Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:898

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-06-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
19/05701
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1391
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit meerdere hennepkwekerijen en deelname aan criminele organisatie. 1. Heeft betrokkene voordeel genoten uit misdrijven die binnen criminele organisatie door anderen zijn gepleegd? 2. Bewijsklacht. Heeft betrokkene vanaf 1-7-2013 w.v.v. genoten uit opbrengsten van hennepkwekerij in bepaalde woning? 3. Toerekening w.v.v. Heeft hof vastgestelde verdeelsleutel, waarmee 50% van opbrengst van hennepkwekerijen aan betrokkene wordt toegerekend, voldoende gemotiveerd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/05436, 19/05515, 19/05652 en 19/05868 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05701 P

Zitting 29 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de betrokkene.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 december 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 1.914.602,28. Na aftrek wegens een overschrijding van de redelijke termijn, heeft het hof aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.723.142,05.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/05515, 19/05652, 19/05436, 19/05868, 20/00502 en 20/00543. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat de betrokkene als leider van een criminele organisatie – een feit waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld – wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit misdrijven die binnen die organisatie door anderen zijn gepleegd. Volgens de steller van het middel is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit de kwekerijen op de locaties Utrecht, Hilversum I en de Bilt.

5. Het bestreden arrest houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:1

“Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van de hennepkwekerijen in de Bilt en Hilversum I door veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel is behaald. Op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad en de veroordeling van medeverdachte [betrokkene 6] kunnen de hennepkwekerijen op deze locaties niet bij de ontneming worden betrokken. Ten aanzien van de hennepkwekerij in Utrecht is betoogd dat veroordeelde niet in verband met deze hennepplantage kan worden gebracht gedurende de periode dat deze in werking is geweest. Ten aanzien van de hennepkwekerij in Veenendaal I is aangevoerd dat veroordeelde pas na de brand van 6 juni 2014 bij deze hennepplantage betrokken is geraakt. Verder is naar voren gebracht dat geen rekening is gehouden met periodes van stilstand in de hennepkwekerijen (tussen oogst en nieuwe kweek) en is een alternatieve wijze van elektriciteitsverbruik berekend door veroordeelde op grond waarvan hij tot een lager aantal oogsten komt. Tot slot is verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

De grondslag voor het opleggen van de ontnemingsmaatregel

De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 25 oktober 2016 (parketnummer 16-701385-14) veroordeeld onder meer terzake van:

- als leider deelnemen aan organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, en artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet en

- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

(…)

Uit de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Veroordeelde heeft wederrechtelijk voordeel verkregen als medepleger van de hennepteelt van de kwekerij aan de [a-straat 1] te Veenendaal (Veenendaal I) en de [b-straat 1] te Hilversum (Hilversum II). Daarnaast heeft veroordeelde wederrechtelijk voordeel verkregen als leider van de criminele organisatie, waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld. Voor de grondslag hiervan verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD6046), waarin onder meer het volgende is overwogen: “(…)”.

Veroordeelde is als leider van de criminele organisatie betrokken geweest bij een aantal andere hennepkwekerijen naast de zojuist genoemde kwekerijen.

In de strafzaak van veroordeelde zijn bij de criminele organisatie als plaatsen waar de feiten zijn gepleegd bewezen verklaard: Utrecht, Hilversum, Veenendaal, de Bilt, Alkmaar en Lede. Als mededaders zijn genoemd: [betrokkene 1], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Deze mededaders zijn in hun eigen strafzaak veroordeeld voor deelneming aan de criminele organisatie en voor hun betrokkenheid als medepleger of medeplichtige bij de hennepteelt op de hiervoor genoemde locaties. Het hof overweegt omtrent de hennepkwekerijen waarbij veroordeelde op de vermelde plaatsen (ook) betrokken is geweest en waaruit hij ook voordeel heeft verworven het volgende.

De [c-straat 1] te Utrecht

Veroordeelde heeft dit pand gehuurd van 1 juli 2011 tot en met 1 juli 2012. De huur is voortgezet door medeverdachte [betrokkene 5] die door veroordeelde was voorgedragen als nieuwe huurder. De aanhangwagen van een bedrijf van veroordeelde ([A] BV) is in de loods aangetroffen. Medeverdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 1] hebben de roldeur van de loods vernield, waarna zij contact hebben opgenomen met veroordeelde. Veroordeelde heeft de monteur die reparaties aan de deur moest verrichten aanwijzingen gegeven hoe hij bij het pand moest komen. Daarnaast blijkt uit afgeluisterde (telefoon) gesprekken dat veroordeelde met mededaders [medeverdachte 1], [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2] in de schuur bij zijn woning over de hennepplantage op deze locatie heeft gesproken.

De [b-straat 1] te Hilversum (Hilversum I)

Het pand op deze locatie werd sinds 1 april 2012 gehuurd door medeverdachte [betrokkene 5]. [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij een katvanger was en 500 euro per maand ontving voor het huren van deze loods. Medeverdachte [betrokkene 4] heeft hem als huurder voorgedragen en door tussenkomst van [betrokkene 6] is de loods op zijn naam gezet. Op de computer van [medeverdachte 1] zijn valse loonstroken aangetroffen voor [betrokkene 5]. Na [betrokkene 5] hebben medeverdachten [betrokkene 2] (vanaf 1 mei 2014) en [betrokkene 7] (vanaf 17 augustus 2014) deze loods in Hilversum gehuurd. Zij zijn eveneens door [betrokkene 4] als huurder aangedragen. Zij zijn eveneens als katvanger gebruikt en zij zijn hiervoor veroordeeld. [betrokkene 4] en [betrokkene 6] zijn beiden een contact van veroordeelde en hebben tussen 6 juli 2013 en 23 januari 2014 in ieder geval 35 keer telefonisch contact met hem gelegd. Veroordeelde is bovendien herkend als bestuurder van een voertuig dat in de directe nabijheid van deze hennepplantage stond geparkeerd.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vaststelling van feiten in de strafzaak tegen [betrokkene 6] de mogelijkheid uitsluit om de betrokkenheid van anderen bij deze hennepkwekerij vast te stellen.

Het hof verwerpt dit verweer. De veroordeling van een ander persoon voor betrokkenheid bij deze hennepkwekerij staat niet aan de betrokkenheid van veroordeelde voor deze kwekerij in de weg. Het oordeel over de relatie van [betrokkene 6] tot deze hennepkwekerij is gebaseerd op de gegevens in het dossier van diens strafzaak. Een dergelijk oordeel bindt het hof niet bij de beoordeling van de betrokkenheid van veroordeelde bij deze hennepkwekerij op basis van het dossier in diens eigen zaak.

De [d-straat 1] in De Bilt

Bij de hennepplantage die op dit adres is aangetroffen is op aluminiumtape bij een achterwand van de hennepplantage een dactyloscopisch spoor van veroordeelde veiliggesteld. In de hennepkwekerij is een telefoon aangetroffen waarbij in de kalender van de telefoon als notitie is vermeld: ‘[betrokkene 8] kleinzoon dopen [betrokkene 9]’. [betrokkene 8] is de vrouw van veroordeelde, de roepnaam van veroordeelde is [betrokkene] en hun kleinzoon wordt ‘[betrokkene 9]’ genoemd. Verder onderhield de eigenaar van het pand per telefoon en sms contact met veroordeelde. De schoonmaakster van veroordeelde is ook in het pand geweest. Bovendien is veroordeelde herkend als bestuurder van een voertuig dat achter mededaders [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] aanreed die van de [c-straat] in Utrecht naar de hennepplantage in De Bilt reden, en stond het voertuig van veroordeelde daar in de nabijheid geparkeerd.

In een OVC-gesprek tussen veroordeelde en [medeverdachte 1] van 3 februari 2015 zegt veroordeelde: ‘Ze zitten er waarschijnlijk al twee jaar op. Toch? Vanaf september is het in één keer heel rustig en ik word niet gehaald. Ik kan het niet meer volgen. Maar wat het ook is, dit is het centrale punt toch? Als ze het al willen pakken moeten ze hier beginnen.’

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de organisatie waaraan veroordeelde leiding gaf bij voormelde kwekerijen was betrokken. Uit de hieronder weergegeven berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de gehanteerde verdeelsleutel komt naar voren dat de organisatie financieel voordeel heeft behaald en dat veroordeelde daadwerkelijk heeft gedeeld in de opbrengst van de hennepteelt. Het hof zal het uitgangspunt hanteren dat veroordeelde bij elk van deze hennepkwekerijen (Hilversum I, Hilversum II, Veenendaal I, De Bilt en Utrecht) gedurende de gehele in de bewezenverklaarde periode (vanaf 1 april 2012 tot en met 19 februari 2015) betrokken is geweest.

Aantal oogsten per hennepkwekerij

(…)

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

(…)

Verdeelsleutel

Op de laptop van medeverdachte [betrokkene 3] is een Excel-bestand aangetroffen. Dit bestand is gemaakt op een computer met de naam ‘[medeverdachte 1]’ (overeenkomstig de voornaam van medeverdachte [medeverdachte 1]). Uit het Excel-bestand leidt het hof af dat het een overzicht betreft van de kosten, opbrengsten en verdeelsleutel van de winst bij een hennepkwekerij. De bedragen en afkortingen die zijn vermeld houden naar het oordeel van het hof verband met hennepteelt. Zo komt het hof tot de volgende betekenis van de afkortingen: SI: slapen, St: stekken, Kn: knippen, Dr: drogen, Hu: huur, Di: diversen. Dat dit Excel-bestand een andere betekenis zou toekomen is door geen enkele verdachte in hoger beroep gesteld, noch is dit anderszins gebleken of aannemelijk geworden. Met betrekking tot de verdeling kan uit deze berekening worden geconcludeerd dat 50% van de netto opbrengst door één persoon wordt ontvangen en de overige 50% onder drie personen wordt verdeeld.

Volgens het hof valt niet uit te sluiten dat andere, onbekende personen, delen in de netto opbrengst van de hennepkwekerij. Het hof heeft acht geslagen op de rol die veroordeelde heeft vervuld als medepleger bij het telen van hennep op de locaties in Veenendaal I en Hilversum II. Daarnaast is rekening gehouden met de positie van veroordeelde in de criminele organisatie als leidinggevend figuur. De veroordeelde wordt beschouwd als de investeerder en om die reden is het ook aannemelijk dat Tel uit elke hennepkwekerij meer voordeel heeft genoten dan zijn medeverdachten. Op grond van deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat aan veroordeelde 50% van de netto opbrengst moet worden toegerekend. Dit betreft 50% van de netto opbrengsten van de hennepkwekerijen op de locaties Veenendaal I, Hilversum II, Hilversum I, De Bilt en Utrecht.

Veenendaal I: € 579.371,64,- (50% van 30 oogsten ter hoogte van € 1.158.743,28)

Hilversum II: € 48.726,64,- (50% van 1 oogst ter hoogte van € 97.453,28)

Hilversum I: € 935.075,52,- (50% van 8 oogsten ter hoogte van € 1.870.151,04)

Utrecht: € 291.159,18,- (50% van 9 oogsten ter hoogte van € 582.318,36)

De Bilt: € 60.269.30,- (50% van 7 oogsten ter hoogte van € 120.538,60)

Totaal: € 1.914.602,28,-

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 1.914.602,28 (éénmiljoennegenhonderdveertienduizendzeshonderdtwee euro en achtentwintig eurocent).”

6. In HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1977, heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe – ingeval een betrokkene veroordeeld is voor lidmaatschap aan een criminele organisatie – de toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel aan die betrokkene kan verlopen:2

“2.3.1

De omstandigheid dat het door een criminele organisatie verkregen wederrechtelijk voordeel mede afkomstig is uit concrete strafbare feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken, doet niet af aan de mogelijkheid van ontneming van het door de betrokkene uit zijn deelneming aan die criminele organisatie verkregen voordeel. Voor deelneming aan een criminele organisatie is immers niet vereist dat de deelnemer strafbaar betrokken is geweest bij strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald. (Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878.)

2.3.2

In het geval er verscheidene daders zijn, zal de rechter niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. Dat betekent niet dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen en evenmin dat pondspondsgewijze toerekening, ingeval de rechter wel tot een verdeling komt, dan op zichzelf het uitgangspunt dient te vormen. De omstandigheden van het geval zijn in deze beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt bovendien gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene. (Vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667.)”

7. Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene leiding gaf aan de criminele organisatie die zich (onder meer) bezighield met de hennepkweek op de locaties Utrecht, Hilversum I en De Bilt. Het hof heeft in dat verband laten zien dat de betrokkene met deze kwekerijen ook rechtstreekse bemoeienis heeft gehad. Bovendien is de betrokkene in de hoofdzaak veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijke hennepteelt in de kwekerijen Veenendaal I en Hilversum II. Na een berekening van het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel uit de genoemde kwekerijen, heeft het hof 50% van dit voordeel aan de betrokkene toegerekend. De grondslag voor deze verdeelsleutel is volgens het hof te vinden in (i) de rol die betrokkene heeft vervuld als medepleger bij het telen van hennep op de locaties in Veenendaal I en Hilversum II, en (ii) de leidinggevende positie van de betrokkene in de criminele organisatie. Volgens het hof is de betrokkene te beschouwen als de investeerder en is het om die reden ook aannemelijk dat hij uit elke hennepkwekerij meer voordeel heeft genoten dan zijn medeverdachten.3

8. In hoger beroep is de inhoud van het aangetroffen Excel-bestand (bewijsmiddel 2) niet door de verdediging bestreden. Het verweer heeft in hoofdzaak bestaan uit blote ontkenningen ten aanzien van wetenschap van, betrokkenheid bij, c.q. behaalde winst uit de kwekerijen op de locaties Utrecht, Hilversum I en De Bilt.4 De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof aan de betrokkene gevraagd of hij bekend is met het Excel-overzicht en de daarop vermelde verdeling. De raadsman heeft daarop geantwoord dat de betrokkene zich op het standpunt stelt dat hij minder dan 30% van de opbrengst heeft verdiend. Deze verweren zijn uiteindelijk op generlei wijze concreet en verifieerbaar onderbouwd.5

9. Tegen deze achtergrond getuigt het oordeel van het hof mijns inziens niet van een verkeerde rechtsopvatting en is het ook afdoende gemotiveerd.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de betrokkene vanaf 1 juli 2013 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de opbrengsten van de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] te Veenendaal niet, althans onvoldoende blijkt uit de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen.

12. Op de inhoudelijke terechtzitting van het hof van 29 oktober 2019 heeft de betrokkene betoogd dat hij pas na de brand van 6 juni 2014 is ingestapt in de kwekerij op de locatie Veenendaal en derhalve niet reeds vanaf 1 juli 2013 voordeel heeft behaald.6 Ook het verweer van de raadsman hield in dat de betrokkene voorafgaand aan de brand geen betrokkenheid had bij deze kwekerij.7

13. Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

“De [a-straat 1] in Veenendaal (Veenendaal I)

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte pas na de brand die heeft plaatsgevonden bij deze hennepkwekerij betrokken is geraakt. Dit standpunt wordt ondersteund door de verklaringen die door getuigen [betrokkene 10] en [medeverdachte 2] zijn afgelegd.

Het hof verwerpt het verweer. Uit de veroordeling in de strafzaak van veroordeelde blijkt dat medeverdachte [betrokkene 2] Unit [001] van de loods in Veenendaal I sinds 1 juli 2013 heeft gehuurd. De huursom is vanaf die datum telkens door veroordeelde aan [betrokkene 2] verstrekt. Daarnaast acht het hof de stelling van de verdediging ongeloofwaardig. Het is volstrekt onaannemelijk dat de beweerdelijke andere eigenaars van deze hennepkwekerij na de brand hun plaats en winst zo maar zouden hebben afgestaan aan veroordeelde. Het hof ziet ook overigens geen concrete aanknopingspunten die het standpunt van de verdediging onderschrijven. De verklaring die door de getuigen [betrokkene 10] en [medeverdachte 2] in dit verband zijn afgelegd acht het hof ongeloofwaardig, gelet op hun eigen betrokkenheid bij deze hennepplantage. Het hof is dan ook van oordeel dat veroordeelde sinds 1 juli 2013 hierbij betrokken is geraakt en niet vanaf de datum van de brand die heeft gewoed.”

14. Dit verweer – dat de betrokkene pas na de brand zou zijn ingestapt – was al eens gevoerd in de strafzaak en de ontnemingszaak in eerste aanleg. De ontnemingsrechter in eerste aanleg heeft dit verweer verworpen met de volgende motivering:8

“Unit [001] van het pand aan de [a-straat 1] in Veenendaal, waar de kweekruimten van hennepkwekerij Veenendaal I zich bevonden, werd sinds 1 juli 2013 gehuurd door [betrokkene 2]. Uit het vonnis in de strafzaak volgt dat de huur voor de ruimte afkomstig was van veroordeelde. De rechtbank gaat er bij de berekening van het voordeel dan ook vanuit dat veroordeelde sinds 1 juli 2013 betrokkenheid heeft gehad bij hennepkwekerij Veenendaal I en niet pas na de brand op 6 juni 2014.”

15. Op pagina 4 van het strafvonnis waarnaar de ontnemingsrechter verwijst, staat het volgende:9

“De ruimten in het pand aan de [a-straat 1] in Veenendaal werden sinds 1 juli 2013 (units [002] en [001]) en 15 juni 2014 (unit [003]) gehuurd door [betrokkene 2] (hiema: [betrokkene 2]).

[betrokkene 2] heeft hierover verklaard dat hij Veenendaal op zijn naam had staan en dat hij katvanger was. Er was hem gevraagd om dit op naam te zetten.

Verhuurder [betrokkene 10] heeft, behalve [betrokkene 2], ook een paar keer een kale man gezien, met wie hij één keer over de huur heeft gesproken. Volgens [betrokkene 2] kwam het geld van de huur van die kale. [betrokkene 10] heeft eenmaal het bedrag voor de huur van die kale contant betaald gekregen. Het zou kunnen dat die kale man [betrokkene] heet.

De voornaam van verdachte is [betrokkene].”

16. In de voetnoten bij dit strafvonnis staan de bewijsmiddelen vermeld, waaronder (in voetnoot 10) de verklaring van de verhuurder [betrokkene 10] dat volgens [betrokkene 2] het geld voor de huur van het pand afkomstig was van de veroordeelde.10

17. Dit bewijsmiddel zelf, althans een nauwkeurige verwijzing daarnaar, bevindt zich niet onder de bewijsmiddelen die het hof heeft opgenomen in (de aanvulling op) het verkorte ontnemingsarrest. In zoverre klaagt het middel terecht. Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden, wegens gebrek aan belang. Na vernietiging en terugwijzing kan het hof dit bewijsmiddel immers alsnog opnemen, terwijl het evident is waaraan het hof het redengevende feit heeft ontleend.

18. Bovendien merk ik op dat de veroordeelde niet in hoger beroep is gegaan tegen het strafvonnis. Dan gaat het mijns inziens niet aan om in de ontnemingsprocedure in hoger beroep een verweer te voeren dat (deels ook) thuishoort in de strafzaak. Het verweer ziet immers op het aanvangsmoment van de deelneming van de verdachte/betrokkene aan de opzettelijke teelt in hennepkwekerij Veenendaal I. De strafrechter heeft onherroepelijk vastgesteld dat de betrokkene vanaf 1 juli 2013 de facto de huursom voor het pand betaalde. Dat het hof – met de rechtbank – in de ontnemingsprocedure van die vaststelling is uitgegaan vind ik dan ook geenszins onbegrijpelijk,11 nog daargelaten dat die vaststelling slechts is weersproken door de betrokkene met een weinig geloofwaardige, eigen versie van de gebeurtenissen, en slechts onderbouwd met verklaringen van getuigen die zelf ook bij de hennepplantage betrokken waren.12

19. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

20. Het derde middel klaagt tot slot dat het hof de vastgestelde verdeelsleutel, waarmee 50% van de opbrengst van de hennepkwekerijen aan de betrokkene wordt toegerekend, onvoldoende heeft gemotiveerd.

21. Deze klacht faalt in hoofdzaak reeds op grond van hetgeen ik hierboven heb besproken bij de beoordeling van het eerste middel. In aanvulling daarop nog het volgende. Ik kan de steller van het middel niet volgen in het standpunt dat de betrokkene geen rekening behoefde te houden met het gebruik door het hof van de verdeelsleutel zoals die uit het Excel-bestand naar voren komt, noch in de stelling dat het hof zou hebben miskend dat de betrokkene het Excel-bestand heeft betwist.

22. Nogmaals, en zoals de steller van het middel zelf ook constateert, is het Excel-bestand en het daaruit voortvloeiende vermoeden omtrent de verdeling van de criminele winsten, op de zitting van het hof aan de betrokkene en zijn raadsman voorgehouden. Het enige dat de verdediging daartegenover heeft gesteld is het – verder niet onderbouwde – standpunt dat de betrokkene minder dan 30% van de opbrengst zou hebben verdiend. De klacht dat de betrokkene er geen rekening mee behoefde en kon houden dat het hof de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het Excel-bestand zou baseren, kan tegen deze achtergrond nergens toe leiden.

23. Dan de vermeende feitelijke onjuistheid van de vaststelling van het hof dat de betrokkene de inhoud van het Excel-bestand niet heeft betwist. Deze klacht berust mijns inziens allereerst op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft immers niet overwogen dat de betrokkene de inhoud van het Excel-bestand niet heeft betwist. Wat het hof wel heeft overwogen is dat door geen enkele verdachte is gesteld dat aan dit Excel-bestand een andere betekenis zou toekomen. Dat is wat anders.

24. Bovendien heeft de betrokkene ten aanzien van zijn voordeel uit de kwekerij op de locatie Hilversum II ter terechtzitting verklaard dat het niet klopt dat hij daar 50% voordeel heeft behaald, maar slechts 30%. Ten eerste is dat een betwisting van het vermeende voordeel uit die ene kwekerij, die mijns inziens niet zonder meer breder getrokken kan worden in die zin dat zij moet worden begrepen als een (gemotiveerde) betwisting van de inhoud van het Excel-bestand. Ten tweede valt dit specifieke verweer ten aanzien van het voordeel uit de kwekerij Hilversum II inhoudelijk goeddeels samen met het algemene verweer in antwoord op het voorhouden van het Excel-bestand ter zitting: ‘ik heb (minder dan) 30% voordeel behaald’. Deze stellingen van de betrokkene ontberen elke feitelijke, verifieerbare onderbouwing. Het wekt dan ook geen verbazing dat de betrokkene het hof er niet van heeft kunnen overtuigen dat hij maar 30% winst opstreek of minder. Noch is onbegrijpelijk dat het hof zijn stellingname niet heeft opgevat als een uitdrukkelijk gemotiveerd verweer ter betwisting van de inhoud van het Excel-bestand en het daaruit rijzende vermoeden omtrent de verdeelsleutel.

25. Het middel faalt.

26. Het eerste, tweede en het derde middel falen en lenen zich voor afdoening met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De aanvulling op het verkort arrest bevat 40 bewijsmiddelen, waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs.

2 Vgl. ook HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878, NJ 2015/326 m.nt. Reijntjes; HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667, NJ 2009/19; HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8491, NJ 2006/63. Zie ook mijn opmerkingen over het ontnemen van wederrechtelijk voordeel aan een betrokkene via zijn deelneming aan een criminele organisatie in mijn conclusie vóór HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:367, NJ 2021/123 (PHR:2021:59).

3 Dit oordeel getuigt noch van een onjuiste rechtsopvatting, noch is het onbegrijpelijk, vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1118, NJ 2016/493 m.nt. Keulen, ro. 2.4.1, en de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voor dit arrest, onder punten 16-21 (PHR:2016:397).

4 Vgl. p. 2-4 van het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 29 oktober 2019.

5 Zie p. 4 van hetzelfde proces-verbaal. De pleitnotities in hoger beroep wijzen uit dat het verweer voornamelijk berust op de onjuiste rechtsopvatting dat bij de toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel uit het lidmaatschap van een criminele organisatie, uit de bewijsmiddelen moet blijken dat de betrokkene feitelijk deelde in de opbrengst van door anderen gepleegde misdrijven en dat derhalve bij de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel “geen sprake kan zijn van een aanname of een schatting”. Het eerste middel van de cassatieschriftuur baseert zich eveneens op deze onjuiste rechtsopvatting.

6 Zie p. 3 van het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 29 oktober 2019.

7 Zie p. 4-7 van de pleitnotities in de ontnemingszaak in hoger beroep van 29 oktober 2019.

8 Zie het ontnemingsvonnis van 25 oktober 2016 van de rechtbank Midden-Nederland, p. 8-9.

9 Zie p. 4 van het strafvonnis (Promis-vonnis) van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland van 10 maart 2016, hier overgenomen zonder de voetnoten.

10 De verklaring van [betrokkene 10] van 4 maart 2015, pagina 993, zaaksdossier Veenendaal I.

11 Voorts verdient opmerking dat de ontnemingsrechter gehouden is aan de beslissingen van de rechter in de strafzaak voor zover deze relevant zijn in de ontnemingszaak, alsmede dat verweren tegen beslissingen in de hoofdprocedure niet thuishoren in de ontnemingsprocedure, zie E.J. Hofstee in: T&C Strafrecht, Deventer: Kluwer, art. 36e, aant. 3 onder f (online, actueel t/m 1 februari 2021).

12 Te weten [betrokkene 10] en [medeverdachte 2], zie p. 5-6 van de pleitnotities in de ontnemingszaak in hoger beroep van 29 oktober 2019, alwaar wordt teruggegrepen naar het pleidooi in de strafzaak in eerste aanleg.