. Zie ook al voetnoot 72 met betrekking tot de parodie-exceptie in het auteursrecht.

90 Ik ga hierop nader in in randnummers 3.31 e.v.

91 Ik herinner eraan dat art. 21 Aw niet in een dergelijk recht voorziet (randnummer 3.8 hiervoor).

92 Zie bijvoorbeeld in verband met slaafse nabootsing van een product HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:938, NJ 2017/315 m.nt. D.W.F. Verkade, Ars Aequi 2017, p. 535 m.nt. D.J.G. Visser en IER 2017/39 m.nt. P.G.F.A. Geerts en R.W. de Vrey (All Round/Simstars), rov. 3.4.1.

93 Vgl. M. de Cock Buning, ‘Portret en Parodie’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: Uitgeverij deLex 2009, p. 61 e.v.

94 D.J.G. Visser, ‘Kroniek van de intellectuele eigendom’, NJB 2018, p. 1036 betwijfelt bij de bespreking van de onderhavige zaak of in het geval van een “puur commerciële parodie” een beroep op de parodie-exceptie mogelijk is, onder verwijzing naar twee uitspraken van feitenrechters, namelijk hof Amsterdam 5 november 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AN7646, IER 2004/20 m.nt. M. de Cock-Buning (Tanja Grotter), rov. 4.7.9.-4.7.9.3. en Rb. Breda (vzr.) 24 juni 2005, ECLI:NL:RBBRE:2005:AT8316 (Gouden Gids/Yellow Bear), rov. 3.21-3.22. Zo ook R. de Vrey, ‘Een race door het portretrecht’, IER 2020, p. 371. Eerder lijkt Visser naar aanleiding van de laatstgenoemde zaak (Gouden Gids/Yellow Bear) een (enigszins) ander standpunt te hebben ingenomen in D.J.G. Visser, ‘Het commercieel portretrecht van de sporter’, in S.F.H. Jellinghaus (red.), Sport en Recht, buiten rechte of buiten spel?, Zutphen: Paris 2008, p. 115: “Een onafhankelijke cabaretier, columnist of karikatuurtekenaar moet veel meer mogen dan een concurrent. Desondanks lijkt mij dat de commerciële motieven (…) er niet toe leiden dat nooit sprake zou kunnen zijn van een toelaatbare parodie. In geval van een (beweerdelijke) parodie die als zelfstandig product op grote schaal en langdurig wordt verkocht (…), zullen de commerciële motieven er vermoedelijk vaak toe leiden dat geen sprake is van toelaatbare parodie. In geval van een tijdelijke reclamecampagne zou een parodie mijns inziens veel sneller toelaatbaar moeten zijn.” De (puur) commerciële motieven van de door Visser bedoelde tijdelijke reclamecampagne zouden mijns inziens niet aan een beroep op de parodie-exceptie in de weg hoeven staan als er daadwerkelijk sprake is van een parodie en niet van een feitelijke rip-off. Ik merk op dat in de twee hiervoor aangehaalde uitspraken van feitenrechters een parodiërend karakter van de betreffende uitingen afwezig werd geacht, zodat de parodie-exceptie volgens deze feitenrechters al daarom niet kon opgaan.

95 Het is natuurlijk wel mogelijk dat iemand, bijvoorbeeld in een reclame, in een hele andere context optreedt dan hij bij zijn of haar beroepsuitoefening doet, wat een komisch effect kan opleveren. Wellicht is de Jumbo-reclame in het onderhavige geval daarvan een voorbeeld.

96 Ter voorkoming van verwarring teken ik aan dat die exclusieve licentie zal berusten op een overeenkomst met Verstappen , waaraan geen derdenwerking toekomt. Bovendien brengt deze woordkeuze niet mee dat het ‘portretrecht’ als een intellectueel eigendomsrecht moet worden aangemerkt.

97 C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper en T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom. Deel 3. Vormen, namen en reclame, Deventer: Kluwer 2012 maken een onderscheid tussen ‘aanhaken’ en ‘aanleunen’, waarbij aanleunen een species is van het genus aanhaken. Volgens hen is aanhaken “het (pogen om te) profiteren van eens anders bedrijfsdebiet door navolging van diens prestatie of diens onderscheidingsmiddel dan wel door daartegen anderszins aan te leunen” (p. 312). Onder aanleunen kan, zo schrijven zij, “in enge zin (…) worden begrepen al die vormen van aanhaken waarbij verwarring niet, althans niet primair, wordt beoogd” (p. 316). Ik zal hier een iets minder streng onderscheid maken, al is het al dan niet bestaan van verwarringsgevaar zeker van belang.

98 Wat ik hier aanstip, kan evenzeer van belang zijn in het kader van art. 21 Aw. Het heeft echter – vooral gelet op de commerciële belangen van betrokkenen die niet zelf zijn geportretteerd– een algemenere relevantie en daarom stel ik het hier aan de orde.

99 Met zoveel woorden P.G.F.A. Geerts in P.G.F.A. Geerts en A.M. Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 696 e.v. D.J.G. Visser, Het ABC van iedere IE inbreuk, oratie, Den Haag: Bju 2004, p. 2 spreekt in deze context van een ‘basisemotie’ van de intellectuele eigendom: “Iets van een ander afkijken, kopiëren of nadoen roept een negatieve emotie op. Het is ‘slecht’. Zeker als het omschreven kan worden als slaafs, klakkeloos of verwarringwekkend. Dit verschijnsel moet ontmoedigd, zo niet verboden worden en zeker niet beloond.” Zie ook D.J.G. Visser en G. de Jager, Te Intellectuele Eigendom, Amstelveen: deLex 2010, p. 11 e.v. die bespreken of er, als algemene duiding van het intellectuele eigendomsrecht, een gebod ‘gij zult niet nabootsen’ bestaat. Zij constateren dat een dergelijke norm feitelijk op veel steun kan rekenen vanwege de associatie tussen ‘nabootsen’ en ‘parasiteren’.

100 Ik heb dit niet zelf bedacht, maar wel anders verwoord. In HR 23 juni 1961, ECLI:NL:HR:1961:127, NJ 1961/423 (Leesportefeuille) heeft Uw Raad overwogen dat in het economisch verkeer “doorlopend wordt voortgebouwd op het door anderen tot stand gebrachte”. Nog verstrekkender D.J.G. Visser en G. de Jager, Te Intellectuele Eigendom, Amstelveen: deLex 2010, p. 9: “We zijn allemaal ‘dwergen op de schouders van reuzen’ (of van een heleboel andere dwergen). Als iedereen steeds het wiel opnieuw moet uitvinden, komen we zeker niet verder. De vernieuwing die de één brengt, moet juist worden nagedaan, anders profiteert de samenleving namelijk helemaal niet van die vernieuwing. Nabootsing, kopieergedrag is essentieel voor het overleven van de menselijke soort, zoals dat overigens ook geldt voor iedere diersoort.

101 Vgl. het geval waarover A-G Langemeijer op 9 juli 2021 heeft geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2021:713 (Stichting 123inkt-huismerk klanten/HP Nederland c.s.)), waarin printereigenaars opkomen tegen de (feitelijke) bescherming die een printerfabrikant heeft aangebracht tegen het gebruik van cartridges die door een andere fabrikant zijn geproduceerd (en die, zo blijkt uit randnummer 2.39 van genoemde conclusie) door de printerfabrikant als counterfeit (namaak) worden aangemerkt.

102 Vgl. P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 2-3 en p. 14.

103 Vgl. P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 2-3 en p. 11-12.

104 Onder andere in dit verband wordt ook wel gesproken van ‘de vrijheid van handel en bedrijf’. Zie daarover GS Onrechtmatige daad IV.1.3 (actueel tot en met 15 december 2020) (C.J.J.C. van Nispen). Zie ook P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 3 en C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper en T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom. Deel 3. Vormen, namen en reclame, Deventer: Kluwer 2012, p. 282. Ik wijs ook op art. 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat de ‘vrijheid van ondernemerschap’ beschermt.

105 P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 6-7.

106 P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 7.

107 Zie bijvoorbeeld HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:269, NJ 2021/68 m.nt. D.W.F. Verkade, JOR 2021/166 m.nt. P. Teunissen en Ars Aequi 2021, p. 4.86 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Doc Dairy/Dairy).

108 P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 6-7.

109 P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 6. Zie ook B.C.J. van Velthoven en P.W. van Wijck, Recht en efficiëntie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 98-106.

110 P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 6.

111 Zie art. 25 Aw.

112 Dat geldt ook voor de grote hoeveelheid feitenrechtspraak over dit thema. Zie het overzicht in GS Onrechtmatige daad IV.1.3 (actueel tot en met 15 december 2020) en GS Onrechtmatige daad IV.6.1.2 tot en met IV.6.1.4 (actueel tot en met 17 december 2020) (beide C.J.J.C. van Nispen).

113 HR 23 juni 1961, ECLI:NL:HR:1961:127, NJ 1961/423 (Leesportefeuille). In die zaak was aan de orde dat Bolhoeve, die een ‘leesportefeuille’ verkocht, daarin tijdschriften (‘uitgaven’) van Geïllustreerde Pers opnam “terwijl hij aan deze uitgaven één of meer vierzijdig bedrukte bladen heeft toegevoegd met advertenties”. Volgens het hof was dat onrechtmatig, omdat werd aangehaakt bij de goodwill van Geïllustreerde Pers. Degenen die adverteerden in de toegevoegde bladen zouden anders wellicht in het tijdschrift zelf hebben geadverteerd. Uw Raad casseerde: “O. dat het feit dat Bolhoeve aldus te eigen bate gebruik maakt van de aantrekkelijkheid van die door Geïllustreerde Pers uitgegeven tijdschriften en de mogelijkheid dat Geïllustreerde Pers daarvan schade lijdt doordat degenen die op de omslagen adverteren dit anders wellicht in die tijdschriften zelf zouden doen, blijkens het vorenoverwogene de handelwijze van Bolhoeve niet onrechtmatig doen zijn; (…).” Zie ook al eerder HR 26 juni 1953, ECLI:NL:HR:1953:76, NJ 1954/90 m.nt. Ph.A.N. Houwing (Hyster Karry Krane), waarin Uw Raad overwoog “dat, aangezien het, in het algemeen gesproken, aan een ieder moet vrijstaan om aan zijn industriële producten een zo groot mogelijke deugdelijkheid en bruikbaarheid te geven, het — tenzij door een ander aan de Octrooiwet 1910, Stbl. 313, of aan de Auteurswet 1912 ontleende rechten daaraan in den weg staan — niet is verboden om te dien einde, ten eigen voordele en mogelijk tot nadeel van een concurrent, van in diens producten geopenbaarde resultaten van inspanning, inzicht of kennis gebruik te maken, zelfs wanneer — wat overigens te dezen door het Hof niet is vastgesteld — enkel tengevolge van dat gebruik maken tussen het eigen product en dat van den concurrent bij het publiek verwarring mocht kunnen ontstaan; (…).”

114 HR 16 januari 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC4984, NJ 1970/220 m.nt. G.J. Scholten (Ja Zuster, Nee Zuster): “dat (…) doch de omstandigheid dat verw. mede er van profiteert dat de daar genoemde figuren hun populariteit onder meer te danken hebben aan hun vertolking door eisers, niet medebrengt dat het handelen van verw. jegens eisers onrechtmatig is, terwijl de omstandigheid dat het publiek (als gevolg van die vertolking) in zijn gedachten de lit. poppetjes zal associeren met eisers, nog niet noopt tot de conclusie dat voor de verspreiding van die poppetjes de toestemming van eisers zou zijn vereist; (…).”

115 HR 27 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD7158, NJ 1987/191 m.nt. E.A. van Nieuwenhoven Helbach en Ars Aequi 1988, p. 257 m.nt. H. Cohen Jehoram (Holland Nautic/Decca), rov. 4.2.

116 Vgl. C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper en T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom. Deel 3. Vormen, namen en reclame, Deventer: Kluwer 2012, p. 312: “Het enkele profiteren van de inspanning en kosten die een ander zich ter verwezenlijking van zijn bedrijfsresultaat heeft getroost, en van de kennis die hij daarin heeft neergelegd, is, tenzij een specifieke wettelijke regeling zich daartegen verzet, in beginsel niet onrechtmatig, ook niet als die ander daarvan nadeel ondervindt.

117 Verstappen c.s. bepleiten schijnbaar het omgekeerde. In hun schriftelijke toelichting, randnummer 3.8 schrijven zij: “Daarbij geldt dat dit geval [het onderhavige geval, A-G] verschilt van de gevallen waarin (bewust) commercieel wordt geprofiteerd van bedrijfsdebiet van een concurrent, wat door uw Raad op zichzelf (dus zonder bijkomende omstandigheden) niet als onrechtmatig wordt beschouwd, ook niet als die concurrent daardoor nadeel ondervindt. Allereerst geldt dat de persoon met de verzilverbare populariteit (doorgaans) geen concurrent is van degene die (bewust) commercieel profiteert van zijn verzilverbare populariteit.” Voor zover Verstappen c.s. betogen dat het profiteren van wat een niet-concurrent tot stand heeft gebracht, sneller onrechtmatig zou moeten zijn, ontgaat mij daarvan de logica. Juist profiteren van wat een concurrent tot stand heeft gebracht, zou sneller in de onrechtmatigheidssfeer moeten komen. Dat profiteren heeft – hoewel in beginsel rechtmatig – namelijk in grotere mate een ‘parasitair’ karakter, omdat de baten van wat tot stand is gebracht worden (her)verdeeld tussen concurrenten, terwijl er niet per definitie maatschappelijke baten zijn. Wordt geprofiteerd van wat een niet-concurrent tot stand heeft gebracht, dan wordt eigenlijk per definitie een nieuwe markt aangeboord met wat een ander tot stand heeft gebracht. In het algemeen gaat dat gepaard met maatschappelijke baten, terwijl de niet-concurrent in uitgangspunt niet wordt benadeeld door aanbod op een markt waarop hij niet concurreert.

118 P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 13-14 wijst erop dat in sommige gevallen de wetgever bewust ervoor heeft gekozen een bepaald belang onbeschermd te laten. Hij schrijft op p. 14 het volgende: “Staat vast dat er geen bewuste keuze door de wetgever is gemaakt om een bepaalde prestatie niet te beschermen, dan dient men het hierboven al besproken beginsel van de vrijheid van handel en bedrijf goed voor ogen te houden: uitgangspunt is de concurrentievrijheid, en van eventuele onrechtmatigheid kan slechts sprake zijn indien zich bijzondere omstandigheden voordoen.

119 HR 27 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD7158, NJ 1987/191 m.nt. E.A. van Nieuwenhoven Helbach en Ars Aequi 1988, p. 257 m.nt. H. Cohen Jehoram (Holland Nautic/Decca), rov. 4.2.

120 Aldus ook P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 17, die wijst op één geval waarin Uw Raad het aannemen van een dergelijke bescherming sanctioneerde, namelijk HR 24 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0647, NJ 1989/701 m.nt. L. Wichers Hoeth (Elvis Presley I). (Dat geval is zonder belang voor de beoordeling van deze zaak.) In dezelfde lijn maar naar het schijnt iets ruimhartiger is Th.C.J.A. van Engelen, Prestatiebescherming en ongeschreven intellectuele eigendomsrechten, diss., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994, die erkent dat er beperkte ruimte is voor ongeschreven intellectuele eigendomsrechten, maar daarin wel een instrument ziet om in te spelen op technologische en economische ontwikkelingen wanneer een wettelijk kader vooralsnog ontbreekt (p. 441-443).

121 Voor de duidelijkheid teken ik aan dat het bestaan van een dergelijk recht in de onderhavige zaak niet wordt bepleit door Verstappen c.s. Zij maken zich sterk, in beperktere zin, voor een exclusief recht voor bekende personen om hun portret voor commerciële doeleinden te gebruiken. Zie schriftelijke toelichting van Verstappen c.s. , randnummers 3.3, 3.6 en 3.7.

122 H. Cohen Jehoram, ‘Recht op verzilverbare populariteit’, in Noten bij noten (Wichers Hoeth-bundel), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1990, p. 33 spreekt van “een soort recht (…) op de eigen verzilverbare populariteit”, maar erkent op p. 35 dat art. 21 Aw (en dat is in de huidige tijd niet anders) voor zo’n recht slechts “een uiterst beperkte kapstok [is], waar niet al te veel aan kan worden opgehangen.”

123 Vgl. E.J. Dommering, ‘Publicity Rights and Image’ (boekbespreking), Mediaforum 2012-11/12, p. 347, die onderschrijft dat er geen deugdelijk prestatie-argument is voor het aannemen van een ‘publicity right’.

124 Art. 1 Aw.

125 Schriftelijke toelichting van Verstappen c.s. , randnummers 3.10 en 3.11.

126 HvJ EG 18 juni 2009, C-487/07, ECLI:EU:C:2009:378, NJ 2009/576 m.nt. J.H. Spoor (onder NJ 2009/577), IER 2009/43 m.nt. Ch. Gielen en BIE 2009/58 m.nt. M.R.F. Senftleben (L'Oréal/Bellure). Zie daarover ook P.G.F.A. Geerts in P.G.F.A. Geerts en A.M. Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 360 e.v.

127 Zie ook de IER-noot van Ch. Gielen bij HvJ EG 18 juni 2009, C-487/07, ECLI:EU:C:2009:378, NJ 2009/576 m.nt. J.H. Spoor (onder NJ 2009/577), IER 2009/43 en BIE 2009/58 m.nt. M.R.F. Senftleben (L'Oréal/Bellure).

128 Zie daarover C.T.M.M. Robbers, ‘De parodie in het merkenrecht’, IER 2020, p. 25 e.v.

129 Vgl. C.T.M.M. Robbers, ‘De parodie in het merkenrecht’, IER 2020, p. 31.

130 Vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.).

131 Ik teken aan dat een blik op rechtspraak.nl duidelijk maakt dat veel uitspraken waarin de woorden ‘verzilverbare populariteit’ voorkomen, betrekking hebben op foto’s. Dat geldt volgens mijn telling voor 24 van de 38 uitspraken (op 6 oktober 2021). Niet in alle gevallen zal overigens daadwerkelijk ‘verzilverbare populariteit’ hebben bestaan.

132 Th.C.J.A. van Engelen, Prestatiebescherming en ongeschreven intellectuele eigendomsrechten, diss., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994, p. 179 e.v. benadrukt het belang van een “concreet immaterieel object” als aanknopingspunt van een exclusief recht. Volgens Van Engelen kan in verband met de openbaarmaking (met commerciële doeleinden) van portretten van personen met verzilverbare populariteit worden gesproken van een exclusief recht en zelfs van een ongeschreven intellectueel eigendomsrecht (p. 50-51). Om de hierna te noemen redenen zou ik dat zo algemeen niet willen aanvaarden.

133 Verstappen c.s. plaatsen ook het onderhavige geval in het kader van de persoonlijke levenssfeer van Verstappen . Zie vooral hun schriftelijke toelichting, randnummers 2.14 en 3.6 en hun repliek, randnummer 1.14. Hoewel art. 8 EVRM – dat staat buiten kijf – ook commerciële belangen kan beschermen, is het toch wel wat (ver)gezocht (en vergaand) om aan te nemen dat een persiflerend filmpje, gemaakt aan de hand van een lookalike, in noemenswaardige mate raakt aan art. 8 EVRM op grond van de (bewust opgeroepen) herkenbaarheid van een bij het publiek bekend persoon. Ik zie daarin – kennelijk met het hof – geen zinnige aanvliegroute van deze zaak.

134 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (f).

135 Op het tegendeel wijst ook HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.7: “Het in 3.5 overwogene brengt mee dat het middel faalt voor zover het zich (…) keert tegen de verwerping van het betoog van Cruijff dat publicatie van foto's als de onderhavige niet mag plaatsvinden zonder dat de daarop afgebeelde persoon daartoe toestemming heeft gegeven en dat het portretrecht aanspraak geeft op een exclusief exploitatierecht.

136 Ontleend aan P.G.F.A. Geerts in P.G.F.A. Geerts en A.M. Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 711.

137 Zo heeft het hof in cassatie onbestreden vastgesteld (rov. 3.3.2.).

138 In cassatie staat als onbestreden vast dat Mavic geen beroep kan doen op art. 21 Aw in verband met een eventueel portret van Verstappen (rov. 3.3.1. van het bestreden arrest).

139 Ingeval van een vernietiging van het bestreden arrest op grond van subonderdeel 1.1 kan Uw Raad mijns inziens op basis van de vaststaande feiten en op de voet van art. 420 tot en met 422 Rv beslissen dat het filmpje een portret in de zin van art. 21 Aw van Verstappen behelst en de zaak in zoverre zelf afdoen. Dit dient mijns inziens de proceseconomie, ook als met betrekking tot andere beslispunten een verwijzing nodig is.

140 Schriftelijke toelichting van Picnic, randnummers 3.1. tot en 3.3.

141 In dat verband is van belang is dat art. 21 Aw wel wordt beschouwd als (invulling van) een zorgvuldigheidsnorm, zodat kan worden betoogd dat de doelstelling en werking van art. 21 Aw en de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm niet of nauwelijks uiteenlopen. Vgl. GS Onrechtmatige daad VII.8.9.1 (actueel tot en met 1 oktober 2020) (O.M.B.J. Volgenant): “Art. 21 Aw wordt algemeen gezien als een verbijzondering van de onrechtmatige daad.” Dit strookt met wat in randnummer 3.5 is vermeld over de wetsgeschiedenis. Zie, voor een geval waarin Uw Raad de doelstelling en werking van de relevante grondslagen van betekenis achtte in het kader van het antwoord op de vraag of voldoende belang bestond bij een hernieuwde beoordeling na vernietiging en verwijzing op een andere, nog niet aan de orde gekomen, grondslag, HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:506, NJ 2019/212 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Dexia), rov. 3.7.

142 Uitgebreid hierover is de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2006:AX9705) voor HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, NJ 2007/188 en JBPr 2007/56 m.nt. F.J.H. Hovens (Aruba/New Millennium Telecom Services BV), randnummers 2.3 tot en met 2.31.

143 In rov. 3.3.3. heeft het hof immers overwogen dat “niet ingegaan behoeft te worden op de vraag in hoeverre een redelijk belang van Verstappen in de zin van artikel 21 Aw zich tegen openbaarmaking van dat beeldmateriaal verzette althans vergde dat die openbaarmaking achterwege bleef zolang niet op adequate wijze aan het commerciële belang van Verstappen tegemoet was gekomen.

144 Zie expliciet de schriftelijke toelichting van Verstappen c.s. , randnummers 3.3, 3.6 en 3.7.

145 Het belang van die constatering schuilt erin dat een inbreuk op een recht, hoe dan ook gepleegd, in beginsel onrechtmatigheid oplevert, tenzij daarvoor een rechtvaardigheidsgrond bestaat.

146 Zie GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW (actueel tot en met 1 december 2020), aant. 6.1.16 (K.J.O Jansen).

147 Minder gelukkig in dit verband is de overweging van het hof in rov. 3.5. dat de lookalike geen rol heeft gespeeld in uitingen waarin ook Verstappen in eigen persoon had kunnen figureren omdat de sponsorrelatie met Jumbo een dergelijk optreden voor een andere (online) supermarkt door Verstappen niet toeliet. Op zichzelf is het immers mogelijk dat met een reclame-uiting in algemene zin de exclusiviteit aan de sponsoring door een bekende persoon wordt ontnomen, ook als deze laatste op het moment waarop de reclame-uiting werd gedaan zelf niet daarin mocht optreden op grond van een bestaand sponsorcontract.

148 Hoewel het hof dat niet met zo veel woorden aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, kan de korte duur van het filmpje (zie rov. 3.3.2.) wellicht ook aan het oordeel van het hof hebben bijgedragen. Ik denk dat de duur van een uiting in het algemeen zeker een factor is die bij de beoordeling van de rechtmatigheid daarvan van belang kan zijn. Daar staat dan weer tegenover dat korte duur niet aan zeggingskracht hoeft af te doen. Bij de beoordeling in cassatie in de onderhavige zaak speelt de duur van het filmpje geen rol meer.