Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:92

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-01-2021
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
20/01431
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:998, Gevolgd
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Had campingexploitant waarschuwingsplicht jegens eigenaar van op camping geplaatst chalet t.a.v. voornemen van derde om chalet daar op te halen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01431

Zitting 29 januari 2021

CONCLUSIE

B.F. Assink

In de zaak

[eiser]

tegen

1. [verweerster 1]

2. De gezamenlijke erfgenamen van wijlen [erflater]

Deze tragische zaak, met een sterk feitelijk karakter, heeft zich afgespeeld op een camping te [plaats 1] . De camping werd gedreven door een echtpaar. Eiser in de zaak had een chalet op de camping staan. De echtgenote van het campingpaar heeft eiser bericht dat hij het chalet voor een bepaalde datum van de camping verwijderd moest hebben. Eiser heeft aan die sommatie tot ontruiming van de campingplaats geen gevolg gegeven; hij heeft het chalet laten staan. Een aantal maanden later, kort na het overlijden van de echtgenoot van het campingpaar, is het chalet door een derde van de camping verwijderd. Deze derde vertelde aan de echtgenote dat hij eigenaar van het chalet was. De derde stelde dat hij het chalet had verkocht aan een andere campinggast, niet zijnde eiser, die de overeengekomen koopprijs schuldig was gebleven. Ter staving van die bewering toonde die derde de echtgenote op het moment dat hij het chalet kwam ophalen een handgeschreven briefje waaruit zou moeten blijken dat hij inderdaad recht had op het chalet. Eiser stelt dat die andere campinggast het chalet aan hem heeft doorverkocht en dat hij daarvoor met inruil van zijn caravan en een contant geldbedrag heeft betaald. Uit een in het geding gebracht vonnis van de kantonrechter blijkt dat de derde een veroordelend vonnis had tegen de campinggast die het chalet onbetaald heeft gelaten. Onduidelijk is waar het chalet na de verwijdering van de camping is gebleven. De derde is in vrijwaring opgeroepen, maar niet verschenen. Eiser vordert, kort gezegd, veroordeling van het campingechtpaar tot betaling van schadevergoeding als gevolg van de verdwijning van het chalet op de voet van art. 6:74 BW (contractuele benadering) en art. 6:162 BW (buitencontractuele benadering). Eiser stelt dat hij een mondelinge “campingovereenkomst” had met het echtpaar. Volgens eiser is het echtpaar jegens hem tekortgeschoten in de nakoming van hun zorgverplichting die uit de campingovereenkomst voortvloeide. Die zorgverplichting hield volgens eiser naar de kern genomen in dat het echtpaar hem had moeten waarschuwen toen zij van die derde hadden gehoord dat die van plan was het chalet te gaan verwijderen en dat zij die verwijdering hadden moeten beletten. Als een campingovereenkomst niet komt vast te staan, kunnen die waarschuwingsplicht en plicht tot beletten volgens eiser ook worden gestoeld op een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgplicht, waarvan de schending jegens eiser onrechtmatig is. Zowel de rechtbank als het hof heeft de vorderingen van eiser afgewezen. M.i. houdt het arrest van het hof stand in cassatie.

1 De feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1 t/m 3.7 van het arrest van 21 januari 2020 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof).1

1.1

[verweerster 1] (hierna: [verweerster 1]) heeft een camping gehad op (een gedeelte van) het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats 1] , onder de naam [A] . Het campingbedrijf werd uitgeoefend in de vorm van een vennootschap onder firma, met [verweerster 1] en haar moeder als vennoten. In de praktijk werd de camping gedreven door [verweerster 1] en haar echtgenoot, [erflater] (hierna: [erflater]).

1.2

[eiser] (hierna: [eiser]) heeft op de camping enkele jaren een caravan gehad. In augustus 2015 heeft hij die weggedaan en heeft hij, met instemming van [verweerster 1] en [erflater] , op de camping een chalet geplaatst. [eiser] heeft later een aanbouw aan het chalet gebouwd en rondom het chalet bestrating aangelegd.

1.3

In september 2016 heeft [verweerster 1] aan [eiser] bericht dat hij zijn chalet voor 1 oktober 2016 verwijderd moest hebben. [eiser] heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven en het chalet laten staan.

1.4

[erflater] is op 28 december 2016 overleden. Hij heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt en [verweerster 1] tot executeur benoemd.

1.5

Op 4 januari 2017 is het chalet van de camping verwijderd.

1.6

Op 16 januari 2017 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan van diefstal van zijn chalet.

1.7

Op 3 mei 2017 heeft [eiser] ten laste van [verweerster 1] en de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [erflater] (hierna, in vrouwelijk enkelvoud: [verweerster]) conservatoir beslag gelegd op (de woning op) het perceel [a-straat 1] te [plaats 1] .

2 Het procesverloop

In eerste aanleg

2.1

Bij dagvaarding van 16 mei 2017 vordert [eiser] veroordeling van [verweerster] , bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, tot betaling van een bedrag van € 45.000,--, vermeerderd met rente, en tot betaling van de kosten van verplaatsing van een soortgelijke stacaravan naar een door [eiser] aan te geven camping, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure, de beslagkosten daaronder begrepen. [eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat hij eigenaar is van een chalet met aanbouw, bestrating en inventaris, welk chalet op [A] stond. Volgens [eiser] is het chalet zonder zijn medeweten op verzoek van [verweerster 1] weggehaald en is [verweerster] op grond van onrechtmatige daad en/of wanprestatie aansprakelijk voor de schade die hij hierdoor heeft geleden.

2.2

[verweerster] vordert dat [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) in vrijwaring wordt opgeroepen. [verweerster] stelt, kort gezegd, dat het chalet op last van [betrokkene 1] is weggesleept. [verweerster] vordert in de vrijwaringszaak dat [betrokkene 1] wordt veroordeeld om aan [verweerster] te betalen al hetgeen waartoe [verweerster] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente, dat voor recht wordt verklaard dat [betrokkene 1] aansprakelijk zal zijn voor de schade die [verweerster] lijdt als gevolg van de executoriale verkoop c.q. uitwinning van het door [eiser] gelegde beslag, dat [betrokkene 1] wordt veroordeeld tot vergoeding van schade aan [verweerster] op te maken bij staat en dat [betrokkene 1] wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [verweerster] in de vrijwaringszaak. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.

2.3

Bij vonnis in incident van de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank) van 23 augustus 2017 wijst de rechtbank de incidentele vordering tot oproeping van [betrokkene 1] in vrijwaring toe en wordt [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van het incident.2

2.4

[verweerster] heeft bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak verweer gevoerd.

2.5

Bij tussenvonnis van 25 oktober 2017 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bevolen.3

2.6

De comparitie van partijen heeft op 11 januari 2018 plaatsgevonden. Beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. [eiser] heeft de rechtbank verzocht het proces-verbaal aan te vullen/te verbeteren.

2.7

Op 4 april 2018 heeft de rechtbank in hoofdzaak en vrijwaring eindvonnis gewezen.4

De rechtbank wijst de vorderingen in de hoofdzaak jegens [verweerster 1] af, verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen in de hoofdzaak jegens de gezamenlijke erfgenamen van [erflater] en veroordeelt [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en nakosten in de hoofdzaak. Het oordeel van de rechtbank in de hoofdzaak laat zich als volgt samenvatten.

- De rechtbank beoordeelt eerst het beroep van [eiser] op wanprestatie van [verweerster 1] . Volgens de rechtbank is weliswaar sprake geweest van (enige) overeenkomst tussen [eiser] en [verweerster 1] ter zake van de plaatsing van het chalet op de camping, maar heeft [eiser] nagelaten te stellen dat uit die overeenkomst enige zorgplicht zijdens [verweerster 1] voortvloeide. Omdat enige zorgplicht uit die overeenkomst niet is komen vast te staan, kan van schending daarvan evenmin sprake zijn en dient het beroep van [eiser] op een tekortkoming van [verweerster 1] in de nakoming van de (camping)overeenkomst tussen [eiser] en [verweerster 1] te worden verworpen. (rov. 5.1.1-5.1.3).

- Vervolgens beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] op een onrechtmatige daad van [verweerster 1] jegens hem. De rechtbank gaat ervan uit dat [betrokkene 1] het chalet op eigen initiatief heeft verwijderd. [eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [verweerster 1] het chalet zelf heeft verwijderd of daartoe opdracht heeft gegeven. (rov. 5.1.5) Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of [verweerster 1] had moeten ingrijpen ter zake van de verwijdering van het chalet door [betrokkene 1] . De rechtbank ziet niet in dat van [verweerster 1] , die een (zuiver) nalaten wordt verweten, enig ingrijpen mocht worden verlangd. (rov. 5.1.6) De rechtbank ziet dan ook geen grond voor een buitencontractuele waarschuwingsplicht van [verweerster 1] . Dat [verweerster 1] heeft verklaard dat zij vindt dat [eiser] over de aankondiging van [betrokkene 1] over de verwijdering van het chalet ingelicht moest worden, betekent volgens de rechtbank niet dat zij daartoe verplicht was. (rov. 5.1.7) Voor zover overigens al sprake zou zijn van (een begin van) zaakwaarneming door [verweerster 1] , kon voortzetting daarvan redelijkerwijs niet van [verweerster 1] worden verlangd. (rov. 5.1.8)

- Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het verweer van [verweerster] dat het chalet niet in eigendom toebehoorde aan [eiser] . (rov. 5.1.9)

- De rechtbank komt tot de conclusie dat geen sprake is van wanprestatie of onrechtmatig handelen zijdens [verweerster 1] . (rov. 5.1.10)

- De rechtbank verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens de gezamenlijke erfgenamen van [erflater] , omdat op grond van art. 4:145 lid 2 BW slechts de executeur in rechte kan worden betrokken. (rov. 5.2.1-5.2.2) Nog daargelaten de niet-ontvankelijkheid constateert de rechtbank dat [eiser] niet heeft aangevoerd dat [erflater] onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft. (rov. 5.2.3)

- [eiser] wordt door de rechtbank als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. (rov. 5.2.3)

[betrokkene 1] is niet verschenen in de procedure en heeft aldus geen verweer gevoerd in de zaak in vrijwaring. De rechtbank wijst de vorderingen in de zaak in vrijwaring af en veroordeelt [verweerster] in de kosten van de zaak in vrijwaring, aan de zijde van [betrokkene 1] tot dan begroot op nihil. (rov. 5.4-5.5)

In hoger beroep

2.8

Bij appeldagvaarding van 17 april 2018 is [eiser] bij het hof in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank van 4 april 2018. [eiser] vordert in incident schorsing/opheffing/vernietiging van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van zijn proceskostenveroordeling in eerste aanleg. [verweerster] heeft bij memorie van antwoord in het incident geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.

2.9

Bij arrest in het incident van 4 september 2018 wijst het hof de incidentele vordering af en bepaalt het hof dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak.5

2.10

[eiser] heeft bij memorie van grieven tien grieven tegen het vonnis van de rechtbank van 4 april 2018 aangevoerd. [eiser] vordert in hoger beroep dat het vonnis van de rechtbank van 4 april 2018 in de hoofdzaak wordt vernietigd, dat zijn oorspronkelijke vorderingen tegen [verweerster] alsnog worden toegewezen, en dat [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, zowel die van de procedure bij de rechtbank als die bij het hof. [verweerster] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd.

2.11

Bij tussenarrest van 24 september 2019 heeft het hof een comparitie van partijen bevolen.6

2.12

[eiser] heeft op 6 december 2019 nog een productie ingebracht.

2.13

De comparitie van partijen is gehouden op 11 december 2019. Beide partijen hebben spreeknotities overgelegd. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. [eiser] heeft een opmerking over het proces-verbaal gemaakt.

2.14

Bij arrest van 21 januari 2020 vernietigt het hof, recht doende in de hoofdzaak, het vonnis van de rechtbank van 4 april 2018 voor zover daarbij [eiser] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vorderingen in de hoofdzaak jegens de gezamenlijke erfgenamen van [erflater] en wijst het af, in zoverre opnieuw recht doende, de vorderingen van [eiser] jegens de gezamenlijke erfgenamen van [erflater] , daarbij vertegenwoordigd door [verweerster 1] als executeur. Het hof bekrachtigt voor het overige het door de rechtbank in de hoofdzaak gewezen vonnis, veroordeelt [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente, en wijst het meer of anders gevorderde af.7 Aan deze beslissing van het hof ligt, samengevat, de volgende beoordeling ten grondslag.

- Het hof bespreekt eerst enkele formele kwesties. (rov. 5.3-5.5)

- Het hof wijkt af van het procesreglement door de op 6 december 2019, in beginsel te laat, ingebrachte productie van [eiser] , betreffende een drietal schriftelijke verklaringen van getuigen over wat zij op 3 december 2019 zouden hebben gehoord, mee te nemen in de beoordeling. (rov. 5.3)

- Het hof beoordeelt de bezwaren van [eiser] tegen het vonnis aan de hand van zijn memorie van grieven en laat hetgeen [eiser] in zijn appeldagvaarding aan bezwaren tegen dat vonnis naar voren heeft gebracht buiten beschouwing. (rov. 5.4)

- Het hof constateert dat in hoger beroep [eiser] zijn dagvaarding tegen de erven [erflater] alsnog heeft uitgebracht aan [verweerster 1] in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] . Daarmee is het gebrek hersteld dat in eerste aanleg tot niet-ontvankelijkheid van de vorderingen in de hoofdzaak jegens de erven [erflater] leidde en worden de erven [erflater] alsnog vertegenwoordigd door de executeur. Naar het oordeel van het hof bestaat geen grond de niet-ontvankelijkheid wel te handhaven voor de procedure bij de rechtbank. Het hof beoordeelt ook de vorderingen tegen de erven [erflater] inhoudelijk. (rov. 5.5)

- Vervolgens komt het hof toe aan inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak: (rov. 5.6-5.11)

Inhoudelijke beoordeling

5.6

[eiser] baseert zijn vorderingen tegen [verweerster] op de stelling dat [verweerster] jegens hem wanprestatie hebben gepleegd dan wel onrechtmatig hebben gehandeld.

Hij heeft die stelling als volgt uitgewerkt.

5.6.1

[verweerster 1] heeft zelf opdracht gegeven om het chalet te verwijderen. Dat was onrechtmatig jegens [eiser] .

5.6.2

Als het niet [verweerster 1] was die het chalet heeft laten verwijderen, maar als dat is gebeurd in opdracht van [betrokkene 1] zoals [verweerster 1] zegt, geldt dat [verweerster] tekort zijn geschoten in de zorgplicht die zij als beheerders van het campingterrein jegens [eiser] hadden op grond van de campingovereenkomst tussen partijen. Uit die zorgplicht vloeide voort dat [verweerster] [eiser] hadden moeten waarschuwen nadat zij van [betrokkene 1] hadden gehoord dat hij van plan was om het chalet te gaan verwijderen. Volgens [verweerster 1] had zij dat al op 20 december 2016 gehoord. Verder hadden [verweerster] maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat het chalet kon worden verwijderd en hadden zij die verwijdering tegen moeten houden. Dit tekortschieten van [verweerster] levert wanprestatie op in de nakoming van hun verplichtingen uit de campingovereenkomst.

5.6.3

Als niet kan worden aangenomen dat een campingovereenkomst heeft bestaan, geldt dat [verweerster] een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgplicht hebben geschonden. Ook die zorgplicht hield in dat [verweerster] [eiser] hadden moeten waarschuwen nadat zij van [betrokkene 1] hadden gehoord dat hij het chalet wilde gaan verwijderen en dat zij de verwijdering hadden moeten beletten. De schending van die zorgverplichting is jegens [eiser] onrechtmatig.

5.7

[verweerster] hebben deze stellingen van [eiser] betwist. De rechtbank heeft die stellingen vervolgens verworpen en de vorderingen van [eiser] afgewezen.

5.8

[eiser] komt in zijn hoger beroep op tegen de verwerping van voormelde stellingen door de rechtbank. De grieven van [eiser] hebben als doel dat het hof die stellingen opnieuw zal beoordelen (en dan wel juist zal vinden).

Het hof zal die stellingen daarom opnieuw beoordelen. De grieven zullen daarbij gezamenlijk worden behandeld[.]

5.9

verwijdering chalet door [verweerster 1] (zie 5.6.1)?

i.) De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] zijn stelling dat [verweerster 1] zelf opdracht

heeft gegeven om het chalet van [eiser] te verwijderen, niet voldoende heeft onderbouwd, tegenover de gemotiveerde stelling van [verweerster] dat het chalet door [betrokkene 1] is weggesleept.

ii.) [eiser] heeft niet uitdrukkelijk een bezwaar tegen dat oordeel naar voren gebracht. Integendeel, [eiser] lijkt in zijn memorie van grieven de lezing van [verweerster 1] te aanvaarden dat [betrokkene 1] degene is geweest die het chalet heeft laten weghalen.

[eiser] noemt echter nog wel als mogelijkheid dat [betrokkene 1] daarbij in samenspanning met [verweerster 1] is opgetreden, mogelijk als een “katvanger” (grief 6). Verder heeft [eiser] in zijn laatste productie - de hiervoor besproken productie van 6 december 2019 - nog drie schriftelijke verklaringen overgelegd van personen die verklaren dat zij op 3 december 2019 een gesprek hebben gehoord tussen [eiser] en een politieman, [betrokkene 2] , waarin de betreffende politieman tegen [eiser] zou hebben gezegd dat de campingeigenaar ( [verweerster 1] ) opdracht zou hebben gegeven om het chalet te verwijderen.

Hieruit leidt het hof af dat [eiser] zijn stelling dat [verweerster 1] degene is geweest die het chalet heeft laten weghalen in hoger beroep (toch) wel handhaaft.

iii.) [eiser] heeft die stelling echter ook in hoger beroep nog steeds niet voldoende onderbouwd. Dat [betrokkene 1] zou hebben samengespannen met [verweerster 1] wordt op geen enkele wijze gestaafd. Alleen de omstandigheid dat [verweerster 1] tegen [eiser] zou hebben gezegd dat hij zijn chalet moest verwijderen, is daarvoor niet voldoende; [betrokkene 1] kan zeer wel een eigen belang daarbij hebben gehad, zoals [verweerster 1] ook gemotiveerd heeft gesteld. Voor de mogelijkheid dat [verweerster 1] zelf opdracht zou hebben gegeven, geldt dat de overgelegde schriftelijke verklaringen daarvoor onvoldoende steun bieden. De verklaringen zelf zijn zeer summier en hebben alleen betrekking op iets dat de getuigen zouden hebben gehoord van een politieman. Hoe en onder welke omstandigheden die mededeling zou zijn gedaan blijkt niet uit de verklaringen. Ook vermelden de verklaringen niets over hoe de politieman aan zijn kennis zou zijn gekomen. Hierbij valt op dat een verklaring van de eerder genoemde politieman zelf ontbreekt. Verder wordt opgemerkt dat [eiser] eerder heeft verklaard dat de politie hem uit privacyoverwegingen niets over de resultaten van het onderzoek naar aanleiding van zijn aangifte had willen vertellen. Waarom dan op 3 december 2019 een politieman alsnog de mededeling zou hebben gedaan waarover de getuigen verklaren, is door [eiser] verder niet toegelicht.

iv) [eiser] heeft verder geen nadere bewijslevering op dit punt aangeboden en het hof ziet ambtshalve ook geen aanleiding voor het opdragen van nadere bewijslevering.

v) De stelling dat [verweerster 1] zelf direct, dan wel indirect via [betrokkene 1] opdracht heeft gegeven tot verwijdering van het chalet wordt dus verworpen.

5.10

zorgverplichting uit (camping)overeenkomst (zie 5.6.2)?

i) Volgens [eiser] bestond tussen hem en [verweerster] een (mondelinge) campingovereenkomst, omdat hij met toestemming van [verweerster] gebruik maakte van een campingplaats en voor dat gebruik ook aan [verweerster] betaalde.

Volgens [verweerster 1] heeft [eiser] echter nooit iets betaald voor zijn chalet.

ii) De vraag of [eiser] na de plaatsing van zijn chalet daar nu wel of niet voor heeft betaald aan [verweerster] kan in het midden blijven. Vast staat dat [verweerster 1] tegen [eiser] heeft gezegd dat hij zijn chalet uiterlijk 1 oktober 2016 moest hebben verwijderd. Als daarvóór sprake zou zijn geweest van een overeenkomst tussen [verweerster] en [eiser] die inhield dat [eiser] tegen betaling gebruik mocht maken van zijn chalet op de camping - door [eiser] een "campingovereenkomst” genoemd -, geldt dat die aanzegging moet worden opgevat als een opzegging van die overeenkomst. Niet is gebleken dat [eiser] tegen die opzegging bezwaar heeft gemaakt. [eiser] heeft nog wel aangevoerd dat na die opzegging [erflater] tegen hem heeft gezegd dat hij het chalet voorlopig op de camping mocht laten staan, omdat [erflater] het chalet wellicht zou willen kopen en gaan gebruiken voor hun studerende dochter. Uit die stelling - die [verweerster 1] overigens heeft betwist - blijkt echter nog niet dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen de beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping. [eiser] heeft ook bevestigd dat hij na die opzegging geen gebruik meer heeft gemaakt van zijn chalet en dat hij daarna ook niets meer heeft betaald aan [verweerster]

Daaruit volgt dat als er al een overeenkomst mocht hebben bestaan tussen [verweerster] en [eiser] met betrekking tot het gebruik door [eiser] van zijn chalet op het campingterrein, aan die overeenkomst een einde is gekomen in oktober 2016. Dat daarvoor een andere overeenkomst in de plaats zou zijn gekomen (bijvoorbeeld een overeenkomst tot bewaarneming) is verder niet aangevoerd en is ook niet gebleken. Van een uit een (camping)overeenkomst voortvloeiende en op [verweerster] rustende zorgverplichting was daarmee in januari 2017 geen sprake (meer).

iii) Ook de stelling dat [verweerster] jegens [eiser] tekort zijn geschoten in een op hen rustende zorgverplichting die voortvloeide uit een (camping)overeenkomst, wordt dus verworpen.

5.11

zorgverplichting uit ongeschreven recht (zie 5.6.3)?

i) Resteert de vraag of [verweerster 1] - [eiser] heeft [erflater] en daarmee de erven [erflater] in dit verband niet een concreet verwijt gemaakt - jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, omdat zij een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgverplichting heeft geschonden.

ii) Het hof neemt net als [eiser] , bij die beoordeling als vertrekpunt de lezing van [verweerster 1] over de toedracht.

Volgens [verweerster 1] is zij in december 2016 gebeld door een zekere [betrokkene 1] . Die vertelde haar dat hij de eigenaar was van het chalet. Hij zou het chalet hebben verkocht aan ene [betrokkene 3] [hof: iemand die ook op de camping verbleef], maar zou de overeengekomen koopprijs nimmer van die [betrokkene 3] hebben ontvangen. Op 20 december 2016 kwam [betrokkene 1] zelf langs op de camping en zei tegen [verweerster 1] dat hij het chalet begin januari zou komen ophalen en haar dan het bewijs zou tonen dat het chalet van hem was. Volgens [verweerster 1] was [erflater] bij dit gesprek aanwezig geweest en ging zij ervan uit dat [erflater] het wel tegen [eiser] , met wie [erflater] intensief contact had, zou vertellen. Op 4 januari 2017, de dag na de begrafenis van [erflater] , kwam [betrokkene 1] het chalet ophalen. Hij toonde [verweerster 1] een briefje waaruit zou moeten blijken dat het chalet van hem was. [verweerster 1] heeft er toen niet meer aan gedacht om te verifiëren of [eiser] wel door [erflater] was ingelicht en heeft ook het briefje niet aandachtig gelezen. Vanwege het overlijden en de begrafenis van [erflater] was ze niet zo zakelijk en helder als anders.

iii) [eiser] betwist dat [erflater] bij het gesprek op 20 december aanwezig was. Volgens [ [eiser] ] had [verweerster 1] hem dan ook zelf behoren in te lichten over het bezoek van [betrokkene 1] . Verder stelt hij dat uit het door [betrokkene 1] beweerdelijk aan [verweerster 1] getoonde briefje in het geheel niet blijkt dat [betrokkene 1] eigenaar was van het chalet. Ook toen had [verweerster 1] [eiser] moeten inlichten en had zij het afvoeren van het chalet moeten verhinderen.

iv) waarschuwingsplicht

Voorop staat dat op [verweerster 1] geen contractuele verplichting rustte om [eiser] in te lichten. Dat is hiervoor uitgelegd. Dat op [verweerster 1] enige wettelijke plicht rustte om [eiser] in te lichten is niet gesteld. Daarvan is evenmin gebleken. Onrechtmatig is echter niet slechts handelen of nalaten in strijd met een wettelijke of contractuele plicht, maar ook handelen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Bij de beoordeling van de vraag of op [verweerster 1] in dit geval een uit ongeschreven recht voortvloeiende verplichting rustte om [eiser] in te lichten, komt het aan op een weging van alle omstandigheden van het geval. Het hof is van oordeel dat in dit geval een dergelijke waarschuwingsplicht niet op [verweerster 1] rustte.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet is aangevoerd en evenmin is gebleken dat [verweerster 1] beschikte over relevante juridische kennis. Gelet op wat [betrokkene 1] aan haar had meegedeeld kon zij denken - zoals zij gedaan heeft - dat sprake was van een zakelijk geschil tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , waarin ook [eiser] was betrokken, en dat [betrokkene 1] aanspraak zou kunnen hebben op het chalet. Bovendien paste de (door [ [betrokkene 1] ] aangekondigde) verwijdering van het chalet bij de aanzegging aan [eiser] dat dit chalet van de camping moest worden gehaald. [betrokkene 1] trad op 20 december 2016 ook in alle openheid op: hij nam het chalet niet onmiddellijk mee, maar kondigde alleen aan dat dit zou gaan gebeuren. Dat kon bijdragen aan de gedachte van [verweerster 1] dat [betrokkene 1] wel eens recht op het chalet zou kunnen hebben. In die situatie rustte op [verweerster 1] niet een (buiten contractuele) zorgplicht om zich in het kennelijke (zakelijke) conflict tussen [betrokkene 1] / [betrokkene 3] / [eiser] te mengen door contact op te nemen met [eiser] en hem in te lichten over wat [betrokkene 1] aan haar had verteld.

Hier doet niet aan af dat [verweerster 1] zelf heeft verklaard dat zij het wel nodig vond dat [eiser] werd geïnformeerd. Met die stellingname heeft [verweerster 1] niet erkend dat zij meende rechtens gehouden te zijn tot het inlichten van [eiser] . Het feit dat zij het zelf, subjectief, nodig vond dat [eiser] werd ingelicht betekent bovendien niet dat het ook objectief, getoetst aan de maatstaf van wat in het maatschappelijk verkeer betaamt, vereist was dat in dit geval zij [eiser] inlichtte.

Hoewel [verweerster 1] daarmee op 20 december 2016 niet bekend was worden de omstandigheden van het geval mede ingekleurd door het gegeven dat uit een vonnis van de kantonrechter te Assen van 3 mei 2016 (productie 2 bij incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring) blijkt dat [betrokkene 1] inderdaad een veroordelend vonnis had tegen [betrokkene 3] en dat [eiser] heeft verklaard dat hij het chalet van [betrokkene 3] had gekocht, maar bij [betrokkene 1] heeft opgehaald. Het verhaal dat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] heeft gedaan is dus ook niet zomaar uit de lucht gegrepen.

v) plicht tot beletten

[verweerster 1] heeft aangevoerd dat toen [betrokkene 1] het chalet kwam ophalen, hij haar een handgeschreven briefje heeft overhandigd waaruit zou moeten blijken dat hij inderdaad recht had op het chalet. Het briefje is door [verweerster 1] in het geding gebracht (productie 2 bij conclusie van antwoord). De tekst daarvan luidt als volgt:

"Handels Onderneming [betrokkene 1]

Na aanleiding van beslagname van chalet 10x380

Door cafe collecht

Nemen we de calet mee op 04-01-2017

Door niet betalen na afspraak

Schuldeiser diende voor 30-12-2016

€ 20.000 te verdoen

Bij niet nakomen van afspraken nemen we de chalet in beslag

eigenaar: [betrokkene 1]

[b-straat 1]

[plaats 2]

Handtekening

[Handtekening]”

Volgens [eiser] had [verweerster 1] de afvoer van het chalet toen moeten beletten omdat uit dat briefje in geen enkel opzicht blijkt dat [eiser] [bedoeld zal zijn [betrokkene 1] , A-G] recht zou hebben op het chalet. Volgens hem is de tekst volstrekt onbegrijpelijk.

Het hof deelt de opvatting van [eiser] dat uit de tekst niet blijkt van een recht van [betrokkene 1] op het chalet. Wel merkt het hof op dat met “cafe collecht" kennelijk wordt bedoeld Safe Incasso Collect, het incassobedrijf dat namens [betrokkene 1] is opgetreden in de zaak tegen [betrokkene 3] . Echter, dan nog blijkt uit het briefje niet van enig recht van [betrokkene 1] om het chalet mee te nemen. In het briefje wordt wel gesproken over een inbeslagname van het chalet, maar niet is aangevoerd en ook is niet gebleken, dat bij dat briefje enig document was bijgevoegd waaruit kan blijken dat er inderdaad op een rechtsgeldige manier beslag was gelegd op het chalet.

Echter, ook hiervoor geldt dat [verweerster 1] juridisch niet is onderlegd en dat niet onbegrijpelijk is dat zij zich door het briefje heeft laten "overdonderen”. In het bijzonder niet in de situatie dat zij de dag daarvoor haar man had begraven. Zeer wel voorstelbaar is dat, zoals [verweerster 1] heeft aangevoerd, zij op dat moment niet tot zakelijk en helder denken in staat was. Voor zover [verweerster 1] verweten kan worden tijdens het afvoeren van het chalet niet adequaat gehandeld te hebben, kan haar dat in die situatie niet toegerekend worden.

Daarbij komt dat het afvoeren van het chalet aansloot bij de eerdere aankondiging daarvan door [betrokkene 1] terwijl dat afvoeren in alle openheid geschiedde: het chalet werd niet bij nacht en ontij opgehaald, maar op klaarlichte dag nadat eerst nog allerlei werkzaamheden rondom dat chalet waren uitgevoerd om het te kunnen verwijderen. Als relevante omstandigheid is ook in dit verband aan te merken het bestaan van het vonnis van 3 mei 2016, genoemd in het slot van de vorige rechtsoverweging.

Overigens merkt het hof op dat voor zover [eiser] [verweerster 1] verwijt dat zij het afvoeren van het chalet niet heeft verhinderd, hij niet concreet aangeeft hoe [verweerster 1] dat dan had moeten verhinderen.

vi) Het hof is derhalve van oordeel dat [verweerster 1] in de omstandigheden van het geval ook niet heeft gehandeld in strijd met een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgverplichting, althans dat geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen dat haar kan worden toegerekend.”

[cursivering in origineel, A-G]

- Het hof komt tot de slotsom dat de grieven van [eiser] falen. (rov. 6.1)

In cassatie

2.15

Bij procesinleiding van 21 april 2020 (en derhalve tijdig) heeft [eiser] bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 21 januari 2020 (hierna: het arrest). [verweerster] is niet verschenen, tegen haar is verstek verleend. [eiser] heeft afgezien van schriftelijke toelichting.

3 De bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding; achtergrond van de zaak

3.1

Het middel vangt aan met een inleiding waarin de kern van het geschil als volgt wordt geduid:8

“Dit geschil betreft de vraag of een campingexploitant ( [verweerster] ) contractueel of buitencontractueel verplicht is om de eigenaar ( [eiser] ) van een chalet dat hij als campinggast op de camping geplaatst heeft ervoor te waarschuwen dat een derde (een zekere [betrokkene 1] ) het door hem aan de campingexploitant medegedeelde concrete voornemen heeft om dit chalet te komen ophalen. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verweerster] jegens hem aansprakelijk zijn wegens het niet aldus waarschuwen.”

[voetnoten uit origineel niet overgenomen, A-G]

Alvorens onder 3.2 e.v. hierna nader op het middel in te gaan, maak ik eerst enkele preliminaire opmerkingen over de achtergrond van de zaak.

De rechtbank is blijkens rov. 5.1.9 van het vonnis van 4 april 2018 (zie ook onder 2.7 hiervoor) niet toegekomen aan beoordeling van het verweer van [verweerster] dat het chalet niet in eigendom toebehoorde aan [eiser] .9 [eiser] heeft gesteld dat hij eigenaar van het chalet is (zie ook onder 2.1 hiervoor).10 Uit de vaststaande feiten blijkt voorts dat hij op 16 januari 2017 bij de politie aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn chalet (rov. 3.6, zie ook onder 1.6 hiervoor).11 Ter staving van de bewering dat hij eigenaar van het chalet was, heeft hij een zogenoemde inkoopverklaring in het geding gebracht, waaruit blijkt dat hij op 24 augustus 2015 van een zekere [betrokkene 3] een “Bungalow chalet”, bouwjaar 2015, heeft gekocht voor een totaalbedrag van € 25.000,--: “Chalet van kunst[st]of geleverd met inruil caravan en een bedrag van 15.000 euro toe gehad van [eiser] ”.12 In zijn memorie van grieven schrijft [eiser] over de feitelijke gang van zaken:13

“Aug. ’15 kocht [eiser] van [betrokkene 3] , die op deze camping ook werkte, een chalet voor 25.000€, en betaalde dat met inruil van zijn caravan, en bijbetaling van 15.000€ (bijl.1). [betrokkene 3] had dit chalet, bouwjaar 2015, nieuw gekocht van [betrokkene 1] . [betrokkene 3] leverde met medewerking van [betrokkene 1] , aug ’15 (bijl.2) rechtsgeldig het chalet aan [eiser] . Aug ’15 plaatste [eiser] het, op de camping te [plaats 1] en sloot het aan op nutsvoorzieningen, alles met hulp van echtpaar [erflater] - [verweerster 1] .”14

Het hof heeft in overeenstemming daarmee vastgesteld dat “ [eiser] op de camping enkele jaren een caravan [heeft] gehad. In augustus heeft hij die weggedaan en heeft hij, met instemming van [verweerster 1] en [erflater] , op de camping een chalet geplaatst.” (rov. 3.2, zie ook onder 1.2 hiervoor). Zie voorts rov. 2.1 van het arrest, waarin het hof het aldus uitdrukt: “ [eiser] had op die camping een chalet staan.”

[verweerster] heeft een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 3 mei 201615 in het geding gebracht.16 In dat vonnis veroordeelt de kantonrechter [betrokkene 3] om aan [betrokkene 1] te betalen € 21.828,53, te vermeerderen met wettelijke rente. Dat bedrag bestaat onder meer uit een hoofdsom van € 20.000,-- voor de koop door [betrokkene 3] van een chalet van [betrokkene 1] : “Factuur d.d. 3 augustus 2015 voor het chalet ad € 20.000,00.”17 Het hof verwijst naar dit vonnis van de kantonrechter in rov. 5.11-iv en 5.11-v van het arrest (zie ook onder 2.14 hiervoor). [verweerster] heeft in dit verband het volgende opgemerkt:18

“17. (…) In aanloop naar de mondelinge behandeling van de bodemzaak en tijdens de mondelinge behandeling heeft [erflater] - [verweerster 1] steeds meer het gevoel gekregen dat deze zaak geen zuivere koffie is en dat geprobeerd wordt op deze wijze haar financieel te benadelen. Wat maakt dat zij toch zo haar bedenkingen heeft bij deze procedure, is de samenhang van de volgende feiten:

- [betrokkene 1] heeft een chalet verkocht aan [betrokkene 3] ;

- [betrokkene 3] verblijft, evenals [eiser] , op de camping van [erflater] - [verweerster 1] ;

- [betrokkene 3] heeft het chalet nimmer aan [betrokkene 1] betaald;

- [betrokkene 3] is ook door de rechter veroordeeld om de koopsom van het chalet aan [betrokkene 1] te voldoen (vonnis van 3 mei 2016);

- [eiser] stelt dat hij het chalet vervolgens van [betrokkene 3] heeft gekocht en betaald.

18. Nu [betrokkene 3] de koopsom niet aan [betrokkene 1] heeft betaald en [betrokkene 3] en [eiser] elkaar goed kennen, doet bij [erflater] - [verweerster 1] het vermoeden rijzen dat de gestelde verkoop van het chalet door [betrokkene 3] aan [eiser] vooropgezet is geweest teneinde verhaal van [betrokkene 1] te voorkomen en dat thans via deze procedure getracht wordt geld los te krijgen waarmee [betrokkene 3] , via [eiser] , de koopsom aan [betrokkene 1] kan betalen. Gezien de verstandhouding tussen [betrokkene 3] en [eiser] is dit beslist geen rare gedachte.”

Tijdens de comparitie van partijen van 11 december 2019 heeft [verweerster 1] onder meer als volgt verklaard:19

“(…) Ik wilde dat het chalet voor 1 oktober 2016 weg zou gaan, anders zou ik de gemeente inlichten. Ik had het chalet nooit zelf weggehaald.
Op enig moment daarna nam [betrokkene 1] contact [op] met mij via de telefoon, en hij zei dat het chalet van hem was. Hij had via via achterhaald dat het chalet op onze camping stond. Mijn man had al eerder tegen mij gezegd dat het chalet niet eerlijk was. Vervolgens deed [betrokkene 1] zijn verhaal. Toen dacht ik, als het chalet van [betrokkene 1] is, en hij heeft er bewijs voor, wat staat er dan nog in de weg dat hij hem zou meenemen? Op 20 december 2016 is [betrokkene 1] langs gekomen, mijn man was daarbij aanwezig. [betrokkene 1] heeft toen gezegd dat hij het chalet begin januari op zou halen. Mijn man heeft toen gezegd dat hij [eiser] zou inlichten. Op 28 december heb ik mijn man gevonden, op 3 januari is mijn man begraven. Een dag daarna is het chalet opgehaald. Ik heb toen niet meer gecheckt of [eiser] hier vanaf wist, omdat ik dacht dat mijn man dit aan hem zou vertellen. Bovendien was ik niet zo zakelijk en helder meer als normaal, gezien de omstandigheden. Alles was op zo’n moment teveel.”

Deze lezing van [verweerster 1] over de toedracht van de verdwijning van het chalet wordt door het hof als vertrekpunt bij de beoordeling genomen (rov. 5.11-ii en rov. 5.11-iii). Het handgeschreven briefje waaruit zou moeten blijken dat [betrokkene 1] recht had op het chalet is ook door [verweerster] in het geding gebracht.20 Het hof citeert de tekst van dat briefje in rov. 5.11-v van het arrest (zie ook onder 2.14 hiervoor). Het hof deelt weliswaar de opvatting van [eiser] dat uit de tekst van het briefje niet blijkt van een recht van [betrokkene 1] op het chalet (rov. 5.11-v), maar het hof acht het verhaal dat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] heeft gedaan “ook niet zomaar uit de lucht gegrepen” (rov. 5.11-iv).

Nu het hof evenals de rechtbank tot het oordeel komt dat geen sprake is van de door [eiser] gestelde wanprestatie of (toerekenbare) onrechtmatige daad van [verweerster] jegens [eiser] , is het hof, evenals de rechtbank, niet toegekomen aan het verweer van [verweerster] dat het chalet niet in eigendom toebehoorde aan [eiser] . Tijdens die comparitie van partijen in hoger beroep is verder zijdens [verweerster] onder meer het volgende naar voren gebracht:21

“(…) Er zijn zoveel onduidelijkheden. Ik vraag me af of we er hiermee zijn, zonder getuigen te horen, tenzij het hof van oordeel is dat ongeacht wat er gezegd werd, de zorgplicht niet geschonden is.

Daarnaast hebben we het niet over schade gehad. [eiser] verzoekt € 45.000,- schade, maar aan de andere kant is er geen enkele revindicatie actie genomen. Op het moment dat hij hoort dat het chalet verwijderd is, moet hij die partij dagvaarden. Nu probeert hij de schade bij [verweerster 1] te verhalen. [verweerster 1] mocht aannemen dat [eiser] wist dat het chalet opgehaald zou worden, nu [erflater] had gezegd dat hij dat zou zeggen tegen [eiser] . Als er al sprake zou zijn van een schending van een zorgplicht door het niet inlichten van [eiser] , acht ik die niet zodanig ernstig dat het een wanprestatie of een onrechtmatige daad zou moeten zijn.”

Over de vraag waarom [betrokkene 1] niet door [eiser] is gedagvaard, is zijdens [eiser] tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep als volgt verklaard:22

“Waarom [betrokkene 1] niet gedagvaard is, is omdat zijn BV failliet is. Dat lag aan de vele malen dat hij mensen opgelicht had. [betrokkene 1] houdt zich onvindbaar. Ik heb ook geen curator gevonden, ik vroeg me af of het faillissement opgeheven was.”

Het voorgaande illustreert mede het sterk feitelijke karakter van deze zaak.

In cassatie wordt niet bestreden het oordeel van het hof in rov. 5.9, waarin het hof verwerpt de stelling van [eiser] dat [verweerster 1] zelf direct, dan wel indirect via [betrokkene 1] , opdracht heeft gegeven tot verwijdering van het chalet. In cassatie is slechts het oordeel van het hof in rov. 5.10 en rov. 5.11 aan de orde. In rov. 5.10 ligt de vraag voor of [verweerster] is tekortgeschoten in de zorgplicht die zij als beheerder van het campingterrein jegens [eiser] zou hebben op grond van de campingovereenkomst tussen partijen. In rov. 5.11 ligt de vraag voor of [verweerster] , althans [verweerster 1] ,23 onrechtmatig gehandeld heeft doordat zij een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgplicht zou hebben geschonden. Drie momenten in de tijd kunnen bij de beoordeling worden onderscheiden:

- Het moment ergens in december 2016 waarop [verweerster 1] door [betrokkene 1] is gebeld, tijdens welk gesprek [betrokkene 1] [verweerster 1] heeft verteld dat niet [eiser] maar hij de eigenaar was van het chalet (rov. 5.11-ii).24 Dit moment wordt in de procesinleiding aangeduid als “de vooraankondiging”.

- Het moment van 20 december 2016, waarop [betrokkene 1] zelf langskwam op de camping en tegen [verweerster 1] zei dat hij het chalet begin januari zou komen ophalen en haar dan het bewijs zou tonen dat het chalet van hem was (rov. 5.11-ii).25 Dit moment wordt in de procesinleiding aangeduid als “de aankondiging”.

- Het moment van 4 januari 2017, waarop het chalet daadwerkelijk van de camping is verwijderd (rov. 3.5 en rov. 5.11-ii).26 Dit moment wordt in de procesinleiding aangeduid als “de diefstal”.

De door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) van [verweerster] is in de door hem gevolgde contractuele benadering (via art. 6:74 BW) en buitencontractuele benadering (via art. 6:162 BW) in wezen dezelfde in termen van ‘waarschuwen’ en ‘beletten’, hetgeen m.i. met zich brengt dat de beoordeling van het hof in rov. 5.10 (over die contractuele benadering) en rov. 5.11 (over die buitencontractuele benadering) in onderling(e) verband en samenhang moet worden gelezen. Het hof geeft hetgeen [eiser] heeft gesteld over die zorgplicht(schending) weer in rov. 5.6.2 (voor die contractuele benadering, waarover dus ook rov. 5.10) en rov. 5.6.3 (voor die buitencontractuele benadering, waarover dus ook rov. 5.11). Deze weergave door het hof van de stellingen van [eiser] in rov. 5.6.2 en rov. 5.6.3 is in cassatie onbestreden. Zoals blijkt uit de kopjes van rov. 5.10 (“zorgverplichting uit (camping)overeenkomst (zie 5.6.2)?”) en rov. 5.11 (“zorgverplichting uit ongeschreven recht (zie 5.6.3)?”), sluit het hof bij de beoordeling in rov. 5.10 en rov. 5.11 uitdrukkelijk aan bij de stellingen van [eiser] zoals weergegeven in rov. 5.6.2 en rov. 5.6.3. De door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) van [verweerster] jegens hem is in die beide benaderingen (contractueel en buitencontractueel) naar de kern genomen tweeledig. Vanaf het moment van de aankondiging van [betrokkene 1] op 20 december 2016 had [verweerster] volgens [eiser] moeten waarschuwen dat [betrokkene 1] van plan was het chalet te verwijderen,27 welke plicht geschonden zou zijn (op het moment van de vooraankondiging bestond dus kennelijk ook volgens [eiser] nog geen plicht om te waarschuwen). Op 4 januari 2017 had [verweerster] volgens [eiser] maatregelen moeten nemen om de verwijdering van het chalet te beletten, welke plicht geschonden zou zijn.28 Het hof duidt eerstgenoemde door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) in rov. 5.11-iv kortweg aan als (schending van) “de waarschuwingsplicht” en de laatstgenoemde door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) in rov. 5.11-v als (schending van) de “plicht tot beletten”.

De procesinleiding heeft, zoals ook blijkt uit de aan het begin van dit randnummer geciteerde passage waarin de kern van het geschil wordt geduid, vooral oog voor de door [eiser] gestelde waarschuwingsplicht van [verweerster] (die geschonden zou zijn), te onderscheiden van haar door [eiser] gestelde plicht tot beletten (die geschonden zou zijn). Dit te maken onderscheid bij de door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) van [verweerster] jegens hem is van belang bij de beoordeling van de klachten, waartoe ik nu overga.

Het cassatiemiddel

3.2

Het middel is opgebouwd uit drie “klachten” (geletterd A, B en C). De klachten A en B vallen uiteen in onderdelen en subonderdelen. Klacht C betreft een voortbouwklacht.

Klacht A: oordelen over de contractuele waarschuwingsplicht (rov. 5.10)

3.3

Klacht A valt uiteen in drie onderdelen (genummerd 1, 2 en 3), die op hun beurt weer zijn uitgewerkt in verschillende subonderdelen.

3.4

Onderdeel 1 klaagt dat ’s hofs oordeel in rov. 5.10-iii, dat ook de stelling dat [verweerster] jegens [eiser] tekortgeschoten is in een op haar rustende zorgverplichting die voortvloeide uit een (camping)overeenkomst wordt verworpen, onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen.

3.5

Subonderdeel 1.1 klaagt dat dat oordeel van het hof onjuist en/of onbegrijpelijk is, voor zover het er, gezien rov. 5.10-ii, op berust dat de (camping)overeenkomst “in oktober 2016” (kennelijk per 1 oktober 2016) geëindigd zou zijn om de reden dat “die aanzegging” als een opzegging van de (camping)overeenkomst opgevat zou moeten worden. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat “die aanzegging” een wilsverklaring is waarvan de betekenis door uitleg op basis van de Haviltex-maatstaf29 vastgesteld moet worden30 en dat van een opzeggingsverklaring slechts sprake kan zijn indien de verklaring duidelijk en ondubbelzinnig is, omdat de opzegging anders niet als zodanig kenbaar is.31 Volgens het subonderdeel valt althans niet (zonder meer) in te zien waarom de hantering van de Haviltex-maatstaf in casu tot het uitlegresultaat zou leiden dat de (camping)overeenkomst per 1 oktober 2016 of in oktober 2016 zou eindigen. De in het subonderdeel onder a t/m e genoemde, als essentieel aangemerkte, stellingen32 laten zich volgens het subonderdeel niet anders verstaan, dan dat [eiser] “die aanzegging” niet heeft opgevat als een opzegging van de campingovereenkomst. Daarom valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom [eiser] op basis van “die aanzegging” zou hebben moeten begrijpen dat de (camping)overeenkomst per 1 oktober 2016 of in oktober 2016 zou eindigen, zoals het hof in rov. 5.10-ii heeft geoordeeld. Het subonderdeel klaagt ten slotte dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, indien het hof [eiser] in het subonderdeel onder e weergegeven stelling zo heeft uitgelegd dat [eiser] het chalet slechts mocht laten staan om de reden dat [erflater] het chalet wellicht wilde overkopen. [eiser] heeft volgens het subonderdeel de stelling betrokken dat [erflater] , na overleg met [verweerster 1] , aan [eiser] heeft medegedeeld dat het chalet mocht blijven staan, en heeft daarnaast (“bovendien”) de stelling betrokken dat [erflater] zelf belangstelling had voor het chalet.

3.6

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

3.7

Het hof heeft, in cassatie onbestreden, als feit vastgesteld dat [verweerster 1] in september 2016 aan [eiser] heeft bericht dat hij zijn chalet voor 1 oktober 2016 verwijderd moest hebben (rov. 3.3, eerste zin, zie ook onder 1.3 hiervoor). In rov. 5.10-ii, tweede zin, verwijst het hof naar dat vaststaande feit met de overweging: “Vast staat dat [verweerster 1] tegen [eiser] heeft gezegd dat hij zijn chalet uiterlijk 1 oktober 2016 moest hebben verwijderd.” In de daaropvolgende, derde, zin overweegt het hof dat, voor zover daarvóór al sprake is geweest van een zogenoemde “campingovereenkomst” tussen [eiser] en [verweerster] (zoals daar door het hof bedoeld),33 “geldt dat die aanzegging moet worden opgevat als een opzegging van die overeenkomst”. Daarna overweegt het hof dat niet is gebleken dat [eiser] tegen die opzegging bezwaar heeft gemaakt (rov. 5.10-ii, vierde zin), ofwel dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de aangezegde beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping (zie rov. 5.10-ii, zesde zin). Dat volgt ook uit de door het hof vastgestelde, in cassatie onbestreden, feiten, waaruit blijkt: “ [eiser] heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven en het chalet laten staan” (rov. 3.3, tweede zin, zie ook onder 1.3 hiervoor).

De (door [eiser] voorgestane) aanduiding “campingovereenkomst” ben ik in rechtspraak en literatuur, naast de onderhavige zaak, slechts tegengekomen in een vonnis van de kantonrechter Middelburg uit 1977.34 Het hof overweegt in (rov. 5.10-i en) rov. 5.10-ii, zonder aan te nemen dat een dergelijke overeenkomst tussen [verweerster] en [eiser] tot stand is gekomen, dat het gaat om een overeenkomst waarbij de ene partij toestemming geeft aan de andere partij om gebruik te maken van een campingplaats (“het gebruik door [eiser] van zijn chalet op het campingterrein”), waarbij die andere partij voor dat gebruik betaalde. In de praktijk worden wel standaardcontracten gebruikt voor dit type overeenkomst.35 Ik wijs op het bestaan van de zogenoemde RECRON-voorwaarden voor vaste plaatsen.36 Deze RECRON-voorwaarden zijn tot stand gekomen in overleg met de Consumentenbond en de ANWB in het kader van de Coördinatiegroep Zelfreguleringsoverleg van de SER. De bedoeling van de voorwaarden is voor beide partijen, die in de voorwaarden worden aangeduid als ondernemer en recreant, de rechten en plichten duidelijk vast te leggen.37 In de onderhavige zaak is overigens gesteld noch gebleken dat deze RECRON-voorwaarden van toepassing zijn op de voornoemde campingovereenkomst. Het komt mij niettemin dienstig voor daarover enkele opmerkingen te maken.

In de desbetreffende RECRON-voorwaarden wordt uitgegaan van een overeenkomst tussen een ondernemer en een recreant inzake het gebruik van een plaats die is ingericht om gedurende het gehele jaar een kampeermiddel geplaatst te houden, ongeacht de periode van gebruik. Een voorbeeld van een dergelijk kampeermiddel dat in de voorwaarden wordt genoemd, is een chalet (zie art. 1). De overeenkomst houdt in dat de ondernemer voor recreatieve doeleinden, dus niet voor permanente bewoning,38 aan de recreant de overeengekomen plaats ter beschikking stelt met het recht daarop een kampeermiddel van het overeengekomen type te plaatsen en geplaatst te houden (art. 2). De recreant is per overeenkomstjaar aan de ondernemer een vergoeding verschuldigd voor het gebruik van de plaats, welke vergoeding in de voorwaarden jaargeld wordt genoemd (art. 4).

Een vaste plaats wordt in de desbetreffende RECRON-voorwaarden aangeduid als een onbebouwd deel van het terrein.39 De plaats en/of het kampeermiddel kwalificeren niet als woonruimte in de zin van art. 7:233 BW (of bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW). De vaste plaats moet ook worden onderscheiden van een standplaats als bedoeld in art. 7:236 BW. In de onderhavige zaak is overigens ook gesteld noch gebleken dat de plaats voldoet aan de in art. 7:236 BW gestelde eisen, waaronder met name dat de kavel (in publiekrechtelijke zin) moet zijn bestemd voor het plaatsen van een woonwagen als bedoeld in art. 7:235 BW.40 Het voorgaande is in lijn met de rechtspraak.41 De duiding van de vaste plaats als onbebouwd deel van het terrein impliceert dat bij beëindiging van de overeenkomst art. 7:228 BW geldt, en (dus) niet art. 7:230a BW.42

Volgens de RECRON-voorwaarden wordt de overeenkomst voor bepaalde tijd aangegaan en telkens automatisch voor één overeenkomstjaar verlengd (art. 3). De ondernemer kan de overeenkomst op verschillende gronden, zoals het ophouden te bestaan van de bedrijfsvoering van de ondernemer43 of duurzame ontwrichting van de verhouding tussen de ondernemer en de recreant,44 schriftelijk beëindigen (art. 11). Beëindiging van de overeenkomst kan ook tussentijds plaatsvinden (art. 13). De ontruiming en de opruiming van de plaats worden geregeld door art. 15 van de desbetreffende voorwaarden. Onder ontruiming door de recreant wordt verstaan het van de plaats en van het terrein verwijderen van al hetgeen zich op de laatste dag van de overeenkomst op de plaats bevindt of heeft bevonden, uitgesloten eigendommen van de ondernemer (art. 15 lid 1). Het vervolg van deze ontruimingsbepaling luidt, voor zover relevant, als volgt:

“6. In het geval van een beëindiging van de overeenkomst door de ondernemer dient de recreant de plaats ontruimd en opgeruimd aan de ondernemer op te leveren uiterlijk op de laatste dag van de overeengekomen periode.

7. In het geval van tussentijdse beëindiging van de overeenkomst door de ondernemer dient de recreant de plaats ontruimd en opgeruimd aan de ondernemer op te leveren binnen een redelijke termijn met een maximum van één maand vanaf de datum waartegen de overeenkomst tussentijds is beëindigd.

8. Indien de recreant niet voldoet aan het bepaalde in het vijfde of zesde lid heeft de ondernemer het recht de plaats te ontruimen en op te ruimen. Indien de recreant de beëindiging of tussentijdse beëindiging van de overeenkomst door de ondernemer betwist en het geschil tijdig heeft voorgelegd aan de Geschillencommissie, mag de ondernemer niet overgaan tot ontruiming alvorens de beslissing van de Geschillencommissie hem daartoe het recht geeft.

9. Vanaf het moment dat de ondernemer het recht toekomt de plaats te ontruimen en op te ruimen zijn de in redelijkheid gemaakte kosten van ontruimen en opruimen en eventuele stallingskosten voor rekening van de recreant en heeft de ondernemer het recht deze kosten te verrekenen met geldelijke verplichtingen van de ondernemer aan de recreant onverminderd het bepaalde in het tiende lid.

10. Vanaf het moment dat de ondernemer het recht toekomt de plaats te ontruimen en op te ruimen wordt de recreant geacht afstand te hebben gedaan van al hetgeen zich op de plaats bevindt.

a. De ondernemer heeft het recht, indien de waarde dat rechtvaardigt, al hetgeen zich op de plaats bevindt op kosten van de recreant openbaar te laten verkopen;

b. Indien de kosten van een openbare verkoop de geschatte opbrengst zouden overtreffen, heeft de ondernemer het recht al hetgeen zich op de plaats bevindt op kosten van de recreant onderhands te verkopen;

c. De ondernemer heeft het recht de opbrengst van een openbare of onderhandse verkoop te verrekenen met alle geldelijke verplichtingen van de recreant aan de ondernemer. Bij gebruikmaking van dit recht dient de ondernemer een eventuele meeropbrengst met een gespecificeerde afrekening aan de recreant af te dragen;

d. De ondernemer heeft het recht elke zaak die in redelijkheid niet te verkopen is op kosten van de recreant als afval af te laten voeren en te vernietigen.

11. De recreant is niet aansprakelijk voor door hem bij de ontruiming en/of opruiming veroorzaakte schade die hem niet kan worden toegerekend. Indien bij de ontruiming en/of opruiming schade ontstaat door veranderingen in/aan/op het terrein veroorzaakt door de ondernemer, is de ondernemer aansprakelijk.

12. De ondernemer is niet aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade ontstaan bij de ontruiming en/of opruiming, die hem niet kan worden toegerekend.”

3.8

Ontruiming van vaste campingplaatsen is in de feitenrechtspraak verschillende keren aan de orde geweest.45 Uit deze feitenrechtspraak leid ik het volgende af.

Een campingovereenkomst als in de onderhavige zaak aan de orde (zie o.a. rov. 5.10-ii: “dat [eiser] tegen betaling gebruik mocht maken van zijn chalet op de camping” en “met betrekking tot het gebruik door [eiser] van zijn chalet op het campingterrein”) kan worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst als bedoeld in art. 7:201 BW,46 die betrekking heeft op het gebruik van de grond (“een campingplaats”), en niet op het chalet dat door [eiser] zelf (met instemming van [erflater] en [verweerster 1] ) op de camping is geplaatst (zie ook rov. 3.2 en onder 1.2 hiervoor). Het huurobject betreft dus niet een gebouwde onroerende zaak, die als woonruimte is verhuurd (art. 7:233 BW), noch is sprake van bedrijfsruimte (art. 7:290 BW). Evenmin is het huurobject een standplaats voor een woonwagen (art. 7:235 BW en art. 7:236 BW). De overeenkomst was kennelijk voor onbepaalde tijd aangegaan of voor onbepaalde tijd verlengd, er was althans kennelijk niet een bepaalde duur en een bepaalde opzegtermijn overeengekomen; het hof gaat immers ervan uit dat de overeenkomst door opzegging is geëindigd (art. 7:228 lid 2 BW).47 Gelet op de aard van het huurobject, een staanplaats voor een chalet dat niet zonder aanzienlijke inspanning en kosten kan worden geplaatst of verwijderd,48 ligt een einde van de huurovereenkomst van rechtswege, telkens aan het einde van het overeenkomstjaar, ook niet direct voor de hand (vgl. art. 7:228 lid 1 BW en de RECRON-voorwaarden).49 Art. 7:228 lid 2 BW regelt dat de huurovereenkomst in dat geval eindigt door opzegging en dat de opzegging dient te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van ten minste een maand.50 De toepassing van art. 7:228 lid 2 BW door het hof loopt temporeel ook rond, met een opzegging “[i]n september 2016” (rov. 3.3, eerste zin, zie ook onder 1.3 hiervoor), waarbij vervolgens “aan die overeenkomst een einde is gekomen in oktober 2016” (rov. 5.10-ii).

De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat de opzegging, in de feiten en omstandigheden van het geval, alleen tot het beoogde rechtsgevolg kan leiden als voor die opzegging een voldoende zwaarwegende grond bestaat.51 In het onderhavige geval is echter gesteld noch gebleken dat er geen afdoende grond bestond voor opzegging van de overeenkomst. Volgens het hof is immers aan de campingovereenkomst een einde gekomen in oktober 2016 (als deze overeenkomst al mocht hebben bestaan) en is niet gesteld of gebleken, kort gezegd, dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen de aangezegde beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping na 1 oktober 2016 (tegen de opzegging) (rov. 5.10-ii).

De beëindiging van de (camping)overeenkomst brengt vervolgens in beginsel een verbintenis tot ontruiming van de campingplaats mee voor de recreant.52 In het oordeel van het hof in rov. 5.10-ii ligt besloten dat vanaf 1 oktober 2016, althans in oktober 2016 (wanneer hoe dan ook aan de campingovereenkomst een einde is gekomen), in beginsel een verbintenis tot ontruiming van de campingplaats op [eiser] rustte, die met zich bracht dat hij het chalet van de campingplaats moest verwijderen (zie ook rov. 3.3 en onder 1.3 hiervoor). Uit de voornoemde feitenrechtspraak blijkt dat, ook als de RECRON-voorwaarden niet van toepassing zijn, de ondernemer de recreant een redelijke termijn moet gunnen om de campingplaats te ontruimen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] geen redelijke termijn heeft gehad om het chalet van de campingplaats te verwijderen.53 Tussen de beëindiging van de campingovereenkomst in oktober 2016 en het moment dat het chalet op 4 januari 2017 van de camping is verwijderd, bestond op zichzelf (ruim) voldoende gelegenheid voor [eiser] het chalet van de camping te verwijderen. In art. 15 lid 7 van de RECRON-voorwaarden (geciteerd onder 3.7 hiervoor) wordt bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst bijvoorbeeld een redelijke termijn van maximaal één maand gehanteerd; daarna krijgt de ondernemer het recht de plaats te ontruimen en op te ruimen.

Uit de voornoemde feitenrechtspraak blijkt ook dat op de ondernemer een omstandighedenafhankelijke zorgplicht kan rusten voor een chalet (en de inventaris), die bijvoorbeeld kan meebrengen dat hij of zij het chalet met toebehoren niet zomaar op de openbare weg mag plaatsen, na ontruiming van de campingplaats. In de onderhavige zaak staat in cassatie vast (zie ook onder 3.1 hiervoor) dat [verweerster 1] geen gebruik heeft gemaakt van het recht de campingplaats te ontruimen; zij heeft niet zelf direct of indirect opdracht gegeven tot verwijdering van het chalet (rov. 5.9). Langs die weg kan dus geen sprake zijn van schending van een op [verweerster] rustende zorgverplichting. Mede in zoverre verschilt de onderhavige zaak dus van voornoemde feitenrechtspraak, waarin de ondernemer zelf is overgegaan tot ontruiming van de campingplaats.

Het hof oordeelt aan het slot van rov. 5.10-ii, kort gezegd, dat in januari 2017 geen sprake (meer) was van een uit een (camping)overeenkomst voortvloeiende en op [verweerster] rustende zorgverplichting. Op 4 januari 2017 is het chalet van de camping verwijderd (rov. 3.5, zie ook onder 1.5 hiervoor). In het oordeel van het hof ligt echter besloten dat ook op het moment van de aankondiging door [betrokkene 1] dat hij van plan was om het chalet te gaan verwijderen (dus op 20 december 2016, zie ook rov. 5.6.2 en onder 3.1 hiervoor) “[v]an een uit een (camping)overeenkomst voortvloeiende en op [verweerster] rustende zorgverplichting (…) geen sprake (meer) [was].” Dat blijkt ook uit rov. 5.11-iv, waarin het hof in het kader van gesteld onrechtmatig handelen door [verweerster 1] jegens [eiser] bij de beoordeling van de gestelde schending van een waarschuwingsplicht door [verweerster 1] op 20 december 2016 overweegt: “Voorop staat dat op [verweerster 1] geen contractuele verplichting rustte om [eiser] in te lichten. Dat is hiervoor uitgelegd.” Ik merkte onder 3.1 hiervoor al op dat rov. 5.10 en 5.11 in onderling(e) verband en samenhang moeten worden bezien. Uit deze samenhang tussen rov. 5.10 en rov. 5.11 volgt dus dat het hof in rov. 5.10-ii, laatste zin (en rov. 5.10-iii) niet alleen het oog heeft gehad op begin (althans 4) januari 2017, maar ook op eind (althans 20) december 2016.

3.9

Met dit in het achterhoofd keer ik nu terug naar het subonderdeel.

Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat “die aanzegging” in rov. 5.10-ii een wilsverklaring is waarvan de betekenis door uitleg op basis van de Haviltex-maatstaf vastgesteld moet worden en dat van een opzeggingsverklaring slechts sprake kan zijn indien de verklaring duidelijk en ondubbelzinnig is, omdat de opzegging anders niet als zodanig kenbaar is. Een overeenkomst kan worden opgezegd met een gerichte eenzijdige rechtshandeling.54 De opzeggingsverklaring is in beginsel vormvrij.55 De opzeggingsverklaring kan, zoals opgemerkt, een verbintenis in het leven roepen, zoals een verbintenis tot ontruiming van de gehuurde plaats.56 Bij de uitleg van een opzeggingsverklaring maakt het geen wezenlijk verschil of die wordt benaderd vanuit het kader van art. 3:33 BW en art. 3:35 BW of vanuit de Haviltex-maatstaf.57 Alle feiten en omstandigheden van het geval zijn daarbij van belang.58

Het subonderdeel kiest voor de benadering vanuit de Haviltex-maatstaf, waarbij het dus aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die opzeggingsverklaring mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Zoals opgemerkt, staat onder meer vast dat [verweerster 1] in september 2016 [eiser] heeft bericht dat hij zijn chalet uiterlijk 1 oktober 2016 moest hebben verwijderd, dus van de camping (het campingterrein). Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat [eiser] nadien geen gebruik meer mocht maken van zijn chalet op de camping (het campingterrein). Volgens het hof geldt dat die aanzegging moet worden opgevat als een opzegging van de (mondelinge) campingovereenkomst (al aangenomen dat vóór die opzegging sprake was van zo’n overeenkomst), dus van “een overeenkomst tussen [verweerster] en [eiser] die inhield dat [eiser] tegen betaling gebruik mocht maken van zijn chalet op de camping” (een overeenkomst “met betrekking tot het gebruik door [eiser] van zijn chalet op het campingterrein”), welke overeenkomst (mede) uitging van “toestemming van [verweerster] ” voor het gebruik door [eiser] van een campingplaats. Van miskenning van de Haviltex-maatstaf in de door het subonderdeel bedoelde zin geeft dat oordeel m.i. geen blijk, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, waarover ook hierna. In dat licht kan geoordeeld worden dat [eiser] die aanzegging door [verweerster 1] aan hem in september 2016, gezien ook het onmiskenbare verband tussen die niet voor tweeërlei uitleg vatbare aanzegging door [verweerster 1] aan [eiser] en die campingovereenkomst tussen [verweerster] en [eiser] zoals vooropgesteld in rov. 5.10-ii (met dit eerste zal, kort gezegd, toch kenbaar de bodem aan dit laatste komen te ontvallen), hoe dan ook redelijkerwijs heeft moeten begrijpen als een opzeggingsverklaring ter zake zoals bedoeld door het hof (met het daaraan verbonden gevolg), waarbij ik ook betrek dat [eiser] (in ieder geval) wist van die aanzegging als zodanig, wat ook blijkt uit zijn bevestiging “dat hij na die opzegging geen gebruik meer heeft gemaakt van zijn chalet en dat hij daarna ook niets meer heeft betaald aan [verweerster] ” (rov. 5.10-ii), en zelf is uitgegaan van wat hij noemt de campingovereenkomst (waarover hiervoor). Dat [eiser] aan de uit die aanzegging (opzeggingsverklaring) van [verweerster 1] in beginsel voortvloeiende verbintenis tot ontruiming van de campingplaats geen gevolg heeft gegeven (“[D]e inboedel heb ik er niet uitgehaald, alleen wat kleine dingen” en “Het chalet is wel blijven staan”),59 doet hieraan niet af. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen blijkt bijvoorbeeld:60

Hof: begin september zei [verweerster 1] tegen u dat het chalet voor 1 oktober 2016 verwijderd moest zijn. Waarom was dat?

[eiser] : op een gegeven moment zijn er problemen gekomen. In opdracht van [verweerster 1] moest iedereen van de camping af, het hele veldje moest ontruimd. De reden hiervoor was dat er problemen in de relatiesfeer van [verweerster 1] en [erflater] waren. [erflater] en mijn vrouw zouden een relatie hebben, althans dat werd beweerd. (…)”

[onderstreping in origineel, A-G]

Ik wijs voorts op het proces-verbaal van aangifte bij de politie door [eiser] (zie ook rov. 3.6 en onder 1.6 hiervoor), waaruit onder meer het volgende blijkt aan voorgeschiedenis:61

“In juli/augustus hadden wij te horen gekregen dat wij allemaal van de camping af moesten. Iedereen moest eraf.

Ik heb van [verweerster 1] een bericht gekregen dat de chalet voor een bepaalde datum in september 2016 van de camping af moest zijn.

Zo niet dan zou zij de gemeente bellen en de chalet door hun op te laten halen en te laten vernietigen.”

Op deze passage uit het proces-verbaal van aangifte bij de politie is door [verweerster] ook zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gewezen.62

De stellingen onder a t/m e waarop het subonderdeel zich beroept, staan m.i. niet aan het door het hof in rov. 5.10-ii bereikte uitlegresultaat in de weg. Daarbij stel ik voorop dat het hof nergens overweegt of impliceert dat het een of meer van deze stellingen van [eiser] buiten beschouwing heeft gelaten (in rov. 5.10 of elders) en betrek ik verder dat deze stellingen, gelet ook op het voorgaande (waaronder, kort gezegd, de genoemde vooropstelling in rov. 5.10-ii, tweede en derde zin inzake de aanzegging en de campingovereenkomst) en het navolgende, het hof geen aanleiding gaven tot een nadere motivering wat betreft het bestreden oordeel.

Onder a wordt een beroep gedaan op de duur van de (mondelinge) campingovereenkomst. Het hof heeft in rov. 3.2 (zie onder 1.2 hiervoor) vastgesteld dat [eiser] voordat hij in augustus 2015 “met instemming van [verweerster 1] en [erflater] ” het chalet op de camping heeft geplaatst “al enkele jaren” een caravan op de camping had. Dat sprake zou zijn geweest van een duurovereenkomst, voor zover daarvan al sprake is, laat echter onverlet dat [eiser] hoe dan ook redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, gelet ook op het (mede) ‘hangen’ daarvan op “de toestemming van [verweerster] ” gebruik te maken van een campingplaats (zie rov. 5.10-i), dat die op enig moment bij het wegvallen van die toestemming, zoals in het geval van duurzame ontwrichting tussen de recreant en de ondernemer of door het ophouden te bestaan van de camping (zie onder 3.7 hiervoor), kon worden beëindigd, dit nog daargelaten dat het hof met de “campingovereenkomst” in het bijzonder het oog heeft, blijkens rov. 5.10-ii, op “een overeenkomst tussen [verweerster] en [eiser] die inhield dat [eiser] tegen betaling gebruik mocht maken van zijn chalet op de camping” (een overeenkomst “met betrekking tot het gebruik door [eiser] van zijn chalet op het campingterrein”), welk chalet dus pas sinds augustus 2015 met instemming van [verweerster] op de camping stond. Dat er niet een afdoende grond voor de aanzegging door [verweerster 1] in september 2016 (de opzegging) bestond, is ook gesteld noch gebleken. Het hof heeft in rov. 5.10-ii juist overwogen, kort gezegd, dat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen die aangezegde beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping na 1 oktober 2016 (tegen de opzegging).

Blijkens de vindplaatsen waarop de stelling onder b zich beroept, wordt eraan voorbij gezien dat het daar gestelde betrekking heeft op twee verschillende momenten, één in augustus 201663 en één in september 201664. Dat sluit aan bij hetgeen hierover zijdens [verweerster] in de memorie van antwoord is gesteld:65

“10. In verband met de huwelijksproblemen en de door zowel [erflater] - [verweerster 1] als wijlen [erflater] gewenste rustperiode, heeft [erflater] - [verweerster 1] begin augustus 2016 alle campinggasten verzocht om uiterlijk 7 augustus 2016 de camping te verlaten. Hier hebben alle campinggasten, waaronder [eiser] , gehoor aan gegeven. (…).

11. Na een korte rustperiode van een week stelde [erflater] - [verweerster 1] de camping weer open. [eiser] bleef echter weg. Aangezien [erflater] - [verweerster 1] schoon schip wilde maken en de niet betalende ‘campinggasten’ kwijt wilde, heeft zij [eiser] begin september 2016 een bericht gedaan dat [eiser] het chalet vóór 1 oktober 2016 (zijnde de seizoensluiting) verwijderd moest hebben. (…).”

Gelet op de aanloop daar naartoe in augustus 2016 kan niet gezegd worden, zoals de stelling onder b naar voren brengt, dat [verweerster 1] “plotsklaps” die aanzegging aan [eiser] deed. Dat die aanzegging kennelijk per sms-bericht is verstuurd, maakt het m.i. ook niet onjuist of onbegrijpelijk dat volgens het hof die aanzegging als opzegging van de campingovereenkomst moet worden opgevat, mede bezien tegen de achtergrond dat hier sprake zou zijn geweest van een mondelinge overeenkomst, van de strekking van die overeenkomst en van de bekendheid van partijen met elkaar (zie rov. 3.1, 3.2, 5.10-i en 5.10-ii). Dat die aanzegging buitensporig was, omdat het betaalseizoen nog niet voorbij was en de verwijdering van het chalet veel werk was, maakt het voorgaande niet anders, laat ook onverlet dat niet gesteld of gebleken is dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen de aangezegde beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping na 1 oktober 2016 (tegen de opzegging), en is trouwens ook weersproken in de memorie van antwoord zijdens [verweerster] :66

“11. (…) [erflater] - [verweerster 1] betwist overigens dat het verwijderen van het chalet ten minste 2 dagen werk zou zijn voor 5 man en dat er een graafmachine en dieplader vereist zouden zijn. Bovendien is dit een verantwoordelijkheid van de eventuele chaleteigenaar, die heeft het chalet ook geplaatst. Ook was het niet tijdens het lopend seizoen, maar aan het eind van het seizoen. Van disproportionaliteit is dan ook geen enkele sprake. Ook heeft [erflater] - [verweerster 1] nimmer van [eiser] een reactie gehad op haar verzoek om het chalet te verwijderen, bijvoorbeeld met een verzoek om meer tijd.”

Overigens is een tussentijdse beëindiging (“tijdens het lopend seizoen”) ook niet uitgesloten als daarvoor een afdoende grond bestaat, waarbij ik nog memoreer dat [eiser] zich niet op het ontbreken van zo’n afdoende grond heeft beroepen, waarover hiervoor.

De stelling onder c, dat [eiser] die aanzegging zou hebben opgevat als een overspannen onredelijk dreigement67 als gevolg van de omstandigheid dat [verweerster 1] en [erflater] in scheiding lagen en [verweerster 1] rust wilde, hij dacht dat het na een paar weken wel weer goed zou komen en dat [verweerster 1] na een of meer weken geen verwijdering voor de campinggasten meer wilde, kent hetzelfde euvel als de stelling onder b. De stelling van [eiser] dat hij “dacht dat het na een paar weken wel weer goed zou komen”68 ziet op de periode augustus 2016, terwijl [verweerster 1] eerst daarna, in september 2016 tegen [eiser] die aanzegging heeft gedaan waar het hier om draait.69 Ik wijs in dit verband ook op de volgende passage uit de memorie van antwoord zijdens [verweerster] :70

“47. Het verwijderen past geenszins in een overspannen onredelijk dreigement, omdat er geen sprake was van een overspannen onredelijk dreigement. [erflater] - [verweerster 1] heeft in september 2016 aangegeven dat [eiser] niet langer welkom was en er is hem verzocht om het chalet te verwijderen tegen het einde van het seizoen, zijnde 1 oktober 2016. Hier is niets overspannen en onredelijks aan en het is al helemaal geen dreigement. [erflater] - [verweerster 1] heeft slechts aangegeven wat de mogelijkheden zouden zijn, indien [eiser] uiteindelijk het chalet niet verwijderd.

48. [erflater] - [verweerster 1] staat in haar volste recht om [eiser] aan te zeggen dat hij het chalet moet verwijderen. [eiser] heeft er vervolgens voor gekozen dit niet te doen. Overigens ook zonder hier verder overleg over te voeren met [erflater] - [verweerster 1] . Het [is een, A-G] feit dat [erflater] - [verweerster 1] [eiser] rechtmatig aanzegt dat hij het chalet moet verwijderen (…).”

De stelling onder d, dat [eiser] ontkent dat hij het chalet leeggehaald zou hebben en alle inventaris heeft laten staan, stuit reeds af op hetgeen ik hiervoor opmerkte. Dat [eiser] aan de aanzegging door [verweerster 1] in september 2016 dat hij zijn chalet uiterlijk 1 oktober 2016 moest hebben verwijderd geen gevolg heeft gegeven (zie ook de vaststelling in rov. 3.3 dat [eiser] aan die “sommatie” van [verweerster 1] geen gevolg heeft gegeven en het chalet heeft laten staan), laat als gezegd onverlet dat, kort gezegd, geoordeeld kan worden dat [eiser] die aanzegging, gezien ook het onmiskenbare verband tussen die niet voor tweeërlei uitleg vatbare aanzegging en de campingovereenkomst zoals vooropgesteld in rov. 5.10-ii, hoe dan ook redelijkerwijs heeft moeten begrijpen als een opzeggingsverklaring zoals bedoeld door het hof (met het daaraan verbonden gevolg). Dat wordt niet anders als [eiser] het chalet niet zou hebben leeggehaald en de inventaris zou hebben laten staan, te meer niet waar [eiser] (ook) heeft bevestigd dat hij na die “opzegging” geen gebruik meer heeft gemaakt van zijn chalet en dat hij daarna ook niets meer heeft betaald aan [verweerster] , zoals het hof betrekt (zie rov. 5.10-ii, te lezen ook in het licht van rov. 5.10-i).

Voor de stelling onder e, die erop neerkomt dat [erflater] na overleg met [verweerster 1] aan [eiser] medegedeeld zou hebben dat het chalet mocht blijven staan (die erop vertrouwde dat het zo goed kwam), geldt dat het hof die in rov. 5.10-ii uitdrukkelijk in de beoordeling heeft betrokken door te overwegen:

“ [eiser] heeft nog wel aangevoerd dat na die opzegging [erflater] tegen hem heeft gezegd dat hij het chalet voorlopig op de camping mocht laten staan, omdat [erflater] het chalet wellicht zou willen kopen en gaan gebruiken voor hun studerende dochter. Uit die stelling -die [verweerster 1] overigens heeft betwist- blijkt echter nog niet dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen de beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping. [eiser] heeft ook bevestigd dat hij na die opzegging geen gebruik meer heeft gemaakt van zijn chalet en dat hij daarna ook niets meer heeft betaald aan [verweerster] Daaruit volgt dat als er al een overeenkomst mocht hebben bestaan tussen [verweerster] en [eiser] met betrekking tot het gebruik door [eiser] van zijn chalet op het campingterrein, aan die overeenkomst een einde is gekomen in oktober 2016. Dat daarvoor een andere overeenkomst in de plaats zou zijn gekomen (bijvoorbeeld een overeenkomst tot bewaarneming) is verder niet aangevoerd en is ook niet gebleken."

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft [eiser] deze stelling ingenomen. Reeds in de inleidende dagvaarding heeft hij gesteld:71

“Blijkens ook verklaring [betrokkene 4] wou campingeigenaar [erflater] , die sinds zomer 2016 in scheiding lag van zijn vrouw [verweerster 1] , eisers stacaravan kopen voor hun dochter. Deze dochter wou het huis uit wegens problemen met haar moeder [verweerster 1] , en studie. [erflater] wou 24-9-16 de stacaravan tzt verplaatsen van de [A] in [plaats 1] naar de studieplaats van zijn dochter, die nog niet vaststond. Voorts had [erflater] het geld voor het chalet nog niet direct beschikbaar. Eiser moest dus op verzoek van [erflater] zijn chalet voorlopig op de [A] laten staan.”

In de memorie van grieven zijdens [eiser] komt deze stelling op verschillende plaatsen terug:72

- Op p. 1 (onder feitelijke gang van zaken: tijdsbalk): “Haar man [erflater] overlegde met [verweerster 1] en zei aan [eiser] dat hij zijn chalet kon laten staan. [erflater] had er bovendien zelf belangstelling voor. [eiser] vertrouwde dat dit zo goed kwam.”

- Op p. 2 ( [eiser] legt over: Aanvullend bewijs (…) onder D) en p. 7 (onder Bewijsaanbod): “ [erflater] verzekering, na gesprek met [verweerster 1] , dat appellant’s chalet kon blijven staan. Zie verklaringen van [betrokkene 5] , [betrokkene 4] + [betrokkene 6] en [betrokkene 3] ,bijl. nr. 32+5+ 17.”

- Op p. 3: “ [erflater] stelde (bijl.32+5 + 17) appellant gerust dat appellant zijn chalet kon laten staan.”

Het hof heeft dit zo kunnen verstaan en weergeven in rov. 5.10-ii (hiervoor geciteerd), waarbij zij aangetekend dat (ook) deze stelling van [eiser] naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof niet zozeer betrekking had op de aanzegging door [verweerster 1] aan [eiser] in september 2016 als zodanig (de strekking van die stelling van [eiser] is niet dat, kort gezegd, die aanzegging van de baan was of hij daartegen bezwaar had gemaakt), als wel op het daarop in beginsel te volgen ontruimen van de campingplaats (naar die stelling van [eiser] mocht hij van [erflater] voorlopig het chalet op de camping laten staan) en de mogelijke bestemming van het chalet na ontruiming (naar die stelling van [eiser] wilde [erflater] het chalet wellicht overnemen en gaan gebruiken voor hun studerende dochter).

Ik kom nu toe aan de klacht aan het slot van het subonderdeel, over de wijze waarop het hof de stelling onder e zou hebben uitgelegd. Volgens het subonderdeel heeft [eiser] de stelling betrokken dat [erflater] , na overleg met [verweerster 1] , aan [eiser] heeft medegedeeld dat het chalet mocht blijven staan, en heeft hij daarnaast (“bovendien”) de stelling betrokken dat [erflater] zelf belangstelling had voor het chalet. Het subonderdeel doelt hiermee kennelijk op p. 1 van de memorie grieven, aangehaald bij het eerste gedachtestreepje in de opsomming hiervoor. Mede gelet op hetgeen hierover in eerste aanleg is aangevoerd, is het niet onbegrijpelijk dat het hof de stelling (naar de kern genomen) aldus heeft verstaan dat [eiser] heeft aangevoerd dat “ [erflater] tegen hem heeft gezegd dat hij het chalet voorlopig op de camping mocht laten staan, omdat [erflater] het chalet wellicht zou willen kopen en gaan gebruiken voor hun studerende dochter.” Ik wees daarop hiervoor al. De reden waarom [erflater] tegen [eiser] gezegd zou kunnen hebben dat hij het chalet voorlopig op de camping mocht laten staan (of dat nu voor zijn studerende dochter was of eventueel voor hemzelf),73 doet voor het oordeel van het hof in rov. 5.10-ii ook niet ter zake, zoals daaruit ook blijkt (“Uit die stelling -die [verweerster 1] overigens heeft betwist- blijkt echter nog niet dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen de beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping”).

Ten slotte wijs ik op het volgende. Het subonderdeel verwijst niet naar een stelling (met vindplaats) van [eiser] dat hij de aanzegging door [verweerster 1] aan hem in september 2016 niet heeft opgevat als een opzegging van de campingovereenkomst. Het subonderdeel voert wel aan dat de daarin onder a t/m e genoemde stellingen van [eiser] zich niet anders laten verstaan dan dat [eiser] die aanzegging niet heeft opgevat als een opzegging van de campingovereenkomst. Wat van dit laatste zij, mede gelet op het voorgaande valt m.i. niet vol te houden dat het hof dat uit die stellingen van [eiser] moest afleiden en vervolgens, als ‘impliciete stelling’, nog weer had te betrekken: deze nopen niet tot een dergelijke gevolgtrekking. Overigens zou een dergelijke (impliciete) stelling van [eiser] ook onverlet hebben gelaten dat, kort gezegd, geoordeeld kan worden dat hij die aanzegging, gezien ook het onmiskenbare verband tussen die niet voor tweeërlei uitleg vatbare aanzegging en de campingovereenkomst zoals vooropgesteld in rov. 5.10-ii, hoe dan ook redelijkerwijs heeft moeten begrijpen als een opzeggingsverklaring zoals bedoeld door het hof (met het daaraan verbonden gevolg).

Ik kom tot een afronding. Volgens vaste rechtspraak is de uitleg van wilsververklaringen in beginsel voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.74 Ik zie, gelet op het voorgaande, geen grond om daarop in dit geval een uitzondering te maken. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft het hof bij de uitleg die het in rov. 5.10-ii heeft gegeven aan de aanzegging (opzeggingsverklaring) door [verweerster 1] aan [eiser] in september 2016, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, niet de Haviltex-maatstaf miskend zoals bedoeld in het subonderdeel. De door het subonderdeel aangevoerde stellingen (vindplaatsen) staan niet in de weg aan het door het hof in rov. 5.10-ii bereikte uitlegresultaat, dat, mede gelet op het partijdebat, niet onbegrijpelijk is en ook overigens geen nadere motivering behoefde (vanwege die stellingen). Het bestreden oordeel van het hof in rov. 5.10-ii is daarmee niet als onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd aan te merken op basis van hetgeen het subonderdeel daartoe aanvoert.

Daarop stuit het subonderdeel af.

3.10

Subonderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, voor zover het er gezien rov. 5.10-ii (mede) op berust dat [eiser] na “die aanzegging” zijn chalet niet meer gebruikt heeft en hij [verweerster] niet meer betaald heeft. Het hof heeft volgens het subonderdeel niet gerespondeerd op [eiser] als essentieel aangeduide stelling “Als je niet aanwezig was hoefde je ook niet te betalen.”75

3.11

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Volgend op de overwegingen dat de vraag of [eiser] na de plaatsing van zijn chalet daar nu wel of niet voor heeft betaald aan [verweerster] in het midden kan blijven, dat vaststaat dat [verweerster 1] tegen [eiser] heeft gezegd dat hij zijn chalet uiterlijk 1 oktober 2016 moest hebben verwijderd, en dat als daarvóór sprake zou zijn geweest van een overeenkomst tussen [verweerster] en [eiser] die inhield dat [eiser] tegen betaling gebruik mocht maken van zijn chalet op de camping (door [eiser] een "campingovereenkomst” genoemd) geldt dat die aanzegging moet worden opgevat als een opzegging van die overeenkomst, stelt het hof in rov. 5.10-ii vast dat niet gebleken is dat [eiser] tegen die opzegging bezwaar heeft gemaakt, mede gevolgd door:

“ [eiser] heeft nog wel aangevoerd dat na die opzegging [erflater] tegen hem heeft gezegd dat hij het chalet voorlopig op de camping mocht laten staan, omdat [erflater] het chalet wellicht zou willen kopen en gaan gebruiken voor hun studerende dochter. Uit die stelling -die [verweerster 1] overigens heeft betwist- blijkt echter nog niet dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen de beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping. [eiser] heeft ook bevestigd dat hij na die opzegging geen gebruik meer heeft gemaakt van zijn chalet en dat hij daarna ook niets meer heeft betaald aan [verweerster] ”

Met die laatste zin brengt het hof m.i. tot uitdrukking, kort gezegd, dat uit die bevestiging volgt dat [eiser] evenmin bezwaar heeft gemaakt tegen de aangezegde beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping na 1 oktober 2016 (tegen de opzegging) door na de aanzegging door [verweerster 1] gebruik te blijven maken van zijn chalet en/of te betalen aan [verweerster] , wat onderstreept dat niet gesteld of gebleken is dat [eiser] zo’n bezwaar heeft gemaakt, zoals in de drie daaraan voorgaande zinnen uiteengezet door het hof. Daaraan doet niet af de in het subonderdeel bedoelde, door [eiser] (pas) ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep nog ingenomen stelling (“Als je niet aanwezig was hoefde je ook niet te betalen”), waarop het hof hier dan ook niet behoefde in te gaan (wat er verder van die stelling zij).

Daarop stuit het subonderdeel af.

3.12

Subonderdeel 1.3 klaagt dat hetgeen waarover subonderdelen 1.1 en 1.2 klagen ook ’s hofs oordeel in rov. 5.10-ii vitieert dat niet gebleken is dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen “die opzegging”. Volgens het subonderdeel is de omstandigheid dat [eiser] geen bezwaar heeft gemaakt slechts relevant indien [eiser] begreep of moest begrijpen dat de aanzegging een tot opzegging van de (camping)overeenkomst strekkende wilsverklaring was.

3.13

Het subonderdeel faalt, in het voetspoor van subonderdelen 1.1 en 1.2 en gelet op het volgende.

Uit de behandeling van subonderdeel 1.1 (zie onder 3.9 hiervoor) volgt, kort gezegd, dat in de feiten en omstandigheden van dit geval geoordeeld kan worden dat [eiser] , gezien ook het onmiskenbare verband tussen de niet voor tweeërlei uitleg vatbare aanzegging door [verweerster 1] aan hem in september 2016 en de campingovereenkomst zoals vooropgesteld in rov. 5.10-ii, deze aanzegging hoe dan ook redelijkerwijs heeft moeten begrijpen als een opzeggingsverklaring zoals bedoeld door het hof (met het daaraan verbonden gevolg). Subonderdeel 1.2 doet daaraan niet af, zoals blijkt uit de behandeling daarvan (zie onder 3.11 hiervoor). Het hof kon dus de betekenis (relevantie) toekennen aan de omstandigheid dat niet is gebleken dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen die aangezegde beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping na 1 oktober 2016 (tegen de opzegging), die het hof daaraan in rov. 5.10-ii toekent.

Daarop stuit het subonderdeel af.

3.14

Onderdeel 2 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.10-iii bovendien onbegrijpelijk is, voor zover het er gezien rov. 5.10-ii (mede) op berust dat, indien de (camping)overeenkomst door de aanzegging geëindigd zou zijn, niet gesteld of gebleken zou zijn dat “daarvoor een andere overeenkomst in de plaats zou zijn gekomen (bijvoorbeeld een overeenkomst tot bewaarneming)”. Volgens het onderdeel is dit oordeel innerlijk tegenstrijdig met ’s hofs oordeel in rov. 5.10-ii dat [eiser] de stelling heeft betrokken dat [erflater] na de aanzegging gezegd heeft dat [eiser] het chalet voorlopig op de camping mocht laten staan, van welke stelling het hof de juistheid in het midden heeft gelaten.76 Die stelling laat zich volgens het onderdeel niet anders verstaan dan dat [erflater] [eiser] na de aanzegging die geleid zou hebben tot het eindigen van de (camping)overeenkomst toestemming heeft verleend om het chalet op de camping te laten staan, uit welke toestemming het bestaan van een rechtsverhouding blijkt op grond van welke rechtsverhouding er een verplichting was of kon zijn om [eiser] te waarschuwen dat een derde een (voor)aankondiging gedaan heeft om [eiser] chalet te komen ophalen. Volgens het subonderdeel is ’s hofs oordeel in rov. 5.10-ii dat in januari 2017 geen sprake (meer) zou zijn geweest van een uit een (camping)overeenkomst voortvloeiende en op [verweerster] rustende zorgverplichting derhalve zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

3.15

Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.

In de voorlaatste zin van rov. 5.10-ii overweegt het hof:

“Dat daarvoor [een overeenkomst “met betrekking tot het gebruik door [eiser] van zijn chalet op het campingterrein” waaraan, als zo’n overeenkomst al mocht hebben bestaan tussen [eiser] en [verweerster] , een einde is gekomen in oktober 2016, A-G] een andere overeenkomst in de plaats zou zijn gekomen (bijvoorbeeld een overeenkomst tot bewaarneming) is verder niet aangevoerd en is ook niet gebleken.”

Bestudering van de memorie van grieven zijdens [eiser] , leert dat het hof hier mede het oog heeft gehad op grief 2, waarmee [eiser] rov. 5.1.8 van het vonnis van de rechtbank bestrijdt. In rov. 5.1.8 heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat voor zover overigens al sprake zou zijn van (een begin van) zaakwaarneming door [verweerster 1] , voortzetting daarvan redelijkerwijs niet van [verweerster 1] kon worden verlangd (zie ook onder 2.7 hiervoor). Met de desbetreffende grief 2 brengt [eiser] hier het volgende tegenin:77

“Ten onrechte vereist het vonnis a quo in r.o. 5.1.8 andere rechtsfiguren zoals bewaarneming en (voortzetting? van ) zaakwaarneming, maar miskent r.o. 5.1.8 de vanzelfsprekende zorgplicht van een campingbeheerder, te waken voor aanmerkelijke schade voor de campinggasten op zijn campingterrein. Dit geldt temeer in de winter als de gasten niet op de camping plegen te komen, op ca. 100 km afstand wonen en, i.c. wegens een van de warrige berichten sept. ’16 van [verweerster 1] zelf niet op de camping mochten komen.”

[hoofdlettergebruik uit origineel niet overgenomen, A-G]

[eiser] gaat er in zijn memorie van grieven dus van uit dat de door hem gestelde “vanzelfsprekende zorgplicht” niet voortvloeit uit “andere rechtsfiguren zoals bewaarneming”. Dat strookt ook met de daaraan voorafgaande grief 1, waarin hij de campingovereenkomst onder meer duidt als “een soort species van het genus huur” met “enige elementen van bewaarneming en zaakwaarneming”:78

“Een campingovereenkomst omvat huur en gebruik van een stukje campinggrond en gemeenschappelijke voorzieningen, en anderzijds enig beheer door de campingbeheerder met enige elementen van bewaarneming en zaakwaarneming, bij afwezigheid van de campinggast, zonder identiek-gelijk te zijn aan de hokjes en vakjes van deze wèl wettelijk benoemde rechtsfiguren.
Hieruit volgt dat beide campingbeheerders en campingeigenaars-echtelieden [erflater] - [verweerster 1] deze beheerdersplicht hebben, schade voor gasten te voorkomen, opdat de gasten het overeengekomen en betaald gebruik, genot en eigendom van hun kampeermiddelen op de camping behouden.
(…)
Een campingovereenkomst is een soort species van het genus huur, met ook eigensoortige kenmerken: enig beheer / toezicht op / zorg voor eigendommen van de campinggast-huurder wordt in feite aan de campingbeheerder toevertrouwd, m.n. in de tijd, dat de campinggast-huurders niet op de camping zijn, zoals de koude helft van het jaar. Dit omvat naar analogie enige elementen van bewaarneming en zaakwaarneming.”

[onderstreping, cursivering en hoofdlettergebruik niet overgenomen uit origineel, A-G]

Zoals opgemerkt onder 3.8 hiervoor, is het hof er m.i. in rov. 5.10-ii ook van uitgegaan dat de onderhavige campingovereenkomst kan worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst, waaraan volgens het hof door opzegging als bedoeld in art. 7:228 lid 2 BW in oktober 2016 een einde is gekomen. Dat [eiser] zich in het kader van de gestelde wanprestatie door [verweerster] uitsluitend op de campingovereenkomst heeft beroepen, strookt ook met de, in cassatie onbestreden, weergave van de stellingen van [eiser] , zoals blijkt uit rov. 5.6.3: “Als niet kan worden aangenomen dat een campingovereenkomst heeft bestaan, geldt dat [verweerster] een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgplicht [heeft] geschonden.” (zie ook onder 3.1 hiervoor). [verweerster] heeft de stellingen van [eiser] ook aldus opgevat, zoals onder meer blijkt uit de memorie van antwoord zijdens [verweerster] ten aanzien van grief 2:79

“Deze door [eiser] gestelde zorgplicht is echter geen vanzelfsprekendheid. Waar deze vanzelfsprekende zorgplicht dan uit voortvloeit, maakt [eiser] niet duidelijk. Een zorgplicht zoals door [eiser] gesteld, dient voort te vloeien uit de wet danwel uit de overeenkomst. [eiser] stelt en onderbouwt echter geen van beiden.”

Het is tegen deze achtergrond bezien niet onbegrijpelijk dat het hof de stelling van [eiser] waarop het onderdeel zich beroept, erop neerkomend dat [erflater] zou hebben gezegd dat [eiser] het chalet voorlopig op de camping mocht laten staan, niet (ook) heeft opgevat als, kort gezegd, een stelling van [eiser] inhoudend een door [erflater] verleende toestemming aan [eiser] waaruit het bestaan van een (contractuele) rechtsverhouding blijkt waaruit weer een waarschuwingsplicht van [verweerster] jegens [eiser] zou kunnen voortvloeien. Het hof kon, zoals het in rov. 5.10-ii heeft gedaan, die stelling van [eiser] (“ [eiser] heeft nog wel aangevoerd dat na die opzegging [erflater] tegen hem heeft gezegd dat hij het chalet voorlopig op de camping mocht laten staan, omdat [erflater] het chalet wellicht zou willen kopen en gaan gebruiken voor hun studerende dochter”) uitsluitend betrekken bij de vraag of [eiser] tegen de aangezegde beëindiging van zijn gebruik van het chalet op de camping na 1 oktober 2016 (tegen de opzegging) bezwaar heeft gemaakt, en mede in dat licht overwegen dat verder niet is aangevoerd en ook niet is gebleken dat voor de voornoemde campingovereenkomst (waaraan een einde is gekomen in oktober 2016) een andere overeenkomst in de plaats zou zijn gekomen (bijvoorbeeld een overeenkomst tot bewaarneming). Ten overvloede wijs ik er nog op dat, zoals het hof in rov. 5.10-ii ook uitdrukkelijk heeft onderkend (“Uit die stelling - die [verweerster 1] overigens heeft betwist - (…)”) [verweerster] , zowel in eerste aanleg80 als in hoger beroep81, ook heeft betwist dat [erflater] toestemming aan [eiser] zou hebben verleend om het chalet op de camping te mogen laten staan, waarmee die stelling van [eiser]82 ook niet in de zin van art. 149 lid 1 Rv is komen vast te staan.

Het oordeel van het hof in rov. 5.10-iii is dus, anders dan het onderdeel klaagt, niet onbegrijpelijk, voor zover het er gezien rov. 5.10-ii (mede) op berust dat, indien de (camping)overeenkomst door de aanzegging geëindigd zou zijn, niet is aangevoerd en ook niet is gebleken dat “daarvoor een andere overeenkomst in de plaats zou zijn gekomen (bijvoorbeeld een overeenkomst tot bewaarneming)”. Het hof hoefde, gelet op het partijdebat, de stelling van [eiser] , erop neerkomend dat hij het chalet van [erflater] voorlopig op de camping mocht laten staan, niet in de door het subonderdeel bedoelde zin op te vatten, wat het hof dus ook niet heeft gedaan. De in het subonderdeel bedoelde innerlijke tegenstrijdigheid in het oordeel van het hof doet zich in werkelijkheid dus niet voor, waarbij nog zij opgemerkt dat door het hof dus niet in het midden is gelaten of naar zijn oordeel die stelling van [eiser] (ook) betrekking zou kunnen hebben op een overeenkomst die in de plaats is gekomen van de in oktober 2016 geëindigde campingovereenkomst (het hof meent kenbaar dat dat niet zo is), gelet op ’s hofs uitleg van die stelling (waarover hiervoor) en diens evenmin voor misverstand vatbare vaststelling dat verder niet is aangevoerd en ook niet is gebleken dat voor die campingovereenkomst een andere overeenkomst in de plaats zou zijn gekomen (bijvoorbeeld een overeenkomst tot bewaarneming).

Daarop stuit het onderdeel af.

3.16

Onderdeel 3 valt uiteen in twee subonderdelen.

3.17

Subonderdeel 3.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.10-iii bovendien onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat de omstandigheid dat de (camping)overeenkomst in oktober 2016 zou zijn geëindigd (waarover onderdeel 1) of dat daarvoor geen andere overeenkomst in de plaats zou zijn gekomen (waarover onderdeel 2) niet “dus” meebrengt dat [verweerster] niet tekortgeschoten is in de nakoming van een op haar rustende contractuele zorg-/waarschuwingsplicht. Volgens het subonderdeel miskent het hof immers dat een campingexploitant de zorg van een goed bewaarder in acht moet nemen83 en dat, indien een overeenkomst tussen een campingexploitant en een campinggast eindigt terwijl de door de campinggast naar de camping meegebrachte zaken nog op de camping staan, deze zorgplicht blijft bestaan gedurende een redelijke periode na het eindigen van de overeenkomst. Zolang in casu het chalet nog op de camping staat, zal de campingexploitant daarom volgens het subonderdeel de zorg van een goed bewaarder in acht moeten nemen en als bewaarnemer aansprakelijk zijn voor beschadiging of, zoals in casu, verlies van de zaak.84 Het subonderdeel stelt dat de tussen [eiser] en [verweerster] gesloten (camping)overeenkomst een wederkerige overeenkomst is, die inhoudt dat [eiser] tegen betaling gebruikmaakte van een campingplaats.85 Volgens het subonderdeel heeft [eiser] in essentie de stelling betrokken dat de (camping)overeenkomst elementen heeft van in ieder geval huur en bewaarneming.86 Het subonderdeel klaagt dat het hof miskent dat het, mede gezien die stelling, had te beoordelen of de (camping)overeenkomst mede bewaarneming is, dan wel zodanige kenmerken heeft dat het bepaalde in titel 9 van Boek 7 BW daarop, althans ten dele, van toepassing is, al dan niet analogisch. Het subonderdeel klaagt dat het hof eraan voorbijgezien heeft dat op de vraag welke rechten en verplichtingen partijen overeengekomen zijn, de vraag volgt naar de kwalificatie van een overeenkomst87 en dat in de tussen [eiser] en [verweerster] bestaande rechtsverhouding een op [verweerster] rustende zorgplicht ligt besloten die minst genomen (sterk) doet denken aan de zorgplicht van een bewaarnemer,88 alsmede dat [verweerster] als campingexploitant in beginsel gelijkgesteld moet worden aan een bewaarnemer.89 De contractuele zorgplicht van [verweerster] vloeit derhalve volgens het subonderdeel (mede althans naar analogie) voort uit art. 7:609 lid 1 BW jo. art. 7:602 BW.90 Deze zorgplicht brengt volgens het subonderdeel mee dat een campingexploitant, als bewaarnemer, voldoende maatregelen moet treffen om beschadiging of verlies van door een campinggast meegebrachte zaken te voorkomen.91 Volgens het subonderdeel had [verweerster] , gezien deze zorgplicht en de op grond daarvan te treffen maatregelen, [eiser] dan ook moeten waarschuwen voor het dreigende verlies van het chalet.

3.18

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Van Schaick schrijft over bewaring als ondergeschikt element van andere overeenkomsten onder meer het volgende:92

“Er kan pas bewaarneming zijn als het bewaren hoofdzaak is. Veel rechtsverhoudingen creëren, naast verplichtingen waarvan buiten discussie is dat het primaire contractsverplichtingen zijn, een verplichting tot bewaring van een zaak. Dan is het de vraag of partijen verschillende overeenkomsten hebben gesloten waarvan er één een overeenkomst van bewaarneming is, dan wel of zij één overeenkomst hebben gesloten waaruit ook de verplichting tot bewaring ontspruit. Als partijen één overeenkomst hebben gesloten, rijst weer de vraag of de bewaring van de zaak in de omstandigheden die de overeenkomst regelt hetzij een ondergeschikte rol speelt en de inhoud is van een nevenverbintenis hetzij de inhoud is van één van verschillende hoofdverbintenissen uit de overeenkomst. In het laatste geval is de overeenkomst een gemengde overeenkomst in de zin van art. 6:215 BW. Dan zijn ook de bepalingen van Titel 7.9 BW op de overeenkomst van toepassing, tenzij de bepalingen voor elk van de soorten van toepasselijke overeenkomsten niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet. (…). Meestal komt het aan op uitleg van de rechtsverhouding aan de hand van de haviltex-maatstaf.”

[cursivering in origineel, A-G]

Ik wijs ook op andere literatuur ter zake.93

Het hof heeft de onderhavige campingovereenkomst (“die inhield dat [eiser] tegen betaling gebruik mocht maken van zijn chalet op de camping”, een overeenkomst “met betrekking tot het gebruik door [eiser] van zijn chalet op het campingterrein”; zie rov. 5.10-ii), voor zover die al heeft bestaan (zie ook rov. 5.10-ii), m.i. gekwalificeerd als huur in de zin van art. 7:201 BW, waarop niet de wettelijke huurbescherming inzake woonruimte van 7:233 e.v. BW, ook niet via art. 7:235 en 7:236 BW, van toepassing is. Dat deze campingovereenkomst (voor zover die al heeft bestaan) kwalificeert als een huurovereenkomst, blijkt ook uit de toepassing die het hof in rov. 5.10-ii heeft gegeven aan art. 7:228 lid 2 BW, door te overwegen “dat die aanzegging moet worden opgevat als een opzegging van die overeenkomst”. Dat op de vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen de vraag naar kwalificatie van de overeenkomst volgt, heeft het hof daarmee niet miskend.94

De kwalificatie van een campingovereenkomst zoals in de onderhavige zaak aan de orde als huur is ook in lijn met de feitenrechtspraak, aangehaald onder 3.8 hiervoor. In de door het subonderdeel aangehaalde passage uit de memorie van grieven van [eiser] , reeds geciteerd onder 3.15 hiervoor, wordt de door [eiser] aangevoerde campingovereenkomst eveneens gekwalificeerd als “een soort species van het genus huur”, die “naar analogie enige elementen van bewaarneming en zaakwaarneming” zou omvatten.95

[eiser] heeft gesteld dat sprake is van één overeenkomst, door hem de campingovereenkomst genoemd (zie naast rov. 5.10 ook rov. 5.6.2-5.6.3, waarover onder 3.1 hiervoor), die door het hof (dus) is gekwalificeerd als huur. Uit de aangehaalde passage uit de memorie van grieven van [eiser] waarop het subonderdeel zich baseert, blijkt ook niet dat bewaring van het chalet door [verweerster] een hoofdverbintenis uit de door [eiser] gestelde (mondelinge) campingovereenkomst zou zijn. Het zou volgens [eiser] hoogstens gaan om “enig beheer door de campingbeheerder met enige elementen van bewaarneming en zaakwaarneming, bij afwezigheid van de campinggast”, “enig beheer / toezicht op / zorg voor eigendommen van de campinggast-huurder wordt in feite aan de campingbeheerder toevertrouwd, m.n. in de tijd, dat de campinggast-huurders niet op de camping zijn, zoals de koude helft van het jaar.”96

Van een gemengde overeenkomst in de zin van art. 6:215 BW, waarop de bepalingen van titel 7.9 BW (mede) van toepassing zijn, kan dan, gelet ook op de stellingen van [eiser] , geen sprake zijn.97

Nu de onderhavige campingovereenkomst niet kan worden beschouwd als een gemengde overeenkomst als bedoeld in art. 6:215 BW (waarover hiervoor), en verder niet is aangevoerd en ook niet is gebleken dat voor deze campingovereenkomst een andere overeenkomst, zoals een overeenkomst tot bewaarneming, in de plaats zou zijn gekomen (waarover onderdeel 2), is titel 7.9 BW (Bewaarneming) niet (mede) van toepassing op het onderhavige geval. Het beroep dat het subonderdeel naar analogie op titel 7.9 BW doet, waarover ook hierna in verband met art. 7:609 BW, kan [eiser] dan evenmin baten.

Het hof heeft, bezien in het licht van het voorgaande, de door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) van [verweerster] jegens hem m.i. terecht in de sleutel van art. 6:74 BW voor de contractuele benadering (en art. 6:162 BW voor de buitencontractuele benadering) geplaatst en beoordeeld (zie ook de feitenrechtspraak aangehaald onder 3.8 hiervoor).

Over het beroep dat het subonderdeel naar analogie op art. 7:609 BW doet, merk ik nog het volgende op. Lid 1 van die bepaling regelt dat een hotelhouder als bewaarnemer aansprakelijk is voor beschadiging of verlies van zaken, die in het hotel zijn meegebracht door een gast die daar zijn intrek heeft genomen. Deze bepaling betreft toepassing naar analogie (“als bewaarnemer”) van de bepalingen van titel 7.9 BW op de relatie tussen de gast en de hotelhouder. Voor zover het subonderdeel tevens klaagt dat deze bepaling rechtstreeks van toepassing is op de verhouding tussen [eiser] als campinggast en [verweerster] als campingexploitant, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Een hotelhouder wordt in de wetsgeschiedenis van art. 7:609 BW als volgt omschreven:98

“Ingestemd kan worden met de mening van Kleijn dat onder hotelhouder degenen vallen die er hun beroep van maken in hun inrichting nachtverblijf te verschaffen voor een of meer nachten, onverschillig of het om een luxe hotel, een familiepension of een volkslogement gaat. Gaat het evenwel om een woonpension in de zin van een bedrijf waar kamers krachtens overeenkomst voor langere tijd ter bewoning worden gegeven, al dan niet met verstrekking van maaltijden, dan zal voor de toepassing van de specifieke regels van artikel 7.9.9 [art. 7:609 BW, A-G] geen reden zijn.”

De onderhavige campingovereenkomst (“die inhield dat [eiser] tegen betaling gebruik mocht maken van zijn chalet op de camping”, een overeenkomst “met betrekking tot het gebruik door [eiser] van zijn chalet op het campingterrein”; zie rov. 5.10-ii) valt niet onder deze definitie. Overigens is in feitelijke instanties door [eiser] ook geen beroep gedaan op art. 7:609 BW.

Het subonderdeel beroept zich wel op het naar analogie doortrekken van de hoofdgedachte van deze bepaling op de verhouding tussen [eiser] als recreant (campinggast/huurder) en [verweerster] als ondernemer (campingexploitant). In de wetsgeschiedenis van art. 7:609 BW wordt onder de hoofdgedachte van de bepaling aangemerkt dat “de aansprakelijkheid van de hotelhouder in verband moet worden gebracht met die van een bewaarnemer.”99 Het gaat bij art. 7:609 BW anders gezegd om toepassing naar analogie (“als een bewaarnemer”) van de bepalingen van titel 7.9 BW op de relatie tussen de gast en de hotelhouder.100 In de wetsgeschiedenis worden voor de invoering van art. 7:609 BW twee redenen genoemd: (i) een onnodige breuk met het oude BW voorkomen (vgl. art. 1746-1748 BW (oud));101 en (ii) aansluiting behouden met het Franse en Belgische recht, waarin deze hoofdgedachte bij wetswijzigingen in de jaren ’70 van de vorige eeuw eveneens was gehandhaafd.102 De reikwijdte van art. 7:609 BW is blijkens de wetsgeschiedenis bewust beperkt gehouden:103

“De gedachte van deze bepalingen laat zich evenwel niet zonder meer uitbreiden tot de andere gevallen van dienstverlening die de Commissie ter sprake heeft gebracht. (…) Voor wat betreft de gevallen van een bij de kapper gestolen jas en van de bagage van een patiënt tijdens ziekenhuisopname, ook hier komt gelijksstelling met het geval van art. 7.9.9 [7:609 BW, A-G] niet verhelderend voor. Of de kapper aansprakelijk is voor de diefstal van een door de klant meegebrachte jas, zal sterk van de omstandigheden afhangen, in het bijzonder van de vraag of de kapper of zijn personeel enig verwijt treft. Bij de bagage van de patiënt kunnen zich wel op het geval van art. 7.9.9 gelijkende situaties voordoen, maar zal tevens met andere omstandigheden rekening moeten worden gehouden. (…) Wat geldt in geval van beschadiging of verloren gaan van dergelijke zaken, kan daarom moeilijk anders worden beoordeeld dan aan de hand van algemene regels als de artikelen 6.8.1-3a [art. 6:74-77 BW, A-G].”

Dat, zoals het subonderdeel indirect onder de aandacht brengt, door Du Perron is betoogd dat toepassing naar analogie van art. 7:609 BW aanvaardbaar is voor de beantwoording van de vraag of een ziekenhuis onder omstandigheden als bewaarnemer aansprakelijk kan zijn,104 doet er m.i. ook niet aan af dat in het onderhavige geval niet een zorgplicht van [verweerster] als bewaarnemer op al dan niet analoge toepassing van art. 7:609 lid 1 BW jo. art. 7:602 BW kan worden gestoeld. Het hof heeft, mede gelet op de hiervoor aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis, de door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) van [verweerster] jegens hem terecht in de sleutel van art. 6:74 BW voor de contractuele benadering (en art. 6:162 BW voor de buitencontractuele benadering) geplaatst en beoordeeld.

Ik wijs verder nog op het volgende. Het hof heeft nergens (principieel) overwogen dat een campingexploitant gedurende de looptijd van een overeenkomst (zoals de onderhavige campingovereenkomst) in dat kader niet gehouden zou kunnen zijn passende zorg te betrachten met betrekking tot, kort gezegd, het op de camping geplaatste chalet van de recreant (de campinggast/huurder), of dat op enig moment na het eindigen van die overeenkomst een met die reeds geëindigde overeenkomst verband houdende (contractuele) zorgverplichting ter zake van de campingexploitant niet meer kan spelen. Dat is dan (dus) ook niet de crux van ’s hofs oordeel in rov. 5.10 (in verbinding met rov. 5.6.2). Het bestreden oordeel van het hof dient m.i. te worden bezien in het licht van:

- het geëindigd zijn van de onderhavige campingovereenkomst tussen [eiser] en [verweerster] in oktober 2016, zo van die overeenkomst al sprake is geweest (zie rov. 5.10-ii);

- het voor die campingovereenkomst, na het eindigen ervan in oktober 2016, geen andere overeenkomst (zoals een overeenkomst tot bewaarneming) in de plaats gekomen zijn105 (zie rov. 5.10-ii);

- het tijdverloop tussen dat eindigen van de campingovereenkomst (in oktober 2016)106 en de periode van, wat [eiser] noemt, “de aankondiging” (op 20 december 2016) respectievelijk “de diefstal” (op 4 januari 2017) (zie rov. 5.6.2, 5.10-ii en onder 3.1 hiervoor);

- de door het hof onderkende premisse van de door [eiser] in de onderhavige procedure gestelde wanprestatie zijdens [verweerster] jegens hem (art. 6:74 BW)107 dat sprake was van een voortdurende (dus nog niet geëindigde) overeenkomst tussen [eiser] en [verweerster] waaruit een op [verweerster] jegens [eiser] rustende (contractuele) zorgverplichting ter zake voortvloeide, in het bijzonder de onderhavige (en door [eiser] zo genoemde) campingovereenkomst (zie rov. 5.6.2 en rov. 5.10), wat, zoals volgt uit het voorgaande, naar het oordeel van het hof in werkelijkheid in de relevante periode eind 2016/begin 2017 dus al geruime tijd niet meer aan de orde was (zie ook rov. 5.10-ii, slotzin);108

- de consequentie dat, naar het (evenmin onbegrijpelijke) oordeel van het hof (zie rov. 5.6.2 en rov. 5.10),109 [eiser] aan die contractuele benadering (via art. 6:74 BW) niet (ook) ten grondslag heeft gelegd dat en waarom (althans) sprake was van de te onderscheiden situatie waarin in die relevante periode eind 2016/begin 2017 een voortdurende (dus nog niet geëindigde) (camping)overeenkomst tussen [eiser] en [verweerster] al geruime tijd niet meer aan de orde was, maar niettemin op [verweerster] wel nog een met een reeds (aanzienlijk) eerder geëindigde overeenkomst tussen partijen verband houdende (contractuele) zorgverplichting ter zake jegens [eiser] zou rusten, over welke specifieke stelling het hof (gelet ook op art. 24 Rv) in het kader van die contractuele benadering van [eiser] dus niet (ook) te oordelen had en niet geoordeeld heeft;

- de logische gevolgtrekking die het hof daaraan verbindt in rov. 5.10-iii, te weten dat daarom (ook) wordt verworpen de stelling van [eiser] dat [verweerster] jegens hem tekort zijn geschoten in een op hen rustende zorgverplichting die voortvloeide uit een (camping)overeenkomst.110

Ook hieraan ziet het subonderdeel voorbij (waarin ik een op het voorgaande betrekking hebbende klacht ook niet kan lezen).

Gelet hierop valt niet in te zien dat het bestreden oordeel van het hof op de daartoe in het subonderdeel aangevoerde gronden blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren zou zijn gemotiveerd.

Daarop stuit het subonderdeel af.

3.19

Subonderdeel 3.2 klaagt dat het door het vorige subonderdeel bestreden oordeel van het hof althans onjuist en onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn om zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid111 en dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke behalve uit de wet (waarover subonderdeel 3.1) voortvloeien uit de aard van de overeenkomst, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid.112 De redelijkheid en billijkheid brengt volgens het subonderdeel met zich dat contractspartijen hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij.113 Volgens het subonderdeel brengt de redelijkheid en billijkheid in dit geval met zich (of kan deze meebrengen) dat een campinggast mag verwachten dat een campingexploitant de zorg van een goed bewaarder in acht neemt met betrekking tot de door een campinggast meegebrachte zaken. Volgens het subonderdeel mag een campinggast verwachten dat een campingexploitant in ieder geval voldoende zorg betracht om te voorkomen dat een derde door de campinggast meegebrachte zaken verwijdert en ermee vandoor gaat.114 Het subonderdeel klaagt dat het oordeel van het hof daarom blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel valt immers niet (zonder meer) in te zien waarom [verweerster] [eiser] niet zou hebben hoeven waarschuwen voor het voor [eiser] dreigende verlies van het chalet.

3.20

Het subonderdeel faalt, in het voetspoor van subonderdeel 3.1 en gelet op het volgende.

Het subonderdeel neemt op zichzelf, met Tjittes, niet ten onrechte tot uitgangspunt dat “redelijkheid en billijkheid ongeschreven objectief recht [zijn], zodat de rechter verplicht is om, waar de gestelde feiten daar aanleiding toe geven, ambtshalve de redelijkheid en billijkheid toe te passen.”115 Dat het hof dat in rov. 5.10-iii zou hebben miskend, zie ik, anders dan het subonderdeel, echter niet.

Het (beperkte) beroep dat het subonderdeel doet op de memorie van grieven zijdens [eiser]116 laat onverlet, en bevestigt veeleer, hetgeen ik heb opgemerkt in de voor-voorlaatste alinea onder 3.18 hiervoor (“Ik wijs verder nog op het volgende”, etc.), dat ook hier opgeld doet en waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Wat het subonderdeel opmerkt over, kort gezegd, (ambtshalve toepassing door de rechter van) de redelijkheid en billijkheid kan daaraan niet afdoen. Hieraan ziet het subonderdeel voorbij (waarin ik een op het voorgaande betrekking hebbende klacht ook niet kan lezen).

Ik wijs verder erop dat van een afdoende kenbare en uitgewerkte stellingname in feitelijke instanties door [eiser] ter schraging van een te onderscheiden (ambtshalve rechterlijke) toepassing van die redelijkheid en billijkheid zoals kennelijk voorgestaan door het subonderdeel hoe dan ook niet gesproken kan worden (wat de twee verwijzingen in het subonderdeel naar de memorie van grieven zijdens [eiser] ook onderstrepen), bij gebreke waarvan het hof daarop ook geen acht te slagen had (net zo min als [verweerster] ). Ook dit laat zich in cassatie door [eiser] niet meer herstellen.

Gelet hierop valt niet in te zien dat het bestreden oordeel van het hof op de daartoe in het subonderdeel aangevoerde gronden blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren zou zijn gemotiveerd.117

Daarop stuit het subonderdeel af.

Tussenconclusie

3.21

Klacht A faalt in al haar (sub)onderdelen.

Klacht B: onrechtmatige daad: buitencontractuele zorg- en derhalve waarschuwingsplicht (rov. 5.11-iv)

3.22

Klacht B valt uiteen in twee onderdelen (doorlopend genummerd als 4 en 5), die op hun beurt weer zijn uitgewerkt in subonderdelen.

3.23

Onderdeel 4 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.11-iv, kort gezegd dat [verweerster 1] niet jegens [eiser] gehandeld zou hebben in strijd met een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgverplichting, onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, voor zover het inhoudt dat in dit geval geen sprake zou zijn van een gedraging van [verweerster 1] in strijd met een uit het ongeschreven recht voorvloeiende zorgplicht die gerelateerd is aan “een dergelijke waarschuwingsplicht”. Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen.

3.24

Subonderdeel 4.1 klaagt dat het hof miskent dat de vraag of [verweerster 1] jegens [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd door [eiser] niet te waarschuwen, moet worden beantwoord aan de hand van de Kelderluikcriteria.118 Het hof heeft volgens het subonderdeel althans verzuimd voldoende inzicht te geven in de gedachtegang die ten grondslag ligt aan zijn beslissing dat toepassing van deze criteria niet zou meebrengen dat door dit niet-waarschuwen een onrechtmatige daad jegens [eiser] gepleegd is.119 Volgens het subonderdeel vergt toepassing van de Kelderluikcriteria in dit geval naar haar kern dat beoordeeld wordt in hoeverre in december 2016 door de vooraankondiging en de aankondiging voor [eiser] de dreiging was ontstaan dat het chalet door een onbevoegde derde meegenomen zou worden en [eiser] hierop bedacht hoefde te zijn, hoe groot de kans op schade en de omvang daarvan was en hoe bezwaarlijk het voor [verweerster 1] was om [eiser] te verwittigen van dit gevaar. Volgens het subonderdeel klemt dit temeer, omdat zich “gezien de in rov. 5.11-ii vermelde toedracht van de diefstal van [eiser] chalet opdringt” dat [eiser] niet erop bedacht hoefde te zijn dat zijn chalet door een derde meegenomen zou worden, terwijl [verweerster 1] daarvan gezien [betrokkene 1] (voor)aankondiging wist, dat de kans dat [eiser] schade zou lijden gezien die (voor)aankondiging groot was, alsmede dat de omvang van [eiser] schade groot was120 en dat het voor [verweerster 1] “niet onbezwaarlijk” (bedoeld zal zijn: niet bezwaarlijk) was [eiser] “even te bellen of te sms’en dan wel te whatsappen teneinde hem te verwittigen van dit gevaar”.

3.25

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

De zogenoemde Kelderluikcriteria zijn van toepassing in geval van ‘gevaarzetting’, waaronder wordt verstaan het in het leven roepen en/of laten voortbestaan van een gevaar voor personen of zaken, waaronder begrepen voldoende voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van de verwezenlijking van dat gevaar.121 Het subonderdeel ziet als het gevaar dat in december 2016 door de vooraankondiging en de aankondiging voor [eiser] de dreiging was ontstaan dat het chalet door een onbevoegde derde ( [betrokkene 1] ) meegenomen zou worden. Het meenemen van het chalet door die derde wordt door [eiser] ook “de diefstal” genoemd (zie ook onder 3.1 hiervoor). Of het gevaarzettingsleerstuk in deze zaak rechtstreeks aan de orde is, kan in het midden blijven, nu de Kelderluikcriteria ook buiten directe gevaarzettingssituaties kunnen worden toegepast.122 Hartlief heeft dat als volgt verwoord:123

“Had de aangesproken persoon anders moeten handelen dan hij heeft gedaan met het oog op een bepaald belang van een ander? Daarvoor is in ieder geval nodig dat hij het betrokken belang kende, althans daarop bedacht moest zijn geweest. Dat is als het ware het drempelvereiste: hoefde de aangesproken persoon dat niet te zijn, dan is hij in ieder geval niet aansprakelijk; moest hij dat wél zijn dan is daarmee echter nog niet meteen het onrechtmatigheidsoordeel geveld. Dat vergt immers veelal nog een afweging aan de hand van factoren en omstandigheden, zo leert onder meer de situatie bij hinder en gevaarzetting. Het verbaast eigenlijk niet dat de in het kader van gevaarzetting aangeduide factoren, de zogen[oe]mde kelderluikfactoren in al dan niet aangepaste vorm, vrijwel steeds - in ieder geval mede - aan bod zijn wanneer het gaat om een beoordeling in het kader van de zorgvuldigheid: in wezen wordt de aangesproken persoon in het kader van schending van de zorgvuldigheidsnorm steeds het verwijt gemaakt dat hij door zijn doen of nalaten een belang van een ander heeft geschonden c.q. in gevaar heeft gebracht. We plegen het weliswaar niet steeds gevaarzetting te noemen, wij reserveren dat etiket immers voor handelen dat personen of zaken in gevaar brengt, maar het had best gekund. Daarmee zijn eigenlijk steeds factoren als de kans op schade (aantasting van een belang), de aard en ernst van de mogelijke gevolgen alsmede de bezwaarlijkheid van het treffen van maatregelen medebepalend voor de beantwoording van de vraag of de aangesproken persoon maatschappelijk onzorgvuldig heeft gehandeld.

Een belangrijke factor, die in de rechtspraak een enkele keer onder de noemer aard van de gedraging lijkt aangeduid, is de context waarin de gedraging plaatsvindt en die voorkomt dat normaal maatschappelijk functioneren dat een ander zeer wel kan schaden onrechtmatig genoemd wordt. Dat met ‘eenvoudige niet kostbare middelen’ het gedrag had kunnen worden voorkomen, betekent niet dat het dus onrechtmatig was. De figuurlijke prijs hiervan zou onevenredig hoog kunnen zijn: geforceerd, onmenselijk gedrag dat bijvoorbeeld het gevolg zou zijn van een aansprakelijkheid bij iedere vorm van hinder of gevaarzetting, belemmering van normale concurrentie et cetera.

Vrijheid voor de een, bescherming voor de ander. (…).”

[cursivering in origineel, voetnoten niet overgenomen, A-G]

Het subonderdeel verwijst alleen naar de oorspronkelijke Kelderluikcriteria, zoals die zijn geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad uit 1965.124 In geactualiseerde bewoordingen luiden deze criteria bij de beoordeling van aansprakelijkheid in gevaarzettingssituaties als volgt:125

- (i) in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is;

- (ii) hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan;

- (iii) hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn;

- (iv) in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is.

Vergelijk de formulering uit een arrest van 2006, waarin de Hoge Raad in meer algemene zin, niet toegespitst op gevaarzettingssituaties, overweegt:126

“dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, niet alleen moet worden gelet op de kans op schade, maar ook op de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen (vgl. HR 5 november 1965, NJ 1966, 136).”

Tegen deze achtergrond bezie ik het oordeel van het hof in rov. 5.11-iv waartegen het subonderdeel is gericht.

Het hof beoordeelt in die overweging of sprake is van “handelen of nalaten [van [verweerster 1] ] in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.” Meer specifiek beoordeelt het hof de vraag “of op [verweerster 1] in dit geval een uit ongeschreven recht voortvloeiende verplichting rustte om [eiser] in te lichten”. Het hof spreekt ook van de waarschuwingsplicht (zie ook onder 3.1 hiervoor). Volgens het hof komt het bij de beoordeling van de vraag of [verweerster 1] een dergelijke waarschuwingsplicht heeft geschonden aan “op een weging van alle omstandigheden van het geval.” De feiten en omstandigheden die het hof in rov. 5.11-iv bij zijn beoordeling heeft betrokken, zijn de volgende:

- Dat niet is aangevoerd en evenmin is gebleken dat [verweerster 1] beschikte over relevante juridische kennis.

- Dat [verweerster 1] gelet op wat [betrokkene 1] aan haar had meegedeeld kon denken - zoals zij gedaan heeft - dat sprake was van een zakelijk geschil tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , waarin ook [eiser] betrokken was, en dat [betrokkene 1] aanspraak zou kunnen hebben op het chalet.

- Dat de (door [betrokkene 1] aangekondigde) verwijdering van het chalet paste bij de aanzegging door [verweerster 1] aan [eiser] dat dit chalet van de camping moest worden gehaald.

- Dat [betrokkene 1] op 20 december 2016 in alle openheid optrad: hij nam het chalet niet onmiddellijk mee, maar kondigde alleen aan dat dit zou gaan gebeuren, wat kon bijdragen aan de gedachte van [verweerster 1] dat [betrokkene 1] wel eens recht op het chalet zou kunnen hebben.

- Dat hieraan niet afdoet dat [verweerster 1] zelf heeft verklaard dat zij het wel nodig vond dat [eiser] werd geïnformeerd. Het feit dat zij dat zelf, subjectief, nodig vond, betekent niet dat het objectief, rechtens, vereist was dat zij [eiser] inlichtte.127

- Dat, hoewel [verweerster 1] daarmee op 20 december 2016 niet bekend was, de omstandigheden van het geval mede ingekleurd worden door het vonnis van de kantonrechter te Assen van 3 mei 2016,128 waaruit blijkt dat [betrokkene 1] inderdaad een veroordelend vonnis had tegen [betrokkene 3] en dat [eiser] heeft verklaard dat hij het chalet van [betrokkene 3] had gekocht, maar bij [betrokkene 1] heeft opgehaald, waarmee het verhaal dat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] heeft gedaan dus ook niet zomaar uit de lucht gegrepen is.

Op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderling(e) verband en samenhang bezien, komt het hof in rov. 5.11-iv tot het oordeel dat “in dit geval een dergelijke waarschuwingsplicht niet op [verweerster 1] rustte”, anders gezegd dat “[i]n die situatie op [verweerster 1] niet een (buiten contractuele) zorgplicht [rustte] om zich in het kennelijke (zakelijke) conflict tussen [betrokkene 1] / [betrokkene 3] / [eiser] te mengen door contact op te nemen met [eiser] en hem in te lichten over wat [betrokkene 1] aan haar had verteld.”

Het hof heeft hiermee geen blijk gegeven van miskenning van de Kelderluikcriteria en heeft ook (ruim) voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang die ten grondslag ligt aan het oordeel dat [verweerster 1] door [eiser] niet in te lichten over de aangekondigde verwijdering van het chalet door [betrokkene 1] niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Voor zover het laatstgenoemde Kelderluikcriterium in de richting van aansprakelijkheid van [verweerster 1] zou kunnen wijzen, omdat “ [eiser] even te bellen of te sms’en dan wel te whatsappen” niet bezwaarlijk voor [verweerster 1] was, geldt, zoals Hartlief in de aangehaalde passage hiervoor ook optekent, dat het niet zo is dat wanneer met “eenvoudige niet kostbare middelen” het gedrag (in casu, kort gezegd, de verwijdering van het chalet door [betrokkene 1] ) mogelijk voorkomen had kunnen worden, dat “dus” betekent dat sprake is van onrechtmatig handelen (of in casu nalaten door [verweerster 1] ). Anders dan het subonderdeel klaagt, dringt zich m.i. bij toepassing van de Kelderluikcriteria geen aansprakelijkheid van [verweerster 1] uit onrechtmatige daad jegens [eiser] op. De kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen wijzen immers, gelet op de hiervoor uiteengezette door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, niet in de richting van aansprakelijkheid van [verweerster 1] jegens [eiser] . Bovendien is in feitelijke instanties zijdens [eiser] ook niet een beroep gedaan op toepassing van de Kelderluikcriteria, noch op het Kelderluik-arrest uit 1965, noch op de algemenere variant uit het arrest van de Hoge Raad van 2006. Het subonderdeel verwijst ook niet naar vindplaatsen in de gedingstukken, anders dan een verwijzing naar de memorie van grieven zijdens [eiser] waarin wordt gesteld dat [eiser] het chalet in 2015 heeft gekocht voor een bedrag van € 25.000,--.129 In zoverre wordt in cassatie ook voor het eerst een beroep gedaan op het gevaarzettingsleerstuk, hetgeen te laat is.

Daarop stuit het subonderdeel af.

3.26

Subonderdeel 4.2 klaagt dat het oordeel van het hof temeer onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat in casu onmiskenbaar sprake is van een “speciale relatie”.130 Die speciale relatie brengt volgens het subonderdeel niet alleen a fortiori mee dat het hof aan de hand van de Kelderluikcriteria had moeten oordelen, maar ook dat eerder aan die criteria zou zijn voldaan, gelet op die speciale relatie. Indien en voor zover de campingovereenkomst geëindigd was, bestond tussen [verweerster] en [eiser] in elk geval een postcontractuele relatie. Deze speciale relatie brengt volgens het subonderdeel mee, of kan meebrengen, dat op [verweerster 1] de verplichting rustte om [eiser] te waarschuwen voor het aangekondigde handelen van [betrokkene 1] , zodat [verweerster 1] jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld heeft door dit na te laten.

3.27

Het subonderdeel faalt, in het voetspoor van subonderdeel 4.1 en gelet op het volgende.

De bijzondere zorgplicht waardoor nalaten ook bij gebreke van gevaarsbewustzijn onrechtmatig zou kunnen zijn, waarop het subonderdeel onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad uit 1974 kennelijk doelt, kan voortvloeien uit: “(i) een speciale relatie van de waarnemer met het slachtoffer en (ii) een speciale relatie van de waarnemer met de plaats waar het gevaar zich voordoet.” [cursivering in origineel, A-G]131 Het subonderdeel lijkt zich te beroepen op zowel een speciale relatie als bedoeld onder (i) als op een speciale relatie als bedoeld onder (ii).

De speciale relatie als bedoeld onder (i) houdt verband met de aard van de rechtsverhouding tussen [verweerster] en [eiser] . Het subonderdeel wijst er in dit verband op dat [eiser] een vaste gast was op de door [verweerster] geëxploiteerde camping (rov. 3.2, zie ook onder 1.2 hiervoor) en spreekt voorts van de “postcontractuele relatie”. Een speciale relatie tussen [verweerster] en [eiser] als bedoeld onder (i) is door het hof niet miskend. Het hof heeft in rov. 5.10-ii, kort gezegd, geoordeeld dat aan de onderhavige campingovereenkomst (mocht die al hebben bestaan) in oktober 2016 een einde is gekomen en dat daar geen andere overeenkomst (zoals een overeenkomst tot bewaarneming) voor in de plaats is gekomen, hetgeen blijk geeft van die postcontractuele relatie. In rov. 5.11-iv bouwt het hof op die postcontractuele relatie voort. Op [eiser] rustte in beginsel een verbintenis tot ontruiming van de campingplaats (zie ook onder 3.8 hiervoor). Het hof overweegt hieromtrent in rov. 5.11-iv dat de (door [betrokkene 1] aangekondigde) verwijdering van het chalet paste bij de aanzegging aan [eiser] dat dit chalet van de camping moest worden gehaald (zie ook de omstandigheid genoemd bij het derde liggende streepje onder 3.25 hiervoor). De postcontractuele relatie leidt er in dit geval dus, anders dan het subonderdeel klaagt, niet toe dat eerder aan de Kelderluikcriteria is voldaan.

De speciale relatie als bedoeld onder (ii) is evenmin miskend door het hof. Het subonderdeel wijst er in dit verband op dat het chalet zich op het moment van “de diefstal” bevond op de door [verweerster] geëxploiteerde camping (rov. 3.5, zie ook onder 1.5 en onder 3.1 hiervoor). De speciale relatie als bedoeld onder (ii) is plaatsgebonden. Ik wijs op rov. 5.6.2, waarin als stelling van [eiser] wordt weergegeven dat “[a]ls het niet [verweerster 1] was die het chalet heeft laten verwijderen, maar als dat is gebeurd in opdracht van [betrokkene 1] zoals [verweerster 1] zegt, geldt dat [verweerster] tekort zijn geschoten in de zorgplicht die zij als beheerders van het campingterrein jegens [eiser] hadden op grond van de campingovereenkomst tussen partijen.” [cursivering toegevoegd, A-G] Hieruit volgt m.i. reeds dat het hof de hoedanigheid van [verweerster] als “beheerders van het campingterrein” (waarop het chalet van [eiser] stond) onder ogen heeft gezien. De door [eiser] gestelde zorgplichtschending van [verweerster] jegens hem die wordt weergegeven in rov. 5.6.2 met betrekking tot art. 6:74 BW, die het hof in rov. 5.10 beoordeelt, verschilt in zoverre immers niet van die in rov. 5.6.3 met betrekking tot art. 6:162 BW, die het hof in rov. 5.11 beoordeelt (zie ook onder 3.1 hiervoor).

Het hof heeft in rov. 5.11-iv beoordeeld in hoeverre, in het licht van art. 6:162 BW, op [verweerster 1] als beheerder van het campingterrein een waarschuwingsplicht rustte om [eiser] in te lichten over de verwijdering van het chalet door [betrokkene 1] . Gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, waaronder dus die “speciale relatie”, is het hof in rov. 5.11-iv tot het oordeel gekomen dat niet een dergelijke waarschuwingsplicht op [verweerster 1] rustte. Dat oordeel is goed navolgbaar en behoeft geen nadere motivering.

Daarop stuit het subonderdeel af.

3.28

Subonderdeel 4.3 klaagt dat het oordeel van het hof aan het slot van rov. 5.11-iv dat de feiten en omstandigheden van het geval mede “ingekleurd” zouden worden door het gegeven dat uit een vonnis van de kantonrechter te Assen van 3 mei 2016 blijkt dat [betrokkene 1] inderdaad een veroordelend vonnis had tegen [betrokkene 3] en dat [eiser] verklaard heeft dat hij het chalet van [betrokkene 3] gekocht had, maar bij [betrokkene 1] opgehaald heeft, en dat het verhaal dat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] heeft gedaan daarom niet zomaar uit de lucht is gegrepen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel valt niet (zonder meer) in te zien waarom dit gegeven relevant zou zijn voor toepassing van de Kelderluikcriteria of anders van belang zou zijn voor het antwoord op de vraag of [verweerster 1] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens het subonderdeel brengt het in rov. 5.11-iv vermelde “kennelijke (zakelijke) conflict” niet mee dat [verweerster 1] [eiser] “dus” niet meer zou hebben hoeven waarschuwen, terwijl een waarschuwing geenszins meebrengt dat [verweerster 1] zich in dat conflict zou mengen.

3.29

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Het hof heeft zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen, zoals het in rov. 5.11-iv heeft gedaan, dat “de omstandigheden van het geval mede ingekleurd [worden] door het gegeven dat uit een vonnis van de kantonrechter te Assen van 3 mei 2016 (productie 2 bij incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring) blijkt dat [betrokkene 1] inderdaad een veroordelend vonnis had tegen [betrokkene 3] en dat [eiser] heeft verklaard dat hij het chalet van [betrokkene 3] had gekocht, maar bij [betrokkene 1] heeft opgehaald” en dat “[h]et verhaal dat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] heeft gedaan dus ook niet zomaar uit de lucht gegrepen [is].” Voor het hof - het hof overweegt immers ook dat [verweerster 1] daarmee op 20 december 2016 niet bekend was - vormt dat een bevestiging van hetgeen daarvoor is overwogen, kort gezegd dat gelet op wat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] had verteld zij kon denken, zoals zij gedaan heeft, dat sprake was van een zakelijk geschil tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , waarin ook [eiser] was betrokken, en dat [betrokkene 1] aanspraak zou kunnen hebben op het chalet. Ik zie niet in waarom het rechtens onjuist zou zijn dat het hof dit in die zin als relevante factor betrekt, in de totaliteit van de gegeven feiten en omstandigheden. Overigens acht ik de door het subonderdeel bestreden passage van rov. 5.11-iv niet dragend voor het oordeel van het hof in rov. 5.11-iv dat in dit geval, gelet op een weging van alle feiten en omstandigheden van het geval, op [verweerster 1] niet een uit ongeschreven recht voortvloeiende verplichting rustte om [eiser] in te lichten over de verwijdering van het chalet. De overige door het hof genoemde feiten en omstandigheden (zie de opsomming onder 3.25 hiervoor) kunnen dat oordeel zelfstandig dragen. In zoverre faalt de klacht ook reeds bij gebrek aan belang.

Het subonderdeel lijkt voorts nog een afzonderlijke klacht te bevatten over de volgende overweging van het hof in rov. 5.11-iv:

“In die situatie rustte op [verweerster 1] niet een (buiten contractuele) zorgplicht om zich in het kennelijke (zakelijke) conflict tussen [betrokkene 1] / [betrokkene 3] / [eiser] te mengen door contact op te nemen met [eiser] en hem in te lichten over wat [betrokkene 1] aan haar had verteld.”

Volgens de klacht aan het slot van het subonderdeel brengt het “kennelijke (zakelijke) conflict” niet mee dat [verweerster 1] [eiser] “dus” niet meer zou hebben hoeven waarschuwen, terwijl een waarschuwing geenszins meebrengt dat [verweerster 1] zich in dat conflict zou mengen. Het subonderdeel ziet daarmee eraan voorbij dat het hof in de aangehaalde passage slechts in andere woorden tot uitdrukking brengt dat “[h]et hof van oordeel [is] dat in dit geval een dergelijke waarschuwingsplicht niet op [verweerster 1] rustte”. Deze passage betreft niet één van de feiten en omstandigheden van het geval die het hof in zijn beoordeling betrekt (zie de opsomming onder 3.25 hiervoor). Voor zover het subonderdeel iets meer of anders in die passage leest, gaat het uit van een verkeerde lezing van het oordeel van het hof en mist het dus feitelijke grondslag.

Daarop stuit het subonderdeel af.

3.30

Onderdeel 5 valt uiteen in twee subonderdelen.

3.31

Subonderdeel 5.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.11-vi dat geen sprake zou zijn van onrechtmatig handelen dat aan [verweerster 1] toegerekend kan worden onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom [verweerster 1] niet toegerekend zou kunnen worden dat zij [eiser] niet reeds ten tijde van de vooraankondiging (dus ergens in december 2016) of aankondiging (dus op 20 december 2016) gewaarschuwd heeft. De motivering in rov. 5.11-v betreft volgens het subonderdeel slechts het moment van de diefstal (dus 4 januari 2017), terwijl de omstandigheden waarop deze motivering berust, niet (zonder meer) zouden kunnen verklaren waarom [verweerster 1] niet toegerekend zou kunnen worden dat zij [eiser] niet vrijwel meteen na [betrokkene 1] vooraankondiging of aankondiging gewaarschuwd heeft. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat 20 december 2016, althans een korte periode van enkele dagen daarna, het toetsmoment voor de toerekenbaarheid is.132 Dit klemt volgens het subonderdeel temeer gezien de stelling van [eiser]133 dat [verweerster 1] hem op 25 december 2016 nog wel gesms’t heeft, maar [eiser] op dat moment niet ingelicht heeft over [betrokkene 1] (voor)aankondiging, terwijl zij heeft verklaard dat zij [eiser] op die dag had kunnen laten weten wat er aan de hand was met het chalet, maar dat het “haar niet interesseerde”.134

3.32

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Het subonderdeel is gericht tegen de volgende motivering in rov. 5.11-v:

“Echter, ook hiervoor geldt dat [verweerster 1] juridisch niet is onderlegd en dat niet onbegrijpelijk is dat zij zich door het briefje heeft laten “overdonderen”. In het bijzonder niet in de situatie dat zij de dag daarvoor haar man had begraven. Zeer wel voorstelbaar is dat, zoals [verweerster 1] heeft aangevoerd, zij op dat moment niet tot zakelijk en helder denken in staat was. Voor zover [verweerster 1] verweten kan worden tijdens het afvoeren van het chalet niet adequaat gehandeld te hebben, kan haar dat in die situatie niet toegerekend worden.

Daarbij komt dat het afvoeren van het chalet aansloot bij de eerdere aankondiging daarvan door [betrokkene 1] terwijl dat afvoeren in alle openheid geschiedde: het chalet werd niet bij nacht en ontij opgehaald, maar op klaarlichte dag nadat eerst nog allerlei werkzaamheden rondom dat chalet waren uitgevoerd om het te kunnen verwijderen. Als relevante omstandigheid is ook in dit verband aan te merken het bestaan van het vonnis van 3 mei 2016, genoemd in het slot van de vorige rechtsoverweging.”

In deze rov. 5.11-v beoordeelt het hof, in het kader van art. 6:162 BW, het tweede verwijt (naast het eerste verwijt van niet-naleving van de waarschuwingsplicht) dat [eiser] [verweerster 1] heeft gemaakt: niet-naleving van de plicht tot beletten. Dat blijkt uit het kopje van rov. 5.11-v met die titel (“plicht tot beletten”) en wordt voorts als volgt toegelicht in die rov. 5.11-v:

“Volgens [eiser] had [verweerster 1] de afvoer van het chalet toen [ [betrokkene 1] het chalet kwam ophalen, dus op 4 januari 2017, A-G] moeten beletten omdat uit dat briefje in geen enkel opzicht blijkt dat [eiser] recht zou hebben op het chalet. Volgens hem is de tekst volstrekt onbegrijpelijk.”

Dat strookt bovendien met rov. 5.6.3, waarin het hof de desbetreffende stellingen van [eiser] weergeeft (zie ook onder 3.1 hiervoor):

“Ook die [uit het ongeschreven recht voortvloeiende] zorgplicht hield in dat [verweerster] [eiser] hadden moeten waarschuwen nadat zij van [betrokkene 1] hadden gehoord dat hij het chalet wilde gaan verwijderen en dat zij de verwijdering hadden moeten beletten. De schending van die zorgverplichting is jegens [eiser] onrechtmatig.”

Het subonderdeel constateert tegen deze achtergrond bezien terecht dat de motivering in rov. 5.11-v slechts het moment van 4 januari 2017 betreft. Daarmee is het oordeel van het hof in rov. 5.11-v en rov. 5.11-vi echter niet onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Uit de vaststaande feiten blijkt dat het chalet op 4 januari 2017 van de camping is verwijderd (zie rov. 3.5 en onder 1.5 hiervoor). Het hof heeft de plicht tot beletten terecht naar dat moment getoetst en heeft geoordeeld dat voor zover haar verweten kan worden dat zij tijdens het afvoeren van het chalet (dus op 4 januari 2017) niet adequaat gehandeld zou hebben, dat haar in die situatie (dus, kort gezegd, in de gegeven omstandigheden, waaronder dat zij de dag daarvoor haar man had begraven) niet toegerekend kan worden. Het hof heeft niet miskend dat 20 december 2016, het moment van de aankondiging door [betrokkene 1] (zie ook onder 3.1 hiervoor), het toetsmoment is voor de andere door [eiser] gestelde normschending van [verweerster 1] : niet-naleving van de waarschuwingsplicht, hetgeen het hof in rov. 5.11-iv naar dat moment heeft beoordeeld. Het subonderdeel haalt dus de beide door [eiser] gestelde normschendingen, kort gezegd de waarschuwingsplicht die op 20 december 2016 zou zijn ontstaan en de plicht tot beletten van 4 januari 2017, door elkaar. Aldus leest het subonderdeel het arrest verkeerd en mist het dus feitelijke grondslag. De verwijzing in rov. 5-11-vi naar niet-toerekenbaarheid (“althans dat geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen dat haar kan worden toegerekend”) heeft immers alleen betrekking op rov. 5.11-v (plicht tot beletten) en niet (ook) op rov. 5.11-iv (waarschuwingsplicht). Dat [eiser] de stelling betrokken heeft dat [verweerster 1] hem op 25 december 2016 nog ge-sms’t heeft en wat daarover zijdens [verweerster] in haar memorie van antwoord erkend zou zijn, en wat in dat verband door [verweerster 1] tijdens de comparitie van partijen zou zijn verklaard, kan ik (dus) laten rusten. Dat heeft niets van doen met het oordeel van het hof in rov. 5.11-v, dat dus ziet op de beoordeling van de door [eiser] gestelde plicht tot beletten van [verweerster 1] op 4 januari 2017 (zie ook rov. 5.6.3 en onder 3.1 hiervoor).

Daarop stuit het subonderdeel af.

3.33

Subonderdeel 5.2 klaagt dat hetgeen waarover subonderdeel 5.1 klaagt bovendien onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, voor zover het er op berust: (i) dat het afvoeren van het chalet door [betrokkene 1] aansloot bij de aankondiging door hem; (ii) dat dit afvoeren in alle openheid geschiedde; en (iii) dat er een vonnis van 3 mei 2016 bestaat. Volgens het subonderdeel zijn de omstandigheden onder (i) t/m (iii) niet van dien aard dat zij zouden moeten meebrengen dat de onrechtmatige daad niet te wijten zou zijn aan [verweerster] ’ schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van [verweerster] komt.

3.34

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Het subonderdeel ziet voorbij aan het onderscheid tussen art. 6:162 leden 2 en 3 BW. Het hof oordeelt in rov. 5.11-vi, in de sleutel van art. 6:162 lid 2 BW, “dat [verweerster 1] in de omstandigheden van het geval ook niet heeft gehandeld in strijd met een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgverplichting” en, in de sleutel van art. 6:162 lid 3 BW, “althans dat geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen dat haar kan worden toegerekend”.

Dat niet-toerekeningsoordeel heeft, zoals ook onder 3.32 hiervoor opgemerkt, alleen betrekking op rov. 5.11-v (plicht tot beletten) en niet (ook) op rov. 5.11-iv (waarschuwingsplicht). Het hof motiveert dat niet-toerekeningsoordeel in rov. 5.11-v met de volgende overweging:

“Echter, ook hiervoor geldt dat [verweerster 1] juridisch niet is onderlegd en dat niet onbegrijpelijk is dat zij zich door het briefje heeft laten “overdonderen”. In het bijzonder niet in de situatie dat zij de dag daarvoor haar man had begraven. Zeer wel voorstelbaar is dat, zoals [verweerster 1] heeft aangevoerd, zij op dat moment niet tot zakelijk en helder denken in staat was. Voor zover [verweerster 1] verweten kan worden tijdens het afvoeren van het chalet niet adequaat gehandeld te hebben, kan haar dat in die situatie niet toegerekend worden.”

In rov. 5.11-iv lees ik niks over niet-toerekenbaarheid, wat ook logisch is, omdat het niet-toerekeningsoordeel van het hof aanknoopt bij het overlijden van [erflater] ( [erflater] is op 28 december 2016 overleden, zie rov. 3.4 en onder 1.4 hiervoor). De waarschuwingsplicht beoordeelt het hof in rov. 5.11-iv naar het moment van 20 december 2016 (zie ook onder 3.32 hiervoor).

De omstandigheden die het subonderdeel onder (i) t/m (iii) opsomt, zijn ontleend aan de daaropvolgende passage in rov. 5.11-v:

“Daarbij komt dat het afvoeren van het chalet aansloot bij de eerdere aankondiging daarvan door [betrokkene 1] terwijl dat afvoeren in alle openheid geschiedde: het chalet werd niet bij nacht en ontij opgehaald, maar op klaarlichte dag nadat eerst nog allerlei werkzaamheden rondom dat chalet waren uitgevoerd om het te kunnen verwijderen. Als relevante omstandigheid is ook in dit verband aan te merken het bestaan van het vonnis van 3 mei 2016, genoemd in het slot van de vorige rechtsoverweging.”

Deze omstandigheden, die ook reeds in rov. 5.11-iv (waarschuwingsplicht) aan de orde kwamen (zie ook onder 3.25 hiervoor) noemt het hof dus in het kader van art. 6:162 lid 2 BW.

Aldus leest het subonderdeel, dat kennelijk alleen over het niet-toerekeningsoordeel van het hof gaat, het arrest van het hof verkeerd en faalt het dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ten overvloede wijs ik er nog op dat het subonderdeel ook voorbij ziet aan de bijkomende omstandigheid aan het slot van rov. 5.11-v:

“Overigens merkt het hof op dat voor zover [eiser] [verweerster 1] verwijt dat zij het afvoeren van het chalet niet heeft verhinderd, hij niet concreet aangeeft hoe [verweerster 1] dat dan had moeten verhinderen.”

Zowel het oordeel van het hof dat [verweerster 1] in de gegeven situatie niet heeft gehandeld in strijd met een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgverplichting (waarschuwingsplicht en plicht tot beletten) als het oordeel dat althans in de gegeven situatie geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen dat [verweerster 1] kan worden toegerekend (dat uitsluitend betrekking heeft op de plicht tot beletten), is, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, niet onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Ik wijs er ten slotte nog op dat in cassatie ook geen plaats is voor een feitelijke herbeoordeling van, kort gezegd, het (on)rechtmatigheidsoordeel.

Daarop stuit het subonderdeel af.

Tussenconclusie

3.35

Klacht B faalt in al haar (sub)onderdelen.

Klacht C: slotklacht

3.36

Onderdeel 6 bevat een voortbouwklacht, die inhoudt dat waarover een vorig onderdeel klaagt (tevens) al hetgeen vitieert waarmee het hof voortbouwt op het door dat onderdeel bestredene.

3.37

Deze voortbouwklacht deelt in het lot van de voorgaande klachten.

Slotsom

3.38

De slotsom luidt dat alle klachten falen en dat het arrest in stand kan blijven.

4 De conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 21 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:515.

2 Rb. Overijssel (zittingsplaats Zwolle) 23 augustus 2017, zaak-/rolnr. C/08/202497 / HA ZA 17-257 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

3 Rb. Overijssel (zittingsplaats Zwolle) 25 oktober 2017, zaak-/rolnr. C/08/202497 / HA ZA 17-257 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

4 Rb. Overijssel (zittingsplaats Zwolle) 4 april 2018, zaak-/rolnr. C/08/202497 / HA ZA 17-257 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

5 Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 4 september 2018, zaaknr. 200.238.490/01 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

6 Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 24 september 2019, zaaknr. 200.238.490/01 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

7 Zie noot 1 hiervoor.

8 Procesinleiding, p. 2.

9 Zie de conclusie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 15-18, in het bijzonder onder 15-16: “(…) Weliswaar overlegt [eiser] een zogenaamde inkoopverklaring, echter de echtheid daarvan wordt door [erflater] - [verweerster 1] betwist. Dit wordt ook ingegeven door de mededeling die wijlen [erflater] bij leven heeft gedaan, dat het chalet niet eerlijk zou zijn. Het geeft ook te denken dat [betrokkene 3] het chalet aan [eiser] heeft verkocht, terwijl het diezelfde [betrokkene 3] is die vervolgens nog meer dan € 20.000,00 aan [betrokkene 1] moet betalen. Dit is een kwestie tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [eiser] . Vervolgens doet de kopie van de inkoopverklaring vermoeden dat er mee is geknoeid. (…).”

10 Zie de inleidende dagvaarding zijdens [eiser] , onder 1: “Eiser is eigenaar van een chalet met aanbouw, bestrating en inventaris, dat sinds zomer 2015 stond op de camping van het echtpaar [erflater] - [verweerster 1] , [a-straat 1] , [plaats 1] (…).”

11 Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 6, tevens opgenomen bij Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 6.

12 Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 1, tevens opgenomen bij Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 1.

13 Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1.

14 In de desbetreffende “bijl.2” (Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 2, tevens opgenomen bij Akte bewijsstukken 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 2) wordt het volgende verklaard: “Hierbij verklaar ik, [betrokkene 7] , dat ik een woonwagen (Chalet, 10 mtr lang x 3.80 mtr breed), heb vervoerd voor [eiser] van [plaats 3] (adres: [c-straat 1] ) naar [A] te [plaats 1] (adres: [a-straat 1] ). De woonwagen is opgeladen in aanwezigheid en met toestemming van [betrokkene 1] persoonlijk. Getekend op 04-05-2017. [handtekening].” Zie in lijn daarmee ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 2, waaruit de volgende verklaring van [eiser] blijkt: “[I]n 2015 heb ik de stacaravan in overleg met [erflater] ingeruild tegen het chalet. Het was geen probleem om het chalet op de camping te zetten. Daarna is het chalet aangesloten, is er bestrating aangelegd, schuttingen neergezet, et cetera. [erflater] heeft het vervolgens op zijn naam verzekerd. Ik had het chalet gekocht van [betrokkene 3] . Hij is geen familie van mij. Het chalet stond toen bij [betrokkene 1] . Het chalet heb ik een paar dagen later weg laten halen door [betrokkene 7] . Ik weet ook niet waarom [betrokkene 3] het chalet van [betrokkene 1] kocht, zonder het zelf te gebruiken. Het bij te betalen bedrag van € 15.000,- heb ik contant aan [betrokkene 3] betaald.”

15 Rb. Noord-Nederland (ktr., locatie Assen) 3 mei 2016, zaak-/rolnr. 4717648 / CV EXPL 16-19 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

16 Incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring zijdens [verweerster] , productie 2, tevens opgenomen bij de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , productie 1.

17 Zie rov. 2.2 van dat vonnis van de kantonrechter (noten 15-16 hiervoor).

18 Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 17-18. Zie verder bijv. ook de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 december 2019 zijdens [verweerster] , onder 11 en noot 9 hiervoor.

19 Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4. Zie ook de verklaring van [verweerster 1] kenbaar uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 3.

20 Conclusie van antwoord zijdens [verweerster] , productie 2, tevens opgenomen bij de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , productie 1. In het briefje wordt overigens wel gerept van “eigenaar: [betrokkene 1] ”, maar dat is voor meerderlei uitleg vatbaar en zou bijvoorbeeld ook kunnen slaan op de Handelsonderneming [betrokkene 1] , zie ook noot 22 hierna.

21 Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 5 (verklaring mr. Van Weert).

22 Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 5 (verklaring mr. Van Balen). Zie bijv. ook de Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , p. 1: “Waarom niet [betrokkene 1] gedagvaard? [betrokkene 1] is sinds Faillissement 28-1-16 van zijn [B] BV ondergedoken, uitgeschreven uit NL, uit angst voor geweld door zijn schuldeisers, die door [betrokkene 1] zijn opgelicht. Hij biedt geen/onvoldoende verhaal; slechts vertraging van het geding-waarvan Akte!” Ter staving daarvan is een overzicht van faillissementen in [plaats 3] in het geding gebracht, volgens welk overzicht op 28 januari 2016 een wijziging in het faillissement van [B] B.V. heeft plaatsgevonden. Zie de Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 8, ook reeds opgenomen bij Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 8. Overigens merk ik op dat de voorletters van de [betrokkene 1] die in vrijwaring is opgeroepen […] (dus niet […] ) zijn (zie ook onder 2.2 hiervoor). Zie in dat verband ook het handgeschreven briefje dat het hof in rov. 5.11-v citeert en waarin overigens ook geen verwijzing naar [B] B.V. voorkomt, maar dat is geschreven uit naam van Handelsonderneming [betrokkene 1] .

23 Niet bestreden wordt het oordeel in rov. 5.11-i dat [eiser] [erflater] en daarmee de erven [erflater] niet een concreet verwijt heeft gemaakt waaruit zou blijken dat [erflater] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] .

24 Zie ook de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 13.

25 Zie ook de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 14.

26 Zie ook de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 15.

27 Zie met betrekking tot de gevolgde contractuele benadering (via art. 6:74 BW) rov. 5.6.2: “Uit die zorgplicht vloeide voort dat [verweerster] [eiser] hadden moeten waarschuwen nadat zij van [betrokkene 1] hadden gehoord dat hij van plan was om het chalet te gaan verwijderen. Volgens [verweerster 1] had zij dat al op 20 december 2016 gehoord”. Zie met betrekking tot de gevolgde buitencontractuele benadering (via art. 6:162 BW) rov. 5.6.3: “Ook die zorgplicht hield in dat [verweerster] [eiser] hadden moeten waarschuwen nadat zij van [betrokkene 1] hadden gehoord dat hij het chalet wilde gaan verwijderen (…).”

28 Zie met betrekking tot de gevolgde contractuele benadering (via art. 6:74 BW) rov. 5.6.2: “Verder hadden [verweerster] maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat het chalet kon worden verwijderd en hadden zij die verwijdering tegen moeten houden.” Zie met betrekking tot de gevolgde buitencontractuele benadering (via art. 6:162 BW) rov. 5.6.3: “Ook die zorgplicht hield in (…) dat zij de verwijdering hadden moeten beletten.”

29 Het subonderdeel verwijst naar HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635.

30 Het subonderdeel verwijst naar HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819, NJ 2018/261, rov. 3.3.2 (ik merk op dat de Hoge Raad hier, kort gezegd, verwijst naar art. 3:33 BW en art. 3:35 BW, niet (ook) naar de Haviltex-maatstaf) en Asser/C.H. Sieburgh, Algemeen overeenkomstenrecht (6-III), Deventer: Wolters Kluwer 2018, nrs. 370-371.

31 Het subonderdeel verwijst naar C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 2.4.3.1, met verwijzing naar J.F.M. Strijbos, Opzegging van duurovereenkomsten (diss.), Deventer: Kluwer 1985, p. 114. Het subonderdeel verwijst verder nog naar Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7930, rov. 5.10.

32 Het subonderdeel verwijst in de noten 13-18 van de procesinleiding naar vindplaatsen in de gedingstukken.

33 Ik laat daar dat blijkens de vaststaande feiten het campingbedrijf werd uitgeoefend in de vorm van een vennootschap onder firma (rov. 3.1, zie ook onder 1.1 hiervoor), zodat het voor de hand zou liggen dat een “campingovereenkomst” met de v.o.f. [A] werd aangegaan. Een overeenkomst ‘met de v.o.f.’ moet dan worden aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten van de v.o.f. in hun hoedanigheid van vennoten. Zie bijv. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, rov. 3.4.2. De gezamenlijke vennoten waren in dit geval [verweerster 1] en haar moeder (rov. 3.1, zie ook onder 1.1 hiervoor). In de praktijk werd de camping mede gedreven door [erflater] (rov. 3.1, zie ook onder 1.1 hiervoor). Indien het ervoor zou moeten worden gehouden dat de campingovereenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser] en [erflater] roept dat de vraag op in hoeverre [erflater] bevoegd was de v.o.f., althans de gezamenlijke vennoten van de v.o.f. in hun hoedanigheid van vennoten, te vertegenwoordigen. Vgl. bijv. de verklaring van [betrokkene 3] van 16 oktober 2017 (ongenummerde productie bij de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] en de Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 17: “ [eiser] had een mondelinge campingovereenkomst, zoals ieder campinggast, met [erflater] . Niemand had een schriftelijke overeenkomst. [eiser] betaalde staangeld. Ik denk wel dat ook [verweerster 1] dat weet.” Vgl. voorts het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 3 (verklaring [verweerster 1] ): “De afspraken met de campinggasten gingen altijd mondeling. Ik overlegde dat met mijn man [erflater] . Het bedrag dat [eiser] aan stageld moest betalen moest nog worden vastgesteld. Er was wel een afspraak dat hij stageld moest betalen, alleen het bedrag stond nog niet vast. [eiser] maakte afspraken met [erflater] , maar dat waren ook afspraken met mij want we waren in gemeenschap van goederen getrouwd.”

34 Zie Ktr. Middelburg 28 november 1977, ECLI:NL:KTGMID:1977:AI6703, Prg. 1979, 1343. In de appeldagvaarding van 17 april 2018 zijdens [eiser] , onder 14 wordt ook (zonder vermelding van de vindplaats in de Praktijkgids) verwezen naar deze uitspraak. Het hof heeft overigens de inhoud van de appeldagvaarding (hetgeen [eiser] daarin aan bezwaren tegen het vonnis naar voren heeft gebracht), in verband met de daarna zijdens [eiser] ingediende memorie van grieven, blijkens rov. 5.4 van het arrest buiten beschouwing gelaten. Zie ook onder 2.14 hiervoor.

35 Vgl. bijv. Asser/Sieburgh 2018, nr. 66.

36 De RECRON-voorwaarden voor vaste plaatsen zijn te raadplegen via www.hiswarecron.nl/leisure-en-recreatie/voorwaarden-en-overeenkomsten. De geraadpleegde versie van de voorwaarden is, ook voor lopende contracten, in werking getreden per 1 maart 2016.

37 Zie de preambule van de desbetreffende RECRON-voorwaarden (noot 36 hiervoor).

38 Vgl. bijv. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3: “Hof: verbleef [eiser] permanent op de camping, of af en toe? [verweerster 1]: niet permanent, maar ze waren er best vaak. (…).” [onderstreping in origineel, A-G]

39 Zie de preambule van de desbetreffende RECRON-voorwaarden (noot 36 hiervoor).

40 Zie bijv. Asser/H.J. Rossel & A.H.T. Heisterkamp, Huur (7-II), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 202, met verwijzing. Vgl. de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 1: “Eiser kon als analfabeet van een woonwagenkamp moeilijk zaken op papier regelen. [erflater] regelde de aansluiting van het chalet op elektra, water, septictank en de bestrating rondom.”

41 Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7952, rov. 4.6: “Nu het chalet eigendom is van [de recreant] en de staanplaats geen standplaats is als bedoeld in art. 7:236 BW, wordt er door [de ondernemer] geen woonruimte verhuurd in de zin van art. 7:233 BW. Tussen partijen is - terecht - niet aangevoerd dat de verhuurde staanplaats bedrijfsruimte is in de zin van art. 7:290 BW.” [aanduiding van partijen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G]

42 Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7952, rov. 4.7: “Daarmee is de keuze welk huurregiem - met bijbehorende wettelijke regeling omtrent de beëindiging - van toepassing is, beperkt tot de keuze tussen art. 7:230a BW voor een gebouwde onroerende zaak en art. 7:228 BW voor andere verhuurde zaken.
Wat ook zij van de stelling van [de recreant] dat haar chalet, gefundeerd op ijzer, steen en hout en afgezet met betonnen platen, “zonder meer een gebouwde onroerende zaak is”, daarmee ziet zij over het hoofd dat [de ondernemer] niet dat chalet heeft verhuurd maar uitsluitend de grond waarop dat chalet staat. Dat die grond onroerend is, hoeft geen betoog. Waar het om gaat is, of die verhuurde grond een gebouwde onroerende zaak is.
Naar voorlopig oordeel van het hof is dit niet het geval. Art. 7:230a BW is de opvolger van de artikelen 28c-h Huurwet (hierna: Hw). Blijkens de wetsgeschiedenis is met het overgenomen begrip “gebouwde onroerende zaak” geen wijziging beoogd. Art. 1 lid 3 sub c Hw definieerde dit begrip aldus: een gebouw of een gedeelte daarvan, indien dit gedeelte een zelfstandige bedrijfsruimte vormt, een en ander met zijn normale onroerende aanhorigheden.
De verharde grond is naar ’s hofs voorshandse oordeel geen (gedeelte van een) gebouw, zoals ook het hof ’s Gravenhage onlangs oordeelde dat verharde landingsbanen niet zijn gebouwd, maar zijn aangelegd, en de huur daarvan dus niet onder art. 7:230a BW valt (ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9950).” [cursivering in origineel, aanduiding van partijen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G] Het aangehaalde arrest van het hof Den Haag is bekrachtigd door de Hoge Raad in HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:899, NJ 2014/438.
Zie in lijn hiermee bijv. Rb. Midden-Nederland (ktr. in k.g., locatie Utrecht) 30 april 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1647 en Rb. Midden-Nederland (ktr., locatie Utrecht) 10 februari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:753 (waarover nader noot 51 hierna). Vgl. ook de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2014:43) voor HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:899, NJ 2014/438, onder 3.29-3.33, met rechtspraakverwijzingen.

43 Vgl. bijv. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3: “Hof aan [verweerster 1]: heeft u de camping nog? [verweerster 1]: nee, de camping heb ik niet meer. Het boerenbedrijf ook niet meer.” [onderstreping in origineel, A-G]

44 Vgl. bijv. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4: “Hof aan [verweerster 1]: in september 2016 moesten alle campinggasten vertrekken. Waarom was dat? [verweerster 1]: ik had het idee dat er gestookt werd in het huwelijk van mijn man en mij. Toen heb ik gezegd dat mijn man rust moest nemen. Dat deed hij. In de tijd dat mijn man rust nam, wilde ik niet met een volle camping achterblijven. Daarom wilde ik dat de campinggasten vertrokken. Later heb ik de camping weer opengedaan, iedereen was weer welkom. Iets later heb ik gezegd tegen [eiser] dat het chalet weg moest. Dat chalet was een doorn in mijn oog. Ik zag de vriendin van [eiser] als de stookster binnen mijn huwelijk. Ik wilde dat het chalet voor 1 oktober 2016 weg zou gaan, anders zou ik de gemeente inlichten. Ik had het chalet nooit zelf weggehaald.” [onderstreping in origineel, A-G]

45 Zie o.a. Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1546 (een van de raadsheren die dat arrest heeft gewezen, mr. O.E. Mulder , maakt overigens ook deel uit van de zetel in het onderhavige arrest) en Hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1056.

46 Lid 1 van deze bepaling luidt: “Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.”

47 Deze bepaling luidt: “Een huur voor onbepaalde tijd aangegaan of voor onbepaalde tijd verlengd eindigt door opzegging. Heeft de huur betrekking op een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is, dan dient de opzegging te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand.” Vgl. art. 7:228 lid 1 BW: “Een huur voor bepaalde tijd aangegaan, eindigt, zonder dat daartoe een opzegging vereist is, wanneer die tijd is verstreken.”

48 Vgl. de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1: “verwijdering van zijn chalet zou minstens 5 man 2 dagen werk + graafmachine + dieplader vereisen (…)” en de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 11: “ [erflater] - [verweerster 1] betwist overigens dat het verwijderen van het chalet ten minste 2 dagen werk zou zijn voor 5 man en dat er een graafmachine en dieplader vereist zouden zijn.” en onder 15: “Op 4 en 5 januari 2017 (…) wordt het chalet op last van [betrokkene 1] en in het bijzijn van [betrokkene 8] weggesleept door het personeel van [C] .” Zie overigens ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 2 (verklaring [eiser] ): “Toen ik het chalet van [betrokkene 3] had gekocht, zijn we 4 of 5 uur bezig geweest met het laden van het chalet op een dieplader, waarbij ook [betrokkene 1] aanwezig was. Ook het weghalen van het chalet moet dus de nodige tijd in beslag hebben genomen (…).”

49 Vgl. bijv. ook HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AC0182, NJ 1999/495.

50 Zie noot 47 hiervoor.

51 Zie met betrekking tot een distributieovereenkomst bijv. HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3821, NJ 2000/120 en met betrekking tot een mondelinge huurovereenkomst van een (speel)terrein HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1280, NJ 2012/411, rov. 3.4, met verwijzing naar HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685: “Weliswaar geeft art. 7:228 lid 2 de bevoegdheid een huurovereenkomst als de onderhavige op te zeggen tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van ten minste een maand, maar de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat (…).”
Zie bijv. ook Rb. Midden-Nederland (ktr. in k.g., locatie Utrecht) 30 april 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1647, waarin de kantonrechter overweegt dat: “niet in geschil is dat tussen [de recreant] en [de ondernemer] een mondelinge huurovereenkomst bestaat/bestond, welke overeenkomst enkel ziet op het gebruik door [de recreant] van de standplaats en derhalve niet op het chalet [met nummer] dat op deze standplaats is geplaatst en eigendom van [de recreant] is.” [partijaanduidingen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G] (rov. 4.4); geen sprake is van woonruimte huurbescherming (art. 7:233 e.v. BW), ook niet op grond van een standplaats in de zin van art. 7:235 en 7:236 BW (rov. 4.5-4.6); voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal aanmerken als een duurovereenkomst, waarbij voor de opzegging een voldoende zwaarwegende grond is vereist, verwijzend naar HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3821, NJ 2000/120 (rov. 4.7); en dat ook voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat een zwaarwegende grond voor opzegging bestaat en de huurovereenkomst door opzegging is beëindigd (rov. 4.8-4.9), waarna de kantonrechter de ontruimingsvordering toewijst (dictum).
Zie met betrekking tot dezelfde camping ook Rb. Midden-Nederland (ktr., locatie Utrecht) 10 februari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:753, rov. 4.4, onder verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5644: “Vast staat dat het huurobject een stuk grond betreft, namelijk een standplaats voor een chalet. De standplaats kwalificeert als onbebouwd onroerend goed. Het plaatsen van een chalet op die standplaats maakt dat chalet nog niet tot huurobject. [De recreant] betaalt aan [de ondernemer] alleen huur voor de standplaats, niet ook voor het chalet. Partijen zijn het erover eens dat [de recreant] eigenaar is van het chalet, dat hij van de vorige huurder van de standplaats heeft gekocht. Het huurobject betreft dus niet een gebouwde onroerende zaak, die als woonruimte is verhuurd (artikel 7:233 BW). Evenmin is het huurobject een standplaats voor een woonwagen, in de zin van de artikelen 7:235 en 236 BW. De dwingendrechtelijke huurbescherming bij woonruimte is dan ook niet van toepassing op de onderhavige huurovereenkomst (…)” [partijaanduidingen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G] en rov. 4.7, onder verwijzing naar HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1280, NJ 2012/411: “De huur voor onbepaalde tijd aangegaan eindigt door opzegging. Als de huur betrekking heeft op een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is, dient de opzegging te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag, op een termijn van tenminste een maand (artikel 7:228 BW). Dit betekent dat [de ondernemer] de huur van de standplaats - in beginsel - heeft kunnen opzeggen. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen echter meebrengen dat de opzegging, in de concrete omstandigheden van het geval, alleen tot het beoogde rechtsgevolg kan leiden als voor die opzegging een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Ook kan uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat de opzeggende partij zijn wederpartij schadeloos dient te stellen, als hij van zijn opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (…).” De kantonrechter oordeelt dat niet een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van de huurovereenkomst bestaat. [partijaanduidingen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G] (rov. 4.10-4.11).

52 Vgl. bijv. Spierings 2016, nr. 10.2.1, waarover ook noot 56 hierna.

53 Vgl. bijv. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019 (verklaring [verweerster 1] ), p. 4: “Het kwam mij inderdaad goed uit dat het chalet verwijderd werd, dat was wat ik wilde. Het was alleen puur toeval dat [betrokkene 1] mij benaderde. Het had ook kunnen zijn dat [betrokkene 1] nooit was komen opdagen, dan had [eiser] het chalet op enig moment moeten ophalen, maar dat had ook maanden later geweest kunnen zijn. Veel haast zat daar niet bij.”

54 Zie bijv. Spierings 2016, nr. 2.4.3.1, met verwijzingen.

55 Zie bijv. ook Spierings 2016, nr. 2.4.3.1.

56 Zie Spierings 2016, nr. 10.2.1.

57 Aldus ook A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:164) voor HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819, NJ 2018/261, onder 2.8, met verwijzing naar HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, RvdW 2017/309: “Deze feiten en omstandigheden zijn zonder meer ook in te passen in het samenstel van de art. 3:33 en 3:35 BW; in dat kader zijn tenslotte eveneens alle omstandigheden van het geval van belang. In zoverre is m.i. niet van belang of men de zaak benadert vanuit het kader van de art. 3:33 en 3:35 BW dan wel de Haviltex-maatstaf.”

58 Zie ook HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819, NJ 2018/261, rov. 3.3.2, met verwijzing naar HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, RvdW 2017/309, rov. 3.3.2.

59 Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3.

60 Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3.

61 Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 6, tevens opgenomen bij Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 6.

62 Zie de conclusie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 7: “Uit het proces-verbaal van aangifte waar [eiser] in de dagvaarding naar verwijst, blijkt vervolgens wel dat [eiser] op de hoogte was van het feit dat het chalet vóór 1 oktober 2016 moest zijn weggehaald. Hierop heeft [eiser] echter geen enkele actie ondernomen.” en de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 11: “ [eiser] ontkent ook niet dit bericht te hebben ontvangen. Uit het proces-verbaal van aangifte waar [eiser] in de dagvaarding naar verwijst, blijkt ook dat [eiser] op de hoogte was van het feit dat het chalet vóór 1 oktober 2016 moest zijn weggehaald. Hierop heeft [eiser] echter geen enkele actie ondernomen.”

63 Zie de Akte van 10 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 1: “Toen gedaagde ca. aug. 2016 tekeer ging, ’s nachts ca. 03.00 uur sms-te, dat de camping ontruimd moest worden, of dat er het chalet anders in de container zou belanden (…).”

64 Zie de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1: “ [verweerster 1] wou rust en verlangde ca mid sept. ’16 per SMS tegen middernacht plotsklaps dat alle gasten van de camping af moesten en dat ook [eiser] zijn chalet vóór eind sept. ’16 zou verwijderen en niet meer op de camping zou komen.”, p. 2: “ [verweerster 1] ’s overspannen onredelijk dreigement in de scheidingssituatie van echtpaar [erflater] - [verweerster 1] , in haar sms-bericht op appellant’s telefoon, ca. mid sept. ’16 tegen middernacht, dat appellant zijn nieuw chalet, bouwjaar 2015 verwijderd moest hebben van de camping vóór het einde van de maand sept. ’16.”, en p. 4 (het subonderdeel verwijst in noot 14 ten onrechte naar p. 3): “een van de warrige berichten sept. ’16 van [verweerster 1] .”

65 Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 10-11. Zie ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4 (verklaring [verweerster 1] ).

66 Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 11. Vgl. overigens ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 2 (verklaring [eiser] ), aangehaald in noot 48 hiervoor.

67 Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 2.

68 Akte zijdens [eiser] van 10 januari 2018, p. 1.

69 Zie ook noot 44 hiervoor.

70 Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 47-48.

71 Inleidende dagvaarding zijdens [eiser] , onder 14. De verklaring van [betrokkene 4] en [betrokkene 6] is ingebracht bij de Akte van bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 5. Zie voorts het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 2 (verklaring mr. Van Balen): “Voor de stelling dat [erflater] het chalet wilde kopen voor zijn dochter wordt getuigenbewijs aangeboden.” en p. 2 (verklaring [eiser] ): “Ik heb een bericht gekregen van [verweerster 1] dat het chalet per oktober verwijderd moest worden, [erflater] was daarbij. Later kwam [erflater] daarop terug en zei hij dat hij het chalet over wilde nemen voor zijn dochter.” Zie ook de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 1-2: “ [erflater] vroeg: laat het chalet staan tbv mijn dochter, die veel problemen had met haar moeder, gedaagde, en het huis uit wou. Zie getuigenis- [betrokkene 4] uit [plaats 4] .” [cursivering uit origineel niet overgenomen, A-G] Zie ook de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 2: “ [erflater] zocht huisvesting voor zijn dochter. Dat was moeilijk beschikbaar, of te duur, daarom plande [erflater] om op een andere camping [eiser] ’s chalet te plaatsen voor zijn dochter. [erflater] zei: laat het chalet maar staan op de camping. (…).” Zie verder nog het Verzoek tot aanvulling/verbetering van het proces-verbaal van 30 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 1-2: “Te dubbelzinnig is “later kwam [erflater] daarop terug”. (…) [erflater] zei dat hij het chalet evt. over wilde nemen voor zijn dochter, en later ook: evt. voor zichzelf, te plaatsen op een andere camping ivm de echtscheiding.” [cursivering uit origineel niet overgenomen, A-G] Vgl. noot 18 van de procesinleiding, waarin van de vindplaatsen in eerste aanleg alleen wordt verwezen naar de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] (“Akte 10 januari 2018”) en het Verzoek tot aanvulling/verbetering van het proces-verbaal van 30 januari 2018 zijdens [eiser] (“Akte 30 januari 2018”).

72 Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1, 2, 3 en 7. Zie voorts Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , producties 5 en 17. Productie 32 is opgenomen bij de memorie van grieven zijdens [eiser] . Zie verder nog de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 december 2019 zijdens [eiser] , p. 1: “ [erflater] zei [eiser] , het chalet maar te laten staan op camping- [verweerster 1] . Bijl. 5: Getuigenissen [betrokkene 4] en [betrokkene 4] . Bijl. 32: Getuigenis [betrokkene 5] .” Zie ook noot 18 van de procesinleiding.

73 Zie noot 71 hiervoor.

74 Zie bijv. ook A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:164) voor HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819, NJ 2018/261, onder 2.9, met vele verwijzingen. Zie voorts A-G Hartlief in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:688) voor HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1524, RvdW 2020/1028, onder 3.11, eveneens met vele verwijzingen: “Bij een uitlegvraagstuk als hier aan de orde is het aan de feitenrechter om een knoop door te hakken. Het enkele feit dat een andere dan door het hof gevolgde uitleg ook mogelijk was geweest, is onvoldoende om van een onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel te spreken.”

75 Het subonderdeel verwijst naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3.

76 Het subonderdeel verwijst in noot 20 van de procesinleiding naar vindplaatsen voor die stelling in de gedingstukken zijdens [eiser] .

77 Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 4.

78 Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4.

79 Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 38.

80 Conclusie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 7: “Van mogelijke afspraken omtrent het chalet tussen wijlen [erflater] en [eiser] draagt [erflater] - [verweerster 1] geen enkele wetenschap. De mededeling dat wijlen [erflater] het chalet wilde kopen voor hun dochter is volledig uit de lucht gegrepen. Hier kan de dochter, indien nodig ook over verklaren. Misschien dat wijlen [erflater] dit heeft verklaard, echter de dochter heeft nimmer de intentie gehad in het chalet te gaan wonen en ook nimmer de wens geuit er belang bij te hebben om het chalet te gaan gebruiken.” Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 2 (verklaring mr. Van Weert): “ [erflater] onderhield de contacten met [eiser] .”, p. 3 (verklaring [verweerster 1] ): “Ik wist niets van eventuele contacten tussen [eiser] en [erflater] over het laten staan van het chalet.”

81 Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 9: “In die periode onderhield de partner van [eiser] , [betrokkene 5] , een emotionele verhouding met wijlen [erflater] . Dit trok een enorme wissel op het huwelijk van [erflater] - [verweerster 1] en wijlen [erflater] . Ondanks dat er problemen waren, was er echter nimmer sprake van een echtscheiding. Dit had wel tot gevolg dat bij de afspraken, die werden gemaakt tussen [eiser] en wijlen [erflater] , [erflater] - [verweerster 1] verder niet was/werd betrokken. [eiser] erkent ook dat alle afspraken liepen via wijlen [erflater] .”, en onder 12: “Van mogelijke afspraken omtrent het chalet tussen wijlen [erflater] en [eiser] draagt [erflater] - [verweerster 1] geen enkele wetenschap. De mededeling dat wijlen [erflater] het chalet wilde kopen voor hun dochter is volledig uit de lucht gegrepen. Hier kan de dochter indien nodig, ook over verklaren. Misschien dat wijlen [erflater] dit heeft verklaard, echter de dochter heeft nimmer de intentie gehad in het chalet te gaan wonen en ook nimmer de wens geuit er belang bij te hebben om het chalet te gaan gebruiken.”, en onder 22: “Daarnaast is [eiser] tegenstrijdig in zijn stellingen. Enerzijds vindt hij de mededeling van wijlen [erflater] , voor zover gedaan, dat hij niet per 1 oktober 2016 zou hoeven te vertrekken, voldoende. [eiser] acht deze mededeling voldoende en verifieert dit ook niet nader bij [erflater] - [verweerster 1] . Anderzijds stelt [eiser] dat [erflater] - [verweerster 1] hem had moeten informeren omtrent de bedoelingen van [betrokkene 1] , terwijl wijlen [erflater] hier ook van op de hoogte was en gezien zijn verblijf bij [eiser] in die periode, het meer dan in de rede ligt dat wijlen [erflater] hem dit ook heeft medegedeeld.” Zie verder Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 december 2019 zijdens [verweerster] , onder 6: “Voor wat betreft het verstrekken van inlichtingen stelt [eiser] zelf terecht vast, dat aangenomen mag worden, dus ook door [erflater] - [verweerster 1] , dat wijlen [erflater] , [eiser] ingelicht zou hebben over het voornemen van het weghalen van het chalet, aangezien deze op dat moment ook regelmatig bij [eiser] logeerde. Nu wijlen [erflater] aanwezig was bij het gesprek toen [betrokkene 1] aankondigde het chalet te willen ophalen, mocht [erflater] - [verweerster 1] er dan ook op vertrouwen dat wijlen [erflater] , [eiser] hiervan in kennis heeft gesteld.”

82 Zie ook noten 71-72 hiervoor. Vgl. noot 20 van de procesinleiding.

83 Het subonderdeel verwijst naar art. 7:602 BW.

84 Het subonderdeel verwijst naar art. 7:609 lid 1 BW.

85 Het subonderdeel verwijst naar rov. 5.10-i.

86 Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4.

87 Het subonderdeel verwijst naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43, rov. 3.2.2 en 3.3.3.

88 Het subonderdeel verwijst naar Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 408 (T.M.) en p. 409 (MvT).

89 Het subonderdeel verwijst vergelijkenderwijs naar Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 408 (MvT): “het gezichtspunt dat de hotelhouder in beginsel moet worden gelijkgesteld met de bewaarnemer.”

90 Het subonderdeel verwijst vergelijkenderwijs (over een hotelhouder) naar M.B. de Boer, GS Bijzondere overeenkomsten, Deventer: Wolters Kluwer 2013 (bijgewerkt t/m 1 juni 2013), art. 7:609 BW, aant. 1, waarbij in het subonderdeel verder wordt opgemerkt dat een campingexploitant er, net zoals een hotelhouder, zijn beroep van maakt om in zijn inrichting nachtverblijf te verschaffen voor één of meer nachten en het daarbij ook kan gaan om een ‘volkslogement’, onder verwijzing naar Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 412 (MvA I).

91 Het subonderdeel verwijst vergelijkenderwijs naar Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 412 (Nota II) en voorts -“zie ook”- naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 4.

92 Asser/A.C. van Schaick, Bewaarneming, borgtocht, vaststellingsovereenkomst, bruikleen, altijddurende rente, spel en weddenschap (7-VIII), Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 6.

93 Zie verder bijv. De Boer 2013, titel 9 Boek 7 BW, aant. 5 en N.E. Groeneveld-Tijssens, Bewaarneming, Deventer: Wolters Kluwer 2020, nrs. 8-9.

94 Zie over dat onderscheid met betrekking tot de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, RvdW 2020/1176, 3.2.2 en 3.3.3, onder verwijzing naar het in noot 87 hiervoor aangehaalde arrest (met betrekking tot kwalificatie van een pachtovereenkomst).

95 Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4.

96 Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4.

97 Zie ook Asser/Van Schaick 2018, nr. 5: “Voor bewaarneming is essentieel dat de overeenkomst ertoe strekt dat de macht die de bewaarnemer over de zaak heeft - in beginsel uitsluitend - staat in het teken van bewaring en verzorging van de zaak. Dat verschaft de overeenkomst het karakteristieke verschil met overeenkomsten en feitelijke situaties die overigens trekken van bewaarneming hebben.” Zie over het onderscheid tussen huur en bewaarneming dat “doorgaans relevant [wordt] zodra de zaak is beschadigd of verloren is geraakt” bijv. ook Groeneveld-Tijssens 2020, nr. 8, met verwijzingen.

98 Parl. Gesch. BW. Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 412 (MvA I). Zie ook De Boer 2013, art. 7:609 BW, aant. 2.1, met verdere verwijzingen.

99 Parl. Gesch. BW. Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 409 (MvT).

100 Aldus De Boer 2013, art. 7:609 BW, aant. 1, met verwijzing.

101 Vgl. hierover bijv. ook Asser/Van Schaick 2018, nr. 51, met verwijzingen: “Ooit was de ratio van de bijzondere aansprakelijkheid van de hotelhouder (herbergier of logementhouder) gelegen in diens ongunstige reputatie: het was een notoir feit dat men in hotels een aanmerkelijk risico liep op diefstal en beroving, terwijl de reiziger toch vaak op het verblijf in het desbetreffende hotel was aangewezen. (…) Art. 1746 BW (oud) kwalificeerde de bewaring van de zaken van reizigers dan ook als “eene bewaargeving uit noodzaak”. (…) [Z]elf meen ik ook dat art. 7:609 BW in haar huidige vorm en op haar huidige plaats een vreemde ee[nd] in de bijt is.”

102 Parl. Gesch. BW. Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 409 (MvT) en p. 412 (MvA I).

103 Parl. Gesch. BW. Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 412-413 (MvA I).

104 In de procesinleiding, p. 8 (noot 28 aldaar). Zie C.E. du Perron in Pitlo/A.L. Croes e.a., Bijzondere overeenkomsten, Deventer: Gouda Quint 1998, p. 305-306. Zie met Du Perron instemmend ook Asser/Van Schaick 2018, nr. 51. Vgl. De Boer 2013, art. 7:609 BW, aant. 1, met verdere literatuurverwijzingen.

105 De daartegen gerichte cassatieklachten in onderdeel 2 zijn tevergeefs voorgesteld.

106 De daartegen gerichte cassatieklachten in onderdeel 1 zijn tevergeefs voorgesteld.

107 De uitwerking van die stelling door [eiser] geeft het hof weer in rov. 5.6.2.

108 Zie bijv. de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1, mede onder verwijzing naar zijn appeldagvaarding van 17 april 2018, over zijn “stellingen inz. 6 jaar campingovereenkomst met het echtpaar [erflater] - [verweerster 1] , geïntimeerden, en hun zorgplicht daaruit voortvloeiend, en ook los daarvan (…).” In die appeldagvaarding is de grondslag van zijn vordering uitgewerkt onder 11-17. Onder 11 gaat [eiser] uit van “een zorgplicht in een contractuele huur-band. Een campingovereenkomst is een soort species van het genus huur” (zie ook de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4, noten 95-96 hiervoor en noten 111 en 114 hierna), wat onder 12 onder meer als volgt wordt uitgewerkt: “In de camping-rechtsverhouding, en subsidiair in de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, heeft de campinghouder, geïntimeerde, temeer [verweerster 1] , (…) een zorgplicht om [eiser] (…) in te lichten over [betrokkene 1] pretenties, die [eiser] grote schade zouden berokkenen.” [cursivering uit origineel niet overgenomen, A-G] Onder 16 wordt daar onder meer aan toegevoegd: “Echter ook buiten een contractuele band zoals in een campingovereenkomst, is er een zekere zorgplicht, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt.” Deze uitwerking strookt ook met de weergave van de stellingen van [eiser] door het hof in rov. 5.6.2 en 5.6.3. Niet (ook) is door [eiser] aangevoerd, kort gezegd, dat en waarom na een eerdere beëindiging van de door hem bedoelde campingovereenkomst (contractuele band) niettemin toch nog sprake zou zijn van een daarmee verband houdende (contractuele) zorgplicht in de relevante periode. Een dergelijk (kenbaar) betoog omtrent een dergelijke te onderscheiden situatie heb ik niet aangetroffen in het procesdossier (had [eiser] (ook) daarop een gericht beroep willen doen, dan had het logischerwijs op zijn weg gelegen dit aan te voeren). Het subonderdeel wijst daarop ook niet (laat staan met vindplaatsen). Voor dat geval (waarin in de relevante periode geen sprake (meer) is van een voortdurende overeenkomst, in het bijzonder de campingovereenkomst) lijkt [eiser] (dus) te zijn uitgegaan van een buitencontractuele benadering (via art. 6:162 BW). Ik lees in de gedingstukken van [verweerster] ook niet dat zij dit anders heeft begrepen. Zie bijv. de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 38 en de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 december 2019 zijdens [verweerster] , onder 3-10. Zie daarover dus het hof in rov. 5.6.2-5.6.3 en rov. 5.10-5.11. Zie overigens ook de overwegingen van het hof rov. 5.4, in cassatie onbestreden.

109 Dat het hof de gedingstukken aldus heeft uitgelegd, is geenszins onbegrijpelijk. Zie mede de vorige noot.

110 Dat brengt het hof vervolgens bij de door [eiser] gevolgde buitencontractuele benadering (via art. 6:162 BW), waarover rov. 5.6.3 en rov. 5.11.

111 Het subonderdeel verwijst voor deze stelling naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 4: “[C]ontractspartijen moeten met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening houden.”

112 Het subonderdeel verwijst naar art. 6:2 lid 1 BW en art. 6:248 lid 1 BW.

113 Het subonderdeel verwijst naar R.P.J.L. Tjittes in nrs. 5-6 van zijn noot onder HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7024, JOR 2008/23 (met verwijzing naar HR 12 november 1957, ECLI:NL:HR:1957:AG2023, NJ 1958/67 en HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, NJ 2005/467).

114 Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 4: “Hieruit volgt dat beide campingbeheerders- en campingeigenaars-echtelieden [erflater] - [verweerster 1] deze beheerdersplicht hebben, schade voor gasten te voorkomen, opdat de gasten het overeengekomen en betaald gebruik, genot en eigendom van hun kampeermiddelen op de camping behouden.” [hoofdlettergebruik en onderstreping niet overgenomen uit origineel, A-G]

115 Aldus R.P.J.L. Tjittes in nr. 6 bij JOR 2008/23. Overigens wijs ik erop dat de casus waarover deze noot gaat een wezenlijk andere is dan de onderhavige, mede gelet op het feit dat in het onderhavige geval, voor zover al sprake is geweest van een overeenkomst tussen [eiser] en [verweerster] (de campingovereenkomst), aan die overeenkomst reeds in oktober 2016 een einde gekomen en daarvoor geen andere overeenkomst (zoals een overeenkomst tot bewaarneming) in de plaats is gekomen (rov. 5.10-ii).

116 Zie noten 111 en 114 hiervoor.

117 Ik wijs er overigens nog op dat in rov. 5.11-iv het hof onder meer overweegt dat “[b]ij de beoordeling van de vraag of op [verweerster 1] in dit geval een uit het ongeschreven recht voortvloeiende verplichting rustte om [eiser] in te lichten, het aan[komt] op een weging van alle omstandigheden van het geval. Het hof is van oordeel dat in dit geval een dergelijke waarschuwingsplicht niet op [verweerster 1] rustte.” M.i. valt zonder meer niet in te zien waarom het hof, als het daarover wel te oordelen zou hebben gehad in het kader van - kort gezegd - art. 6:74 BW, tot een ander oordeel was gekomen bij een weging van alle feiten en omstandigheden van het geval geplaatst in de sleutel van (ambtshalve beoordeling van) de redelijkheid en billijkheid. Het subonderdeel zwijgt daarover.

118 Het subonderdeel verwijst naar HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136.

119 Het subonderdeel verwijst naar HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659.

120 Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1, waar een aankoopbedrag van € 25.000,-- wordt genoemd (zie voor de desbetreffende passage bij noot 13 hiervoor) en naar rov. 3.2 (zie ook onder 1.2 hiervoor), waaruit blijkt dat [eiser] het chalet in 2015 met instemming van [verweerster 1] en [erflater] op de camping heeft geplaatst.

121 Zie bijv. K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (bijgewerkt t/m 1 december 2020), art. 6:162 BW, aant. 6.3.1 en 6.3.3, met verdere verwijzingen.

122 Zie bijv. Jansen 2020, art. 6:162 BW, aant. 6.3.9.7, met verdere verwijzingen.

123 T. Hartlief, ‘Vooruitgang in het recht’, RMThemis 2019-1, p. 20-21.

124 Zie noot 118 hiervoor. De desbetreffende overweging luidt als volgt: “dat daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen;”.

125 HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013/366, rov. 3.4. Het gaat hier om “een getrouwe parafrase van het Kelderluik-arrest, in iets modernere bewoordingen” [cursivering in origineel, A-G] ofwel “de taalkundig geactualiseerde ‘Kelderluik 2.0’”, aldus K.J.O. Jansen, ‘Hoe luiden de kelderluikfactoren?’, NTBR 2018/14, p. 99-100. Vgl. de vorige noot voor de oorspronkelijke formulering.

126 HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6934, NJ 2006/244, rov. 3.3. Jansen 2018, p. 100 spreekt hier van “de inhoudelijk vernieuwde ‘Kelderluik 3.0’”, daarbij overigens een voorkeur uitsprekend voor de 2.0-formulering als bedoeld in de vorige noot: “Ik beschouw de vernieuwingen van ‘Kelderluik 3.0’ niet als verbeteringen.”

127 Zie in lijn hiermee rov. 5.1.7 van het vonnis van de rechtbank: “Hoewel [verweerster 1] ter zitting heeft verklaard dat zij vindt dat [eiser] over die aankondiging van [betrokkene 1] ingelicht moest worden, betekent dat nog niet dat zij daartoe (op basis van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt) verplicht was. Zulks mocht gezien de omstandigheden niet zonder meer van haar worden gevergd.” [cursivering in origineel, A-G] Zie ook onder 2.7 hiervoor. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 3 (verklaring [verweerster 1] ) blijkt onder meer: “Ik ging ervan uit dat [erflater] contact op zou nemen met [eiser] over het feit dat [betrokkene 1] langs was geweest en het chalet zou komen op halen. Ik vond het wel nodig dat [eiser] ingelicht zou worden. Ik weet niet waarom [erflater] het niet heeft verteld aan [eiser] (…).”

128 Zie noten 15-16 hiervoor.

129 Zie noot 120 hiervoor.

130 Het subonderdeel verwijst naar HR 22 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5503, NJ 1975/149 en vergelijkenderwijs naar Asser/C.H. Sieburgh, De verbintenis uit de wet (6-IV), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 74. Het subonderdeel verwijst voorts naar G.J. Scholten in zijn noot bij dat arrest: “Bij een speciale relatie met de plaats van de gevaarssituatie valt het moeilijk aan iets anders te denken dan aan een rechtsverhouding, bijv. eigenaar zijn of huurder of beheerder van de plaats van de gevaarssituatie.”

131 Jansen 2020, art. 6:162 BW, aant. 6.6.2.1.

132 Het subonderdeel verwijst vergelijkenderwijs naar rov. 5.6.2. Zie ook onder 3.1 hiervoor.

133 Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1 en p. 3 en het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4. Volgens het subonderdeel blijkt verder uit de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 16 dat [verweerster 1] heeft erkend dat zij het sms-bericht van 25 december 2016 heeft verstuurd.

134 Het subonderdeel verwijst naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4 en p. 5.