Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:808

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
20/02494
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Opzettelijk gebruik maken van een Italiaans rijbewijs als ware het echt en onvervalst. Art. 225 Sr of art. 231 Sr van toepassing? Uitleg vereiste dat “de houder in Nederland woonachtig is” a.b.i. art. 1, eerste lid onderdeel 4 Wet op de Identificatieplicht. Italiaans rijbewijs géén identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 WID omdat i.c. niet is voldaan aan de voorwaarde dat “de houder in Nederland woonachtig” is. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02494

Zitting 14 september 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 30 juli 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “een reisdocument voorhanden hebben, waarvan hij weet, dat het vals is” en 2. “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de lex specialis bepaling van art. 231 Sr van toepassing is.

3.2.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 2 november 2018 in de gemeente Asten opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Italiaans rijbewijs (documentnummer [001], op naam van [naam], geboren [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats]) als ware het echt en onvervalst, door voornoemd rijbewijs afte geven ter identificatie bij een controle door de Koninklijke Marechaussee”

3.3.

Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”.

3.4.

De raadsman van de verdachte heeft blijkens zijn aan het hof overlegde pleitnota met betrekking tot feit 2 het volgende betoogd (met weglating van voetnoten):

“7. De verdediging gaat nu allereerst het ten laste gelegde feit 2 bespreken. De verdediging heeft in eerste aanleg betoogd dat er ontslag van alle rechtsvervolging diende te volgen, omdat dit feit onder de bijzondere strafbepaling van artikel 231 WvSr valt en derhalve niet onder artikel 225 WvSr kan vallen. Artikel 55 lid 2 WvSr is immers heel duidelijk:

‘Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.’

8. De Hoge Raad heeft op 24 januari 2017 duidelijk geoordeeld dat het rijden met een vals (Sloveens) rijbewijs wel degelijk onder de reikwijdte van artikel 231 WvSr valt. De verdediging citeert daarbij de inhoudsindicatie van dit arrest:

‘’s Hofs oordeel dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert omdat een Sloveens rijbewijs niet kan worden aangemerkt als een van de in art. 231 Sr genoemde documenten, geeft, gelet op art. 1 Wet op de Identificatieplicht alsmede op grond van de wetsgeschiedenis van onder meer dat artikel, blijk van een te beperkte en dus onjuiste uitleg van art. 231 Sr.’
9. De Hoge Raad heeft met dit arrest duidelijk gemaakt dat het gebruiken van een vals rijbewijs wel degelijk onder de reikwijdte van artikel 231 WvSr valt. Nu dit een bijzondere strafbepaling is van artikel 225 WvSr, maakt dit dat alleen dat artikel in aanmerking komt op basis van artikel 55 WvSr.

10. Het Openbaar Ministerie dient voor deze feiten dan ook telkens en alleen artikel 231 WvSr ten laste te leggen. Met als gevolg dat, gezien het ten laste gelegde in onderhavige zaak, dit geen strafbaar feit kan opleveren en er ontslag van alle rechtsvervolging had moeten volgen.

(…)

16. Zodoende ga ik uw Hof verzoeken client (…) te ontslaan van alle rechtsvervolging bij feit 2.”

3.5.

Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

“De raadsman heeft ontslag van alle rechtsvervolging van feit 2 bepleit en daartoe kort gezegd aangevoerd dat het Italiaanse rijbewijs, dat de verdachte bij zich had, valt onder de reikwijdte van artikel 231 Sr, zijnde een specialis van art 225 Sr, zodat de tenlastelegging op dat artikel en niet op het algemene artikel 225 Sr toegesneden had moeten worden.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 1, lid 1 en onder 4, van de Wet op de Identificatieplicht luidt als volgt:

“1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:

(…)

4°. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.” (cursivering hof)1


Nu de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet in Nederland, maar in Frankrijk woonachtig was, kan het Italiaanse rijbewijs, dat hij bij zich had, niet worden aangemerkt als een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Dientengevolge vindt artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht in de onderhavige zaak geen toepassing.

Het openbaar ministerie heeft de tenlastelegging kunnen toesnijden op artikel 225 Sr en het bewezenverklaarde kan als overtreding van dat artikel worden gekwalificeerd.


Het verweer wordt verworpen.”

3.6.

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- Art. 225, tweede lid, Sr:

“Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.”


- Art. 231, eerste en tweede lid, Sr:

“1 Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2 Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.”


- Art. 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: WID)

“Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:

(...)

4° een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder."

3.7.

In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats betoogd dat uit de door het Hoge Raad in zijn arrest van 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:64, NJ 2017/71 aangehaalde wetsgeschiedenis volgt dat er geen twijfel over mogelijk is dat ook de vervolging van het bezit en/of gebruik van valse rijbewijzen via art. 231 Sr dient te geschieden. Het hof had volgens de steller van het middel dan ook toepassing moeten geven aan art. 55, tweede lid, Sr2 en de verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging.

3.8.

De wetsgeschiedenis waar de steller van het middel aan refereert houdt het volgende in:

“3.3.2.

Bij de Wet van 12 maart 2014, Stb. 2014, 125 is onder meer in art. 231, eerste lid, Sr de term 'Nederlandse identiteitskaart' vervangen door 'identiteitsbewijs'. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot die wet heeft geleid houdt onder meer het volgende in:

"Doel van dit wetsvoorstel is in de eerste plaats uitbreiding van de mogelijkheden tot bestrijding van fraude met identiteitsbewijzen en in de tweede plaats verbetering van de regeling over de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden.

(...)

3.1.

Uitbreiding strafbaarstelling fraude met identiteitsbewijzen

(...)

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet op de identificatieplicht op 1 juni 1994 en de uitbreiding van de werkingssfeer van die wet op 1 januari 2005 is het belang van het identiteitsbewijs in het maatschappelijk verkeer groot geworden. (...) Fraude met reisdocumenten kan worden aangepakt met de artikelen 231, 440 en 447b Sr, fraude met andere papieren identiteitsbewijzen met artikel 225 Sr, dat is de algemene strafbaarstelling van valsheid in geschrifte. Dit wetsvoorstel strekt ertoe fraude met de papieren identiteitsbewijzen die in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen, dus ook met die documenten die niet tevens reisdocument zijn, zoals rijbewijzen en vreemdelingendocumenten, en andere identiteitsbewijzen die afgegeven zijn door diensten of organisaties van vitaal of nationaal belang (...), onder de reikwijdte van de artikelen 231, 440 en 447b Sr te brengen. De eerste reden daarvoor is dat met deze wijziging meer vormen van fraude met deze identiteitsbewijzen kunnen worden bestreden dan thans op basis van artikel 225 Sr mogelijk is en dat bepaalde vormen van fraude met identiteitsbewijzen gemakkelijker bewijsbaar worden. De tweede reden is dat het onderbrengen van fraude met deze identiteitsbewijzen onder de drie genoemde strafbepalingen meer recht doet aan de systematiek van het Wetboek van Strafrecht. Niet alleen reisdocumenten, maar ook andere identiteitsbewijzen die bij of krachtens artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen, hebben al lang niet meer louter de functie waarvoor ze in het leven geroepen zijn (zo is een reisdocument niet alleen maar een middel om te kunnen reizen naar en van het buitenland en een rijbewijs is niet alleen document om de rijvaardigheid te kunnen aantonen), maar vervullen in het maatschappelijk verkeer ook de functie van een identificatiemiddel. Het is om die reden logisch dat de andere wettelijk erkende identiteitsbewijzen dan reisdocumenten dezelfde strafrechtelijke bescherming genieten en dat fraude met deze identiteitsbewijzen met behulp van dezelfde strafbepalingen kan worden aangepakt als fraude met reisdocumenten."

(Kamerstukken II 2011/2012, 33 352, nr. 3, p. 1 en 3-5.)”

3.9.

Volgens de steller van het middel heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat art. 225 Sr (en niet art. 231 Sr) in het onderhavige geval van toepassing is. Uit het onder 3.7 genoemde arrest leidt de steller van het middel af dat de Hoge Raad het ontberen van een woon-of verblijfplaats in Nederland niet redengevend acht bij de beoordeling van de vraag of de (specialis)bepaling van art. 231 Sr al dan niet van toepassing is. Los van de vraag waartoe de specialis-generalisverhouding zou moeten leiden3 deel ik deze opvatting van de steller van het middel niet. Daartoe het volgende.

3.10.

In genoemd arrest was de tenlastelegging - anders dan in de onderhavige zaak - toegesneden op het tweede lid van art. 231 Sr. Het hof had geoordeeld dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert, omdat een Sloveens rijbewijs niet een van de in art. 231 Sr genoemde documenten is.

3.11.

De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof blijk gaf van een te beperkte en dus onjuiste uitleg van art. 231 Sr, gelet op art. 1 WID en de wetsgeschiedenis zoals hiervoor onder 3.8 is weergegeven. Uit genoemd artikel en de toepasselijke wetsgeschiedenis komt in de kern bezien naar voren dat andere wettelijk erkende identiteitsbewijzen dan reisdocumenten, waaronder - voor zover hier van belang - “een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen, waarvan de houder in Nederland woonachtig is”, dezelfde strafrechtelijke bescherming genieten en dat fraude met deze identiteitsbewijzen met behulp van dezelfde strafbepalingen (artikelen 231, 440 en 447b Sr) kan worden aangepakt als fraude met reisdocumenten. Dit betekent dat als de voorwaarden als bedoeld in art. 1 WID zijn vervuld - waaronder de voorwaarde dat “de houder in Nederland woonachtig is” (waarover hierna meer) - een Sloveens rijbewijs onder het bereik van art. 231 Sr valt. Dat de Hoge Raad in genoemde zaak niet ingaat op het ten tijde van het ten laste gelegde al dan niet in Nederland woonachtig zijn van de houder van het rijbewijs (als bedoeld in art. 1 WID), maakt mijns inziens niet dat dit vereiste geen rol zou spelen bij de vraag of art. 231 Sr van toepassing is. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof zijn oordeel niet nader had gemotiveerd.

3.12.

Door de steller van het middel wordt ook nog opgeworpen dat het meewegen van de woon-of verblijfplaats van de verdachte in strijd is met het vrij verkeer van personen en het non-discriminatie beginsel. Daarbij wordt verwezen naar de artikelen 4 t/m 6 van Richtlijn 2004/38/EG, artikel 18 Verdrag van Lissabon en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast zou de afhankelijkheid van een verblijfplaats in Nederland aan de bruikbaarheid van een in de EU afgegeven rijbewijs als identificatiemiddel in strijd zijn met de beginselen van vrijheid van verkeer en vestiging. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat het in art. 1 WID genoemde vereiste dat “de houder in Nederland woonachtig is” slechts betrekking heeft op een rijbewijs dat is afgegeven “in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte” en niet ook op een rijbewijs dat is afgegeven “door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen”. Subsidiair wordt verzocht om deze kwestie middels een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van justitie voor te leggen.

3.13.

Bij de Wet op de uitgebreide identificatieplicht (Stb. 2004/300) is, voor zover hier van belang, onderdeel 44 aan art. 1 eerste lid WID toegevoegd. In de Memorie van Toelichting5 wordt deze toevoeging als volgt toegelicht:

“Door de aanvulling onder 4° wordt tevens een einde gemaakt aan een situatie, waarvoor in 2001 aandacht is gevraagd door de Europese Commissie. Deze wees op een mogelijk verschil in behandeling tussen EU/EER-onderdanen en Nederlandse onderdanen met betrekking tot de

mogelijkheid om te voldoen aan de verschillende identificatieplichten door het tonen van een rijbewijs.

Aanvankelijk was de bedoeling dat een aanpassing zou worden opgenomen in de verschillende materiewetten waarbij het Nederlands rijbewijs werd aangewezen als bewijs waarmee op grond van die wet legitimatie kon plaats vinden. Daarmee zou een ongerechtvaardigd verschil tussen

EU/EER en Nederlandse onderdanen worden weggenomen. De eerst genoemde groep zou zich dan met behulp van hun buitenlandse rijbewijs op gelijke voet in de daarvoor aangewezen situaties kunnen legitimeren als Nederlandse rijbewijshouders.

Nu evenwel het Nederlandse rijbewijs in de WID in het algemeen als identiteitsbewijs is erkend, kan met de aanvulling van artikel 1 op eenvoudige wijze worden volstaan. Het voorgaande laat onverlet dat in specifieke situaties nog wel naar aanvullende documenten als het paspoort kan

worden gevraagd. Niettemin zullen in de meeste gevallen de houders van EU/EER-rijbewijzen op dezelfde wijze aan de identificatieplicht kunnen voldoen als Nederlandse rijbewijshouders. Toegevoegd is wel dat het moet gaan om een rijbewijs dat is voorzien van een foto van de houder,

hetgeen betekent dat sommige Engelse rijbewijzen niet als identiteitsbewijs kunnen dienen.”

3.14.

Uit genoemde toelichting blijkt niet van een verschil tussen houders van EU rijbewijzen en houders van EER rijbewijzen, terwijl met de aanvulling onder 4 is beoogd om het verschil in behandeling tussen EU/EER-onderdanen en Nederlandse onderdanen met betrekking tot de mogelijkheid om te voldoen aan de verschillende identificatieplichten door het tonen van een rijbewijs te beëindigen. Van strijd met de door de steller van het middel opgeworpen beginselen is mijns inziens dan ook geen sprake, terwijl uit genoemde toelichting evenmin blijkt dat het in onderdeel 4 genoemde vereiste dat de houder in Nederland woonachtig is uitsluitend betrekking heeft op EER-onderdanen en niet ook op EU onderdanen. Daarbij wijs ik nog op de volgende passages uit de Tweede Nota van Wijziging bij de Vervanging van de Wegenverkeerswet (Wegenverkeerswet 1992), waarbij aan artikel 8 van die wet een zevende lid werd toegevoegd luidende “Voor de toepassing van het tweede, derde, vierde en zesde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.”:

“Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs voorziet onder meer in de faciliteit dat de houder van een door een Lid-Staat afgegeven rijbewijs, die zich in een andere Lid-Staat vestigt, met zijn in de Lid-Staat van herkomst afgegeven rijbewijs aan het verkeer in de Lid-Staat van vestiging mag deelnemen zonder dat hij verplicht is om dat rijbewijs om te wisselen in een rijbewijs van de Lid-Staat van vestiging. (…) De voorgestelde wijziging strekt ertoe om, met gebruikmaking van de in de richtlijn ter zake erkende bevoegdheden van de Lid-Staat van vestiging, het verbod om een motorrijtuig te besturen indien zich een der in artikel 8 van het wetsvoorstel genoemde omstandigheden voordoet, gelijkelijk van toepassing te doen zijn ten aanzien van rijbewijzen die zijn afgegeven door andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, waarvan de houder zich in Nederland heeft gevestigd. (…) Ingevolge de met ingang van 1 januari 1993 van kracht wordende Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte worden rijbewijzen die zijn afgegeven door de andere staten die partij zijn bij dat verdrag, voor de toepassing van de Nederlandse regelgeving op één lijn gesteld met rijbewijzen, afgegeven door andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen.”6

3.15.

Nu deze zinsnede in het genoemde en destijds gewijzigde artikellid gelijkluidend is aan de zinsnede in art. 1 eerste lid onder 4 WID, ga ik er - in navolging van mijn ambtgenoot Hofstee7 - vanuit dat hieraan dezelfde betekenis kan worden toegekend. In de genoemde passages wordt het vereiste van het als houder in Nederland woonachtig zijn betrokken op Lidstaten van de Europese Gemeenschappen en worden de rijbewijzen afgegeven door andere staten die partij zijn bij Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte daaraan gelijkgesteld. Voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU zie ik dan ook geen aanleiding.In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat art. 231 Sr geen toepassing vindt, omdat het Italiaanse rijbewijs niet kan worden aangemerkt als een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 WID. In dat verband heeft het hof van belang geacht dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet in Nederland, maar in Frankrijk woonachtig was, zodat niet aan de in art. 1 WID genoemde voorwaarde dat “de houder in Nederland woonachtig is” is voldaan. Dat oordeel geeft, gelet op het voorgaande, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de gebezigde bewijsmiddelen als verklaring van de verdachte inhouden dat hij sinds 4,5 jaar in Frankrijk verblijft, zodat de situatie dat de verdachte zich in Nederland heeft gevestigd zich hier niet voordoet.

3.16.

Het middel faalt in beide onderdelen.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De cursivering betreft de passage: “of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.”

2 Art. 231 Sr kan als (logische) specialis van art. 225 Sr worden aangemerkt; zie Kamerstukken II 2011-2012, 33 352, nr. 3, 18-19. Voor het strafmaximum maakt dat geen verschil, maar wel voor de inhoud van de tenlastelegging en de kwalificatie van het strafbare feit. Overtreding van beide strafbepalingen wordt bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal zes jaar of een geldboete van de vijfde categorie.

3 Doordat de strafmaxima van beide bepalingen gelijk zijn is het immers om het even welke van de twee strafbepalingen toepassing vindt.

4 Zonder, voor wat betreft onderdeel 4, de zinsnede “aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd”.

5 Kamerstukken II 2003–2004, 29 218, nr. 3, p.19.

6 Kamerstukken II 1991-1992, 22 030, nr. 12, p. 1, 9, 14, 15, 18 en 19.

7 Vgl. PHR 29 november 2016, PHR:2016:1407, onder 12.