Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:837

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-06-2021
Datum publicatie
21-09-2021
Zaaknummer
19/03017
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1286
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. het benadelen van de gezondheid /welzijn van runderen (art. 2.1 Wet dieren). Betekening dagvaarding in h.b. HR: In uitspraak hof, die bij verstek is gewezen, ligt oordeel besloten dat verdachte behoorlijk is gedagvaard. Inhoud stukken die voor beoordeling middel van belang zijn, is weergegeven in CAG onder 6 en 7. Uit stukken kan worden afgeleid dat dagvaarding in h.b. pas is betekend – via uitreiking aan griffier – op tijdstip gelegen na tijdstip waartegen verdachte was gedagvaard. Gelet daarop is oordeel hof dat verdachte rechtsgeldig is gedagvaard voor tz. in h.b. onjuist. HR verklaart betekening dagvaarding in h.b. nietig. Samenhang met ECLI:NL:HR:2020:1809.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03017 E

Zitting 22 juni 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 3 juni 2019 door de economische kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 10 juli 2018.1

2. Er bestaat samenhang met zaak 19/03015.2 In deze zaak heb ik eerder geconcludeerd.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het hof geen toepassing had mogen geven aan het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv omdat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep niet op een juiste wijze is betekend, waardoor de verdachte – zonder dat haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt – bij aanvang van de zitting van het hof geen bewaren heeft kunnen opgeven tegen het vonnis van de rechtbank. In de schriftuur wordt gesteld dat de dagvaarding de verdachte niet voorafgaand aan de behandeling van de zaak heeft bereikt en dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de zaak op 3 juni 2019 door het hof zou worden behandeld.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2019 houdt onder meer het volgende in:


‘De verdachte genaamd:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,

is niet verschenen.

De voorzitter deelt mee dat verdachte op correcte wijze is gedagvaard voor de zitting van vandaag.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De voorzitter beveelt dat deze zaak gelijktijdig wordt behandeld met de zaak van de verdachte onder parketnummer 21-003971-18, zonder deze zaken te voegen.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor. Hij voert aansluitend het woord, leest de vordering voor, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het door haar ingestelde hoger beroep met toepassing van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, en legt die aan het hof over.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee de beslissing van het hof, zakelijk weergegeven:

Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in haar hoger beroep op grond van artikel 416, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.’

6. Bij de gedingstukken bevindt zich het dubbel van de appeldagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van 3 juni 2019 te 9.00 uur. Voorts bevindt zich bij de gedingstukken een akte van uitreiking die inhoudt dat die dagvaarding op 9 april 2019 is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats] , maar dat deze niet is uitgereikt omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond de geadresseerde daar niet woont noch verblijft. De akte houdt verder in dat de dagvaarding op 3 juni 2019 te 14.24 uur is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Noord-Nederland omdat ‘de geadresseerde, blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente, op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven’ en dat op 3 juni 2019 een afschrift van de dagvaarding is verzonden aan het hiervoor genoemde adres.

7. Voorts houdt een zich bij de gedingstukken bevindende bevraging van de basisregistratie personen (BRP) van 30 oktober 2020 in dat de verdachte vanaf 1 januari 20183 in de BRP staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] .4

8. Mede gelet op het bepaalde in art. 588, derde lid, aanhef en onder c (oud)5, Sv is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de appeldagvaarding geldig is betekend niet begrijpelijk. De appeldagvaarding houdt immers in dat de behandeling van de zaak plaatsvindt op 3 juni 2019 te 9.00 uur, terwijl de akte van uitreiking inhoudt dat die dagvaarding op de dag van de terechtzitting om 14.24 uur is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Daaruit volgt tevens dat het hof geen toepassing had mogen geven aan het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv.

9. Het middel slaagt.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot nietigverklaring van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het arrest vermeldt niet dat het is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof, dat blijkt echter wel uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting. In het op de voet van art. 378, tweede lid, Sv in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekende mondeling vonnis ontbreken de kwalificatie van het bewezenverklaarde, de toegepaste wettelijke voorschriften en de beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte (zie art. 1 van - kort gezegd - de Regeling aantekening mondeling vonnis, Stcrt. 1996, 197). De strafmotivering houdt in dat de politierechter zal vonnissen overeenkomstig de (in het proces-verbaal weergegeven) eis van de officier van justitie. Een dictum met daarin een strafoplegging ontbreekt evenwel. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt wel dat de ‘aantekening mondeling vonnis (…) aan dit proces-verbaal (is) gehecht en wordt geacht hiervan deel uit te maken’. Het – ingevolge art. 378a, vijfde lid, Sv vervallen – stempelvonnis houdt in dat de verdachte wegens ‘een gedraging in strijd met een voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren’ is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 4.000,-, subsidiair 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en met een nader omschreven bijzondere voorwaarde. Vgl. in verband met deze werkwijze de conclusie van A-G Aben voor HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2196 (randnummer 8). Ik merk hierbij op dat het hof in de onderhavige zaak, anders dan in genoemde zaak, het vonnis van de politierechter niet heeft bevestigd.

2 In deze zaak is reeds uitspraak gedaan, zie HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1809.

3 De BRP-bevraging vermeldt het desbetreffende adres voorts als historische verblijfplaats vanaf 26 januari 1985 en vanaf 13 september 1994. Dit alles volgt tevens uit de zich in het dossier bevindende Informatiestaat SDKB-persoon ten name van de verdachte van 15 mei 2019.

4 Vgl. in dit verband HR 4 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0847, NJ 1998/175, rov. 4.1.3. Zie ook HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1809, rov. 2.2.

5 Zie met ingang van 1 januari 2020 art. 36e Sv.