Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:811

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
19/05686
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Caribische zaak. Medeplegen opzettelijk invoeren van marihuana (art. 4.1 Opiumwet BES) en medeplegen voorhanden hebben van munitie (art. 3.1 Vuurwapenwet BES). 1. Bewijsklacht met betrekking tot opzet op beide bewezenverklaarde feiten, slaagt in de ogen van de AG. 2. Klacht over het ontbreken van een motivering beslissing tot gevangenneming van verdachte (art. 101 en 110 Sv BES) is eveneens terecht voorgesteld. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05686 C

Zitting 14 september 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij vonnis van 28 november 2019 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Opiumwet 1960 BES” en “medeplegen van een overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Voorts heeft het hof het in beslag genomen, nog niet teruggegeven vaartuig “ [A] ” en de bijbehorende sleutels verbeurd verklaard. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer van de 200 in beslag genomen scherpe patronen van het kaliber 9mm bevolen. Tot slot heeft het hof de gevangenneming van de verdachte bevolen.

1.2.

Het hof heeft de navolgende feiten vastgesteld. De verdachte is als kapitein van het schip “ [A] ” op 22 april 2019 samen met [betrokkene 1] vanaf Bonaire de zee op gevaren. Op de grens met de territoriale wateren van Bonaire zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op het schip overgestapt. Zij namen twee zakken uit Venezuela mee aan boord en droegen een zwarte tas aan de verdachte over. Daarna zetten zij koers terug naar Bonaire, totdat zij politie zagen. Enkel de verdachte is aan boord van het schip gebleven, terwijl de anderen met de twee zakken en de zwarte tas van boord zijn gesprongen en door het water naar het mangrove-gebied z ijn gewaad. Daar zijn de medeverdachten ruim twee uren later aangehouden. De twee zakken bleken 26 pakketten met in totaal ruim 12,7 kilo marihuana te bevatten en in de zwarte (heup)tas werden in acht kartonnen doosjes in totaal 200 patronen van het kaliber 9 mm aangetroffen.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en 2 door het hof, met name tegen het oordeel dat de verdachte de feiten met opzet heeft begaan. Het tweede middel klaagt over het ontbreken van een afdoende motivering van de beslissing van het hof tot gevangenneming van de verdachte.

2 Het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 ontoereikend gemotiveerd is, omdat het door het hof aangenomen opzet niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“Feit 1

dat hij, in de periode van 22 tot en met 23 april 2019, op Bonaire, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumwet 1960 12,713 kilogram van een materiaal van enige gebruikelijke bereiding, waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken, ten grondslag ligt, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES;

Feit 2

dat hij, in de periode van 22 tot en met 23 april 2019, op Bonaire, tezamen en in vereniging met anderen, voorhanden heeft gehad 200 (tweehonderd) scherpe patronen (kaliber 9mm), zijnde munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.”

2.3.

De bewezenverklaring heeft het hof gebaseerd op de volgende, in het vonnis opgenomen, bewijsmiddelen:1

“1. Op 22 april 2019 was de verbalisant [verbalisant 1] ingedeeld voor een kustwachtvlucht met het kustwachtpatrouillevliegtuig Dash-8. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende gerelateerd:

"Gedurende de vlucht werden door mij en de overige bemanningsleden van het vliegtuig de volgende feiten waargenomen:

18:55 SENSOR OPERATOR detecteert een klein contact op de radar, zuidoosten van Bonaire.

19:28 FLIR opname en positie update van het contact. Het contact vaart nu een meer noordelijke track en lijkt zich in de huidige positie (op de grens van de territoriale wateren van Bonaire) wachtend op te houden. Er zijn nu 4 personen op de boot visueel.

19:48 SENSOR OPERATOR detecteert een tweede kleine boot nabij het eerste contact.

TACCO beoordeelt de situatie als een mogelijke 'rendevous' en ‘overload' van goederen of personen op zee en meldt deze verdenking aan RCC.

19:57 Beide boten zijn nu naast elkaar nabij positie: 11-55.7N 068-04.6W. FLIR opname wordt gemaakt van (...) personen die van het eerste gedetecteerde vaartuig overstappen in het tweede vaartuig. Het eerste vaartuig (met nu nog maar 1 persoon visueel aan boord) zet vervolgens koers naar het zuidwesten. Het tweede vaartuig met nu 4 mensen visueel aan boord, zet vervolgens koers naar het noordwesten, richting Bonaire.

(…)

22:08 FLIR opname van 3 personen die uit het vaartuig stappen en wadend door het water richting 3 mangrove eilandjes gaan.

22:12 CG-81 observeert de 3 personen nu wadend naar het vaste mangrove gebied ten west-noord-westen van de eilandjes. Hier lijken zij langs de mangrove te zoeken naar een ingang. Het vaartuig houdt zich vervolgens iets ten zuiden van deze personen op in het water met nog 1 persoon visueel aan boord. Kort hierna verdwijnen de 3 personen in de mangroven.

(...)

22:34 FLIR opname van 3 personen in de mangroven.

22:57FLIR opname van de 3 personen in de mangroven. CG-81 observeert de personen met tassen en iets zwaars dat wordt gedragen.

(...)

00:55 RCC meldt dat de 3 personen in de mangroven zijn gevonden en zijn aangehouden."

2. De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben één van de drie personen die zich door de mangroven verplaatsten aangehouden op verdenking van het overtreden van de Opiumwet 1960 BES. Zij hebben bij die gelegenheid het volgende verklaard:

"Op 23 april 2019 te 00:40 uur werd [betrokkene 2] (hef Hof begrijpt: de medeverdachte) te Lac baai aangehouden."

3. De verbalisant [verbalisant 4] heeft één van de drie personen die zich door de mangroven verplaatsten aangehouden op verdenking van het overtreden van de Opiumwet 1960 BES. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

"Op 23 april 2019 om 00:38 uur werd [betrokkene 1] (het Hof begrijpt: de medeverdachte) te Lac baai aangehouden."

4. De verbalisant [verbalisant 5] heeft één van de drie personen die zich door de mangroven verplaatsten aangehouden op verdenking van het overtreden van de Opiumwet 1960 BES. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

"Op 23 april 2019 om 00:39 uur werd [betrokkene 3] (het Hof begrijpt: de medeverdachte) te Lac baai aangehouden.”

5. [betrokkene 2] heeft op 23 april 2019 het volgende verklaard:

"Ik ben samen met mijn oom [betrokkene 3] met een go fast vanuit Venezuela hierheen (het Hof begrijpt: Bonaire) gekomen. Wij waren midden op zee van de go fast overgestapt op een lokale boot. Toen wij dicht bij de kust aankwamen, sprongen wij van boord. Mijn oom en ik waren samen met nog twee andere personen aan boord van de lokale boot. De andere man was ook van boord van de lokale boot gesprongen. Eén persoon was op de boot achtergebleven. De goederen die in beslag werden genomen hadden wij meegenomen vanuit Venezuela. Volgens mij was het marihuana. Het waren twee rode zakken en een zwarte zak. In de zwarte zak zat munitie. De zakken hadden wij vanuit Venezuela meegenomen en op de lokale boot overgezet."

6. [betrokkene 3] heeft op 23 april 2019 het volgende verklaard:

"Gisteren (het Hof begrijpt: 22 april 2019) vertrokken wij uit de haven van Cumarebo (het Hof begrijpt: Venezolaanse haven) richting Bonaire. Voordat wij waren vertrokken had een man twee zakken aan ons gegeven om die naar Bonaire te brengen. Wij wisten dat er drugs in zaten."

7. [betrokkene 3] heeft op 26 april 2019 het volgende verklaard:

"Wij (het Hof begrijpt: de medeverdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 2] ) zijn vanuit Venezuela vertrokken met een boot. Aan boord lagen twee zakken. Wij wisten dat wij ergens op zee moesten overstappen op een andere boot. De man die alles voor ons had geregeld, had tegen de kapitein gezegd om mij en mijn neef te vervoeren en de twee zakken mee te nemen. De tweede man hielp de kapitein met een GPS-apparaat. Van de twee personen die zich op de tweede boot bevonden, bevond eentje zich achter op de boot en de andere bevond zich voor op de boot. De man voorop had een GPS-apparaat en de andere man was de kapitein. Wij waren met ons vieren op de boot die naar Bonaire ging. Toen wij hier aankwamen, zag de man voorin de politie staan. Hij zei dat wij van boord moesten. Mijn neef en ik zijn toen samen met de man die voorin zat in het water gesprongen. De twee zakken hebben wij ook meegenomen. De boot voer verder. Alleen de kapitein bevond zich toen nog aan boord."

8. [betrokkene 3] heeft op 14 mei 2019 het volgende verklaard:

"Ik wist voor vertrek vanuit Venezuela dat ik zou gaan overstappen op de boot " [A] ". De kapitein van de eerste boot heeft twee zakken en een andere zwarte tas overgedragen aan de kapitein van deze tweede boot."

9. Op 23 april 2019 heeft de verbalisant [verbalisant 6] een aantal goederen in beslag genomen. Hij heeft het volgende gerelateerd:

"Ik, verbalisant, heb een zwart heuptasje en twee balen voorzien van een net, met daarin vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen. In het zwarte heuptasje zat een plastic zak met daarin acht doosjes. In elk doosje zaten vijfentwintig scherpe 9 mm patronen en dus in totaal tweehonderd scherpe patronen."

10. Op 23 april 2019 heeft de verbalisant [verbalisant 6] onder de verdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] twee balen met een totaal van 26 pakketten inhoudende vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen.

11. Op 23 april 2019 heeft de verbalisant [verbalisant 6] onder de verdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] een zwart heuptasje met daarin 200 scherpe 9mm patronen in beslag genomen.

12. Op 23 april 2019 hebben de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] een onderzoek ingesteld aan een hoeveelheid verdovende middelen en munitie. Zij hebben het volgende gerelateerd:

"De aangeboden partij vermoedelijk verdovende middelen bestond uit twee balen inhoudende in totaal 9 pakketten.

Pakket 1

Een in plastic gewikkeld pakket bestaande uit drie (3) pakketjes inhoudende gezien samenstelling, geur en kleur een marihuana gelijkend kruid. Het netto gewicht van deze drie pakketjes bedroeg 1466.9 gram.

Pakket 2

Een in plastic gewikkeld pakket bestaande uit drie (3) pakketjes inhoudende gezien samenstelling, geur en kleur een marihuana gelijkend kruid. Het netto gewicht van deze drie pakketjes bedroeg 1466.1 gram.

Pakket 3

Een in plastic gewikkeld pakket bestaande uit twee (2) pakketjes inhoudende gezien samenstelling, geur en kleur een marihuana gelijkend kruid. Het nettogewicht van deze drie pakketjes bedroeg 979.9 gram.

Pakket 4

Een in plastic gewikkeld pakket bestaande uit drie (3) pakketjes inhoudende gezien samenstelling, geur en kleur een marihuana gelijkend kruid. Het nettogewicht van deze drie pakketjes bedroeg 1465.5 gram.

Pakket 5

Een in plastic gewikkeld pakket bestaande uit drie (3) pakketjes inhoudende gezien samenstelling, geur en kleur een marihuana gelijkend kruid. Het nettogewicht van deze drie pakketjes bedroeg 1463.8 gram.

Pakket 6

Een in plastic gewikkeld pakket bestaande uit drie (3) pakketjes inhoudende gezien samenstelling, geur en kleur een marihuana gelijkend kruid. Het nettogewicht van deze drie pakketjes bedroeg 1466.4 gram.

Pakket 7 Een in plastic gewikkeld pakket bestaande uit drie (3) pakketjes inhoudende gezien samenstelling, geur en kleur een marihuana gelijkend kruid. Het nettogewicht van deze drie pakketjes bedroeg 1464.1 gram.

Pakket 8 Een in plastic gewikkeld pakket bestaande uit drie (3) pakketjes inhoudende gezien samenstelling, geur en kleur een marihuana gelijkend kruid. Het nettogewicht van deze drie pakketjes bedroeg 1465.4 gram.

Pakket 9 Een in plastic gewikkeld pakket bestaande uit drie (3) pakketjes inhoudende gezien samenstelling, geur en kleur een marihuana gelijkend kruid. Het netto gewicht van deze drie pakketjes bedroeg 1474.8 gram.

De aangeboden partij had in totaal een nettogewicht van 12712.9 gram.

Door ons, verbalisanten, werd het op marihuana gelijkend kruid getest met behulp van de "NARK” veldtest. De verkleuring van monsters van de veldtest gaf een betrouwbare indicatie van de stof marihuana, zijnde een stof die vermeld is in de Opiumwet.

De munitie was verpakt in acht kartonnen doosjes, elk inhoudende vijfentwintig stuks 9 mm patronen. In totaal waren het tweehonderd patronen."

13. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

"Ik ben de kapitein van de boot [A] . Op 22 april 2019 ben ik vanuit Plaza Marina vertrokken met de boot " [A] "."

2.4.

Als bewijsoverwegingen heeft het hof het volgende in het vonnis opgenomen:

“Uit de bewijsmiddelen leidt het Hof het volgende af.

Op 22 april 2019 in de avonduren is de verdachte samen met de medeverdachte [betrokkene 1] aan boord van het vaartuig " [A] " vanaf Bonaire de zee op gevaren. Daarbij trad de verdachte op als kapitein van de boot. Om 19.57 uur vond er een zogenoemde "rendez vous" plaats met een andere boot die op de grens met de territoriale wateren van Bonaire lag te wachten. De medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn overgestapt op de " [A] ". Daarbij werden twee vanuit Venezuela meegenomen zakken en een zwarte tas overgedragen aan de verdachte, waarna de verdachte en de drie medeverdachten richting Bonaire zijn gevaren. Bij de kust van Bonaire aangekomen zagen de verdachten de politie en zijn de drie medeverdachten van de verdachte om 22.08 uur in het water gesprongen en door het water naar de mangrove-gebied gewaad, met medeneming van de twee zakken en de zwarte tas. De verdachte bleef alleen achter op de " [A] ". Rond 0:40 uur werden de drie medeverdachten in de mangroven aangehouden en de twee zakken en de zwarte tas in beslag genomen. De twee zakken bleken 26 pakketten inhoudende in totaalruim 12,7 kilo marihuana te bevatten en in de zwarte tas werden in acht kartonnen doosjes in totaal 200 patronen van het kaliber 9 mm aangetroffen.

Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Voorts kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft gehandeld met vol opzet.”

2.5.

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk invoeren van een materiaal als bedoeld in art. 1 Opiumwet 1960 BES, namelijk een materiaal van enige gebruikelijke bereiding, waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken, ten grondslag ligt. Daarnaast heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich samen met zijn mededaders schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie.

2.6.

Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte gehandeld heeft met vol opzet, niet gemotiveerd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen is af te leiden dat de verdachte op 22 april 2019 als kapitein van het schip “ [A] ” is uitgevaren vanaf Bonaire. Op de grens met de territoriale wateren zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 3] vanaf een andere boot bij de verdachte aan boord gestapt. Daarbij namen zij twee zakken mee en overhandigden ze een zwarte tas aan de verdachte. Eenmaal terug bij de kust van Bonaire, zijn de drie medeverdachten waaronder [betrokkene 2] en [betrokkene 3] met die bagage door het water gevlucht na het zien van de politie. Naar later bleek bevatten de twee zakken pakketjes met daarin in totaal 12.712,9 gram marihuana. In de zwarte tas zaten tweehonderd scherpe 9mm patronen. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet van directe wetenschap van de verdachte omtrent hetgeen zich in de zakken en tas van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bevond.

2.7.

De feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen zijn, zonder nadere motivering, niet toereikend voor het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld met “vol” opzet. Uit geen van de bewijsmiddelen blijkt immers dat de verdachte wist wat zich in de zakken en de tas bevond en uit de bewijsmiddelen volgt evenmin dat het moeilijk anders kan zijn dan dat de verdachte moet hebben geweten dat de tassen van de bij hem aan boord gestapte personen marihuana en munitie bevatten. Het middel klaagt daarover terecht.

2.8.

Het middel slaagt.

3 Het tweede middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat het hof in zijn beslissing tot gevangenneming van de verdachte heeft bevolen, zonder deze beslissing behoorlijk te motiveren.

3.2.

Voordat ik aan de inhoudelijke bespreking van dit middel toekom, merk ik eerst nog het volgende op. In de regel staat geen cassatieberoep open tegen beslissingen aangaande de voorlopige hechtenis. Die regel lijdt echter uitzondering als die beslissing, zoals in het onderhavige geval, deel uitmaakt van de einduitspraak van het hof.2 De verdachte heeft voorts belang bij de bespreking van zijn klacht, aangezien het als eerste voorgestelde middel mijns inziens dient te leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het hof. Als dat anders was geweest, dan zou de door het hof opgelegde gevangenisstraf op grond van het bepaalde in art. 612, eerste lid, onder b, Wetboek van Strafvordering BES (hierna ook: Sv) op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad ingaan, waarbij de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd op die straf in mindering kan worden gebracht.3 In dat laatste geval zou de verdachte geen belang hebben bij het tweede middel.

3.3.

De relevante bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering BES luiden:

- art. 97:

“Na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, kan de rechter in eerste aanleg ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, de gevangenneming van de verdachte bevelen. Zo nodig hoort de rechter deze vooraf; hij is bevoegd te dien einde zijn dagvaarding te gelasten.”

- art. 100:

“1. Een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven in geval van verdenking van:

a. een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, of

b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 204, eerste en tweede lid, 236, 245, derde lid, 265c, 265d, 259, 266, 298, eerste lid, 321a, 334, 339, 339a, 366, eerste lid, 368, 404, 405, 410 en 431 van het Wetboek van Strafrecht BES.

2. Het bevel kan voorts worden gegeven, indien de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, en hij verdacht wordt van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.”

- art. 101:

“1. Een bevel, als bedoeld in artikel 100, kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ter zake van de in dat artikel vermelde misdrijven, en voorts:

a. indien uit bepaalde gedragingen van de verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden blijkt van ernstig gevaar voor vlucht, of

b. indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, die de onverwijlde vrijheidsontneming vordert.

2. Een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid kan voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking worden genomen:

a. indien wegens het vermoedelijk begane feit levenslange gevangenisstraf, dan wel tijdelijke van zes jaren of meer kan worden opgelegd of de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt, of

b. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld, of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan, of

c. indien de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.

(…)”

- art. 108:

(…)2. Onverminderd het in artikel 97 bepaalde, kan het Hof ook bij de einduitspraak, niettegenstaande een eerder beëindigde voorlopige hechtenis en onverminderd het in de artikelen 100 en 101, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, bepaalde, de gevangenneming van de verdachte bevelen.

(…)”

- Art. 110:

“1. Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.

2. Het omschrijft het strafbare feit op zodanige wijze, dat de verdachte daaruit redelijkerwijze kan begrijpen, welke verdenking ten aanzien van hem is gerezen, alsmede de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 101 gestelde voorwaarden zijn vervuld.

(…)”

3.4.

Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding blijkt, wat betreft de voorlopige hechtenis van de verdachte, het volgende:

(i) de verdachte is op 20 mei 2019 aangehouden en in verzekering gesteld;

(ii) de voorlopige hechtenis van de verdachte is op 7 juni 2019 geschorst;

(iii) bij vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van 15 augustus 2019 is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven;

(iv) ter terechtzitting van het hof van 8 november 2019 heeft de procureur-generaal het hof verzocht om een bevel tot gevangenneming van de verdachte te verlenen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat er geen bevel tot voorlopige hechtenis meer is, omdat het Gerecht – ‘wellicht bij kennelijke verschrijving’4 – het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte heeft opgeheven;

(v) het hof heeft bij vonnis van 28 november 2019 de gevangenneming van de verdachte bevolen.

3.5.

Het hof heeft onder het kopje ‘voorlopige hechtenis’ het volgende in het vonnis opgenomen:

“De verdachte werd op 20 mei 2019 voorlopig gehecht. De voorlopige hechtenis van de verdachte werd met ingang van 7 juni 2019 geschorst. Het Gerecht heeft bij het vonnis, van 15 augustus 2019, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven. Het Hof is van oordeel dat mede gelet op de opgelegde gevangenisstraf, het persoonlijk belang van de verdachte bij zijn vrijheid thans dient te wijken voor het strafvorderlijke belang. Het Hof zal daarom ingevolge de artikelen 97 juncto 108 van het Wetboek van Strafvordering BES de gevangenneming van de verdachte bevelen.”

3.6.

Het hof heeft dus als motivering van het bevel tot gevangenneming van de verdachte uitsluitend verwezen naar de opgelegde gevangenisstraf en dat het persoonlijk belang van de verdachte bij zijn vrijheid dient te wijken voor het strafvorderlijke belang.

3.7.

Het Wetboek van Strafvordering BES kent, zoals de steller van het middel terecht opmerkt, geen bepaling op basis waarvan een veroordeling in eerste aanleg waarbij een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd, een zelfstandige grond oplevert voor de voortzetting of oplegging van voorlopige hechtenis.5 Wat daar ook van zij, het middel klaagt er terecht over dat het hof – in strijd met het bepaalde in art. 101 lid 1 Sv – heeft nagelaten de grond te noemen waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd. Verder heeft het hof nagelaten te voldoen aan de op basis van art. 108 jo. 110 lid 2 Sv op hem rustende plicht om te motiveren uit welke feiten en omstandigheden blijkt dat de in artikel 101 Sv gestelde voorwaarden zijn vervuld.

3.8.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Conclusie

4.1.

Beide middelen zijn terecht voorgesteld.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van de voetnoten.

2 Zie art. 441 Wetboek van Strafvordering BES (vgl. art. 445 van het Nederlandse Sv) en art. 10 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 23-24, onder verwijzing naar HR 2 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7088, NJ 2004/142, m.nt. J.M. Reijntjes.

3 Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7369. De Hoge Raad verwijst in dat arrest naar art. 26, aanhef en onder a (oud) Sr, thans art. 6:2:2 Sv.

4 Zie de mededeling van de procureur-generaal op p. 4-5 van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2019.

5 Vgl. het bepaalde in art. 75 lid 1, laatste volzin, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoerd bij Stb. 2004, 578. Zie Kamerstukken II, 2003/04, 29 253, nr. 3. Zie ook W. Morra in Tekst en Commentaar Wetboek van Strafvordering, commentaar op art. 75, aant. 2 onder a (online, bijgewerkt tot en met 1 juli 2021).