Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:88

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-02-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
20/00180
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag tegen beslag, art. 94 en 552a Sv. OM-cassatie. Staatsimmuniteit, art. 8d Sr. Beslaglegging op luchthaven Schiphol op een contante geldzending van 19,5 miljoen n.a.v. verdenking witwassen. De rechtbank heeft aangenomen dat de geldzending in opdracht van de Centrale Bank van Suriname (de klaagster) werd verstuurd in het kader van haar publieke taken en daarom het beklag wegens de schending van staatsimmuniteit gegrond verklaard. De daartegen gerichte cassatiemiddelen gaan over de vraag of 1) de rechtbank de klaagster als beslagene dan wel belanghebbende kon aanmerken en 2) de rechtbank kon oordelen dat aan de klaagster staatsimmuniteit toekomt voor het strafvorderlijk gelegd beslag. De AG stelt zich op het standpunt dat de klaagster als belanghebbende dient te worden aangemerkt en de rechtbank terecht het beroep op staatsimmuniteit heeft erkend. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00180 B

Zitting 2 februari 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

CENTRALE BANK VAN SURINAME,

gevestigd te Paramaribo (Suriname),

hierna: de klaagster.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Schiphol, heeft bij beschikking van 24 december 2019 het door de klaagster – gezamenlijk met [bank 1] , [bank 2] en [bank 3] , alle eveneens gevestigd te Paramaribo, Suriname – ingediende klaagschrift op de voet van art. 552a Sv gegrond verklaard, het beslag op € 19.499.000 en twee valse coupures van 500 euro opgeheven en teruggave hiervan gelast aan de klaagster Centrale Bank van Suriname. De rechtbank heeft daarbij de [bank 1] . [bank 2] en [bank 3] , voor zover deze banken ook een afzonderlijk klaagschrift hebben willen indienen niet-ontvankelijk verklaard, wegens gebrek aan belang bij een beslissing daarop.1

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld door het openbaar ministerie en mr. W.J.V. Spek, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep is blijkens de akte van cassatie beperkt ingesteld en richt zich alleen tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift voor zover dat door de Centrale Bank van Suriname (hierna in deze conclusie ook wel de klaagster genoemd) is ingediend.

1.3.

Mr. A.J.F. Gonesh, advocaat te Den Haag, heeft namens de Centrale Bank van Suriname het cassatieberoep tegengesproken. Hoewel aan de overige banken een kennisgeving van het instellen van cassatie door het openbaar ministerie en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn toegezonden, is namens hen niet op dit cassatieberoep gereageerd.

1.4.

In deze zaak gaat het kortgezegd om de strafvorderlijke inbeslagname ex art. 94 Sv op 17 april 2018 van een contante geldzending (bankbiljetten) ten bedrage van € 19.499.000 en twee valse coupures van € 500 op de luchthaven Schiphol. Deze geldzending werd in opdracht van de klaagster, de Centrale Bank van Suriname, vanuit Suriname door KLM via Nederland naar de Bank of China in Hongkong gevlogen om daar te worden omgezet in giraal geld. Een dergelijk transport kan alleen via Nederland plaatsvinden omdat er geen directe vluchten vanuit Suriname naar Hongkong zijn en Nederland de enige Europese bestemming is waarop vanuit Suriname kan worden gevlogen.

De achtergrond van dit geldtransport en de betrokkenheid van de klaagster hierbij is, dat in Suriname, waar de euro ook een betaalmiddel is, een groot overschot bestaat aan contante euro’s die via wisselkantoren terecht komen bij de Surinaamse handelsbanken. Deze banken, zo wordt gesteld, hebben geen mogelijkheid eurobiljetten om te zetten in girale tegoeden bij zogenaamde correspondentbanken in eurolanden, omdat deze banken hun ‘banknote trading agreements’ met Surinaamse handelsbanken hebben beëindigd in het kader van ‘de-risking’. Daarom heeft de klaagster in 2013 een overeenkomst gesloten met de Bank of China, welke bank het girale equivalent van de door haar ontvangen eurobiljetten overmaakt naar de rekening die de klaagster aanhoudt bij De Nederlandsche Bank, waarop de klaagster vervolgens de rekeningen van de handelsbanken crediteert. De klaagster stelt deze geldzendingen te verzorgen in het kader van haar wettelijke taken zoals neergelegd in art. 9 Surinaamse Bankwet 1956 en derhalve in het publieke belang. Het gaat dan met name om “‘het verzorgen van de geldsomloop in Suriname, voor zover uit bankbiljetten bestaande, alsmede het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer”, “het bevorderen en vergemakkelijken van het betalingsverkeer van Suriname met het buitenland” en “het bevorderen van een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling van Suriname”. Sinds 2014 verzendt de klaagster in het kader van deze overeenkomst eurobiljetten van Surinaamse handelsbanken onder haar verantwoordelijkheid naar de Bank of China in Hongkong.

De inbeslagneming op 17 april 2018 vond plaats vanwege de verdenking van witwassen. Na de inbeslagneming is deze verdenking uiteindelijk gericht tegen [bank 1] , [bank 2] en [bank 3] (verder de handelsbanken genoemd), aan wie de in beslag genomen eurobiljetten toebehoren. De klaagster is door het openbaar ministerie niet als verdachte aangemerkt. Het verwijt aan de handelsbanken is dat zij geen of onvoldoende toezicht hebben gehouden op de daadwerkelijke herkomst van de contante gelden.

De rechtbank heeft de klaagster als beslagene aangemerkt en op grond daarvan ontvankelijk verklaard in de beklagprocedure. Vervolgens heeft de rechtbank het beklag van de klaagster gegrond verklaard omdat zij als een officieel staatsorgaan van Suriname moet worden aangemerkt en het beslag dus is gelegd onder de staat Suriname, die volgens het internationale recht immuniteit geniet ter zake van strafrechtelijke acties van een vreemde staat.

1.5.

In het onderhavige cassatieberoep wordt, voor zover ik kan nagaan, voor het eerst van de Hoge Raad een oordeel gevraagd over de uitleg van art 8d Sr, waarin de aan het volkenrecht ontleende immuniteit van jurisdictie is vastgelegd, in relatie tot de bevoegdheid van het openbaar ministerie strafvorderlijk beslag onder een vreemde staat te leggen.

1.6.

Het openbaar ministerie heeft in de beklagprocedure het standpunt ingenomen dat het beslag niet is gelegd onder de klaagster en dat de klaagster niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en dus niet-ontvankelijk had behoren te worden verklaard (middel 1). Het openbaar ministerie heeft ook betwist dat de klaagster als Centrale Bank van Suriname in onderhavige zaak (staats)immuniteit toekomt (middel 2).

1.7.

Ambtshalve merk ik tot slot nog het volgende op over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Uit het dossier volgt dat de contante geldzending, waarvan de bankbiljetten afgescheiden waren verpakt en dus herleidbaar waren tot de verschillende handelsbanken, op 1 juni 2018 door De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) is omgezet in giraal geld.2 Door deze omzetting (met uitzondering, mag ik aannemen, van de twee valse coupures) is het beslag op de oorspronkelijke ‘voorwerpen’ in feite komen te vervallen. Normaliter leidt verval van beslag tot niet-ontvankelijkheid van een beklag. In dit geval blijft het strafvorderlijk beslag echter rusten op het giraal geld dat kennelijk in bewaring is gegeven bij DNB.3 Op grond hiervan was de klaagster ontvankelijk in haar beklag en is het openbaar ministerie ontvankelijk in cassatie.

2 Procesverloop

2.1.

In het kader van een gezamenlijk project van het openbaar ministerie, de Koninklijke Marechaussee, de Douane en de FIOD, onder de naam ‘Vespasianus’, viel het de Douane op dat contante geldzendingen plaatsvonden vanuit Suriname via de luchthaven Schiphol naar Hongkong. Op 13 april 2018 werd een geldzending van € 19.500.000 opgehouden voor nader onderzoek. Daarop werd een strafrechtelijk onderzoek genaamd ‘Juno’ opgestart en vond op 17 april 2018 de inbeslagneming plaats van deze geldzending, die in de onderhavige zaak centraal staat.

2.2.

Op 28 juni 2019 hebben de Centrale Bank van Suriname en de betrokken handelsbanken tegen dit beslag een gezamenlijk klaagschrift ingediend bij de rechtbank Noord-Holland. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op het geldbedrag (inclusief de twee naar later bleek valse coupures), met last tot teruggave aan de klaagster (de Centrale Bank van Suriname) – zo nodig onder zekerheidstelling in de vorm van een borgstelling door de klaagster.

2.3.

Op 5 november 2019 is dit klaagschrift door de rechtbank Noord-Holland in raadkamer behandeld. Tijdens deze behandeling is door de voorzitter gemeld dat er eveneens kennisgevingen zijn verzonden aan de vervoerders KLM N.V. en de firma Brinks, die door de klaagster voor het transport zijn ingeschakeld. Deze vervoerders zijn in de beklagprocedure echter niet verschenen.

2.4.

De rechtbank heeft op 5 november 2019 de behandeling in raadkamer geschorst tot 10 december 2019 teneinde de klaagsters en de officieren van justitie in de gelegenheid te stellen een schikking te beproeven, waarbij het inbeslaggenomen geld onder een zekerheidsstelling zou kunnen worden teruggegeven en partijen zonder beslissing van de rechtbank tot een vergelijk zouden kunnen komen. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat als op 10 december 2019 geen overeenstemming zou zijn bereikt, op 24 december 2019 een beschikking zou worden gegeven.

2.5.

Bij e-mailbericht van 10 december 2019 heeft officier van justitie mr. Van Bree, mede namens zijn ambtgenoot mr. Sarian, de rechtbank bericht dat zij niet tot een overeenstemming met de klaagsters zijn gekomen.

2.6.

De rechtbank heeft vervolgens op 24 december 2019 een beschikking gegeven waarin zij het beklag gegrond heeft verklaard en de teruggave heeft gelast aan de klaagster.

3. Het eerste middel: is de Centrale Bank van Suriname ontvankelijk in haar beklag?

3.1.

Het eerste middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de klaagster als beslagene dan wel anderszins als belanghebbende moet worden aangemerkt en derhalve ontvankelijk is in haar beklag. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de klaagster niet kan worden aangemerkt als degene onder wie de contante gelden in beslag zijn genomen (deelklacht 1). In de tweede plaats wordt gesteld dat voor zover de rechtbank de klaagster, anders dan als beslagene, als belanghebbende heeft aangemerkt, de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat uit de stelling van de klaagster dat zij gevolmachtigde is van de handelsbanken dan wel deze van liquiditeit heeft voorzien, niet zonder meer volgt dat de klaagster een (beperkt) zakelijk recht of persoonlijk recht op teruggave heeft, c.q. pretendeert (deelklacht 2).

3.2.

De rechtbank oordeelt over de ontvankelijkheid van de klaagster als volgt:

‘’3. Feiten en omstandigheden

3.1 Project “Vespasianus"

Naar aanleiding van de opdracht van voormalig plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland, mr. J. Steenbrink, om onderzoek te doen naar onregelmatigheden in zendingen contant geld via de vrachtlijnen van de luchthaven Schiphol is het project “Vespasianus” opgestart. Bij dit project zijn de ketenpartners Douane, Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), Openbaar Ministerie en Koninklijke Marechaussee betrokken. Het onderzoek behelst ook het beschrijven van strafrechtelijk relevante indicatoren ten aanzien van deze zendingen.

Volgens het proces-verbaal AMB-002 zijn deze indicatoren opgesteld aan de hand van onder andere interviews met stakeholders binnen het proces van transport van contanten in de vracht en door onderzoek te doen in relevante publicaties van intergouvernementele organisaties, waaronder de Financial Action Task Force (FATF) en Europol. De publicaties die in dit proces-verbaal worden genoemd zijn:

- ‘Money Laundering Through the Physical Transportation of Cash’ (FATF, oktober 2015) en

- ‘Why is cash still king? A strategic report on the use of cash by criminal groups as a facilitator for money laundering’ (Europol, 2015).

Het proces-verbaal AMB-002 houdt over deze publicaties het volgende in:

’Uit de rapporten komt onder andere naar voren dat grensoverschrijdend vervoer van liquide middelen een veel gebruikte manier is om de criminele herkomst van geld te verhullen. Het FATF-rapport signaleert dat criminele organisaties mogelijk een manier hebben gevonden om het legitieme bank-naar-bank contanten geld transportsysteem te misbruiken. Uit het rapport komt verder naar voren dat zolang crimineel geld op dezelfde wijze als legaal contant geld wordt vervoerd, het verschil tussen beide moeilijk te onderkennen is.

Derhalve verdient het grensoverschrijdende vervoer van contant geld extra aandacht.

Het Europol-rapport onderschrijft dat in het criminele circuit contante betalingen nog steeds de belangrijkste wijze van betaling is. Daar het karakter van georganiseerde criminaliteit voor een belangrijk deel internationaal is, zijn ook de daarmee samenhangende geldstromen vaak grensoverschrijdend. Voorts komt naar voren dat Nederland een relatief aantrekkelijke witwasbestemming is voor crimineel geld uit het buitenland. Oorzaken hiervan zijn de hier aanwezige stabiele situatie en een betrouwbaar financieel stelsel. Tevens speelt hierbij mee de geografische ligging, de aanwezige zee- en luchthavens, migratiestromen en handelsrelaties.’’


3.2 Geldzendingen

In het kader van het project Vespasianus viel het de Douane op dat contante geldzendingen plaatsvonden vanuit Suriname via de luchthaven Schiphol naar Hong Kong.


Zendingen 1 tot en met 4
Op achtereenvolgens 15 december 2017, 10 januari 2018, 26 januari 2018 en 31 januari 2018 heeft de Douane een dergelijke geldzending - in de stukken aangeduid als zendingen 1 tot en met 4 - aan een controle onderworpen. Bij elk van deze zendingen stond op de bijgevoegde vrachtpapieren als “shipper” vermeld: Centrale Bank van Suriname.

In het kader van deze controles hebben er geen inbeslagnemingen plaatsgevonden.


Zending 5
Op 13 april 2018 heeft de Douane een vijfde geldzending aan een controle onderworpen. Deze zending was afkomstig uit Suriname (vluchtnummer KL 0714) en had als bestemming Hong Kong. Volgens de vrachtpapieren bestond de zending uit 24 colli met “bank notes” met een gewicht van 553 kilogram. Op de vrachtpapieren stond als “shipper” vermeld: Centrale Bank van Suriname. Bij de vrachtpapieren was verder documentatie gevoegd inzake de inhoud van de zending.


Volgens deze documentatie betrof de totale inhoud € 19.500.000 afkomstig van:
[bank 1]
(…)


[bank 2]
(…)
[bank 3]
(…)
3.3 Stopzetting geldzending
In het door hen opgemaakte overzicht proces-verbaal AMB-001 relateren verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ambtenaren van de Belastingdienst, bevoegd inzake douane en tevens buitengewoon opsporingsambtenaren, dat zij op 13 april 2018 een fysieke controle van de zending hebben uitgevoerd, althans daar een begin mee hebben gemaakt.

Verder houdt dit proces-verbaal in:


‘’Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb aan de hand van de indicatorenlijst onze bevindingen en de eerder opgedane bevindingen in het kort beoordeeld. Ik (...) heb ook omwille van de tijdsdruk van de fysieke controle op dat moment besloten dat het raadzaam was om deze zending douane-technisch stop te zetten voor verder onderzoek en wellicht nog ontvangen van aanvullende documentatie.”
Uit het overzicht proces-verbaal AMB-001 en de daarbij gevoegde bijlagen 5 en 6 – alsmede uit de e-mailcorrespondentie die door klaagsters als bijlage 2 van de bij het klaagschrift gevoegde brief van 22 augustus 2018 is overgelegd – blijkt dat hierna per e-mail is gecorrespondeerd tussen de Douane, in de persoon van verbalisant [verbalisant 1] , en de Centrale Bank van Suriname, in de persoon van [betrokkene 1] (‘Head Foreign Department’). Daarbij heeft de Douane CBvS diverse vragen gesteld en om documenten gevraagd. CBvS heeft daarop gereageerd.
De Douane heeft vervolgens haar bevindingen, voorzien van een opgestelde indicatorenlijst, overgedragen aan de FIOD en deze opsporingsinstantie heeft de zending op 17 april 2018 strafrechtelijk in beslag genomen. Vervolgens is de douane-technische stopzetting opgeheven.
3.4 Inbeslagneming
De handgeschreven kennisgevingen van inbeslagneming zijn opgemaakt op 17 april 2018 (IBN-001-01). Deze kennisgevingen houden in dat in het dossier met nummer 62764 de volgende voorwerpen zijn in beslag genomen (met tussen haakjes de codenummers):

- 12 plastic zakken inhoudende vermoedelijk geld voorzien van seals ( [bank 3] );

- 7 plastic zakken inhoudende vermoedelijk geld voorzien van seals (De [bank 1] Bank);

- 5 plastic zakken inhoudende vermoedelijk geld voorzien van seals ( [bank 2] ).

De later, op 28 mei 2018, geregistreerde kennisgevingen van inbeslagneming (IBN-A-001 tot en met IBN-A-003) houden in dat op 17 april 2018 onder de hierna vermelde beslagenen de volgende voorwerpen zijn inbeslaggenomen:
beslagene [bank 2] :

- een totaal contant geldbedrag van € 4.500.000

- grondslag: artikel 94 Sv - Waarheid aan de dag te brengen / Wederrechtelijk verkregen

voordeel aan te tonen.

(De rechtbank stelt vast dat de samenstelling van het contant geldbedrag overeenkomstig de documentatie bij de vrachtbrieven is.)
beslagene [bank 3] :

- een totaal contant geldbedrag van € 10.000.000

- grondslag: artikel 94 Sv - Waarheid aan de dag te brengen / Wederrechtelijk verkregen

voordeel aan te tonen.

(De rechtbank stelt vast dat de samenstelling van het contant geldbedrag overeenkomstig de documentatie bij de vrachtbrieven is.)

beslagene De [bank 1] Bank:

- een contant geldbedrag van € 4.999.000

- grondslag: artikel 94 Sv - Waarheid aan de dag te brengen / Wederrechtelijk verkregen

voordeel aan te tonen.

(De rechtbank stelt vast dat de samenstelling van het contant geldbedrag - afgezien van twee biljetten van 500 Euro - overeenkomstig de documentatie bij de vrachtbrieven is.)

beslagene De [bank 1] Bank:

- twee valse coupures van 500 Euro

- grondslag: artikel 94 Sv - Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer.
3.5 De telling van de geldzending heeft plaatsgevonden bij De Nederlandsche Bank (DNB).
Op 1 juni 2018 werd door DNB een bedrag ter grootte van in totaal € 19.499.000 gestort op een bankrekening ten name van de Belastingdienst.
4. Standpunt officieren van justitie

4.1 Onder verwijzing naar het aanvangsproces-verbaal AMB-002 en het proces-verbaal van verdenking AMB-002B stellen de officieren van justitie zich op het standpunt dat sprake is van een (ernstig) vermoeden van witwassen. Gelet op de in deze processen-verbaal vermelde indicatoren en naar aanleiding van (onderzoek aan) de van de [bank 3] , De [bank 1] Bank en [bank 2] - hierna gezamenlijk ook als handelsbanken aan te duiden - verkregen informatie, bestaat het (ernstig) vermoeden dat een groot gedeelte van het inbeslaggenomen geldbedrag (on)middellijk van misdrijf afkomstig is.

De handelsbanken, de rechthebbenden op de gelden, hebben inmiddels de verdachten-status, evenals een vijftal in Suriname gevestigde “Cambio’s” (wisselkantoren). Een groot deel van de gelden zou afkomstig zijn van deze Cambio’s. Op grond van de verkregen informatie zou wat betreft de [bank 3] € 9.352.893, wat betreft De [bank 1] Bank € 1.181.786 en wat betreft [bank 2] € 1.550.000 van de inbeslaggenomen gelden van de Cambio’s afkomstig zijn. De officieren van justitie plaatsen, kort gezegd, de nodige vraagtekens bij de herkomst van die gelden. Verder is een deel van de gelden van de handelsbanken afkomstig van contante stortingen bij deze banken door natuurlijke personen en bedrijven. Daarbij gaat het ook om grote geldbedragen. Zo blijkt uit informatie van [bank 2] dat één natuurlijke persoon binnen twee dagen in totaal een geldbedrag van één miljoen euro contant bij deze bank heeft gestort. De officieren van justitie plaatsen ook vraagtekens bij de herkomst van deze gelden, zoals nader uiteengezet in de vermelde processen-verbaal.

Op pagina 4 van het proces-verbaal van verdenking AMB-002B is verwoord dat het beeld is ontstaan dat verdachten (de handelsbanken en de Cambio’s) geen of onvoldoende toezicht hebben gehouden op de daadwerkelijke herkomst van de contante gelden. “De door verdachten uitgeoefende manier van toezicht houden maakt het witwassen van crimineel geld dan wel het faciliteren ervan mogelijk, en het is zeer waarschijnlijk dat dit ook heeft plaatsgevonden”, aldus dit proces-verbaal.

4.2 De officieren van justitie hebben in raadkamer toegelicht dat het beslag nog altijd is gegrond op artikel 94 Sv, maar thans met het oog op een mogelijke verbeurdverklaring van het geldbedrag. De officieren van justitie hebben zich gemotiveerd verzet tegen opheffing van het beslag. Op de argumenten van de officieren van justitie zal, zo nodig, hierna bij de beoordeling worden ingegaan.
5. Standpunt klaagsters

5.1 Klaagsters hebben in de eerste plaats aandacht gevraagd voor de achtergrond van de contante geldzendingen vanuit Suriname via de luchthaven Schiphol naar Hong Kong, zoals die achtergrond ook eerder richting de Douane, de FIOD en het Openbaar Ministerie is geschetst. Het klaagschrift houdt hierover het volgende in:
“Sinds jaar en dag komen meer contante euro’s (‘EUR’) Suriname binnen dan het land (spontaan) verlaten. Hoewel de euro, naast de officiële Surinaamse munteenheid, de Surinaamse dollar (‘SRD’), en de Amerikaanse dollar (‘USD’) een niet-ongebruikelijk betaalmiddel is in Suriname, overstijgen de instroom en het aanbod de hoeveelheid die benodigd is om die functie te vervullen. De overtollige contante euro ’s komen - hetzij direct, hetzij door tussenkomst van lokale wisselkantoren (cambio ’s) - terecht bij de banken.
Om die contante middelen weer op bruikbare wijze toe te voegen aan de liquide middelen van de bank, dienen deze giraal te worden gemaakt. Dit vond decennialang plaats doordat de banken deze contanten in het kader van een banknote trading agreement overbrachten naar een bank in het eurogebied, waarna de rekening die de Surinaamse banken aanhielden bij die bank, werd gecrediteerd. Toen veel banken in het eurogebied de banknote trading agreements met de Surinaamse banken beëindigden in het kader van ‘de-risking’, werd het vervoer van de cash euro’s gecentraliseerd. De Centrale Bank van Suriname (‘CBvS’) nam, gelet op het belang van de omwisseling voor een stabiele, monetaire economie, die coördinerende rol op zich met ingang van 2014. Zij sloot daartoe een overeenkomst met de Bank of China (‘BOC’) te Hong Kong, die bereid was de contante euro’s van CBvS in ontvangst te nemen. Zo vonden er sinds 2014 vele transporten van cash euro’s plaats.


Directe vluchten vanuit Suriname naar Hong Kong zijn er (uiteraard) niet. Schiphol is de enige Europese bestemming waarop vanuit Paramaribo wordt gevlogen. Steevast wordt dus hier een tussenlanding gemaakt, waarna de euro’s verder worden vervoerd naar Hong Kong. Al die jaren vond dit zonder enig (noemenswaardig) probleem plaats.”
Het klaagschrift vervolgt ermee dat dit drastisch veranderde toen het Openbaar Ministerie medio april 2018 zonder enige concrete aanleiding - laat staan een valide reden of titel - beslag legde op een partij van € 19.500.000, toebehorende aan de [bank 3] , De [bank 1] Bank en [bank 2] . Volgens klaagsters werd deze geldzending onder verantwoordelijkheid van CBvS op de gebruikelijke wijze vervoerd, was deze zending voorzien van alle benodigde papieren en week deze zending in niets af van de vele eerdere geldzendingen.
5.2 Klaagsters voeren primair aan dat met de inbeslagname inbreuk is gemaakt op de immuniteit van de Centrale Bank van Suriname als staatsorgaan. Op dit punt zal hierna onder

6.2 worden ingegaan.

5.3 Klaagsters betwisten verder gemotiveerd dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. Volgens klaagsters zijn de door Douane, FIOD en Openbaar Ministerie gehanteerde witwasindicatoren niet van toepassing op een geldzending als de onderhavige, afkomstig van bonafide banken, en ontbreken ook overigens (voldoende) aanwijzingen voor een witwasvermoeden. Klaagsters stellen zich op het standpunt dat het beslag onrechtmatig is (gelegd), alsmede disproportioneel en vexatoir is, en per direct moet worden opgeheven.

6. Oordeel rechtbank


6.1 Ontvankelijkheid CBvS

6.1.1 De officieren van justitie hebben - op de gronden zoals vermeld op pagina’s 7-10 van de reactie van het Openbaar Ministerie op het klaagschrift - betoogd dat de Centrale Bank van Suriname niet als belanghebbende in de zin van artikel 552a, eerste lid, Sv kan worden aangemerkt, en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beklag.

Volgens de officieren van justitie is CBvS, anders dan de handelsbanken (de andere klaagsters), geen beslagene en geen (gesteld) rechthebbende op de gelden. Dat, zoals in het klaagschrift wordt aangevoerd, CBvS als gevolmachtigde van de drie handelsbanken heeft gehandeld, naast die banken (ook) beschikkingsbevoegd is, en bovendien twee banken ( [bank 2] en [bank 3] ) na de inbeslagname van liquiditeit heeft voorzien onder de voorwaarde (kort gezegd) dat als de gelden worden teruggegeven CBvS wordt gecrediteerd, betekent niet dat CBvS daardoor belanghebbende is in de zin van artikel 552a Sv. De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat CBvS niet meer is (geweest) dan ‘houder’ van de gelden. Uit de Aanwijzing inbeslagneming van het Openbaar Ministerie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR) volgt dat een houder niet als belanghebbende in de klaagschriftprocedure kan worden ontvangen (HR 18 september 1995, DD 1996/027).


6.1.2 Klaagsters hebben in hun toelichting op het klaagschrift - vanaf punt 2.59 - op dit betoog van de officieren van justitie gereageerd en geconcludeerd dat CBvS, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, wel degelijk als belanghebbende moet worden aangemerkt.


6.1.3 De rechtbank overweegt het volgende.

Wat er ook zij van de door de officieren van justitie en klaagsters aangevoerde argumenten, de rechtbank stelt - gelet op de hiervoor onder 3 weergegeven feiten en omstandigheden en de onder 5.1 door klaagsters geschetste routing van de gelden - vast dat de gelden op 17 april 2018 feitelijk onder CBvS in beslag zijn genomen.

CBvS stond als “shipper” op de vrachtbrieven van de betreffende geldzending vermeld.

De Douane heeft, blijkens de onder 3.3 genoemde e-mailcorrespondentie, op 13 april 2018 aan CBvS bericht dat de geldzending douane-technisch is stopgezet. De Douane heeft vervolgens (alleen) CBvS om de achterliggende bescheiden van de zending verzocht en vragen gesteld. In antwoord op die vragen heeft [betrokkene 1] , ‘Head Foreign Department’ van CBvS, medegedeeld dat de lokale commerciële banken (de rechtbank begrijpt: de handelsbanken) hun bankpapier aan CBvS aanbieden en dat CBvS zorgt voor de verscheping naar Bank of China.

In zijn e-mailbericht van 13 april 2018 om 19.42 uur, gericht aan verbalisant [verbalisant 1] , vraagt [betrokkene 1] : “Is onze zending aangehouden? Wat moeten wij nu doen? ”. Verbalisant [verbalisant 1] reageert: “Nee, niet aangehouden maar is opgehouden voor controle! (...) Zodra ik meer weet dan hoort u dat van mij.” In zijn e-mails van 15, 16, 17 en 18 april 2018 informeert [betrokkene 1] naar ‘’onze geldzending’’ en of deze al is ‘’vrijgegeven voor verder transport naar China”. Op 19 april 2018 reageert verbalisant [verbalisant 1] met de mededelingen, dat de Douane de stopzetting heeft opgeheven, dat de zending echter onder leiding van het Openbaar Ministerie Noord-Holland in beslag is genomen en dat [betrokkene 1] zich voor informatie tot deze instantie kan wenden.


6.1.4 Nu de gelden aldus onder CBvS in beslag zijn genomen, moet CBvS als beslagene worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat CBvS niet als beslagene op de kennisgevingen van inbeslagneming is vermeld. De feitelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank doorslaggevend. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat op de handgeschreven kennisgevingen van 17 april 2018 in het geheel geen beslagene(n) is (zijn) vermeld. De later geregistreerde kennisgevingen zijn eerst op 28 mei 2018 opgemaakt en duidelijk is dat daarin informatie is verwerkt die eerst na de datum van inbeslagneming is verkregen. Zo houdt één van de twee kennisgevingen van inbeslagneming ten aanzien van De [bank 1] Bank in dat op 17 april 2018 twee valse coupures van 500 euro in beslag zijn genomen op grond van artikel 94 Sv wegens “vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer”, terwijl eerst op 24/25 mei 2018 (tijdens de telling bij DNB) is gebleken dat in de gelden van De [bank 1] Bank twee valse coupures van 500 euro zaten (AMB-004).
De rechtbank stelt verder vast dat de officieren van justitie in hun brief aan de advocaten van klaagsters van 28 december 2018 (bijlage 6 bij het klaagschrift) CBvS ook als beslagene hebben aangemerkt. In deze brief is immers vermeld (pagina 2, boven): “De betreffende gelden zijn inbeslaggenomen onder de Centrale Bank van Suriname, zodat de betrokkenheid van deze partij als beslagene duidelijk is. De handelsbanken zijn in een later stadium bij de onderhandelingen aangesloten (...).” De opmerking van de officieren van justitie in noot 11 van de reactie van het Openbaar Ministerie op het klaagschrift dat dit abusievelijk is gedaan overtuigt niet.

Gelet op het bepaalde in artikel 116, eerste lid, Sv moet de beslagene als belanghebbende in de zin van artikel 552a, eerste lid, Sv worden aangemerkt. CBvS kan dan ook in haar beklag worden ontvangen.’’

3.3.

Het middel valt, zoals hiervoor al kort is weergegeven, uiteen in twee deelklachten.

3.4.

De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van de rechtbank dat de klaagster als beslagene kan worden aangemerkt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is in het licht van de vastgestelde feiten en hetgeen door het openbaar ministerie is aangevoerd. Hieruit blijkt namelijk dat de klaagster de inbeslaggenomen gelden tijdens de inbeslagname niet feitelijk onder zich had en dat door het beslag deze gelden ook niet aan haar feitelijke macht zijn onttrokken. Daardoor is niet voldaan aan het in de jurisprudentie ontwikkelde criterium om op grond van art. 552a Sv als belanghebbende in de hoedanigheid van beslagene te worden aangemerkt.4

3.5.

Gesteld wordt dat de rechtbank op onjuiste gronden – namelijk vanwege de aanduiding als “shipper” op de vrachtdocumenten en de emailcorrespondentie tussen de klaagster en de Douane – de klaagster als beslagene heeft aangemerkt. Deze omstandigheden betekenen nog niet dat er sprake is van feitelijke macht van de klaagster over het in beslag genomen geld.

Ter onderbouwing van deze stelling wordt verwezen naar hetgeen de officieren van justitie in raadkamer hebben betoogd:

(i) In de eerste plaats dat namens de klaagster zelf op 16 mei 2018 aan het openbaar ministerie te kennen is gegeven, dat de Bank of China via de klaagster contante euro’s krijgt en die omzet in girale euro’s op de bankrekeningen van de handelsbanken en dat de Bank of China, dus niet de klaagster, de route en het vervoer vanuit Suriname naar China regelt.

(ii) Ten tweede dat uit onderzoek is gebleken dat de Bank of China op 16 april 2018 nog vóór de ontvangst van de geldzending, geld heeft overgemaakt naar de rekening van de klaagster bij De Nederlandsche Bank en dat daaruit volgt dat de Bank of China houder en gerechtigde was van de geldzending.

(iii) Tot slot dat de klaagster de gelden die zij had ontvangen, heeft overgedragen aan transportbedrijf Brinks, dat de gelden die Brinks vervoerde, lagen opgeslagen in de kluis bij de KLM en dat de klaagster het transport heeft laten uitvoeren door Brinks. Hieruit blijkt dat het houderschap van de klaagster niet onmiddellijk is maar middellijk. Het geld is derhalve niet direct onder de klaagster in beslag genomen en uit de handgeschreven kennisgevingen van inbeslagneming blijkt dat het beslag gelegd is ten laste van de handelsbanken en niet ten laste van de klaagster.

Hieruit volgt volgens de steller van het middel dat de klaagster niet de zeggenschap had over het transport en de gelden en dat de gelden dus niet onder de feitelijke heerschappij van de klaagster vielen. Dat laatste geldt ook indien de rechtbank heeft mogen aannemen dat de klaagster wel verantwoordelijk was voor het transport, aangezien ook dan geldt dat zij niet de feitelijke macht had over de contanten.

3.6.

De tweede deelklacht houdt in dat voor zover in het oordeel van de rechtbank besloten ligt dat de klaagster op andere grond dan als beslagene als belanghebbende kan worden aangemerkt, dit ook van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel niet zonder meer begrijpelijk is.

3.7.

De steller van het middel voert daarvoor aan dat uit de stelling van de klaagster dat zij gevolmachtigde is van de handelsbanken van wie het geld afkomstig is, niet zonder meer volgt dat de klaagster pretendeert een (beperkt) zakelijk recht of persoonlijk recht op teruggave van de inbeslaggenomen gelden te hebben. Een gevolmachtigde die in het kader van een bepaalde rechtsbetrekking met een wederpartij enig voorwerp onder zich heeft gehad, kan na afgifte van dat voorwerp aan een derde niet per definitie een (beperkt) zakelijk recht of persoonlijk recht op dat voorwerp doen gelden.5 Volgens de steller van het middel is daarvoor een nadere vaststelling van feiten en motivering vereist, en dat heeft de rechtbank achterwege gelaten. Ook uit de stelling dat de klaagster de handelsbanken van liquiditeit heeft voorzien kan niet zonder meer volgen dat de klaagster als belanghebbende aanspraak kan maken op afgifte van de inbeslaggenomen gelden. Tot slot geldt ditzelfde, aldus de steller van het middel, voor zover de overwegingen van de rechtbank aldus moeten worden begrepen dat zij van oordeel was dat de klaagster op een andere grond als belanghebbende moet worden aangemerkt.

4 Het juridisch kader van het eerste middel

4.1.

Uit de processtukken en vaststellingen van de rechtbank volgt dat op grond van art. 94 Sv beslag is gelegd op de contante geldbedragen (uiteindelijk) met het oog op een mogelijke verbeurdverklaring. Aangezien de handelsbanken, evenals een vijftal in Suriname gevestigde wisselkantoren (cambio’s) hangende de beklagprocedure zijn aangemerkt als verdachten ter zake van het door de officieren van justitie gestelde witwassen, moet het ervoor worden gehouden dat het beslag ten laste van hen is gelegd.

4.2.

In het middel wordt de kwestie of de rechtbank de klaagster ten onrechte heeft aangemerkt als beslagene dan wel als derde-belanghebbende in de sleutel van de ontvankelijkheidsvraag aan de orde gesteld. Ik zal mij bij de bespreking van het juridische kader dan ook daartoe beperken.

Het begrip ‘beslagene’

4.3.

Wat betreft de definitie van het begrip beslagene, is de jurisprudentie omtrent art. 134 Sv van belang. Art. 134 lid 1 Sv bepaalt dat onder inbeslagneming wordt verstaan:

‘’het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering.’’

In 1936 heeft de Hoge Raad bepaald dat sprake is van onder zich nemen:

‘’indien de vrije beschikking over het voorwerp voor hem, onder wien het in beslag wordt genomen, wordt opgeheven en het voorwerp onder de macht van den beslagleggenden ambtenaar is gekomen.’’6

4.4.

De beslagene is dus degene onder wie het voorwerp in beslag wordt genomen en daardoor de vrije beschikking over het voorwerp verliest. In een beschikking uit 2009 spreekt de Hoge Raad over de beslagene als degene aan wie ‘’de feitelijke macht’’ van het voorwerp is onttrokken.7 Uit de ook door de steller van het middel aangehaalde beschikking uit 2017 kan tot slot worden afgeleid dat de beslagene degene is onder wie het beslag feitelijk is gelegd, dan wel degene die de feitelijke macht heeft over het voor het beslag vatbare voorwerp.8

4.5.

De status van beslagene is voldoende om als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv te worden aangemerkt.9 De beslagene hoeft echter niet noodzakelijkerwijs degene te zijn ten laste van wie het voorwerp in beslag wordt genomen. In de woorden van de Hoge Raad is dat degene ‘’tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht’’.10 Indien bijvoorbeeld de auto van A, waarmee A strafbare feiten heeft gepleegd, in beslag wordt genomen op het moment dat B erin rijdt, dan is het beslag feitelijk onder B gelegd maar ten laste van A. De auto wordt immers in beslag genomen in de strafzaak tegen A, met het oog op bijvoorbeeld latere verbeurdverklaring van de auto. B is echter de beslagene, omdat hij op het moment van inbeslagname hierover de feitelijke macht heeft. Daaraan doet dus niet af dat het beslag niet ten laste van hem is gelegd. In de praktijk wordt in dit geval analoog aan het civiele recht gesproken over ‘derdenbeslag’.11

4.6.

Bij conservatoir strafvorderlijk beslag (art. 94a Sv) komt aan het begrip ‘beslagene’ volgens de Hoge Raad een andere betekenis toe: de beslagene is dan altijd de persoon tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht, oftewel ten laste van wie het voorwerp in beslag wordt genomen, ongeacht onder wie dat feitelijk is gebeurd.12 In het zojuist geschetste voorbeeld is bij conservatoir beslag dus niet B maar A de beslagene. Dit onderscheid valt te verklaren omdat conservatoir beslag tot doel heeft verhaalsmogelijkheden te creëren op de verdachte. Het beslag zal dus, net als bij civielrechtelijk conservatoir (derden)beslag13, worden gelegd op voorwerpen waarvan in beginsel wordt aangenomen dat die aan de verdachte (in het civiele recht: de debiteur) toebehoren.14

4.7.

Bij klassiek beslag is het creëren van een verhaalsmogelijkheid slechts één van de mogelijke doelen en hoeft het voorwerp voor de overige in art. 94 Sv neergelegde doelen niet noodzakelijkerwijs aan de verdachte toe te behoren. Andere doelen zijn dan bijvoorbeeld de waarheidsvinding en de onttrekking aan het verkeer.15 Analoge toepassing van het civielrechtelijke begrip ‘derdenbeslag’ op klassiek strafvorderlijk beslag op grond van art. 94 Sv is dan ook minder goed hanteerbaar.

4.8.

Een nadere wettelijke normering of jurisprudentie over hoe het begrip ‘beslagene’ bij klassiek beslag verder dient te worden ingevuld is er niet. Wel is duidelijk dat voor de vraag wie als beslagene kan worden aangemerkt, anders dan bij conservatoir beslag, niet doorslaggevend is ten laste van wie het voorwerp in beslag wordt genomen of aan wie het voorwerp toebehoort (wie de eigenaar of rechthebbende is).16 In HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:310617 werd bijvoorbeeld de partner van de beslagene volgens de Hoge Raad terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de inbeslaggenomen scooter inmiddels was teruggegeven aan een ander (een verzekeringsmaatschappij). Dat de scooter van de klager was en zijn vrouw de beslagene, maakte het nog niet dat zijn beklag kon worden opgevat als een beklag als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv om de simpele reden dat hij niet de beslagene was. Ook de inhoud van een kennisgeving van inbeslagname (KVI) is niet per definitie doorslaggevend. Dat is mogelijk anders met het bewijs van ontvangst. Art. 116 lid 3 Sv schrijft namelijk voor dat naast het opmaken van een KVI, aan degene bij wie een voorwerp is inbeslaggenomen, zoveel mogelijk een (apart) bewijs van ontvangst wordt afgegeven. Dat betekent dat met betrekking tot degene aan wie door de opsporingsambtenaar een bewijs van ontvangst wordt afgegeven veelal de presumptie geldt dat hij als beslagene kan worden aangemerkt.18

4.9.

Uit het voorgaande blijkt in elk geval dat het begrip ‘beslagene’ beperkt moet worden opgevat. Dat sluit aan bij het verschil tussen de door de rechter te hanteren maatstaven tussen het beklag van een beslagene en een derde-belanghebbende (waarover hierna meer). Dat verschil is erin gelegen dat indien het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer meer vordert, uit (de systematiek van) art. 116 Sv volgt dat het beslag wordt teruggegeven aan de beslagene. Dat is de hoofdregel, waarop uitzonderingen19 mogelijk zijn. De beslagene heeft daarmee in eerste instantie een sterkere positie dan de derde-belanghebbende die stelt rechthebbende te zijn, omdat met betrekking tot die belanghebbende de rechter telkens nog zal moeten beoordelen of deze inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Met betrekking tot de beslagene is dat niet vereist.20

4.10.

De achtergrond van deze hoofdregel21 is dat het hier gaat om inbeslagneming voor strafvorderlijke doeleinden. Wanneer deze doeleinden niet meer opgaan, dan dient het voorwerp te worden teruggegeven aan de beslagene, degene onder wie volgens de Hoge Raad het voorwerp feitelijk in beslag is genomen.22 Daardoor wordt ten aanzien van het voorwerp zo veel mogelijk de rechtstoestand hersteld zoals die was vóór de inbeslagneming. Uitgangspunt is zoveel mogelijk de situatie voorafgaand aan de beslaglegging, waarna het rechtsverkeer weer zijn normale beloop kan hebben (alsof geen inbeslagneming heeft plaatsgevonden). 23 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het niet de bedoeling noch de taak van de strafvorderlijke overheid is om in te grijpen in civielrechtelijke rechtsverhoudingen of de rechten van de civielrechtelijke rechthebbende te beschermen.24 Dit impliceert dus, zoals gezegd, een nauwe definitie van feitelijk bezit en wie als beslagene kan worden aangemerkt.25

4.11.

Kort samengevat zal het telkens aankomen op de vraag wie, gezien alle omstandigheden van het geval, de feitelijke beschikkingsmacht over het voorwerp had toen dit in beslag werd genomen. De enkele omstandigheid van feitelijk bezit is daarbij beslissend. Indien de rechter tot het oordeel komt dat iemand als beslagene kan worden aangemerkt omdat onder diegene het beslag feitelijk is gelegd, kan dat oordeel in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Het begrip ‘belanghebbende’ niet zijnde de beslagene

4.12.

Ingevolge art. 552a Sv kunnen ‘belanghebbenden’ zich schriftelijk beklagen over onder meer de inbeslagneming van voorwerpen en het uitblijven van een last tot teruggave. Belanghebbenden zijn natuurlijke of rechtspersonen die op grond van art. 116 Sv een recht op teruggave van het voorwerp kunnen claimen. Blijft een last tot teruggave uit, dan kunnen zij zich ingevolge art. 552a Sv hierover schriftelijk beklagen bij de rechtbank. De beslagene is, zoals hiervoor uiteengezet, altijd belanghebbende. Maar ook derden die menen dat zij redelijkerwijs als rechthebbende kunnen worden aangemerkt worden als belanghebbenden aangemerkt. Het begrip ‘rechthebbende’ dient op zijn beurt volgens de wetsgeschiedenis ruim te worden opgevat.26 Uit de invulling die de Hoge Raad daaraan in zijn jurisprudentie heeft gegeven volgt kort samengevat dat naast de beslagene ieder ander die een (beperkt) zakelijk dan wel persoonlijk recht op het voorwerp pretendeert als belanghebbende dient te worden aangemerkt.27 Met betrekking tot een persoonlijk recht wordt ook wel gesproken over iemand die op grond van een overeenkomst stelt belang te hebben bij de beschikkingsmacht over het voorwerp28 of iemand die uit anderen hoofde enige aanspraak op beschikkingsmacht over het voorwerp kan doen gelden.29

4.13.

Zo is als belanghebbende aangemerkt: degene die stelt eigenaar30 of bezitter van het beslagen voorwerp te zijn, degene die bescherming geniet op grond van art. 3:99 BW e.v., de beperkt zakelijk gerechtigde31 zoals de pandhouder of hypotheekgerechtigde, de faillissementscurator32, degene met een retentierecht33 of de directeur enig aandeelhouder van een BV waaronder beslag is gelegd.34 Daarnaast valt te denken aan de huurder, huurkoper, bruiklener, de verzekeringsmaatschappij die door uitbetaling van het verzekerd bedrag in de rechten op het voorwerp is getreden (subrogatie), de maatschappij die het voorwerp heeft gefinancierd35 of degene die zonder eigenaar te zijn productiemiddelen onder zich heeft.36 Voor de vraag wie als belanghebbende kan worden aangemerkt is het moment van de inbeslagneming niet noodzakelijkerwijs beslissend. Ook daarna kan men nog belanghebbende worden, bijvoorbeeld door eigendomsoverdracht tot zekerheid.37

4.14.

Waar het om gaat is dat de klager een recht pretendeert op het beslagen voorwerp. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake in het geval waarin een houder de teruggave verzoekt van een onder een ander inbeslaggenomen voorwerp, terwijl zijn raadsman heeft verklaard dat het voorwerp niet aan hem toebehoorde en niet aannemelijk was gemaakt dat hij namens de eigenaar optrad.38 Datzelfde geldt voor een ideële stichting die de belangen van dieren behartigt en (enkel) daarom opkomt tegen de inbeslagneming van een aantal paarden.39 Ook kan worden gewezen op de bank die slachtoffer is geworden van een overval (waarbij geld is buitgemaakt), waarbij onder de verdachte (waardevolle) voorwerpen in beslag zijn genomen. De bank heeft weliswaar een vordering uit onrechtmatige daad op de overvaller, maar geen recht op afgifte van het beslag.40 Tot slot oordeelde de Hoge Raad in gelijke zin ten aanzien van iemand die geld heeft uitgeleend aan de beslagene. De betrokkene heeft dan een vordering op de beslagene tot terugbetaling van een bedrag ter hoogte van het bedrag dat hij heeft uitgeleend, maar een aanspraak op afgifte van de onder de lener inbeslaggenomen gelden levert dat niet op.41 De aanvaarding van algemene vermogensaanspraken van individuele schuldeisers in de beklagprocedure verhoudt zich namelijk moeilijk met het karakter van de beklagprocedure waarin in beginsel geen uitspraken worden gedaan over civielrechtelijke kwesties.42

4.15.

Anders kan het wat betreft die laatste voorbeelden zijn, als het niet gaat om een vordering tot betaling, maar om een vordering tot afgifte van een afgescheiden geldbedrag, met name als kan worden aangenomen dat de eigendom van dat bedrag is blijven berusten bij degene die de vordering doet. Bijvoorbeeld indien bij een (bank)overval niet beslag is gelegd op waardevolle spullen of geld van de daders, maar beslag is gelegd op het object dat is gestolen. Dat kan om juwelen maar ook om afgescheiden/herleidbare (en dus niet vermengde) contante geldbedragen gaan.43

De ontvankelijkheidstoets

4.16.

Indien de klager niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, dient hij volgens de Hoge Raad niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beklag. Voor de ontvankelijkheid van het beklag is in beginsel beslissend de stelling van de klager dat hij rechthebbende is. Niet beslissend is bijvoorbeeld of de klager als eigenaar kan worden aangemerkt maar of hij heeft gesteld eigenaar te zijn.44 De lat om – als niet-beslagene – als belanghebbende te worden aangemerkt ligt dus niet hoog.45 Het moet echter wel nadrukkelijk gaan om een recht op afgifte van het in beslaggenomen voorwerp.46 De beklagrechter zal in dat verband steeds moeten nagaan of hetgeen feitelijk is aangevoerd, maakt dat het recht dat de klager stelt te hebben, juridisch gezien aangemerkt kan worden als een zakelijk of persoonlijk recht op het voorwerp.47 Dat oordeel kan vervolgens in cassatie op begrijpelijkheid worden beoordeeld.

5 Beoordeling van het eerste middel

De eerste deelklacht

5.1.

Dan kom ik nu toe aan de beoordeling van de eerste deelklacht. In onderhavige zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de geldzending feitelijk onder de klaagster in beslag is genomen en de klaagster daarom als beslagene kan worden aangemerkt. Aan dit oordeel heeft de rechtbank kortgezegd het volgende ten grondslag gelegd:

(i) De klaagster stond als “shipper” op de vrachtbrieven van de betreffende geldzending vermeld.

(ii) Tijdens de technische stopzetting van de geldzending is door de Douane telkens contact gezocht met de klaagster om informatie in te winnen over de geldzending.

(iii) In dat contact met de Douane heeft het ‘Head Foreign Department’ van de klaagster medegedeeld dat de handelsbanken hun bankpapier aan de klaagster aanbieden en dat de klaagster zorgt voor de verscheping naar Bank of China. Tevens spreekt deze persoon in het contact met de Douane telkens over ‘’onze geldzending”.

(iv) Dat de klaagster niet als beslagene op de kennisgevingen is vermeld doet volgens de rechtbank niet af aan haar oordeel. De feitelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank doorslaggevend. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat op de handgeschreven kennisgevingen van 17 april 2018 in het geheel geen beslagene(n) is (zijn) vermeld en de later geregistreerde kennisgevingen eerst op 28 mei 2018 zijn opgemaakt en duidelijk is dat daarin informatie is verwerkt die eerst na de datum van inbeslagneming is verkregen.

(v) De officieren van justitie hebben tot slot zelf in hun brief aan de advocaten van de klaagsters van 28 december 2018, de klaagster als beslagene aangemerkt. De opmerking van de officieren van justitie in noot 11 van de reactie van het openbaar ministerie op het klaagschrift dat dit abusievelijk is gedaan overtuigt niet.

5.2.

Uit het hiervoor onder 4 geschetste juridisch kader blijkt dat voor het antwoord op de vraag wie als beslagene dient te worden aangemerkt doorslaggevend is onder wie het beslag ‘’feitelijk’’ is gelegd. In de overweging van de rechtbank onder 6.1.3. van haar beschikking waarin zij vaststelt dat de gelden op 17 april 2018 feitelijk onder de klaagster in beslag zijn genomen ligt besloten dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Het daaropvolgende oordeel onder 6.1.4 van de beschikking dat de klaagster als beslagene moet worden aangemerkt is naar mijn mening echter niet zonder meer begrijpelijk.

5.3.

Uit de feitelijke vaststellingen van de rechtbank en het dossier volgt dat in opdracht van en onder verantwoordelijkheid van de klaagster een transport heeft plaatsgevonden van afgescheiden geldbedragen die toebehoorden aan de handelsbanken. De gelden zijn in opdracht van de klaagster in Suriname overgedragen aan een vervoerder en via de luchthaven ‘Johan Adolf Pengel (Zanderij)’ in Suriname door de KLM naar de luchthaven Schiphol in Nederland gevlogen, waar de zending in beslag is genomen.

5.4.

Daaruit blijkt dat de gelden bij de inbeslagname op de luchthaven Schiphol in ieder geval niet feitelijk in het bezit waren van klaagster. Het openbaar ministerie heeft onder andere aangevoerd dat de geldzending werd vervoerd door de KLM en/of Brinks, en dat de Bank of China zeggenschap had over de zending, terwijl de geldzending in beslag is genomen toen deze lag opgeslagen in een kluis van de KLM. Steun daarvoor kan worden gevonden in de vaststellingen van de rechtbank en in het dossier, zoals de inhoud van de door rechtbank genoemde handgeschreven kennisgeving van inbeslagneming die is opgemaakt op 17 april 2018 (IBN-001-01).48 De feitelijke beschikkingsmacht lag daarmee dus niet meer bij de klaagster, maar bij de KLM die de geldzending vervoerde en in zijn kluis had opgeslagen.

5.5.

Het oordeel van de rechtbank dat de klaagster als beslagene dient te worden aangemerkt, is dan ook niet zonder meer begrijpelijk. In elk geval kunnen de overwegingen van de rechtbank dat de klaagster als ‘shipper’ staat vermeld van de geldzending en dat door de Douane telkens contact is gezocht met de klaagster om informatie te verstrekken over de geldzending, het oordeel dat de geldzending feitelijk onder de klaagster in beslag is genomen, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet dragen.

5.6.

Daarbij kan de – op zichzelf nog wel interessante – kwestie in het midden worden gelaten wie of welke instantie dan wél als beslagene zou kunnen worden aangemerkt. Het ligt voor de hand dat dit KLM is die de gelden in een kluis op de luchthaven Schiphol heeft gestald, of wellicht de luchthaven zelf?

5.7.

De eerste deelklacht slaagt. Tot cassatie leidt dit echter naar mijn mening niet omdat de rechtbank de klaagster hoe dan ook terecht ontvankelijk heeft verklaard in haar beklag. Daarvoor is van belang hetgeen ik hierna bespreek ten aanzien van de tweede deelklacht.

De tweede deelklacht

5.8.

De tweede deelklacht komt op tegen het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de klaagster ook op andere grond dan als beslagene als belanghebbende kan worden aangemerkt.

5.9.

Ik meen dat deze deelklacht faalt. Hoewel de rechtbank op een ander spoor zat en de klaagster als beslagene heeft aangemerkt – en dus niet expliciet heeft overwogen dat de klaagster ook als derde belanghebbende kan worden beschouwd – kon de rechtbank gelet op de feitelijke vaststellingen en hetgeen namens de klaagster is aangevoerd naar mijn mening niet anders dan de klaagster als belanghebbende aanmerken. Het volgende is daarbij van belang.

5.10.

Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft de klaagster gesteld een recht op afgifte van de contanten te hebben, nu zij niet alleen krachtens overeenkomst gebonden is de geldzending, die bestaat uit afgescheiden geldbedragen, te leveren aan de Bank of China, maar ook vanuit haar publieke taak als centrale bank een belang heeft bij afgifte van de inbeslaggenomen gelden teneinde deze giraal te kunnen maken. Zij heeft in dat verband onbestreden gesteld dat het economisch en monetair stelsel van Suriname afhankelijk is van de uitvoering van deze geldzending en daarop betrekking hebbende overeenkomsten. Bovendien pretendeert zij, anders dan de steller van het middel meent, weldegelijk een recht op afgifte van de inbeslaggenomen gelden door te stellen dat zij als gevolmachtigde optreedt namens de handelsbanken. Anders dan de steller van het middel meent, behoeft dit mijns inziens geen nadere motivering vanwege het enkele feit dat de klaagster de geldzending heeft overgedragen aan een derde (het transportbedrijf of de luchtvaartmaatschappij). Ik meen dat in de overwegingen van de rechtbank als niet onbegrijpelijk oordeel besloten ligt dat – in tegenstelling wat door het openbaar ministerie is aangevoerd – de rol van de klaagster met betrekking tot de geldzending nog niet was uitgespeeld.49

5.11.

Die pretentie van recht op afgifte geldt ook voor de krachtens overeenkomst verschafte liquiditeit aan de handelsbanken d.d. 24 mei 2018, waarmee de klaagster na de inbeslagneming krachtens subrogatie in de plaats is gekomen van twee van de drie oorspronkelijke eigenaren van de geldzending ( [bank 3] N.V. met betrekking tot 10 miljoen euro en [bank 2] N.V. met betrekking tot 4,5 miljoen euro).50 Dat deze geldzending inmiddels door De Nederlandsche Bank is omgezet in giraal geld, op grond waarvan zou kunnen worden betoogd dat de klaagster slechts een geldvordering heeft op de handelsbanken (en dus geen recht op afgifte van het beslagen voorwerp, dat inmiddels niet meer bestaat uit contanten), doet daaraan niet af. De klaagster was immers gehouden zorg te dragen dat de contante geldzending zou toekomen aan de Bank of China, die deze contante euro’s wilde overnemen. Dat door toedoen van de beslaglegger de oorspronkelijke contante geldbedragen waarop het recht op afgifte bestond zijn komen te vervallen, kan mijn inziens niet aan de belanghebbende worden tegengeworpen. Het beslag is daardoor immers ook niet vervallen.

5.12.

Tot slot memoreer ik nog een keer dat het begrip belanghebbende volgens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad ruim dient te worden uitgelegd. Voldoende is dat de belanghebbende een recht op afgifte pretendeert. Alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals het geval dat de klager slechts stelt dat hij houder is van de inbeslaggenomen voorwerpen terwijl hij niet voor de eigenaren optreedt, of het geval dat er slechts sprake is van een (geld)vordering of lening die niet specifiek betrekking heeft op het (oorspronkelijk) inbeslaggenomen voorwerp, kan een klager niet als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv worden aangemerkt. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich naar mijn mening hier niet voor, waarbij ik nog opmerk dat de Hoge Raad niet heeft uitgesloten dat ook een tussenhandelaar als belanghebbende kan worden aangemerkt.51

5.13.

Ik meen dan ook dat het ervoor moet worden gehouden dat in de overwegingen van de rechtbank als niet onbegrijpelijk oordeel besloten ligt dat de klaagster namens de handelsbanken, de eigenaren van de inbeslaggenomen afgescheiden geldbedragen, optrad en de klaagster niet alleen krachtens overeenkomst een belang heeft bij de beschikkingsmacht over de in beslag genomen geldbedragen, maar dat ook heeft vanuit haar publieke en wettelijke taak als centrale bank. Daarbij betrek ik tevens wat de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de staatsimmuniteit. Daarover gaat het tweede middel.

5.14.

De tweede deelklacht stuit op het voorgaande af.

5.15.

Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.

6 Het tweede middel

6.1.

Het tweede middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat aan de klaagster (staats)immuniteit toekomt met betrekking tot de inbeslagneming van de geldzending. Gesteld wordt dat de rechtbank art. 8d Sr heeft geschonden evenals de toepasselijke regels van internationaal (gewoonte)recht met betrekking tot staatsimuniteit en bij de gegrondverklaring van het beklag is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting.

6.2.

De rechtbank heeft haar oordeel als volgt gemotiveerd:52

‘’6.2 Beroep op (staats)immuniteit

6.2.1 Klaagsters hebben betoogd dat aan de Centrale Bank van Suriname als staatsorgaan (absolute) immuniteit toekomt ten aanzien van (ook) de onderhavige geldzending van € 19.500.000 die vanuit Suriname via Nederland naar de Bank of China in Hong Kong werd vervoerd. Hiertoe hebben klaagsters een beroep gedaan op het (nog niet in werking getreden) Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2014 inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (VN-Verdrag), in het bijzonder de artikelen 18 tot en met 21 van dat verdrag. Klaagsters hebben aangevoerd dat CBvS de geldzending ter uitvoering van een wettelijke taak heeft verricht en dat met deze zending een publiek belang is gediend. Klaagsters stellen zich op het standpunt dat met de inbeslagneming van de € 19.500.000 het volkenrechtelijke beginsel van de staatsimmuniteit is geschonden. “Met de beslaglegging door het OM op gelden die CBvS als staatsorgaan van Suriname onder zich had, heeft Nederland Suriname (...) zonder grondslag aan zijn rechtsmacht onderworpen. Dit is in strijd met de soevereine gelijkheid van staten ”, aldus het klaagschrift onder punt 21.

6.2.2 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat CBvS als staatsorgaan van Suriname weliswaar immuniteit geniet, maar alleen ten aanzien van staatseigendommen en voor zover deze goederen een publieke, niet-commerciële bestemming hebben. Aan die twee vereisten is in deze zaak niet voldaan. Het inbeslaggenomen geld behoort immers toe aan de handelsbanken en is geen eigendom van CBvS. Verder volgt uit artikel 16.3 van de tussen CBvS en de Bank of China gesloten overeenkomst (‘Banknotes Trading Agreement’) - overgelegd bij het klaagschrift, als bijlage 5 bij de brief van 22 augustus 2018 - dat de overeenkomst en de ter uitvoering daarvan verrichte geldzendingen een commercieel doel dienden (‘private commercial purposes ’). Bovendien hebben CBvS en Bank of China in deze bepaling afstand gedaan van aan hen toekomende immuniteiten. Ook los van deze overeenkomst, is volgens de officieren van justitie duidelijk dat met de geldzending niet een publiek belang wordt gediend, omdat dergelijke geldzendingen ook door andere, commerciële banken kunnen en in de praktijk ook worden verricht. De officieren van justitie hebben gevorderd het beroep op (staats)immuniteit af te wijzen.

6.2.3 De rechtbank overweegt het volgende.
Onder 6.1 is vastgesteld dat het beslag is gelegd onder de Centrale Bank van Suriname.
Deze rechtspersoon is ingesteld bij Wet van 10 oktober 1956, tot regeling van het Centrale Bankwezen in Suriname (G.B. 1956 No. 97) (hierna: Surinaamse Bankwet 1956) en moet als officieel staatsorgaan van de staat Suriname worden aangemerkt. De FIOD heeft dus beslag gelegd onder een andere staat, namelijk Suriname.


Zoals de officieren van justitie in raadkamer hebben toegelicht, is het (klassieke) beslag op grond van artikel 94 Sv gelegd met het oog op de waarheidsvinding, maar wordt het thans door het Openbaar Ministerie gehandhaafd met het oog op een mogelijke verbeurdverklaring van het geldbedrag. Verbeurdverklaring is een bijkomende straf, waarbij het te verbeurd verklaren voorwerp vervalt aan de (Nederlandse) Staat.


6.2.4 Artikel 8d van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Deze bepaling heeft een strekking gelijk aan artikel 13a van de Wet Algemene Bepalingen (Wet AB) en bevat een wettelijke erkenning van aan het volkenrecht ontleende immuniteit van jurisdictie. Wat die laatste bepaling betreft, heeft de (civiele kamer van de) Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 30 september 2016 in de zaak Morning Star/Gabon en Staat (ECLI:NL:HR:2016:2236) het volgende overwogen53:

“3.4.2 De uitvoerbaarheid van rechterlijke uitspraken wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend (art. 13a Wet AB). Voor zover hierin niet is voorzien in een verdrag, zoals in de verhouding tussen Gabon en Nederland, gaat het daarbij om ongeschreven internationaal publiekrecht.
3.4.3 Naar de thans in Nederland als ongeschreven internationaal publiekrecht geldende regels genieten vreemde staten immuniteit van executie, maar is deze niet absoluut. Staatseigendommen met een publieke bestemming zijn echter in elk geval niet vatbaar voor gedwongen executie (vgl. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1387, NJ 2010/525 ( […] /JCR en Staat), en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45, NJ 2014/453 . ( […] /Staat)).


3.4.4 In het arrest […] /Staat is overwogen dat het hiervoor in 3.4.3 vermelde oordeel steun vindt in de op 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen, maar door Nederland niet geratificeerde en nog niet in werking getreden Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property (hierna: VN-Verdrag) en dat dit verdrag een codificatie behelst van het internationale gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de immuniteit van executie en de aan een en ander gestelde grenzen. (...)
Uit het voorgaande volgt niet dat alle bepalingen van het VN-Verdrag als internationaal gewoonterecht kunnen worden aangemerkt. In dit verband is van belang dat het arrest […] /Staat moet worden gelezen in de context van de daarin aan de orde zijnde vraag of beslag op eigendommen met een publieke bestemming is uitgesloten. Daarbij ging het om eigendommen als bedoeld in art. 21 VN-Verdrag, welke bepaling in deze zaak niet speelt.


3.4.5 De immuniteit van staten is geregeld in de art. 18 en 19 van het VN-Verdrag. Art. 19 sluit executiemaatregelen tegen eigendommen van een vreemde staat uit, tenzij en voor zover (onderdeel a) de staat op de daar vermelde wijze uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van zodanige maatregelen, (onderdeel b) de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de desbetreffende vordering, of (onderdeel c) vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van het forum (met dien verstande dat executiemaatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte).
Art. 18 VN-Verdrag maakt conservatoire maatregelen in de hiervoor genoemde, in art. 19 onderdelen a en b VN-Verdrag vermelde gevallen van instemming door de vreemde staat mogelijk. De hiervoor genoemde, in art. 19 onderdeel c VN-Verdrag vermelde uitzondering ontbreekt evenwel in art. 18 VN-Verdrag.


3.4.6 Zoals volgt uit de hiervoor in de aanvang van 3.4.4 vermelde overweging van het arrest Abmad/Staat, kan art. 19 VN-Verdrag als vastlegging van internationaal gewoonterecht worden aangemerkt. In deze zaak kan in het midden blijven of dit ook geldt voor het zogenoemde samenhangvereiste dat aan het slot van onderdeel c van die bepaling wordt gesteld en dat hiervoor in 3.4.5 tussen haakjes is weergegeven.


3.4.7 Art. 18 VN-Verdrag kan echter, voor zover daarin de in art. 19 VN-Verdrag onderdeel c vermelde uitzondering ontbreekt, niet als vastlegging van internationaal gewoonterecht worden aangemerkt, nu in veel staten het treffen van conservatoire maatregelen tegen een vreemde staat in de in art. 19 onderdeel c bedoelde situatie toelaatbaar wordt geacht.


3.4.8 Gelet op het voorgaande, wordt de uitvoerbaarheid in Nederland van zowel conservatoire als executoriale maatregelen ingevolge art. 13a Wet AB door het internationaal publiekrecht beperkt in die zin dat dergelijke maatregelen zijn uitgesloten tenzij en voor zover sprake is van een geval als bedoeld in art. 19 onderdelen a-c VN-Verdrag (...)


3.5.2 Het is in overeenstemming met de - op het respecteren van de soevereiniteit van vreemde staten gerichte - strekking van de immuniteit van executie om tot uitgangspunt te nemen dat eigendommen van vreemde staten niet vatbaar zijn voor beslag en executie tenzij en voor zover is vastgesteld dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is. Dit strookt met art. 19 onderdeel c VN-Verdrag dat, zoals hiervoor in 3.4.6 is overwogen, op dit punt valt aan te merken als een regel van internationaal gewoonterecht. Het past voorts bij de vermelde strekking van de immuniteit van executie dat vreemde staten niet gehouden zijn om gegevens aan te dragen waaruit volgt dat hun eigendommen een bestemming hebben die zich tegen beslag en executie verzet.


3.5.3 Met het hiervoor in 3.5.2 overwogene strookt dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde staat en dat, ook indien de vreemde staat in rechte verstek laat gaan, steeds vastgesteld moet worden dat de desbetreffende goederen vatbaar zijn voor beslag. De schuldeiser zal derhalve steeds gegevens moeten aandragen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn bestemd voor, kort gezegd, andere dan publieke doeleinden.’’


Deze beslissing van de Hoge Raad is gewezen in een civiele zaak over een op grond van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelegd (conservatoir) (derden)beslag. De rechtbank ziet zich dan ook in de eerste plaats gesteld voor de vraag of de overwegingen uit deze beslissing ook van toepassing zijn in de onderhavige strafrechtelijke procedure.


6.2.5 Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van het VN-Verdrag dat de bepalingen uit dit verdrag geen betrekking hebben op strafrechtelijke procedures. De rechtbank wijst in dit verband met name op:


- Resolutie 59/38 van 2 december 2004 van de ‘General Assembly’54, voor zover inhoudende:
“The General Assembly
(...)

Taking into account the. statement of the Chairman of the Ad Hoc Committee introducing the report of the Ad Hoc Committee,

(...)

2. Agrees with the general understanding reached in the Ad Hoc Committee that the United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property does not cover criminal proceedings

- De samenvatting van de (dertiende) vergadering van de ‘Sixth Committee’ van 25 oktober 2004 (A/C.6/59/SR.13) met betrekking tot agenda item 142: Convention on jurisdictional immunities of States and their property (A/59/22).55
Ook de door klaagsters ingeschakelde deskundige, prof. dr. C.M.J. Ryngaert, hoogleraar internationaal publiekrecht aan de Universiteit Utrecht, geeft in zijn bericht van 19 juni 2019 (bijlage 7 bij het klaagschrift) aan dat wordt uitgegaan van een ‘general understanding’ dat het Verdrag in beginsel geen betrekking heeft op strafzaken (pagina 4, tweede alinea).


6.2.6 Naast het VN-Verdrag, dat dus als zodanig niet op strafrechtelijke procedures van toepassing is, zijn er ook geen andere verdragen die betrekking hebben op het leggen van strafvorderlijk beslag door de ene staat onder de andere staat.
Diverse internationale verdragen bevatten daarentegen wel regels omtrent de immuniteit die bepaalde staatsfunctionarissen genieten tegen strafrechtelijke procedures in andere dan hun eigen, dat wil zeggen vreemde staten (vgl. het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (18 april 1961, Trb. 1962, 101 en 159) en het Verdrag van Wenen inzake de consulaire betrekkingen (24 april 1963, Trb. 1965, 40 en Trb. 1981, 143)).


6.2.7 Het feit dat er - anders dan voor civiele procedures - voor strafrechtelijke procedures geen verdrag is dat in algemene zin de immuniteit van staatsorganen tegen de rechtsmacht van een vreemde staat regelt, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat een staatsorgaan als CBvS geen immuniteit kan genieten tegen strafrechtelijke acties ondernomen door een vreemde staat. De vraag of en zo ja, in hoeverre dit het geval is, moet worden beantwoord aan de hand van publieke opvattingen die volgens het internationaal gewoonterecht gelden.


6.2.8 Het internationaal recht kent hoofdzakelijk twee vormen van immuniteit tegen strafrechtelijk optreden door vreemde staten, te weten: ‘immuniteit ratione personae’ (persoonlijke immuniteit) en ‘immuniteit ratione materiae ’ (functionele immuniteit).56 Voor beide vormen geldt dat de toegekende immuniteit niet een persoonlijk voorrecht is, maar ertoe strekt te waarborgen dat de betrokken persoon of het betrokken orgaan zijn functie op een effectieve manier kan uitoefenen ten behoeve van zijn staat.57 Immuniteit ratione personae wordt vaak aangemerkt als ‘absoluut’, omdat deze zich niet beperkt tot handelingen verricht in het kader van de officiële functie-uitoefening, maar zich uitstrekt tot alle handelingen, inclusief privéhandelingen.58 Deze immuniteit komt thans enkel nog toe aan een gelimiteerd aantal staatsfunctionarissen, te weten: aan staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken (allen op grond van internationaal gewoonterecht), als ook aan diplomaten, vertegenwoordigers van zendstaten in speciale missies en het hoofd van een missie en de leden van de diplomatieke staf in missies van een internationale, universele organisatie (allen op grond van verdragen).59
Immuniteit ratione materiae strekt minder ver en beperkt zich tot handelingen verricht in de uitoefening van de publieke functie.60
De immuniteit tegen strafrechtelijk optreden door vreemde staten heeft zich de afgelopen eeuw ontwikkeld van een absolute immuniteit tot een relatieve, functionele immuniteit.61

6.2.9 Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en toegespitst op de onderhavige zaak heeft naar het oordeel van de rechtbank in Nederland als ongeschreven regel van internationaal publiekrecht (volkenrecht) te gelden dat vreemde staten, in deze zaak Suriname, immuniteit van strafvorderlijk beslag genieten voor zover dat beslag betrekking heeft op voorwerpen die de vreemde staat onder zich heeft ten behoeve van de uitoefening van haar publieke taak.


6.2.10 De Centrale Bank van Suriname, zoals reeds opgemerkt een officieel staatsorgaan van de staat Suriname, heeft op grond van artikel 9 van de Surinaamse Bankwet 1956 tot taak:
a. het bevorderen van de stabiliteit in de waarde van de geldeenheid van Suriname;
b. het verzorgen van de geldsomloop in Suriname, voor zover uit bankbiljetten bestaande, alsmede het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer;
c. het bevorderen van de ontwikkeling van een gezond bank- en kredietwezen in Suriname;
d. (...);
e. het bevorderen en vergemakkelijken van het betalingsverkeer van Suriname met het buitenland;
f. het bevorderen van een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling van Suriname.
6.2.11 Klaagsters hebben aangevoerd dat CBvS ter uitvoering van deze, bij wet aan haar opgedragen taak de onderhavige geldzending heeft verricht en dat die zending een publiek belang diende. De rechtbank volgt klaagsters in die opvatting.
Uit hetgeen door klaagsters in het klaagschrift en de toelichting daarop in raadkamer, met stukken onderbouwd, naar voren is gebracht blijkt genoegzaam dat bestaande overschotten aan contante euro’s in Suriname die (uiteindelijk), al dan niet via wisselkantoren, terechtkomen bij de diverse handelsbanken, giraal moeten worden gemaakt om deze weer op een bruikbare wijze aan de liquide middelen van een bank toe te voegen. Waar dit voorheen gebeurde via zogeheten ‘banknote trading agreements’ van de handelsbanken met banken in het eurogebied, heeft vanaf 2014 CBvS die taak op zich genomen omdat veel banken in eurolanden deze overeenkomsten met Surinaamse handelsbanken beëindigden in het kader van de-risking. Klaagsters hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat CBvS vanaf 2014 geldzendingen als de onderhavige verzorgt in de uitoefening van haar wettelijke taken als centrale bank, te weten ‘het verzorgen van de geldsomloop in Suriname, voor zover uit bankbiljetten bestaande, alsmede het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer’ (b), ‘het bevorderen en vergemakkelijken van het betalingsverkeer van Suriname met het buitenland’ (e) en ‘het bevorderen van een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling van Suriname’ (f).


6.2.12 Dat, naar de officieren van justitie hebben aangevoerd, in artikel 16.3 van de tussen CBvS en de Bank of China gesloten overeenkomst (‘Banknotes Trading Agreement’) is vermeld dat de overeenkomst is entered into for private commercial purposes” en waarbij partijen afstand doen van immuniteit op grond van soevereiniteit (“irrevocably waives (...) all immunity on the grounds of sovereignty of similar ground”), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Klaagsters hebben in raadkamer, desgevraagd, toegelicht dat het gaat om een contractuele bepaling die alleen tussen CBvS en Bank of China geldt en op initiatief van de Bank of China aldus in de tussen partijen gesloten overeenkomst is opgenomen omdat zij (kort gezegd) bij een geschil tussen partijen niet met lege handen wenste te staan. Die toelichting overtuigt. Daarmee doet deze contractuele bepaling niet af aan het feit dat CBvS met het verrichten van de geldzendingen een publiek belang diende (ten aanzien waarvan zij zich ten opzichte van anderen dan de Bank of China op immuniteit mag beroepen).


6.2.13 Ook het argument van de officieren van justitie dat de geldzending niet een publiek belang dient, omdat dergelijke geldzendingen ook door andere, commerciële banken kunnen en worden verricht, leidt niet tot een ander oordeel. De enkele omstandigheid dat onderhavig geldtransport ook door een commerciële bank verricht had kunnen worden, betekent immers niet dat om die reden CBvS het geldtransport in dit geval niet in de uitoefening van haar publieke taken heeft verricht. Zoals hiervoor is overwogen, heeft CBvS voldoende aannemelijk gemaakt dat zij onderhavige geldzending in het kader van de uitoefening van haar wettelijke taken als bedoeld in de Surinaamse Bankwet 1956 heeft verricht.


6.2.14 Uit het bovenstaande volgt dat, op grond van de hiervoor onder 6.2.9 geformuleerde rechtsregel van internationaal (gewoonte)recht, CBvS in beginsel immuniteit geniet van het onderhavige, strafvorderlijk beslag.


6.2.15 De omstandigheid dat CBvS door het Openbaar Ministerie niet als verdachte is aangemerkt in het (strafrechtelijk) onderzoek, staat er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat zij een beroep kan doen op immuniteit voor de handelingen die zij in de uitoefening van haar publieke taken (heeft) verricht. Algemeen aanvaard in het internationaal recht is dat de immuniteit van een staatsorgaan zich ook uitstrekt over machtsuitoefening door de autoriteiten van een vreemde staat, terwijl dat staatsorgaan niet de (directe) verdachte is van een strafbaar feit. Enkel “voluntary invitations to give evidence” zijn acceptabel onder internationaal recht, hetgeen betekent dat “binding orders” als dwangmiddelen, zoals een doorzoeking of een inbeslagneming, niet toelaatbaar zijn.62

6.2.16 De officieren van justitie hebben nog aangevoerd dat CBvS geen beroep op immuniteit toekomt, aangezien het inbeslaggenomen geld eigendom is van de - inmiddels als verdachten aangemerkte - handelsbanken en CBvS hooguit als (middellijk) houder van het geld kan worden beschouwd. Het gaat hier niet om staatseigendommen, aldus de officieren van justitie. De rechtbank volgt de officieren van justitie hierin niet. De vraag welke voorwerpen de immuniteit van het strafvorderlijk beslag omvat, moet worden beantwoord op een wijze die in overeenstemming is met het doel en de strekking van (gecodificeerde en niet-gecodificeerde) regels waaraan staten (en burgers) zich in het internationale (publieke) rechtsverkeer hebben te houden. Hoewel de inbeslaggenomen gelden naar het nationale (civiele) recht van Suriname eigendom zijn van de drie handelsbanken, stelt de rechtbank vast dat het onder zich nemen en houden door CBvS van deze gelden inherent is aan de handeling(en) die zij in de vervulling van haar publieke taken verricht. Doel en strekking van immuniteit is, zoals hiervoor onder 6.2.8 weergegeven, het waarborgen dat een staatsorgaan zijn taken en bevoegdheden namens zijn staat op effectieve wijze kan uitoefenen. Toepassing van het strafvorderlijke dwangmiddel van inbeslagneming tegen in dit geval (onder meer) CBvS - wat erop neer is gekomen dat de gelden aan de feitelijke beschikkingsmacht van CBvS zijn onttrokken - kan de rechtbank niet anders bestempelen dan ‘’having the effect of directly hampering his ability to continue to perform his duties’’63 en is daarom in strijd met de door Nederland te eerbiedigen immuniteit van CBvS.


6.2.17 Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat CBvS immuniteit geniet van het gelegde strafvorderlijk beslag. Het beslag is daarmee in strijd met het internationaal publiekrecht (volkenrecht). Aan bespreking van al hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, komt de rechtbank dan ook niet meer toe.


6.3 Slotsom
Hetgeen onder 6.2 is overwogen, leidt tot de slotsom dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat het beslag moet worden opgeheven zoals hierna onder 7 is vermeld. Klaagsters hebben in de toelichting op het klaagschrift vermeld dat teruggave van de (girale) gelden kan geschieden door overboeking van de gelden naar de rekening die CBvS bij DNB aanhoudt.
De rechtbank heeft het klaagschrift opgevat als een gezamenlijk klaagschrift van klaagsters. Voor zover de [bank 3] , De [bank 1] Bank en [bank 2] hebben beoogd om ieder ook een afzonderlijk klaagschrift in te dienen - hetgeen na ontvangst op de griffie van de rechtbank op die manier is geregistreerd door toekenning van aparte registratienummers - zal de rechtbank hen daarin niet-ontvankelijk verklaren wegens gebrek aan belang bij een beslissing daarop.
7. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het beslag op € 19.499.000 en twee valse coupures van 500 euro en gelast de teruggave daarvan aan de Centrale Bank van Suriname, waarbij teruggave van eerstgenoemd bedrag kan geschieden door overboeking naar de rekening van CBvS bij DNB;
verklaart, voor zover deze banken ook een afzonderlijk klaagschrift hebben willen indienen, de [bank 3] , De [bank 1] Bank en [bank 2] niet-ontvankelijk in dat klaagschrift.’’

6.3.

Het middel bevat twee deelklachten:

In de eerste deelklacht wordt voortgebouwd op hetgeen ook in verband met het eerste middel is aangevoerd, namelijk dat het beslag niet onder de klaagster is gelegd en het immuniteitsoordeel van de rechtbank in essentie daarop steunt, zodat dit (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is.

Volgens de tweede deelklacht miskent de rechtbank de reikwijdte van volkenrechtelijke immuniteit omdat deze zich niet verzet tegen een strafvorderlijk beslag van zich in Nederland bevindende voorwerpen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen derden (in onderhavige zaak de handelsbanken). Daaraan doet niet af dat de klaagster, als orgaan van een vreemde staat, opdracht tot verzending van de inbeslaggenomen gelden heeft gegeven in het kader van de uitoefening van haar publieke taak. Van belang is dat de klaagster die verzending niet zelf heeft uitgevoerd en geen eigenaar is van de gelden. De taakuitoefening van de klaagster is geen voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek en het beslag vindt ook zijn oorzaak niet in deze taakuitoefening. Ook daarom is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.

7 Het juridisch kader van het tweede middel

Relevante regelgeving

7.2.

Hierna worden de meest relevante wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen weergegeven die ten grondslag liggen aan het oordeel van de rechtbank en waarnaar ook in de cassatieschriftuur wordt verwezen:

(i) Art. 8d Sr:


“De toepasselijkheid van de artikelen 2 tot en met 8c wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend.”

(ii) Artikel 13a Wet algemene bepalingen:


“De regtsmagt van den regter en de uitvoerbaarheid van regterlijke vonnissen en van authentieke akten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenregt erkend.”

(iii) Het op 2 december 2004 te New York tot stand gekomen de United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property (Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen, hierna: VN-Verdrag). Dit verdrag is niet in werking getreden, omdat daarvoor het vereiste aantal van dertig ratificaties nog niet is gehaald. Het VN-Verdrag is door het Koninkrijk der Nederlanden vooralsnog niet ondertekend. In art. 18 t/m 21 VN-Verdrag zijn bepalingen opgenomen in verband met immuniteit van executie. In de Nederlandse vertaling luiden deze bepalingen als volgt:

“Artikel 18. Immuniteit van staten van conservatoire maatregelen

Tegen eigendommen van een staat mogen geen conservatoire maatregelen worden getroffen, zoals beslag of zekerheidsstelling in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover:

a.de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van maatregelen als vermeld:

i. in een internationale overeenkomst;

ii. in een arbitrageovereenkomst of in een schriftelijke overeenkomst; of

iii. in een verklaring voor de rechter of een schriftelijke mededeling na het ontstaan van een geschil tussen de partijen; of

b.de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de vordering die onderwerp is van dat geding.
Artikel 19. Immuniteit van staten van executiemaatregelen
Tegen eigendommen van een staat mogen geen executiemaatregelen worden getroffen zoals beslag, zekerheidsstelling of executie in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover:
a.de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van maatregelen als vermeld:

i. in een internationale overeenkomst;

ii. in een arbitrageovereenkomst of in een schriftelijke overeenkomst; of

iii. in een verklaring voor de rechter of een schriftelijke mededeling na het ontstaan van een geschil tussen partijen; of
b. de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de vordering die onderwerp is van dat geding; of

c. vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van de staat van het forum, met dien verstande dat executiemaatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte.

Artikel 20. Gevolgen van instemming met rechtsmacht ter zake van dwangmaatregelen

Voor zover instemming met de dwangmaatregelen uit hoofde van de artikelen 18 en 19 vereist is, behelst instemming met de uitoefening van rechtsmacht uit hoofde van artikel 7 geen instemming met het nemen van dwangmaatregelen.

Artikel 21. Specifieke categorieën van eigendommen

1. Met name de volgende categorieën van eigendommen van een staat worden niet aangemerkt als eigendommen die in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden uit hoofde van artikel 19, onderdeel c:

a. eigendommen, met inbegrip van banktegoeden, die worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de staat of zijn consulaire posten, speciale missies, vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties;
b. eigendommen met een militair karakter die worden gebruikt of beoogd zijn voor de uitoefening van militaire taken;
c. eigendommen van de centrale bank of een andere monetaire autoriteit van de staat;
d. eigendommen die deel uitmaken van het cultureel erfgoed van de staat of van zijn archieven en die niet te koop worden aangeboden of beoogd zijn om te koop te worden aangeboden;
e. eigendommen die deel uitmaken van een tentoonstelling van objecten van wetenschappelijk, cultureel of historisch belang en die niet te koop worden aangeboden of beoogd zijn om te koop te worden aangeboden.

2. Het eerste lid laat artikel 18 en artikel 19, onderdelen a en b, onverlet.”

(iv) Art. 9 van de Surinaamse Bankwet 1956 luidt voor zover van belang:


“De Bank heeft tot taak:

a. het bevorderen van de stabiliteit in de waarde van de geldeenheid van Suriname;

b. het verzorgen van de geldsomloop in Suriname, voor zover uit bankbiljetten bestaande, alsmede het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer;

c. het bevorderen van de ontwikkeling van een gezond bank- en kredietwezen in Suriname'

d. (...); ’

e. het bevorderen en vergemakkelijken van 'het betalingsverkeer van Suriname met het buitenland;

f. het bevorderen van een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling van Suriname.”

Algemeen juridisch kader van rechtsmacht en immuniteit in strafzaken

7.3.

In onderhavige zaak gaat het niet om de immuniteit van individuele buitenlandse ambtsdragers64 maar om de immuniteit van een vreemde staat, inclusief zijn staatsorganen, verschoond te blijven van strafrechtelijk handelen van een vreemde staat bij de uitoefening van zijn publieke taak. Centraal staat daarbij de vraag hoe conform het bepaalde in art. 8d Sr de volkenrechtelijke uitgangspunten met betrekking tot immuniteit van executie van een vreemde staat door de rechter moeten worden toegepast in een strafrechtelijke context. Ik neem hierbij tot uitgangspunt dat het bij immuniteit van executie kan gaan om civielrechtelijk of strafrechtelijk conservatoir beslag dan wel om executoriaal beslag en dat een beslag gelegd op de voet van art. 94 Sv onder de immuniteit van executie moet worden gecategoriseerd.65

7.4.

In de processtukken is uitvoerig verwezen naar uiteenlopende bronnen van internationaal gewoonterecht waar immuniteiten op zijn gebaseerd. In dit verband kan ook gewezen worden op het deskundigenadvies van prof. dr. C.M.J. Ryngaert dat als bijlage 7 bij het klaagschrift van de klaagster is gevoegd. Het gaat het bestek van deze conclusie te buiten om een uitvoerig overzicht te geven van al deze verschillende immuniteiten. Het is mijns inziens voor de beantwoording van de vragen die in onderhavige zaak centraal staan ook niet nodig. Ik meen dat het voldoende is om hier te volstaan met een weergave op hoofdlijnen van de stand van zaken met betrekking tot staatsimmuniteit van strafvervolging door een vreemde staat. Daar waar dat mijns inziens noodzakelijk is zal ik de bronnen aanhalen waaraan bepaalde uitgangspunten zijn ontleend.

7.5.

Een goede samenvatting van de algemene ontwikkeling van het volkenrecht in relatie tot staatsimmuniteit is te vinden in het Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken66:

“2.1 Rechtsmacht en staatsimmuniteit

Het internationaal recht heeft zich ontwikkeld tegen de achtergrond van de opkomst van een gemeenschap van soevereine en territoriaal begrensde staten, die vanuit het beginsel van soevereine gelijkheid ten opzichte van elkaar respect dienen te betrachten. Binnen deze gemeenschap van staten werd het internationaal recht in eerste instantie vooral gebruikt als een instrument voor de afbakening van de grenzen van het staatsgezag. Deze afbakeningsfunctie is nog steeds van groot belang. Dit komt onder andere naar voren in de regels die de rechtsmacht van staten bepalen om nationale rechtsregels te maken en op te treden ter handhaving en berechting van nationale en internationale rechtsregels. De reikwijdte van deze rechtsmacht is vooral territoriaal bepaald, maar kan ook van toepassing zijn op gebeurtenissen of handelingen buiten het grondgebied van de staat, zoals op schepen en in vliegtuigen die in de staat geregistreerd staan, of op handelingen van onderdanen en soms niet-onderdanen buiten het grondgebied van de staat. Het internationaal recht geeft hierbij aan, waar de grenzen van de rechtsmacht van een staat liggen, zodat wordt voorkomen dat de uitoefening van rechtsmacht leidt tot onaanvaardbare aantasting van de rechten van andere staten. Een belangrijke regel bij de begrenzing van de rechtsmacht van staten is, dat het handelen van een staat in beginsel niet aan de rechtsmacht van een andere staat kan worden onderworpen: par in parem non habet imperium (zijn gelijken mag men niet berechten). Dit betekent onder meer dat overheidshandelingen niet onderworpen zijn aan het straf-, civiel- en administratiefrechtelijk oordeel van een nationale rechter van een andere staat.
De staatsimmuniteit heeft zich in de afgelopen eeuw ontwikkeld van absolute immuniteit (geen enkel handelen van de staat kon worden onderworpen aan de rechtsmacht van een andere staat) tot een relatieve staatsimmuniteit, waarbij het van belang is te kijken naar de handeling zelf. Voor bijvoorbeeld puur commerciële handelingen van een staat wordt niet langer aangenomen dat de staat civielrechtelijke immuniteit van rechtsmacht van een vreemde rechter heeft.
Internationale regels betreffende staatsimmuniteit zijn vooral gebaseerd op gewoonterecht. In het kader van de Verenigde Naties is in 2004 het Verdrag inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen aangenomen. Dit Verdrag weerspiegelt op hoofdlijnen het gewoonterecht. Het is nog niet in werking.”’67

7.6.

Hoewel algemeen wordt aangenomen dat vreemde staten volgens het internationale gewoonterecht in beginsel immuniteit van jurisdictie en executie genieten, zijn er verder, afgezien van het bepaalde in art. 8d Sr, zijn er nauwelijks handvatten voor de invulling van de strafrechtelijke immuniteit in een concreet geval, anders dan dat in de literatuur gesteld wordt dat deze immuniteit absoluut is.68 Het VN-Verdrag waarnaar in het hiervoor aangehaalde citaat en in de civielrechtelijke jurisprudentie veelvuldig wordt verwezen, is in de eerste plaats van toepassing op civielrechtelijke procedures en aangenomen wordt dat het Verdrag geen betrekking heeft op strafrechtelijke procedures of handelingen zoals het leggen van strafvorderlijk beslag door de ene staat onder de andere staat.69 Zoals de rechtbank in haar beschikking heeft vastgesteld zijn er ook geen andere verdragen die hier specifiek betrekking op hebben.70 Rechtspraak hierover is in Nederland, voor zo ver ik heb kunnen nagaan, ook niet voorhanden en volgens prof. dr. C.M.J. Ryngaert, die ten behoeve van klaagster een deskundigenrapport heeft uitgebracht, geldt dat eveneens voor het buitenland. Hij merkt wel op dat het gegeven dat het VN-Verdrag (slechts) betrekking heeft op civiele procedures geenszins betekent dat vreemde staten geen recht zouden kunnen doen gelden op immuniteit van executie in strafzaken71:

“Integendeel: een strafprocedure heeft een grotere impact op de soevereiniteit van vreemde staten omdat het strafrecht morele schuld toewijst aan een aansprakelijk persoon. Er wordt daarom van uitgegaan dat staten in beginsel niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden krachtens het nationale recht van een andere staat. Een en ander impliceert dat vreemde staten verondersteld worden absolute immuniteit in strafzaken te genieten.”

Hij ziet wel mogelijke aanknopingspunten voor de beperking van deze absolute immuniteit in de wijze waarop de immuniteit in civiele zaken is ingekaderd, door te vervolgen:

“De beperkte immuniteit van executie in civiele zaken - waarbij, zoals hoger gesteld, immuniteit niet geldt ten aanzien van staatseigendommen bestemd voor commercieel gebruik - zou dan niet van toepassing zijn op executieprocedures in strafzaken. Toch is dat geenszins zeker. Volgens Fox en Webb is het weliswaar onwaarschijnlijk dat vreemde staten zullen worden vervolgd voor activiteiten die een misdrijf naar nationaal recht vormen, maar als dat toch gebeurt, kan men zich voorstellen dat ontwikkelingen wat betreft immuniteit in civiele zaken ‘might indirectly point the way, should occasion so require, to the fashioning of an exception to immunity from criminal proceedings.’ Een en ander betekent dat de uitzonderingen die voor civiele procedures relevant zijn, evengoed relevant kunnen zijn voor strafprocedures.”72

7.7.

Fox en Webb exploreren in hun handboek The Law of State Immunity in welke gevallen de absolute immuniteit in strafzaken door een analoge toepassing van de uitzonderingen die gelden voor civiele procedures zouden kunnen worden ingeperkt. Zij achten het voorstelbaar dat de vreemde staat in een civiele procedure wel gehouden kan worden geacht de schade van slachtoffers te vergoeden ten gevolgen van strafbare feiten waarbij deze vreemde staten zijn betrokken. Maar dan blijft het in essentie wel gaan om een civiele vordering op een vreemde staat:


“So far as the exercises of criminal jurisdiction against a State is concerned, our conclusion in this section is that, while it is highly improbable that municipal courts will directly prosecute foreign States for conduct which constitutes a crime under municipal law, it is to be expected that the application of the restrictive doctrine [geldend in civiele procedures, AG TS] will permit claims for compensation where a foreign State has committed in the forum State or authorized the commission there of acts of a criminal nature.”73

7.8.

Samenvattend kan gesteld worden dat algemeen aanvaard is dat vreemde staten volgens het internationale gewoonterecht in strafzaken in beginsel absolute immuniteit van jurisdictie en executie genieten. Of en in hoeverre deze immuniteit in strafzaken zou kunnen worden beperkt, vergelijkbaar met de restricties die in civiele zaken gelden, blijft speculatief. Daarvoor heb ik in de rechtspraak in ieder geval geen precedenten gevonden.

7.9.

Bij de voorbereiding van deze conclusie heb ik een aantal collega’s van hoogste gerechten in de EU de vraag voorgelegd of zij informatie kunnen verstrekken over regelgeving, jurisprudentie of literatuur in hun nationale rechtstelsel aangaande de staatsimmuniteit in relatie tot het leggen van strafvorderlijk beslag van de ene staat onder de andere staat. Het is bij lange na geen EU-brede inventarisatie, maar de antwoorden op de vraag leveren een indicatie op in hoeverre de strafrechtelijke immuniteit van executie van staten in de nationale regelgeving en/of jurisprudentie van andere EU-lidstaten aan de orde is (geweest). Ik heb uit Frankrijk, België, het Verenigd Koninkrijk, Tsjechië, Duitsland en Finland informatie gekregen.

De Franse respondent meldde één uitspraak van het Cour de Cassation op 5 maart 201474, die wel interessant is omdat de feiten die hieraan ten grondslag liggen enige gelijkenis vertonen met onderhavige zaak. Het ging om een strafzaak tegen de zoon van de president van Equatoriaal Guinea waarin beslag was gelegd op een gebouw dat door hem was aangekocht en welke aankoop in verband werd gebracht met een witwasoperatie. Equatoriaal Guinea stelde dat dit gebouw reeds lange tijd in gebruik was ten behoeve van zijn diplomatieke zending en deed een beroep op art. 22 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.75 Het Cour de Cassation bevestigde het oordeel van het hof in hoger beroep dat het betreffende gebouw nooit feitelijk door Equatoriaal Guinea voor zijn diplomatiek verkeer is gebruikt en dat het hier om een schijnconstructie ging met als doel het gebouw onder de bescherming van art. 22 van het Verdrag van Wenen te brengen. Het beroep op staatsimmuniteit werd afgewezen. Equatoriaal Guinea legde de zaak voor aan het Internationaal Gerechtshof dat op 11 december 2020 heeft geoordeeld dat het betreffende gebouw nooit de status van “premises of mission” heeft bereikt in de betekenis van art. 1 (i) van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en Frankrijk zijn verplichtingen op grond van het Verdrag niet heeft geschonden.76 Uit de vaststellingen van het Internationaal Gerechtshof blijkt dat het gebouw pas na de inbeslagneming door de Franse justitiële autoriteiten door Equatoriaal Guinea is geclaimd als gebouw van de diplomatieke zending van Equatoriaal Guinea en dat dit gebouw nooit als zodanig door Frankrijk is erkend. Deze zaak verschilt in zo verre van de onderhavige, dat het gaat om een beroep op diplomatieke immuniteit, dat getoetst kan worden aan het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Dit Verdrag bevat een gedetailleerde regeling over welke gebouwen gelden als ambassades of consulaten en dus onschendbaar zijn ex art. 22 van het Verdrag. Dergelijke verdragsrechtelijke aanknopingspunten zijn er in de onderhavige zaak niet.

De respondenten vanuit het Verenigd Koninkrijk, Tsjechië, Duitsland, België en Finland konden geen melding maken van relevante strafrechtelijke zaken of nationale regelgeving. Ook in deze landen zijn de kwesties van immuniteit van executie als het gaat om handelingen van een staat in het kader van zijn publieke taak beperkt tot civiele procedures en de immuniteit van executie wordt ook in de daar voorhanden zijnde literatuur vanuit de civielrechtelijke invalshoek besproken.

7.10.

Kortom, het is pionieren hoe de strafrechtelijke immuniteit van staten in een concreet geval moet worden ingevuld en in hoeverre daarbij inspiratie kan worden gevonden in de rechtspraak en regelgeving met betrekking tot de civielrechtelijke immuniteit van staten.

7.11.

Dan ga ik nu nader in op de wijze waarop de rechtbank en het openbaar ministerie het juridische kader van strafrechtelijke immuniteit hebben geïnterpreteerd.

De benadering van de rechtbank

7.12.

In eerste instantie heeft de rechtbank voor de invulling van art. 8d Sr, dat bepaalt dat de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet wordt beperkt door uitzonderingen die in het volkenrecht zijn erkend, gekeken naar de uitleg die de civiele kamer van de Hoge Raad heeft gegeven aan de civielrechtelijke pendant van art. 8d Sr, namelijk art. 13a van de Wet algemene bepalingen. De rechtbank citeert in haar beschikking een aantal overwegingen uit de prejudiciële beslissing van 30 september 2016 in de zaak Morning Star/Gabon en Staat.77 Daarin heeft de Hoge Raad kort samengevat bepaald dat art. 19 van het VN-Verdrag executiemaatregelen tegen eigendommen van een vreemde staat in beginsel78 uitsluit, indien die eigendommen worden gebruikt, of beoogd zijn voor gebruik, door de staat voor andere dan niet commerciële overheidsdoeleinden. In zoverre kan art. 19 van het VN-verdrag volgens de Hoge Raad als vastlegging van internationaal gewoonterecht worden aangemerkt.

7.13.

Vervolgens gaat de rechtbank na of de overwegingen van de Hoge Raad in de zaak Morning Star/Gabon en Staat ook van toepassing zijn op de onderhavige strafrechtelijke procedure. Uit de beschikking van de rechtbank wordt gaandeweg duidelijk dat de rechtbank deze vraag negatief beantwoordt. In de eerste plaats stelt zij vast dat het VN-Verdrag als zodanig niet van toepassing is op strafrechtelijke procedures en lijkt de rechtbank de overwegingen van de Hoge Raad in de zaak Morning Star/Gabon en Staat verder in haar beschikking te laten voor wat ze zijn. De rechtbank zoekt vervolgens aansluiting bij de opvattingen die volgens het internationaal gewoonterecht (volkenrecht) gelden aan de hand van de twee vormen van immuniteit die bij strafrechtelijk optreden door vreemde staten relevant zijn, te weten: ‘immuniteit ratione personae’ (persoonlijke immuniteit) en ‘immuniteit ratione materiae’ (functionele immuniteit). Deze immuniteiten strekken er volgens de rechtbank toe “te waarborgen dat de betrokken persoon of het betrokken orgaan zijn functie op een effectieve manier kan uitoefenen ten behoeve van zijn staat’’.79

7.14.

Het voorgaande brengt de rechtbank ertoe voor de beoordeling van onderhavige zaak als uitgangspunt te nemen, dat in Nederland als ongeschreven regel van volkenrecht heeft te gelden dat vreemde staten, in casu Suriname, immuniteit van strafvorderlijke beslag genieten voor zover dat beslag betrekking heeft op voorwerpen die de vreemde staat onder zich heeft ten behoeve van de uitoefening van zijn publieke taak. Wat opvalt is dat de rechtbank het niet heeft over voorwerpen die de staat in eigendom toebehoren of waarop de staat anderszins een zakelijk recht kan doen gelden, maar de woorden “onder zich heeft” gebruikt.

7.15.

Onder verwijzing naar de taken van de klaagster ingevolge art. 9 van de Surinaamse Bankwet 1956, met name wat in dit artikel onder (b), (e) en (f) is bepaald, en de – op zichzelf niet door het openbaar ministerie bestreden – stelling van de klaagster dat zij vanwege deze bij wet aan haar opgedragen taak de geldzending heeft verricht, komt de rechtbank tot het oordeel dat klaagster met die zending een publiek belang diende.

7.16.

Dat het in casu niet om staatseigendom gaat, maar om gelden die toebehoren aan de handelsbanken doet daar volgens de rechtbank niet aan af, omdat het onder zich nemen en houden van de gelden door de klaagster inherent is aan de handelingen die zij in de vervulling van haar publieke taken verricht.

7.17.

De rechtbank maakt haar redenering rond door te overwegen dat het doel en strekking van immuniteit is te waarborgen dat een staatsorgaan zijn taken en bevoegdheden namens zijn staat op effectieve wijze kan uitoefenen. Het toepassen van het strafvorderlijke dwangmiddel van inbeslagneming tegen de klaagster – wat er in het onderhavige geval op neerkomt dat de gelden aan de feitelijke beschikkingsmacht de klaagster zijn onttrokken – heeft het effect dat klaagster haar taak niet meer kan vervullen. Deze inbeslagneming is daarom in strijd met de door Nederland te eerbiedigen immuniteit van de klaagster. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beslag in strijd is met het internationaal publiekrecht oftewel het volkenrecht en het beklag daartegen dus gegrond is.

De benadering van het openbaar ministerie

7.18.

Zoals hiervoor onder 6.3 aangegeven heeft het openbaar ministerie twee klachten geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de klaagster immuniteit van executie toekomt. Ik zal mijn samenvatting daarvan voor het lezersgemak hier nog een keer herhalen:

In de eerste deelklacht wordt voortgebouwd op hetgeen ook in verband met het eerste middel is aangevoerd, namelijk dat het beslag niet onder de klaagster is gelegd en het immuniteitsoordeel van de rechtbank in essentie daarop steunt, zodat dit (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is.

Volgens de tweede deelklacht miskent de rechtbank de reikwijdte van volkenrechtelijke immuniteit omdat deze zich niet verzet tegen een strafvorderlijk beslag van zich in Nederland bevindende voorwerpen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen derden (in onderhavige zaak de handelsbanken). Daaraan doet niet af dat de klaagster, als orgaan van een vreemde staat, opdracht tot verzending van de inbeslaggenomen gelden heeft gegeven in het kader van de uitoefening van haar publieke taak. Van belang is dat de klaagster die verzending niet zelf heeft uitgevoerd en geen eigenaar is van de gelden. De taakuitoefening van de klaagster is geen voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek en het beslag vindt ook zijn oorzaak niet in deze taakuitoefening. Ook daarom is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.

7.19.

In de toelichting op het tweede middel wordt een algemene uiteenzetting over staatsimmuniteit gegeven. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen de immuniteit van bepaalde ambtsdragers van een vreemde staat80, oftewel diplomatieke immuniteit, waarbij het gaat om specifieke functionarissen van een vreemde staat en de door hen gebruikte faciliteiten (ambassadegebouwen, voertuigen en archieven)81 en de uit internationaal gewoonterecht volgende immuniteit van soevereine staten die inhoudt dat zij niet aan de strafrechtelijke rechtsmacht van een andere staat kunnen worden onderworpen. Deze immuniteit wordt door de steller van het middel als volgt gedefinieerd:


“Door vreemde staten gepleegde strafbare feiten waarover Nederland in beginsel rechtsmacht zou hebben op de voet van art. 2 tot en met 8c Sr, kunnen in Nederland dus niet worden onderzocht en vervolgd. Ook de inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen - voor zover verband houdend met een strafrechtelijk onderzoek tegen een ander dan de vreemde staat - kan worden beperkt door de aan de vreemde staat (en zijn organen) toekomende immuniteit (…). Art. 8d Sr stelt buiten twijfel dat de betrokken volkenrechtelijke uitgangspunten door de Nederlandse rechter en het Nederlandse openbaar ministerie worden gerespecteerd.”

7.20.

Vervolgens wordt ingegaan op de civielrechtelijke immuniteit van executie die met name ziet op conservatoire en executoriale beslagen op staatseigendommen waarbij immuniteit alleen voor typische overheidshandelingen geldt en niet voor handelingen waarbij een staat optreedt op dezelfde wijze als een private partij. Op grond hiervan geldt immuniteit van executie volgens de steller van het middel uitsluitend voor staatseigendommen die gebruikt worden voor publieke doeleinden en/of voor zodanig gebruik zijn bestemd. De ratio voor het aannemen van immuniteit van executie als het gaat om dit soort goederen is, dat beslag daarop direct het gebruik van die goederen voor de overheidstaak raakt.

7.21.

Uit de algemene uiteenzetting van strafrechtelijke staatsimmuniteit in de cassatieschriftuur van het openbaar ministerie kan worden opgemaakt dat deze immuniteit volgens de steller van het middel pas in zicht komt als een vreemde staat zelf als verdachte wordt aangemerkt (en dat is zeldzaam omdat het uitgangspunt is dat staten niet door andere staten vervolgd kunnen worden) of als de vreemde staat wordt geraakt door dwangmiddelen die worden toegepast in een strafrechtelijk onderzoek tegen een ander. Als voorbeelden hiervan worden onder andere genoemd een doorzoeking in een onroerende zaak die eigendom is van een vreemde staat of de inbeslagneming van een aan de vreemde staat toebehorende auto, waarvan de verdenking bestaat dat met deze auto, voorafgaand aan de verwerving daarvan door de vreemde staat, strafbare feiten zijn begaan. Als deze zaken worden gebruikt voor diplomatieke doelen, vallen zij onder de bescherming van art. 22 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, en wordt door het strafrechtelijk handelen de immuniteit van de vreemde staat geschonden.

7.22.

Onderkend wordt dat een beslag ex art. 94 Sv niet (volledig) gelijk te stellen is met civiele executiemaatregelen, maar bij gebreke van duidelijke strafrechtelijke precedenten, wordt door de steller van het middel aansluiting gezocht, althans inspiratie geput, uit het leerstuk van de immuniteit van civiele executie. Daaruit wordt afgeleid dat voor een geslaagd beroep op immuniteit vereist is dat de betrokken goederen gebruikt worden of bestemd zijn voor publieke doeleinden en dat die goederen eigendom zijn van de vreemde staat, althans moet de vreemde staat een goederenrechtelijke aanspraak op de betrokken goederen hebben.

7.23.

Gelet op de in onderhavige zaak in cassatie vaststaande feiten en omstandigheden, namelijk:

(i) de inbeslaggenomen contanten zijn eigendom van de handelsbanken en niet van de klaagster;

(ii) de klaagster heeft weliswaar opdracht gegeven voor de verzending naar Hongkong, maar het transport niet zelf uitgevoerd. Dit is gebeurd door Brinks en KLM;

(iii) het beslag is aanvankelijk gelegd met het oog op waarheidsvinding en gehandhaafd met het oog op verbeurdverklaring en

(iv) het beslag is gelegd in verband met een verdenking van witwassen en een strafrechtelijk onderzoek daarnaar welk onderzoek zich richt tegen de handelsbanken. Klaagster is geen verdachte in dit onderzoek en het onderzoek richt zich ook niet op het transport door klaagster ten behoeve van de Surinaamse handelsbanken;

is de conclusie dat nu de klaagster niet als verdachte is aangemerkt, het strafrechtelijk onderzoek als zodanig geen reden kan zijn voor een geslaagd beroep op staatsimmuniteit.

7.24.

Ook indien aansluiting wordt gezocht bij de regels voor immuniteit van civielrechtelijke executie komt de klaagster een beroep op immuniteit niet toe, wederom omdat de klaagster geen eigenaar is van de gelden, deze niet met eigen transportmiddelen heeft vervoerd82 en de betrokken gelden geen publieke bestemming hebben.

7.25.

Nu het strafvorderlijk optreden van het openbaar ministerie er niet op is gericht de rechtmatigheid van geldzendingen als zodanig ter discussie te stellen heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat er sprake is geweest van een belemmering van de taakuitoefening van de klaagster. Het uitgangspunt van volkenrechtelijke immuniteit verzet zich volgens het openbaar ministerie niet tegen een inbeslagneming van gelden in Nederland van derden die aanleiding geven voor een witwasverdenking.

8 De beoordeling van het tweede middel

8.1.

Uit de beschikking van de rechtbank en de stellingname van het openbaar ministerie in de cassatieschriftuur komt naar voren dat de rechtbank en het openbaar ministerie de uitgangspunten voor strafrechtelijke staatsimmuniteit heel verschillend invullen.

8.2.

De rechtbank leidt uit de voorwaarden die gelden voor ‘immuniteit ratione personae’ (persoonlijke immuniteit) en ‘immuniteit ratione materiae’ (functionele immuniteit) af dat de deze immuniteiten ertoe strekken “te waarborgen dat de betrokken persoon of het betrokken orgaan zijn functie op een effectieve manier kan uitoefenen ten behoeve van zijn staat”. In de cassatieschriftuur van het openbaar ministerie wordt aangevoerd, dat de rechtbank hierbij miskent dat het in het onderhavige geval niet gaat om immuniteit van ambtsdragers van een vreemde staat en dat deze immuniteiten in casu dus niet van toepassing zijn. Ik lees deze overweging van de rechtbank echter anders. In mijn optiek trekt de rechtbank, door het gebruik van de woorden “het betrokken orgaan” in de hiervoor geciteerde zinsnede, de ratio van de functionele immuniteit van ambtsdragers door naar de immuniteit van staten of staatsorganen. Voor de rechtbank is bij de beantwoording van de vraag of aan de klaagster, als staatsorgaan van Suriname, immuniteit van executie toekomt bepalend of de handelingen van de klaagster hebben plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van haar publieke functie.

8.3.

Het openbaar ministerie ziet dat heel anders en stelt voor een beroep op immuniteit de voorwaarde voorop dat de klaagster zelf als verdachte van een strafbaar feit moet zijn aangemerkt en/of dat haar handelen onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek. De uitzondering die het openbaar ministerie hierop maakt geldt slechts in de situatie dat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen een derde, de diplomatieke immuniteit van een vreemde staat wordt geschonden, zoals bijvoorbeeld bij een doorzoeking van een ambassade of de inbeslagneming van een auto die door de diplomatieke dienst van een vreemde staat wordt gebruikt.

8.4.

In de benadering van de rechtbank doet het er niet toe dat de klaagster zelf niet als verdachte is aangemerkt en is het evenmin van belang of de in beslag genomen gelden al dan niet aan de klaagster toebehoren. Volgens de rechtbank ligt het publieke belang, op grond waarvan de immuniteit van executie van de klaagster moet worden gewaarborgd, in de uitoefening van de taken van de klaagster als staatsorgaan zoals is vastgelegd in art. 9 Surinaamse bankwet. Nu klaagster een centrale bank is, gaat het daarbij niet om de vraag of klaagster eigenaar is van de gelden of wat de bestemming van deze gelden is. Het is zoals de rechtbank overweegt immers inherent aan de taak van de klaagster dat zij gelden van derden, in casu de handelsbanken, onder zich neemt en houdt ten behoeve van de vervulling van haar publieke taak. Tot die taak behoort het omzetten van contante geldvoorraden in giraal geld. Wat de uiteindelijke bestemming van deze gelden is, staat hier buiten.

8.5.

Het openbaar ministerie acht het, analoog redenerend aan de vereisten die gesteld worden aan een beroep op civielrechtelijke immuniteit, wel van belang of de in beslag genomen gelden aan de klaagster toebehoren (dan wel de klaagster daarop anderszins als rechthebbende kan worden aangemerkt) en of deze gelden zelf een publieke bestemming hebben in die zin dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt voor publieke bestedingen. Doordat aan deze vereisten in casu niet is voldaan, is er in de visie van het openbaar ministerie in feite helemaal geen beslag gelegd ten laste van de klaagster, maar ten laste van de handelsbanken die de eigenaar zijn van de gelden en als verdachten van witwassen zijn aangemerkt, zodat ook op grond daarvan niet kan worden ingezien waarom aan de klaagster een beroep op immuniteit van executie zou kunnen toekomen.

8.6.

In de kern komt het verschil in benadering tussen de rechtbank en het openbaar ministerie erop neer dat het openbaar ministerie ervan uitgaat dat een vreemde staat slechts een beroep kan doen op strafrechtelijke immuniteit van executie, indien deze staat zelf als verdachte is aangemerkt en/of beslag is gelegd op goederen die eigendom zijn van de vreemde staat en bestemd zijn voor diens publieke bestedingen, terwijl de rechtbank een veel ruimer criterium hanteert, namelijk dat een vreemde staat niet door strafrechtelijk optreden van een andere staat mag worden belemmerd in de uitoefening van zijn publieke functie.

8.7.

Ik geef toe dat de argumentatie van de kant van het openbaar ministerie de schoonheid van de eenvoud heeft: de klaagster is niet aangemerkt als verdachte, haar handelen zelf is geen voorwerp van strafrechtelijk onderzoek en het beslag is gelegd op Nederlandse bodem op gelden die in eigendom toebehoren aan de Surinaamse handelsbanken, die als verdachten zijn aangemerkt. Dus waaraan kan de klaagster een beroep op immuniteit van executie ontlenen?

8.8.

Wat ik problematisch vind aan de benadering van het openbaar ministerie is, dat daarmee in feite de klaagster als staatsorgaan van Suriname die in het kader van haar taak op grond van art. 9 Surinaamse bankwet een overeenkomst heeft gesloten met de Bank of China en in dat verband het betreffende geldtransport heeft uitgevoerd of laten uitvoeren, buiten spel wordt gezet.

8.9.

Zijdelings wil ik opmerken dat uiteraard op de achtergrond het beeld speelt, althans de verdenking bestaat, dat de handelsbanken de klaagster gebruiken – en de klaagster zich laat gebruiken – om ongestoord te kunnen witwassen. Zonder tussenkomst van de klaagster zou er immers geen beroep op staatsimmuniteit mogelijk zijn geweest. Weliswaar wordt door het openbaar ministerie zorgvuldig vermeden een dergelijke verdenking jegens de klaagster te uiten, het openbaar ministerie heeft wel gesteld dat de geldzendingen direct tussen de handelsbanken en buitenlandse banken hadden kunnen plaatsvinden en dat er geen noodzaak was voor de klaagster om hierbij als coördinator op te treden.83 Dit is echter, zoals ook Ryngaert in zijn deskundigenrapport opmerkt84, niet relevant voor de beantwoording van de vragen die in cassatie voorliggen. Bij een beroep op immuniteit en het daaraan ten grondslag liggende idee van staatssoevereinitiet, mag de ene staat niet oordelen over de wijze waarop de andere staat haar taken uitvoert.

8.10.

Dat het geldtransport in opdracht en onder de verantwoordelijkheid van de klaagster is uitgevoerd wordt in cassatie niet bestreden. Evenmin wordt opgekomen tegen de vaststelling van de rechtbank dat deze geldzending door de klaagster in het kader van de uitvoering van haar publieke taak heeft plaatsgevonden. Dat op grond hiervan aan de klaagster immuniteit van executie toekomt, zoals de rechtbank heeft geconcludeerd, kan niet worden weerlegd met het argument dat de vervolging in het kader waarvan de beslaglegging heeft plaatsgevonden niet tegen de klaagster is gericht. Dit laat immers onverlet dat door de strafvorderlijke beslaglegging de klaagster geen uitvoering meer kan geven aan haar publieke taak. Ook de omstandigheid dat de klaagster geen eigenaar is van de inbeslaggenomen gelden is in dit verband, zoals de rechtbank ook overweegt, niet relevant omdat de klaagster een centrale bank is en in die hoedanigheid uit hoofde van haar taak en functie gelden beheert en houdt ten behoeve van derden (de nationale handelsbanken).85 In mijn optiek heeft de rechtbank dan ook terecht geen aansluiting gezocht bij de restricties die gelden voor de civiele immuniteit van executie en het VN-Verdrag inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen. De hieraan ten grondslag liggende uitgangspunten zijn op de onderhavige casus simpelweg niet van toepassing. Het gaat hier niet om de vraag of gelden of goederen die aan een vreemde staat in eigendom toebehoren al dan niet worden gebruikt voor commerciële doelen.

8.11.

Ook het feit dat de klaagster niet als beslagene kan worden aangemerkt heeft mijns inziens geen invloed op de vraag of aan de klaagster staatsimmuniteit toekomt. Het belang van de klaagster is immers duidelijk nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de klaagster de eurobiljetten voor derden – handelsbanken – houdt en beheert tot de aankomst bij de Bank of China, waarna de klaagster de rekeningen van de handelsbanken dient te crediteren.

8.12.

Ik ben dan ook van mening dat de rechtbank bij de beoordeling of aan de klaagster immuniteit van executie toekomt, terecht de publieke functie van de klaagster als staatsorgaan van Suriname centraal heeft gesteld. Ik kan mij ook vinden in de vaststelling dat het door het openbaar ministerie gelegde beslag het effect heeft dat de klaagster haar taak niet meer kan vervullen en dit beslag vanwege de schending van de immuniteit van de klaagster in strijd is met het internationaal publiekrecht.

8.13.

Het tweede middel faalt.

9 Conclusie

9.1.

De middelen falen.

9.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De rechtbank heeft deze niet-ontvankelijkverklaring niet uitgebreid gemotiveerd maar mogelijk is deze er in gelegen dat in het op 28 juni 2019 ingediende klaagschrift de vier betrokken Surinaamse handelsbanken verzoeken om teruggave van het beslag aan de Centrale Bank van Suriname.

2 Toelichting op klaagschrift, p. 3. En zie proces-verbaal AMB-004, opgemaakt op 7 juni 2018.

3 Vergelijk de verkoop of (onrechtmatige) vernietiging van inbeslaggenomen voorwerpen, het beslag rust dan op de opbrengst dat het voorwerp heeft of redelijkerwijs zou hebben opgebracht bij de verkoop ervan, art. 117 lid 4 en 119 lid 2 Sv.

4 Verwezen wordt o.a. naar HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6151 en HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:3.

5 Daarbij wordt verwezen naar HR 18 september 1995, DD 96/027 waarin is bepaald dat een houder, die niet stelt namens de eigenaar op te treden, niet-ontvankelijk is omdat deze niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

6 HR 2 juni 1936, ECLI:NL:HR:1936:75, NJ 1936/1015 (Schorseneren-arrest).

7 HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6151, rov. 3.4: ‘’De beschikking van de Rechter-Commissaris houdt als - klaarblijkelijk tijdens een doorzoeking ter inbeslagneming als bedoeld in art. 110 Sv genomen - beslissing in om "de ongeordende stapel papieren mee te nemen naar het kabinet om daar te bezien wat wel en niet voor beslag vatbaar is". Aangenomen moet worden dat die papieren aldus - met het oog op het in art. 94, eerste lid, Sv bedoelde aan de dag brengen van de waarheid in te stellen onderzoek - aan de feitelijke macht van de beslagene/klager zijn onttrokken en in de macht van de Rechter-Commissaris zijn gekomen. Gelet daarop getuigt het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is van een inbeslagneming als bedoeld in art. 134 Sv, van een onjuiste rechtsopvatting.’’

8 HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:3, rov. 2.7. Vgl. ook T&C Sv, art. 116 Sv: De enkele omstandigheid van feitelijk bezit is beslissend.

9 Zie Vennix 1998, p. 268-269: ‘’Dit hangt samen met het uitgangspunt dat bij de teruggave in beginsel dezelfde rechtstoestand als vóór de inbeslagneming moet worden bereikt. Zelfs als duidelijk is dat hij geen enkele aanspraak op het voorwerp heeft, is de beslagene belanghebbende.’’ Tenzij hij afstand heeft gedaan van het voorwerp op de voet van art. 116 lid 2 Sv, dan is de beslagene niet-ontvankelijk zijn beklag.

10 Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 rov. 2.11 en 2.15. Belangrijk is om op te merken dat rov. 2.11 is gecorrigeerd door het bepaalde in HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:3, rov. 2.7. Bij klassiek beslag kan iemand onder wie het beslag feitelijk is gelegd door die correctie nimmer als ‘derde’ worden aangemerkt.

11 Vergelijk art. 475 en 718 Rv. Daarbij moet worden bedacht dat het in de zojuist genoemde artikelen gaat om civielrechtelijk executoriaal respectievelijk civielrechtelijk conservatoir beslag. Dat is iets anders dan strafvorderlijk klassiek beslag (art. 94 Sv) zoals hier bedoeld. Strikt genomen kan het begrip ‘derdenbeslag’ daarom niet altijd één op één worden overgenomen bij klassiek beslag. Zie ook hierna onder 4.6.

12 Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 rov. 2.14-2.15, in het bijzonder het volgende in 2.15: ‘’Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn,(…).’’

13 Een voorbeeld van (civielrechtelijk) derdenbeslag betreft de beslaglegging van een banktegoed. Het beslagen voorwerp (banktegoed) rust immers in feite bij een ander, namelijk de bank. Vgl. reeds HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285 (Girobeslag). Voor klassiek strafvorderlijk beslag betekent dit dat de bank dan als beslagene geldt en dus niet de ‘eigenaar/rechthebbende’ van het banktegoed.

14 Later kan dat onjuist blijken te zijn, vandaar de beklagmogelijkheid voor de derde die stelt (in plaats van de verdachte) rechthebbende te zijn op het conservatoir inbeslaggenomen voorwerp. Zie in dat verband nog wel art. 94a lid 4 Sv voor het geval het om een schijnconstructie gaat: het voorwerp moet niet te kwader trouw zijn gaan toebehoren aan die derde om verhaalsmogelijkheden bij de verdachte te kunnen frustreren.

15 Ik laat in het midden of de verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a lid 2 Sr daar ook onder valt omdat deze grond van verbeurdverklaring veel gelijkenis toont met de schijnconstructie als bedoeld in art. 94a lid 4 Sv.

16 Conclusie AG Spronken 26 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1210, onder 3.7.

17 NJ 2015/38, m.nt. Vellinga-Schootstra.

18 De praktijk leert echter dat in het dossier zich vaak geen kopie van een (apart) bewijs van ontvangst bevindt. In dat verband is het vaak ook praktijk dat op KVI’s als beslagene staat vermeld degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht, dat wil dus zeggen ten laste van wie het beslag is gelegd. Zoals gezegd is bij klassiek beslag (art. 94 Sv) de beslagene echter lang niet altijd degene ten laste van wie het beslag is gelegd. Dit lijkt bij het opmaken van de KVI’s dan ook wel eens te worden vergeten en kan in voorkomende gevallen leiden tot verwarring wie als beslagene dient te worden aangemerkt, te meer als geen apart bewijs van ontvangst zoals bedoeld in art. 94 lid 3 Sv zich bevindt in het dossier.

19 Indien bijvoorbeeld positief wordt vastgesteld dat de beslagene niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

20 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.8 en HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:3, rov. 2.7.

21 Deze hoofdregel geldt sinds 1886 maar ook daarvoor werd de opvatting wel gehanteerd dat voorwerpen in principe aan de beslagene moesten worden teruggegeven omdat de stafrechter niet zou gaan over civielrechtelijke kwesties, zie R.M. Vennix, Boef en beslag. De strafvorderlijke inbeslagneming van voorwerpen (proefschrift), Ars Aequi Libri: 1998, p. 223-224.

22 HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:3, rov. 2.7. Hieruit volgt dat de beslagene degene is onder wie het beslag feitelijk is gelegd, dan wel degene die de feitelijke macht heeft over het voor het beslag vatbare voorwerp.

23 Vgl. Vennix 1998, p. 222-223. Zie ook de wetsgeschiedenis van art. 219 oud Sv, een bepaling die ten grondslag heeft gelegen aan art. 353 en 116 (voorheen nog art. 118) Sv: ‘’Het strafvonnis als het ware incidenteel te laten beslissen over quaesties van burgerlijk recht verdient geene aanbeveling. Om die reden is de teruggave van de overtuigingsstukken in dier voege geregeld, dat in den regel alles weder in denzelfden stand wordt teruggebracht als vóór den aanvang van het strafproces.’’ En: ‘’Uit een politiair oogpunt verdient deze regeling bovendien daarom aanbeveling omdat zij den houder van een zaak die als overtuigingsstuk belangrijk is niet behoeft terug te houden haar tijdelijk voor dat doel aan de justitie af te staan uit vrees van haar daardoor wellicht voor altijd te moeten missen.’’ Zie tot slot de noot Vellinga-Schootstra bij HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3106, NJ 2015/38.

24 Daarmee zouden de strafvorderlijke autoriteiten (openbaar ministerie en strafrechter) niet moeten worden belast en te gemakkelijk zouden civielrechtelijke waarborgen kunnen worden omzeild. De beslissing tot teruggave is dan ook een voorlopige maatregel die geen wijziging brengt in de vermogensrechtelijke verhoudingen aangaande het voorwerp (art. 116 lid 6 Sv). Omdat het consequent toepassen van de hoofdregel ‘teruggave aan de beslagene’ kan leiden tot apert onredelijke resultaten (bijvoorbeeld teruggave van de buit aan de dader in plaats van het slachtoffer), zijn in de loop van de wetsgeschiedenis echter uitzonderingen op de hoofdregel geformuleerd, zie hierover o.a. Vennix 1998, p. 227-228.

25 Vgl. ook de conclusie AG Knigge van 9 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1940, onder 4.12.

26 Kamerstukken II 1993/94, 23692, 3, p. 3-4.

27 Exemplarisch is HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3305, rov. 3.4. Zie ook R. Kuiper, ‘Beklag tegen beslag, NJB 2005, afl. 4, p. 205 en R. Kuiper, ‘552a-beklag tegen 94(a)-beslag’, Strafblad 2008, 11, p. 98: ‘’Samenvattend kan worden gezegd dat behalve (a) degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen, als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt (b) degenen die stellen een zakelijk recht op het inbeslaggenomen voorwerp te hebben en (c) degenen die op grond van een overeenkomst er voor in aanmerking komen de beschikkingsmacht over het inbeslaggenomen voorwerp (terug) te krijgen.

28 Vennix 1998, p. 269-270

29 Conclusie AG Vellinga voor HR 26 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ5406, onder 5. Ik merk ten overvloede op dat de daarin genomen stelling dat een tussenpersoon bij de handel in vis niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, onjuist is. Dat volgt mijns inziens niet zonder meer uit de door Vellinga aangehaalde beschikking van de Hoge Raad. De HR verwierp namelijk het cassatieberoep omdat het gepretendeerd belang als tussenpersoon niet voor het eerst in cassatie kon worden aangevoerd. AG Fokkens sloot het belang als tussenpersoon niet uit in zijn daaraan voorafgaande conclusie.

30 Zie bijv. reeds HR 23 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9904, NJ 1988/43, rov. 5.2-5.3.2 en vgl. meer recentelijk HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5406.

31 HR 21 mei 1996, DD 96/328.

32 HR 9 januari 1996, DD 96/164 en HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1164, NJ 1998/834 m.nt. ‘t Hart.

33 HR 21 mei 1996, DD 96/328 en HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8980.

34 HR 24 september 1996, DD 97/012.

35 Vgl. HR 11 oktober 1955, NJ 1956/24.

36 Vgl. ook conclusie AG Meijers voor NJ 1990/612, onder 5; Vennix 1998, p. 269-270 en

37 Vgl. HR 3 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB8453, NJ 1987/174 m.nt. Van Veen.

38 HR 18 september 1995, DD 96/027.

39 HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5406.

40 HR 27 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8487, NJ 1990/612.

41 HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4253 en HR 19 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9701, NJ 2003/661. Zoals mijn ambtgenoot Knigge ook stelt (zie voetnoot 12 in ECLI:NL:PHR:2019:1460), kan men zich afvragen hoe deze jurisprudentie zich verhoudt tot de eerdere beschikking van HR 15 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1599, NJ 2001/553. In die zaak ging het ook om een geldlening, maar de Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking omdat de rechtbank het klaagschrift ten onrechte had aangemerkt als een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv in plaats van een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. De Hoge Raad wees de zaak vervolgens terug in plaats van, doende wat de rechtbank had moeten doen, de klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klaagschrift.

42 Vennix 1998, p. 270.

43 Vgl. conclusie AG Knigge 17 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1460, onder 4.2.

44 Zie HR 31 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1166, NJ 1998/575; HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8586, NJ 2004/179; HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2962.

45 Zie R. Kuiper, ‘Beklag tegen beslag, NJB 2005, afl. 4, p. 205.

46 Zie ook P.C. Verloop. Handboek Strafzaken, hoofdstuk 77 Klaagschrift tegen inbeslagneming (online actueel t/m 16 juni 2016), meer specifiek paragraaf 77.1.2.b ‘Rechthebbenden’.

47 Vgl. de niet-ontvankelijkheid HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5406 om een stichting die wilde opkomen voor de belangen van een aantal inbeslaggenomen paarden.

48 Op pagina 1 daarvan staat vermeld: ‘’De Belastingdienst/FIOD heeft voorwerpen in beslag genomen en in ontvangst genomen van ‘’[naam onleesbaar/AG TS], S.L. Secure KLM’’ op grond van art. 96 Sv.’’ Op de volgende pagina’s worden vervolgens de verschillende aangetroffen zakken met geld genoemd en daarbij vermeld dat de vindplaats de ‘’KLM-kluis’’ is.

49 Het gaat om deze overwegingen: ‘’De Douane heeft vervolgens (alleen) CBvS om de achterliggende bescheiden van de zending verzocht en vragen gesteld. In antwoord op die vragen heeft [betrokkene 1] , ‘Head Foreign Department’ van CBvS, medegedeeld dat de lokale commerciële banken (de rechtbank begrijpt: de handelsbanken) hun bankpapier aan CBvS aanbieden en dat CBvS zorgt voor de verscheping naar Bank of China.’’

50 Vgl. HR 3 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB8453, NJ 1987/174.

51 Zie HR 11 juni 1991, DD 91/355, ECLI:NL:HR:1991:ZC8814 (niet gepubliceerd) en de bijbehorende conclusie van AG Fokkens. Zie anders de conclusie van AG Vellinga, 26 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ5406, onder 5, die mijns inziens een te verstrekkende en daardoor onjuiste conclusie verbindt aan voorgaande beschikking van de Hoge Raad. De door Vellinga ingenomen stelling dat op grond van de voormelde beschikking een tussenpersoon bij de handel in vis niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, volgt mijns inziens niet zonder meer uit die beschikking. De Hoge Raad verwierp daarin namelijk het cassatieberoep omdat het gepretendeerd belang als tussenpersoon niet voor het eerst in cassatie kon worden aangevoerd. Dit was in lijn met de voorafgaande conclusie van AG Fokkens die niet uitsloot dat een tussenpersoon als belanghebbende kan worden aangemerkt.

52 De door de rechtbank gehanteerde voetnoten zijn in deze conclusie overgenomen, waardoor de nummering niet synchroon loopt met de nummering in de beschikking.

53 Voor de leesbaarheid is het citaat in de beschikking van de rechtbank uit de beslissing van de Hoge Raad in de zaak Morning Star door mij gecursiveerd.

54 Te raadplegen via: https://legal.un.org/ilc/texts/instruments/english/conventions/4_l_2004_resolution.pdf.

55 Te raadplegen via: https://undocs.Org/A/C.6/59/SR.13.

56 Zie p. 52-115 van het rapport van 'UN General Assembly' (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596. Zie ook par. 2.1-2.2 van het Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken.

57 Zie p. 53-54 van het rapport van 'UN General Assembly' (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596.

58 Zie p. 89-90 en 101 van het rapport van 'UN General Assembly' (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596. Zie ook p. 5-6 en 10 van het Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken.

59 Zie p. 58 van het rapport van 'UN General Assembly' (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596. Zie ook p. 30 e.v. van het Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken).

60 AG TS: De rechtbank merkt op: ‘’Vgl. voetnoot 4’’, in deze conclusie als voetnoot nummer 57 weergegeven.

61 Zie p. 10 van het Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken.

62 Zie p. 154-161 van het rapport van het 'UN General Assembly' (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596.

63 Zie p. 54 e.v. van het rapport van het 'UN General Assembly' (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596.

64 Te weten immuniteit ratione personae of immuniteit ratione materiae. Deze immuniteiten wordt ook wel aangeduid als persoonlijke en functionele immuniteit. Grosso modo komt het onderscheid erop neer dat persoonlijke immuniteit (immuniteit ratione personae) ruimer is dan de functionele (immuniteit ratione materiae) omdat de persoonlijke immuniteit ook geldt voor strafbare feiten die door de ambtsdrager als privépersoon zijn begaan. Over deze immuniteiten is, mede in het licht van de Wet internationale misdrijven, uitgebreide literatuur en jurisprudentie voorhanden. Zie bijvoorbeeld het overzicht van R. van Elst, Rechtsmacht, in R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Hanboek internationaal strafrecht 2015, p. 146 e.v. en verder het in de beschikking van de rechtbank geciteerde Rapport van de International Law Commission, Immunity of State officials from foreign criminal jurisdiction, UN General Assembly (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596 en Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken, Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers mei 2011 (Advies No. 20).

65 Zie het deskundigenrapport van prof. dr. Ryngaert dat als bijlage 7 bij het klaagschrift van de klaagster is gevoegd, p. 3.

66 Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken, Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers mei 2011 (Advies No. 20), p. 10.

67 De voetnoten zijn in het citaat weggelaten.

68 R. van Elst, Rechtsmacht, in R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht 2015, p. 132-133; H. Fox en P. Webb, The Law of State Immunity, 3rd ed. (OUP 2013), p. 91, 95, p.310

69 Zie ook overweging 6.2.5 van de bestreden beschikking en de door de rechtbank genoemde bronnen.

70 Overweging 6.2.6 van de bestreden beschikking.

71 De voetnoten zijn uit het citaat weggelaten.

72 Deskundigenbericht Prof. Dr. C.M.J. Ryngaert, Hoogleraar internationaal publiekrecht Universiteit Utrechtd.d.19 juni 2019, Bijlage 7 bij het klaagschrift van de klaagster, p. 4. Verwezen wordt in de voetnoten bij dit citaat naar H. Fox en P. Webb, The Law of State Immunity, 3rd ed. (OUP 2013), p. 310 met de opmerking “Er is weinig tot geen rechtspraak ter zake. Wel is er een uitspraak van een Franse rechtbank die een autoriteit van een vreemde staat immuniteit toekende in een strafzaak. Hof van Beroep Parijs, Erika - Judicial Agent of the Treasury v Malta Maritime Authority GP (2005) 1160 (met betrekking tot de Maritieme Autoriteit van Malta, die elementen van overheidsgezag uitoefende, en dus immuniteit van strafrechtsmacht genoot; zoals geciteerd in Fox en Webb).”

73 Fox en Webb, a.w. p. 95.

74 Cour de cassation, criminelle, Chambre criminelle, 5 mars 2014, no. 13-84.977, ECLI:FR:CCASS:2014:CR00990.

75 Trb. 1962, 101 en 159.

76 International Court of Justice, 11 December 2020, Immunities and Criminal Proceedings, Equatorial Guinea v. France, General List No. 163.

77 HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236, prejudiciële beslissing MSI -Gabon, NJ 2017/190, m.nt. De Boer.

78 Behoudens de in dit artikel onder a-c vermelde uitzonderingen.

79 De rechtbank verwijst hierbij naar het Rapport van de International Law Commission, Immunity of State officials from foreign criminal jurisdiction, UN General Assembly (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596, p. 53-54.

80 Gebaseerd op internationaal gewoonterecht. Verwezen wordt naar het Rapport van de International Law Commission, Immunity of State officials from foreign criminal jurisdiction, UN General Assembly (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596.

81 Gecodificeerd in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer 18 april 1961, Trb. 1962, 101 en 159.

82 Dan zou een beroep kunnen worden gedaan op diplomatieke immuniteit.

83 Zie rov. 6.2.13 van de bestreden beschikking en p. 13 en 16 van de reactie van het openbaar ministerie d.d. 1 november 2019 op het klaagschrift.

84 P. 8-9 waarin hij schrijft: “De centrale bank heeft in Suriname de taak op zich genomen om aan Surinaamse handelsbanken toebehorende gelden, verzameld in één zending, te exporteren aangezien het niet mogelijk is voor de handelsbanken om dit zelf te doen. Het is niet aan Nederland om deze uitoefening van een aan haar toegewezen staatstaak te betwisten zelfs al is deze handelwijze niet gebruikelijk in Nederland zelf. Over de precieze wijze waarop de centrale bank de staatstaken uitvoert , gaat immers de vreemde staat, niet Nederland.

85 Ik verwijs in dit verband ook naar de Belgische regelgeving en Engelse jurisprudentie die door Ryngaert in zijn deskundigenrapport (bijlage 7 bij het klaagschrift) op p. 8 en 9 wordt aangehaald en waaruit kan worden afgeleid dat immuniteit van exectutie ook geldt voor goederen die een centrale bank voor derden aanhoudt of beheert.