Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:803

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
19/04277
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv-AG. Dagvaardingsperikelen bij verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Voor de terechtzitting in hoger beroep is geen afschrift van de dagvaarding verzonden aan een postadres in Polen. Art. 588a (oud) Sv verlangt dat ook niet. Verdachte kan in dit specifieke geval bovendien worden geacht afstand te hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04277

Zitting 7 september 2021

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is op 10 december 2013 bij verstek door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, voor 1. de voortgezette handeling van het medeplegen van vrijheidsberoving en diefstal met geweld en 2. de voortgezette handeling van het medeplegen van gijzeling en afpersing veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Verder heeft het hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen voorwerpen.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1.

De steller van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte op de voorgeschreven wijze is gedagvaard voor de zitting in hoger beroep van 26 november 2013 terwijl uit de stukken niet blijkt dat die dagvaarding overeenkomstig het bepaalde in art. 588 lid 2 (oud) Sv naar het adres van de verdachte in Polen is verzonden.

2.2.

Uit de toelichting op het middel blijkt dat het de steller van het middel niet om slechts één adres in Polen is te doen, maar om twee adressen, namelijk “ [a-straat 1] , [plaats] ”1 en “ [b-straat 1] , [plaats] ".2 Betoogd wordt dat uit de betekeningsstukken niet kan volgen dat de dagvaarding in hoger beroep “per gewone post naar deze adressen in het buitenland is verstuurd”.3

3. De Poolse adressen4

3.1.

Het gaat in de onderhavige zaak om in augustus 2010(!) door drie Poolse mannen gepleegde gewelddadige feiten. De politie weet al snel twee van de drie aan te houden. Verzoeker in cassatie is één van hen. In diens kleding treft de politie onder meer een Pools ID-bewijs aan dat op naam staat van [betrokkene 1] , wonende te [a-straat 1] , [plaats] (hierna: adres I).5 De politie vermoedt al direct dat het ID-bewijs vals is, hetgeen later wordt bevestigd in een proces-verbaal van 18 november 2010 van het Team Forensische Opsporing.6 In zijn eerste verhoor op 17 augustus 2010 om 12:45 uur verklaart de verdachte onder de naam [betrokkene 1] : “Ik woon op het adres dat ik heb opgegeven.”7 Volgens het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal is dat opgegeven adres [a-straat 1] [plaats] .8 In een volgend verhoor later op die dag (17 augustus 2010 om 17:30 uur) verklaart de verdachte: “Ik woon in België.”9 Negen dagen daarna, op 26 augustus 2010, verklaart de verdachte dat zijn echte naam is [verdachte] en dan zegt hij: “Ik ben dakloos. Zonder vaste woon– of verblijfplaats.”10 In een verhoor van 10 september 2010 herhaalt de verdachte die laatste naam als zijnde zijn echte naam en ook verklaart hij dan: “Ik sta nergens ingeschreven, ook niet in Polen.”11 Uit het politiedossier kan worden afgeleid dat de echte naam van de verdachte inderdaad [verdachte] is.

3.2.

In eerste aanleg heeft de onderhavige zaak in totaal zeven keer bij de rechtbank Zutphen op de rol gestaan. De verdachte is in die fase van de procedure voorlopig gehecht. Boven de van die zittingen opgemaakte processen-verbaal wordt hij op verschillende wijzen aangeduid, eerst alleen als “ [betrokkene 1] ” (proces-verbaal van 10 november 2010) en daarna vrijwel steeds als “ [verdachte] alias [betrokkene 1] ”. De adresaanduiding is consequent het detentie-adres in het huis van bewaring, vaak ook met de toevoeging “zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande”. Op een drietal zittingen is de verdachte niet verschenen. Op de vijfde zitting van de rechtbank op 22 juni 2011 is de verdachte wel verschenen en geeft hij een postadres in Polen op. De griffier noteert [b-straat 1] , [plaats] en neemt dit adres als postadres op in het kopje van het proces-verbaal van die terechtzitting. Dat is éénmalig. Daarna keert dit postadres, waarvan de schrijfwijze strikt genomen is [b-straat 1] , [plaats]12 (hierna: adres II), in geen enkel zittingsproces-verbaal of ander op de verdachte betrekking hebben stuk terug.13 Nadat de zaak op 13 december 2011 door de rechtbank inhoudelijk is behandeld en de officier van justitie tegen de onderhavige verdachte onder meer een gevangenisstraf heeft geëist van vijf jaren, gelast de rechtbank twee dagen na de zitting, op 15 december 2011, de opheffing van de voorlopige hechtenis. Die beslissing wordt op 16 december 2011 in persoon aan de verdachte in het huis van bewaring in Arnhem uitgereikt. Boven de aan de verdachte in persoon uitgereikte beslissing van de rechtbank én op de door de verdachte ondertekende akte van uitreiking prijkt de naam [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats] en adres I. Bij vonnis van 27 december 2011 wordt de verdachte door de rechtbank integraal vrijgesproken. In de kop van het vonnis staan als personalia van de verdachte vermeld: [verdachte] (alias [betrokkene 1] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

3.3.

Op 4 januari 2012 stelt de officier van justitie hoger beroep in tegen de vrijspraak. Op de akte van het hoger beroep staan als personalia en adres vermeld: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats] en wonende op adres I. Dit adres heeft de rechtbank nimmer in een kop van één van de zeven processen-verbaal van de terechtzitting opgenomen en evenmin in haar eindvonnis. Het openbaar ministerie daarentegen heeft adres I van begin af aan de verdachte gekoppeld. Het adres is, zoals hiervoor onder 3.1 is vermeld, afkomstig van de bij de verdachte aangetroffen valse ID-card op naam van [betrokkene 1] . In het computersysteem van het openbaar ministerie is op enig moment wel de naam (en de geboortedatum en geboorteplaats) van de verdachte gewijzigd van [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] ) in [verdachte] (geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats] , maar zijn de adresgegevens (van [betrokkene 1] ) ongewijzigd gebleven, hoewel de verdachte zelf heeft verklaard dat hij nergens is ingeschreven, ook niet in Polen. Hoe het ook zij, vanaf het moment dat de voorlopige hechtenis van de verdachte is opgeheven en hij niet meer op zijn detentieadres kon worden bereikt, hebben de justitiële autoriteiten uitsluitend nog gewerkt met adres I én het gegeven dat de verdachte niet over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland beschikt.

4 De aan de Hoge Raad toegezonden stukken

Tussen de op grond van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich onder meer:

(i) Een proces-verbaal van de (vijfde) terechtzitting in eerste aanleg van 22 juni 2011, waaruit blijkt dat de verdachte als postadres heeft opgegeven: adres II.

(ii) Een akte hoger beroep d.d. 4 januari 2012 waarop als woonadres van de verdachte staat vermeld adres I. Dit adres is ook als woonadres van de verdachte opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2013 en in het arrest van het hof van 10 december 2013.

(iii) Een e-mailwisseling tussen een medewerker van het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden en medewerkers van het Internationaal Rechtshulpcentrum Noord-Oost Nederland (hierna: IRC). De medewerker van het ressortsparket heeft op 2 augustus 2013 aan het IRC medegedeeld dat het parket twee zaken heeft waarin een dagvaarding naar Polen moet en heeft gevraagd welke termijn het parket moet hanteren om de zaak op zitting te plannen, zodat het parket tijdig een correcte betekening ontvangt. Een medewerker van het IRC heeft daarop op 5 augustus 2013 geantwoord dat “het” uiterlijk dertig dagen voor de zitting in Polen moet liggen en dat het IRC meestal een termijn van drie à vier maanden hanteert zodat er voldoende tijd is, omdat de stukken aan hen moeten worden toegezonden, geboekt, vertaald en worden doorgezonden naar Polen. Op 5 augustus 2013 zijn de zaken gepland voor de zitting van 26 november. Op 4 september 2013 is aan het IRC een e-mail gestuurd met als bijlage twee rechtshulpverzoeken voor Polen, met het verzoek deze via de juiste instanties te laten betekenen voor de zitting van 26 november 2013 en de betekende stukken per e-mail te retourneren.

(iv) Een rechtshulpverzoek d.d. 4 september 2013 van het ressortsparket Arnhem gericht aan de bevoegde autoriteiten van Polen. Het rechtshulpverzoek houdt – kort gezegd – in dat de advocaat-generaal te Arnhem verzoekt om het bijgevoegde gerechtelijk schrijven aan de betrokkene (zijnde de verdachte in de onderhavige zaak) te doen toekomen. Daarbij heeft de betreffende advocaat-generaal opgemerkt dat zij gelet op de datum waarop de betrokkene geacht wordt te verschijnen – dinsdag 26 november 2013 10.30 uur – verzoekt om zo spoedig mogelijk aan het verzoek gehoor te geven. Verder heeft de advocaat-generaal aangegeven dat zij het bewijs van uitreiking graag ontvangt en dat zij, indien de uitreiking niet heeft kunnen plaatsvinden, daarvan graag de reden ontvangt.

(v) Een ID-staat SKDB d.d. 9 september 2013 waaruit blijkt dat de verdachte niet is ingeschreven op een GBA-adres, niet is gedetineerd en geen “laatst opgegeven woon- of verblijfplaats” heeft.

(vi) Een appeldagvaarding van de verdachte d.d. 4 september 2013 om te verschijnen op de terechtzitting van 26 november 2013. Op deze dagvaarding wordt als woonadres van de verdachte vermeld adres I.

(vii) Een appeldagvaarding van de verdachte d.d. 10 september 2013 om te verschijnen op de terechtzitting van 26 november 2013. Op deze dagvaarding staat bij adres vermeld “Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande”.

(viii) Een akte van uitreiking die inhoudt dat de onder (vii) genoemde appeldagvaarding op 10 september 2013 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank omdat “van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is”.

(ix) Een ID-staat SKDB d.d. 5 november 2013 waaruit blijkt dat de verdachte niet is ingeschreven op een GBA-adres, niet is gedetineerd en geen “laatst opgegeven woon- of verblijfplaats” heeft.14

5 Bespreking van het middel

5.1.

Als gezegd wordt in het middel de stelling betrokken dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep niet op juiste wijze aan de verdachte is betekend. Uit de betekeningsstukken zou niet volgen dat de dagvaarding in hoger beroep per gewone post is verstuurd naar adres I en adres II.

5.2.

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende - in 2013 geldende - wettelijke betekeningsregels van belang.

Situatie a: er is geen enkel adresgegeven

Indien als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een basisregistratie, niet in Nederland is gedetineerd en van hem evenmin een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of in het buitenland bekend is, geschiedt de betekening van de dagvaarding aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen (art. 588 lid 1 (oud) Sv15).

Situatie b: er is een feitelijk woon- of verblijfadres in het buitenland

Indien als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een basisregistratie, niet in Nederland is gedetineerd en van hem geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, maar wel een adres in het buitenland, geschiedt de betekening van de dagvaarding door toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (art. 588 lid 2 (oud) Sv16). Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend.17

NB: In geval van toezending van de dagvaarding door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie behoeft uit de stukken slechts te blijken dat die tussenkomst is ingeroepen, maar niet dat aan het gedane verzoek is voldaan.18 Het onderzoek ter terechtzitting dient echter te worden geschorst indien hetzij blijkt dat bij de toezending van de dagvaarding aan de verdachte de ter zake geldende verdragsverplichtingen niet zijn nageleefd, hetzij het ernstige vermoeden bestaat dat de buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek tot uitreiking van de dagvaarding. De schorsing van het onderzoek ter terechtzitting dient ertoe dat het desbetreffende verzuim wordt hersteld.19

Situatie c. er is een adres opgegeven voor het toezenden van mededelingen over de strafzaak

Indien de verdachte een adres heeft opgegeven voor het toezenden van mededelingen over de strafzaak, dient een afschrift van de dagvaarding naar dit opgegeven adres te worden gezonden (art. 588a (oud) Sv20). Dit adres behoeft geen woonadres te zijn, “maar kan ook een ander adres zijn waarop de verdachte bereikt kan worden (bijvoorbeeld het adres van een familielid of dat van zijn advocaat).”21 Het kan niet alleen een postadres zijn maar ook een postbusnummer.22 Het opgegeven adres moet echter wel een adres in Nederland zijn.23 De wetgever heeft dat bewust zo bepaald. In de wetsgeschiedenis is hierover te lezen:

“De mogelijkheid die artikel 588a biedt, is beperkt tot de opgave van een adres in Nederland. Voor verdachten die hun woon- of verblijfplaats in het buitenland hebben, geldt de regeling van artikel 588, tweede lid. Er is van afgezien om ook voor deze categorie verdachten de mogelijkheid op te nemen van het opgeven van een alternatief adres in het buitenland, in aanvulling op hun woon- of verblijfplaats. Vanwege taalproblemen is het risico op fouten bij de uitvoering van zo’n regeling te groot. Een buitenlandse verdachte heeft wel de mogelijkheid om een adres in Nederland op te geven.”24

5.3.

Naast de wettelijke regeling is voor de beoordeling van het middel ook van belang de aan die regeling ten grondslag liggende gedachte dat op het openbaar ministerie een inspanningsverplichting rust om te bewerkstelligen dat de verdachte – bij voorkeur in persoon – over een aanstaande terechtzitting wordt geïnformeerd.25 De wettelijke regeling bevat de minimumeisen. “Verdergaande inspanningen dan worden voorgeschreven, mogen worden verricht om te bereiken dat het gerechtelijk schrijven in persoon wordt uitgereikt. Zo staat het het OM (…) vrij de gerechtelijke mededeling op twee adressen te doen betekenen.”26 Die inspanningsverplichting is er omdat de verdachte er recht op heeft om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dat neemt echter niet weg dat als de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats heeft en onduidelijk is of hij weet heeft van de terechtzitting, de rechter de zaak wel mag behandelen, zolang de dagvaarding maar (minimaal) overeenkomstig de wettelijke regels is betekend. Er is immers ook nog een algemeen belang dat is gediend met het afdoen van zaken binnen een redelijke termijn. Dat belang kan (uiteindelijk) zwaarder wegen dan het belang van de verdachte op berechting in zijn aanwezigheid.

5.4.

Naast de inspanningsverplichting voor het openbaar ministerie is er ook een inspanningsverplichting voor de verdachte, in het bijzonder in de fase van het hoger beroep. Zo heeft de Hoge Raad in zijn standaardarrest van 12 maart 2002 overwogen:

“3.36. Vooropgesteld dient te worden dat wanneer door of namens de verdachte appèl is ingesteld - maar overigens ook indien het beroep is ingesteld door de officier van justitie - rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken.

3.37. Daarom mag van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appèldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Dat geldt niet alleen indien de verdachte in hoger beroep is gegaan maar ook wanneer de eerder in de zaak gewezen uitspraak door de Hoge Raad is vernietigd met verwijzing of terugwijzing van de zaak naar de feitenrechter. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd - opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.”
5.5.

Terug naar het middel. De steller van het middel heeft gelijk dat de dagvaarding in hoger beroep niet per gewone post naar adres I en adres II is verzonden. Maar daarmee is niet nog gezegd dat het middel slaagt.

Adres I: [a-straat 1] , [plaats]

Uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken blijkt dat het ressortsparket op 4 september 2013 aan het IRC een voor de bevoegde Poolse autoriteiten bestemd rechtshulpverzoek heeft gemaild (met als bijlage een gerechtelijk schrijven28 bestemd voor [verdachte] , adres I) met het verzoek deze via de juiste instanties te laten betekenen voor de zitting van 26 november 2013. Deze wijze van uitreiken van een gerechtelijke mededeling wordt in art. 588 lid 2 (oud) Sv náást de rechtstreekse verzending per gewone post als gelijkwaardig alternatief genoemd. Voor zover in het middel wordt geklaagd dat uit de stukken niet blijkt dat de dagvaarding overeenkomstig het bepaalde in art. 588 lid 2 (oud) Sv naar adres II is verzonden, mist het dus feitelijke grondslag. Volledigheidshalve voeg ik hier nog aan toe dat uit de stukken niet het ernstige vermoeden rijst dat de Poolse autoriteiten geen uitvoering hebben gegeven aan het rechtshulpverzoek. Als dat wel zo zou zijn had het hof het onderzoek ter terechtzitting dienen te schorsen.

Adres II: [b-straat 1] , [plaats]

Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat (een afschrift van) de dagvaarding is verzonden aan het door de verdachte op de rechtbankzitting van 22 juni 2011 opgegeven adres II. In het proces-verbaal van die zitting is te lezen dat de verdachte dit adres heeft opgegeven als postadres. Voor zover het middel uit gaat van de opvatting dat (een afschrift van) de dagvaarding naar dit postadres in Polen had moeten worden verzonden, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in de geldende regelgeving. Uitsluitend aan in Nederland gelegen postadressen dienen afschriften van gerechtelijke mededelingen te worden verzonden. De tekst van art. 588a (oud) Sv en de wetsgeschiedenis laten over de limitatief bedoelde opsomming van art. 588a lid 1 (oud) Sv geen misverstand bestaan.

Vraag is of het gelet op de voor het openbaar ministerie geldende inspanningsverplichting om een verdachte – bij voorkeur in persoon – te informeren over een aanstaande terechtzitting in hoger beroep, niet toch op de weg van het openbaar ministerie had gelegen om ook naar het buitenlandse postadres een afschrift van de dagvaarding te sturen. Wat mij betreft moet die vraag in dit specifieke geval ontkennend worden beantwoord. Het gaat hier om een verdachte die zich ervan bewust is dat hij nergens staat ingeschreven en die er niet voor schroomt om met een vals ID-bewijs politie en justitie op het verkeerde been te zetten. Wanneer hij tussen het moment van sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en het moment waarop de rechtbank uitspraak doet in opdracht van de rechtbank op vrije voeten komt, vertrekt hij met onbekende bestemming. Zijn toenmalige raadsman heeft “na het vonnis van de rechtbank” geen contact meer met de verdachte gehad. Die raadsman is ook niet geïnformeerd over diens woon- of verblijfplaats en “diverse pogingen om via derden met hem in contact te komen hebben niets opgeleverd.”29 Dit alles levert het beeld op van enerzijds een verdachte die zich weinig gelegen laat liggen aan politie en justitie en anderzijds een verdachte die geen enkele belangstelling heeft voor de definitieve afloop van zijn strafzaak. Iemand die de officier van justitie een gevangenisstraf van vijf jaren tegen hem heeft horen eisen, kan en mag er bepaald niet op vertrouwen dat het openbaar ministerie in een algehele vrijspraak zal berusten. En met name dat laatste leidt er toe dat in dit geval van de verdachte had mogen worden verwacht dat hij zich na het vrijsprekend vonnis minimaal bereikbaar had gehouden voor zijn raadsman, dan wel andere maatregelen had genomen om te bewerkstelligen dat een eventuele dagvaarding voor een behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep hem zou bereiken. Nu hij dat heeft nagelaten mag hij worden geacht afstand te hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht bij een eventuele behandeling in hoger beroep.

5.6.

Ten slotte maak ik er volledigheidshalve nog melding van dat uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat een dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof Arnhem van 26 november 2013 met de adresomschrijving “Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande” op 10 september 2013 is betekend aan de griffier van de rechtbank Arnhem. Aangezien de verdachte niet in Nederland was ingeschreven en van hem evenmin een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was, voldoet die betekening aan de eisen van art. 588 (oud) Sv.

5.7.

Gelet op het voorgaande getuigt het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.

5.8.

Het middel faalt.

6 Slotsom

6.1.

Het middel faalt.

6.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Raadpleging van de website van de Europese Unie .

2 Raadpleging van Google Maps leert dat de juiste schrijfwijze van dit adres is [b-straat 1] , [plaats] . De steller van het middel bezigt in zijn schriftuur een niet bestaande postcode, namelijk één die bestaat uit 6 cijfers. Bedoeld zal zijn [postcode] .

3 Punt 6 van de toelichting.

4 In deze paragraaf heb ik hier en daar een blik over de papieren muur geworpen in een poging om wat meer zicht te krijgen op de adresgegevens en op hetgeen de verdachte daarover heeft verklaard.

5 Zie “Persoonsdossier [betrokkene 1] ”, p. 792-793.

6 Dossier p. 176.

7 Persoonsdossier [betrokkene 1] , p. 807.

8 Bedoeld lijkt te zijn adres I. Mogelijk heeft de verdachte het bij de politie verkeerd gezegd, maar het kan natuurlijk ook door de tolk of de politie verkeerd zijn verstaan of begrepen of gewoon domweg verkeerd zijn opgeschreven.

9 Persoonsdossier [betrokkene 1] , p. 810.

10 Persoonsdossier [betrokkene 1] , p. 831.

11 Persoonsdossier [betrokkene 1] , p. 843.

12 Zie voetnoot 2.

13 Dit door de verdachte als postadres opgegeven adres is in werkelijkheid het woonadres van de tegelijk met de verdachte aangehouden medeverdachte. Het correspondeert met de adresgegevens op diens - niet valse - identiteitsbewijzen (zie “Persoonsdossier […] ”, p. 935-936 en het proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing d.d. 18 november 2010, p. 176).

14 Het dossier bevat verder nog een aantal gelijkluidende ID-staten IKDB van latere datum in verband met pogingen tot het betekenen van de uitspraak van het gerechtshof (telkens resulterend in een griffiersbetekening).

15 Per 1 januari 2020 is deze regeling neergelegd in art. 36e Sv.

16 Thans art. 36e lid 3 Sv.

17 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.19 en HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3496, rov. 2.3.

18 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.22.

19 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.34.

20 Thans art. 36g Sv.

21 Kamerstukken II 2004/05, 29805, 3, p. 13.

22 HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2091, NJ 2010/54.

23 De Hoge Raad stelt die eis niet in zijn standaardarrest uit 2002. De wetgever heeft daar in de Wet van 23 maart 2005, Stb. 2005, 175 (i.w.tr. op 1 november 2005) niet aan gewild.

24 Kamerstukken II 2004/05, 29805, 3, p. 23. Dit wetgevingstraject is geëindigd in de Wet van 23 maart 2005, Stb. 2005, 175 (i.w.tr. op 1 november 2005).

25 Kamerstukken II 1995/96, 24692, 3, p. 11.

26 Aldus C.M. Pelser in Tekst & Commentaar, aantekening 4 onder a bij de inleidende opmerkingen op boek I, titel IIB Sv.

27 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken.

28 Dat kan niet anders dan de appeldagvaarding zijn geweest.

29 Aldus de brief van 25 november 2013 van toenmalig raadsman mr. D.J.P.M. Vermunt aan de voorzitter van de strafkamer van het hof.