Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:891

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-10-2021
Datum publicatie
22-10-2021
Zaaknummer
20/03140
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:107
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder samen met anderen. Middelen klagen onder meer over bewezenverklaring en bewijsvoering van oplichting, passieve niet-ambtelijke omkoping en witwassen. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03140

Zitting 19 oktober 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 5 oktober 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1 primair en 3 telkens “medeplegen van oplichting”, 6 “het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever” en 7 “witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard en beslist over de vordering van een benadeelde partij, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

2. Er bestaat samenhang met de zaken met nr. 20/03231, 20/03230 en 20/03246. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. R.J. Baumgardt en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Eerste middel

4. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed. Aan deze klacht is onder meer ten grondslag gelegd dat uit de bewijsmiddelen van het hof niet blijkt dat de verdachte met de leden van de raad van commissarissen (hierna: RvC) van [A] heeft gesproken over het project [a-straat] en wat er dan zou zijn besproken. Aldus volgt volgens de stellers van het middel hetgeen het hof als redengevend heeft beschouwd niet uit de bewijsmiddelen, terwijl het hof ook niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen heeft aangeduid waaraan het hof dit heeft ontleend.

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:

“hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006 in Nederland, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen de Woningbouw Vereniging [A] heeft bewogen tot afgifte van een goed,

te weten van een geldbedrag van euro 2.866.573,67 aan [medeverdachte 2] en/of een ander,

hebbende hij, verdachte en zijn mededaders toen, aldaar met bovenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:

verdachte en verdachtes mededaders hebben bij de aankoop en verkoop van het project [a-straat] te Terneuzen een AB-BC-constructie toegepast, waarbij een grote waardesprong in euro's werd gerealiseerd, waarbij [B] B.V. voor circa euro 2.225.000,-- leverde aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] vervolgens door leverde aan [A] voor euro 2.866.573,67, zulks, terwijl verdachte [verdachte] namens [A] het project [a-straat] te Terneuzen ook rechtstreeks en tegen een aanzienlijk lager bedrag had kunnen kopen van het bedrijf [B] B.V./ [C] B.V.

en

verdachte [verdachte] heeft geld in privé ontvangen van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1]

en

verdachte heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van [A] ten aanzien van het project [a-straat] te Terneuzen en het geldelijke belang van [A] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bij het project [a-straat] te Terneuzen

en aldus doende heeft verdachte [verdachte] zich met betrekking tot het project [a-straat] te Terneuzen tegenover de Raad van Commissarissen van [A] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder, waardoor [A] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag”.

6. Deze bewezenverklaring steunt op 48 bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest. Deze bijlage houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:1

“[…]

Verklaringen van de leden van de raad van commissarissen:

> De verklaring van getuige [betrokkene 2] [G.47.01]:

In oktober 2005 ben ik lid van de RvC van [A] geworden. Voor de vergadering van de RvC werd een agenda opgesteld. Die werd opgesteld in gesprekken tussen de bestuurder en de voorzitter van de RvC. De bestuurder was structureel aanwezig bij de vergaderingen. De laatste jaren waren ook [betrokkene 3] en [betrokkene 4] aanwezig in hun rol als DT-lid.

Om naar behoren te kunnen functioneren als lid van de RvC moest je goede input krijgen vanuit de werkorganisatie. Vanuit de werkorganisatie moest aangetoond worden waarom investeringen nuttig waren voor [A] . Een financiële doorrekening en een bouwkundige beoordeling moesten aanwezig zijn. Wat we aan stukken gepresenteerd kregen verschilde soms wel eens. Dat varieerde van twee A4-tjes tot dikke documenten. Daarnaast kregen we een toelichting op de stukken door de bestuurder [verdachte] .

De plannen zoals die ons door de bestuurder waren voorgelegd en op grond waarvan wij als RvC besluiten namen, werden uitgevoerd conform die besluitvorming, in dat opzicht behielden wij het vertrouwen. Er waren elke vergadering van de RvC uitgebreide rapportages met daarin de stand van zaken van alle projecten.

Mij wordt de verklaring van [medeverdachte 3] voorgehouden dat hij aan [verdachte] geld heeft toegeschoven. Ik begrijp dat [verdachte] geld heeft gehad van [medeverdachte 3] . Ik had het totaal niet verwacht en vertrouwde [verdachte] volledig. Anders hadden we als RvC ook eerder ingegrepen. Ik was als lid van de RvC niet akkoord gegaan met projecten als ik geweten had dat [verdachte] hiervoor geld toegeschoven kreeg buiten [A] om.

> De verklaring van getuige [betrokkene 2] [G.47.02]:

De taak van de RvC bij [A] was het bewaken van processen. Dit deed de RvC aan de hand van informatie die het voor de vergadering kreeg. Die stukken warden voorbereid door de werkorganisatie en onder verantwoordelijkheid van [verdachte] aan de RvC verstrekt. De informatie zat bij de voorbereidende stukken voor de RvC-vergadering. De laatste tijd kwam dat via de iPad binnen. Het waren uitgebreide notities waarin allerlei relevante aspecten voor de besluitvorming aan de orde kwamen.

> De verklaring van getuige [betrokkene 5] [G.48.01]:

Vanaf 2006 ben ik lid van de RvC van [A] . We kregen een periodieke rapportage per kwartaal waar alle activiteiten opstonden van onderhandelingen toten met uitvoering. Die rapportage kregen we via de agenda van de vergadering van de RvC. De directeur-bestuurder verzorgde die rapportage.

Tijdens de vergadering lag de documentatie voor ons en daarin werd alles in grote lijnen gevisualiseerd en toegelicht door de directeur-bestuurder. Er werden vragen gesteld door de commissarissen en daarna werd een besluit genomen en goedkeuring gegeven.

Ik was als RvC-lid niet akkoord gegaan met projecten als ik geweten had dat [verdachte] hiervoor geld kreeg toegeschoven buiten [A] om. Ik zou hem op staande voet hebben ontslagen.

> De verklaring van getuige [betrokkene 6] [G.49.01]:

Ik ben lid van de RvC van [A] geworden toen [verdachte] directeur werd. Ik ben tot ongeveer 2009 lid geweest.

[verdachte] kwam met een voorstel tijdens de vergadering van de RvC. Aan de hand van de discussie in de RvC werd dan besloten. Bij de uitnodiging voor de vergadering zaten de notulen van de vorige vergadering en een aankondiging van projecten. Dan werd dat tijdens de vergadering over gesproken.

[verdachte] gaf tijdens de vergadering toelichtingen op projecten, onderhoud en personeelszaken.

Als ik geweten had als RvC-lid dat [verdachte] geld kreeg toegeschoven was ik niet akkoord gegaan met projecten maar was ik opgestapt.

> De verklaring van getuige [betrokkene 7] e/v [betrokkene 8] [G.50.01]:

In 1997 ben ik lid van de RvC van [A] geworden. Ik ben dat geweest tot half maart 2010. In 1998 of 1999 ben ik voorzitter geworden van de RvC. Wij hadden zesmaal per jaar een vergadering. Van tevoren werd de agenda met stukken toegezonden. We bespraken alle dingen en namen besluiten als dat nodig was. [verdachte] was altijd aanwezig. Hij voerde meestal het woord. Hij liep alle agendapunten door en gaf daar een toelichting op. De agenda van de RvC werd door de organisatie opgesteld. De commissarissen stelden wat vragen en [verdachte] gaf daar antwoord op. [verdachte] gaf altijd aan dat hij erg enthousiast was over de projecten. Als er een vraag was over de haalbaarheid van de projecten, kwam er een verhaal met onderliggende documenten of een verwijzing naar onderliggende berekeningen. De RvC werd daarmee overtuigd om in te stemmen met investeringen. Ik had absoluut vertrouwen in de directeur-bestuurder. In de praktijk bepaalde [verdachte] grotendeels de agenda van de RvC. [verdachte] had een grote stem tijdens de vergaderingen. Hij was van alles op de hoogte en dat gaf ons vertrouwen in de plannen. Ik wist niet dat [medeverdachte 3] geld toeschoof aan [verdachte] voor projecten met [A] . Ik vind dat idioot.

> De verklaring van getuige [betrokkene 9] [G.63.01]:

Ik ben in mei 2010 benoemd als lid van de RvC. Wij kregen ruim op tijd de informatie voor de vergaderingen toegestuurd. Soms ontbrak er informatie in relatie tot een bepaald probleem. Ik had vertrouwen in de directeur-bestuurder omdat hij deskundig was en ook omdat deskundigheid werd ingeschakeld waar dit nodig was.

Een directeur-bestuurder benadeelt de vereniging [A] als een project duurder wordt aangekocht. Als het kopen van een project goedkoper kan hoort dat ook hierbij ongeacht de kengetallen.

De verklaring van getuige [betrokkene 9] [G.63.03]:

Ik wist niet dat [medeverdachte 3] aan [verdachte] per project geld heeft toegeschoven. Ik vind dit onacceptabel en begrijp dat [A] hierin is benadeeld. Ik ben zeer teleurgesteld in de directeur.

[…]

> De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 december 2017:

Ik ben in oktober 2001 aangesteld als directeur-bestuurder bij woningbouwvereniging [A] . Aan mij was door de raad van commissarissen van [A] een mandaat verleend om registergoederen te verwerven. De achterliggende gedachte was dat ik slagvaardig moest kunnen optreden. Van 2001 tot 2004 was ik onbeperkt bevoegd dat te doen en tussen 2004 en 2008 is mijn bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen namens [A] registergoederen te verwerven begrensd tot een bedrag van 4.500.000,-- euro. De notitie van 14 september 2004 die aan die begrenzing ten grondslag lag is door mij opgesteld. De raad van commissarissen vond het niet nodig dat het managementteam unaniem instemde met een acquisitie. Die eis is toen vervallen. Tijdens de vergaderingen van de raad van commissarissen legde ik uit welke acquisities waren gedaan. Vanaf 2008 toen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] deel gingen uitmaken van het directieteam, waren zij ook bij vergaderingen aanwezig.

Bij [A] waren twee projectmanagers in dienst. Zij onderhielden de contacten met de marktpartijen met wie [A] in zee was gegaan.

Het klopt dat ik vaak de eerste acquisitie gesprekken voerde met marktpartijen. Na het eerste gesprek nam ik de beslissing of we met die marktpartij verder gingen. Dat was zo vastgelegd in het beleidsplan. Ik wilde betrokken zijn bij de keuze van de architect en de aannemer. Ik zag daar scherp op toe.

Het eerste contact met [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] was toen zij een project aanboden met betrekking tot een school in Breda. Zij kwamen toen samen bij mij op kantoor.

[…]”

7. Verder bevat het arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverwegingen:

“Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Verdachte was in de tenlastegelegde periode, meer bepaald vanaf 1 oktober 2001, aangesteld als directeur/bestuurder van de in 1919 opgerichte woningbouwvereniging [A] . In die functie was het zijn taak het acquireren en verwerven van vastgoedprojecten. Verdachte hield zich, naast de projectmanagers, ook bezig met bijvoorbeeld keuze van architecten en aannemers.

Aan hem was ter zake van het acquireren van vastgoedprojecten door de Raad van Commissarissen van [A] een mandaat verleend om registergoederen te verwerven, waarbij hij van 2001 tot 2004 onbeperkt bevoegd was dat te doen en tussen 2004 en 2008 was zijn bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de Raad van Commissarissen namens [A] registergoederen te verwerven begrensd tot een bedrag van 4.500.000,- euro.

Tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen, welke blijkens de statuten van de vereniging [A] als taak had het toezicht houden op de directeur, legde verdachte uit welke acquisities waren of zouden worden gedaan. Verdachte informeerde de Raad van commissarissen diverse malen per jaar aan de hand van een notitie waarin gegevens stonden als aantallen, stichtingskosten, locatie, start van de bouw, bouwperiode, etc. Daarbij was het volgens de statuten de taak van de directeur tijdig de voor de uitoefening van de taak van de Raad van Commissarissen noodzakelijke gegevens te verschaffen en was de directeur daarbij verplicht alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de Raad noodzakelijk of gewenst was. In de notitie werkafspraken inzake verwerving/vervreemding d.d. 14 september 2004 staat vermeld dat de directeur de Raad informeert per bijeenkomst over verwervingen en de condities waaronder deze tot stand komen.

Verdachte heeft verklaard dat hij vaak de eerste acquisitiegesprekken voerde met marktpartijen, waarna hij vervolgens de beslissing nam of hij namens [A] met die marktpartij verder ging. Na acquisitie werd dan het Managementteam van [A] bij het project betrokken en werd een projectmanager aangesteld.

Het eerste contact met [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] was volgens verdachte toen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] een project aanboden met betrekking tot een school in Breda. [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] waren beiden bestuurder en 100% aandeelhouder van respectievelijk [D] B.V. en [medeverdachte 4] Beiden waren tevens via de eigen vennootschappen voor aandeelhouder/bestuurder van [E] B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder was van [medeverdachte 2] Deze laatste vennootschap hield zich volgens de verklaring van wijlen [betrokkene 1] bezig met [medeverdachte 2] en handel in vastgoed, waarbij [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] feitelijk de gezamenlijke bestuurders waren en er voor de vennootschap verder geen personeel werkzaam was.

Ter zake van feit 1 (project [a-straat] ):

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vervolgens het navolgende vast. Nadat het project aan de [a-straat] te Terneuzen een grotere omvang kreeg met daaraan verbonden grotere financiële risico’s, zocht [B] B.V./ [C] bij monde van [betrokkene 10] , na te zijn doorverwezen, contact met verdachte als bestuurder van [A] . Tijdens een gesprek met verdachte, waar verder niemand bij aanwezig was, wordt het (project door [betrokkene 10] aan [A] aangeboden en gevraagd het plan geheel of gedeeltelijk over te nemen. Verdachte heeft tijdens dat gesprek aangegeven het project in zijn geheel te willen overnemen maar tevens aangegeven dat verder zaken moest worden gedaan met [medeverdachte 3] en heeft daartoe het telefoonnummer van [medeverdachte 3] verstrekt. [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] hebben na een gesprek met [betrokkene 10] interesse in het project en [medeverdachte 2] koopt het project op 14 maart 2006 voor € 2.225.000,- . [medeverdachte 2] heeft volgens de verklaring van [medeverdachte 3] verder geen noemenswaardige werkzaamheden verricht ter zake van het project [a-straat] te Terneuzen en verkoopt het project diezelfde dag voor € 2.700.000,- aan de woningbouwvereniging [A] , waarbij na verrekening van kosten voor de acquisitie van het project [a-straat] te Terneuzen een bedrag van de rekening van [A] wordt afgeschreven van € 2.866.573,67.

[…]

Op grond van het voorgaande concludeert het hof het volgende.

Ter zake van het project [a-straat] (feit 1) concludeert het hof dat verdachte, in zijn positie als directeur-bestuurder, het project rechtstreeks en voor een veel lagere prijs van [B] B.V./ [C] had kunnen kopen. [medeverdachte 2] heeft daarbij in de personen van [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] ter zake van het project geen enkele noemenswaardige inspanning of activiteit verricht die de waardestijging van € 475.000,- kan verklaren. Terwijl verdachte wist dat de aangeboden prijs voor het project veel lager was, heeft hij toch ingestemd met de aankoop van het project van [medeverdachte 2] voor de veel hogere prijs. Zoals hierboven overwogen bekleedde verdachte een sleutelpositie die hem in staat stelde om [medeverdachte 2] bij de aankoop van dit object een rol te geven en hen blijkens de gang van zaken te bevoordelen.

[…]

Betalingen aan verdachte door [medeverdachte 2]

[…]

Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat medeverdachten [medeverdachte 3] en wijlen [betrokkene 1] aan verdachte geldbedragen hebben toegeschoven naar aanleiding van vastgoedprojecten van [medeverdachte 2] ten behoeve van woningbouwvereniging [A] . […]

Positie verdachte binnen [A]

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte binnen de woningbouwvereniging [A] , als directeur-bestuurder, in de ten laste gelegde periodes bij feit 1 en 3 een sleutelpositie bekleedde, waarin hij zich mede door zijn wijze van optreden kon onttrekken aan een effectieve controle door de Raad van Commissarissen. Dit blijkt onder meer uit de navolgende omstandigheden. Verdachte had een vergaande bevoegdheid tot acquireren en verwierf zelfstandig registergoederen/projecten, waarbij hij zelf de onderhandelingen voerde en solistisch te werk ging, waardoor [A] voor voldongen, feiten werd gesteld. De bij [A] werkzame projectmanagers werden pas na de acquisitie bij projecten betrokken, terwijl verdachte zich ook dan met de uitvoering van projecten bleef bemoeien, in ieder geval wat betreft de keuze van architecten en aannemers. Bij de vergaderingen van de Raad van Commissarissen had verdachte grote invloed op de agendering en was hij bovendien verantwoordelijk voor de selectie van de stukken die daarbij ter sprake kwamen. Tijdens deze vergaderingen voerde verdachte het woord, lichtte hij geagendeerde onderwerpen toe en beantwoordde hij vragen van commissarissen. De Raad van Commissarissen was hierdoor afhankelijk van verdachte voor wat betreft de informatie over acquisities en lopende projecten.

Het hof concludeert dat verdachte, in zijn positie als directeur-bestuurder, het project [a-straat] (feit 1) rechtstreeks en voor een veel lagere prijs van [B] B.V./ [C] B.V. had kunnen kopen. Zoals hierboven overwogen bekleedde verdachte een sleutelpositie die hem in staat stelde om [medeverdachte 2] bij de aankoop van dit object een rol te geven en hen via een AB-BC-transactie te bevoordelen. Zoals eveneens hierboven is overwogen, heeft [medeverdachte 2] de met die transactie verkregen winst mede aangewend voor het toestoppen van financiële douceurtjes aan verdachte.

[…]

Verdachte heeft tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen geen melding gemaakt van de geschetste wijze waarop ter zake van de projecten [a-straat] en Schutterhof is onderhandeld met respectievelijk [B] B.V./ [C] en [medeverdachte 2] , waarbij hij [medeverdachte 2] gezien de geschetste omstandigheden zonder redelijk doel en ten nadele van [A] in een financieel veel gunstigere positie bracht.

Voor wat betreft het project [a-straat] is het hof van oordeel dat verdachte aan de Raad van Commissarissen een onvolledig beeld heeft geschetst en de wezenlijke informatie heeft onthouden nu niet werd medegedeeld dat [A] het project [a-straat] zonder tussenkomst van [medeverdachte 2] voor een veel lagere prijs had kunnen verwerven. Bovendien heeft verdachte jegens de Raad van Commissarissen de indruk laten bestaan dat bij de aankoop van het project de belangen van [A] op een zo goed mogelijke wijze werden gediend, terwijl verdachte heeft verzwegen dat de prijs voor de aankoop van het project veel te hoog was en hij in privé geld had ontvangen van [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] , zijnde de bestuurders van [medeverdachte 2]

[…] Verdachte heeft daarnaast tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen ook nimmer melding gemaakt van de betalingen aan hem verricht door [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] . Verdachte was op grond van de reglementen van [A] echter uitdrukkelijk gehouden tegenover de vereniging tot een behoorlijke taakvervulling en tevens verplicht om de Raad van Commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren. Dat heeft verdachte nagelaten. Ware de Raad van Commissarissen volledig geïnformeerd geweest, dan zou zij hebben ingegrepen door minst genomen verdachte hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. Dat [A] mogelijk in financiële zin profijt heeft gehad van het door verdachte gevoerde beleid, doet er niet aan af dat verdachte de voor hem gunstige omstandigheid heeft gecreëerd waarin de Raad van Commissarissen kennelijk onvoldoende in staat was controle te houden op zijn bestuurlijk optreden.

Conclusie:

Op grond van de in het voorgaande geschetste feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde in feit 1 en feit 3 tezamen en in vereniging met onder andere [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] , met het oogmerk om zich en [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbaar bestuurder, hetzij door listige kunstgrepen, zijnde verschillende misleidende feitelijke handelingen, een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor de woningbouwvereniging [A] is bewogen tot de afgifte van genoemde geldbedragen. Daarmee heeft verdachte zich ter zake van feit 1 en 3 schuldig gemaakt aan oplichting.

Concluderend acht het hof het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 3 (eerste alternatief/cumulatief) tenlastegelegde medeplegen van oplichting wettig en overtuigend bewezen, zoals na te melden.

[…]”

8. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging die feiten of omstandigheden aan te duiden, en het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.2

9. In deze zaak heeft het hof blijkens zijn hiervoor weergegeven bewijsoverweging onder meer redengevend geacht voor de bewezenverklaring dat de verdachte tijdens de vergaderingen van de RvC geen melding heeft gemaakt van de wijze waarop ten aanzien van het project [a-straat] is onderhandeld met [B] B.V./ [C] en [medeverdachte 2] , niet heeft medegedeeld dat [A] het project [a-straat] zonder tussenkomst van [medeverdachte 2] voor een veel lagere prijs had kunnen verwerven en heeft verzwegen dat de prijs voor de aankoop van het project veel te hoog was.

10. Met de stellers van het middel constateer ik dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet inhouden dat de verdachte met leden van de RvC heeft gesproken over het project [a-straat] en, zo ja, wat er dan zou zijn besproken. Deze bewijsmiddelen houden aldus niets in omtrent de informatie die de verdachte over het project [a-straat] heeft verschaft aan de RvC dan wel zou hebben verzuimd te verschaffen aan de RvC. Meer in het bijzonder houden de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de leden van de RvC niet in dat de verdachte hen niet zou hebben geïnformeerd over de wijze waarop ten aanzien van het project [a-straat] is onderhandeld met [B] B.V./ [C] en [medeverdachte 2] , dat [A] het project [a-straat] zonder tussenkomst van [medeverdachte 2] voor een veel lagere prijs had kunnen verwerven en dat de prijs voor de aankoop van het project veel te hoog was, terwijl zulks ook niet volgt uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte.

11. De vaststellingen van het hof dat de verdachte tijdens de vergaderingen van de RvC geen melding heeft gemaakt van de wijze waarop ten aanzien van het project [a-straat] is onderhandeld met [B] B.V./ [C] en [medeverdachte 2] , niet heeft medegedeeld dat [A] het project [a-straat] zonder tussenkomst van [medeverdachte 2] voor een veel lagere prijs had kunnen verwerven en heeft verzwegen dat de prijs voor de aankoop van het project veel te hoog was, betreffen aldus gegevens die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld. Evenmin heeft het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel aangegeven waaraan het die redengevende feiten of omstandigheden heeft ontleend.3 Daarover klaagt het middel terecht.

12. Het middel slaagt.

Tweede middel

13. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed. Deze klacht valt uiteen in acht deelklachten.

14. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008, in Nederland, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen de Woningbouwvereniging [A] , heeft bewogen tot de afgifte van een goed, te weten het betalen van een bedrag van euro 262.000,-- aan [medeverdachte 2] , hebbende hij, verdachte en zijn mededaders toen, aldaar met bovenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:

tussen [A] , [medeverdachte 2] , [b-straat] B.V. en [I] B.V. werd een "Aanvullende samenwerkingsovereenkomst/herontwikkelings-overeenkomst [b-straat] ", gedateerd 21 november 2007, gesloten en of ondertekend, waaruit financiële verplichtingen voortvloeiden voor [A]

en

tussen enerzijds [A] B.V. en anderzijds [medeverdachte 2] werd een overeenkomst tot koop van aandelen, getekend 21 december 2007, overeengekomen, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat [A] voornoemd, de aandelen van [medeverdachte 2] voornoemd in [F] B.V. zou overkopen voor euro 262.500,-- en dat [A] op of omstreeks 21 december 2007 circa euro 262.000,- heeft betaald aan [medeverdachte 2] ,

en

verdachte heeft per project geld in privé ontvangen van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1]

en

verdachte heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van Commissarissen van [A] ten aanzien van het project [b-straat] te Terneuzen en het geldelijke belang van [A] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bij het project [b-straat] te Terneuzen

en

aldus doende heeft verdachte [verdachte] zich met betrekking tot het project [b-straat] te Terneuzen tegenover de Raad van Commissarissen van [A] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder, waardoor [A] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag”.

15. Deze bewezenverklaring steunt op vijftig bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest. Deze bijlage houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:4

“[…]

Ten aanzien van de rol van verdachte binnen de organisatie van [A] :

> Het relaas van verbalisant [verbalisant 6] betreffende het mandaat van [verdachte] ten aanzien van verwerving onroerend goed [AMB.074]:

(zie DOC.001, KvK, d.d. 7 september 2011) [A] is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. [A] betreft een in 1919 opgerichte woningbouwverenigingen is statutair gevestigd aan de [f-straat 1] te [plaats] . Bestuurder sinds 1 oktober 2001 is [verdachte] . Hij draagt de titel directeur en is alleen/zelfstandig bevoegd. [verdachte] is ook bestuurder/directeur van [A] B.V., statutair gevestigd te [plaats] .

De taken en bevoegdheden van het bestuur zijn nader geregeld in de statuten. Over de periode 1 januari 2004 tot de datum van het opmaken van het proces-verbaal zijn de statuten viermaal gewijzigd. Tot medio 2008 was er een eenhoofdige directie, bestaande uit [verdachte] . Na 2008 werd er een driehoofdige directie aangesteld, maar van die drie is alleen [verdachte] aangesteld als bestuurder. In hoofdstuk VI, artikel 31 van de statuten zijn de taken en bevoegdheden van de directeur beschreven. Dit hoofdstuk bleef in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 november 2011 ongewijzigd met uitzondering van de term directeur door directeur-bestuurder.

> De statutenwijziging, verleden op 21 december 2005 [DOC.404]:

[het hof begrijpt dat dit een voorbeeld betreft van de statuten van [A]]

Statutenwijziging 21 december 2005.

[…]

HOOFDSTUK II

ORGANEN

Artikel II.4

De vereniging kent de volgende organen:

a. Een ledenraad

b. Een raad van commissarissen

c. De directie...

HOOFDSTUK V

DE RAAD VAN COMMISSARISSEN

Taken en bevoegdheden

Artikel V.21

1. Behoudens het elders in de statuten bepaalde heeft de raad van commissarissen tot taak toezicht te houden op de directeur,....

3. Aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van commissarissen zijn, met inachtneming van het elders in de statuten bepaalde, onderworpen de besluiten van de directeur omtrent:...

p, het entameren van nieuwbouwprojecten en grootschalige verbeterprojecten;....

8. De directeur verschaft de raad van commissarissen tijdig de voor de uitoefening van de taak van de raad van commissarissen noodzakelijke gegevens.

HOOFDSTUK VI

DE DIRECTEUR

Taken en bevoegdheden

Artikel VI.3 1

1. Behoudens beperkingen volgens de statuten is de directeur belast met het besturen van de vereniging en met de leiding van de werkzaamheden van de vereniging;

2. De directeur is daarbij tegenover de vereniging gehouden tot een behoorlijke vervulling van de aan hem opgedragen taak;

3. De directeur is, mits na verkregen toestemming van de raad van commissarissen bevoegd, te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de vereniging zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een ander verbindt...

11. De directeur is verplicht de raad van commissarissen alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs dient te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van die raad noodzakelijk of gewenst is en hij dient de raad al de door hem gewenste inlichtingen te verstrekken en ...

[…]

> De notitie ‘werkafspraken inzake verwervingen/vervreemding’ d.d. 14 sept. 2004 [DOC 348]:

Aanleiding

Volgens de statuten van de vereniging kan de directeur pas besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen na het verkrijgen van toestemming van de raad van commissarissen. Jaarlijks machtigt de raad van commissarissen de directeur tot het verwerven van registergoederen passend binnen het verwervingsbeleid als vastgesteld binnen de ondernemingsplanning...

De directeur informeert de raad per bijeenkomst over verwervingen en de condities waaronder deze tot stand komen. Ook ontvangen de leden van de RvC overzichten met projecten die verworven worden.

Bij brief van 30 april 2004 van [betrokkene 6] stelt deze de bovengeschetste procedure ter discussie... Kern van de brief van [betrokkene 6] is dat de RvC thans onvoldoende zicht heeft op de aangegane verplichtingen maar hiervoor wel de verantwoordelijkheid draagt.

Voorstel voor een procedure verwerving onroerende goederen

Onderscheid wordt gemaakt op basis van de hoogte van het investeringsbedrag en de eventuele betrokkenheid van derde partijen.

Ad 1 Acquisities tot 4,5 miljoen euro kunnen door de directeur gedaan worden zonder voorafgaande toestemming van de RvC...De directeur probeert, indien mogelijk, de RvC vooraf te informeren over de voorgenomen acquisitie. Indien dit niet lukt wordt de RvC achteraf geïnformeerd en geeft de directeur een toelichting op de argumenten en overwegingen bij de acquisitie.

Ad 2. Acquisities boven 4,5 miljoen euro worden altijd voorgelegd aan de RvC.

> De notulen van de vergadering van de raad van commissarissen van [A] d.d. 20 september 2004 [DOC 352]:

06. Rol en verantwoording raad van commissarissen

[verdachte] geeft aan dat hij alle projecten die tot nu toe gelopen zijn, heeft voorgelegd aan de commissarissen. Naar aanleiding van de brief van [betrokkene 6] heeft hij voorliggend voorstel gemaakt. Dit voorstel heeft betrekking op de acquisitie, het gaat niet om projectomvang. De commissarissen kunnen zich vinden in het voorstel.

Besluit 26: de commissarissen machtigen de directeur om acquisities tot 4,5 miljoen euro zonder voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen te doen. Acquisities boven 4,5 miljoen euro worden altijd voorgelegd aan de raad van commissarissen. Tevens machtigt de raad van commissarissen de directeur tot het vervreemden van onroerende goederen tot een bedrag van 4,5 miljoen euro, dan wel passend binnen het vastgestelde verkoopbeleid van woningen.

[…]

Verklaringen van de leden van de raad van commissarissen:

> De verklaring van getuige [betrokkene 2] [G.47.01]:

In oktober 2005 ben ik lid van de RvC van [A] geworden. Voor de vergadering van de RvC werd een agenda opgesteld. Die werd opgesteld in gesprekken tussen de bestuurder en de voorzitter van de RvC. De bestuurder was structureel aanwezig bij de vergaderingen. De laatste jaren waren ook [betrokkene 3] en [betrokkene 4] aanwezig in hun rol als DT-lid.

Om naar behoren te kunnen functioneren als lid van de RvC moest je goede input krijgen vanuit de werkorganisatie. Vanuit de werkorganisatie moest aangetoond worden waarom investeringen nuttig waren voor [A] . Een financiële doorrekening en een bouwkundige beoordeling moesten aanwezig zijn. Wat we aan stukken gepresenteerd kregen verschilde soms wel eens. Dat varieerde van twee A4-tjes tot dikke documenten. Daarnaast kregen we een toelichting op de stukken door de bestuurder [verdachte] .

De plannen zoals die ons door de bestuurder waren voorgelegd en op grond waarvan wij als RvC besluiten namen, werden uitgevoerd conform die besluitvorming, in dat opzicht behielden wij het vertrouwen. Er waren elke vergadering van de RvC uitgebreide rapportages met daarin de stand van zaken van alle projecten.

Mij wordt de verklaring van [medeverdachte 3] voorgehouden dat hij aan [verdachte] geld heeft toegeschoven. Ik begrijp dat [verdachte] geld heeft gehad van [medeverdachte 3] . Ik had het totaal niet verwacht en vertrouwde [verdachte] volledig. Anders hadden we als RvC ook eerder ingegrepen. Ik was als lid van de RvC niet akkoord gegaan met projecten als ik geweten had dat [verdachte] hiervoor geld toegeschoven kreeg buiten [A] om.

> De verklaring van getuige [betrokkene 2] [G.47.02]:

De taak van de RvC bij [A] was het bewaken van processen. Dit deed de RvC aan de hand van informatie die het voor de vergadering kreeg. Die stukken warden voorbereid door de werkorganisatie en onder verantwoordelijkheid van [verdachte] aan de RvC verstrekt. De informatie zat bij de voorbereidende stukken voor de RvC-vergadering. De laatste tijd kwam dat via de iPad binnen. Het waren uitgebreide notities waarin allerlei relevante aspecten voor de besluitvorming aan de orde kwamen.

> De verklaring van getuige [betrokkene 5] [G.48.01]:

Vanaf 2006 ben ik lid van de RvC van [A] . We kregen een periodieke rapportage per kwartaal waar alle activiteiten opstonden van onderhandelingen toten met uitvoering. Die rapportage kregen we via de agenda van de vergadering van de RvC. De directeur-bestuurder verzorgde die rapportage.

Tijdens de vergadering lag de documentatie voor ons en daarin werd alles in grote lijnen gevisualiseerd en toegelicht door de directeur-bestuurder. Er werden vragen gesteld door de commissarissen en daarna werd een besluit genomen en goedkeuring gegeven.

Ik was als RvC-lid niet akkoord gegaan met projecten als ik geweten had dat [verdachte] hiervoor geld kreeg toegeschoven buiten [A] om. Ik zou hem op staande voet hebben ontslagen.

> De verklaring van getuige [betrokkene 6] [G.49.01]:

Ik ben lid van de RvC van [A] geworden toen [verdachte] directeur werd. Ik ben tot ongeveer 2009 lid geweest.

[verdachte] kwam met een voorstel tijdens de vergadering van de RvC. Aan de hand van de discussie in de RvC werd dan besloten. Bij de uitnodiging voor de vergadering zaten de notulen van de vorige vergadering en een aankondiging van projecten. Dan werd dat tijdens de vergadering over gesproken.

[verdachte] gaf tijdens de vergadering toelichtingen op projecten, onderhoud en personeelszaken.

Als ik geweten had als RvC-lid dat [verdachte] geld kreeg toegeschoven was ik niet akkoord gegaan met projecten maar was ik opgestapt.

> De verklaring van getuige [betrokkene 7] e/v [betrokkene 8] [G.50.01]:

In 1997 ben ik lid van de RvC van [A] geworden. Ik ben dat geweest tot half maart 2010. In 1998 of 1999 ben ik voorzitter geworden van de RvC. Wij hadden zesmaal per jaar een vergadering. Van tevoren werd de agenda met stukken toegezonden. We bespraken alle dingen en namen besluiten als dat nodig was. [verdachte] was altijd aanwezig. Hij voerde meestal het woord. Hij liep alle agendapunten door en gaf daar een toelichting op. De agenda van de RvC werd door de organisatie opgesteld. De commissarissen stelden wat vragen en [verdachte] gaf daar antwoord op. [verdachte] gaf altijd aan dat hij erg enthousiast was over de projecten. Als er een vraag was over de haalbaarheid van de projecten, kwam er een verhaal met onderliggende documenten of een verwijzing naar onderliggende berekeningen. De RvC werd daarmee overtuigd om in te stemmen met investeringen. Ik had absoluut vertrouwen in de directeur-bestuurder. In de praktijk bepaalde [verdachte] grotendeels de agenda van de RvC. [verdachte] had een grote stem tijdens de vergaderingen. Hij was van alles op de hoogte en dat gaf ons vertrouwen in de plannen. Ik wist niet dat [medeverdachte 3] geld toeschoof aan [verdachte] voor projecten met [A] . Ik vind dat idioot.

> De verklaring van getuige [betrokkene 9] [G.63.01]:

Ik ben in mei 2010 benoemd als lid van de RvC. Wij kregen ruim op tijd de informatie voor de vergaderingen toegestuurd. Soms ontbrak er informatie in relatie tot een bepaald probleem. Ik had vertrouwen in de directeur-bestuurder omdat hij deskundig was en ook omdat deskundigheid werd ingeschakeld waar dit nodig was.

Een directeur-bestuurder benadeelt de vereniging [A] als een project duurder wordt aangekocht. Als het kopen van een project goedkoper kan hoort dat ook hierbij ongeacht de kengetallen.

De verklaring van getuige [betrokkene 9] [G.63.03]:

Ik wist niet dat [medeverdachte 3] aan [verdachte] per project geld heeft toegeschoven. Ik vind dit onacceptabel en begrijp dat [A] hierin is benadeeld. Ik ben zeer teleurgesteld in de directeur.

[…]

> De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 december 2017:

Ik ben in oktober 2001 aangesteld als directeur-bestuurder bij woningbouwvereniging [A] . Aan mij was door de raad van commissarissen van [A] een mandaat verleend om registergoederen te verwerven. De achterliggende gedachte was dat ik slagvaardig moest kunnen optreden. Van 2001 tot 2004 was ik onbeperkt bevoegd dat te doen en tussen 2004 en 2008 is mijn bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen namens [A] registergoederen te verwerven begrensd tot een bedrag van 4.500.000,-- euro. De notitie van 14 september 2004 die aan die begrenzing ten grondslag lag is door mij opgesteld. De raad van commissarissen vond het niet nodig dat het managementteam unaniem instemde met een acquisitie. Die eis is toen vervallen. Tijdens de vergaderingen van de raad van commissarissen legde ik uit welke acquisities waren gedaan. Vanaf 2008 toen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] deel gingen uitmaken van het directieteam, waren zij ook bij vergaderingen aanwezig.

Bij [A] waren twee projectmanagers in dienst. Zij onderhielden de contacten met de marktpartijen met wie [A] in zee was gegaan.

Het klopt dat ik vaak de eerste acquisitie gesprekken voerde met marktpartijen. Na het eerste gesprek nam ik de beslissing of we met die marktpartij verder gingen. Dat was zo vastgelegd in het beleidsplan. Ik wilde betrokken zijn bij de keuze van de architect en de aannemer. Ik zag daar scherp op toe.

Het eerste contact met [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] was toen zij een project aanboden met betrekking tot een school in Breda. Zij kwamen toen samen bij mij op kantoor.

[…]

In het bijzonder t.a.v. feit 3 (project [b-straat] ):

> Het relaas van verbalisant [verbalisant 3] [AMB.200]:

Op 19 januari 2006 wordt een "samenwerkingsovereenkomst Herontwikkeling [b-straat] te Terneuzen" (verder: ‘SOK’, DOC.279) ondertekend. In deze SOK staan genoemd als:

Opdrachtgever: Woningbouwvereniging [A] vertegenwoordigd door de [verdachte] en [D] B.V. vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] .

Ontwikkelaar c.q. Aannemer: [I] vertegenwoordigd door [betrokkene 15] en [betrokkene 16]

Partijen: Gezamenlijk opdrachtgever en ontwikkelaar.

Deze vertegenwoordigers hebben de SOK ondertekend te Terneuzen op 19-01 -2006.

De SOK vermeldt onder meer als overweging: De partijen willen realiseren op de locatie [b-straat] , 75 woningen, commerciële ruimte en parkeervoorzieningen.

[…]

> Het relaas van verbalisant [verbalisant 7] [AMB.254]:

In dit proces-verbaal relateer ik mijn bevindingen met betrekking tot de aandelen [F] B.V..

Op 25 april 2007 richtten de aannemer [[I] B.V.], [medeverdachte 2] en [A] werkmaatschappij " [b-straat] B.V." op die het project [b-straat] zou realiseren. De aandelen werden voor 50% door [F] B.V. en voor 50% door [I] B.V. gehouden. De bouwlocaties die al in bezit van de aannemer [I] waren, werden aan [b-straat] B.V. verkocht. Daarnaast richtten [A] B.V. en [medeverdachte 2] op 25 april 2007 een nieuwe vennootschap [F] B.V. op (DOC.281), waarbij zij elk 50% van aandelen verkregen. Op 20 april 2007 betaalde [medeverdachte 2] € 9.000 op rekeningnummer [021] ten name van [F] B.V.. [A] betaalde eveneens € 9.000.

Op 21 november 2007 sloten de drie partijen een aanvullende samenwerkingsovereenkomst (ASOK). Als bijzonderheid geldt hier dat bij het moment van ondertekenen de voorgecalculeerde brutomarge moest worden opgenomen. Dit punt was op uitdrukkelijke wil van [verdachte] (G.27.01). De brutomarge bedroeg volgens de handgeschreven tekst voor [I] B.V. € 1.000.000, voor [A] € 600.000 en voor [medeverdachte 2] € 500.000. Deze tekst werd zodoende alsnog handmatig op pagina 6 en 7 geschreven en door de betrokken partijen geparafeerd. Ik merk daarover het volgende op.

1. De ASOK bevat onder artikel 9.2 een bepaling over de brutomarge [...] Vanuit deze bepaling bezien is niet duidelijk wat het doel was van de handgeschreven aanvulling, althans is geen reden bekend over de noodzaak om aanvulling van de ASOK met een afspraak over verdeling van een theoretische opbrengst.

2. De genoemde bedragen zijn steeds theoretisch omdat de werkelijke opbrengst uiteraard pas na definitieve afronding van het project kan blijken. Ten tijde van het ondertekenen van de ASOK moest de bouw nog beginnen.

3. De winstverdeling is een gegeven dat voortvloeit uit de statuten van de vennootschap waarin bepalingen zijn opgenomen over het soort en aantal aandelen dat wordt gehouden. In dit geval zijn uitsluitend 'gewone' aandelen uitgegeven, waarbij [F] B.V. en [I] B.V. ieder voor 50% in de winst delen. Het staat de aandeelhouders helemaal vrij om naar eigen behoefte zelf een besluit te nemen over een winstdeling.

Uit de informatie die is te vinden op het [medeverdachte 2] Intranet (DOC.543) bij de datum 18 november staat te lezen: "tekenen 21 nov. om 13.00 uur. [verdachte] wil garages bij de woningen (18 st.) [betrokkene 1] gaat 19 nov met hem eten om dit, en onze exit te bespreken".

[medeverdachte 3] stuurde op 20 november 2007 om 19:04 een e-mailbericht (DOC. 1062) aan [betrokkene 1] met daarin de volgende tekst:

: "Hoi, [betrokkene 1] , dit bestandje geeft de gevolgen weer van het feit dat we maar 2.175.000 te verdelen hebben en [A] 600.000 beurt. Kijk maar of je er iets mee kunt. Groeten [medeverdachte 3] ."

Bij het bericht was een bijlage gevoegd met de naam "marge Terneuzen.xls" waarin een berekening is gemaakt van de marge Terneuzen voor [I] , [A] en [medeverdachte 2] . Onder het overzicht staat: "Conclusie: als we uitgaan van een marge van 2.170.000 en we gunnen [A] 600.000 kost dat [I] 37.500 en [medeverdachte 2] 18.750 resultaat (zie onder C)”

Om 20:23 uur stuurde [medeverdachte 3] een tweede e-mailbericht (DOC. 1060) met onderwerp "Terneuzen" aan [betrokkene 1] , waarin is te lezen:

"Hoi [betrokkene 1] , het zou denk ik wel te bont worden als het vervolg van het verhaal zou zijn 525-(600.000/3) =325.000! Kan ook beter: 525000-(525.000/3)=350.000. [medeverdachte 2] valt in het slechtste scenario terug van 400.000 naar 350.000 tot 325.000. Als we echter morgen kunnen tekenen en van het verhaal af kunnen wil ik er nog wel eens over denken en moeten we ons hard proberen te maken voor 350.000. Bel nog maar even, groet wederom [medeverdachte 3] ." .

Op grond van de voorgenomen exit stuurde [betrokkene 1] namens [medeverdachte 2] B|V. op 4 december 2007 een brief(DOC.280) aan [A] waarin werd verzocht om het winstdeel ad € 500.000 uit te betalen in de vorm van een voorschot op de verkoop van de aandelen [F] B.V.. Dit bedrag komt overeen met dat uit de handgeschreven aanvulling in de ASOK.

De koopprijs van de aandelen werd berekend door [betrokkene 3] , financieel directeur van [A] . Hij stelde voor om 50% van de vermoedelijke brutomarge direct uit te betalen, waarbij ook rekening moest worden gehouden met de verschuldigde 25% vennootschapsbelasting. Het andere deel zou volgen na vaststellen van het definitieve resultaat. Recapitulerend bedroeg de koopsom € 187.500 (DOC.387). Dit voorstel werd door [verdachte] gewijzigd in een hoger bedrag.

Volgens de aantekeningen op het document met de gegevens over deze berekening door [betrokkene 3] (DOC.389), wordt de brutomarge van € 500.000 verminderd met € 150.000 tot € 350.000, waarover de vennootschapsbelasting van 25% werd berekend, zodat het saldo € 262.500 bedroeg.

[...] Op 21 december sloten [A] met [medeverdachte 2] een overeenkomst tot verkoop van de aandelen aan [A] voor € 262.500. [A] betaalde echter € 262.000 aan [medeverdachte 2] . Ik merk hierbij op dat [A] hiermee een voorschot betaalde op de winst van [b-straat] B.V.. Die winst was toen onzeker omdat de bouw in februari 2008 nog moest starten.

> Declaratieformulier van [A] [DOC.871]:

Declaratieformulier van [A] op naam van werknemer: [verdachte] .

Vermeldt een diner d.d. 19 november 2007 met toelichting "+ [betrokkene 1] ".

> De e-mail met bijlage ‘marge Terneuzen.XLS’ [DOC.1062]:

From: [medeverdachte 3]

Sent: 20-11-2007

To: [medeverdachte 2] en [betrokkene 1]

Subject: E-mail met bijlage ‘marge Terneuzen.XLS’

Hoi [betrokkene 1] , dit bestandje geeft de gevolgen weer van het feit dat we maar 2.175.000 te verdelen hebben en [A] 600.000 beurt..Kijk maar of je er iets mee kunt. Groeten [medeverdachte 3] .

[de bijlage ‘marge Terneuzen ’ vermeldt]

Onder C:

Marge 2.175.000

[A] 600.000

[I] 1.050,000

[medeverdachte 2] 525.000

>Brief van [betrokkene 1] aan Woningbouwvereniging [A] t.a.v. [verdachte] [DOC.280]:

[briefhoofd: ‘ [medeverdachte 2] ’]

Woningbouwvereniging [A] - T.a.v. [verdachte] .

's-Gravenmoer, 4 december 2007.

Betreft: Project [b-straat] Terneuzen.

Geachte [verdachte] ,

Zoals besproken in het prettige onderhoud dat wij op 3 december jl. met u mochten voeren, verzoeken wij u hierbij schriftelijk om nog in 2007 het resultaatdeel van [medeverdachte 2] op het project [b-straat] Terneuzen ad. € 500.000,- excl. BTW, aan ons uit te betalen, hetzij als voorschot op het resultaat, dan wel d.m.v. aandelenoverdracht in [F] B.V. aan woningbouwvereniging [A] .

[...] Met vriendelijke groet, [betrokkene 1]

> De overeenkomst tot koop van aandelen [DOC.311]:

(19 december 2007) [A] B.V., rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur [verdachte] , en [medeverdachte 2] B.V, rechtsgeldig vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] , komen overeen dat [medeverdachte 2] aan [A] 90 aandelen verkoopt in het kapitaal van [F] B.V. De koopsom bedraagt € 262.500,--. Met deze koop en verkoop worden alle aandelen, die door [medeverdachte 2] in [F] B.V. worden gehouden, overgedragen aan [A] , waarmee [A] alle aandelen van [F] B.V. gaat houden. [de overeenkomst is door de vertegenwoordigers van partijen ondertekend]

>De verklaring van getuige [betrokkene 15] [G.27.01]:

V: Wat kunt u ons vertellen over het project [b-straat] ? [...]

Onze makelaar [M] , die voor ons ook woningen verkoopt, kwam met het contact [medeverdachte 3] van het bedrijf [medeverdachte 4] . [M] had in een project in Hulst al samengewerkt met deze [medeverdachte 3] . Wij wisten dat deze [medeverdachte 3] contact had met [A] in Breda. Er is in eerste instantie gesproken met [medeverdachte 3] waarbij de mogelijkheden zijn onderzocht dat hij het project in het geheel zou overnemen en dat wij als bouwer zouden optreden. Later is deze ontwikkeling verder gegaan met [A] . [A] is door [medeverdachte 3] hierbij gehaald. Ook het bedrijf [medeverdachte 2] van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] was hierbij betrokken.

[...] V: Onderaan de pagina 6 en bovenaan de pagina 7 van de ASOK staat met de pen een passage geschreven onder 9.1 en 9.2. Waarom is deze passage met de pen geschrevenen en niet opgenomen in de getypte tekst?

A: Wij waren al heel vaak bij elkaar geweest om deze overeenkomst afte ronden. Op 21 november 2007 waren wij weer bij elkaar om de overeenkomst af te ronden. Dat was ergens in een restaurant in Breda. Toen kwam [verdachte] met het feit dat hij steeds van ons had gehoord dat er een brutowinst van 2.4 miljoen in dit project zou worden gerealiseerd, waarvan 600.000 euro voor [A] . Dit was zijn perceptie en er is ook wel over bedragen gesproken maar dat is natuurlijk altijd een aanname. De winst blijkt pas op het eind van een project. Er ontstond daar toen een discussie over en [verdachte] maakte er echt een punt van en zou mogelijk niet gaan tekenen. Daarom is deze passage daar toen ter plaatse bijgeschreven.

> De verklaring van getuige [betrokkene 3] [G.04.07]:

In het project [b-straat] in Terneuzen zouden een aantal woningen gerealiseerd worden waarvan [A] er 15 à 18 zou afnemen. In de contractvorming in die tijd, waar [verdachte] bij betrokken was, is afgesproken om maximaal 24 woningen af te nemen van [b-straat] B.V. wanneer de verkoop zou tegenvallen. [F] B.V. is daarvoor opgericht: 50% was [A] en 50% [medeverdachte 2] . En [F] B.V. en [I] hadden ieder 50% in [b-straat] B.V.. Vanaf juli 2008 was ik als DT-lid betrokken bij dit project.

Mij wordt een brief getoond d.d. 4 december 2007 van [medeverdachte 2] ( [betrokkene 1] ) aan [A] ( [verdachte] ) (DOC.280). Ik ken deze brief. Het betreft de vraag van [medeverdachte 2] uit het project te stappen.

U houdt mij voor dat op 21 december 2007 er een overeenstemming is tot koop van aandelen [F] B.V. tussen [A] B.V. en [medeverdachte 2] voor een prijs van € 262.500 (DOC.311). Hiermee wordt [A] B.V. voor 100% eigenaar van de [F] B.V. en voor 50% eigenaar van [b-straat] B.V.. Dit is niet het voorstel zoals ik aan [verdachte] heb gedaan. Hij heeft mijn voorstel niet overgenomen. De prijs van € 262.500 is een door [verdachte] vastgestelde prijs. Mijn voorstel was € 187.500,- (DOC.387 en DOC.389), waarbij ik ben uitgegaan van een korting van 50% op het gegarandeerde resultaat, na verrekening van 25% vennootschapsbelasting. In het voorstel van mij heb ik geen rekening gehouden met de verrekening van € 600.000,- korting, maar voorzichtigheidshalve wel met een uitkeringspercentage van 50%. Waarbij achteraf op basis van de daadwerkelijk behaalde resultaten dit naar boven toe gecorrigeerd kon worden. Ik heb dat gedaan, omdat dat resultaat eerst maar eens behaald diende te worden. In de uiteindelijke overeenkomst (DOC.3 11) is het een hoger bedrag geworden. De beslissing tot de aankoop van de aandelen [F] van [medeverdachte 2] is door [verdachte] genomen.

>Het relaas van verbalisant [verbalisant 3] [AMB.201]:

In dit proces-verbaal wordt nader ingegaan op de aanvullende samenwerkingsovereenkomst DOC.3 12.

Op 21 november 2007 wordt een "aanvullende samenwerkingsovereenkomst Herontwikkeling [b-straat] " ondertekend. Hierin staan genoemd als partijen:

1. Woningbouwvereniging [A] vertegenwoordigd door [verdachte] ;

2. [medeverdachte 2] , vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] ;

3. [b-straat] B.V., vertegenwoordigd door haar directeuren [F] B.V. en [I] B.V. welke vertegenwoordigd worden door [verdachte] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] respectievelijk door [betrokkene 17] ;

4. [I] B.V., vertegenwoordigd door [betrokkene 15] en [betrokkene 16] .

Deze partijen / vertegenwoordigers hebben de overeenkomst ondertekend te Breda op 21-11-2007.

Per artikel uit de aanvullende overeenkomst worden hieronder de afspraken weergegeven.

Artikel 3: Om [b-straat] in staat te stellen om aan de betalingsverplichting te voldoen verstrekt [A] een geldlening van € 2.700.000,- waarvan de looptijd eindigt 2 jaar nadat het hele project is opgeleverd. Hiernaast verleend [A] [b-straat] een rekening-courant faciliteit van € 2.300.000,-- met dezelfde looptijd als de geldlening. Indien [b-straat] B.V., als gevolg van de verkoop appartementsrechten niet meer voldoende zekerheid biedt met betrekking tot de geldlening en de rekening-courant faciliteit zullen [I] B.V. en [F] B.V., als hoedanigheid van aandeelhouder [b-straat] B.V. een bankgarantie of concerngarantie stellen.

Artikel 4: [b-straat] B.V. zal met [A] een koop / aannemingsovereenkomst sluiten voor de 18 appartementen met bergingen en parkeerplaatsen. [A] draagt zorg voor de verhuur van deze woningen.

Artikel 6: [A] neemt 18 appartementen af tegen een prijs van € 120.000 VON.

Artikel 7: [A] verplicht zich om maximaal 24 onverkochte appartementen te verwerven. [...]

Met de pen is onderaan de bladzijde geschreven “Ad 9.1 en 9.2. De bruto marge wordt vastgesteld op € 2.100.000,--, dit is inclusief de verrekening van alle kosten en inkomsten uit hoofde van de nog te sluiten / dan wel aan te passen overeenkomsten met de [N] . 1

De verdeling van de bruto marge is € 600.000,-- voor [A] , € 500.000,-- voor [medeverdachte 2] en € 1.000.000,-- voor aannemersbedrijf [I] ”.

> Rekeningafschrift t.n.v. [medeverdachte 2] [DOC.1192]:

Een rekeningafschrift van de Rabobank-rekening t.n.v. [medeverdachte 2] , waarop een creditbedrag van 262.000,00 euro staat vermeld met omschrijving “ [A] - aandelenoverdracht [F] ” (datum 21 december 2007).

> De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 december 2017:

Ik heb de ASOK getekend. Ik wilde die winstverdeling vastgeklikt hebben. Ik heb van [betrokkene 3] begrepen dat [medeverdachte 2] er uit wilde stappen en tegen hem gezegd dat hij het maar uit moest werken. Het klopt dat ik het bedrag dat [betrokkene 3] berekende te laag vond.”

16. Verder bevat het bestreden arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverwegingen:

“Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Verdachte was in de tenlastegelegde periode, meer bepaald vanaf 1 oktober 2001, aangesteld als directeur/bestuurder van de in 1919 opgerichte woningbouwvereniging [A] . In die functie was het zijn taak het acquireren en verwerven van vastgoedprojecten. Verdachte hield zich, naast de projectmanagers, ook bezig met bijvoorbeeld keuze van architecten en aannemers.

Aan hem was ter zake van het acquireren van vastgoedprojecten door de Raad van Commissarissen van [A] een mandaat verleend om registergoederen te verwerven, waarbij hij van 2001 tot 2004 onbeperkt bevoegd was dat te doen en tussen 2004 en 2008 was zijn bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de Raad van Commissarissen namens [A] registergoederen te verwerven begrensd tot een bedrag van 4.500.000,- euro.

Tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen, welke blijkens de statuten van de vereniging [A] als taak had het toezicht houden op de directeur, legde verdachte uit welke acquisities waren of zouden worden gedaan. Verdachte informeerde de Raad van commissarissen diverse malen per jaar aan de hand van een notitie waarin gegevens stonden als aantallen, stichtingskosten, locatie, start van de bouw, bouwperiode, etc. Daarbij was het volgens de statuten de taak van de directeur tijdig de voor de uitoefening van de taak van de Raad van Commissarissen noodzakelijke gegevens te verschaffen en was de directeur daarbij verplicht alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de Raad noodzakelijk of gewenst was. In de notitie werkafspraken inzake verwerving/vervreemding d.d. 14 september 2004 staat vermeld dat de directeur de Raad informeert per bijeenkomst over verwervingen en de condities waaronder deze tot stand komen.

Verdachte heeft verklaard dat hij vaak de eerste acquisitiegesprekken voerde met marktpartijen, waarna hij vervolgens de beslissing nam of hij namens [A] met die marktpartij verder ging. Na acquisitie werd dan het Managementteam van [A] bij het project betrokken en werd een projectmanager aangesteld.

Het eerste contact met [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] was volgens verdachte toen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] een project aanboden met betrekking tot een school in Breda. [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] waren beiden bestuurder en 100% aandeelhouder van respectievelijk [D] B.V. en [medeverdachte 4] Beiden waren tevens via de eigen vennootschappen voor aandeelhouder/bestuurder van [E] B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder was van [medeverdachte 2] Deze laatste vennootschap hield zich volgens de verklaring van wijlen [betrokkene 1] bezig met [medeverdachte 2] en handel in vastgoed, waarbij [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] feitelijk de gezamenlijke bestuurders waren en er voor de vennootschap verder geen personeel werkzaam was.

[…]

Ter zake van feit 3 (project [b-straat] ):

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vervolgens het navolgende vast. Ter zake van het realiseren van woningen, commerciële ruimte en parkeervoorzieningen aan de [b-straat] te Terneuzen worden twee overeenkomsten aangegaan tussen [I] B.V. enerzijds en [A] en [D] c.q. [medeverdachte 2] als opdrachtgever anderzijds. Het betreft de ‘Samenwerkingsovereenkomst Herontwikkeling [b-straat] te Terneuzen’ d.d. 19 januari 2006 en de ‘Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling [b-straat] ’ d.d. 21 november 2007 (hierna: de ASOK). Hierin zijn door de betrokken partijen afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het project en is onder meer contractueel vastgelegd dat aan het einde van het project tussen partijen zou worden afgerekend.

In het kader van de ontwikkeling van dit project is op 25 april 2007 de werkmaatschappij ‘ [b-straat] B.V.’ opgericht. De helft van de aandelen [b-straat] B.V. werd gehouden door aannemer [I] B.V. en de andere helft door [F] B.V., zijnde een houdstermaatschappij waarin [A] en medeverdachte [medeverdachte 2] elk voor 50% aandeelhouder waren. [medeverdachte 2] en [A] bezaten dus beiden 50% van de aandelen in [F] B.V., die op haar beurt weer de helft van de aandelen in [b-straat] B.V. bezat.

Op 21 december 2007 is door [A] het aandelenpakket [F] B.V. gekocht van [medeverdachte 2] voor een bedrag van € 262.500,-. Voorafgaand aan de aandelenverkoop heeft op 19 november 2007 een ontmoeting plaatsgevonden tussen verdachte en [betrokkene 1] , waarbij [betrokkene 1] blijkens berichten op het [medeverdachte 2] Intranet de verkoop van aandelen van [medeverdachte 2] zou gaan bespreken. Op de daaropvolgende dag, 20 november 2007, is er e-mailcorrespondentie geweest tussen [betrokkene 1] en medeverdachte [medeverdachte 3] , kennelijk betrekking hebbend op de verkoop van de aandelen in [F] B.V. In deze e-mails zijn onder meer berekeningen gemaakt van de beoogde winstmarges voor [I] , [A] en [medeverdachte 2] .

Vervolgens is op 21 november 2007 de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling [b-straat] ondertekend, waarbij op nadrukkelijk aandringen van verdachte (handmatig) een voorgecalculeerde brutomarge werd opgenomen en door de betrokken partijen geparafeerd. Deze brutomarge werd vastgesteld op € 2.100.000,- en werd als volgt verdeeld: € 600.000,- voor [A] , € 500.000,00 voor [medeverdachte 2] en € 1.000.000,- voor [I] . Het hof, met de rechtbank, stelt vast dat de in deze verdeling genoemde marges nagenoeg gelijk zijn aan de marges welke in de e-mailcorrespondentie (in de bijlage onder C) tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] werden vermeld.

Op 4 december 2007 werd er vervolgens door [betrokkene 1] , namens [medeverdachte 2] , een brief gestuurd aan [A] waarin werd verzocht om het winstdeel ad € 500.000,- uit te betalen, hetzij als voorschot op het resultaat, dan wel d.m.v. aandelenoverdracht in [F] B.V. aan woningbouwvereniging [A] . Het genoemde bedrag komt overeen met dat uit de handgeschreven aanvulling in de ASOK.

Naar aanleiding van deze brief heeft verdachte aan [betrokkene 3] , op dat moment Hoofd Financiën bij [A] , verzocht om aan de hand van de winstmarges de prijs voor de aandelenoverdracht te berekenen. [betrokkene 3] kwam daarop met een voorstel van € 187.500,-. Dit bedrag vond verdachte te laag waarop hij het eenzijdig heeft verhoogd tot € 262.500,-, waarna op 21 december 2007 door [A] een bedrag van € 262.000,- voor de aandelen werd betaald.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof het volgende.

[…]

Het hof leidt ter zake van feit 3 (project [b-straat] ) uit de voren omschreven feiten en omstandigheden af dat verdachte en diens medeverdachten de exit van [medeverdachte 2] reeds voorafgaand aan het sluiten van de ASOK hebben besproken met het kennelijke doel een goede prijs voor de aandelen van [medeverdachte 2] in [F] B.V. te realiseren. De sleutelpositie van verdachte binnen [A] , zoals hierboven beschreven, stelde hem in staat om eenzijdig en zonder deugdelijke onderbouwing over te gaan tot uitkoop van [medeverdachte 2] , althans hen een geldbedrag te doen toekomen. Verdachte heeft begin december na ontvangst van de brief van [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] een berekening en constructie laten bedenken om aan dit verzoek van [medeverdachte 2] tot overname van de aandelen gevolg te geven. Deze berekening was echter aanzienlijk lager, zijnde € 187.500,-, dan het uiteindelijk op instigatie van verdachte betaald bedrag van € 262.000,-Geconfronteerd met de omstandigheid dat verdachte deze vergoeding voor de aandelenoverdracht op € 262.000,- heeft gesteld terwijl [betrokkene 3] na een berekening tot een aanzienlijk lager bedrag was gekomen, heeft verdachte geen andere verklaring kunnen geven dan dat hij vond dat “ [medeverdachte 2] een hoger bedrag toekwam en [medeverdachte 2] niet nog eens het vel over de oren gehaald moest worden”. De omstandigheid dat een handelspartner waar een lang lopende relatie mee bestaat ook financieel behoorlijk dient te worden bejegend, kan volgens het hof echter in dezen verklaren noch rechtvaardigen dat een bijna 30% hoger bedrag van de totale aankoopsom voor de betreffende aandelen werd betaald. Het hof vindt bovendien de timing van de verkoop van de aandelen door [medeverdachte 2] opmerkelijk. Op dat moment was nog niet begonnen met de bouw en [A] wilde dat [medeverdachte 2] betrokken bleef bij het project. Uit het niets lijkt [medeverdachte 2] – in een tijd waarin voor wat betreft de economische vooruitzichten (de bouwconjunctuur) niet te voorzien was dat de winst zou stijgen – een verzoek te doen tot overname van de aandelen en daarmee uitbetaling van een geprognosticeerd resultaat, waaraan door verdachte zonder enige slag of stoot gevolg wordt gegeven op een manier die, zoals geschetst, als afwijkend kan worden omschreven vanuit een zakelijke benadering.

Betalingen aan verdachte door [medeverdachte 2]

[…]

Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat medeverdachten [medeverdachte 3] en wijlen [betrokkene 1] aan verdachte geldbedragen hebben toegeschoven naar aanleiding van vastgoedprojecten van [medeverdachte 2] ten behoeve van woningbouwvereniging [A] . […]

Positie verdachte binnen [A]

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte binnen de woningbouwvereniging [A] , als directeur-bestuurder, in de ten laste gelegde periodes bij feit 1 en 3 een sleutelpositie bekleedde, waarin hij zich mede door zijn wijze van optreden kon onttrekken aan een effectieve controle door de Raad van Commissarissen. Dit blijkt onder meer uit de navolgende omstandigheden. Verdachte had een vergaande bevoegdheid tot acquireren en verwierf zelfstandig registergoederen/projecten, waarbij hij zelf de onderhandelingen voerde en solistisch te werk ging, waardoor [A] voor voldongen feiten werd gesteld. De bij [A] werkzame projectmanagers werden pas na de acquisitie bij projecten betrokken, terwijl verdachte zich ook dan met de uitvoering van projecten bleef bemoeien, in ieder geval wat betreft de keuze van architecten en aannemers. Bij de vergaderingen van de Raad van Commissarissen had verdachte grote invloed op de agendering en was hij bovendien verantwoordelijk voor de selectie van de stukken die daarbij ter sprake kwamen. Tijdens deze vergaderingen voerde verdachte het woord, lichtte hij geagendeerde onderwerpen toe en beantwoordde hij vragen van commissarissen. De Raad van Commissarissen was hierdoor afhankelijk van verdachte voor wat betreft de informatie over acquisities en lopende projecten.

[…]

Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken ter zake van het project [b-straat] (feit 3) en in aanmerking genomen dat door [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] geld in privé aan verdachte werd toegeschoven, concludeert het hof dat verdachte en zijn medeverdachten de uitkoop van de aandelen vooraf hebben geregisseerd en zichzelf met de opbrengsten daarvan hebben bevoordeeld. Verdachte heeft tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen geen melding gemaakt van de geschetste wijze waarop ter zake van de projecten [a-straat] en Schutterhof is onderhandeld met respectievelijk [B] B.V./ [C] en [medeverdachte 2] , waarbij hij [medeverdachte 2] gezien de geschetste omstandigheden zonder redelijk doel en ten nadele van [A] in een financieel veel gunstigere positie bracht.

[…]

Voor het project [b-straat] geldt eveneens dat de Raad van Commissarissen erop mocht vertrouwen dat de directeur van [A] aan de Raad de juiste en volledige informatie zou geven. Verdachte heeft hierbij geen melding gemaakt dat de prijs van de aandelen door hem eenzijdig op een veel hoger niveau was gesteld dan eerder intern was berekend als redelijk. Hierbij neemt het hof ter zake van dit project tevens in overweging dat niet is gebleken dat de betreffende Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van commissarissen, hoewel dit wel had moeten gebeuren. Hiermee heeft verdachte aan de Raad van Commissarissen een onvolledig beeld geschetst en tevens informatie onthouden die wezenlijk was voor voorafgaande dan wel ad hoe goedkeuring omtrent de koopovereenkomst betreffende de aandelen van [medeverdachte 2] in [F] B.V.

Verdachte heeft daarnaast tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen ook nimmer melding gemaakt van de betalingen aan hem verricht door [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] . Verdachte was op grond van de reglementen van [A] echter uitdrukkelijk gehouden tegenover de vereniging tot een behoorlijke taakvervulling en tevens verplicht om de Raad van Commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren. Dat heeft verdachte nagelaten. Ware de Raad van Commissarissen volledig geïnformeerd geweest, dan zou zij hebben ingegrepen door minst genomen verdachte hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. Dat [A] mogelijk in financiële zin profijt heeft gehad van het door verdachte gevoerde beleid, doet er niet aan af dat verdachte de voor hem gunstige omstandigheid heeft gecreëerd waarin de Raad van Commissarissen kennelijk onvoldoende in staat was controle te houden op zijn bestuurlijk optreden.

Conclusie:

Op grond van de in het voorgaande geschetste feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde in feit 1 en feit 3 tezamen en in vereniging met onder andere [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] , met het oogmerk om zich en [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbaar bestuurder, hetzij door listige kunstgrepen, zijnde verschillende misleidende feitelijke handelingen, een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor de woningbouwvereniging [A] is bewogen tot de afgifte van genoemde geldbedragen. Daarmee heeft verdachte zich ter zake van feit 1 en 3 schuldig gemaakt aan oplichting.

Concluderend acht het hof het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 3 (eerste alternatief/cumulatief) tenlastegelegde medeplegen van oplichting wettig en overtuigend bewezen, zoals na te melden.

[…]”

17. De eerste deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) volgt dat [A] door de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag van € 262.000,--. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het geldbedrag is genoemd in een overeenkomst tussen [A] en [medeverdachte 2] , dat het geldbedrag vervolgens door [A] is overgemaakt, dat de overeenkomst door de verdachte als directeur is gesloten en dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte bevoegd was dergelijke overeenkomsten te sluiten. Volgens de stellers van het middel wordt de verdachte in feite verweten zichzelf te hebben bewogen tot afgifte.

18. In dat kader stel ik voorop dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel "beweegt" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.5

19. In deze zaak houdt de bewezenverklaring in dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen de woningbouwvereniging [A] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 262.000,--. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder het rekeningafschrift [DOC.1192], houden in dat kader in dat het geldbedrag van € 262.000,-- door [A] is overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte 2] . Met de bewezenverklaarde afgifte heeft het hof aldus kennelijk het oog gehad op die overboeking en niet op het sluiten van de overeenkomst tot koop van de aandelen door de verdachte. Ik wijs in dat kader ook op de overweging van het hof dat de verdachte “tezamen en in vereniging met onder andere [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] , met het oogmerk om zich en [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbaar bestuurder, hetzij door listige kunstgrepen, zijnde verschillende misleidende feitelijke handelingen, een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor de woningbouwvereniging [A] is bewogen tot de afgifte van genoemde geldbedragen”. Het hof heeft met andere woorden niet bewezenverklaard dat de verdachte zichzelf heeft bewogen tot de afgifte van het geldbedrag, maar dat [A] is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag, bestaande die afgifte uit de overboeking van het geldbedrag naar de rekening van [medeverdachte 2] .

20. Aan zijn oordeel dat de verdachte en zijn mededaders [A] hebben bewogen tot die afgifte, heeft het hof ten grondslag gelegd dat de verdachte informatie die hij als directeur van [A] verplicht was te verschaffen aan de RvC heeft verzwegen. Daarbij heeft het hof allereerst in aanmerking genomen dat de verdachte geen melding heeft gemaakt van de wijze waarop terzake van het project [b-straat] is onderhandeld met [medeverdachte 2] , waarbij hij [medeverdachte 2] zonder redelijk doel en ten nadele van [A] in een financieel veel gunstigere positie heeft gebracht. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte er geen melding van heeft gemaakt dat de prijs van de aandelen door hem eenzijdig op een veel hoger niveau was gesteld dan eerder intern was berekend als redelijk. Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte nimmer melding heeft gemaakt van de betalingen aan hem verricht door [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] . Door de RvC hierover niet te informeren hebben de verdachte en zijn mededaders naar het oordeel van het hof een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen, waardoor de RvC onvoldoende in staat was controle te houden op het bestuurlijk optreden van de verdachte, terwijl de RvC naar het oordeel van het hof zou hebben ingegrepen als hij wel volledig geïnformeerd zou zijn geweest.

21. In deze overwegingen van het hof ligt als zijn niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat de verdachte de overeenkomst tot koop van de aandelen, waaruit de betalingsverplichting voor [A] voortvloeide, niet had kunnen sluiten zonder de onjuiste voorstelling van zaken die de verdachte en zijn mededaders in het leven geroepen hebben. Gelet hierop acht ik het kennelijke oordeel van het hof dat voldoende aannemelijk is dat [A] mede onder invloed van de door de verdachte en zijn mededaders in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de overboeking van het geldbedrag, zodat [A] is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.

22. De eerste deelklacht faalt.

23. De tweede deelklacht houdt in dat het hof heeft overwogen dat “niet is gebleken dat de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van commissarissen, hoewel dit wel had moeten gebeuren”, terwijl uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte ondanks zijn mandaat gehouden was goedkeuring van de RvC te verkrijgen en het hof ook niet met de vereiste mate van duidelijkheid de bewijsmiddelen heeft aangeduid waaraan het dit heeft ontleend.

24. Bij de beoordeling van deze deelklacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging die feiten of omstandigheden aan te duiden, en het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.6

25. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer in dat de besluiten van de directeur van [A] omtrent het entameren van nieuwbouwprojecten en grootschalige verbeterprojecten op grond van artikel V.21 van de statuten van [A] zijn onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de RvC. Verder was de directeur na verkregen toestemming van de RvC bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de vereniging zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een ander verbindt. Ten tijde van het sluiten van de aanvullende samenwerkingsovereenkomst (hierna: ASOK) op 21 november 2007 was de directeur van [A] door de RvC gemachtigd om acquisities tot 4,5 miljoen euro te doen zonder voorafgaande toestemming van de RvC. Acquisities boven 4,5 miljoen euro dienden altijd te worden voorgelegd aan de RvC.

26. De ASOK houdt blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen onder meer in dat [A] aan [b-straat] B.V. een geldlening van € 2.700.000,-- verstrekt, aan Schutttershof B.V. een rekening-courant faciliteit van € 2.300.000,-- verstrekt, achttien appartementen afneemt tegen een prijs van € 120.000 VON (zijnde in totaal € 2.160.000,--) en zich verplicht om maximaal 24 onverkochte appartementen te verwerven. Het hof heeft hieruit kennelijk geconcludeerd dat de ASOK viel buiten het aan de verdachte als directeur van [A] verleende mandaat en daarom aan de RvC had moeten worden voorgelegd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk aangezien daaruit volgt dat met de ASOK voor [A] een financieel belang was gemoeid dat de grens van het mandaat van de verdachte, € 4.500.000,--, aanzienlijk oversteeg.

27. Aldus heeft het hof aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen tot het oordeel kunnen komen dat de ASOK ter goedkeuring had moeten worden voorgelegd aan de RvC, zodat het hof zich in zijn bewijsoverweging heeft beroepen op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vermeld en een nadere aanduiding niet was vereist.

28. De tweede deelklacht faalt.

29. De derde deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte heeft verzwegen dat de prijs van de aandelen door hem eenzijdig op een veel hoger niveau was vastgesteld dan eerder intern als redelijk was berekend onjuist, althans onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdachte omtrent de prijs heeft verklaard. Aan deze deelklacht is ten grondslag gelegd dat de verdachte uitdrukkelijk en met argumenten onderbouwd heeft aangevoerd dat en waarom het door [betrokkene 3] aanvankelijk gedane voorstel naar zijn mening niet redelijk was en dat [betrokkene 3] zich ook heeft kunnen vinden in het uiteindelijk vastgesteld bedrag, hetgeen niet door de bewijsmiddelen wordt weerlegd.

30. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 augustus 2020, 24 augustus 2020 en 21 september 2020 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Verhogen prijs aandelenoverdracht

254. De rechtbank acht eigenlijk als basis voor de bewezenverklaring dat [verdachte] het prijsvoorstel van [betrokkene 3] voor de aandelenoverdracht heeft verhoogd.

255. In het vonnis wordt daarbij ingegaan op een ontmoeting op 19 november 2007 tussen [betrokkene 1] en cliënt. Cliënt wil benadrukken dat er niets geheimzinnigs aan deze bespreking was. Cliënt heeft dit etentje ook gewoon gedeclareerd en daarbij vermeld dat hij met [betrokkene 1] had gegeten. De bespreking stond ook gewoon in de agenda, hoezo dus geheimzinnig.

256. Cliënt geeft aan ook bij deze deal, altijd de belangen van [A] voorop te hebben gesteld. Zo heeft hij zich er hard voor gemaakt dat de winst van [A] werd gegarandeerd.

257. Omdat de rechtbank dit punt er nogal uitlichtte heb ik cliënt gevraagd om daar in de aanloop naar de zitting van uw Hof nog eens bij stil te staan.

258. Het verschil tussen het bedrag van €262.000,- en de €187.500,- zoals berekend door [betrokkene 3] , wordt volgens cliënt - zie ook zijn aanvullende brief aan uw Hof gerechtvaardigd door:

- [A] kreeg uit dit project 15 woningen, en daarmee dus uit de gezamenlijke exploitatie, voor 100.000 euro per stuk, dit is 75.000 euro onder de gemiddelde stichtingskosten van dat moment. Resultaat voor [A] 1.125.000 euro.

- [A] kreeg een vooraf vastgestelde winst van 600.000, een ton meer dus dan [medeverdachte 2] terwijl zij degene waren die al het werk moest doen voor [A] .

- [A] ontving van de partners een rente op de financiering van het project die boven de door haar betaalde rente lag.

- [A] had de garantie dat ze onverkochte woningen met een korting uit de samenwerking kon kopen (toekomstige winst) en dit ging niet ten koste van het project resultaat voor [A] . Wel voor de andere twee participanten. Voor [A] was namelijk een gegarandeerde winst afgesproken.

259. [betrokkene 3] heeft op basis van de nodige aannames een formule bedacht voor het bepalen van de prijs van de aandelen. Dit was echter op basis van een aantal aannames. [medeverdachte 2] had echter als vraagprijs € 262.000,-.

260. Omdat het resultaat van [A] op dit project € 1.725.000,- was, nog exclusief toekomstige winsten uit verkoop- en rentevoordelen en [A] bovendien 15 bereikbare huurwoningen had gerealiseerd die ingezet werden voor het realiseren voor de matchingsdoelen van [A] , meende cliënt dat dat alles bij elkaar reden genoeg was om in te stemmen met de vraagprijs van [medeverdachte 2] . Temeer nu [medeverdachte 2] bij dit project al het werk had gedaan en [A] slechts de boekhouder was en de financier.

261. [betrokkene 3] was het uiteindelijk ook helemaal eens met het bedrag en bedacht vervolgens nog zelf dat de aandelen niet gekocht werden maar dat ze verpand werden.

262. Cliënt heeft bovendien ook in zijn aanvullende brief nog aangegeven dat [betrokkene 3] het ook gewoon eens was met het uitkopen van [medeverdachte 2] . Nergens blijkt uit dat hij dit een onbegrijpelijke zaak vond.

263. Kort en goed: cliënt kan (en heeft dat ook gedaan) heel goed uitleggen Waarom hij uiteindelijk mee is gegaan in de vraagprijs van [medeverdachte 2] . Dit heeft niets met oplichting te maken maar gewoonweg met het feit dat [A] al een extreem goed resultaat had behaald en [medeverdachte 2] – als degene die al het werk had verricht – ook gewoon moest krijgen op datgene waarop zij recht had. En in dit geval vond cliënt dat de vraagprijs terecht was.

264. Hoezo dus oplichting? Dit zou mogelijk anders zijn als daadwerkelijk kan worden vastgesteld dat cliënt in dit project enige winstdeling heeft gehad. Hoezo bovendien winstdeling nu immers [medeverdachte 2] heel veel werkzaamheden had verricht. Los daarvan, op geen enkele wijze komt uit het dossier naar voren dat er per project vermeend door [medeverdachte 3] zou zijn betaald (zoals al eerder is betoogd), laat staan bij dit project.

265. Vrijspraak derhalve.”

31. Bij de beoordeling van deze deelklacht moet worden vooropgesteld dat de rechter die over de feiten oordeelt vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal. In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsvoering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.7

32. De bewijsvoering van het hof houdt onder meer in dat [betrokkene 3] , destijds hoofd financiën van [A] , op verzoek van de verdachte een berekening heeft gemaakt van de koopprijs van de aandelen die [medeverdachte 2] had in [F] B.V., dat [betrokkene 3] vervolgens aan de verdachte een prijs van € 187.500,- heeft voorgesteld en dat de verdachte vervolgens heeft beslist de aandelen aan te kopen voor € 262.500,-. Gelet hierop komt de conclusie die het hof heeft getrokken, namelijk dat de prijs van de aandelen door de verdachte eenzijdig op een veel hoger niveau was gesteld dan eerder intern als redelijk was berekend mij geenszins onbegrijpelijk voor. Hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd omtrent het verhogen van de prijs van de aandelenoverdracht maakt dat niet anders. Dat het verschil tussen het bedrag van € 262.000,- en het bedrag van € 187.500,-, zoals berekend door [betrokkene 3] , gerechtvaardigd zou zijn en dat [betrokkene 3] het eens zou zijn geweest met het uitkopen van [medeverdachte 2] doet er immers niets aan af dat de prijs door de verdachte eenzijdig op een veel hoger niveau was gesteld dan eerder intern als redelijk was berekend en dat de verdachte dit tegenover de RvC heeft verzwegen.

33. De derde deelklacht faalt.

34. De vierde deelklacht houdt in dat het kennelijke oordeel van het hof dat “zwijgen” een oplichtingshandeling kan opleveren, onjuist is, althans onbegrijpelijk. Aan deze deelklacht is ten grondslag gelegd dat zwijgen geen “listige kunstgrepen” oplevert, aangezien listige kunstgrepen handelingen veronderstellen.

De achtste deelklacht houdt in dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is geweest van “verschillende misleidende feitelijke handelingen” en waaruit deze hebben bestaan, zodat ook hierom volgens de stellers van het middel de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Beide deelklachten richten zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van listige kunstgrepen en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

35. Bij de beoordeling van deze deelklachten moet worden vooropgesteld dat het bij listige kunstgrepen, evenals bij het gebruik maken van een samenweefsel van verdichtsels, in de kern gaat om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Een voorbeeld daarvan was volgens de Hoge Raad aan de orde in het geval waarin de verdachte (met anderen) gebruik maakte van briefpapier van KPN teneinde een bank met een valse betaalopdracht te bewegen tot overboeking van een geldbedrag.8 Andere voorbeelden zijn het afgeven van waardeloze cheques9 en het opnemen van geld uit een geldautomaat met behulp van een gestolen bankpas en bijbehorende pincode.10 Het gaat aldus om “handelingen, ‘geschikt om leugenachtige voor-gevens en valsche voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten”.11

36. Listige kunstgrepen vereisen kortom een handeling.12 Daarvan is bij het verzwijgen van informatie geen sprake. Dat kan veeleer als een nalaten worden aangeduid. Daarmee is overigens niet gezegd dat het verzwijgen van informatie geen rol kan spelen bij het aanmerken van handelingen als listige kunstgrepen. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juni 1951 “dat de achtereenvolgende verrichtingen van J. en diens zoon, t. w. het, onder verzwijging van het feit dat voor de aan W. meegegeven kisten en bakken geen statiegeld was gestort, inleveren van die emballage, het daarvoor in ontvangst nemen van de tegoedbonnen en het weer inleveren van deze laatste eveneens met de verzwijging als bewezenverklaard, geschikt waren om bij N. de valse voorstelling van zaken ingang te doen vinden als zouden zij er recht op hebben dat het bedrag van de tegoedbonnen op hetgeen L.W. A. J. aan de veiling schuldig was in mindering werd gebracht, weshalve deze verrichtingen als listige kunstgrepen zijn aan te merken”.13

37. In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte er geen melding van heeft gemaakt dat de prijs van de aandelen door hem eenzijdig op een veel hoger niveau was gesteld dan eerder intern als redelijk was berekend en dat niet is gebleken dat de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ter goedkeuring is voorgelegd aan de RvC, waardoor de verdachte aan de RvC een onvolledig beeld heeft geschetst en tevens informatie heeft onthouden die wezenlijk was voor voorafgaande dan wel ad hoc goedkeuring omtrent de koopovereenkomst betreffende de aandelen van [medeverdachte 2] in [F] B.V. Verder heeft het hof overwogen dat de verdachte tijdens de vergaderingen van de RvC nimmer melding heeft gemaakt van de betalingen aan hem verricht door [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] . Vervolgens heeft het hof geconcludeerd dat de verdachte tezamen en in vereniging met onder andere [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] “door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbaar bestuurder, hetzij door listige kunstgrepen, zijnde verschillende misleidende feitelijke handelingen, een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor de woningbouwvereniging [A] is bewogen tot de afgifte van genoemde geldbedragen”.

38. Kern van de redenering van het hof is aldus dat het meermaals verzwijgen van relevante informatie jegens de RvC van [A] kan worden aangemerkt als misleidende feitelijke handelingen en aldus listige kunstgrepen in de zin van art. 326 Sr oplevert. Tegen de achtergrond van het voorgaande geeft dat oordeel mijns inziens blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook overigens kan uit de bewijsvoering van het hof niet blijken van listige kunstgrepen, zodat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte en zijn mededaders door listige kunstgrepen [A] hebben bewogen tot de afgifte van het geldbedrag onvoldoende met redenen is omkleed.. Daarover klagen de vierde en de achtste deelklacht terecht.

39. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Het voorgaande doet er namelijk niet aan af dat, zoals ook is bewezenverklaard, de verdachte tezamen en in vereniging met anderen door het aannemen van een valse hoedanigheid, namelijk die van betrouwbare en integere directeur/bestuurder, woningbouwvereniging [A] heeft bewogen tot de afgifte van het geldbedrag. Door weglating van het onderdeel van de bewezenverklaring “en listige kunstgrepen” worden de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd dan ook niet aangetast, zodat voor terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling naar mijn mening onvoldoende grond bestaat.14

40. De vierde en de achtste deelklacht zijn tevergeefs voorgesteld.

41. De vijfde deelklacht houdt in dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de RvC van [A] tot afgifte is bewogen, dat oordeel onjuist is nu de RvC het geldbedrag niet heeft afgegeven en/of daartoe is bewogen, althans dit uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid, en het hof niet met de vereiste mate van duidelijkheid de bewijsmiddelen heeft aangeduid waaraan het hof dit heeft ontleend.

42. Over deze deelklacht kan ik kort zijn. Zoals ik reeds bij de bespreking van de eerste deelklacht opmerkte, heeft het hof met de bewezenverklaarde afgifte van een geldbedrag van € 262.000 kennelijk het oog gehad op de overboeking van dit bedrag door [A] naar de rekening van [medeverdachte 2] en geoordeeld dat [A] – en dus niet de RvC – is bewogen tot deze afgifte. Deze deelklacht berust aldus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest, zodat zij feitelijke grondslag ontbeert.

43. De vijfde deelklacht faalt.

44. De zesde deelklacht houdt in dat niet, althans onvoldoende is vastgesteld dat sprake is van voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop gericht zijn geweest bij het beoogde slachtoffer, [A] , een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.

45. In dat kader stel ik voorop dat het bij het oplichtingsmiddel bestaande uit het aannemen van een valse hoedanigheid er in de kern om gaat dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.15

46. In deze zaak is bewezenverklaard dat de verdachte en zijn mededaders onder meer door het aannemen van een valse hoedanigheid [A] hebben bewogen tot de afgifte van het geldbedrag, hetgeen er in bestaat dat de verdachte relevante informatie heeft verzwegen jegens de RvC van [A] ten aanzien van het project [b-straat] te Terneuzen, het geldelijke belang van [A] , de betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bij dit project en aldus doende zich met betrekking tot het project [b-straat] te Terneuzen tegenover de RvC van [A] heeft voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder.

47. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat kader in dat de verdachte als directeur van [A] verplicht was de RvC, die belast was met toezicht op zijn werkzaamheden, alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de RvC alsmede de door de RvC gewenste inlichtingen. De leden van de RvC hebben daarover onder meer verklaard dat de verdachte aanwezig was bij de vergaderingen van de RvC, tijdens de vergaderingen het meestal het woord voerde, de agendapunten en de documenten toelichtte en antwoord gaf op vragen van leden van de RvC. Uit de bewijsvoering van het hof volgt aldus dat de verdachte zich leek te gedragen als betrouwbare en integere directeur/bestuurder van [A] . Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de verdachte informatie die hij als directeur van [A] verplicht was te verschaffen aan de RvC heeft verzwegen. Allereerst heeft de verdachte geen melding heeft gemaakt van de wijze waarop terzake van het project [b-straat] is onderhandeld met [medeverdachte 2] , waarbij hij [medeverdachte 2] zonder redelijk doel en ten nadele van [A] in een financieel veel gunstigere positie bracht. Verder heeft hij er geen melding van gemaakt dat de prijs van de aandelen door hem eenzijdig op een veel hoger niveau was gesteld dan eerder intern was berekend als redelijk. Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte, die blijkens de bewijsvoering van het hof vanaf 2004 geldbedragen van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] toegeschoven heeft gekregen naar aanleiding van vastgoedprojecten van [medeverdachte 2] Plantontwikkeling B.V. ten behoeve van [A] , nimmer melding heeft gemaakt van de betalingen aan hem verricht door [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] .

48. Uit de bewijsvoering van het hof komt verder naar voren dat het verzwijgen van deze informatie erop gericht was bij de RvC een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Was de RvC volledig geïnformeerd geweest, dan zou hij, zoals het hof heeft overwogen, immers hebben ingegrepen door minst genomen verdachte hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. In dat kader kan in de eerste plaats worden gewezen op de verklaringen van leden van de RvC dat zij niet akkoord waren gegaan met projecten als zij hadden geweten dat de verdachte hiervoor geld toegeschoven kreeg buiten [A] om en hem op staande voet zouden hebben ontslagen. Verder ligt het niet voor de hand dat de RvC had toegestaan dat de verdachte de overeenkomst tot koop van de aandelen zou sluiten indien de RvC door de verdachte was geïnformeerd dat hij [medeverdachte 2] daarbij zonder redelijk doel en ten nadele van [A] in een financieel veel gunstigere positie bracht. Het verzwijgen van de informatie en het aldus in het leven roepen van de onjuiste voorstelling van zaken was met andere woorden noodzakelijk om deze onzakelijke overeenkomst tot koop van de aandelen, naar aanleiding waarvan [A] tot de afgifte van het geldbedrag overging, te kunnen sluiten.

49. Gelet op het voorgaande meen ik dat het kennelijke oordeel van het hof dat sprake is van voldoende specifieke gedragingen die erop gericht waren bij [A] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken en dat [A] aldus door het aannemen van de valse hoedanigheid van betrouwbare en integere directeur/bestuurder is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.

50. De zesde deelklacht faalt.

51. De zevende deelklacht houdt in dat het hof heeft bewezenverklaard oplichting 'door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen', terwijl het hof in strijd daarmee heeft overwogen “dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde in feit 1 en feit 3 tezamen en in vereniging met onder andere [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] , met het oogmerk om zich en [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbaar bestuurder, hetzij door listige kunstgrepen, zijnde verschillende misleidende feitelijke handelingen, een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor de woningbouwvereniging [A] is bewogen tot de afgifte van genoemde geldbedragen”, zodat voor de verdediging niet duidelijk is of het hof oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen dan wel oplichting door een valse hoedanigheid of door listige kustgrepen heeft bewezenverklaard.

52. Ook over deze deelklacht kan ik kort zijn. Hoewel het hof heeft overwogen dat de verdachte tezamen en in vereniging met onder andere [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] “door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbaar bestuurder, hetzij door listige kunstgrepen, zijnde verschillende misleidende feitelijke handelingen, een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen”, laat de tekst van de bewezenverklaring geen misverstand bestaan over hetgeen het hof heeft bewezenverklaard, namelijk dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen de woningbouwvereniging [A] heeft bewogen tot de afgifte van het geldbedrag. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de bewezenverklaring ook inhoudt dat de verdachte en zijn mededaders “valselijk en listiglijk en bedrieglijk” hebben gehandeld.

53. De zevende deelklacht faalt.

54. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Derde middel

55. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed.

56. Ten laste van de verdachte is onder 6 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van de maand september 2009 tot en met 21 mei 2012 te Breda en Eindhoven, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever Woningbouwvereniging [A] , hebbende hij, verdachte, als algemeen directeur-bestuurder van [A] , van [betrokkene 18] , directeur van [O] B.V. een schilderij (genoemd 'Zwarte Vlag') aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwegen tegenover zijn werkgever [A] ”.

57. Deze bewezenverklaring steunt op bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest. Deze bijlage houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:16

“> De verklaring van getuige [betrokkene 18] [G.51.01]:

Ik ben directeur/eigenaar van [O] B.V. en enig aandeelhouder. [O] B.V. houdt aandelen in [P] .

[O] B.V. is mijn "personal holding".

Ik heb het [schilderij ‘Zwarte Vlag’] namens [O] gekocht van een kunsthandelaar. Ik heb dit schilderij op een gegeven moment weggeven aan [verdachte] , de vroegere directeur van [A] . Ik schat in de eerste helft van 2010. Hij heeft het schilderij aangenomen.

Ik neem aan dat als er regels waren voor wat betreft het aannemen van cadeaus [verdachte] wel naar de waarde gevraagd had. Dit heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft het schilderij gewoon aangenomen en er verder niets over gevraagd. Hij heeft het schilderij ook niet terug gegeven.

> Het relaas van verbalisant [verbalisant 8] [AMB.069]:

Ik heb een onderzoek ingesteld naar de herkomst van het schilderij dat werd aangetroffen tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte [verdachte] aan de [c-straat 1] te [plaats] . Dit schilderij, genaamd ‘Zwarte vlag’.

Op 17 juli 2012 ontving ik een factuur van het schilderij. Ik zag dat het schilderij was verkocht aan [O] B.V. te Roosteren in november 2009 voor € 12.000,-. [...]

[…]

[…]

> De [A] integriteitscode [DOC.600]:

In dit document wordt een integriteitcode met daarbij behorende gedragsregels beschreven om toezichthouders, bestuur, management en medewerkers houvast te bieden bij integer handelen.

De integriteitcode is vastgesteld en goedgekeurd door de raad van commissarissen op 21 oktober 2008 en treedt in werking op 21 oktober 2008.[...]

De volgende uitgangspunten dienen bij het aanvaarden van geschenken in acht te worden genomen:

[…] 4. geschenken van partijen waarmee [A] in onderhandeling is of mogelijk komt of waarmee [A] (mogelijk gaat) samenwerken worden nooit aanvaard.

Ten aanzien van acceptatie gelden de volgende richtlijnen:

[...] ontvangst van relatiegeschenken moet altijd gemeld worden bij de leidinggevende. Bij twijfel over de waarde (boven 'alledaags karakter') van het relatiegeschenk, maakt de leidinggevende de afweging of het geschenk aangenomen mag worden.

> De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 december 2017:

Het klopt dat ik van iemand een schilderij heb gekregen en dat ik dat niet heb gemeld bij [A] . Het klopt dat ik doel op het schilderij ‘Zwarte Vlag’ dat cadeau is gedaan door [betrokkene 18] . Ik heb het in 2010 cadeau gekregen. Door [betrokkene 18] zijn ook giften aan [A] gedaan welke op het kantoor van [A] zijn gebleven.”

58. Verder bevat het arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverwegingen:

“Vooropgesteld moet worden dat blijkens vaste jurisprudentie het in strijd met de goede trouw verzwijgen van het aannemen van een gift dient te worden aangemerkt als één voortdurende omissie. Het delict wordt derhalve gepleegd gedurende de gehele periode waarin het ontvangen van een gift in strijd met de goede trouw tegenover de werkgever wordt verzwegen.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte tussen eind 2009 en medio 2010 van de heer [betrokkene 18] een schilderij getiteld ‘Zwarte Vlag’ geschonken heeft gekregen. Blijkens het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel betreffende [A] was verdachte met ingang van 1 oktober 2001 aangesteld als enig directeur/bestuurder van [A] en stond hij aldus in civielrechtelijk dienstbetrekking tot [A] .

[…]

Het hof stelt in dit verband het navolgende vast.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 18] via diens personal holding [O] B.V. aandelen bezit in het bedrijf [P] B.V., waarvan hij volledig eigenaar is. Volgens de website van [A] , welke op 5 december 2011 door verbalisanten is geraadpleegd, ontwikkelden [A] en [P] samen diverse projecten, waaronder een woonwijk genaamd [...] te Tilburg (418 woningen en commerciële ruimten) en [...] (194 appartementen). Getuige [betrokkene 19] , voormalig secretaresse van verdachte, noemt [P] als een van de externe partijen waarmee verdachte (zakelijk) contacten onderhield. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat door [betrokkene 18] ook giften aan [A] werden gedaan, welke giften op het kantoor van [A] zijn gebleven. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat tussen [betrokkene 18] en verdachte (ook) een zakelijke relatie bestond.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat binnen [A] een integriteitscode gold waarin gedragsregels zijn neergelegd om op integere wijze te handelen. Dit protocol, dat zich tot eenieder binnen de organisatie richt, vermeldt onder meer dat “geschenken van partijen waarmee [A] in onderhandeling is of mogelijk komt of waarmee [A] (mogelijk gaat) samenwerken nooit [worden] aanvaard”. Reeds door het geschenk van [betrokkene 18] te aanvaarden heeft verdachte in strijd met de integriteitscode en dus in strijd met de goede trouw gehandeld. Ten aanzien van acceptatie vermeldt de integriteitscode voorts de volgende richtlijn: “ontvangst van relatiegeschenken moet altijd gemeld worden bij de leidinggevende. Bij twijfel over de waarde (boven 'alledaags karakter') van het relatiegeschenk, maakt de leidinggevende de afweging of het geschenk aangenomen mag worden.”

Gelet op de functie van verdachte als directeur-bestuurder had hij de gift in zijn geval dienen te melden bij de overige leden van het directieteam, dan wel bij de raad van commissarissen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze gift binnen [A] nooit heeft gemeld. Als reden daarvoor heeft verdachte onder meer aangevoerd dat hij -tot het moment dat zijn inboedel werd getaxeerd - niet wist dat het schilderij waarde had. Het hof is van oordeel dat verdachte reeds op grond van de aard van de gift had moeten vermoeden dat de waarde ervan aanzienlijk hoger lag dan een gift met een alledaags karakter. Het betrof immers geen kamerplant of doos bonbons of een hiermee vergelijkbare gift. Mede gelet op de aard van de gift had het in elk geval op de weg van verdachte gelegen om onderzoek te doen naar de waarde ervan. [betrokkene 18] , die het schilderij kort tevoren voor € 12.500,- had aangekocht, heeft verklaard dat verdachte niet naar de waarde van het schilderij heeft gevraagd.

[…]

In het kader van de onderhavige zaak is volgens het hof voldoende concreet geworden dat in de tenlastegelegde periode [betrokkene 18] het schilderij heeft geschonken teneinde de goede zakelijke relatie tussen [A] en [P] B.V. in stand te houden en heeft verdachte het aannemen daarvan in strijd met de goede trouw verzwegen tegenover zijn werkgever woningbouwvereniging [A] .

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het voorgaande in aanmerking nemende, komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde feiten, zoals na te melden.”

59. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 augustus 2020, 24 augustus 2020 en 21 september 2020 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“In strijd met de goede trouw verzwegen

275. Uit het dossier komt naar voren dat cliënt -zoals net al aangehaald- dus al eerder ook al eerder eens een kunstwerkje (zonder waarde) had gekregen van [betrokkene 18] ter gelegenheid van een jaarwisseling. Het schilderijtje ‘De zwarte vlag’ schaalde cliënt niet anders in dan dit eerdere geschenk. De vrouw van cliënt kenschetste een en ander ook als ‘gehandicaptenkunst’. Niet best dus. Cliënt wist dus niet dat het geschenk wel waarde had. Het kleine schilderijtje straalde dit ook niet uit. Bovendien werd het gegeven op een avond dat cliënt en zijn vrouw van alle gasten wel iets kregen. De een gaf dit, de ander gaf dat.

276. De verdediging is dan ook van mening dat gedurende een aanzienlijk deel van de ten laste gelegde periode niet heeft verzwegen ‘in strijd met de goede trouw’. Pas nadat cliënt de inboedel van zijn woning had laten taxeren en ook dit schilderijtje was getaxeerd, bleek cliënt dat het schilderijtje toch de nodige waarde had. Toen dit bleek, heeft cliënt [betrokkene 18] daar ook op aangesproken met de opmerking dat hij daardoor in de verlegenheid kon worden gebracht. Cliënt geeft ook dat hij het toen beter terug had kunnen geven en geeft op dat moment ook toe dat hij het dan ook uiteraard beter had kunnen melden bij [A] . Dit is niet gebeurd.

277. Partiële vrijspraak dus voor een behoorlijk deel van de ten laste gelegde periode.”

60. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het oordeel van het hof dat de verdachte reeds op grond van de aard van de gift had moeten vermoeden dat de waarde ervan aanzienlijk hoger lag dan een gift met een alledaags karakter, en daarnaar onderzoek had moeten doen, niet (zonder meer) begrijpelijk is in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, te weten: dat het schilderij aan verdachte en zijn echtgenote is overhandigd ter gelegenheid van een huwelijksverjaardag waarbij de verdachte en zijn echtgenote tal van geschenken overhandigd hebben gekregen, dat het schilderij door de verdachte en diens echtgenote ten tijde van de inontvangstneming als 'gehandicaptenkunst' is aangemerkt waaraan geen of bijzonder weinig waarde kon worden toegedicht, dat er geen sprake was van twijfel over de mogelijke waarde en dat de verdachte eerder van [betrokkene 18] een schilderij van weinig waarde had ontvangen.

61. Art. 328ter, eerste lid, (oud) Sr luidde tot 1 april 2010 als volgt:

“Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte aanneemt en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.”

62. Vanaf 1 april 2010 luidde art. 328ter, eerste lid, (oud) Sr als volgt:

“Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, en dit aannemen of vragen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

63. Art. 328ter (oud) Sr is ingevoerd bij Wet van 23 november 196717 naar aanleiding van het rapport van de Commissie niet-ambtelijke corruptie (Commissie-Mulder).18 De commissie achtte de strafbaarstelling van niet-ambtelijke omkoping wenselijk, omdat de publieke moraal en de openbare orde in het geding waren en de bestaande waarborgen onvoldoende waren ter bescherming van het met de zuiverheid van de dienstbetrekking gemoeide belang.19 De commissie oordeelde verder dat “het verzwijgen van de gift of belofte tegenover de principaal van de (potentieel) omgekochte” bepalend diende te zijn voor de strafbaarheid van omkoping.20 De schending van het vertrouwen stond daarmee volgens de commissie centraal. De door de commissie voorgestelde strafbepaling is door de wetgever overgenomen.

64. In het rapport van de Commissie-Mulder wordt over het criterium “in strijd met de goede trouw” het volgende opgemerkt:

“Het verzwijgen van de gift of belofte tegenover de principaal – waarop het aankomt – moet in strijd zijn met de goede trouw. De bedoeling van deze clausule is tweeërlei. In de eerste plaats valt daardoor buiten de werking van de strafbepaling het aannemen en aanbieden van onbeduidende en min of meer gebruikelijke fooien, relatiegeschenken en dergelijke. Daartegen gerichte strafvervolgingen zouden een vexatoir karakter hebben. Teneinde deze te voorkomen is in de tekst tot uitdrukking gebracht dat niet ieder verzwijgen als laakbaar moet worden gekwalificeerd, maar slechts het zwijgen waar spreken plicht is. In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met bepaalde met name in sommige vreemde landen beslaande handelsgebruiken met betrekking tot het doen van giften aan bepaalde met uitvoering belaste personen. Niet onder alle omstandigheden zal mogen worden gevergd dat men zich in het economisch verkeer met personen uit die landen afkomstig onthoudt van het doen van aldaar usantiële giften of beloften. Aan te nemen is, dat de Nederlandse rechter zich niet op het standpunt zal stellen dat degene die in die omstandigheden een gift of belofte doet redelijkerwijs moet vermoeden dat deze in strijd met de goede trouw zal worden verzwegen.”21

65. In de memorie van antwoord wordt opgemerkt dat de vraag of het verzwijgen in strijd met de goede trouw is naar algemene maatstaven dient te worden beoordeeld en een objectief criterium betreft. Het gaat erom of de ondergeschikte heeft gezwegen waar hij naar objectieve maatstaf tot spreken verplicht was geweest. “Niet zijn goede trouw, maar de goede trouw is doorslaggevend”, aldus de minister van Justitie.22

66. In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte een schilderij heeft gekregen en aangenomen van [betrokkene 18] , die dit schilderij kort tevoren voor € 12.500,-- had aangekocht. [betrokkene 18] was de volledige eigenaar van [P] B.V., een bedrijf dat samen met [A] , de werkgever van de verdachte, diverse projecten ontwikkelde. De verdachte onderhield (zakelijk) contacten met [P] . Het hof heeft daaruit de conclusie getrokken dat tussen [betrokkene 18] en de verdachte (ook) een zakelijke relatie bestond. Het hof heeft daarnaast, in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat de verdachte het schilderij kreeg naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking van algemeen directeur-bestuurder van [A] heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de ontvangst van het schilderij niet heeft gemeld aan [A] , terwijl de integriteitscode van [A] onder meer inhield dat “geschenken van partijen waarmee [A] in onderhandeling is of mogelijk komt of waarmee [A] (mogelijk gaat) samenwerken nooit [worden] aanvaard”, zodat de verdachte reeds door het aannemen van het schilderij de integriteitscode overtrad. Verder hield de integriteitscode in dat de ontvangst van relatiegeschenken altijd moet worden gemeld worden bij de leidinggevende en dat bij “twijfel over de waarde (boven 'alledaags karakter') van het relatiegeschenk, de leidinggevende de afweging maakt of het geschenk aangenomen mag worden”.

67. In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat het tegenover [A] verzwijgen van het aannemen van het schilderij naar algemene maatstaven bezien in strijd is met de goede trouw. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte, zoals het hof heeft vastgesteld, reeds door het aannemen van het schilderij van een zakelijke relatie in strijd met de integriteitscode van [A] handelde, alsmede dat de integriteitscode inhield dat de ontvangst van relatiegeschenken altijd moet worden gemeld bij de leidinggevende, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij de gift binnen [A] nooit heeft gemeld. Verder neem ik in aanmerking dat het aannemen van een schilderij, nog afgezien van de precieze waarde, bezwaarlijk kan worden aangemerkt als het aannemen van “onbeduidende en min of meer gebruikelijke fooien, relatiegeschenken en dergelijke”.

68. Het hof heeft vervolgens, in reactie op de verklaring van de verdachte dat hij de ontvangst van het schilderij nooit heeft gemeld bij [A] , onder meer omdat hij niet wist dat het schilderij waarde had, overwogen dat de verdachte reeds op grond van de aard van de gift had moeten vermoeden dat de waarde ervan aanzienlijk hoger lag dan een gift met een alledaags karakter, aangezien het geen kamerplant of doos bonbons of een hiermee vergelijkbare gift betrof. Mede gelet op de aard van de gift had het in elk geval op de weg van verdachte gelegen om onderzoek te doen naar de waarde ervan, aldus het hof.

69. Met deze overweging heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd er niet aan af doet dat het verzwijgen van het aannemen van het schilderij naar algemene maatstaven bezien in strijd was met de goede trouw en dat van een werknemer die van een zakelijke relatie een schilderij ontvangt meer mag worden verwacht dan de verdachte heeft gedaan. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor, ook niet in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Daarbij neem ik allereerst in aanmerking dat het aannemen van het schilderij in strijd met de integriteitscode was, zodat reeds daarom voorzichtigheid van de zijde van de verdachte geboden was. Diezelfde voorzichtigheid was geboden nu op grond van de integriteitscode bij twijfel over de waarde van een relatiegeschenk de leidinggevende, bij wie de ontvangst van een relatiegeschenk moet worden gemeld, de afweging maakt of het geschenk mag worden aangenomen. Ten slotte neem ik in aanmerking dat het, zoals hiervoor reeds opgemerkt, gaat om de objectieve goede trouw en niet om hetgeen de werknemer als goede trouw beschouwd, zodat de persoonlijke opvattingen van de verdachte niet ter zake doen bij de beoordeling of het verzwijgen in strijd met de goede trouw is.

70. Het middel faalt.

Vierde middel

71. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 7 tenlastegelegde en/of de verwerping van het dienaangaande gevoerde verweer onvoldoende met redenen is omkleed. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof ten aanzien van het geldbedrag van € 7.050,- slechts heeft vastgesteld dat dit in een in een technische ruimte van de woning van de verdachte gelegen enveloppe zat, terwijl het enkel aantreffen van een voorwerp op een ongebruikelijke plaats in een bij de verdachte in gebruik zijnde ruimte niet kan worden aangemerkt als verbergen en verhullen zoals bedoeld in art. 420bis, eerste lid, onder a, Sr.

72. Aan de verdachte is onder 7 het volgende tenlastegelegd:

“hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 juni 2005 tot en met 22 mei 2012, te Eindhoven en/of Nuenen en/of (elders) in Nederland en/of te Lommel en/of (elders) in België,

(van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt),

hebbende hij, verdachte en/of verdachtes mededader(s) – zakelijk weergegeven – van (een) voorwerp(en), te weten (telkens) (een) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of (een) voorwerp(en), te weten (telkens) (een) geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van dat/die voorwerp(en)/ geldbedrag(en) gebruik gemaakt,

immers verdachte en/of verdachtes mededader(s) heeft/hebben

in zijn verdachtes woning op of omstreeks 21 mei 2012 een geldbedrag voorhanden gehad en/of verborgen en/of daarvan gebruik gemaakt, immers bevond zich in een (technische) ruimte van die woning, een enveloppe, met het Rabobanklogo, inhoudende een geldbedrag groot 7.050 euro, althans een geldbedrag (IBN.E.001)

en/of

in of omstreeks de periode van 24 juni 2005 tot en met 29 december 2009, in een kluis(je) gehuurd bij de KBC-bank te Lommel, (circa) 700.000,-- euro, althans (circa) 70.000 euro, althans (telkens) (een) geldbedrag(en) voorhanden gehad en/of verborgen en/of daarvan gebruik gemaakt (RHV.01-2)

en/of

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 april 2011 in verdachtes woning in de gemeente Eindhoven, een geldbedrag groot (circa) 700.000,-- euro, althans (een) geldbedrag(en) voorhanden gehad en/of verborgen en/of verhuld

en/of

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012 in [plaats] , in een koffer in een (kruip)ruimte in de woning van [betrokkene 20] (de broer van verdachte), een koffer inhoudende (een) geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot (circa) 700.000,- euro, althans (een) geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld en/of voorhanden gehad en/of verplaatst van Eindhoven naar Nuenen (AMB.052)

en/of (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst van bovengenoemde (contante) geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld (AMB085, pv. blz. 401029 t/m 401035),

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en), geldbedrag(en), geheel of edeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf”.

73. Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012, te Eindhoven en/of Nuenen – zakelijk weergegeven – voorwerpen, te weten telkens een geldbedrag, voorhanden gehad, immers

verdachte heeft in zijn woning op 21 mei 2012 een geldbedrag voorhanden gehad en verborgen, immers bevond zich in een technische ruimte van die woning een enveloppe, met het Rabobanklogo, inhoudende een geldbedrag groot 7.050 euro

en

verdachte heeft in de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012 in [plaats] , in een koffer in een kruipruimte in de woning van [betrokkene 20] (de broer van verdachte), een geldbedrag tot een totaalbedrag groot 700.000,-- euro, verborgen en voorhanden gehad,

terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen, geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

74. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest. Verder bevat het arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverwegingen:

“Hoewel er naar het oordeel van het hof aanwijzingen bestaan dat de in de koffer en in de enveloppe aangetroffen geldbedragen verband houden met de bewezenverklaarde oplichtingspraktijken van verdachte, is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor een direct verband. Het hof neemt bij zijn beoordeling dan ook als uitgangspunt dat er geen bewijs aanwezig is voor een specifiek gronddelict.

[…]

Het hof dient op grond van bovenstaande uitgangspunt, indien geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, vast te stellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien een dergelijk geval zich voordoet, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

[…]

Met betrekking tot de enveloppe met geld stelt het hof voorts het navolgende vast.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 21 mei 2012 in de woning van verdachte een enveloppe werd aangetroffen met daarin een geldbedrag van in totaal € 7.050,00. In het licht van de bewezenverklaarde oplichtingen van [A] , in het kader waarvan het hof heeft vastgesteld dat er sprake was van geldstromen tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] enerzijds en verdachte anderzijds, en daarbij in aanmerking genomen de ongebruikelijke plek waarop de enveloppe werd aangetroffen – te weten in een handleiding van een apparaat, achter de leiding van een boiler – is het hof van oordeel dat sprake is van dermate sterke witwastypologieën dat een vermoeden van witwassen hier gerechtvaardigd is. Ook in dit geval is het aan verdachte om met een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te komen over de (legale) herkomst van het geld.

[…]

Het hof concludeert dat verdachte ook ten aanzien van de enveloppe geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven omtrent de herkomst van het daarin aangetroffen geldbedrag. Dat maakt dat er dan ook geen aanleiding is voor een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Gezien het voorgaande is naar het oordeel van het hof geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan dan dat het geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit kennelijk ook wist.

De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot zowel het in de koffer als het in de enveloppe aangetroffen geldbedrag een beroep gedaan op de in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde bijzondere kwalificatie-uitsluitingsgrond voor gevallen waarin sprake is van het witwassen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Deze kwalificatie-uitsluitingsgrond komt erop neer dat, indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld-)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Het hof wijst dienaangaande op het volgende.

Ten laste van verdachte is gelegd dat hij tezamen en in vereniging zich schuldig zou hebben gemaakt aan gewoontewitwassen dan wel schuldwitwassen, waarbij het genoemde witwassen in de tenlastelegging zowel betrekking heeft op het verbergen of verhullen op genomen onder de a-variant, als het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruik maken zoals opgenomen onder de b-variant van de betreffende delictsomschrijvingen.

Met betrekking tot het 'verbergen of verhullen' als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr houdt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, onder meer het volgende in: ‘Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. (...)’ Zie Kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p, 14.

Bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad stelt aangaande het door de wetgever verwoorde uitgangspunt ter zake van verbergen en verhullen, dat het enkel aantreffen van een voorwerp op een ongebruikelijke plaats in een bij de verdachte in gebruik zijnde ruimte, mede gelet op de wetgeschiedenis van art. 420bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr, niet aangemerkt mag worden als verbergen en verhullen zoals bedoeld in het genoemde artikel (vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, rov. 2.4.2; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:14, rov. 3.5. en HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:553, rov. 2.3.).

[…]

Bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad stelt aangaande ‘het verwerven of voorhanden hebben’ als bedoeld in art, 420bis, eerste lid onder b, Sr, dat wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, uit 's Hofs motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat (vgl. o.a. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716, rov. 3.4.1; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2344, rov. 2.3. en HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:78, rov. 3.2.). […]

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe dat, zoals hierboven door het hof reeds is overwogen, niet kan worden vastgesteld dat de betreffende geldbedragen afkomstig zijn uit een specifiek gronddelict. Weliswaar is naast het tenlastegelegde witwassen sprake van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van andere misdrijven (oplichtingen), maar niet helder is geworden of de betreffende misdrijven ten grondslag hebben gelegen aan het aangetroffen geld en derhalve of het aangetroffen geld kennelijk is verworven en voorhanden is geweest als gevolg van de betreffende, door de verdachte zelf begane oplichtingen. Overigens acht het hof hetgeen door of namens de verdachte is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf onvoldoende concreet.

Op grond hiervan kan volgens het hof niet worden vastgesteld dat de aangetroffen geldbedragen onmiddellijk uit een door verdachte zelf gepleegd misdrijf afkomstig zijn. Om deze reden kan het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet slagen.

Concluderend acht het hof het onder 7 tenlastegelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder ‘De bewezenverklaring’ vermeld.

[…]”

75. Art. 420bis, eerste lid, (oud) Sr luidde ten tijde van het bewezenverklaarde als volgt:

“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.”

76. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat het hof niet alleen het voorhanden hebben van het geldbedrag van € 7.050,- in de zin van art. 420bis, eerste lid, onder b, (oud) Sr heeft bewezenverklaard, maar ook het verbergen in de zin van art. 420bis, eerste lid, onder a, (oud) Sr.

77. In dat kader kan aan de stellers van het middel worden toegegeven dat de bewezenverklaring onder meer inhoudt dat de verdachte het geldbedrag van € 7.050,- heeft verborgen. De bewezenverklaring houdt echter niet in dat de verdachte de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing van dit geldbedrag heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat geldbedrag was of waren. Van die onderdelen van de tenlastelegging heeft het hof de verdachte vrijgesproken. Verder stel ik vast dat de bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte “voorwerpen, te weten telkens een geldbedrag, voorhanden [heeft] gehad” en dat het hof vervolgens ten aanzien van twee geldbedragen heeft bewezenverklaard dat de verdachte deze voorhanden heeft gehad en heeft verborgen. Ten slotte neem ik in aanmerking dat het hof, zoals de stellers van het middel onderkennen, heeft overwogen dat het enkel aantreffen van een voorwerp op een ongebruikelijke plaats in een bij de verdachte in gebruik zijnde ruimte, mede gelet op de wetgeschiedenis van art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr, niet aangemerkt mag worden als verbergen en verhullen zoals bedoeld in het genoemde artikel.

78. Gelet hierop kan de bewezenverklaring naar mijn mening niet anders worden uitgelegd dan dat het hof niet het verbergen in de zin van art. 420bis, eerste lid, onder a, (oud) Sr heeft bewezenverklaard, maar alleen heeft bewezenverklaard dat de verdachte het geldbedrag van € 7.050,- voorhanden heeft gehad in de zin van art. 420bis, eerste lid, onder b, (oud) Sr en daarbij het verbergen van het geldbedrag slechts in feitelijke zin heeft gebezigd. Het middel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en ontbeert aldus feitelijke grondslag.

79. Het middel faalt.

Vijfde middel

80. Het middel klaagt dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk heeft aangevoerd dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer vier jaar is overschreden en dat en waarom het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn niet juist is. In het bestreden arrest heeft het hof dit oordeel van de rechtbank echter tot het zijne gemaakt. Gelet daarop heeft het hof volgens de stellers van het middel ten onrechte niet, althans onvoldoende gerespondeerd op het in hoger beroep ingenomen, door argumenten onderbouwde standpunt.

81. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 augustus 2020, 24 augustus 2020 en 21 september 2020 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Strafmaat

311. Gelet op de gevoerde verweren is de verdediging van [verdachte] in eerste instantie geneigd om niet teveel op te merken over een eventuele strafmaat. Vrijspraak, c.q. ontslag van alle rechtsvervolging dient de uitspraak te zijn en niets anders.

Subsidiair wordt echter het volgende aangevoerd:

[…]

Redelijke termijn

316. In haar uitspraak van 3 oktober 2000 heeft de HR zoals bekend een aantal algemene uitgangspunten en regels neergelegd met betrekking tot de redelijke termijn van strafzaken. In haar uitspraak van 17 juni 2008 heeft de HR ook nog wat aanvullende uitgangspunten toegevoegd met het oog op de strafvermindering.

317. Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

318. De aanvang van de redelijke termijn is te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem terzake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

319. De aanhouding van [verdachte] in zijn woning op 21 mei 2012 past binnen dit uitgangspunt. De redelijke termijn is zodoende aangevangen op 21 mei 2012.

320. Dit betekent, dat de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden met bijna 4 jaren.

321. Met het oog op de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman kan gesteld worden dat er onderzoekswensen van de kant van de verdediging zijn ontvangen en aangenomen.

322. Hierdoor hebben bij de RC getuigenverhoren plaatsgevonden, waardoor er gesproken kan worden van invloed op het procesverloop.

323. Deze invloed is echter minimaal geweest nu deze verhoren hebben plaatsgevonden van 5 januari 2017 tot en met 26 januari 2017. Dit heeft dus niet eens één maand vertraging op geleverd, waardoor de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg alsnog bijna 4 jaren betreft.

324. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden, zij het veel beperkter.

325. De volledige overschrijding van de redelijke termijn dient naar de mening van de verdediging in het voordeel van cliënt te worden meegenomen.

326. Voorts verzoek ik u rekening te houden met het feit dat het hier al zeer, zeer oude feiten betreft.

[…]

Afsluitend

331. De verdediging realiseert zich dat wanneer de door de rechtbank bewezen geachte oplichtingsfeiten ook door uw Hof bewezen worden geacht, de kans reëel is dat uw Hof eveneens gevangenisstraf zal opleggen.

267. De verdediging verzoek u echter – op basis van bovengenoemde argumenten – om deze gevangenisstraf dan aanzienlijk te matigen.

268. De rechtbank in eerste aanleg achtte – met inachtneming van de vrijspraken voor feit 2 en feit 5 – een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend die zij echter heeft teruggebracht tot 30 maanden in verband met de schending van de redelijke termijn.

269. In verband met de hierboven gegeven argumentatie verzoekt de verdediging de rechtbank [ik begrijp het hof, D.P.] om deze gevangenisstraf nog verder naar beneden te brengen.

[…]

82. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. In het bestreden arrest heeft het hof ten aanzien van de strafoplegging, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 21 mei 2012, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 1 februari 2018 vonnis gewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat weliswaar sprake is van een omvangrijk en ingewikkeld onderzoek, maar dat dit nog niet rechtvaardigt dat het openbaar ministerie de zaak eerst op 17 november 2015 (voor regievoering) op zitting heeft aangebracht. De vertraging die is opgetreden als gevolg van het door de verdediging gebruikmaken van haar processuele bevoegdheden, laat de rechtbank voor rekening van verdachte. Al het voorgaande in aanmerking nemende komt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn met 2 jaren is overschreden. Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne.

Op 1 februari 2018 is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld namens verdachte. Het dossier is op 19 juni 2018 bij het hof ingekomen. Het hof wijst dit arrest op 5 oktober 2020. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is sprake van een schending van de redelijke termijn en wel met een periode van 8 maanden. De totale overschrijding bedraagt daarmee twee jaren en acht maanden. Het hof ziet hierin aanleiding om een lagere straf op te leggen dan hij zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijding.

[…]

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, passend zijn geweest. Het hof heeft anders dan de rechtbank vrijgesproken van feit 4, het deelproject Brouwhof. Het hof acht de bewezenverklaarde feiten echter dusdanig ernstig dat zij deze straf voor bewezenverklaarde feiten passend en geboden acht. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna aan te geven straf.

Het hof zal – gelet op de schending van de redelijke termijn – een lichtere straf opleggen dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Bovendien is het hof van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

[…]”

83. Het middel, dat niet opkomt tegen de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de redelijke termijn in eerste aanleg met twee jaren is overschreden, klaagt naar de kern bezien dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn.

84. In dat kader stel ik voorop dat het hof bij een beslissing die afwijkt van een door of namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op grond van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv in verbinding met art. 415 Sv verplicht is in zijn arrest in het bijzonder de redenen op te geven die tot die afwijking hebben geleid.

85. Blijkens de hiervoor weergegeven pleitnota heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ingenomen dat, ingeval het hof tot een veroordeling zou komen, de straf vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als in hoger beroep verder diende te worden verminderd dan de rechtbank had gedaan. Van dat standpunt is het hof niet afgeweken. Het hof heeft de opgelegde straf ten opzichte van de straf die de rechtbank had opgelegd immers met zes maanden verminderd wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Van een beslissing die afwijkt van een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is daarmee geen sprake, zodat het middel feitelijke grondslag ontbeert.

86. Het middel faalt.

Conclusie

87. Het eerste middel slaagt. Het tweede, derde, vierde en vijfde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

88. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

89. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van voetnoten.

2 Vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. Reijntjes, en HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers, rov. 3.3.

3 Ik merk daarbij op dat die feiten en omstandigheden ook niet blijken uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zodat zich niet het geval voordoet dat het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht – aanleiding zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering (vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:202, rov. 2.3.3).

4 Met weglating van voetnoten.

5 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158 m.nt. Keijzer, rov. 2.4.

6 Vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. Reijntjes, en HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers, rov. 3.3.

7 HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, rov. 3.3.

8 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158 m.nt. Keijzer, rov. 2.3.3.

9 HR 1 november 1920, ECLI:NL:HR:1920:212, NJ 1920, p. 1215.

10 HR 19 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1526, NJ 1992/124 m.nt. ‘t Hart.

11 HR 1 november 1920, ECLI:NL:HR:1920:212, NJ 1920, p. 1215.

12 Zie daarover ook J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 326 Sr, aant. 10 (online, bijgewerkt 1 februari 2010).

13 HR 12 juni 1951, ECLI:NL:HR:1951:59, NJ 1951/554 m.nt. Röling.

14 Vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:22, HR 23 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:472, en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:793.

15 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158 m.nt. Keijzer, rov. 2.3.4.

16 Met weglating van voetnoten.

17 Stb. 1967, 565.

18 Zie Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 3 (MvT), en Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4.

19 Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 11.

20 Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 15.

21 Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 15-16.

22 Kamerstukken II 1966/67, 8437, nr. 6, p. 2-3.