Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:843

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-09-2021
Datum publicatie
28-09-2021
Zaaknummer
19/04933
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1702
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Middel over verjaring van 'voorhanden hebben 3 patronen resp. een boksbeugel' slaagt volgens A-G, nu de absolute verjaringstermijn van tweemaal zes jaren moet worden aangehouden en mitsdien het recht tot strafvordering is komen te vervallen. Ook het (tweede) middel over het oordeel van het hof over de meerdaadse samenloop is terecht, maar kan vanwege onvoldoende belang niet tot cassatie leiden. Het derde middel komt met vijf klachten op tegen het oordeel van het hof over medeplegen gewoontewitwassen. De A-G gaat onder meer in op het 'feitelijk eigenaarschap' en het 'een gewoonte maken'. De AG meent dat dit middel in zijn geheel faalt. De conclusie strekt (kort gezegd) tot het niet-ontvankelijk verklaren van de OvJ in de vervolging van de bedoelde feiten, tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover deze de overige feiten betreft, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04933

Zitting 21 september 2021

(bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte.

I. Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 17 oktober 2019 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr, wegens DV I[1] onder 3 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, DV I onder 6A “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, DV I onder 6B “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en DV II primair “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken”. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (een pistool met bijbehorende patronen en twee scherpe randvuurpatronen en een volmantelpatroon), een en ander zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van een bij arrest van 3 januari 2008 (rolnummer 22-000075-02) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf gegrond verklaard, met dien verstande dat het in plaats daarvan een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, heeft gelast.

2. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

II. Het eerste middel (verjaring)

3. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het recht op strafvervolging ter zake van het (in DV I met parketnummer 09-754083-06) onder 6A tenlastegelegde voorhanden hebben van een wapen en munitie van categorie III (een pistool, merk Glock, en munitie) en onder 6B tenlastegelegde voorhanden hebben van een wapen van categorie I (een boksbeugel) op 16 april 2020 door verjaring is komen te vervallen, nu daarbij telkens als pleegdatum 15 april 2008 is tenlastegelegd en bewezenverklaard, zodat het openbaar ministerie dienaangaande (alsnog) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging.

4. Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, bewezenverklaard dat:

“6A.

hij op 15 april 2008 te Nieuw-Vennep munitie van categorie III, te weten 2 patronen van het kaliber .22 long rifle en 1 patroon van het kaliber 6.35 millimeter voorhanden heeft gehad;

6B.

hij op 15 april 2008 te Nieuw-Vennep een wapen van categorie I, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad;”[2]

5. De ook ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende en voor de beoordeling van het middel relevante bepalingen luiden als volgt:

Art. 13, eerste lid, Wet wapens en munitie (hierna: WWM)

“Het is verboden een wapen categorie I […] voorhanden te hebben […].”

Art. 26, eerste lid, WWM

“Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.”

Art. 55 WWM:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met de artikelen […], 13, eerste lid […], 26, eerste lid […].”

Art. 56 WWM:

“[...]. De in artikel 55 WWM strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.”

Art. 70 Sr:

“1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

[…]

2º in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

[…].”

Art. 71 Sr:

“De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd […].”[3]

Art. 72 Sr:

“1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.”[4]

6. De verjaringstermijn ten aanzien van de in DV I onder 6A en 6B tenlastegelegde feiten is aangevangen op 16 april 2008. Uit de stukken van het geding blijkt dat sindsdien meerdere daden van vervolging hebben plaatsgevonden. Dat brengt met zich dat voor de feiten 6A en 6B (kort gezegd) de absolute verjaringstermijn van tweemaal zes jaren moet worden aangehouden en dat mitsdien het recht tot strafvordering inderdaad op 16 april 2020 is komen te vervallen.[5]

7. De Hoge Raad kan – mèt vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover deze de feiten 6A en 6B in DV I betreft, behoudens voor zover daarbij de onderscheiden vonnissen van de rechtbank zijn vernietigd – de officier van justitie in zoverre alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging en vervolgens de bestreden uitspraak voor zover deze de overige feiten aangaat vernietigen, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De bestreden uitspraak dient in voormelde zin te worden vernietigd, nu het hof de door hem bewezenverklaarde feiten 6A en 6B expliciet heeft meegenomen in de strafmotivering: “De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een boksbeugel en patronen”. Gelet op HR 16 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3779 zou de Hoge Raad in de onderhavige zaak mogelijk zelf de duur van de door het hof opgelegde gevangenisstraf kunnen verminderen in een mate die de Hoge Raad goeddunkt.

8. Het eerste middel slaagt.

III. Het tweede middel (eendaadse samenloop/ voortgezette handeling)

9. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het kennelijke oordeel van het hof, dat ten aanzien van de (DV I) onder 3 bewezenverklaarde feiten (parketnummer 09-754083-06) geen sprake is van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed, nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 14 maart 2008 4000 gram hennep aan een ‘undercover’ heeft verkocht en afgeleverd, terwijl de ‘undercover’ eerder had aangegeven deze hoeveelheid buiten Nederland te brengen, zodat de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging moeten worden vernietigd.

10. Ten laste van de verdachte is (DV 1) onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij, op 14 maart 2008, te Leiden tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet en heeft verkocht en afgeleverd 4.000 gram hennep (zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep), zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, immers hebben verdachte en zijn mededaders voornoemde hoeveelheid hennep verkocht/overgedragen aan een persoon genaamd A1767;”

11. Het bewezenverklaarde steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Dagvaarding I, feit 3 (vier kilo hennep)

1. Een proces-verbaal van bevindingen van het begeleidingsteam, inzake het optreden van politieel informant A1767 d.d. 7 maart 2008 van het Bureau Recherche Expertise Politieel Infiltratieteam met nummer BTA1767/07032008/005. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (AH-dossier 24 - 31, pagina 529 t/m 531):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Door mij, B1219, lid van het politie infiltratie begeleidingsteam, wordt het volgende gerelateerd.

A1767 werd als politiële pseudokoper ingezet. Op 7 maart 2008 gaf ik A1767 opdracht om te gaan naar growshop [A] , gevestigd aan de [a-straat 1] te Leiden. In de growshop diende A1767 indien mogelijk een bestelling van 2 kilo weed/hennep te plaatsen. Op 7 maart 2008 stelde A1767 zich met mij in verbinding en verklaarde:

Vandaag heb ik een bezoek gebracht aan growshop [A] te Leiden. Ik zag dat [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) achter de balie stond. Ik vertelde [betrokkene 1] dat ik altijd 'gear' via een contact in Engeland kocht. Ik zei tegen [betrokkene 1] 'gear' maar ik bedoel hier drugs mee. Ik vroeg aan [betrokkene 1] of hij een mogelijkheid zag om mij in contact te brengen met iemand wie mij eens in de zoveel weken kon voorzien van een aantal kilo's 'gear'. Hij zei tegen mij dat hij het zou vragen.

Op dat moment kwam de baas van de growshop, die ik ken als [verdachte] , de ruimte met de balie binnenlopen. Ik hoorde dat [betrokkene 1] hem aansprak. Vervolgens zag ik dat [verdachte] naar mij toe kwam en hoorde ik dat hij in het Engels aan mij vroeg: 'What do you want?'. Ik vertelde hem dat ik een aantal kilo's wilde hebben. [verdachte] vroeg toen aan mij 'Of what?'. Zonder dat ik antwoordde vroeg hij mij meteen: 'Is it for export?’. Ik vertelde hem dat het voor Ierland was. Hij zei vervolgens tegen mij in de Engelse taal '3250'. Ik vroeg hem: 'voor twee?'. Hij lachte en zei: 'No for 1'.

Ik zei dat ik donderdag terug zou komen om de bestelling te bevestigen en dat ik op 14 maart 2008 het zou komen ophalen.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van het begeleidingsteam, inzake het optreden van politieel informant A1767 d.d. 13 maart 2008 van het Bureau Recherche Expertise Politieel Infiltratieteam met nummer BTA1767/13032008/006. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (AH-dossier 24 - 31, pagina 532 t/m 534):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Door mij, B1219, lid van het politie infiltratie begeleidingsteam, wordt het volgende gerelateerd.

A1767 werd als politiële pseudokoper ingezet. Op 13 maart 2008 stelde A1767 zich met mij in verbinding en verklaarde:

Op 13 maart 2008 heb ik een bezoek gebracht aan growshop [A] te Leiden. Ik zag dat [betrokkene 1] achter de balie stond. Ik vertelde hem dat ik in eerste instantie om 2 kilo had gevraagd, maar dat ik genoeg, geld voor 4 kilo bij me had en ik vroeg hem of dit mogelijk was.

Ik hoorde dat hij zei dat dit geen probleem moest zijn maar dat hij het eerst aan [verdachte] moest vragen.

[betrokkene 1] riep [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) naar zich toe. Ik hoorde dat zij samen in een voor mij onbekende taal met elkaar spraken. [betrokkene 2] keek mij aan en zei tegen mij in het Engels: 'Four'. Ik bevestigde dit en vroeg hem of ik dit vandaag kon meekrijgen. Hij zei tegen mij dat dit kon en ik vroeg hem of wij het nu konden regelen.

Tijdens mijn gesprek met [betrokkene 3] zag ik dat [verdachte] en [betrokkene 2] samen stonden te praten. [betrokkene 2] kwam na dit gesprek naar mij toe en hij vertelde mij dat het pas morgen zou worden voor wij het konden regelen. [betrokkene 2] legde mij uit dat hij dacht dat wij het nu konden afregelen, maar dat ‘hij’ had gezegd dat het pas morgen kan. [betrokkene 2] noemde geen naam, maar ik vermoed dat hij hiermee [verdachte] bedoelde.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van het begeleidingsteam, inzake het optreden van politieel informant A1767 d.d. 14 maart. 2008 van het Bureau Recherche Expertise Politieel Infiltratieteam met nummer BTA1767/14032008/007. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (AH-dossier 24 - 31, pagina 535-t/m 538):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Door mij, B1219, lid van het politie infiltratie begeleidingsteam, wordt het volgende gerelateerd.

A1767 werd als politiële pseudokoper ingezet. Op 14 maart 2008 stelde A1767 zich met mij in verbinding en verklaarde:

Vandaag, 14 maart 2008, heb ik een bezoek gebracht aan growshop [A] te Leiden.

Ik liep naar [betrokkene 2] bij de balie. Op dat moment kwam [verdachte] vanuit achter de growshop en ging hij achter de balie bij [betrokkene 2] staan. [verdachte] vroeg aan mij: 'Vier?' Ik zag dat hij hierbij vier vingers opstak. Ik bevestigde dit.

[verdachte] vroeg mij in gebaren en woord of ik een kleine verpakking wilde. Ik bevestigde dit en vroeg hem of hij het vacuüm kon verpakken. Hij zei dat dit kon.

Nadat ik met [verdachte] de andere ruimte was binnengegaan, liepen wij naar een oud bureau. Ik zag op het bureau een vacuümpomp staan. Ook zag ik dat naast het bureau vier heldere plastic zakken op de grond lagen. Ik zag dat er vermoedelijk hennep in deze zakken zat. Vervolgens zag ik dat hij de hennep in een andere plastic zak deed en deze zak in de vacuümpomp vacuüm sealde. Hierna deed [verdachte] de gesealde zak in een andere zak en sealde hij deze op dezelfde wijze als de vorige. De hennep bevond zich nu dus in twee vacuüm gesealde zakken. Ik zag dat [verdachte] dit met alle vier de zakken deed.

Wij spraken over mijn transportkosten naar Ierland.

Nadat [verdachte] alle vier de zakken vacuüm had geseald, plaatste hij de zakken in een kartonnen doos. Hierna gaf ik [verdachte] 13.000 euro. Hij zei dat het geld oké was. Vervolgens gaf ik hem een hand, pakte de doos met de hennep op en verliet de ruimte. Ik verliet de growshop.

4. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2019 verklaard – zakelijk weergegeven –:

Ik heb vier kilo hennep aan de undercover agent verkocht en geleverd. Ik heb [betrokkene 2] iemand laten bellen die hennep kon leveren en diegene is gekomen. Ik heb de undercover agent zijn spullen gegeven en het geld aangepakt.

Het klopt dat ik de zak hennep vacuüm heb gezogen. De man vroeg of ik twee kilo wiet kon leveren. Dat is later nog verhoogd naar vier kilo.”

12. Het hof heeft voorts bewijsoverwegingen aan het onder 3 bewezenverklaarde gewijd. Deze zijn echter voor de onderhavige klacht niet relevant; zij betreffen eensdeels de verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer dat hij zou zijn uitgelokt tot het verkopen van hennep aan A1767 zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor dit feit dient te worden verklaard, en zien anderdeels op het tenlastegelegde onderdeel “in de uitoefening van een beroep of bedrijf”.[6]

13. Het hof heeft het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd:

“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.”

14. Blijkens het kopje “Toepasselijke wettelijke voorschriften” heeft het hof in zijn arrest (onder meer) art. 57 Sr aangehaald. Deze bepaling handelt over de meerdaadse samenloop.

15. De strafoplegging is door het hof, voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

13.1 Bewezenverklaarde feiten

[…]

De verdachte heeft bovendien vier kilo hennep verkocht. Zodoende heeft hij doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Drugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.

[…]

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat in deze zaak gezien de ernst en het ondermijnende karakter van de feiten alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is en dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt.

het hof is van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden is, doch dat deze door de overschrijding van de redelijke termijn dient te worden verlaagd naar een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Deze straf heeft de verdachte reeds in voorlopige hechtenis uitgezeten zodat hij in deze zaak niet opnieuw detentie hoeft te ondergaan.

[…]

13.4 Conclusie

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”

16. De voor de beoordeling van het middel relevante artikelen luiden als volgt:

Art. 3 Opiumwet (hierna: Ow):

“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. […] buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. […] te verkopen, af te leveren […].”

Art. 11 Ow:

“[…].

2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

[…]

4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. 5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.[7]

[…].”

Art. 55 Sr:

“1. Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

[…]”

Art. 56 Sr:

“1. Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of overtreding opleverende, in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, dan wordt slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

[…]”

Art. 57 Sr:

“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.

[…].”

17. De samenloopregeling heeft tot doel het tegengaan van cumulatie van straffen. Samenloopvragen worden mede bepaald door de in het concrete geval toepasselijke strafbepaling(en). Daarnaast kan ook de wijze van ten laste leggen van belang zijn voor de samenloop. Wanneer meerdere feiten niet cumulatief maar enkelvoudig zijn tenlastegelegd als één samenhangend feitencomplex, rijst in beginsel geen vraag van samenloop omdat enkelvoudige kwalificatie al uit de tenlastelegging voortvloeit. Aan de andere kant behoeft een cumulatieve tenlastelegging de rechter niet af te houden van toepassing van de regels over eendaadse samenloop en voortgezette handeling. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.[8]

18. Gezien de bewijsvoering van het hof is van hetgeen onder (DV 1) feit 3 is bewezenverklaard zowel de periode, als de feitelijke context nagenoeg identiek. Dat geldt in het onderhavige geval ook voor de strekking van de desbetreffende strafbepaling(en). Weliswaar wordt het opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder B gegeven verbod bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren (of een geldboete van de vierde categorie) en het opzettelijk handelen met een in art. 3 onder A gegeven verbod met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren (of een geldboete van de vijfde categorie), maar dit verschil valt weg wanneer – zoals in casu – sprake is van “een grote hoeveelheid hennep”. In dat geval kan namelijk voor beide bedoelde feiten een gevangenisstraf van maximaal zes jaren worden opgelegd (art. 11, vijfde lid, Ow).

19. Ik meen dat de stellers van het middel het gelijk aan hun zijde hebben met de klacht over het kennelijke oordeel van het hof dat met betrekking tot het (DV I) onder 3 bewezenverklaarde geen sprake zou zijn van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling. Het middel is mitsdien gegrond.

20. Tot cassatie leidt dat evenwel niet. Hier doet zich de situatie voor waarin gezegd kan worden dat het middel van onvoldoende belang is om cassatie (zelfs het cassatieberoep) te rechtvaardigen.[9] De door het hof opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden ligt immers ver onder het strafmaximum dat zou gelden als met de stellers van het middel van eendaadse samenloop respectievelijk voortgezette handeling zou worden uitgegaan. Overigens maakt de cassatieschriftuur geen melding van enig belang bij cassatie. Dat verbaast mij gelet op HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111, m.nt. Mevis (rov. 2.2) niet; ongetwijfeld zijn ook de stellers van het middel van deze uitspraak op de hoogte. Terzijde merk ik op dat ter ’s hofs terechtzitting door de verdediging geen samenloopverweer in dit verband is gevoerd.[10]

21. Het middel faalt.

IV. Het derde middel (‘medeplegen gewoontewissen’)

22. Het derde middel keert zich met een vijftal motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring van het in DV II primair tenlastegelegde (parketnummer 09-650013-11).

23. Ten laste van de verdachte is in die zaak bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode 4 maart 2006 tot en met 3 mei 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben hij, verdachte en zijn mededader(s) telkens

- van onderstaande voorwerpen verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen is en/of

- onderstaande voorwerpen verworven en voorhanden gehad

te weten de panden

- [b-straat 1] te Leiden; en

- [c-straat 1] en [c-straat 2] te Leiden; en

- [d-straat 1] en [d-straat 2] te Leiden;

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) telkens wist(en) dat die voorwerpen middelijk afkomstig waren uit enig misdrijf.”

24. De bewezenverklaring steunt op vijftien bewijsmiddelen, genoemd in de Bijlage inhoudende bewijsmiddelen, waarvan ik er in randnummer 34 bij de bespreking van de tweede klacht twee zal weergeven. Voorts heeft het hof nog het volgende vastgesteld en overwogen (hier met weglating van voetnoten):

8.5 Dagvaarding II

[…]

8.5.2 Juridisch kader

De tekst van artikel 420 bis Sr luidt in de ten laste gelegde periode, voor zover van belang:

1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft (...):

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddelijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

De processen-verbaal waaraan bewijs voor het ten laste gelegde ontleend zou kunnen worden, zijn omstreeks 2008 geschreven en derhalve voorafgaand aan belangrijke rechtsontwikkelingen ten aanzien van de uitleg van artikel 420 bis Sr. Bij de duiding van het hiernavolgende dient met deze omstandigheid rekening te worden gehouden.

De rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 420 bis Sr heeft zich in de periode van 2003 tot op heden in belangrijke mate geëvolueerd. Aanvankelijk volstond voor een veroordeling dat vaststond dat het witgewassen voorwerp (zoals een geldbedrag) afkomstig was uit enig misdrijf. Aan deze eis was voldaan doordat het niet anders kon zijn dan dat dit geldbedrag middelijk of onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

Later en ook thans geldt een meer gedifferentieerde toets, te weten: witwassen kan bewezen worden verklaard wanneer ofwel op grond van de beschikbare bewijsmiddelen een rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf waaruit de betreffende voorwerpen afkomstig zijn ofwel, indien dit verband niet kan worden gelegd, dat het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Om te kunnen concluderen dat het niet anders kan zijn dan dat voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, dient allereerst op grond van de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een ernstig vermoeden wordt aangenomen (stap i). Indien dit ernstig vermoeden wordt aangenomen, mag van een verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de/het betreffende voorwerp(en) (stapt ii). Die verklaring moet vervolgens concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken (stap iii). Conform de jurisprudentie van de Hoge Raad houdt dit overigens niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat een voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als een verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijk verklaring geeft, kan (om desondanks toch tot een veroordeling te komen) van het Openbaar Ministerie worden verlangd om vervolgens onderzoek naar die verklaring te doen (stap iv). Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de/het voorwerp(en) waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft/hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

8.5.2.1. Rechtstreeks verband?

Naar het oordeel van het hof ontbreekt bewijs dat een rechtstreeks verband valt te leggen tussen de tenlastegelegde panden, auto’s etc., en een bepaald misdrijf of misdrijven. Het hof spreekt de verdachte immers vrij van de feiten 2 en 8. Ook kan geen verband gelegd worden tussen de winst behaald met de verkoop van vier kilo hennep (feit 3) op 14 maart 2008 en de panden, auto’s etc. die volgens de tenlastelegging reeds voordien witgewassen zouden zijn.

Dit brengt mee dat bezien moet worden of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden, welke op basis van bewijsmiddelen door het hof vastgesteld moeten worden, het vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het witgewassen voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

8.5.2.2 Is het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat het witgewassen voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is?

In de ten laste gelegde periode heeft verdachte een growshop geëxploiteerd middel een aantal rechtspersonen. Wanneer in het hiernavolgende rechtshandelingen verricht door een of meer van die rechtspersonen worden aangeduid, verwijst het hof, ter voorkoming van onduidelijkheid naar ‘de Growshop’.

8.5.3 Panden

De ten laste gelegde (gewoonte)witwas-feiten strekken zich uit over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 15 april 2008. Ten behoeve van de inzichtelijkheid van de opeenvolgende handelingen zal het hof de witwasfeiten in chronologische volgorde bespreken en niet in de volgorde als ten laste gelegd.

[…]

8.5.3.5 [b-straat 1] te Leiden

Het hof gaat uit van de navolgende feiten met betrekking tot dit pand:

- Op 8 maart 2006 wordt op een ten name van [betrokkene 4] staande bankrekening € 165.000,- bijgeschreven onder de vermelding van “lening”. Dit bedrag is overgemaakt vanaf een bankrekening die ten name staat van [betrokkene 5] uit [plaats] . Op 3 april 2006 wordt vanaf de bankrekening ten name van [betrokkene 4] € 176.232,07 overgemaakt naar de derdenrekening van de behandelend notaris.

- Op 4 april 2006 wordt het pand [b-straat 1] te Leiden geleverd aan [betrokkene 4] . De koopsom bedraagt € 165.000,-. In de leveringsakte staat dat het pand leeg wordt geleverd en vrij van huur of gebruik. Er wordt op dat moment geen recht van hypotheek op dat pand gevestigd.

- Vanaf 3 april 2006 wordt 12 maanden achter elkaar € 687,50 overgemaakt vanaf die bankrekening van [betrokkene 4] naar de bankrekening van [betrokkene 5] onder vermelding van “5% rente lening € 165.000,-“

- Op 20 september 2007 is [betrokkene 5] gehoord. Zijn verklaring houdt onder meer in:

“Ik heb een lening van 165.000 euro verstrekt. De 165.000 euro is aan de mevrouw verstrekt. De broer van deze mevrouw wilde een pand kopen en daarvoor verstrekte ik haar, dan wel hem het bedrag van 165.000. Het geld was dus voor de broer bestemd. Ik weet dat het een pand in vermoedelijk Leiden betrof. Die broer wilde mij eerder terugbetalen. Ik kreeg 5 procent rente voor deze lening. Ik kreeg van de broer van de mevrouw als borg een som van 50.000 euro contant uitbetaald. (…) Waarschijnlijk is dit (hof: [betrokkene 4] ) de mevrouw van de lening van de 165.000. Ik wist eerder de naam niet te herinneren. Nu noemt u de naam en kan ik mij de naam van de mevrouw herinneren. (…)

Vraag: welke zekerheid is er voor deze lening gegeven?

Antwoord: Ik heb de 165.000 en de zekerheid van 50.000 euro contant ontvangen en kom dus totaal op 215.000 euro. Ik heb dit geld van die broer contant ontvangen. Dit is het geld dat u bij de doorzoeking in mijn woning heeft aangetroffen.

- Op 12 december 2006 wordt het pand aan de [b-straat] bezwaard met een recht van hypotheek ten gunste van Fortisbank ASR. Fortis ASR heeft aan [betrokkene 4] een lening verstrekt van € 452.000.- in verband met de aankoop van drie panden door [betrokkene 4] , te weten de panden in de [b-straat 1] , de [e-straat 1] en de [c-straat 1/2] te Leiden. In het betreffende hypotheekdossier van Fortisbank ASR is een nota van aflossing opgenomen, waarin wel de aflossing van een lening voor het pand [e-straat 1] te Leiden is opgenomen, maar niet de lening van € 165.000,- van [betrokkene 5] . Tevens bevindt zich in dit hypotheekdossier een schriftelijke huurovereenkomst, waaruit blijkt dat [betrokkene 4] het pand aan de [b-straat 1] verhuurt aan [betrokkene 6] vanaf 1 maart 2006 voor € 1.500,- per maand.

- Vanaf oktober 2006 wordt op de bankrekening van [betrokkene 4] maandelijks € 1.500,- contant gestort met de omschrijving “huur [b-straat 1] te Leiden”. Vaak staat ook de naam [betrokkene 6] vermeld.

- Op 27 maart 2007 is in het perceel [b-straat 1] een hennepkwekerij ontdekt en ontmanteld.

- Het pand wordt hierna ontruimd. Vanaf mei 2007 vinden verbouwingswerkzaamheden in het pand plaats.

- De contante huurstortingen vinden ook na 27 maart 2007 en de ontruiming en na mei 2007 ononderbroken plaats.

De verdediging heeft de verklaringen van [betrokkene 5] betwist, deze verklaringen onbetrouwbaar genoemd en gevorderd deze uit te sluiten van het bewijs. Daartoe is in essentie het volgende aangevoerd:

- [betrokkene 5] heeft € 165.000,- aan [betrokkene 4] geleend. Dit bedrag is afkomstig uit de opbrengst van de legale verkoop van grond.

- Losstaand van deze lening en geruime tijd later heeft de verdachte € 50.000,- aan [betrokkene 5] geleend.

- Het in de auto en de woning van [betrokkene 5] contant aangetroffen bedrag van € 213.000,- is afkomstig van deze lening van de verdachte en de opbrengst van door [betrokkene 5] gepleegde strafbare feiten.

Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 5] over de omstandigheden rondom deze lening voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Zijn verklaring is gedetailleerd en vindt bevestiging in het onder hem aangetroffen contante geldbedrag van in totaal € 213.000,-, de girale betalingen inzake de rentevergoedingen gedurende 1 jaar, het ontbreken van girale betalingen nadien en het ontbreken van enige vorm van girale aflossing van de hoofdsom, alsmede in de omstandigheid dat uit de nota van aflossing in het hypotheekdossier van Fortisbank ASR blijkt dat de door [betrokkene 5] verschafte lening niet met de verkregen hypotheek is afgelost.

Het hof neemt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een vermoeden van witwassen (stap i) tot uitgangspunt dat op 8 maart 2006 giraal € 165.000,- is overgemaakt door [betrokkene 5] aan [betrokkene 4] onder de vermelding van “Lening”. Op 3 april 2006 wordt vanaf de bankrekening ten name van [betrokkene 4] € 176.232,07 overgemaakt naar de derdenrekening van de behandelend notaris. Op 4 april 2006 wordt het pand aan de [b-straat] geleverd aan [betrokkene 4] . Verder is vanaf april 2006 maandelijks een bedrag overgemaakt door [betrokkene 4] aan [betrokkene 5] onder de vermelding “5 % rente lening € 165.000”. Op grond van dit samenstel van feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat door [betrokkene 5] € 165.000,- is geleend ten behoeve van de koop van dit pand.

De verklaring van [betrokkene 5] dat de broer, waarmee hij naar het hof begrijpt doelt op de verdachte, hem contant € 165.000,- heeft betaald, vindt bevestiging in de omstandigheid dat uit de nota van aflossing van medio december 2006 blijkt dat de door [betrokkene 5] verschafte lening niet is afgelost, alsmede in het onder [betrokkene 5] contant aangetroffen geldbedrag van € 213.000,- en het ontbreken van enige vorm van girale aflossing van de hoofdsom.

Het hof acht het opvallend dat ten aanzien van het pand [b-straat 1] te Leiden geen recht van hypotheek is gevestigd ten behoeve van [betrokkene 5] terwijl dit ten aanzien van de in feite particuliere geldschieters [B] B.V. inzake het pand aan de [a-straat 1] te Leiden, ten aanzien van [betrokkene 4] inzake het pand van het [f-straat 1] in Nieuw Vennep en ten aanzien van [betrokkene 7] inzake de [e-straat 1] te Leiden wel is gebeurd. Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat [betrokkene 5] familie van de verdachte dan wel [betrokkene 4] is. Uit de hiervoor weergegeven verklaring van [betrokkene 5] leidt het hof af dat de verdachte en [betrokkene 4] ook geen goede bekenden van [betrokkene 5] zijn. Op grond van de hiervoor weergegeven verklaring van [betrokkene 5] bezien in onderling verband en samenhang met de hoogte van het onder [betrokkene 5] aangetroffen geldbedrag neemt het hof aan dat door de verdachte aan [betrokkene 5] zekerheid voor het terugbetalen van de lening in de vorm van het contant betalen van een geldbedrag van € 50.000,- is gegeven.

Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat het door verdachte aan [betrokkene 5] contant betaalde bedrag afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dat wist. In dat kader acht het hof het mede van belang dat verdachte in het kader van de financiering van andere panden herhaaldelijk giraal geld overmaakt van zijn bankrekening dan wel een bankrekening van de Growshop naar zijn zus [betrokkene 4] , maar dat dit ten aanzien van dit pand in het geheel niet is gebeurd.

Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van dit pand sprake van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte, [betrokkene 5] en [betrokkene 4] dat sprake is van medeplegen. De verdachte is degene die de financiering van het pand regelt, niet bij een bank of een bekende van hem, maar bij een hem relatief onbekende persoon. Hij betaalt daarom € 50.000,- contant als zekerheid voor de terugbetaling van de lening en betaalt daarnaast contant € 165.000,- aan [betrokkene 5] . [betrokkene 4] koopt het pand, betaalt het pand met behulp van het door [betrokkene 5] gestorte bedrag en verleent geen recht van hypotheek aan [betrokkene 5] , terwijl zij dit bij de andere panden ten aanzien van in feite particuliere geldschieters wel heeft gedaan. Er wordt alleen rente via de bankrekening van [betrokkene 4] betaald, de lening zelf wordt niet via enige bankrekening terugbetaald. [betrokkene 5] maakt € 165.000,- over van zijn bankrekening naar de bankrekening van [betrokkene 4] ten behoeve van de koop van een pand in Leiden, verkrijgt geen recht van hypotheek, maar neemt wel in ontvangst van [betrokkene 4] een rentevergoeding betaald via de bank van 5% over het geleende bedrag gedurende een jaar en van de verdachte een contant betaalde borg van € 50.000,- en de contant terugbetaalde hoofdsom van € 165.000,-. Dit zijn dermate in het oog springende omstandigheden dat daaruit een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijk opzet op witwassen van de verdachte, [betrokkene 5] en [betrokkene 4] door het via deze constructie verwerven van dit pand en daarbij te verhullen wie de rechthebbende op dat pand was afgeleid kan worden.

Voor zover de verdachte het verweer voert dat de lening van [betrokkene 5] is afgelost uit de door Fortisbank ASR verstrekte geldlening van € 452.000,- wordt dit verworpen. Dit bedrag is niet zodanig ruim dat daarmee de geldleningen inzake zowel de [e-straat 1] ad € 120.000,-, de [c-straat 1/2] ad € 225.000,- als de [b-straat 1] ad € 165.000,- (totaal € 510.000,-) zou kunnen worden afgelost. Vast staat dat uit dit bedrag € 120.000,- en € 225.000,- voldaan is, terwijl bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd wordt dat het restant bedrag is overgemaakt door de notaris op de postbankrekening van [betrokkene 4] .

De slotsom luidt dat het hof bewezen acht dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen ten aanzien van het pand aan de [b-straat] .

Het hof acht niet bewezen dat door de verdachte en/of (een) mededader(s) van dit pand gebruik is gemaakt door geld via huurbetalingen wit te wassen. Weliswaar roept de hele gang van zaken rond de ingangsdatum van de huurovereenkomst, alsmede de contante betalingen ook na de ontruiming van het pand grote vragen op, niet bewezen is dat het ter betaling van de huur gestorte geld afkomstig is van de verdachte dan wel een of meer mededaders en dat dit geld uit misdrijf afkomstig is

8.5.3.6 [c-straat 1/2]

- [betrokkene 8] heeft als getuige op 24 september 2008 verklaard dat de verdachte interesse had in het pand [c-straat 1/2] . Zij hebben het pand samen bekeken en kwamen een prijs overeen. Verder heeft de getuige verklaard dat de verdachte het met de notaris moest regelen. De verdachte wist nog niet of hij het pand zelf zou kopen of dat zijn zuster het zou kopen. [betrokkene 8] heeft [betrokkene 4] ooit wel eens gezien. Bij de verkoop van dit pand heeft hij geen zaken met haar gedaan. Hij heeft nooit zaken met haar gedaan. [betrokkene 4] was niet bij de onderhandelingen.

- Op 14 september 2006 koopt [betrokkene 4] het pand [c-straat 1/2] te Leiden van [betrokkene 8] voor € 225.000,-

- Op 2 november 2006 wordt dit pand aan [betrokkene 4] geleverd.

- Fortis ASR heeft aan [betrokkene 4] een lening verstrekt van € 452.000,- in verband met de aankoop van drie panden door [betrokkene 4] , te weten de panden in de [b-straat 1] , de [e-straat 1] en de [c-straat 1/2] te Leiden. Deze panden waren op dat moment niet belast met een eerder gevestigd recht van hypotheek. In het betreffende hypotheekdossier van Fotisbank ASR is een nota van aflossing opgenomen, waarin de aflossing van een lening voor het pand [e-straat 1] te Leiden ad € 120.000,- is opgenomen. De lening voor het pand in [b-straat 1] te Leiden wordt niet vanuit deze geldlening afgelost.

- Uit het eerste verhoor van [betrokkene 9] en het overzicht dat als bijlage 1 bij het tweede verhoor van [betrokkene 9] is gevoegd, leidt het hof af dat [betrokkene 9] vanaf 4 november 2006 door de verdachte is ingeschakeld voor het maken van bouwtekeningen voor dit pand. Er moesten appartementen in het pand gemaakt worden. De getuige [betrokkene 9] is contant en zwart betaald door de verdachte in het pand aan de [a-straat] in Leiden. [betrokkene 9] heeft wel eens contact gehad met [betrokkene 4] , maar de verdachte regelde eigenlijk alles. Hij zag de verdachte als opdrachtgever. Hij heeft met [betrokkene 4] geen zaken gedaan.

- Op 14 november 2006 wordt door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leiden vastgesteld dat er op 11 november 2006 bouw - en sloopwerkzaamheden plaatsvonden in het pand [c-straat 1/2] te Leiden zonder dat daartoe de benodigde bouw- en monumentenvergunningen zijn verleend. De in uitvoering zijnde werkzaamheden zijn met onmiddellijke ingang stilgelegd.

- Bij besluit van 28 januari 2008 wordt door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leiden de door [betrokkene 4] gevraagde vergunning tot het wijzigen van het pand aan de [c-straat 1/2] gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd.

Vaststaat dat ten aanzien van het pand aan de [b-straat] sprake is van witwassen door onder meer de verdachte en [betrokkene 4] en dat als gevolg van die handelingen er geen op [betrokkene 4] of op de verdachte rustende schulden zijn inzake dat pand. De door Fortisbank ASR verstrekte geldlening houdt verband met de eerdere aankoop van de panden aan de [e-straat 1] en de [b-straat] en de voorgenomen aankoop van het pand aan de [c-straat 1/2] . De financiële verplichtingen inzake deze drie panden werden onder één paraplu gebracht. Alle drie de panden werden belast met een recht van hypotheek ten gunste van de bank. Dit brengt mee dat als gevolg van het witwassen van het pand aan de [b-straat] in feite meer geld uit hoofde van deze door Fortisbank ASR verstrekte geldlening beschikbaar is ter vrije besteding dan anders het geval zou zijn geweest. De witgewassen gelden zijn vermengd geraakt met legale gelden afkomstig uit de paraplu hypotheek. Bovendien wordt naar buiten toe de schijn gewekt dat geïnvesteerd geld afkomstig is uit een door [betrokkene 4] met een bank gesloten overeenkomst van geldlening, terwijl het opwekken van deze schijn alleen maar mogelijk is doordat er geen financiële verplichtingen meer zijn ten aanzien van het pand in de [b-straat] als gevolg van het witwassen door de verdachte en onder andere zijn zus. Aldus werkt het witwassen ten aanzien van het pand aan de [b-straat] door ten aanzien van dit pand aan de [c-straat] en later in de tijd. Met andere woorden: door het eerdere witwassen van het pand [b-straat] wordt ook verhuld hoe de geldstromen gelopen zijn en wat de herkomst van het geld is.

Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van dit pand sprake van medeplegen door de verdachte en [betrokkene 4] . De verdachte voert de onderhandelingen met [betrokkene 8] , ontwikkelt met [betrokkene 9] plannen voor appartementen in het pand en betaalt [betrokkene 9] contant en zwart voor de door hem verrichte werkzaamheden. [betrokkene 4] koopt het pand, verleent het recht van hypotheek aan Fortisbank ASR en sluit de overeenkomst van geldlening met die bank. Zij dient ook de aanvraag in tot het wijzigen van het pand. De gang van zaken rond de financiering van het pand aan de [b-straat] en de gevolgen die dat heeft voor de verruimde beschikbaarheid van geld met een schijnbaar legale herkomst zijn dermate in het oog springende omstandigheden dat daaruit een gezamenlijk opzet op witwassen van de verdachte en [betrokkene 4] door het verwerven van dit pand en het gebruik maken daarvan afgeleid kan worden.

Op grond van de hiervoor besproken feiten en omstandigheden neemt het hof een ernstig vermoeden van witwassen aan (stap i). De verdachte heeft erop gewezen dat de aankoop van dit pand gefinancierd is door een hypothecaire geldlening (stap ii), die afgelost kon worden met behulp van de huurinkomsten uit andere panden. Deze verklaring is weliswaar concreet, verifieerbaar en niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijk (stap iii), maar heeft niet tot gevolg dat wordt toe- of afgedaan aan de vermenging van legaal en witgewassen vermogen. Daarom kan deze verklaring het ernstig vermoeden van witgewassen vermogen niet ontkrachten. Bij deze stand van zaken acht het hof het bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen ten aanzien van het pand aan de [c-straat 1/2] .

8.5.3.7 [d-straat 1/2] te Leiden

- Op 3 april 2007 wordt aan [betrokkene 4] het pand aan de [d-straat 1/2] te Leiden geleverd. Hiervoor is een koopsom van € 180.000,- betaald. Er wordt geen recht van hypotheek verleend.

- Van de door Fortisbank ASR verstrekte geldlening van € 452.000,- resteert ten minste € 107.000,- na aftrek van de betaling aan [betrokkene 7] van € 120.000,- en de betaling van de € 225.000,- voor de [c-straat 1/2] .

- Op 14 maart 2007 wordt op de postbankrekening van [betrokkene 4] € 100.000,- ontvangen van de privé bankrekening van de verdachte met vermelding “Nieuw Vennep gedeelte aflossing HPT” (hof: hypotheek). Dit bedrag is aangewend voor de aankoop van het pand [d-straat 1/2] te Leiden.

- De getuige [betrokkene 10] heeft verklaard dat ergens halverwege 2006 [betrokkene 4] haar belde dat zij interesse had het pand te kopen. Zij heeft [betrokkene 4] een paar keer gesproken voordat alles rond was. De verdachte is in beeld gekomen doordat hij met [betrokkene 4] mee kwam. Volgens de getuige was [betrokkene 4] alleen en vroeg zij advies aan haar broer. [betrokkene 4] had belang bij het pand en wilde het pand aanschaffen. De verdachte adviseerde zijn zus.

Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van dit pand sprake van medeplegen van witwassen door de verdachte en [betrokkene 4] . [betrokkene 4] koopt het pand. De verdachte adviseert zijn zus daarbij. De gang van zaken rond de aflossing van het pand aan de [b-straat] en de gevolgen die dat heeft voor de vermenging met en daardoor verruimde beschikbaarheid van geld met een legale herkomst (de Fortisbank paraplu-hypotheek) zijn dermate in het oog springende omstandigheden dat daaruit een gezamenlijk opzet op witwassen van de verdachte en [betrokkene 4] door het verwerven van dit pand en het gebruik maken daarvan afgeleid kan worden.

Inzake het pand aan de [d-straat 1/2] is sprake van een ernstig vermoeden van witwassen (stap i) als gevolg van de gang van zaken rond de aflossing van het pand aan de [b-straat] en de verruimde beschikbaarheid van van de bank afkomstig geld, te weten het bedrag van ten minste € 107.000,-. De verdachte heeft aangegeven waar het geld benodigd voor de koop van dit pand vandaan komt. Ook hij wist op het door de notaris aan [betrokkene 4] betaalde restant bedrag uit de lening van Fortisbank ASR. Hiermee is op zichzelf voldaan aan stap ii. Echter, deze verklaring heeft niet tot gevolg dat wordt toe- of afgedaan aan de eerder vastgestelde vermenging van legaal en witgewassen vermogen. Daarom kan deze verklaring het ernstig vermoeden van witwassen niet ontkrachten. Door het eerdere witwassen van het pand [b-straat] wordt ook verhuld hoe de geldstromen zijn en wat de herkomst van het geld is en dus wie de werkelijke rechthebbende op het pand aan de [d-straat 1/2] was. Bij deze stand van zaken acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van witwassen ten aanzien van het pand van de [d-straat 1/2] te Leiden.

[…].”

25. Hieronder zal ik achtereenvolgens nader op de klachten ingaan. Het komt mij evenwel dienstig voor deze klachten eerst in kort bestek op een rij te zetten:

(i) het hof heeft niet begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat de verdachte ‘in feite’ de eigenaar was van het pand aan de [b-straat 1] ;

(ii) in het licht van hetgeen ter terechtzitting daaromtrent door de verdediging is aangevoerd, is ‘s hofs oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 5] voor het bewijs en/of de verwerping van het desbetreffende verweer niet begrijpelijk;

(iii) in het verlengde daarvan is de bewezenverklaring ook wat de betreft de overige panden (immers te beschouwen als een soort ‘vervolgprofijt’) onvoldoende met redenen omkleed;

(iv) gelet op hetgeen de verdediging te dien aanzien ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, is het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen ontoereikend gemotiveerd;

(v)het oordeel van het hof ten aanzien van het ‘gewoonte maken’ van witwassen is ontoereikend gemotiveerd, nu het verwerven van drie onroerende zaken in de tenlastegelegde periode daarvoor niet voldoende kan zijn.

Klacht 1: verdachte feitelijk eigenaar pand [b-straat] te Leiden

26. Het hof heeft de tekst van art. 420bis Sr – dat uit twee van elkaar te onderscheiden strafbepalingen bestaat –, en ook het algemeen juridisch kader waarin dit artikel begrepen moet worden, op juiste wijze uiteengezet. Ik verwijs kortheidshalve daarnaar. Gelet op het bewezenverklaarde past hier nog wel een korte toelichting op het begrip ‘verhullen’ als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, waarop een deel van de tenlastelegging (alsook de bewezenverklaring) van het onderhavige feit met betrekking tot de persoon van rechthebbende is toegesneden.[11]

27. Volgens de memorie van toelichting duidt het verhullen (idem het verbergen) op handelingen die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoorts van een voorwerp te verbergen of verhullen. Van ‘verhullen’ – volgens Van Dale synoniem voor ‘versluieren’ – “zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen." Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren.[12] Verhullen vereist niet dat de betrokkene het voorwerp – in juridische of feitelijke zin – onder zich heeft of in zijn macht heeft, maar kan zich ook voordoen indien een constructie wordt bedacht en uitgevoerd waardoor een voorwerp dat zich in de macht van een ander bevindt de schijn van legaliteit verkrijgt.[13] De doelgerichtheid waarop de memorie van toelichting ziet, slaat – aldus de nota naar aanleiding van het verslag[14] – niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. “Het gaat erom of de handeling(en) – gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval – erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken. Het is dus niet zo dat bewezen moet worden dat de verdachte het oogmerk – in strafrechtelijke zin – had om te verbergen en te verhullen.” In zijn arrest van 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236, NJ 2017/377, m.nt. Keulen overweegt de Hoge Raad dan ook: “Gelet op deze wetsgeschiedenis hebben 'verbergen' en 'verhullen' als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op – onder andere en voor zover hier van belang – de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken.” In een zaak waarin het ging om het beheer van gelden die van misdrijf afkomstig waren en op rekeningen van anderen stonden, overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557, NJ 2009/147, m.nt. Borgers dat onder verhullen ook het verborgen houden valt. Tot slot heeft verhullen voldoende feitelijke betekenis en hoeft dit delictsbestanddeel derhalve niet nader te worden geconcretiseerd in de tenlastelegging, aldus HR 9 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2772, NJ 2008/496.

28. De stellers van het middel richten hun pijl op het oordeel van het hof dat de verdachte “in feite” eigenaar was van het pand aan de [b-straat 1] te Leiden, omdat huns inziens het eigendom van een onroerende zaak (immers) niet uit het daarvoor bestemde register volgt en het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 4] eigenaar was van dat pand. Niet, aldus de toelichting op het middel, heeft het hof nader gemotiveerd waarom [betrokkene 4] “als ‘juridisch eigenaar’ van het pand en schuldenaar jegens [betrokkene 5] niet tevens ‘economisch eigenaar’ zou zijn, hetgeen naar zijn aard onverenigbaar is met ‘feitelijk eigenaarschap’ van de verdachte”. Ook zou uit ’s hofs bewijsvoering niet blijken dat de verdachte feitelijk de beschikkingsmacht heeft gehad over het voorwerp. Daarbij wordt opgemerkt dat het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 4] niet alleen rentebetalingen, maar ook maandelijks huurbedragen heeft ontvangen, terwijl niet is vastgesteld dat een ander dan [betrokkene 4] , te weten de verdachte, daarover feitelijk heeft kunnen beschikken.

29. oor de leesbaarheid herhaal ik, voor zover hier van belang, nog eens wat het hof ten aanzien van het pand aan de [b-straat 1] te Leiden heeft vastgesteld en overwogen:

“[…] door [betrokkene 5] in maart 2006 € 165.000,- giraal is betaald aan [betrokkene 4] ten behoeven van de aankoop van dit pand, dat geen recht van hypotheek op dit pand ten gunste van [betrokkene 5] is gevestigd, en dat de verdachte de bedragen van € 165.000 en € 50.000,- contant heeft betaald aan [betrokkene 5] . Gelet op de hoogte van de bedragen waarvan sprake is, de korte tijdspanne tussen de contante betaling door de verdachte aan [betrokkene 5] en de girale betaling door [betrokkene 5] aan [betrokkene 4] , alsmede de hoogte van de borg als zekerheid voor de terugbetaling van de lening naast de gedurende één jaar betaalde rentevergoeding, strekt deze constructie er naar het oordeel van het hof toe om te verhullen dat het geld gebruikt voor de koop van dit pand feitelijk afkomstig was van de verdachte en dat hij in feite eigenaar van dit pand was. Een criminele herkomst van het bedrag van € 165.000,- kan slechts als enige aanvaardbare verklaring voor de hele gang van zaken gelden.”

30. In het (bestreden) oordeel van het hof dat deze constructie er toe strekt “om te verhullen dat het geld gebruikt voor de koop van dit pand feitelijk afkomstig was van de verdachte en dat hij in feite eigenaar van dit pand was” ligt besloten dat de verdachte (met anderen) een (schijn)constructie heeft bedacht en uitgevoerd om te verhullen dat hij in werkelijkheid de rechthebbende (in de zin van art. 420bis, eerste lid onder a, Sr) op het pand aan de [b-straat] was. Kort gezegd bestond die verhullende constructie daarin dat het aankoopbedrag voor dat pand door [betrokkene 5] in de vorm van een lening giraal is betaald aan [betrokkene 4] , terwijl de som van dat aankoopbedrag en een borg (contant) door de verdachte aan [betrokkene 5] was betaald. Het hof heeft daaromtrent onder meer vastgesteld (zie randnummer 24) dat [betrokkene 5] heeft verklaard: “de broer van deze mevrouw ( [betrokkene 4] , A-G) wilde een pand kopen en daarvoor verstrekte ik haar, dan wel hem het bedrag van 165.000. Het geld was dus voor de broer bestemd.” Dat het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 4] ‘op papier’ de eigenaar van het pand aan de [b-straat] was en rentebetalingen en huurbedragen ontving doet aan de juistheid van ‘s hofs oordeel dat te dezen sprake is van ‘verhullen’ in de wettelijke betekenis niet af, noch is daarvoor, als hierboven reeds opgemerkt, vereist dat de verdachte feitelijk de beschikkingsmacht over dat pand had. Het bestreden oordeel van het hof is, ook in het licht van het door de verdediging aangevoerde, toereikend gemotiveerd.

31. De klacht mist doel.

Klacht 2: betrouwbaarheid verklaringen [betrokkene 5]

32. De stellers van het middel wijzen erop dat ter terechtzitting door de verdediging naar voren is gebracht dat het niet begrijpelijk is dat [betrokkene 5] naast de hoofdsom van € 165.000 nog een borg van € 50.000 (en/of rentebetalingen) zou hebben ontvangen en voorts dat de verklaringen van hem in strijd zijn met a. de tekst van de geldleningsovereenkomst, waarin geen borg is bedongen, b. de tekst van de schuldbekentenis en c. de namens de verdachte aangevoerde stelling dat het door hem verstrekte geldbedrag afkomstig is uit de verkoop van grond door hem. Ook zou de vaststelling van het hof dat [betrokkene 5] een bedrag in contanten aanwezig heeft gehad niet te rijmen zijn met de vaststelling dat hij die gelden weer zou hebben uitgeleend. Tot slot voeren de stellers van het middel aan dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, nu het hof in hun visie niet duidelijk heeft gemaakt of [betrokkene 5] de lening heeft verstrekt vóór of nadat hij (contante) gelden van de verdachte zou hebben gekregen en wanneer die lening precies zou zijn terugbetaald.

33. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is overeenkomstig de in het procesdossier gevoegde pleitnota door de raadslieden, voor zover hier relevant (p. 147-154), het volgende naar voren gebracht:

[b-straat 1] te Leiden

Verweer verdediging eerste aanleg

In eerste aanleg is door de verdediging ten aanzien van bovengenoemd pand het volgende verweer gevoerd. De verdediging verzoekt onderstaand verweer in hoger beroep als herhaald en ingelast te beschouwen.

[…]

Deze gelden zouden afkomstig zijn van [verdachte] omdat volgens de verklaring van [betrokkene 5] , [verdachte] hem € 165.000 in contanten alsmede € 50.000 als ‘borg’ of vergoeding (boven op de door [betrokkene 4] verschuldigde zakelijke rente) zou hebben gegeven.

De stelling van de verdediging is dat deze [betrokkene 5] uit de opbrengst van de legale verkoop van grond, per bank, aan [betrokkene 4] het bedrag ad € 165.000 heeft verstrekt voor de aankoop van de [b-straat] en [verdachte] slechts geruime tijd later op verzoek van [betrokkene 5] een daarvan volledig losstaande lening heeft verstrekt ad € 50.000 in contanten.

Aan de stelling van de officier van justitie kleven echter nogal wat bezwaren.

Naar de opvatting van de verdediging dienen de verklaringen van [betrokkene 5] te worden uitgesloten van het bewijs omdat deze ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn.

Het is waarschijnlijk dat - nadat in het kader van het ‘hop-onderzoek’ bij [betrokkene 5] een totaal bedrag van € 213.000 is aangetroffen, en hij als verdachte werd aangemerkt in het kader van een aantal opgerolde wietkwekerijen - [betrokkene 5] is gaan jokken over de herkomst van dit bedrag om zichzelf in een strafrechtelijk gunstiger positie te plaatsen. Let wel: Bij [betrokkene 5] was het totaal bedrag van € 213.000 niet geheel in kluisje aangetroffen, maar is er ook een substantieel bedrag in zijn auto aangetroffen. Het is naar mijn opvatting volstrekt ongeloofwaardig dat iemand voor een lening van € 165.000 tevens nog een borg zou ontvangen, laat staan een borg van € 50.000. Immers als [betrokkene 5] al de gehele hoofdsom die hij had uitgeleend aan [betrokkene 4] van [verdachte] zou hebben ontvangen, dan loopt [betrokkene 5] geen enkel risico dat deze lening niet zou worden terugbetaald, en bestaat er aldus absoluut geen enkele logische reden om een borg van nota bene € 50.000 te stellen, niettemin is dat toch echt wat [betrokkene 5] heeft verklaard.

Doorslaggevend voor de overtuiging dat [betrokkene 5] niet naar waarheid heeft verklaard is de omstandigheid dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [betrokkene 5] de € 50.000 zou hebben ontvangen als vergoeding voor het verstrekken van de lening. Immers zou dat niet alleen een buitensporig hoog bedrag zijn, maar zou dan op voorhand vast hebben gestaan dat de investering in het betreffende pand een groot verlies zou op leveren.

En het is een feit van algemene bekendheid, althans ligt het in de aard van de mens, dat mensen niet vrijwillig € 50.000 weggooien. Dat maakt de verklaring van [betrokkene 5] dus ongeloofwaardig.

Ook uit de door [betrokkene 5] ondertekende schuldbekentenis ad € 50.000 aan [verdachte] blijkt onomstotelijk dat het bedrag van € 50.000 geen borg en al helemaal geen vergoeding was voor het verstrekken van de lening door [betrokkene 5] .

Een andere aanwijzing voor de onjuistheid van de verklaring van [betrokkene 5] is dat er, terwijl er door [verdachte] een bedrag van € 165.000 aan [betrokkene 5] zou zijn verstrekt, daarvoor geen schuldbekentenis van [betrokkene 5] aan [verdachte] zou zijn opgemaakt.

Op basis van de verklaring van [betrokkene 5] kan dan ook nimmer met voldoende mate van zekerheid een bewezenverklaring worden gestoeld dat [verdachte] aan hem € 165.000 zou hebben gegeven en dat de € 50.000 verband hield met het verstrekken van de lening door [betrokkene 5] aan [betrokkene 4] . En bestaat er dus simpelweg ook geen wettig en overtuigend bewijs dat de door [betrokkene 4] van [betrokkene 5] ontvangen geiden waarmee zij het pand heeft verworven van enig misdrijf afkomstig waren.

Integendeel zou ik willen zeggen. Het staat onomstotelijk vast dat de gelden waarmee [betrokkene 4] het pand heeft verworven afkomstig waren uit de legale verkoopopbrengst van grond door [betrokkene 5] .

Daarentegen is de verklaring die [verdachte] heeft voor het verloop de feiten niet als volstrekt onaannemelijk terzijde te stellen.

[…]

Standpunt verdediging hoger beroep

Verklaring cliënt hoger beroep d.d. 16 september 2019

Client verklaarde dat de verklaring [betrokkene 5] onjuist is. Client verklaarde wel € 50.000,- geleend te hebben aan [betrokkene 5] , maar dit was (geruime tijd) later dan de lening van [betrokkene 5] aan [betrokkene 4] .

Verklaring van [betrokkene 5] onbetrouwbaar

In hoger beroep herhaalt de verdediging – met verwijzing naar bovengenoemde argumentatie – het in eerste aanleg door de verdediging gedane verzoek om de verklaringen van getuige [betrokkene 5] uit te sluiten van het bewijs nu deze onbetrouwbaar zijn.

Waar de Rechtbank stelt dat de door [betrokkene 5] afgelegde verklaring ondersteund wordt door het op/omstreeks 22 mei 2007 aangetroffen bedrag ad € 213.000,- is dit wel opmerkelijk te noemen. Immers, [betrokkene 5] legt zijn verklaring af na het aantreffen van het geldbedrag ad € 213.000,- - waardoor het erg voor de hand liggend is dat [betrokkene 5] een verklaring aflegt voor € 213.000,- en niet voor enige ander bedrag - en het totaal bedrag van € 213.000 werd niet geheel in een kluisje aangetroffen, maar er werd ook een substantieel bedrag in de auto van [betrokkene 5] aangetroffen.

De verdediging wijst in dat kader naar het proces-verbaal d.d. 23 juni 2008 van verbalisant [verbalisant] op p. 2731. Citaat:

Uit de verklaring van [betrokkene 5] blijkt dat hij van [verdachte] een bedrag van € 215.000,= had ontvangen, waarvan € 165.000,= voor de leningen een bedrag van € 50.000,= als borg. Het totale bedrag van € 215.000,= was aan [betrokkene 5] verstrekt in biljetten van € 500,= (zijn dan 430 biljetten geweest). Het merendeel van dit bedrag had [betrokkene 5] in zijn kluis liggen, voordat er beslag op werd gelegd door politiemensen van het regiokorps Haaglanden.”

Waar de Rechtbank stelt dat de inhoud van de verklaring van getuige [betrokkene 5] ondersteuning vindt in de aangetroffen ondertekende overeenkomst met [betrokkene 4] en cliënt is dit naar het oordeel van de verdediging onjuist. De verklaring van [betrokkene 5] verhoudt zich niet met de schuldbekentenis tussen cliënt en hem ad € 50.000,- (V-16-01, p. 83).

Evenmin verhoudt de verklaring van [betrokkene 5] zich met de aangetroffen ondertekende overeenkomsten met [betrokkene 4] en cliënt waar het de kern van de beschuldiging betreft. Immers, waar staat in de overeenkomst van geldlening opgenomen dat cliënt € 165.000,- aan contanten heeft verstrekt alsmede € 50.000,- aan borg?

De verdediging wijst in dat kader naar het proces-verbaal d.d. 23 juni 2008 van verbalisant [verbalisant] op p. 2730-2731. Citaat:

"Logischer was geweest dat [betrokkene 5] € 115.000,= had uitgeleend aan [betrokkene 4] en dat [verdachte] € 50.000,= had uitgeleend aan zijn zus. Hierdoor had zij minder rente hoeven te betalen."

Verbalisant [verbalisant] miskent hier dat de ene transactie niet noodzakelijkerwijs in verband staat met de andere transactie. Zoals gesteld in eerste aanleg heeft de lening van € 50.000,- van cliënt aan [betrokkene 5] geruime tijd later, althans losstaand van [betrokkene 5] aan [betrokkene 4] , plaatsgevonden.

Uit de verklaring van [betrokkene 5] blijkt dat hij van [verdachte] een bedrag van € 215.000,= had ontvangen, waarvan € 165.000,= voor de leningen een bedrag van € 50.000,= als borg. Het totale bedrag van € 215.000,= was aan [betrokkene 5] verstrekt in biljetten van € 500,= (zijn dan 430 biljetten geweest). Het merendeel van dit bedrag had [betrokkene 5] in zijn kluis liggen, voordat er beslag op werd gelegd door politiemensen van het regiokorps Haaglanden."

Dat [betrokkene 5] in de relevante periode kon beschikken over grote hoeveelheden contanten volgt uit de uitspraak in de ontnemingszaak van de Rechtbank Den Haag d.d. 11 januari 2010; (parketnummer 09/754031-07) in het kader van het ‘Hop-onderzoek’.

Hieruit blijkt dat [betrokkene 5] kon beschikken over:

[…]

Het bovenstaande onderbouwt naar het oordeel van de verdediging de gang van zaken zoals door de verdediging in eerste aanleg is geschetst. Het geldbedrag ad € 213.000,- dat bij [betrokkene 5] op/omstreeks 22 mei 2007 werd aangetroffen, is niet van cliënt afkomstig. Met verwijzing naar de uitspraak in de ontnemingsprocedure meent de verdediging dat de daadwerkelijke herkomst van het geld hieruit volgt.”

34. De door het hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van [betrokkene 5] [15] houden het volgende in:

“12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 september 2007 van de politie Haaglanden/Hollands Midden met nr. PL1509/2006/445, als bijlage IV gevoegd bij het onder bewijsmiddel 11 genoemde proces-verbaal. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (AH-dossier 1 - 23, pagina 425 t/m 427):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :

Ik heb een lening van € 165.000,- verstrekt aan de mevrouw. De broer van deze mevrouw wilde een pand kopen en daarvoor verstrekte ik haar, dan wel hem, het bedrag van € 165.000, - Het geld was dus voor die broer bestemd. Ik weet dat het een pand in vermoedelijk Leiden betrof. Ik had een contract van een jaar. Die broer wilde mij eerder terugbetalen. Ik kreeg 5% rente voor deze lening. Ik kreeg van de broer van de mevrouw als borg een som van € 50.000,- contant uitbetaald.

U vraagt mij wie [betrokkene 4] is. Waarschijnlijk is dit de mevrouw van de lening van de € 165.000,-. Nu u de naam noemt kan ik mij de naam van de mevrouw herinneren.

U vraagt mij welke zekerheid er voor deze lening is gegeven. Ik heb de € 165.000,- en de zekerheid van € 50.000,- ontvangen en kom dus totaal op € 215.000,-. Ik heb dit geld van die broer contant ontvangen.

13. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage d.d. 9 november 2009. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op genoemde datum tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :

Ik heb contact gehad met [verdachte] omdat hij geld van mij wilde lenen. Ik heb met [verdachte] een contract afgesloten. [verdachte] wilde € 165.000,- lenen. Ik zou dat overmaken. Hij had € 165.000,- contant bij zich plus nog € 50.000 contant als borg. Hij gaf aan dat het probleem was dat hij dat contant geld niet op de bank had staan.

U houdt mij voor dat de overeenkomst van geldlening niet door [verdachte] maar door [betrokkene 4] lijkt te zijn getekend. [verdachte] zei mij daarover dat hij een probleem met de fiscus had en dat hij de overeenkomst daarom niet op zijn naam kon zetten. Ik heb [betrokkene 4] nooit gezien.”

36. Wederom ter wille van de leesbaarheid geef ik ook de vaststellingen en overwegingen van het hof ten aanzien van de betrouwbaarheid van deze verklaringen nogmaals weer:

“De verdediging heeft de verklaringen van [betrokkene 5] betwist, deze verklaringen onbetrouwbaar genoemd en gevorderd deze uit te sluiten van het bewijs. Daartoe is in essentie het volgende aangevoerd:

- [betrokkene 5] heeft € 165.000,- aan [betrokkene 4] geleend. Dit bedrag is afkomstig uit de opbrengst van de legale verkoop van grond.

- Losstaand van deze lening en geruime tijd later heeft de verdachte € 50.000,- aan [betrokkene 5] geleend.

- Het in de auto en de woning van [betrokkene 5] contant aangetroffen bedrag van € 213.000,- is afkomstig van deze lening van de verdachte en de opbrengst van door [betrokkene 5] gepleegde strafbare feiten.

Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 5] over de omstandigheden rondom deze lening voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Zijn verklaring is gedetailleerd en vindt bevestiging in het onder hem aangetroffen contante geldbedrag van in totaal € 213.000,-, de girale betalingen inzake de rentevergoedingen gedurende 1 jaar, het ontbreken van girale betalingen nadien en het ontbreken van enige vorm van girale aflossing van de hoofdsom, alsmede in de omstandigheid dat uit de nota van aflossing in het hypotheekdossier van Fortisbank ASR blijkt dat de door [betrokkene 5] verschafte lening niet met de verkregen hypotheek is afgelost.”

36. Wat betreft de beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal geldt, dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. Daarbij mag de rechter datgene terzijde stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen – zoals wanneer sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv – geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.[16] Voor zover de klacht niet reeds daarop strandt, heeft het hof de door verdediging bij pleidooi genoemde punten onder ogen gezien en (niettemin) – gemotiveerd – geoordeeld dat het de verklaringen van [betrokkene 5] betrouwbaar acht en voor het bewijs gebruikt. Mede in aanmerking genomen dat door de stellers van het middel niet meer of anders wordt aangevoerd dan bij pleidooi ter terechtzitting van het hof is aangeroerd, heeft het hof zijn afwijkende beslissing – gezien de bewijsvoering – in voldoende mate voorzien van de redenen die daartoe hebben geleid. Het oordeel van het hof kan, verweven als het is met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

37. Ten overvloede merk ik nog op dat het hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat [betrokkene 5] over de (tekst van de) geldleningsovereenkomst heeft verklaard dat daarin de naam van [betrokkene 4] is vermeld omdat de verdachte hem had gezegd dat zijn, verdachtes, naam daar niet op kon staan vanwege een probleem met de fiscus. Daartegenover wordt door de stellers van het middel niet duidelijk gemaakt waarom de verklaringen van [betrokkene 5] in strijd zouden zijn met de namens de verdachte aangevoerde stelling dat het door [betrokkene 5] verstrekte geldbedrag afkomstig is uit de (legale) verkoop van grond door [betrokkene 5] . Het hof heeft daaromtrent alleen maar overwogen dat dit door de verdediging is aangevoerd. Bovendien acht ik die stelling niet per se in strijd met hetgeen door [betrokkene 5] is verklaard over het door hem verstrekken van de lening. Verder onderschrijf ik niet de klachten die inhouden dat ’s hofs vaststelling dat [betrokkene 5] een bedrag in contanten aanwezig heeft gehad in strijd zou zijn met zijn vaststelling dat [betrokkene 5] die gelden weer zou hebben uitgeleend én dat het hof niet duidelijk maakt wanneer [betrokkene 5] de lening heeft verstrekt en wanneer de verdachte die lening vervolgens weer zou hebben terugbetaald. Onder meer uit de door het hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van [betrokkene 5] blijkt immers niet onbegrijpelijk, dat hij de € 165.000 aan de verdachte heeft uitgeleend (via een bankoverschrijving aan [betrokkene 4] de [verdachte] ) en dat hij bij het sluiten van die lening dat bedrag plus € 50.000 borg contant van de verdachte heeft teruggekregen

38. Ook deze klacht faalt.

Klacht 3: bewezenverklaring overige panden

39. Volgens de stellers van het middel berust de bewezenverklaring van de overige panden op het oordeel van het hof dat deze panden als een soort ‘vervolgprofijt’ moeten worden beschouwd, aangezien zij aangekocht zijn mede met behulp van het door witwassen van het pand aan de [b-straat] verkregen voordeel, en is dit oordeel eveneens onvoldoende met redenen omkleed. Uit het oordeel van het hof dat ten aanzien van elk van de overige panden een ernstig vermoeden van witwassen bestond en dat de door de verdachte gegeven verklaring het ernstig vermoeden van witwassen niet heeft kunnen ontkrachten, zou niet kunnen worden geconcludeerd dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voor witwassen van de overige panden is geleverd, zodat de bewezenverklaring ook om die reden onvoldoende met redenen is omkleed.

40. Deze klacht borduurt voort op de vorige en deelt daarom in haar lot. Overigens merk ik op dat het hof – in weerwil van hetgeen door de stellers van het middel wordt betoogd – de bewezenverklaring van (kort gezegd) het witwassen van de panden aan de [c-straat 1/2] en de [d-straat 1/2] te Leiden niet slechts heeft doen steunen op de omstandigheid dat voor het ernstig vermoeden van witwassen ten aanzien van die panden door de verdachte geen ontkrachtende verklaring is gegeven. In zoverre ligt aan deze derde klacht een te beperkte lezing van de bewijsvoering ten grondslag.

41. Deze klacht treft evenmin doel.

Klacht 4: medeplegen

42. Het middel klaagt in de vierde plaats dat het hof het bestaan van medeplegen van het witwassen van de panden te Leiden enkel heeft gemotiveerd met de overweging dat de verdachte tezamen en in vereniging met [betrokkene 5] en [betrokkene 4] (het pand aan de [b-straat] ) respectievelijk met [betrokkene 4] (de andere panden) heeft gehandeld, maar daarbij verzuimd heeft nader in te gaan op hetgeen hieromtrent door de verdediging is aangevoerd, te weten dat het hof [betrokkene 4] van deze gedragingen heeft vrijgesproken. Aldus zou er in feite zelfs sprake zijn van “conflict van rechtspraak.” Voorts zou uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) kunnen “worden afgeleid dat de verdachte zo nauw en volledig met anderen (waaronder [betrokkene 4] ) heeft samengewerkt, dat sprake is van medeplegen.”

43. Eerst de deelklacht dat in de onderhavige zaak ten aanzien van het bewezenverklaarde medeplegen sprake zou zijn van ‘conflict van rechtspraak’, omdat één van de medeverdachten – [betrokkene 4] – is vrijgesproken. Deze deelklacht mist juridische grondslag. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 4] in haar zaak is vrijgesproken van het aan haar tenlastegelegde witwassen, sluit niet uit dat in verdachtes zaak (kort gezegd) medeplegen van gewoontewitwassen kan worden bewezenverklaard.[17] Het hangt immers af van de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van het bewijsmateriaal in de zaak van de verdachte of en zo ja welk tenlastegelegd feit bewezen kan worden verklaard.

44. Voorts wijs ik er nog op dat blijkens de in het procesdossier gevoegde pleitnota (p. 127) het verweer dat de gedragingen waarvan [betrokkene 4] is vrijgesproken betrekking heeft op het tenlastegelegde witwassen van de [a-straat 1] te Leiden. Concluderend wordt in dat verband aangevoerd dat “cliënt zich niet schuldig heeft gemaakt aan witwassen ten aanzien van de [a-straat 1] te Leiden” en dat deze conclusie naar het oordeel van de verdediging wordt onderbouwd “door het (onherroepelijke) arrest van uw hof d.d. 10 februari 2017 inzake [betrokkene 4] ”, die “van dezelfde feiten [werd] beschuldigd als cliënt”. Welnu, ook de verdachte is in de onderhavige zaak van het (medeplegen van) witwassen van de [a-straat 1] te Leiden door het hof vrijgesproken, waaraan het hof in zijn arrest (p. 21-23) een uitvoerige motivering ten grondslag heeft gelegd.

45. Dan de tweede deelklacht, dat volstaat met slechts de opmerking dat het nauw en volledig samenwerken met anderen, onder wie [betrokkene 4] , niet uit de bewijsmiddelen zou zijn af te leiden. Dat standpunt deel ik niet. Het hof heeft in de bewijsvoering telkens gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde medeplegen door de verdachte bewezen is. Het kennelijke oordeel van het hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang telkens voldoende zijn om te kunnen spreken van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking door de verdachte, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik verwijs daarvoor naar de inhoud van de bewijsmiddelen en de uitgebreide bewijsoverwegingen van het hof, waarin ten aanzien van de aankopen en (contante) betalingen van de drie bedoelde panden, waaronder mede verstaan de uitgedachte en toegepaste (schijn)constructies, nadrukkelijk wordt ingegaan op die samenwerking.

46. Deze klacht faalt eveneens.

Klacht 5: een gewoonte maken

47. Deze klacht stelt de vraag aan de orde wanneer gesproken kan worden van gewoontewitwassen, hetgeen blijkens het bepaalde in art. 420ter Sr een strafverzwarende omstandigheid oplevert ten opzichte van ‘gewoon’ witwassen in de zin van art. 420bis Sr. Naar het inzicht van de stellers van het middel schiet het oordeel van het hof, dat het verwerven van drie onroerende zaken in de tenlastegelegde periode daarvoor voldoende is, tekort. Gewezen wordt daarbij[18] onder meer op de (hier bekend veronderstelde) rechtspraak van de Hoge Raad over de nadere motiveringseisen die worden gesteld ten aanzien van de strafverzwarende gevolgen die de bestanddelen ‘roekeloos’ en ‘met voorbedachten rade’ hebben en een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019,[19] waarin door dat hof zou zijn geoordeeld dat het verwerven van twee panden geen gewoontewitwassen oplevert.

48. Art. 420ter Sr luidt:

“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Het in de tenlastelegging genoemde woord ‘gewoonte’ is kennelijk gebezigd in de zin, die daaraan toekomt in art. 420ter Sr.

49. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. In Noyon/Langemeijer/Remmelink verwijst Fokkens in aant. 1 bij art. 420ter Sr (‘Witwassen als gewoontedelict’) naar het commentaar in aant. 7 bij art. 250 Sr. Daar valt, onder aanhaling van Hazewinkel-Suringa/Remmelink,[20] te lezen: “Onder gewoonte pleegt men te verstaan een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan en wel (objectief) wat de aard van de feiten betreft, en (subjectief) wat de psychische gerichtheid van de dader aangaat: de neiging om telkens weer zo'n feit te begaan”. Daarmee overeen komt de omschrijving van gewoonte in Handelingen II 2000/01, 27 159, p. 59-4236: “een herhaling van feiten waaruit de subjectieve neiging van de dader blijkt het feit steeds te begaan”. In haar proefschrift gaat Fanny de Graaf in hoofdstuk II, par. 3 nader in op de gewoontedelicten.[21] Het lijkt haar voor een gewoonte niet voldoende te zijn dat “de verdachte in een periode van enkele maanden drie geldbedragen heeft witgewassen, waarbij tussen de afzonderlijke witwashandelingen telkens een maand verstrijkt” (p.127). Het is echter nog de vraag of dit standpunt in zijn algemeenheid houdbaar is. Ik meen op grond van het navolgende van niet. Advocaat-generaal Bleichrodt merkt in zijn conclusie van 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1469 op dat aan het bewijs van ‘gewoonte’ geen zware eisen lijken te worden gesteld. Tot adstructie haalt hij Handelingen II 1927/28, 60, nr. 1, p. 4 aan, waarin de toenmalige minister van Justitie bij de introductie van de strafbaarstelling van flessentrekkerij benadrukt dat "gewoonlijk de gelijksoortigheid van meerdere handelingen, gedurende een betrekkelijk kort tijdsverloop verricht, het bestaan van een gewoonte voldoende aanwijst”.[22] Bleichrodt vervolgt, ik citeer: “De omstandigheid dat binnen een bepaald tijdsbestek meermalen hetzelfde strafbare feit is begaan, kan voldoende zijn voor het bewijs van de gewoonte.[23] Er is geen minimumduur waarbinnen het desbetreffende strafbare feit moet zijn begaan. Evenmin lijkt er een groot aantal ten laste gelegde handelingen te zijn vereist om van een gewoonte te kunnen spreken, al zal het om minimaal twee handelingen moeten gaan.” Eerder was advocaat-generaal Aben al begripsmatig op het delictsbestanddeel ‘gewoonte’ ingegaan. Evenals mijn voormalige ambtgenoot Vellinga in zijn conclusie van 1 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1244 haal ik met instemming het volgende uit de conclusie van Aben d.d. 11 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:793 aan: “Bij een herhaling van delicten die door een herhaling van feitelijke handelingen tot stand komt, en waarbij telkens de intentie of de neiging het desbetreffende delict te plegen tot uitdrukking wordt gebracht, kan die herhaling onder omstandigheden worden aangemerkt als ‘het maken van een gewoonte’ van het plegen van de bedoelde delicten. Wat betreft de vereiste duur van de periode waarin deze herhalingen optreden is niet zonder meer een ondergrens gegeven. Een gewoonte kan zich zelfs hebben gemanifesteerd indien de betreffende handelingen hebben plaatsgehad binnen een tijdsbestek van twee weken.[24] Een hoge frequentie in een korte periode kan eventueel een gewoonte opleveren, terwijl een lage frequentie in een lange periode wellicht nog niet kan worden geduid als een gewoonte. De vastgestelde omstandigheden zijn telkens doorslaggevend.” Ook dat laatste onderschrijf ik. Ik denk dat de vraag wanneer bewijsrechtelijk wel en wanneer niet van ‘gewoonte’ sprake is zich niet met voldoende precisie in zijn algemeenheid laat beantwoorden, maar afhankelijk is van de concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. In dat verband kan, lijkt mij, de aard van het delict een relevante factor zijn. Daarbij kan het ook van belang zijn of een commuun dan wel een economisch delict voorligt. Met bedrijfsmatig handelen in de economische sfeer is bijvoorbeeld nog niet ‘een gewoonte maken’ gegeven. Daarbij past de notitie dat in het economisch strafrecht het ‘bedrijfsmatig uitoefenen’ geen strafverzwarende omstandigheid is, doch het gewoonte maken van een economisch delict wèl (art. 6, eerste lid aanhef en onder 3°, WED).[25]

50. Hoe dan ook, het is begrijpelijk dat de Hoge Raad het begrip gewoonte in de mij bekende gevallen niet nader heeft omschreven, maar het middel dat tegen de bewezenverklaring ervan opkwam beoordeelde in het licht van de concrete omstandigheden van het geval en de motivering van de feitenrechter. Als ik goed zie, denkt De Graaf daar niet anders over: “Er is niet een bepaalde minimumduur waarbinnen of frequentie waarmee de strafbare feiten moeten zijn begaan. Een terugkerend actief handelen van de verdachte is niet vereist. Gewoontewitwassen kan aldus plaatsvinden door gedurende een bepaalde periode herhaaldelijk uit misdrijf afkomstige gelden voorhanden te hebben. Het is ook mogelijk dat verschillende soorten handelingen, die elk een geval van witwassen opleveren, gezamenlijk een gewoonte vormen.”[26] Wel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0294, NJ 2011/171 duidelijk gemaakt, dat de opvatting dat slechts sprake kan zijn van gewoontewitwassen als bedoeld in art. 420ter Sr indien de verdachte door actief handelen een gewoonte maakt van witwassen, geen steun in het recht vindt. Nu het begrip ‘gewoonte’ in de zin van art. 420ter Sr naar zijn aard een meervoud aan handelingen omvat, laat zich daaruit de conclusie trekken dat het vermelden van één voorwerp van witwassen in de tenlastelegging en bewezenverklaring niet kan kwalificeren als gewoonte in die betekenis.[27]

51. Uit het voorgaande volgt mijns inziens dat voor de beoordeling of al dan niet sprake is van een ‘gewoonte’ de volgende factoren relevant zijn: de aard van de handelingen, de frequentie van de handelingen, het (onderlinge) verband tussen de handelingen, de in strafrechtelijke zin kwalificatieve gelijksoortigheid,[28] de intentie van de verdachte en de duur van de periode waarin de handelingen zijn te situeren.[29] Als de rechter aan de hand van deze beoordelingsfactoren gemotiveerd heeft vastgesteld dat binnen een bepaald tijdsbestek meermalen, bij herhaling dus, (naar hun aard) gelijksoortige handelingen zijn begaan, is dat mijns inziens in de regel voldoende om het oordeel te kunnen dragen dat sprake is van een gewoonte.[30]

52. In het onderhavige geval heeft het hof in zijn bewijsvoering gemotiveerd vastgesteld dat de verdachte in de periode van 4 maart 2006 tot en met 3 mei 2007 de panden aan de [c-straat 1/2] te Leiden en de [d-straat 1/2] te Leiden heeft kunnen witwassen door (onder meer) het daaraan voorafgaand dan wel het daarmee onmiddellijk in verband staand witwassen van het pand aan de [b-straat] te Leiden. Het kennelijk daarop berustende oordeel van het hof dat de verdachte zich zodoende schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen, acht ik in het licht van hetgeen ik hierboven ten aanzien van het begrip ‘gewoonte’ heb vooropgesteld en uiteengezet, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Tot een nadere motivering was het hof, ook gezien het verweer van de verdediging, niet gehouden. Dat betekent dat ook de onderhavige, tegen dat oordeel opkomende, klacht geen doel treft.

53. Het derde middel faalt in al haar onderdelen.

V. Slotsom

54. Het eerste middel slaagt. Het tweede en het derde middel falen. Het tweede middel kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

55. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

56. Met verwijzing naar randnummer 7 strekt deze conclusie (i) tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover deze de feiten (DV I) 6A en 6B (parketnummer 09-754083-06) betreft, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd, en het in zoverre niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie in de vervolging, (ii) tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover deze de overige feiten betreft, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en (iii) tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

---------------------------------------------------

[1] DV staat voor dagvaarding.

[2] Ook in de tenlastelegging wordt in beide gevallen 15 april 2008 als pleegdatum genoemd.

[3] Behoudens de daarop volgende, maar hier niet aan de orde zijnde gevallen.

[4] De tweede volzin in dit lid is ingevoerd bij de wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 595 (i.w.tr. 1 januari 2006).

[5] Vlg. HR 16 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3779 en HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1452.

[6] Van dit onderdeel heeft het hof de verdachte vrijgesproken (zie arrest, p. 11–14).

[7] Blijkens art. 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit wordt (en werd ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit) onder “een grote hoeveelheid” 500 gram (of meer) verstaan. Daarvan is in het onderhavige geval sprake.

[8] Zie voor het voorgaande HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111, m.nt. Mevis (rov. 2.4 en 2.8).

[9] HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen (rov. 2.4.3). Zie over samenloop nader het proefschrift van F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling: Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. VU Amsterdam), Den Haag: Boom Juridisch 2018.

[10] De aan het proces-verbaal van 18 september 2019 gehechte pleitnota van mr. Bergmans en mr. Maessen vermeldt slechts een samenloopverweer ten aanzien van de onder 4B, 4C en 4D tenlastegelegde feiten (p. 38 e.v.).

[11] Van Duyne en Van der Landen menen niet zonder grond dat het begrip ‘rechthebbende’ in deze samenhang niet helder is. Zij maken onderscheid tussen ‘slachtofferloze misdrijven’ (zoals handel in verdovende middelen) en misdrijven (zoals vermogensdelicten) waarbij wel een slachtoffer aanwijsbaar is. In het eerste geval kan volgens hen degene die de daaruit voortvloeiende opbrengsten opstrijkt worden beschouwd als ‘rechthebbende’ in de zin van art. 420bis Sr, in het tweede geval geldt in deze context kennelijk de verkrijger te kwader trouw als ‘rechthebbende’ en niet de benadeelde (die gemeten naar de maatstaven van het burgerlijk recht ‘rechthebbende’ is). Zie P.C. van Duyne & D. van der Landen, “De 'kennelijke' oorsprong van Sneeuwwitje. De nieuwe witwaswet en het 'goede verhaal’'', NJB 1999, p. 1685 (afl. 35).

[12] Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, 3 (MvT), p. 14 en 15.

[13] Kamerstukken II 2000/2001, 27 159, 7 (Brief minister met antwoord op een vraag), p. 1-2.

[14] Kamerstukken II 2000/2001, 27 159, 5, p. 17.

[15] ‘Bijlage, inhoudende bewijsmiddelen’ van 28 januari 2020 bij het arrest van het hof, p. 12-13.

[16] HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:646, HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780, NJ 2019/338, m.nt. Reijntjes en HR 1 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3121, NJ 2003/553. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 237.

[17] Vlg. HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246, NJ 2007/455 (rov. 4.5).

[18] Zie de randnummers 3.9 (er is sprake van een dubbeltelling en dit randnummer zou eigenlijk 3.10 moeten zijn) en 3.13 van de toelichting op het middel.

[19] Volgens de stellers van het middel is dit arrest in cassatie bekend onder nummer S 19/02163 (zie HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:380, A-G).

[20] D. Hazewinkel-Suringa, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, 15e druk, bewerkt door J. Remmelink, Deventer: Gouda Quint 1996, p. 122-123.

[21] F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling: Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. VU Amsterdam), Den Haag: Boom Juridisch 2018, p. 122-128.

[22] Zie ook De Graaf, a.w., p. 127.

[23] Ik (Hofstee) wijs daarbij nog op HR 5 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8351, NJ 1990/316 (gewoonteheling; art. 417 Sr): “Immers, van een 'gewoonte' in voormelde zin kan ook sprake zijn indien het in evenvermeld artikel bedoelde 'kopen' herhaaldelijk geschiedt binnen een tijdsbestek van niet meer dan twee weken (zoals te dezen is bewezen verklaard) en van een persoon als verkoper (zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt)”. Zie ook HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0898, NJ 1998/423 (flessentrekkerij; art. 326a Sr): “Door aldus te oordelen heeft het Hof geen blijk gegeven van miskenning van het woord 'gewoonte', dat in de telastelegging kennelijk is gebezigd in de zin, die daaraan toekomt in art. 326a Sr. Het Hof heeft hetgeen is telastegelegd en bewezenverklaard klaarblijkelijk aldus verstaan en ook kunnen verstaan dat dit een pluraliteit van handelingen inhoudt die als een gewoonte in de zin van art. 326a Sr is te kwalificeren”.

[24] Zie mijn vorige voetnoot (Hofstee).

[25] Vgl. ook HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1906, NJ 2021/48, m.nt. Vellinga. Het cassatiemiddel in die zaak was toegesneden op de beslissingen van het hof ter zake van het onder 3 tenlastegelegde, en kwam in de eerste plaats op tegen de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat van het plegen van (halal)bankieren zonder vergunning “een gewoonte” was gemaakt doordat “meermalen” het bedrijf van betaaldienstverlener was uitgeoefend. Dit middel trof doel. Het hof had het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt. Dit leverde (en levert) een economisch delict op (art. 1, aanhef en onder 2°, WED). De Hoge Raad overwoog, dat uit de betreffende wetsgeschiedenis naar voren komt dat voor het bewijs van het “uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener” in ieder geval is vereist dat de desbetreffende betaaldiensten “niet slechts incidenteel” zijn verleend en dat het verlenen van betaaldiensten dus meermalen heeft plaatsgevonden. Het hof had bewezenverklaard dat van het plegen van bankieren zonder vergunning “een gewoonte” was gemaakt doordat “meermalen” het bedrijf van betaaldienstverlener was uitgeoefend. Daaraan had het hof blijkens zijn bewijsoverwegingen kennelijk ten grondslag gelegd dat de verdachte in de tenlastegelegde periode van drie maanden “om de twee à drie dagen” contante geldbedragen betaalbaar had gesteld. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat de verdachte in deze periode meermalen betaaldiensten had verleend en zich aldus schuldig had gemaakt aan het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener, niet volstond voor het oordeel dat de verdachte van de uitoefening van dat bedrijf ook een gewoonte had gemaakt en dat de bewezenverklaring daarom ontoereikend was gemotiveerd. Zie voor ‘het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener’ als bedoeld in art. 2:3a, eerste lid, Wft ook: HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1753, NJ 2021/47, m.nt. Vellinga. Zie voorts het proefschrift van De Graaf, p. 122.

[26] De Graaf, a.w., p. 126.

[27] Verder noemt V. Mul in T&C Strafrecht, art. 420ter, aant.11a, nog HR 23 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9918, NJ 1988/354 en HR 18 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0456, NJ 1989/268, naar welke arresten hij (om een voor mij niet duidelijke reden) verwijst in zijn commentaar dat het begrip gewoonte in de tenlastelegging niet nader hoeft te worden omschreven, maar waarin wel moet staan uit welke feiten de gewoonte bestaat en over welke periode de gewoonte zich heeft uitgestrekt. Ik denk dat HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770, NJ 2015/314 meer helderheid biedt voor zover daarin door de Hoge Raad wordt geoordeeld dat onjuist is de opvatting dat de in de tenlastelegging gebezigde, aan art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr in verbinding met art. 420ter, eerste lid, Sr ontleende term "een gewoonte maken" onvoldoende feitelijke betekenis toekomt.

[28] Daarmee bedoel ik dat bijvoorbeeld de witwashandelingen op zichzelf van elkaar kunnen verschillen, maar niettemin ieder afzonderlijk witwassen opleveren. Zie daarover ook de conclusie (randnummer 22) van mijn ambtgenoot Vegter vóór HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770, NJ 2015/314: “Herhaling kan worden aangemerkt als gewoonte indien er een zeker verband is tussen de herhaalde handelingen. Naar het mij voorkomt is dat verband reeds gevormd nu uit de bewijsvoering volgt dat het gaat om soortgelijke handelingen die voortvloeien uit een gemaakte afspraak. Daarbij moeten de bewezenverklaarde gedragingen (overdragen, omzetten en voorhanden hebben) niet ieder voor zich worden bezien, maar worden beschouwd in hun onderlinge verband en samenhang.”

[29] Daarnaast kan nog worden gewezen op de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Vellinga vóór HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8215, NJ 2010/678, waarin hij (in zijn randnummer 8) opmerkt, dat het gewoonte maken van het bezit van kinderporno ook heel wel kan blijken uit de omstandigheid dat de verdachte die afbeeldingen niet alleen heeft verzameld maar deze ook heeft geordend. “Door zo met zijn bezit bezig te zijn brengt de verdachte tot uitdrukking dat hij niet alleen de afbeeldingen van internet heeft opgehaald en opgeslagen maar het voortduren van dat bezit door dat ordenen heeft geaccentueerd en het zo levend heeft gehouden, zeker gelet op de omvang van de verzameling en de tijd die het ordenen in beslag moet hebben genomen”, aldus Vellinga. De Hoge Raad dacht daar niet anders over.

[30] Ik verwijs daarvoor mede naar mijn voetnoot 23, meer in het bijzonder de daarin aangehaalde uitspraken van HR 5 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8351, NJ 1990/316 en HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0898, NJ 1998/423.