Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:807

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-09-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
20/01898
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv-AG. 1. Wisseling van raadsman. Is oordeel hof dat verdachte “met stelligheid afstand heeft genomen” van zijn voormalige raadsman en diens gehouden pleidooi begrijpelijk? Heeft het hof conform art. 422 Sv voldoende beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ttz.? 2. Is de oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging toereikend gemotiveerd? Conclusie strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01898

Zitting 7 september 2021

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 23 juni 2020 door het gerechtshof Amsterdam voor de in zaak A:

- onder 1 bewezenverklaarde “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg”

- onder 3 en 4 bewezenverklaarde “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, meermalen gepleegd”

- onder 2 en 5 bewezenverklaarde “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, meermalen gepleegd”

en voor de in de zaak B:

- onder 1 bewezenverklaarde “verkrachting”

- onder 3 primair bewezenverklaarde “opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”

- onder 4 subsidiair bewezenverklaarde “eenvoudige belediging”

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr, alsmede tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Verder heeft het hof de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen gelast, beslist op vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

De onderhavige zaak heeft in hoger beroep in totaal 15 keer op zitting gestaan, waarvan 8 keer bij een pro forma kamer en 7 keer bij een inhoudelijke kamer. Vanaf 23 oktober 2019 heeft de zaak alleen nog op zitting gestaan bij de inhoudelijke kamer (in totaal vijf keer). De samenstelling van die kamer was sindsdien telkens ongewijzigd. De kamer heeft één keer (op 21 november 2019) een tussenarrest gewezen en één keer (op 23 juni 2020) een eindarrest. De verdachte is regelmatig gewisseld van raadsman. Zo ook nog nadat de zaak op 23 oktober 2019 inhoudelijk is behandeld, de advocaat-generaal heeft gerequireerd, de toenmalig raadsman mr. Korteling heeft gepleit en de verdachte gebruik heeft gemaakt van het laatste woord. Op 7 november 2019 zou het onderzoek worden gesloten en op 21 november 2019 zou het eindarrest worden gewezen. Zo ver is het niet gekomen. Op 1 november 2019 ontving het hof een e-mailbericht van mr. Korteling die aangaf dat hij zich genoopt had gezien zich aan de verdediging te onttrekken. Op de zitting van 7 november 2019 is de verdachte verschenen zonder raadsman en heeft hij onder andere verzocht om aanhouding. Het Hof heeft besloten de beslissing op dat verzoek aan te houden tot het op 21 november 2019 te wijzen eind- of tussenarrest. Op 21 november 2019 heeft het hof bij tussenarrest het onderzoek heropend omdat de verdachte zich op de zitting van 7 november 2019 op het standpunt had gesteld dat hem TBS met dwangverpleging moest worden opgelegd. Dat standpunt rijmde niet met het pleidooi dat mr. Korteling op 23 oktober 2019 had gevoerd. Het Hof achtte het van belang dit onderwerp op een zitting waar de verdachte is voorzien van rechtsbijstand opnieuw aan de orde te stellen. Aldus geschiedde op 16 januari 2020. Op die zitting werd de verdachte bijgestaan door mr. Konya, kantoorgenoot van de door verdachte gewenste raadsman mr. Plasman. De verdachte stond echter niet toe dat mr. Konya hem zou verdedigen. Hij voerde zelf het woord en wraakte de strafkamer van het hof. Die wraking is afgewezen en uiteindelijk is de zaak op 9 juni 2020 door het hof inhoudelijk behandeld. Op die zitting zijn onder meer een tweetal deskundigen van het Pieter Baan Centrum gehoord, heeft de advocaat-generaal (aanvullend) gerequireerd en gepersisteerd bij zijn vordering van 23 oktober 2019 en heeft de nieuwe – in de appelfase: vijfde – raadsman van verdachte, mr. Van Vliet, gepleit. Op 26 juni 2020 heeft het hof (eind)arrest gewezen en onder meer TBS met dwangverpleging opgelegd.

3 Het eerste middel

3.1.

In het middel wordt geklaagd (a) dat het hof “niet (voldoende) heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 23 oktober 2019, nu het hof ten onrechte, althans niet zonder meer begrijpelijk, de op deze zitting door mr. Korteling gevoerde verweren en ingenomen standpunten als niet gehandhaafd heeft beschouwd en daarom grotendeels onbesproken heeft gelaten”, dan wel (b) dat het hof “is afgeweken van de ter terechtzitting d.d. 23 oktober 2019 uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over het ontbreken van voldoende steunbewijs voor (met name de belastende onderdelen van) de verklaringen van de aangeefster c.q. over de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van die standpunten hebben geleid, althans doordat het hof onvoldoende gemotiveerd aan de in dit verband gevoerde verweren voorbij is gegaan.”

3.2.

Ik ga allereerst in op de in de cassatieschriftuur onder (a) geformuleerde klacht. In de hierbij gegeven toelichting wordt gesteld dat het oordeel van het hof dat de verdachte “met stelligheid afstand heeft genomen van zijn voormalige raadsman, mr. Korteling, en van hetgeen deze ter verdediging van de verdachte op de zitting van 23 oktober 2019 naar voren heeft gebracht” onjuist, althans niet zonder meer begrijpelijk is. De steller van het middel wijst in dit verband op de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juni 2020 gehechte handgeschreven verklaring van de verdachte. Volgens de steller van het middel heeft de verdachte hierin geen afstand genomen van het (volledige) pleidooi van mr. Korteling, maar heeft hij daarop juist voortgeborduurd. Het hof had daarom de gehele inhoud van het pleidooi van mr. Korteling bij zijn beraadslaging moeten betrekken, temeer omdat het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juni 2020 geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat de verdediging de door mr. Korteling gevoerde verweren niet wenste te handhaven. De steller van het middel wijst erop dat uit het proces-verbaal van die zitting – anders dan het hof in zijn arrest overweegt – in het geheel niet blijkt dat de raadsman op die zitting is gevraagd of hij verweren die mr. Korteling op de zitting van 23 oktober 2019 had gevoerd, wenste te handhaven. Daaraan wordt toegevoegd dat als die vraag al wel zou zijn gesteld, uit het proces-verbaal van de terechtzitting evenmin blijkt dat de verdachte en/of zijn raadsman uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van de door mr. Korteling gevoerde verweren. Ten slotte wordt in het middel gesteld dat het hof op alle terechtzittingen op dezelfde wijze was samengesteld en steeds het onderzoek heeft hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Daarmee zou ook het op 23 oktober 2019 gevoerde pleidooi van mr. Korteling “van waarde” zijn gebleven.

De steller van het middel concludeert dat doordat het hof ten onrechte de door mr. Korteling gevoerde verweren en ingenomen standpunten als niet gehandhaafd heeft beschouwd, het hof in strijd met art. 422 en art. 350 Sv niet (voldoende) heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 oktober 2019. Betoogd wordt dat een dergelijk verzuim weliswaar niet uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd, maar dat zo’n verzuim wel tot nietigheid leidt indien de verdachte door dat verzuim in enig belang is geschaad. Dat de verdachte in zijn belangen is geschaad, is volgens de steller van het middel evident, nu het hof in strijd met het bepaalde in art. 359 lid 2, tweede volzin Sv niet is ingegaan op de ter terechtzitting van 23 oktober 2019 door de raadsman voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten betreffende onder meer het ontbreken van steunbewijs en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.

3.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 oktober 2019 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. W.S. Korteling, advocaat te Den Haag.

[…]

Het hof hervat het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op 28 maart 2019.

[…]

De raadsman voert het woord tot verdediging aan de hand van zijn pleitnotities. Deze pleitnotities

worden aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. In aanvulling daarop deelt de raadsman mede:

Met betrekking tot punt 10 in mijn pleitnotities merk ik op dat de voorzitter benoemde dat [slachtoffer] (plv-AG: de aangeefster van de verkrachting) er op de beelden huilerig uit ziet, maar dat is anders dan echt huilen in de zin van schokkende schouders.

[…]

De adviezen van psychiater [betrokkene 1] en psycholoog [betrokkene 2] zijn niet opgemaakt in de onderhavige zaak, maar wel voor soortelijke feiten.

Ten slotte verzoek ik in aanvulling op punt 46 de vragen die ik ter terechtzitting aan [betrokkene 3] heb gesteld hierin te betrekken.”

[…]

De voorzitter deelt mede dat het hof, in verband met de tijd die nodig is voor de beraadslaging, het onderzoek ter terechtzitting thans onderbreekt tot de terechtzitting Van 7 november 2019 om 13.30 uur, op welke zitting het onderzoek zal worden gesloten en kan de verdachte desgewenst nogmaals van zijn recht op het laatste woord gebruik maken.

3.4.

De op de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2019 aan het dossier toegevoegde pleitnotities behelzen zestien pagina’s pleidooi. In dat pleidooi heeft mr. Korteling betoogd i) dat er onvoldoende bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde verkrachting, ii) dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar is en niet bruikbaar is als bewijsmiddel, iii) dat de vordering van de benadeelde partij bij vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en bij bewezenverklaring voor wat betreft de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd en voor wat betreft de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, en iv) dat bij vrijspraak van de verkrachting een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren dient te worden opgelegd en dat bij bewezenverklaring van de verkrachting een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en geen maatregel (ISD, GVM of TBS) moet worden opgelegd.

3.5.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2019 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de onderbreking daarvan op 23

oktober 2019 bevond.

De verdachte verklaart:

Ik verzoek aanhouding van de zaak. Kort na de vorige zitting op 23 oktober 2019 heeft mijn raadsman, mr. Korteling, zich onttrokken. Vandaag ben ik aanwezig zonder rechtsbijstand. Voordat deze zaak wordt gesloten, wens ik te worden bijgestaan door mr. J.P. Plasman. Hij dient mij bij te staan als ik gebruik maak van mijn laatste woord omdat ik daarin wil terugblikken op het verloop van de vorige zitting en de rol van mijn voormalige raadsman daarin. In overleg met mr. Plasman kan een nieuwe zitting worden gepland.

De voorzitter deelt mede dat het hof een email van mr. Korteling heeft ontvangen waarin hij heeft medegedeeld de verdachte in deze zaak niet meer te kunnen bijstaan als raadsman.

De advocaat-generaal deelt mede:

Ik verzet mij tegen het verzoek tot aanhouding van de zaak. De verdachte is verantwoordelijk voor het kiezen van een raadsman. Hij wenst in een zeer laat stadium van de behandeling van zijn strafzaak plotseling door een andere raadsman te worden bijgestaan. Deze omstandigheid is onvoldoende zwaarwegend om tot aanhouding van de zaak over te gaan.

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

De verdachte verklaart dat hij onmiddellijk antwoord wenst op zijn verzoek.

De voorzitter deelt mede dat het hof zich daarover eerst gaat beraden.

Na hervatting deelt de voorzitter mede dat bij arrest wordt beslist op het aanhoudingsverzoek van de

verdachte en stelt zij de verdachte in de gelegenheid het laatste woord te voeren.

De verdachte legt een handgeschreven stuk, getiteld een “nadere toelichting in de zaak met kenmerk 23-002126-17”, over en leest de inhoud hiervan voor. Dit stuk wordt in het dossier gevoegd.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 21 november 2019 te 13:30 uur.”

3.6.

De email van mr. Korteling, waarnaar het hof op de terechtzitting van 7 november 2019 verwijst, is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 januari 2020 en deze mail houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Hierbij deel ik u mede dat ik mij onttrek als raadsman van cliënt [verdachte] in de zaak met rolnummer 23/002126-17.

Na afloop van de inhoudelijke behandeling heb ik verschillende keren telefonisch contact gehad met cliënt. Door de uitlatingen die in dat contact zijn gedaan door cliënt is er een vertrouwensbreuk ontstaan waardoor ik geen andere optie zie dan mij te onttrekken als raadsman van cliënt in deze zaak. Ik wil hierbij te kennen geven dat ik, gezien het late moment in het proces, hiertoe niet lichtzinnig ben overgegaan.”

3.7.

Het door de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2019 voorgelezen, handgeschreven stuk is eveneens gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 januari 2020. Dit stuk houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Na aanleiding van de inhoudelijke zitting van 23 oktober, wil ik het één en ander aankaarten, toelichten en daarbij een eis indien, voordat deze zaak officieel wordt gesloten, zoals dat de bedoeling was van deze zitting. De toen huidige advocaat Willem Korteling heeft zich terug getrokken in deze zaak en heeft daarbij als het goed is, in een bericht aan het hof, nog een verzoek namens mij ingedien, om mij de ruimt te geven, van ongeveer 20 a 30 minuten, zodat ik nog mijn zegje kan doen.

Ik ben namelijk niet te vrede, dat dan nog zacht uitgedrukt, over het pleidooi dat namens mij is gevoerd, door de advocaat Willem Korteling. Ik had hem de maandag voor de zitting één keer gesproken, voor de duur van ongeveer drie kwartier. Waarbij we er niet aan toe waren gekomen, om zijn pleidooi die hij voor de zitting had voorbereid door te nemen. In dat gesprek had ik aangeven wat ik ongeveer wou zeggen tijdens de zitting. Daarbij had ik hem verzocht een aantal dingen in zijn pleidooi op te nemen en het zo aan het hof voor te leggen.

[…]

Zijn pleidooi had drie onderdelen. 1. Als het bewezen word geacht 2. Voor vrijspraak, 3. Verweer tegen een mogelijk opleging van een TBS-maatregel.

[…]

Hij kaarte allerlei onzinnige dingen aan die helemaal nergens op sloegen en hetgeen wat ik hem had verzocht aan het hof voor te leggen had hij simpelweg geweigerd te doen. Daarbij had hij de zwakke bewijsvoering van de Advocaat de Generaal amper getackel of weerlegt en nagelaten de tegenpartij te bevragen over het één en ander om mijn verdediging te sterken.

[…]

Enkel in het verweer tegen een TBS-maatregel had hij mij willen begunstig met zijn gave

[…]

Ik weiger de gunst van advocaat Willem Korteling wat betreft zijn pleidooi tegen het TBS-maatregel te aanvaarde, naast dat heeft de verloop van mijn zaak van de eerst aanleg tot en met nu, dat het van mij niet meer hoeft, op deze manier hoef ik en wil ik ook niks meer te maken hebben met de maatschappij daar buiten. Daarom eis ik van het hof dat mij TBS word opgelegt. Ik herhaal voor de duidelijkheid dat jullie die niet moeten zien als een indirecte bekentenis, wat betreft de verkrachting, ik pleit nog steeds onschuldig. Alleen maakt het mij niet meer uit of ik word vrijgesproken of veroordeelt; als mij maar de TBS maatregel word opgelegt.”

3.8.

Het hof heeft op 21 november 2019 tussenarrest gewezen. Dit arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Op 23 oktober 2019 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarbij de verdachte werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.S. Korteling. Na requisitoir, pleidooi, repliek en dupliek heeft de verdachte als laatste het woord gevoerd. Daarna is de behandeling onderbroken tot 7 november 2019 voor het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting.

Op 1 november 2019 ontving het hof een emailbericht van 1 november 2019 van mr. Korteling, inhoudende dat hij zich vanwege verregaand onheus verbaal gedrag van de verdachte genoopt had gezien zich aan de verdediging te onttrekken.

Ter terechtzitting van 7 november 2019 heeft de verdachte bevestigd dat hij niet langer werd bijgestaan door mr. Korteling. Hij heeft vervolgens een verzoek om aanhouding van de behandeling gedaan teneinde zich te kunnen voorzien van rechtsbijstand. Het hof heeft besloten de beslissing op dat verzoek aan te houden tot het op 21 november 2019 te wijzen eind- of tussenarrest. Vervolgens heeft de verdachte een door hem opgemaakt schriftelijk stuk voorgelezen en is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De verdachte heeft zich op de terechtzitting van 7 november 2019 zeer stellig en nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (met dwangverpleging) moet worden opgelegd. Dit gaat lijnrecht in tegen het op 23 oktober 2019 door de verdachte en zijn toenmalige raadsman ingenomen standpunt. Nu – bij een eventuele bewezenverklaring – het al dan niet opleggen van terbeschikkingstelling met (dwangverpleging) een voor de verdachte zeer ingrijpende beslissing is, acht het hof het van belang dat dit op een nadere terechtzitting opnieuw aan de orde komt en dat de verdachte in dat verband wordt bijgestaan door een (nog aan te wijzen) raadsman.

Om voornoemde redenen zal het hof het onderzoek heropenen, schorsen en de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting op een nader te bepalen datum gelasten.”

3.9.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2020 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S. Konya, advocaat te Amsterdam.

[…]

Het hof hervat het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op 7 november 2019.

[…]

Voorts deelt de voorzitter mede:

In het laatste woord van de verdachte bij de sluiting van het onderzoek op 7 november 2019 heeft

het hof aanleiding gezien het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. De verdachte heeft in dat

laatste woord te kennen gegeven perse de TBS-maatregel opgelegd te willen krijgen, hetgeen het

hof heeft opgevat als TBS met dwangverpleging. Omdat het hof van oordeel was dat dit punt opnieuw aan de orde gesteld diende te worden in de aanwezigheid van een advocaat, is een nieuwe raadsman aangewezen (mr. Konya).

De verdachte deelt mede:

Ik heb op papier gezet wat ik wil zeggen. Zodra ik het voor u oplees, zal het u duidelijk worden. Ik wens geen bijstand van mr. S. Konya en ik wil niet dat hij namens mij het woord gaat voeren.

De raadsman deelt in reactie hierop mede:

Gelet op de uitdrukkelijke wens van de verdachte zal mijn optreden vandaag ter terechtzitting beperkt zijn tot mijn aanwezigheid.

[…]

De verdachte legt over een handgeschreven stuk, gedateerd 16 januari 2020, getiteld “Nadere toelichting in de zaak met kenmerk 23-002126-17”, en leest de inhoud daarvan voor. Dit mondt uit in een verzoek om wraking van het hof.

Dit stuk wordt in het dossier gevoegd.

Het hof onderbreekt het onderzoek.

Nadat het onderzoek is hervat, deelt de voorzitter mede dat de zaak niet verder zal kunnen worden behandeld totdat op het wrakingsverzoek is beslist en dat inmiddels is gebleken dat de wrakingskamer

het verzoek niet vandaag al zal kunnen behandelen.

De voorzitter vraagt aan de verdachte of de navolgende samenvatting kan gelden als de opgave van de gronden van zijn wrakingsverzoek:

1. Het proces-verbaal van de zitting van 23 oktober / 7 november 2019 en het tussenarrest van 21

november 2019 bevatten onjuistheden.

2. Het hof heeft het verzoek van de verdachte (ter terechtzitting op 7 november 2019) mr. Plasman

als advocaat aan te wijzen en in overleg met hem een zitting te plannen niet ingewilligd;

3. Het hof is over de verdachte heen gewalst en heeft hem gedemoniseerd.

De verdachte bevestigt dat dit de gronden van zijn wrakingsverzoek zijn. Hij voegt hieraan toe dat, toen het hof hem op een vorige zitting naar het PBC wilde sturen, hij daar heeft gezeten zonder rechtsbijstand en dat het hof daarmee zijn recht op verdediging heeft geschaad.

De voorzitter deelt mede dat zij het bezwaar van de verdachte aldus begrijpt dat hij stelt in zijn verdediging te zijn geschaad omdat hij zonder rechtsbijstand is gehoord op het voornemen van het hof de verdachte te plaatsen in het PBC ter observatie.

De verdachte neemt het woord om laatstgenoemde kwestie uitgebreider toe te lichten.

De voorzitter deelt mede dat de verdachte zijn bezwaren op de zitting van de wrakingskamer verder naar voren kan brengen.”

3.10.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2020 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht.

[…]

Het hof hervat het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op 16 januari 2020.

[…]

Desgevraagd door de voorzitter of de raadsman nog stukken voorgehouden wenst te zien deelt de raadsman mede:

Ik veronderstel dat ik alle stukken heb, maar de pleitnota van mr. Korteling, gevoegd in het dossier na de zitting van 23 oktober 2019, heb ik niet ontvangen.

[…]

De verdachte legt een handgeschreven stuk, gedateerd 9 juni 2020, over en leest de inhoud hiervan voor. Dit stuk wordt in het dossier gevoegd.

Daarnaar gevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede dat hij het pleidooi van mr. Korteling met de verdachte heeft kunnen bespreken.

[…]

De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:

De inzet van het hoger beroep is de bewezenverklaring van de verkrachting, de strafmaat en inmiddels, de strafmodaliteit.

De verdachte heeft een aantal feiten bekend, maar daar heb ik de advocaat-generaal niet over gehoord in het requisitoir.

Ik verzoek de verdachte vrij te spreken van de aan hem in de zaak B onder 1 tenlastegelegde verkrachting wegens minimaal gerede twijfel. Het betreft een één-op-één verhaal, behalve de omstandigheid dat de aangeefster in een bepaalde emotie verkeert aan de balie in het hotel. Uit het vonnis blijkt dat dat het doorslaggevende punt was voor de rechtbank. Dat is niet veel en wordt steeds minder gelet op de inhoud van het dossier. Aangeefster verklaart te hebben geschreeuwd, maar dat de verdachte zelf ook heeft geschreeuwd. Het is opvallend dat niemand van de overige hotelgasten dat heeft gehoord. Ten aanzien van het geweld heeft aangeefster verklaard (pagina 17 van het dossier) dat zij tegen de muur en het bed is geduwd. Dat zijn forse geweldshandelingen, terwijl zij daarna volgens haar eigen verklaring wel rustig haar wekker heeft mogen en kunnen zetten. Dat is een onlogisch verhaal gelet op haar lezing van de eerdere geweldshandelingen. Op pagina 19 van het dossier verklaart aangeefster te zijn geknepen in haar keel en dermate hard dat zij geen lucht meer kreeg. Het is een feit van algemene bekendheid dat er standaard een letselverklaring in het dossier zit waaruit enig letsel zou moeten blijken. Die zie ik niet teruggekomen in dit dossier.

In haar eerste schriftelijke slachtofferverklaring zegt de aangeefster dat zij zichzelf de hele dag heeft proberen te overtuigen om niet naar de afspraak te gaan. Dat is opvallend gelet op haar aangifte. Daarin lijkt juist dat zij wel veel zin had om de verdachte te zien. Ook verklaart ze dat ze niet wilde zoenen buiten het hotel maar het toch deed. Dit geldt ook voor wat betreft het naar boven gaan in het hotel. Uit haar verklaring lijkt het erop dat zij werd bevangen en maar meeging, maar uit haar aangifte ontstaat meer het beeld dat zij een jongen had ontmoet en een prettige tijd met hem wilde doorbrengen. Ik begrijp de contradictie tussen die verklaringen niet.

De rechtbank heeft een punt gemaakt van het spuug danwel braaksel, maar daar kunnen ook andere verklaringen, nu door penetratie van de penis kokhalsneigingen kunnen ontstaan.

De verdachte benoemde zojuist zelf ook al de reden van aangifte en de emotie in het hotel. De rechtbank heeft dat gebruikt ten voordele van de overtuiging in het bewijs. Andere omstandigheden zijn daarvoor ook aannemelijk, namelijk hoe de seks heeft plaatsgevonden en daarbij een bepaalde teleurstelling aan de kant van aangeefster dat er geen vaginale penetratie heeft plaatsgevonden en, nog sterker, het filmen. Ik kan me voorstellen dat je het niet prettig vindt als seksuele partner als je erachter komt dat je bent gefilmd. Aangeefster maakt ook meteen kenbaar aan de politie ter plaatse dat zij bang is voor het. verspreiden van het filmpje (p. 6 van het dossier). Het is voor mij een volslagen raadsel waarom een verkrachter zijn eigen bewijs zou maken door het feit te filmen, dit te doen in zijn eigen hotelkamer en vervolgens weer terug te keren naar die hotelkamer, ofwel de plaats delict. Je maakt je eigen pakkans dan wel heel erg groot. Ik vind dat een sterke contra-indicatie.

Ten aanzien van de strafmodaliteit verzoek ik aan de verdachte niet de TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Ik verwijs daartoe integraal naar de argumenten die mr. Korteling heeft opgenomen in zijn pleitnota bij de zitting van 23 oktober 2019. Daarnaast wil ik nog het volgende opmerken. In eerste aanleg is met geen woord over TBS gerept. Dit kwam pas in hoger beroep aan de orde. Uiteindelijk is uw hof geïnformeerd door deskundigen over de geestvermogens van de verdachte die uiteindelijk een advies hebben gegeven over de afdoening van de zaak.

Uiteindelijk hebben vier deskundigen een totaal andere mening over essentiële vragen die u moet beantwoorden. Gekozen dient te worden voor de rapporten van [betrokkene 3] en [betrokkene 4], omdat de verdachte aan het opstellen van deze rapporten heeft meegewerkt. Op p. 58 van het rapport van [betrokkene 3] staat dat in de laatste fase enkele keren overleg is geweest met [betrokkene 4] en dat er een bespreking heeft plaatsgevonden met enkele stafleden van het NIFP. In dat overleg bleek dat er op het vlak van de toerekeningsvatbaarheid geen overeenstemming kon worden bereikt over de risicotaxatie.

Dwangverpleging is de zwaarste maatregel dat ons wetboek kent en heeft een heel sterk ultimum remedium-karakter. Gelet op het scala van verschillende bevindingen vind ik niet dat je gemotiveerd kunt overgaan tot oplegging van TBS met dwangverpleging. Daarbij wijs ik nog op de opmerking van [betrokkene 3] ter terechtzitting van 23 oktober 2019, dat het recidiverisico door oplegging van deze maatregel in theorie vergroot zou kunnen worden. Dat is belangrijk, zeker als je er vanuit gaat dat er geen enkele invulling aan kan worden gegeven aan hoe die dwangverpleging eruit moet komen te zien. U moet vooruitzien hoe het zal gaan in een TBS-kliniek. Hoe gaat dat als iemand totaal niet kan meewerken. De verdachte zegt zelf ook dat hij niet gestoord is.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]. Gelet op de bepleitte vrijspraak van de verkrachting, verzoek ik de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging merk ik op dat dat oordeel is verbonden aan de strafmodaliteit in de hoofdzaak. Ik refereer me dus ten aanzien hiervan.

De rechtbank heeft al een beslissing genomen over het beslag.”

3.11.

Het door de verdachte ter terechtzitting van 9 juni 2020 voorgelezen, handgeschreven stuk houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Wat betreft het bewijsminimum dat door W. Korteling (advocaat) naar voren was gebracht wil ik van mijn kant nader toelichten. Allereerst wil ik opmerken dat tijdens de eerst proforma zitting van 24 oktober 2017 de voorzitter aangaf, zoals in het proces-verbaal ook was opgenomen, dat het bewijs voor verkrachting uiterst dun is! Wat dat bewijs dan ook mogen zijn, het is mij nooit voorgehouden of er naar bevraagt. Al geloof ik niet dat er ook echt bewijs tegen mij is, omdat de verkrachting waarvan ik word beticht nooit had plaatsgevonden. Daarom begrijp ik de veroordeling in eerste aanleg ook niet. Wel heb ik begrepen uit het pleidooi van Willem Korteling, dat de rechtbank in eerste aanleg in haar vonnis steun had geput uit de emotionele reactie van aangeefster, nadat zij in het Stay-Okay haar verhaal deed, die op de beelden zouden te zien zijn. Tijdens de vorige inhoudelijke behandeling van het hoger beroep, had ik die beelden voor het eerst gezien. In tegenstelling tot wat de advocaat Willem Korteling in zijn pleidooi beweerd dat er geen sprake zou zijn van een traan wegpinken en alle andere emotionele handelingen die hij tegensprak. Had ik bij het zien van de beelden één en al emotie van aangeefster waargenomen. Dit deel van het pleidooi van Willem Korteling dat hij namens mij had gevoerd, zonder dat hij dat met mij had overlegt, slaat naar mijn mening helemaal nergens op! Ik zelf denk dat de emotie/paniek die op de beelden te zien waren, voortvloeisels zijn van het filmpje dat ik had gemaakt tijdens de seksuele handelingen. In de verklaring die van [betrokkene 5] was afgenomen, kunt u lezen dat het haar (aangeefster) te doen was om het filmpje. Volgens [betrokkene 5] zagen de emotie / paniek om het filmpje, dat ik van haar had gemaakt. De verklaringen van [betrokkene 5] kunnen niet anders worden geduid. Dat bied steun voor de verklaring van mijn kant, namelijk dat zij boos / in paniek was vanwege het filmpje dat ik had gemaakt. Daarnaast had W. Korteling het nagelaten, zoals ik hem ernaar had verzocht haar te bevragen; hoe het kan dat zij pas na dik drie kwartier bij het Stay-Okay was gearriveerd? Nadat zij zoals zij ook aangaf voor 10 uur bij mij was vertrokken uit het Abba Hotel. Overigens jammer dat de politie de camerabeelden van het Abba Hotel niet hadden veilig gesteld! De route die zij beliep zoals ik haar had aangegeven bedraagt niet langer dan 10 minuten. Ik vraag mij dan af; wat had zij in de tussentijd van dik een half uur gedaan..?”

3.12.

Het arrest van 23 juni 2020 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2018, 10 september 2018, 28 maart 2019, 23 oktober 2019, 7 november 2019, 16 januari 2020 en 9 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

In verband met dit laatste merkt het hof het volgende op. De verdachte heeft, onder andere in zijn wrakingsverzoek, met stelligheid afstand genomen van zijn voormalige raadsman, mr. Korteling, en van hetgeen deze ter verdediging van de verdachte op de zitting van 23 oktober 2019 naar voren heeft gebracht. Het hof heeft aan de opvolgend raadsman, mr. Van Vliet, op de zitting van 9 juni 2020 gevraagd duidelijk te maken of en, zo ja, welke, verweren/standpunten die mr. Korteling op de zitting van 23 oktober 2019 had gevoerd/ingenomen, wenste te handhaven. Mr. Van Vliet heeft bij pleidooi alleen ten aanzien van de gevorderde TBS met dwangverpleging uitdrukkelijk verwezen naar de pleitnota van mr. Korteling. Voor het overige heeft hij zelf verweer gevoerd zonder zich uit te laten over de verweren en standpunten van mr. Korteling. Het hof beschouwt die verweren en standpunten dan ook als niet gehandhaafd en vindt in die verweren en standpunten hier en daar slechts aanleiding tot ambtshalve overwegingen.”

3.13.

Het eerste deel van de klacht onder (a) houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte “met stelligheid afstand heeft genomen van zijn voormalige raadsman, mr. Korteling, en van hetgeen deze ter verdediging van de verdachte op de zitting van 23 oktober 2019 naar voren heeft gebracht” onjuist, althans niet zonder meer begrijpelijk is.

Uit de processen-verbaal in hoger beroep blijkt dat de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2019 heeft aangegeven dat er geen tijd is geweest om het pleidooi dat mr. Korteling ter terechtzitting van 23 oktober 2019 heeft gevoerd van tevoren door te nemen, dat hij teleurgesteld is over dat pleidooi (zo heeft mr. Korteling volgens de verdachte onder meer “de zwakke bewijsvoering amper getackeld” en heeft hij nagelaten de aangeefster te bevragen over het één en ander) en dat hij slechts tevreden is met diens verweer met betrekking tot de oplegging van de TBS-maatregel. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 januari 2020 blijkt dat de verdachte afscheid heeft genomen van zijn raadsman mr. Korteling omdat hij van hem niet de verdediging kreeg die hij wilde en waarom hij had gevraagd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juni 2020 blijkt dat mr. Van Vliet het pleidooi van mr. Korteling met de verdachte heeft kunnen bespreken. (Wat dat gesprek heeft opgeleverd, vertelt het proces-verbaal niet). Uit het proces-verbaal blijkt dat mr. Van Vliet op zitting kort het woord tot verdediging heeft gevoerd. Daarbij is hij ingegaan op het gebrek aan bewijs voor de tenlastegelegde verkrachting en heeft hij bepleit dat verdachte geen TBS met dwangverpleging wordt opgelegd. Bij dat laatste heeft de raadsman expliciet en “integraal” verwezen naar de argumenten die mr. Korteling in diens pleitnota bij de zitting van 23 oktober 2019 heeft genoemd. De verdachte heeft op diezelfde zitting van 9 juni aangevoerd dat hij van zijn kant het bewijsminimum dat door mr. Korteling naar voren is gebracht nader wil toelichten. Gelet op het voorgaande acht ik met de steller van het middel het oordeel van het hof dat de verdachte “met stelligheid afstand heeft genomen van zijn voormalige raadsman, mr. Korteling, en van hetgeen deze ter verdediging van de verdachte op de zitting van 23 oktober 2019 naar voren heeft gebracht” zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Er is in elk geval geen afstand genomen van het gehele pleidooi van mr. Korteling.

3.14.

In de klacht onder (a) wordt ook opgekomen tegen de in het bestreden arrest opgenomen overweging van het hof dat het hof aan de opvolgend raadsman, mr. Van Vliet, ter terechtzitting van 9 juni 2020 heeft gevraagd duidelijk te maken of, en zo ja welke, verweren/standpunten die mr. Korteling op de zitting van 23 oktober 2019 had gevoerd/ingenomen, hij wenste te handhaven.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juni 2020 blijkt niet dat het hof deze vraag (in deze of andere bewoordingen) heeft gesteld. Aangezien dit proces-verbaal de kenbron is van al hetgeen tijdens een terechtzitting is voorgevallen, ben ik het met de steller van het middel eens dat het ervoor moet worden gehouden dat het hof deze vraag niet heeft gesteld.1

3.15.

Het hof heeft in zijn arrest betekenis gehecht aan de omstandigheid dat mr. Van Vliet op de zitting van 9 juni 2020 zelf heeft gepleit en in het kader van dat pleidooi enkel bij zijn verweer tegen het opleggen van een TBS met dwangverpleging heeft verwezen naar de argumenten van mr. Korteling genoemd in diens pleidooi van 23 oktober 2019. Doordat mr. Van Vliet zich niet heeft uitgelaten over andere standpunten en verweren van zijn voorganger heeft het hof die andere standpunten en verweren van mr. Korteling “dan ook” als niet gehandhaafd beschouwd.

In het middel wordt ook tegen dit oordeel van het hof opgekomen. Naar mijn mening tevergeefs. Het gewraakte oordeel van het hof past bij het uitgangspunt dat van de verdediging in strafzaken wordt verlangd dat zij de door haar gevoerde verweren op de terechtzitting concreet benoemt door deze uitdrukkelijk voor te dragen.2 In hoger beroep geldt dat ook voor verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd en die de verdediging in appel wenst te handhaven. Die verweren moeten dan uitdrukkelijk worden herhaald.3 De verdediging mag er voor de rechter geen zoekplaatje van maken. Ik kan niet inzien waarom dat in een situatie als de onderhavige, waarin door een andere raadsman 7,5 maand eerder ook al is gepleit, anders zou zijn. De opvolgend raadsman dient dan duidelijk aan te geven welke verweren en standpunten wel of niet worden gehandhaafd. In het onderhavige geval heeft de opvolgend raadsman slechts bij één onderdeel van zijn pleidooi expliciet en integraal verwezen naar hetgeen zijn collega 7,5 maand eerder heeft betoogd. Over andere onderdelen van het betoog van diens voorganger heeft hij er het zwijgen toe gedaan. Onder die omstandigheden is het niet meer dan logisch dat de rechter oordeelt dat de andere verweren en standpunten niet langer worden gehandhaafd. Uiteraard staat het de zittingsrechter vrij om hier op zitting nog eens expliciet navraag naar te doen, maar als dat niet is gebeurd kan - en wat mij betreft: zal - het dan gaan zoals in het deze zaak is gegaan.

In de toelichting op het middel wordt in dit verband nog aandacht gevraagd voor de omstandigheid dat in deze zaak de samenstelling van het gerechtshof na de zitting van 23 oktober 2019 ongewijzigd is gebleven. Wanneer het hof dan in zijn eindarrest het op 23 oktober 2019 gevoerde pleidooi grotendeels terzijde schuift, zou het hof in strijd met art. 422 en art. 350 Sv niet (voldoende) hebben beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 oktober 2019. Die redenering gaat naar mijn oordeel mank. Het gerechtshof laat in zijn arrest juist wel degelijk zien oog te hebben voor hetgeen op de zitting van 23 oktober 2019 is gebeurd. Het hof stelt enkel vast dat hetgeen de toenmalige raadsman op die zitting aan verweren heeft geformuleerd en aan standpunten heeft ingenomen, gelet op het pleidooi van de opvolgende raadsman op de zitting van 9 juni 2020 (grotendeels) is achterhaald c.q. ingeslikt. In mijn ogen heeft het hof dus beraadslaagd zowel naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 oktober 2019, als naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juni 2020. Van een schending van art. 422 Sv is dan ook geen sprake.4 Ik voeg daar nog aan toe dat in hetzelfde art. 422 Sv is bepaald dat de beraadslaging in hoger beroep ook geschiedt naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg. Hiervoor heb ik er al op gewezen dat in eerste aanleg gevoerde verweren die in appel worden gehandhaafd ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk dienen te worden herhaald. Als dat laatste niet is gebeurd, kan niet met succes worden betoogd dat de appelrechter niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en aldus art. 422 Sv niet is nagekomen. Het is de verantwoordelijkheid van de verdediging om helder aan te geven welke verweren worden gevoerd en welke standpunten worden betrokken. Als de verdediging daarin tekort schiet, kan niet worden gezegd dat de rechter niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.

3.16.

Mocht de Hoge Raad het anders zien en van oordeel zijn dat het hof in het onderhavige geval niet conform art. 422 Sv heeft beraadslaagd naar aanleiding van het (gehele) onderzoek op de terechtzitting en in het bijzonder niet naar aanleiding van het gehele onderzoek op de terechtzitting van 23 oktober 2019, dan leidt dat alleen dan tot nietigheid wanneer de verdachte door dat verzuim in enig belang is geschaad.5Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2019 gehechte pleitnotities heeft mr. Korteling aldaar een aantal verweren gevoerd. Hetgeen hij toen heeft aangevoerd omtrent (i) het onvoldoende voorhanden bewijs om tot bewezenverklaring te komen van de tenlastegelegde verkrachting, (ii) de onbetrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, (iii) de vordering van de benadeelde partij en (iv) de op te leggen straf, zou kunnen worden begrepen als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. In de toelichting op het cassatiemiddel wordt betoogd dat de verdachte in zijn belangen is geschaad doordat het Hof die verweren niet (in volle omvang) heeft getoetst. Ik zie dat niet. Het hof heeft in zijn arrest in voldoende mate aan alle onderwerpen waarop deze verweren betrekking hebben, overwegingen gewijd. Ik voeg daaraan toe dat het hof niet op ieder detail van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hoeft te reageren.

3.17.

Wat betreft de onder (i) en (ii) genoemde bewijsverweren heeft het hof in zijn arrest immers overwogen:

“De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de aan hem in zaak B onder 1 tenlastegelegde verkrachting op grond van het volgende. Er is gerede twijfel, nu de verklaringen van de aangeefster tegenstrijdig zijn en voor wat betreft de geweldshandelingen geen steun vinden in het dossier. De emotionele reactie van de aangeefster, zoals die is te zien op de camerabeelden van het Stay Okay-hotel, kan veroorzaakt zijn door het feit dat de verdachte de aangeefster heeft gefilmd tijdens de orale penetratie dan wel door het feit dat zij teleurgesteld was dat het bij orale seks is gebleven en geen vaginale penetratie heeft plaatsgevonden. Het filmen door de verdachte duidt er hoe dan ook op dat het geen verkrachting was, want het is onaannemelijk dat iemand een door hem zelf gepleegde verkrachting filmt.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn, nu deze steun vinden in ander, zelfstandig bewijsmateriaal, te weten het filmpje op de telefoon van de verdachte waarop de aangeefster te zien is terwijl zij de verdachte aan het pijpen is, de voorwerpen die zijn aangetroffen in de hotelkamer van de verdachte (over welke voorwerpen de aangeefster heeft verklaard), de verklaringen van getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en de camerabeelden van het Stay Okay-hotel, waarop de fysieke gemoedstoestand van de aangeefster na het voorval is te zien.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verklaringen van de aangeefster zijn op essentiële, onderdelen consistent en gedetailleerd. Bovendien vinden zij op relevante onderdelen (ook waar die niet direct zien op het tenlastegelegde, maar op de door de aangeefster geschetste context daarvan) bevestiging in ander bewijsmateriaal. Zo sluit haar verklaring dat de verdachte haar bedreigde met een rood- en zilverkleurig brandblusapparaat en dat zij – als gevolg van de diepte van verdachtes penis in haar mond – in zijn hotelkamer heeft overgegeven in een prullenbak (hetgeen niet duidt op zachtzinnig optreden van zijn kant) aan bij de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij een (slagroom)spuit in handen heeft gehad, bij de vondst in die hotelkamer van een rood- en zilverkleurige slagroomspuit en bij het daar aantreffen van een prullenbak met daarin op spuug lijkende substantie. Op de (kortdurende) opname van het pijpen van de verdachte door het slachtoffer wekt de verdachte een dwingende indruk. Voorts hebben de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] de aangeefster gezien vlak na het incident. Hun waarnemingen van de emotionele verwarring en paniek waarin de aangeefster verkeerde, sluiten aan bij de waarneming van het hof van de camerabeelden van het Stay Okay-hotel die ter terechtzitting zijn bekeken. De aangeefster toont zich op die beelden onmiskenbaar schrikachtig, huilerig en zenuwachtig. Het hof acht niet aannemelijk dat deze emoties zijn veroorzaakt door het filmen van de aangeefster door de verdachte.

Nu de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar worden geacht en deze op wezenlijke onderdelen worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen, acht het hof de tenlastegelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen.”

Het hof laat in deze overwegingen voldoende duidelijk zien waarom het van oordeel is dat er wel voldoende bewijsmateriaal beschikbaar is op basis waarvan tot een bewezenverklaring kan worden gekomen en ook heeft het – zij het summier – aandacht gehad voor de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.

3.18.

Ook aan de onder (iii) en (iv) genoemde onderwerpen heeft het hof in zijn arrest dusdanige overwegingen gewijd dat niet kan worden gezegd dat de verdachte op enigerlei wijze tekort is gedaan. Wat betreft de vordering van de benadeelde partij kan dat ook moeilijk anders omdat er een vordering voorligt waar het hof expliciet (en gemotiveerd) op moet beslissen. Wat betreft de op te leggen straf heeft het hof vastgesteld dat de opvolgend raadsman voor de argumentatie voor het niet opleggen van een TBS met dwangverpleging expliciet heeft verwezen naar de door mr. Korteling genoemde argumenten. Het hof heeft vervolgens uitvoerige overwegingen gewijd aan zijn beslissing om toch een TBS met dwangverpleging op te leggen (zie verder hierna onder 4.3. e.v.).

3.19.

Kortom, mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat het hof in het onderhavige geval niet conform art. 422 Sv heeft beraadslaagd naar aanleiding van het (gehele) onderzoek op de terechtzitting, dan behoeft dat niet tot nietigheid te leiden omdat de verdachte door dat verzuim niet in enig belang is geschaad. In het bestreden arrest heeft het hof voldoende begrijpelijk uiteengezet waarom het de verdachte en zijn raadsman niet heeft gevolgd in de verweren en andersluidende standpunten.

3.20.

Het middel, waarin onder (a) wordt geklaagd dat het hof niet (voldoende) heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 23 oktober 2019, nu het hof ten onrechte, althans niet zonder meer begrijpelijk, de op deze zitting door mr. Korteling gevoerde verweren en ingenomen standpunten als niet gehandhaafd heeft beschouwd en daarom grotendeels onbesproken heeft gelaten, faalt.

3.21.

In het middel wordt onder (b) geklaagd dat het hof is afgeweken van de ter terechtzitting d.d. 23 oktober 2019 uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over het ontbreken van voldoende steunbewijs voor (met name de belastende onderdelen van) de verklaringen van de aangeefster c.q. over de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van die standpunten hebben geleid, althans doordat het hof onvoldoende gemotiveerd aan de in dit verband gevoerde verweren voorbij is gegaan.

3.22.

Hierover kan ik kort zijn. Uit hetgeen ik hiervoor onder de nummers 3.16. en 3.17. heb besproken en geciteerd volgt dat ik van oordeel ben dat ook dit onderdeel van het middel faalt.

3.23.

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

In het middel wordt geklaagd dat het hof art. 6 EVRM en/of art. 37 en 37a Sr en/of art. 359 jo. 415 Sv heeft geschonden, doordat het oordeel van het hof dat aan de verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd, onbegrijpelijk is, althans dat dit oordeel steunt op gronden die deze beslissing niet (zonder meer) kunnen dragen en aldus ontoereikend is gemotiveerd.

4.2.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2019 heeft de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. Korteling, uitvoerig bepleit dat het gerechtshof zijn oordeel over het opleggen van een tbs-maatregel niet zal baseren op de bevindingen en conclusies uit de rapportage van het PBC. Op de terechtzitting van 9 juni 2020 heeft de opvolgend raadsman mr. Van Vliet expliciet naar dat pleidooi verwezen. Het pleidooi dat mr. Korteling over de tbs voerde, luidde als volgt:

TBS

35. Dan resteert de bespreking van de tbs maatregel. Ook die maatregel moet niet worden opgelegd. Ik zal daar uitgebreider bij stil staan, hoewel dit überhaupt pas een thema werd na een ambtshalve plaatsing in het PBC door uw hof.

36. Ik zal mij wat betreft het advies over een mogelijke tbs maatregel eerst schuldig maken aan 'scorebordstrafrecht'. Ik tel de adviezen en oordelen. Eerst over de procespartijen.

37. In eerste aanleg heeft de officier van justitie niet gerept en niet gevorderd dat aan cliënt een maateregel zou worden opgelegd, de verdediging heeft daar niet om verzocht. De rechtbank heeft daar niets over overwogen en dat ook niet opgelegd. Alleen cliënt is in appel gegaan en het OM is niet in appel gegaan. De AG heeft in appel niet (spontaan) gevorderd dat cliënt zou worden geplaatst in het PBC. En de verdediging meent nog steeds dat een dergelijke maatregel niet moet worden opgelegd. Tot nu toe is geen enkele procespartij geneigd tot oplegging van deze maatregel. De beslissing van uw hof weten we over twee weken, maar dit is de stand tot dusver.

38. Dan de deskundigen en hun rapporten, waaraan door rechtscolleges vaak veel waarde wordt gehecht als die onderzoeken deugdelijk, goed gemotiveerd en compleet zijn uitgevoerd. Ik kijk eerst naar de oudste onderzoeken (die niet de verkrachting erin hebben betrokken) in deze zaak: psychiater [betrokkene 1] (6 mei 2016) rept met geen woord over tbs maatregel en adviseert dat dan ook niet. Psycholoog [betrokkene 2] (18 maart 2016) heeft ook geen woord gewijd aan tbs maatregel en zij adviseert dat dus ook niet (zij verwacht weinig van een klinische opname, schrijft zij). Toen is kinder- en jeugdpsychiater nog benoemd om aanvullend te rapporten, maar vanwege onvolledig onderzoek (en medewerking) kwam deze psychiater niet tot een advies. Dan is er het rapport van het PBC, met name gebaseerd op oude rapportages en zonder medewerking van cliënt, dat wel komt tot een advies van tbs met dwangverpleging. Tot slot zijn er de uitgebreide rapportages van psychiater [betrokkene 4] en psycholoog [betrokkene 3], waaraan cliënt wel heeft meegewerkt (net als bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2]). Ook zij komen tot de conclusie dat geen tbs moet worden opgelegd aan cliënt. Samengevat: 4 deskundigen die uitgebreid onderzoek hebben gedaan met medewerking van cliënt die niet komen tot tbs. Een onthouder. En alleen het PBC dat met gebrekkig onderzoek wel concludeert tot tbs. De cijfers spreken voor zich. Tot zover het scorebordstrafrecht.

PBC

39. Maar ook kijkend naar de inhoud van de rapporten, waaraan cliënt heeft meegewerkt, is geen aanleiding om tbs op te leggen. Ik zal dat toelichten. Voordat ik dat doe, een aantal kritische kanttekeningen over de aanloop naar de plaatsing in het PBC en over de inhoud van het rapport Van het PBC.

40. Het begon allemaal op 7 maart 2018, de zitting bij uw hof. Op die zitting werd cliënt niet bijgestaan door zijn eigen advocaat, maar door een waarnemer; in wie hij kennelijk geen vertrouwen had, omdat die advocaat niet het woord mocht voeren van cliënt. Om die reden heeft cliënt op die zitting zijn 'eigen verdediging' gevoerd. Juist op die dag werd het belangrijke thema door uw hof ambtshalve aangesneden, met uiteindelijk grote gevolgen. Client bevond zich op die dag en de periode daarna in een zeer kwetsbare positie, zonder de rechtsbijstand die hij wenste. Bij lezing van het pv van die zitting wordt dat ook pijnlijk duidelijk. Cliënt had geen idee wat een plaatsing in het PBC inhield. Er was immers al verwarring over plaatsing in een zogenaamd PPC (penitentiair psychiatrisch centrum). Bovendien had conform artikel 317 lid 2 Sv een oordeel van een of meer deskundigen moeten worden ingewonnen voor de plaatsing in het PBC; dat is niet gebeurd, alleen de procespartijen zijn slechts gehoord, terwijl cliënt op die dag dus niet werd bijgestaan door zijn advocaat die ook niets mocht zeggen. Een en ander betekent een tekortkoming van zijn rechten, maar resulteerde er ook in dat hij onvoldoende was voorgelicht over en inzicht had in deze observatie. Gebrek aan medewerking van cliënt verbaast dan ook niet. Ook kan worden gezegd dat deze suggestie van uw hof over de observatie in het PBC in feite uit de lucht kwam vallen voor cliënt, gelet op de voorgeschiedenis in eerste aanleg die ik zojuist heb geschetst. De totstandkoming en plaatsing in het PBC is dan ook gebrekkig; hetgeen ook gevolgen heeft voor het onderzoek zelf.

41. Uiteindelijk heeft het er na lange tijd in geresulteerd dat cliënt is geplaatst in het PBC, gedurende een periode van slechts 4 weken vanwege logistieke redenen, zo valt te lezen in het rapport. Dat is korter dan de normale duur; hetgeen ongetwijfeld slechte invloed heeft gehad (die duur is er niet voor niets). Bovendien heeft cliënt niet of nauwelijks meegewerkt en zijn de bevindingen van de rapporteurs met name gebaseerd op oudere rapportages en oudere informatie, zonder dat dit getoetst kon worden bij cliënt. Deze rapportages die ook volgens uw hof ouder waren en die niet zagen op de verdenking van verkrachting. Dat was de hele reden dat de observatie plaats moest vinden.

42. Dit heeft ertoe geleid dat de rapporteurs van het PBC over belangrijke onderwerpen geen antwoorden hebben gekregen omtrent het gedrag van cliënt: bijvoorbeeld over zijn drugsgebruik (p.51), maar ook over zijn seksualiteitsontwikkeling (p.51). Allerlei belangrijke vragen daarover zijn blijven bestaan, terwijl cliënt juist om die reden (de verdenking van het zedendelict) aldaar werd geobserveerd. "Er zijn nog veel vragen over de seksualiteitsbeleving van betrokkene, waardoor een delictscenario met bijbehorende dynamiek niet kan worden beschreven. De seksuele ontwikkeling van betrokkene is niet bekend', aldus het rapport zijn er hierover dus veel vragen blijven bestaan, terwijl dit dus het springende punt was om cliënt in het PBC te laten onderzoeken.

43. Niet alleen hierover bestaat onduidelijkheid bij de onderzoekers. Ook over de eventuele mate van toerekening bestaat onzekerheid. “Deze verschillende scenario 's maken ook dat verschillende dynamieken mogelijk zijn, en de mate van doorwerking van de beschreven pathologie ook kan verschillen, van licht verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar".

44. Daarnaast is het voor de onderzoekers heel erg moeilijk en onzeker om een uitspraak te doen over het risico op herhaling bij een dergelijk type delict. “Aangezien er geen zicht gekomen is op de seksualiteitsbeleving van betrokkene en hij de verkrachting ontkent te hebben gepleegd, kan er geen klinische risico-inschatting gedaan worden van het risico op seksueelgrensoverschrijdend gedrag. Er is onvoldoende informatie over of betrokkene vrouwvijandig is, of hij eenzaam is, of impulsief gedrag vertoont en over zijn seksualiteit. Zonder deze factoren mee te nemen in de overweging, komt betrokkene op een matig recidiverisico. Wanneer meer informatie beschikbaar zou zijn geweest, zou dit risico nog hoger kunnen uitvallen”'. Wat resteert is een gemankeerde inschatting op basis van statistieken, terwijl cruciale informatie voor hen ontbreekt. Hiervan mag niet worden uitgegaan, zeker niet als daartegenover wel een compleet plaatje ligt.

45. En zelfs over de conclusie en het advies bestaat onduidelijkheid en onzekerheid. Conclusie van het PBC is dat cliënt langdurig met vaste behandelaren behandeld moet worden, terwijl dat juist haaks lijkt te staan op het vonnis van de rechtbank en alle andere rapportages die voorhanden zijn (vrij vertaald: dit soort zorg is een contra-indicatie voor cliënt: niet doen, heeft een averechts effect). Over het uiteindelijk advies is het PBC ook niet eenduidig. Tbs met voorwaarden kan, volgens de rapporteurs, overwogen kan worden, maar tbs met dwangverpleging is dan toch het uiteindelijke advies.

46. Een gebrekkig, niet goed gemotiveerd en incompleet rapport met veel onzekerheden op belangrijke punten. Verzoek van de verdediging is om uw oordeel niet op deze bevindingen en conclusies te baseren. De reden om hem daar naartoe te sturen (verdenking zedendelict) is immers niet goed onderzocht.

Overige rapportages

47. Gelukkig hebben er hierna onderzoeken plaatsgevonden door een psychiater en psycholoog die wel volledig, deugdelijk en goed gemotiveerd zijn en waaraan cliënt heeft meegewerkt. Alleen al om die reden dient aan die laatste rapporten meer waarde te worden gehecht. Nog even terug naar 7 maart 2018, de dag van de zitting bij uw hof. In het proces-verbaal van die zitting is toen door uw hof overwogen: "Kortom, in de onderhavige zaak (WK: verkrachtingszaak) is geen gedragskundig rapport over u opgemaakt, terwijl het van belang is te kunnen vaststellen in welke mate een misdrijf als verkrachting – bij een bewezenverklaring -, aan de verdachte kan worden toegerekend. Het komt voor dat een deskundige adviseert de verdachte TBS op te leggen. Het hof wil over een en ander nader geadviseerd worden.” Duidelijk, uw hof wilde nader geïnformeerd worden over de mate waarin een misdrijf als verkrachting, bij bewezenverklaring, aan cliënt kan worden toegerekend en of daar dan een tbs advies bij hoort.

48. Ik zoom in op de rapportages van [betrokkene 4] en [betrokkene 3], omdat zij, met het oog op de opdracht van uw hof om meer zicht te krijgen op het zedendelict, daar een gedegen uitspraak over kunnen doen. Zij hebben daarover wel voldoende antwoorden gekregen waar het PBC met vragen bleef zitten. Het volgende is daarbij van belang.

49. Allereerst de bevindingen van [betrokkene 4]. “Bij het ten laste gelegde in zaak B sub 1 en 2, de verkrachting en het heimelijk filmen, lijkt er met name sprake te zijn van opportunistische motieven. Betrokkene lijkt aangeefster toevallig te zijn tegengekomen. Toen hij haar vervolgens zoende en aangeefster in eerste instantie geen weerstand bood, is het verdergegaan. Betrokkene lijkt, indien deze feiten bewezen worden geacht, willens en wetens aangeefster onder druk te hebben gezet om sexueel contact te hebben. Er is in het onderzoek ook geen sexuele stoornis vastgesteld bij betrokkene. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in zaak B sub 1 en 2, indien bewezen, volledig toe te rekenen aan betrokkene. Omdat het volledig aan hem kan worden toegerekend, is het niet mogelijk volgens [betrokkene 4] om een onderbouwde uitspraak te doen over een specifiek recidiverisico op dit vlak.

50. [betrokkene 3] zit wat dit betreft op één lijn met [betrokkene 4]: “Bij de beoordeling van de doorwerking van de stoornis in dit tenlastegelegde wordt overwogen dat er bij betr. geen aanwijzingen zijn voor seksuele problematiek, dat betr. vanuit de reactieve hechtingsstoornis en de persoonlijkheidsstoornis niet belemmerd wordt in zijn vermogen om consensuele seks te hebben met een vrouw en haar (seksuele)grenzen te respecteren, en dat er aldus geen doorwerking van de stoornis in dit tenlastegelegde kan worden aangetoond. Op grond van deze overwegingen wordt geconcludeerd dat het sub 1 en 2 tenlastegelegde — indien bewezen — betr. volledig kunnen worden toegerekend".

51. Met betrekking tot het recidive-risico wordt het volgende overwogen. Gegeven de conclusie dat het sub 1 tenlastegelegde in Zaak B betr. volledig kan worden toegerekend, en dat de overige ten laste gelegde feiten betr. in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend, kunnen er vanuit gedragskundig perspectief geen betekenisvolle uitspraken worden gedaan over de kans op recidive van vergelijkbare feiten als thans tenlastegelegd. Omdat betr. ten tijde van het sub 1 tenlastegelegde in Zaak B niet vanuit zijn pathologie werd belemmerd in zijn wils- en keuzevrijheid, en ten tijde van de overige tenlastegelegde feiten slechts in beperkte mate werd belemmerd in zijn wils- en keuzevrijheid, is hij logischerwijs ook in de toekomst goeddeels vrij en in staat om (morele) afwegingen te maken, consequenties van zijn handelen te overzien, lessen te trekken uit zijn ervaringen, en in vergelijkbare situaties te kiezen voor maatschappelijk acceptabele gedragsalternatieven (om aan geld te komen). Men zou daarbij kunnen overwegen dat het, gelet op het habituele, patroonmatige karakter van de straatroven waarvoor hij eerder is veroordeeld en die hem nu in Zaak A tenlastegelegd worden, voor de hand lijkt te liggen dat hij deze antisociaalgekleurde levensstijl voortzet en er ook in de toekomst voor zal kiezen om op deze manier aan zijn geld te komen. Het sleutelwoord in deze 'common sense '- redenering is echter het woord kiezen': omdat zijn pathologie slechts in beperkte mate doorwerkt in de ten laste gelegde straatroven is er goeddeels sprake van een min of meer vrije keuze, die voldoende ruimte laat om in de toekomst, andere keuzes te maken, ook om aan geld te komen. Mocht hij die andere, legale keuzes toch niet gaan maken, dan is dat vooral vanuit opportunistische overwegingen en motieven, waarvoor hij ook in de toekomst (strafrechtelijk) goeddeels verantwoordelijk kan worden gehouden. Een beoordeling van het recidiverisico aan de hand van de resultaten van gestructureerde risicotaxatie-instrumenten (zoals de HCR-20v3 en de Static/Stab/e/Acute) is in deze betekenisloos, omdat deze beoordeling, bij afwezigheid van de mogelijkheid van een klinische risicotaxatie (gegeven de beperkte doorwerking van de pathologie in het tenlastegelegde (in Zaak A en bij het sub 3 en 4 tenlastegelegde in Zaak B) respectievelijk de afwezigheid van enige doorwerking van de pathologie in het tenlastegelegde (bij het sub 1 en 2 tenlastegelegde in Zaak B)) in dat geval wordt gereduceerd tot het scoren van een aantal algemene, statistisch/actuariële, niet geïndividualiseerde factoren, op grond waarvan geen betekenisvolle uitspraken kunnen worden gedaan over de individuele pathologische delictgevaarlijkheid van betr, en die in het individuele geval nauwelijks voorspellende waarde hebben (zoals ook bij herhaling is aangetoond in toonaangevend, 'state of the art' wetenschappelijk onderzoek, rapp.).

52. Uw hof vond het van belang te weten in welke mate het zedendelict kan worden toegerekend. U hebt daarover duidelijke antwoorden gekregen, te weten volledig. Dat zeggen twee deskundigen die wel een volledig onderzoek hebben kunnen verrichten en die wel antwoord hebben gekregen op hun vragen over de seksuele ontwikkeling en beleving van cliënt in tegenstelling tot het PBC. In dit licht wilde uw hof ook nadere informatie of daar een advies tot tbs bij hoort. Ook dat antwoord krijgt u van deze twee deskundigen: neen, geen tbs!

53. [betrokkene 4] schrijft over dat advies: “Omdat er alleen voorzaak B sub 3 en 4 (brandstichting subsidiair vernieling en mishandeling) sprake is van een substantiële doorwerking van de gebrekkige ontwikkeling/stoornis van betrokkene en in de andere zaken niet of enigszins, zou een TBS advies met dwangverpleging niet op zijn plaats zijn. Deze behandeling richt zich immers op de behandeling van de stoornis die onderliggend is aan het recidiverisico. Bovendien is het niet ondenkbeeldig dat betrokkene zich doorzijn persoonlijkheidsproblematiek gaat verzetten tegen de behandeling”.

54. En [betrokkene 3] over dat advies: Gegeven de conclusie dat betr.'s problematiek betr.'s wils- en keuzevrijheid ten tijde van het tenlastegelegde slechts in beperkte mate, respectievelijk niet, heeft aangetast en er aldus vanuit gedragskundig perspectief geen betekenisvolle uitspraken kunnen worden gedaan over de kans op recidive, zijn er geen gronden om een advies voor begeleiding en/of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen. Dit alleen al vanwege de overweging dat, gegeven de beperkte rol die betr. 's problematiek heeft gespeeld bij de totstandkoming van het tenlastegelegde (in Zaak A en bij het sub 3 en 4 tenlastegelegde in Zaak B) en de afwezigheid van enige doorwerking van de problematiek in het (in Zaak B, sub 1 en 2) tenlastegelegde, behandeling van die problematiek, voor zover die gelet op betr.'s wantrouwen en geringe motivatie al van de grond zou komen, voorspelbaar genoeg niet tot een substantiële reductie van de kans op recidive zou (kunnen) leiden, en om die reden nut en noodzaak van een (gedwongen) behandeling ontbreken.

55. Een rechter of raadsheer is in staat kritisch te zijn op zijn of haar eigen vooroordelen. Een rechter of raadsheer kan vóór een zitting ontstane opvattingen loslaten op grond van gedegen en juridische argumenten. Misschien is dat nodig in de onderhavige zaak (gezin de voorgeschiedenis met de ambtshalve plaatsing in het PBC). Gelet wat ik zojuist heb bepleit, gezien de rapporten van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en gezien de gebreken die kleven aan het rapport van het PBC, wordt verzocht geen tbs met dwangverpleging op te leggen aan deze cliënt die ten tijde van de feiten nog zeer jong was. Natuurlijk cliënt is geen modelburger. Cliënt heeft te kampen met psychische problemen door zijn levensloop. Hij liet gedragsproblemen zien. Hij had zijn leven niet op orde. Maar dat zijn stuk voor stuk geen redenen om een tbs maatregel op te leggen, volgens vele deskundigen. Het vermoeden is dat dat ook een averechts effect kan hebben.”

4.3.

Het hof heeft dat verweer als volgt samengevat en verworpen, althans de oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging als volgt gemotiveerd:

“De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 tot en met 5 en in zaak B onder 1, 3 primair en 4 subsidiair bewezenverklaarde bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 tot en met 5 en in zaak B onder 1, 3 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging.

De raadsman (d.w.z. mr. Korteling, naar wiens pleidooi mr. Van Vliet heeft verwezen voor wat betreft het standpunt van de verdediging over de gevorderde TBS met dwangverpleging) heeft het hof verzocht af te zien van oplegging van TBS met dwangverpleging en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Over de verdachte zijn zes rapporten uitgebracht. In vier van deze rapporten hebben de deskundigen – naar aanleiding van onderzoeken waaraan de verdachte heeft meegewerkt – niet tot oplegging van TBS geadviseerd. Het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), waarin wel oplegging van TBS met dwangverpleging is geadviseerd, dient terzijde te worden geschoven omdat bij de onderzoekers onduidelijkheid is blijven bestaan over het gedrag van de verdachte, de mate van toerekening van de feiten aan de verdachte, het gevaar voor herhaling en zelfs over de conclusie en het advies. Het rapport is gebrekkig, niet goed gemotiveerd en incompleet. Daarentegen zijn de rapporten van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] – alsmede die van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] – wel duidelijk over de mate van toerekening van de delicten en het advies. De adviezen van deze deskundigen dienen te worden gevolgd. De verdachte heeft verklaard dat hij geen TBS-maatregel opgelegd wil krijgen, omdat hij niet zit te wachten op behandeling en alleen open staat voor hulpverlening bij praktische zaken. Gelet hierop zal geen invulling aan een TBS-maatregel kunnen worden gegeven en kan de kans op recidive in theorie, zoals toegelicht door deskundige [betrokkene 3] ter terechtzitting in hoger beroep, zelfs toenemen.

In aanvulling hierop heeft mr. Van Vliet betoogd dat hij niet beschikt over de rapporten van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en dat deze rapporten in de onderhavige zaak niet bruikbaar zijn.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2019 betoogd dat hij ‘per se’ TBS met dwangverpleging opgelegd wil krijgen. Op de terechtzitting van 9 juni 2020 is hij teruggekomen van dat standpunt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

[…]

TBS met dwangverpleging

Over de persoon van de verdachte zijn diverse rapporten opgemaakt die zich in het dossier bevinden. Twee daarvan, de rapporten van de gedragsdeskundigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], zijn van 2016 en niet opgemaakt in de onderhavige strafzaak, zodat het hof die buiten beschouwing laat.

Het hof heeft acht geslagen op de volgende rapporten:

- een rapport van 31 december 2018 van het Pieter Baan Centrum (PBC), opgemaakt door onder anderen [betrokkene 7], psychiater, en [betrokkene 8], GZ-psycholoog;

- een rapport van 8 mei 2019, opgemaakt door [betrokkene 3], psycholoog;

- een rapport van 17 mei 2019, opgemaakt door [betrokkene 4], psychiater;

- een aantal reclasseringsrapporten.

Het rapport van het PBC houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in:

Betrokkene heeft slechts beperkt medewerking verleend aan het onderzoek. Op basis van referenten, dossierinformatie en de gesprekken is echter wel een betrekkelijk uitgebreid beeld ontstaan van zijn levensgeschiedenis.

Betrokkene werd op zijn 15e gediagnosticeerd met een hechtingsstoornis en in die tijd stond zijn persoonlijkheidsontwikkeling onder druk. In de P.J.-rapportages in 2016 wordt nog steeds een hechtingsstoornis gesteld en ook een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken. Door de jaren heen is een eenduidig beeld van betrokkenes gedrag beschreven, uitmondend in de diagnose van 2016. Aangezien betrokkene sindsdien geen behandeling heeft gehad, is aannemelijk dat deze diagnose nog geldend is.

Het patroon van instabiliteit en ernstig disfunctioneren op alle belangrijke levensgebieden rechtvaardigt de classificatie van de stoornis van een persoonlijkheidsstoornis. Aangezien echter in het huidige onderzoek niet de exacte karakteristieken van de persoonlijkheidsstoornis konden worden bepaald, wordt thans classificerend gesproken van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Voor het begrijpen van betrokkene is echter de subtiliteit van de onderliggende dynamiek die is voortgekomen uit de onveilige hechting meer van belang en meer zeggend dan de classificerende diagnose.

Aangezien betrokkene niet over de vermeende verkrachting bevraagd kon worden, zijn de vragen hierover, zoals die naar het bestaan van cognitieve vervormingen rondom seksualiteit, zijn beeld van vrouwen, seksualiteit als coping en de mogelijke fusie van agressie en seksualiteit blijven bestaan. Ten aanzien van de tenlastegelegde afpersingen is waarschijnlijk sprake van licht verminderde toerekenbaarheid (op basis van een vijfpuntschaal). Ten aanzien van de verkrachting zijn verschillende scenario 's denkbaar. Het kan zijn dat sprake is van seksualiteit als coping van agressie waarbij agressie en frustratie geseksualiseerd worden uitgeleefd. Het kan ook zijn dat betrokkene in het contact met de aangeefster verkeerde verwachtingen kreeg en vervolgens werd afgewezen, waarna hij mogelijk in de bekende dynamiek terecht is gekomen van herhaald afgewezen worden en de self fulfilling prophecy (projectieve identificatie) heeft uitgereageerd.

Hoewel dit feit meer passend lijkt in de beschreven dynamiek van afwijzing, is primair instrumentele opportunistische lustbeleving ook niet uit te sluiten.

Deze verschillende scenario ’s maken dat verschillende dynamieken mogelijk zijn, en de mate van doorwerking van de beschreven pathologie ook kan verschillen van licht verminderd tot verminderd toerekenbaar.

Bij het spugen en brand stichten zou sprake zijn van verminderde toerekenbaarheid.

De dynamiek die betrokkene door zijn leven heen heeft laten zien, zal zich naar alle waarschijnlijkheid blijven herhalen als hij niet behandeld gaat worden. Dat maakt dat hij zijn leven niet adequaat zal kunnen organiseren, waardoor hij in dezelfde situatie zal blijven verkeren als ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Ondanks dat zijn intelligentie beschermend kan werken en betrokkene goodwill van anderen krijgt, zal de kans op herhaling hoog blijven. Aangezien er geen zicht is op de seksualiteitsbeleving van betrokkene en hij de verkrachting ontkent te hebben gepleegd, kan geen klinische risico-inschatting gedaan worden van het risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag. Wanneer echter de risicotaxatie-instrumenten static99R en stable-2007 bij de beoordeling worden betrokken en deze instrumenten worden gecombineerd, is sprake van een hoog recidiverisico.

Vanuit de vroege problematiek van een gestoorde hechting, resulterend in een dynamiek van positieve identificatie, is een langdurige behandeling noodzakelijk. Daarbij moet door vaste behandelaren langdurig in betrokkene geïnvesteerd worden. De beschreven dynamiek zal zich in de behandelsetting (bij herhaling) gaan voordoen, waardoor samenwerkingsrelaties heftig onder druk kunnen komen te staan en betrokkene tot bizar gedrag kan komen om anderen te dwingen op afstand te blijven. Bepaalde geneesmiddelen zouden betrokkene in enige mate rustiger en ontvankelijker kunnen maken, al is dit geen panacee voor zijn problematiek.

Bij TBS met voorwaarden zal betrokkene het contact afbreken en zich niet schikken naar de voorwaarden. Daardoor kunnen enkel binnen het kader van een TBS met dwangverpleging de omstandigheden gecreëerd worden waarbinnen bovenstaande behandeling vormgegeven kan worden.

Psychiater [betrokkene 4] en psycholoog [betrokkene 3] hebben de verdachte in het kader van een contra-expertise onderzocht. De verdachte heeft aan beide onderzoeken meegewerkt. [betrokkene 4] en [betrokkene 3] hebben in hun rapporten dezelfde stoornissen, zij het specifieker omschreven – als een reactieve hechtingsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken – bij de verdachte vastgesteld als de gedragsdeskundigen van het PBC. Ook zijn beide gedragsdeskundigen tot de conclusie gekomen dat deze stoornissen hooguit in verminderde mate in de tenlastegelegde feiten hebben doorgewerkt. Ten aanzien van de verkrachting hebben zij geadviseerd dit feit volledig aan de verdachte toe te rekenen. Mede op grond daarvan hebben [betrokkene 4] en [betrokkene 3] zich onthouden van een uitspraak over de kans op (specifieke) recidive. [betrokkene 4] heeft geadviseerd een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. [betrokkene 3] heeft niet geadviseerd tot begeleiding en/of behandeling in een strafrechtelijk kader, en heeft gesteld dat het zwaartepunt moet liggen bij praktische begeleiding en coaching van de verdachte na afloop van zijn detentie.

De standpunten van enerzijds [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en anderzijds [betrokkene 7] en [betrokkene 8] van het PBC, lopen, zoals uit het voorgaande blijkt, uiteen waar het betreft de mate van toerekenbaarheid van de verkrachting, de risicotaxatie en de (advisering over de) afdoening van de zaak. Om die reden is [betrokkene 3] ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2019 als deskundige gehoord ([betrokkene 4] was toen verhinderd). Bij die gelegenheid heeft [betrokkene 3] zich zeer kritisch uitgelaten over de bevindingen van het PBC voor wat betreft de door het PBC als hoog ingeschatte kans op herhaling en op het advies TBS met dwangverpleging op te leggen. Zakelijk weergegeven, komt zijn verklaring op het volgende neer:

Aangezien er geen aanwijzingen zijn voor seksuele problematiek bij de verdachte, is evenmin sprake van doorwerking daarvan, zodat de verkrachting, indien bewezen, volledig aan de verdachte kan worden toegerekend. Dat brengt mee dat geen voorspellingen kunnen worden gedaan over toekomstig seksueel strafbaar gedrag. De andersluidende conclusie van het PBC berust op een wankele basis omdat de voorspellende waarde van (de gebruikte) risicotaxatieinstrumenten betrekkelijk klein is, de verdachte aan het onderzoek in het PBC slechts beperkt heeft meegewerkt en het een kunstfout is dan toch te concluderen tot een hoog risico op seksueel overschrijdend gedrag.

[betrokkene 3] heeft voorts benadrukt dat een (gedwongen) behandeling geen invloed heeft op het recidiverisico als een stoornis geen rol speelt bij het plegen van het strafbare feit, alsmede dat de verdachte enorme aversie heeft tegen behandelaars en dat een gedwongen kader bij de verdachte frustratie zal opwekken en het recidiverisico in theorie kan vergroten.

Op de terechtzitting van 9 juni 2020 zijn [betrokkene 8] en [betrokkene 7] als deskundigen gehoord. Zij hebben vooropgesteld te blijven bij hun standpunten over de doorwerking van de stoornissen van de verdachte in de tenlastegelegde feiten, het geschatte recidiverisico en het advies TBS met dwangverpleging op te leggen. Daaraan hebben zij, samengevat, het volgende toegevoegd:

Een seksuele stoornis is geen vereiste om tot de conclusie te komen dat een seksueel delict slechts in verminderde mate aan de dader kan worden toegerekend. Die verminderde toerekening kan evengoed gebaseerd zijn op een andersoortige stoornis. Verder sluiten de bevindingen in het rapport van [betrokkene 3] over het functioneren van de verdachte – in het bijzonder de dynamiek waarbij angst, wantrouwen, verlating en krenkbaarheid een uitlokkende en bepalende rol spelen in zijn gedrag – aan bij die van het PBC en daarbij past verminderde toerekening van de verkrachting in plaats van volledige toerekening.

Het gebruik van de onderhavige risicotaxatie-instrumenten is al langere tijd gangbaar binnen het PBC, is conform de erkende wetenschappelijke inzichten en voldoet aan alle daaraan te stellen eisen.

Een gedwongen behandeling in het kader van TBS met dwangverpleging zal geen sinecure zijn, vanwege de weerstand van de verdachte tegen behandelaars en zijn gebrek aan ziekte-inzicht, maar een behandeling in een minder gedwongen kader heeft geen kans van slagen, terwijl het zeer noodzakelijk is dat aan de problematiek van de verdachte wordt gewerkt.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verdachte ten tijde van de feiten leed aan een reactieve hechtingsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken. Voorts is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte slechts in (licht) verminderde mate kunnen worden toegerekend. Dat geldt dus ook voor de in zaak B onder 1 bewezenverklaarde verkrachting. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van het advies van [betrokkene 7] en [betrokkene 8] op dit punt. Daarvoor is bovendien, zoals [betrokkene 7] en [betrokkene 8] hebben benadrukt, steun te vinden in het rapport van [betrokkene 3] waar deze (voorafgaande aan zijn conclusies) heeft opgemerkt (p. 48-49 van zijn rapport):

De primaire hechtingsstoornis heeft ervoor gezorgd dat betrokkene verstrikt is gebleven in een primair egocentrische positionering en sterk antisociaal gekleurde levensvoering die in het teken staat van basaal wantrouwen, in het bijzonder jegens autoriteitsfiguren tegen wie hij zich structureel verzet, de afwezigheid van enige duurzame binding (met zijn eigen gevoelswereld en met de mensen om hem heen), een patroon van oppervlakkige, vluchtige (seksuele) contacten met vrouwen, overgevoeligheid voor krenking, miskenning en afwijzing die met iedere teleurstelling en vermeende miskenning geactiveerd wordt, het gebrek aan vorm, structuur en richting in zijn leven, de zelfoverschatting en morele vrijblijvendheid die met name geactiveerd wordt wanneer hij zich miskend, tekortgedaan en afgewezen voelt, en die bijdraagt aan de structurele opportunistische, antisociale keuzes die hij maakt om in het geïsoleerde leven dat hij leidt aan geld te komen.

De conclusie van [betrokkene 3] dat de verdachte niet vanuit zijn pathologie werd belemmerd in zijn wils- en keuzevrijheid lijkt daar naar het oordeel van het hof haaks op te staan.

Voorts hebben [betrokkene 7] en [betrokkene 8] hun inschatting van het recidiverisico gemotiveerd onderbouwd en ook het hof is van mening dat de kans op herhaling aanzienlijk is. Het hof verwijst daarbij naar het al genoemde uittreksel uit de Justitiële Documentatie en aan het ogenschijnlijke gebrek aan inzicht bij de verdachte in het laakbare van zijn handelen. Het ontbreken van enig empathisch vermogen moet mogelijk worden toegeschreven aan zijn stoornis(sen), zodat hem daarvan moeilijk een verwijt kan worden gemaakt, maar dit doet aan het voorgaande niet af. Daarnaast is komen vast te staan dat de verdachte niet ontvankelijk is voor hulp en behandeling en alleen open staat voor begeleiding indien hem dat op praktisch gebied dienstig is. De persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte maakt echter intensieve behandeling noodzakelijk. De ISD-maatregel of TBS met voorwaarden zijn (ook) naar het oordeel van het hof niet toereikend omdat de ISD-maatregel niet aansluit bij de aard van de problematiek van de verdachte en de verdachte niet in staat kan worden geacht zich te houden aan voorwaarden. In dit verband verwijst het hof naar de bemoeienis die de reclassering (blijkens de vele daarvan opgemaakte rapporten) heeft gehad met de verdachte, welke bemoeienis telkens afketste op de weerstand van de verdachte, die zich niet wilde of kon voegen naar enig kader van samenwerking op basis van gemaakte afspraken. Waar de reclassering aanvankelijk nog de ISD-maatregel als een geschikte sanctie zag voor de verdachte, is zij daar later van teruggekomen en heeft zij zich op het standpunt gesteld dat begeleiding/behandeling in een ambulant kader of in het kader van bijzondere voorwaarden geen reële optie meer was. Dat brengt mee dat alleen TBS met dwangverpleging als mogelijkheid resteert om de maatschappij adequaat te beveiligen en om de noodzakelijke behandeling van de verdachte vorm te geven. Anders dan de raadsman ziet het hof dan ook geen ruimte voor een minder verstrekkende sanctie.

Het hof stelt concluderend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan: bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de feiten sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, de door hem gepleegde afpersingen, verkrachting en brandstichting betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de algemene veiligheid van personen en goederen vereist oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. De enkele omstandigheid dat, zoals namens de verdachte is betoogd, de beslissing tot plaatsing van de verdachte in het PBC op gebrekkige gronden zou hebben plaatsgevonden, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Verkrachting is een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet gemaximeerd is.”

4.4.

Hiervoor heb ik het pleidooi van de raadsman en de daarop gegeven reactie en overwegingen van het hof integraal geciteerd. Ik heb daar bewust voor gekozen. Uit de lange citaten blijkt dat de raadsman veel werk heeft gemaakt van een betoog dat ertoe strekt dat aan de verdachte geen tbs wordt opgelegd. Het hof heeft dat betoog op juiste wijze samengevat en heeft vervolgens de verschillende rapportages naast elkaar gelegd, vergeleken en gewaardeerd. Uiteindelijk heeft het hof, anders dan bepleit, toch een tbs met dwangverpleging opgelegd. Daartegen richt zich het tweede middel.

4.5.

Vooropgesteld zij dat de beslissing tot het opleggen van een tbs-maatregel behoort tot het domein van de strafrechter. Hij kan daartoe besluiten op grond van de ernst van het/de door de verdachte gepleegde strafbare feit(en) en de omstandigheden waaronder dat/die is/zijn begaan, mits de strafrechter van oordeel is dat onder meer aan de in de artikelen 37 (oud) en 37a (oud) Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Het is goed om nog eens te benadrukken dat geen rechtsregel vereist dat de maatregel alleen kan worden opgelegd indien en voor zover de in die artikelen bedoelde deskundigen opname in een tbs-inrichting met dwangverpleging adviseren.6 Bovendien is de rechter bij zijn beslissing over de vraag of de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd, niet gebonden aan de in art. 37 lid 2 (oud) Sr bedoelde rapporten en adviezen die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht omdat de waardering van die rapporten en adviezen aan hem is voorbehouden. Het is aan diezelfde rechter om te beoordelen of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van terbeschikkingstelling eist. Die beoordeling is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.7 Datzelfde geldt voor het oordeel of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege moet worden verpleegd.8

4.6.

De steller van het middel betoogt dat de keuze van het hof om op basis van het door de verdediging bestreden PBC-rapport de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd. Dat wordt via een drietal invalshoeken betoogd. In de eerste plaats wordt gesteld dat het hof zichzelf tegenspreekt in zijn overwegingen. Het hof heeft namelijk enerzijds overwogen geen acht te zullen slaan op de “rapporten van de gedragsdeskundigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]”, omdat deze “van 2016 [zijn] en niet opgemaakt in de onderhavige strafzaak, zodat het hof die buiten beschouwing laat”, terwijl het hof anderzijds zich bij de tbs-oplegging baseert op de inhoud van het PBC-rapport, aan de totstandkoming waarvan de verdachte slechts in beperkte mate heeft meegewerkt, en welke PBC-rapporteurs hebben aangegeven zich om die reden goeddeels te hebben moeten verlaten op de P.J.-rapportages uit 2016 (die het hof buiten beschouwing heeft willen laten), terwijl het hof mede die onderdelen van het PBC-rapport heeft gebruikt voor zijn motivering van de tbs-oplegging.

4.7.

Aldus geformuleerd lijkt de steller van het middel het gelijk aan zijn zijde te hebben. Strikt genomen heeft het hof blijkens zijn arrest zelf geen (direct) gebruik gemaakt van de terzijde geschoven PJ-rapportages uit 2016, maar via het PBC-rapport worden die rapportages wel weer (indirect) in de zaak betrokken. Dat heeft iets tegenstrijdigs. Een blik over de papieren muur leert echter dat de soep wat minder heet moet worden gegeten dan hij nu in het middel is opgediend. Zo blijkt uit het rapport van het PBC dat de rapporteurs van het PBC voor het opstellen van hun rapportage onder meer hebben geput uit meer dan 25 rapporten met informatie over de persoonlijkheid van de verdachte.9 Daarbij gaat het om rapporten van de reclassering, van de raad voor de kinderbescherming, van meerdere psychiaters (waaronder inderdaad [betrokkene 1]) en meerdere psychologen (waaronder inderdaad [betrokkene 2]). Alleen al deze hoeveelheid informatie relativeert het bezwaar van de steller van het middel. Daar komt bij dat uit de door het gerechtshof aangehaalde passages uit het rapport van het PBC blijkt dat het beeld over de persoonlijkheid van de verdachte door de jaren heen eigenlijk weinig is veranderd.

“Betrokkene werd op zijn 15e (plv-AG: dat was in 2010) gediagnosticeerd met een hechtingsstoornis en in die tijd stond zijn persoonlijkheidsontwikkeling onder druk. In de P.J.-rapportages in 2016 wordt nog steeds een hechtingsstoornis gesteld en ook een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken. Door de jaren heen is een eenduidig beeld van betrokkenes gedrag beschreven, uitmondend in de diagnose van 2016.”

Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat die diagnose tot op zekere hoogte gelijk is aan die van de later gerapporteerd hebbende deskundigen [betrokkene 4] en [betrokkene 3], aan wiens rapportages de verdachte wel heeft meegewerkt.

“[betrokkene 4] en [betrokkene 3] hebben in hun rapporten dezelfde stoornissen, zij het specifieker omschreven – als een reactieve hechtingsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken – bij de verdachte vastgesteld als de gedragsdeskundigen van het PBC.”

Ook inhoudelijk dient het bezwaar van de steller van het middel dus te worden gerelativeerd. Ik concludeer derhalve dat er in feite niet zo heel veel aan de hand is. Het hof heeft zelf de PJ-rapportages uit 2016 niet gebruikt en er zijn geen aanwijzingen dat die rapportages via het PBC-rapport een bepalende invloed hebben gehad op het oordeel van het hof.

4.8.

In de tweede plaats wordt door de steller van het middel betoogd dat het hof onvoldoende is ingegaan op het uitvoerig onderbouwde standpunt van de verdediging dat het PBC-rapport “gebrekkig, niet goed gemotiveerd en incompleet” is, waardoor dat rapport geen grond kan bieden voor een tbs-oplegging. Het hof volstaat volgens de steller van het middel met de dooddoener dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de PBC-rapporteurs en het sluit af met de overweging dat de “enkele omstandigheid dat de beslissing tot plaatsing van de verdachte in het PBC op gebrekkige gronden zou hebben plaatsgevonden” niet tot een ander oordeel noopt. Dit oordeel behoeft nadere motivering tegen de achtergrond dat, zoals de raadsman ook heeft aangevoerd, het advies berust op een observatie van (te) korte duur, terwijl het advies mede is gebaseerd op oude informatie die het hof juist buiten beschouwing heeft willen laten.

4.9.

Uit de door het hof aangehaalde passages uit het rapport van het PBC blijkt allereerst dat het PBC voorzichtig, terughoudend en genuanceerd rapporteert met aandacht voor de beperkingen van het onderzoek. Het is te kort door de bocht om te stellen dat een rapport dat in totaal 89 pagina’s beslaat “gebrekkig, niet goed gemotiveerd en incompleet” is. Als gezegd, uit de door het hof aangehaalde passages blijkt dat het PBC oog heeft voor de beperkingen van het onderzoek die overigens vooral lijken te zijn ontstaan doordat de verdachte (overwegend) heeft geweigerd aan het onderzoek mee te werken. Daarmee is niet gezegd dat het rapport niet zou deugen. In dit verband merk ik ook op dat over het gegeven dat de opname in het PBC korter is geweest dan gebruikelijk in het rapport is te lezen dat het “voor het onderzoek niet nodig (bleek) om betrokkene langer in het PBC te laten verblijven dan de resterende vier weken die gepland waren.” Dat is een inschatting van deskundigen.

4.10.

Ik zie niet goed in hoe de steller van het middel tot het oordeel komt dat het hof op de argumenten van de verdediging tegen het gebruik van het rapport van het PBC met een dooddoener heeft gereageerd door het gebruik van de woorden dat het hof geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de PBC-rapporteurs. Die kwalificatie doet geen recht aan de wijze waarop het hof zich heeft laten informeren door op de openbare terechtzitting een drietal gerapporteerd hebbende deskundigen (waaronder twee van het PBC) te horen en te bevragen over hun bevindingen en over het verschil in de rapportages. Uit het arrest van het hof blijkt dat het hof de verschillende rapportages nauwkeurig heeft gewogen en in het bijzonder ook kritisch is over het rapport van [betrokkene 3]. Uiteindelijk heeft het hof een de verdediging onwelgevallige keus gemaakt. Dat staat het hof vrij.

4.11.

In de derde plaats betoogt de steller van het middel dat de keuze voor het PBC-rapport als grond voor oplegging van een tbs-maatregel onbegrijpelijk is gelet op het bestaan van de latere dubbelrapportage van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] waaraan de verdachte wel volledige medewerking heeft verleend, omdat het de nadrukkelijke bedoeling van de wetgever is dat de rechter, waar mogelijk, bij zijn oordeel over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de oplegging van een tbs-maatregel, gebruik maakt van recente rapportages en(/of) van rapportages aan de totstandkoming waarvan de betrokkene bereid is geweest om medewerking te verlenen. Mij lijkt dat deze interpretatie van de bedoeling van de wetgever geen steun vindt in de wetsgeschiedenis. Als de steller van het middel bedoelt te zeggen dat de wetgever heeft willen bewerkstelligen dat de strafrechter zoveel mogelijk de totstandkoming van rapportages bevordert waaraan de verdachte zijn medewerking verleend, dan heeft hij een punt. Maar dat is iets anders dan dat de rechter zoveel mogelijk gebruik zou moeten maken van rapportages waaraan de verdachte daadwerkelijk heeft meegewerkt. Dat past niet bij de vooropstellingen zoals hiervoor geformuleerd onder randnummer 4.5.

4.12.

Ik concludeer dat het hof met zijn hiervoor aangehaalde overwegingen toereikend heeft gemotiveerd waarom het de maatregel van tbs met een bevel tot verpleging van overheidswege heeft opgelegd. Uit die motivering blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden die art. 37 (oud) en art. 37a (oud) Sr aan de oplegging van die maatregel stelt. Tot een verdere motivering was het hof niet gehouden.

4.13.

Het middel faalt in alle onderdelen.

5 Slotsom

5.1.

De door de verdachte voorgestelde middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende formulering.

5.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv-AG

1 Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 710 en zie bijvoorbeeld ook HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. T.M. Schalken. In dit arrest volgt de Hoge Raad het door de advocaat-generaal Knigge krachtig bepleitte standpunt om te breken met de zogenoemde discrepantieregel. Door die regel kon er bijvoorbeeld licht zitten tussen de verklaring van de verdachte in het proces-verbaal van de terechtzitting en de weergave daarvan in het vonnis of arrest. Ik houd het erop dat sinds dit arrest bij discrepantie tussen de uitspraak en het proces-verbaal van de terechtzitting, het proces-verbaal telt (behoudens evidente misslagen).

2 Vgl. bijvoorbeeld HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1340, NJ 2015/299 m.nt. Rozemond, rov 2.5.: “Uitgangspunt in strafzaken is dat de rechter dient te beraadslagen en te beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Dat brengt mee dat verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ter terechtzitting dienen te worden voorgedragen. Geen rechtsregel verplicht de rechter dan ook te beslissen op verweren of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die aldaar niet uitdrukkelijk zijn voorgedragen.”

3 Zie bijvoorbeeld HR 7 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8914, NJ 2002/428 m.nt. J.de Hullu.

4 De Hoge Raad heeft in 1933 geoordeeld dat het bestanddeel ‘naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting’ “niet anders kan betekenen dan dat de rechter mede heeft te letten op hetgeen bij dat onderzoek omtrent het tenlastgelegde is gebleken”. Vgl. I.M. Abels in Melai, Groenhuijsen, aant. 8 bij art. 350 Sv, actueel t/m 1 oktober 1989 en zie HR 30 januari 1933, NJ 1933, p. 588. Daarmee wordt enerzijds gewaarborgd dat in de uitspraak slechts gebruik wordt gemaakt van ter terechtzitting ter sprake gekomen gegevens en wordt anderzijds gewaarborgd dat de rechter aandacht besteedt aan ter terechtzitting voorgedragen verweren. Zie HR 16 september 1996, NJ 1997/121, m.nt.’t H onder NJ 1997/122. Vgl. HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4829, NJ 2009/60 en zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 934 en 935.

5 Zie o.m. HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9214, NJ 2006/666, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:709, NJ 2015/187 en HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1232, NJ 2015/371 m.nt. Keulen.

6 Vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3162, NJ 2009/324 en HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:575, NJ 2021/157.

7 Vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1645, NJ 2009/73.

8 Vgl. HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6012.

9 Ik merk op dat de lijst van beschikbare stukken die is opgenomen op p. 9 en 10 van de PBC-rapportage incompleet lijkt. Zo blijkt uit p. 33 e.v. dat het PBC nog veel meer informatie over de verdachte ter beschikking had.