Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:878

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-06-2021
Datum publicatie
28-09-2021
Zaaknummer
19/05515
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1399
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Deelname aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr) en medeplegen telen (art. 3.B Opiumwet) en aanwezig hebben (art. 3.C Opiumwet) hennep. 1. Bewijsklacht pleegperiode. Is bewezenverklaring, v.zv. inhoudende dat feiten in periode van 1-4-2012 tot en met 17-2-2015 zijn begaan, toereikend gemotiveerd? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 27 maanden). Is strafoplegging, v.zv. in strafmotivering van diezelfde pleegperiode wordt uitgegaan, begrijpelijk?

Ad 1. Klacht dat bewezenverklaring van feiten ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit bewijsvoering niet kan volgen dat aanvangsdatum van die feiten op 1-4-2012 was gelegen, miskent dat dergelijke bewezenverklaring niet betekent dat verdachte gedurende gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht (vgl. HR:2002:AE3728).

Ad 2. Hof heeft in strafmotivering overwogen dat verdachte “bijna 3 jaar” onderdeel heeft uitgemaakt van criminele organisatie en dat sprake is geweest van “langdurige”, grootschalige, georganiseerde en beroepsmatige wijze van hennepteelt, waarmee hof tot uitdrukking heeft gebracht duur van periode waarin bewezenverklaarde is begaan, van belang te achten voor strafoplegging. Uit verhandelde ttz. kan niet z.m. blijken waaraan hof de vaststelling heeft ontleend dat verdachte gedurende periode van “bijna 3 jaar” bij criminele organisatie en bij hennepteelt was betrokken. Mede gelet op wat namens verdachte daarover is aangevoerd, had hof de strafoplegging in dit opzicht nader moeten motiveren.

Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. bewijsklacht pleegperiode. Samenhang met 19/05436, 19/05652, 19/05701 P en 19/05868 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05515

Zitting 29 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 29 november 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11 derde lid en artikel 11 vijfde lid van de Opiumwet” en “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een stroomstootwapen.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/05652, 19/05436, 19/05868, 19/05701, 20/00502 en 20/00543. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van feit 1 en 2, in het bijzonder ten aanzien van de pleegperiode, onvoldoende heeft gemotiveerd. In het verlengde hiervan klaagt het middel tevens dat de strafmotivering ontoereikend is, nu deze in belangrijke mate op de bewezenverklaarde pleegperiode is gebaseerd.

5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof niet expliciet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de door de rechtbank bewezenverklaarde pleegperiode geen steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, terwijl het hof diezelfde pleegperiode (opnieuw) heeft bewezenverklaard. Bovendien zou de pleegperiode – net als in het vonnis – onvoldoende steun vinden in de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen. De hierop gebaseerde strafmaat zou volgens de steller van het middel ook niet deugdelijk gemotiveerd zijn, nu het hof in zijn strafmaatoverwegingen een pleegperiode van ‘bijna drie jaar’ en ‘langdurig handelen’ heeft meegewogen.

6. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 16-706094-14 onder feit 1 en 2 bewezenverklaard dat:

“feit 1

hij in de periode van 1 april 2012 tot en met 17 februari 2015, te Utrecht en/of te Hilversum en/of te Alkmaar en/of te [plaats] , heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het in de uitoefening van een bedrijf of beroep opzettelijk telen en/of aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

feit 2

hij in de periode van 1 april 2012 tot en met 17 februari 2015 te Hilversum en te Alkmaar en te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld en telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [a-straat 1] te Hilversum en in een pand aan de [b-straat 1] te Alkmaar en in een pand aan de [c-straat 1] te [plaats] een (grote) hoeveelheid hennep en/of een (groot) aantal hennepplanten, zijde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

7. De bewezenverklaringen steunen op 36 bewijsmiddelen, opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest ten aanzien van het onder parketnummer 16-706094-14 onder 1 en 2 bewezenverklaarde, waarnaar ik hier kortheidshave verwijs.

8. Ten aanzien van de bewezenverklaringen heeft het hof nog het volgende overwogen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewijsverweer ten aanzien van feit 1 en feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen hooguit kan worden geconcludeerd dat verdachte betrokken is geweest bij de opbouw van de kwekerijen in Alkmaar, Hilversum en [plaats] . De verdachte heeft alleen timmerwerkzaamheden verricht. Dit zijn voorbereidingshandelingen die destijds nog niet strafbaar waren gesteld. De verdachte kan daarom niet worden beschouwd als een medepleger van de hennepteelt in de betreffende kwekerijen. In het verlengde hiervan is aangevoerd dat de bewijsmiddelen ontoereikend zijn om aan te nemen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Gelet hierop dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 1 en feit 2.

Het hof acht de mate van betrokkenheid bij drie hennepkwekerijen ( [plaats] , Hilversum II en Alkmaar) zo groot dat sprake is van het medeplegen van hennepteelt. Daarvoor zijn met name de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Algemeen

Op de laptop van medeverdachte [betrokkene 4] is een Excel-bestand aangetroffen. Dit bestand is gemaakt op een computer met de naam ‘ [verdachte] ’ (wat ook de voornaam van verdachte is). Uit het Excel-bestand kan worden afgeleid dat een overzicht is weergegeven van de kosten, opbrengsten en verdeelsleutel van een winst bij een hennepkwekerij. Het hof leidt dit onder meer af uit het feit dat de bedragen en afkortingen die zijn vermeld kennelijk verband houden met de hennepteelt. De afkortingen betekenen naar het oordeel van het hof: SI: slapen, St: stekken, Kn: knippen, Dr: drogen, Hu: huur, Di: diversen. Het hof leidt onder meer hieruit af dat verdachtes betrokkenheid bij een hennepkwekerij zich ook heeft uitgestrekt tot activiteiten na de opbouw van een hennepkwekerij en de inwerkingstelling daarvan.

In het bijzonder ten aanzien van de hennepplantage aan de [c-straat 1] te [plaats]

Getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat verdachte met anderen de opbouw van een hennepplantage heeft uitgevoerd. Uit een verklaring van getuige [betrokkene 6] komt naar voren dat verdachte met anderen in de woning aan de [c-straat] ter plaatse is geweest. Daarnaast is [betrokkene 7] als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat de verdachte met anderen is langsgekomen met de hennepstekjes. Zij zijn voornamelijk bezig geweest met het installeren van de plantage en het aanplanten van de stekjes. Tot slot blijkt uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen getuige [betrokkene 5] en medeverdachte [medeverdachte 1] dat verdachte instructies heeft gegeven over de belichting en bewatering van de hennepplanten in [plaats] .

In het bijzonder ten aanzien van de hennepplantage aan de [a-straat 1] te Hilversum (Hilversum II)

Uit het zaaksdossier komt naar voren dat verdachte met anderen op de [d-straat] in Utrecht voorwerpen (zakken, dozen, een rol grondkabel of waterslang en een gereedschapskoffer) in een auto heeft geladen. De verdachte is met anderen in de auto naar de loods aan de [a-straat 1] gereden en heeft de goederen binnengebracht. De verdachte is meermalen met anderen op deze locatie geweest en heeft het pand betreden. Verdachte is ook herkend op basis van zijn kleding, beweging en postuur als de persoon die de loods eenmaal heeft afgesloten. Tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte is een schriftje aangetroffen met handgeschreven notities. Dit betreft een administratie van (installatie-/onderhouds-)kosten van een of meerdere hennepkwekerijen. De medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat het geschrift betrekking heeft op een kostenoverzicht van de hennepplantage in Hilversum. Hij heeft de bedragen herkend die achter zijn naam zijn vermeld. Tot slot blijkt uit de inhoud van OVC-gesprekken dat verdachte met medeverdachten heeft gesproken over huurbetalingen, de datum waarop is begonnen met de hennepkwekerij en het bedrag dat verloren is gegaan na ontdekking van die kwekerij.

In het bijzonder ten aanzien van de hennepkwekerij in Alkmaar

De verhuurder van de ruimte heeft verdachte herkend als een van degenen die wel eens zijn mee geweest bij de werkzaamheden die bestonden in het timmeren in de door hem verhuurde ruimte waar de hennepkwekerij is aangetroffen. De verhuurder herkende de zoon van verdachte. Er zijn handschoenen gevonden waarop het DNA van verdachte is aangetroffen. Met de raadsman is het hof van oordeel dat uit het aantreffen van hennepresten op de handschoenen op zich niet méér kan worden afgeleid dan dat verdachte betrokken is geweest bij de opbouw van de hennepkwekerij, nu de resten daarna op de handschoenen kunnen zijn gekomen.

Er bestaan echter op essentiële punten overeenkomsten tussen deze kwekerij en de hennepkwekerijen in [plaats] en Hilversum, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt. De hennepplantages bevonden zich in ruimtes waarin een extra ruimte is aangebracht. De technische ruimte voor de kwekerijen bevond zich niet in de binnenruimte. De huurcontracten voor de panden waarin de hennepkwekerijen zijn aangetroffen zijn afgesloten op naam van anderen (katvangers) dan verdachte of medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] . De verdachte is telkens met deze perso(o)n(en), in wisselende samenstelling, bij de kwekerijen betrokken geweest. In alle drie de plantages is sprake geweest van een groot aantal hennepplanten en er is op een professionele wijze geteeld. Hieruit in combinatie met de grote mate van betrokkenheid van verdachte bij de eerder genoemde kwekerijen leidt het hof af dat het aandeel van verdachte niet beperkt is tot het bouwen van de hennepkwekerij maar dat verdachte ook bij deze kwekerij medepleger van het telen is geweest.

Uit de gedragingen die hiervoor zijn omschreven en de overige bewijsmiddelen leidt het hof af dat door verdachte is gehandeld in de uitoefening van beroep of bedrijf.

Uit die gedragingen leidt het hof eveneens af dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die gericht was op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet.

Het verweer wordt derhalve verworpen.”

9. Het middel klaagt terecht. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden begrepen waarom de aanvangsdatum van de bewezenverklaarde periode voor feit 1 (deelneming aan de criminele organisatie) en feit 2 (medeplegen hennepteelt) is vastgesteld op 1 april 2012. Dat had – op basis van dezelfde bewijsmiddelen – ook 1 april 2014 kunnen zijn. Daarmee is de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 ten aanzien van de bewezenverklaarde periode niet zonder meer begrijpelijk. In dit geval heeft de verdachte belang bij een meer precieze afbakening van de pleegperiode omdat het hof voor de strafmaat mede heeft gerefereerd aan de volledige bewezenverklaarde periode. Daarop kom ik hieronder terug.

10. Ter terechtzitting in hoger beroep is op dit punt bovendien een bewijsverweer gevoerd.1 Dit bewijsverweer kan naar mijn inzicht bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop het hof gehouden was te responderen omdat het van dit standpunt afweek. In zijn aanvullende bewijsoverweging heeft het hof dit onderdeel van het verweer echter niet vermeld, noch gemotiveerd verworpen.2

11. Daarmee is ook niet zonder meer begrijpelijk dat het hof ten aanzien van de strafoplegging heeft overwogen dat, en ik citeer de mijns inziens ter zake relevante overwegingen:

“Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft bijna drie jaar onderdeel uitgemaakt van een criminele organisatie die in de uitoefening van beroep of bedrijf hennep heeft geteeld. De verdachte heeft in deze periode in wisselende samenstelling met anderen geopereerd en is op drie verschillende locaties medepleger geweest bij deze hennepteelt.

(…)

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin

de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – dat er sprake is geweest van een langdurig, grootschalig, georganiseerde

en beroepsmatige wijze van hennepteelt.”

12. Het hof heeft uitdrukkelijk de langdurigheid van de hennepteelt binnen de criminele organisatie en verdachtes deelname daaraan – bijna drie jaar – ten nadele van de verdachte meegewogen in de straftoemeting en mede daarop de modaliteit en de duur van de gevangenisstraf doen steunen. Uit de strafmotivering blijkt bovendien niet waarom het hof het terzake gevoerde verweer, c.q. ingenomen standpunt heeft verworpen. Nu het zoeken is naar de exacte redenen die het hof heeft gehad voor het niettemin bepalen van de aanvangsdatum van de bewezenverklaarde periode op 1 april 2012, is ook de strafmotivering niet zonder meer begrijpelijk.

13. Het middel slaagt in al zijn onderdelen.

14. Nu het eerste middel slaagt, kan het tweede middel, dat klaagt over de motivering van de het onder feit 2 bewezenverklaarde medeplegen van hennepteelt op de locatie Alkmaar, buiten bespreking blijven. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen en behoefte heeft aan een aanvullende conclusie waarin het tweede middel alsnog wordt besproken, zal ik daartoe uiteraard gaarne overgaan.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie p. 6-7 van de op de terechtzitting voorgedragen pleitnota die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 oktober 2019 (elektronische blzz. 24-25).

2 Ik heb mij nog afgevraagd of de grond voor de aanvangsdatum van 1 april 2012 ergens anders in de (kern-)stukken van het hoger beroep te achterhalen valt. Het enige waaruit ik zou kunnen afleiden dat die aanvangsdatum verband houdt met de (langdurige) activiteiten van de criminele organisatie, zijn het requisitoir en de pleitnotities in hoger beroep. Het requisitoir houdt onder de achtereenvolgende kopjes “Feit 1: Deelname aan een criminele organisatie”, “ [verdachte] ” en “periode” in: “Ten aanzien van de periode, ga ik uit van de gehele ten laste gelegde periode. Dit nu: op de computer van verdachte vervalste loonstroken worden gevonden van [betrokkene 8] over (o.a.) juni 2011. Dit betrof de huurder (katvanger) van het pand aan de [e-straat 1] te Utrecht, waar een hennepkwekerij is aangetroffen, alsmede de huurder van “Hilversum I”. Er een OVC opname is van een gesprek tussen [betrokkene 4] en verdachte, waarbij [betrokkene 4] verslag doet van zijn bevindingen in de [e-straat] nadat de politie daar is geweest, hetgeen duidt op betrokkenheid van verdachte. Verdachte zegt in OVC gesprek over (kennelijk) Hilversum I: Ik ben maar één keer mee geweest in 5, 6 keer dat ze gezien hebben. Zondag 23 februari (p. 6638). Uit het dossier volgt dat op 23 februari observatie heeft plaatsgevonden op de bewuste locatie. Daarbij moet worden opgemerkt dat verdachte [verdachte] toen niet is herkend (p. 244).” De pleitnotities in hoger beroep houden op p. 12 onder de achtereenvolgende kopjes “Ontneming” en “Appelschriftuur OM” in: “De officier van justitie wijst ten aanzien van Hilversum I op het feit dat de rechtbank bewezen heeft verklaard dat cliënt via de organisatie betrokken was bij hennepteelt in (onder meer) Hilversum in de periode 1 april 2012 - 17 februari 2015.” Kennelijk houdt de aanvangsdatum van 1 april 2012 dus verband met (andere) criminele activiteiten van de organisatie, te weten activiteiten die ten laste van de verdachte onder feit 2 (medeplegen hennepteelt) in ieder geval niet zijn bewezenverklaard. Uit de bewijsconstructie van het hof is dit een en ander evenwel niet af te leiden.