Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:802

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
20/02954
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv-AG. Openlijke geweldpleging. Supportersgeweld. Conclusie strekt tot verwerping van het middel waarin wordt geklaagd over het bewezenverklaarde “in vereniging” plegen. De verdachte heeft de geweldplegende supportersgroep niet enkel getalsmatig versterkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02954 J

Zitting 7 september 2021

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 9 september 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, voor “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

In het middel wordt geklaagd over de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging. Gesteld wordt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de hiervoor vereiste “nauwe en bewuste samenwerking” en dat het hof de bijdrage van de verdachte aan het openlijke geweld ten onrechte van “voldoende gewicht” heeft geacht, althans dat het hof zijn oordeel daaromtrent ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

3 De bewezenverklaring en de bewijsvoering

3.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de nacht van 8 op 9 november 2014 te Zwolle met anderen, op de openbare weg, te weten op of aan de Ceintuurbaan en de Meppelerstraatweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen aldaar aanwezige personen (zich noemende en/of voordoende als supporters van PEC Zwolle), welk geweld bestond uit het

- in gesloten formatie en/of gekleed in donkere kleding en/of met capuchon(s) en/of bivakmuts(en) en/of masker(s) bedekte hoofden en/of gezichten en bewapend (met glazen en/of flessen en/of knuppels en/of stokken en/of al dan niet verzwaarde handschoenen)

- met versnelde pas lopen, in de richting van die personen en

- met kracht gooien van glazen en stenen in de richting van die personen en

- slaan met vuisten en/of stokken en/of knuppels en/of met (andere) (slag)wapen(s) en

- waarbij (telkens) werd geschreeuwd en/of geroepen.”

3.2.

Het hof heeft deze bewezenverklaring met gebruik van de promis-werkwijze als volgt onderbouwd en gemotiveerd:1

A.Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, nu verbalisanten niet hebben waargenomen of cliënt behoorde tot de groep Ajax supporters, dan wel dat cliënt daadwerkelijk meebewoog of heeft bijgedragen aan het in vereniging plegen van geweld.

B. Feiten 2

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], operationeel commandant, blijkt het volgende.3

Op zaterdag 8 november 2014 werd om 19:45 uur in Zwolle de eredivisiewedstrijd PEC Zwolle - FC Groningen gespeeld. Tijdens deze wedstrijd kreeg ik informatie binnen dat er mogelijk een gewelddadige confrontatie zou plaats gaan vinden tussen PEC Zwolle supporters en Ajax supporters. Er was voor Ajax supporters echter geen reden om af te reizen naar Zwolle, aangezien in dit weekend geen eredivisiewedstrijd werd gespeeld tussen PEC Zwolle en Ajax.

Uit bovengenoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt voorts het volgende. Op zaterdag 8 november omstreeks 23:00 uur (anderhalf uur na afloop van de wedstrijd PEC Zwolle - FC Groningen) kreeg verbalisant [verbalisant 1] informatie dat er zich inderdaad Ajax supporters rondom of in Zwolle zouden bevinden. Dit zou een groep van veertig à vijftig personen zijn die een confrontatie aan wilde gaan met PEC Zwolle supporters. Omstreeks 01:15 uur kwam het bericht van diverse politie-eenheden dat een grote groep, naar schatting ongeveer 50 man, in het donker gekleed vanaf de Floresstraat in Zwolle in een gesloten formatie richting de Ceintuurbaan / Oude Meppelerstraat in Zwolle liep. Leden van deze groep hadden zich vermomd met bivakmutsen en waren in het bezit van slagwapens en glaswerk. Tegelijkertijd kwam het bericht dat supporters van PEC Zwolle uit café de Vrolijkheid kwamen en ook in de richting van de Ceintuurbaan te Zwolle liepen. Dit betrof een groep van ongeveer 25 personen. De andere groep bestond uit in ieder geval 40 personen. Op dat moment vond er een zeer gewelddadige confrontatie tussen de beide groepen plaats. De 65 personen waren met elkaar aan het vechten. Er werd gevochten en er werd fors met glaswerk gegooid. Hierop werd door de politie ingegrepen en werden de betrokken personen aangehouden. Toevallig passerende burgers op de fiets of te voet werden beschermd en niet aangehouden. Dit was mogelijk doordat er vanuit de aanhoudingseenheden doorlopend zicht is geweest op de twee supportersgroepen. Hierdoor is het ook mogelijk geweest een aantal wegrennende supporters nog direct aan te houden. De locatie waar de confrontatie plaats vond is gelegen in Zwolle-Oost. In dit gedeelte van Zwolle is een bedrijventerrein gevestigd, er zijn buiten café de Vrolijkheid en Mc Donalds geen horecavoorzieningen om bijvoorbeeld uit te gaan of te gaan stappen.

Verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] relateren dat zij zich omstreeks 01:10 uur bevonden op de parkeerplaats van de Mc Donalds, gekleed in burger. Verbalisant [verbalisant 2] werd door een persoon aangesproken, die later werd herkend als [betrokkene 1]. [betrokkene 1] vroeg aan [verbalisant 2] waar de verbalisanten vandaan kwamen en of zij hen moesten hebben. Op de vraag van [verbalisant 2] wat [betrokkene 1] daar mee te maken had, antwoordde [betrokkene 1] dat het geen zin meer had, dat er niemand van hen over was en dat er geen eer meer aan te behalen was. Kort daarop zagen de verbalisanten een grote groep mensen (circa vijftig man) over de Meppelerstraatweg lopen, in de richting van de Ceintuurbaan. Meerdere mensen droegen capuchons over hun hoofd en shawls voor hun mond. Via verbindingen hoorden zij dat meerdere personen in deze groep flessen, stenen en stokken bij zich hadden.4

Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] relateren dat zij kort na 01:00 uur zagen dat vanuit de achterzijde van café de Vrolijkheid tien tot vijftien personen het café verlieten en met versnelde pas weg liepen in de richting van de Ceintuurbaan. Bij de voorzijde van het café zagen verbalisanten een groep van ongeveer vijfentwintig personen aan de linkerzijde over de Meppelerstraatweg lopen in de richting van de Mc Donalds. Deze personen waren donker gekleed, hadden lange stokken en biljartkeus bij zich en liepen met versnelde pas in de richting van de Mc Donalds. Over de Ceintuurbaan, komende uit de richting van het voetbalstadion, kwam een grote groep mensen aan lopen. De mensen in deze groep waren bijna allen in het zwart gekleed. Verbalisanten hoorden mensen in deze groep schreeuwen: 'Zwolle, Zwolle, dat is Zwolle'. De groep PEC Zwolle supporters ging hierop met versnelde pas enkele meters verder de tunnel in en er werd met de stokken en biljartkeus in de richting van de andere groep gezwaaid. De verbalisanten zagen vervolgens dat de grote groep bovenop de Ceintuurbaan vanaf boven met glas begon te gooien in de richting van de groep van PEC Zwolle. De verbalisanten hoorden beide groepen hard schreeuwen en de confrontatie met elkaar opzoeken. Op dat moment ontstond er een vechtpartij waarbij in korte tijd zeer veel excessief geweld gebruikt werd. De vechtpartij duurde ongeveer vijftien tot twintig seconden.5

Vervolgens werd er door de politie ingegrepen en werden op verschillende locaties diverse personen aangehouden, waaronder verdachte. Op 9 november 2014 omstreeks 01:31 uur werd verdachte op heterdaad als verdachte van artikel 141 Wetboek van Strafrecht aangehouden op de locatie Ossenkamp, Zwolle.6

Bij een onderzoek op de plaats delict, de Ceintuurbaan en directe omgeving te Zwolle, werden de volgende goederen aangetroffen en inbeslaggenomen: een ploertendoder, zwart breekijzer, drie biljartkeus, die afkomstig bleken van café de Vrolijkheid, een stuk baksteen, één losse zwarte handschoen met verstevigde knokkelvoering, twee paar zwarte handschoenen met verstevigde knokkelvoering.7

Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] relateren het volgende over de confrontatie tussen de twee groepen.8 Toen zij de kruising Meppelerstraatweg / Ceintuurbaan opreden zagen zij dat er van rechts een grote groep personen over de Ceintuurbaan liep, dat de personen in deze groep voornamelijk in het zwart gekleed waren, dat velen van hen een capuchon op hun hoofd hadden en dat een aantal van hen een stok of iets dergelijks in hun hand hadden. Vervolgens zagen zij dat er ook een groep personen over het fietspad van de Meppelerstraatweg rende. Deze groep kwam vanuit de richting café de Vrolijkheid. Deze groep liep gedeeltelijk de voetgangers- / fietstunnel in, die onder de Ceintuurbaan door loopt, en toen weer terug. Deze groep bestond uit ongeveer 15 personen en het grootste deel van deze groep was in het bezit van een stok, biljartkeu of een stalen pijp. Verbalisanten zagen dat beide groepen op elkaar afliepen, kennelijk met de bedoeling om de confrontatie met elkaar aan te gaan. Er werd over en weer glaswerk gegooid tussen beide groepen.

C. Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

D. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van het in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Voorts heeft de Hoge Raad het medeplegen als bestanddeel van de delictsomschrijving van artikel 141 Sr ("in vereniging") in vervolg op een aantal arresten over medeplegen aldus nader omschreven: De rechter zal (...) moeten beoordelen of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen personen of goederen. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging zich, gelet op de aard van het delict, in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is mede toepasselijk op - en wordt ook frequent toegepast bij - openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus zeker ook bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen (HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320, NJ 2016/418).

E. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte zich in de groep van ongeveer veertig à vijftig personen van Ajax supporters bevond. Tot die bewijsmiddelen behoren het proces-verbaal van aanhouding van verdachte (met vermelding van de woonplaats van verdachte en de locatie van aanhouding), het proces-verbaal van bevindingen - onderzoek naar namenlijst aangehouden supporters (met vermelding van verdachte onder het kopje 'overige harde kern-supporters Ajax' en van andere toen aldaar aangehouden personen)9, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (met onder meer de beschrijving van observatie van de groepen die blijkens het proces-verbaal continu in beeld zijn gehouden en toevallig passerende personen en de aanhouding van wegrennende personen uit die groepen).

F. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de tot de groep van Ajax supporters behorende personen naar Zwolle waren afgereisd ingevolge een tevoren gemaakte afspraak tot een gewelddadig treffen met PEC Zwolle supporters. Hierbij heeft het hof acht geslagen op het feit dat Ajax die avond geen wedstrijd speelde in Zwolle maar dat er desondanks, later op de avond, een groot aantal Ajax supporters naar de betreffende locatie in Zwolle is gekomen. De groepen verzamelden zich laat in de avond dan wel het begin van de nacht op een buiten het centrum gelegen bedrijventerrein. De groep personen vanuit het café De Vrolijkheid vertrok in donkere bedekkende kleding en met allerlei attributen die bij gewelddadigheden vaker worden gebruikt. De groepen begaven zich tegelijkertijd in elkaars richting. Dat een gewelddadig treffen het doel was leidt het hof eveneens af uit het feit dat de groep waar verdachte toebehoorde zich in gesloten formatie voortbewoog en dat vanuit de groep werd geroepen 'Zwolle, Zwolle, dat is Zwolle'.

G. Het hof is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden, het er voor gehouden moet worden dat verdachte deel uitmaakte van de groep Ajax supporters die openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen. De verdachte heeft ontkend dat hij bij het voetbal-supporters-geweld betrokken is geweest en heeft zijn aanwezigheid ter plaatse toegelicht. Hij heeft verklaard dat hij zich verveelde en dat hij iets is gaan drinken in Zwolle en dat hij wilde kijken of hij nog leuke vrouwen tegen zou komen. Voorts dat hij bij de Mc Donalds nog iets wilde gaan eten. Hij was met de trein gekomen en was op het moment van zijn aanhouding van plan terug te gaan naar huis.10 De verdachte heeft naar het oordeel van het hof een volstrekt ongeloofwaardige verklaring afgelegd, zowel betreffende zijn aanwezigheid op dat uur van de dag als op die specifieke plaats in Zwolle, terwijl de voornoemde omstandigheden wel om een plausibele, min of meer verifieerbare verklaring vroegen. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de plek van de aanhouding zich in tegenovergestelde richting bevond van het station. Het feit dat de laatste trein inmiddels al ruim en breed vertrokken was en het feit dat de plek waar verdachte is aangehouden geen uitgaansgebied betreft maar een bedrijventerrein.11 Daarbij heeft verdachte verklaard over het eten bij de Mc Donalds maar die was op het moment van aanhouding al lang gesloten.12

H. Door deel uit te maken van die groep en te blijven uitmaken tot en met de gevechten tussen de circa 65 personen, heeft verdachte zich aangesloten bij die intenties tot de gewelddadigheden terwijl die gewelddadigheden tussen de groepen ook hebben plaatsgevonden. Daarmee is sprake van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en is de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht.”

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het hof heeft in zijn arrest op juiste wijze het juridisch kader voor openlijke geweldpleging geschetst (zie hiervoor onder randnummer 3.2. sub D). In de kern komt het er op neer dat er sprake is van het ’in vereniging’ plegen van geweld als bedoeld in art. 141 Sr, indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Die bijdrage zelf behoeft niet van gewelddadige aard te zijn. Degene die geen relevante bijdrage levert aan het geweld en enkel aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, kan dus niet zonder meer worden aangemerkt als een persoon die ’in vereniging’ geweld pleegt.13

4.2.

In de woorden van de wetgever komt het er op aan dat de betrokkene die zelf geen geweld heeft gepleegd, wel

“opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad, en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd.14

In de memorie van toelichting is hierover verder te lezen:

‘Hij die zich met anderen verenigt, waarbij het resultaat van die vereniging is, dat openlijk geweld wordt gepleegd tegen personen of goederen, dient daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk te zijn. Wie welbewust meegaat naar een plaats waar vanuit een groep openlijk geweld zal worden gepleegd, en zich daar als een lid van die groep manifesteert, is niet ‘onschuldig’. Ook vocale, intellectuele en andere bijdragen aan het verband dat het openlijke geweld pleegt, tellen mee.’15

En op een later moment in het wetgevingsproces is in de kamerstukken te lezen:

“Strafbaarheid ter zake van het medeplegen van een strafbaar feit kan slechts intreden indien sprake is van een bewuste samenwerking. Aan die samenwerking, resulterend in een gezamenlijk bewerkstelligde openlijke geweldpleging, moet een voldoende wezenlijke bijdrage zijn geleverd. Een gewelddadige handeling impliceert, net als thans, in ieder geval een wezenlijke bijdrage aan de openlijke geweldpleging die tot strafbaarheid leidt. Daarnaast zijn een aantal andere gedragingen in kaart gebracht die, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een voldoende wezenlijke bijdrage kunnen opleveren. Dat is in de eerste plaats het bemoeilijken van de herkenning van personen die gewelddadige handelingen plegen, indien daarmee opzettelijk wordt voorkomen dat deze handelingen en de gevolgen daarvan op deze personen kunnen worden teruggeleid. Een tweede soort gedraging die een voldoende wezenlijke bijdrage aan openlijke geweldpleging kan opleveren, betreft het organiseren of, op de achtergrond, sturen daarvan. Een derde gedraging betreft het wezenlijk bevorderen van gewelddadige handelingen door aanmoedigingen of gejoel. Met name bij deze gedragingen zal het sterk van de omstandigheden van het geval afhangen of een voldoende significante bijdrage aan het openlijke geweld is geleverd. Tenslotte kan gedacht worden aan het feitelijk mogelijk maken van openlijk geweld door stenen of stokken aan te reiken, dan wel door het afschermen van degenen die gewelddaden plegen tegen anderen die dat willen beletten. De in kaart gebrachte handelingen betreffen evenwel geen limitatieve opsomming, zo volgt uit het verband met het begrip medeplegen.”16

In relatie tot confrontaties tussen voetbalsupporters is in de wetsgeschiedenis nog te lezen:

‘“Uit het verleden is bekend, dat dergelijke verstoringen van de openbare orde soms tot op zekere hoogte gepland worden. Plaats en tijd worden in dat geval afgesproken. Te denken valt aan de rellen bij Beverwijk. De voorgestelde wetswijziging maakt het in de eerste plaats mogelijk, de 'organisatoren' van de openlijke geweldpleging reeds op die grond als plegers daarvan aan te merken, ook als zij geen gewelddadige handeling hebben verricht. Voorts wordt de bewijsvoering in zoverre versimpeld, dat voldoende is dat de betrokkene aan de openlijke geweldpleging een bijdrage heeft geleverd. Daartoe kan, in gevallen als die van Beverwijk, voldoende zijn dat – bijvoorbeeld op grond van videobeelden – vaststaat dat de betrokkene zich met stokken of andere wapens in de richting van de tegenpartij heeft begeven, en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij voordat de feitelijke openlijke geweldpleging is begonnen, terug is gelopen. (…) Wie meegaat maar enkel toekijkt levert geen bijdrage aan het openlijke geweld.”17

4.3.

In de onderhavige zaak heeft het hof uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte zich heeft bevonden in een groep van ongeveer veertig à vijftig Ajax-supporters (zie hiervoor onder randnummer 3.2. sub E). Het hof heeft bovendien uit de bewijsmiddelen afgeleid dat deze groep van Ajax-supporters op een avond dat Ajax in Zwolle geen wedstrijd speelde, naar Zwolle is afgereisd in verband met een eerder gemaakte afspraak tot een gewelddadig treffen met PEC Zwolle-supporters. Beide supportersgroepen verzamelden zich op een buiten het centrum van Zwolle gelegen bedrijventerrein en zij begaven zich tegelijkertijd in elkaars richting met als doel een gewelddadig treffen. Het hof heeft vastgesteld dat de groep waartoe verdachte behoorde, zich in gesloten formatie voortbewoog. Leden van deze groep hadden zich vermomd met bivakmutsen en waren in het bezit van slagwapens en glaswerk. Vanuit de groep werd geroepen 'Zwolle, Zwolle, dat is Zwolle'. De supporters van PEC Zwolle bestonden uit ongeveer 25 personen. Tijdens de zeer gewelddadige confrontatie tussen beide groepen waren 65 personen met elkaar aan het vechten, waarbij er werd gevochten en met glaswerk werd gegooid. (Zie hiervoor onder randnummer 3.2. sub F). Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte een volstrekt ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd voor zijn aanwezigheid in de groep openlijk geweldplegende Ajax-supporters. Verdachte heeft verklaard dat hij zich verveelde, dat hij – wonende in [plaats] – met de trein naar Zwolle is gekomen om daar iets te gaan drinken en dat hij wilde kijken of hij nog leuke vrouwen tegen zou komen. Verder heeft hij gezegd dat hij bij de Mc Donalds nog iets wilde gaan eten en dat hij op het moment van zijn aanhouding van plan was terug te gaan naar huis. Het hof heeft bij de waardering van deze verklaring in aanmerking genomen dat de plek van de aanhouding zich in tegenovergestelde richting bevond van het station, dat de laatste trein al ruim en breed was vertrokken, dat de plek waar verdachte is aangehouden geen uitgaansgebied is, maar een bedrijventerrein en dat het op dat terrein gevestigde filiaal van Mc Donalds al lang was gesloten. Onder die omstandigheden hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij niet bij supportersgeweld betrokken is geweest, terwijl de omstandigheden waaronder hij is aangehouden naar het oordeel van het hof “wel om een plausibele, min of meer verifieerbare verklaring vroegen”. (Zie hiervoor onder randnummer 3.2. sub G). Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat de verdachte, door deel uit te maken van de groep Ajax-supporters en hiervan deel uit te blijven maken tot en met de gevechten, zich heeft aangesloten bij de intenties tot de gewelddadigheden terwijl die gewelddadigheden tussen de groepen ook hebben plaatsgevonden. Daarmee is sprake van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en is de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht, aldus het hof. (Zie randnummer 3.2. sub H).

4.4.

In het middel wordt geklaagd dat het hof, door aldus te oordelen, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de voor art. 141 Sr vereiste nauwe en bewuste samenwerking en de daarvoor vereiste bijdrage van voldoende gewicht. De steller van het middel beroept zich in dit verband op HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9823, NJ 2011/82. In dat arrest ging het om een voor openlijk geweld vervolgde supporter van Tottenham Hotspur die in Eindhoven, voorafgaand aan de wedstrijd PSV-Tottenham Hotspur, deel uitmaakte van een groep van Engelse voetbalsupporters die een confrontatie was aangegaan met PSV-supporters. Toen deze groep de PSV-supporters aanviel bevond de verdachte zich vooraan in de groep. Hij heeft zich gedurende de aanval niet omgedraaid en heeft zich ook niet uit de groep teruggetrokken. In die zaak verwierp de Hoge Raad het middel waarin werd geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte 'in vereniging' openlijk geweld heeft gepleegd tegen personen. Hij deed dat als volgt:

“2.4. Het is niet de enkele omstandigheid geweest dat de verdachte in de groep aanwezig was en aldus de groep getalsmatig versterkte welke het Hof voldoende heeft geacht om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vorenbedoelde zin in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd. 's Hofs oordeel houdt immers tevens in dat de verdachte welbewust een bijna zekere confrontatie heeft opgezocht en bovendien vervolgens gedurende enige tijd is meegegaan in een aanvalsgolf van de Engelse supportersgroep. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting daaruit kunnen afleiden dat de verdachte aldus een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld heeft geleverd als hiervoor onder 2.3 bedoeld. 's Hofs oordeel is in dit opzicht toereikend gemotiveerd.”

De steller van het middel meent dat anders dan in het arrest van 8 februari 2011 in de onderhavige zaak “het meegaan in een aanvalsgolf” niet uit de bewijsmiddelen is af te leiden en dat het enkel aanwezig zijn in een groep, wetende dat van daaruit gewelddadige handelingen worden gepleegd, onvoldoende is voor een veroordeling voor art. 141 Sr. Hij concludeert dat uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat sprake is van meer dan een getalsmatige versterking en dat, voor zover daar wel sprake van is, de handelingen van de verdachte niet van dien aard zijn dat wordt voldaan aan het criterium van het leveren van een bijdrage van voldoende gewicht.

4.5.

Hoewel de casus die ten grondslag ligt aan HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9823, NJ 2011/82 gelijkenis vertoont met de onderhavige zaak, zijn er ook wel verschillen. Zo was er in Eindhoven wel een wedstrijd voor Tottenham Hotspur en in Zwolle geen wedstrijd voor Ajax en lijkt in Eindhoven het geweld min of meer ‘spontaan’ te zijn ontstaan, terwijl het in Zwolle (uren) tevoren is gepland. Verder verklaarde de verdachte in de Eindhovense zaak dat hij deel uitmaakte van de supportersgroep, ook toen de vechtpartij uitbrak, terwijl de verdachte in de onderhavige zaak daar omheen draait. Wat betreft het gepland zijn van de confrontatie doet de onderhavige casus weer meer denken aan HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9029, NJ 2009/400. Daar maakte de verdachte deel uit van een groep Ajax-supporters die vanuit het supportershonk van Ajax in Amsterdam was afgereisd naar Den Haag voor een (geplande) confrontatie met supporters van ADO Den Haag in het supportershome van ADO. Het hof oordeelde in die zaak dat de verdachte door zijn voortgezette aanwezigheid de groep getalsmatig heeft versterkt en heeft bijgedragen aan de sfeer van ontremming die het openlijk geweld tegen personen en tegen goederen heeft mogelijk gemaakt, en dat hij, binnen het verband met de groep geweldplegende personen, dreigend is opgedrongen op het terrein tot een plek dichtbij het ADO-home. Het hof oordeelde verder dat “de omstandigheid dat uit het dossier niet is komen vast te staan dat de verdachte in het home is geweest en/of geweld heeft gebruikt”, het oordeel van het hof niet anders maakt. De Hoge Raad casseerde:

“2.7. Het oordeel van het Hof dat de verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld is niet zonder meer begrijpelijk. Weliswaar heeft het Hof dat oordeel niet alleen gegrond op zijn vaststelling dat de verdachte de groep die dat geweld pleegde getalsmatig heeft versterkt, maar hetgeen het Hof daarenboven over de rol van de verdachte heeft overwogen, kan het oordeel dat de verdachte een voldoende significante bijdrage aan het geweld heeft geleverd niet dragen. Het betreft immers in feite omstandigheden die louter zijn te herleiden tot het feit dat de verdachte de groep getalsmatig heeft versterkt.”

4.6.

Uit de hiervoor besproken arresten over supportersgeweld kan worden afgeleid dat voor het leveren van een voldoende significante bijdrage aan openlijk geweld in de zin van art. 141 Sr onvoldoende is het deel uitmaken en deel uit blijven maken van een groep die geweld pleegt, wetende dat deze groep geweld pleegt en zal gaan plegen.18 Dat leid ik ook af uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis. De steller van het middel merkt dan ook terecht op dat het aanwezig zijn in een groep, zelfs wetende dat gewelddadige handelingen worden gepleegd, onvoldoende is voor een veroordeling voor art. 141 Sr.

4.7.

In de onderhavige zaak heeft het hof in het kader van de bewijsvoering onder meer vermeld dat de verdachte, harde kern supporter van Ajax, in de avond van 8 november 2014 vanuit het westen van het land is afgereisd naar Zwolle, dat hij zich op een bedrijventerrein heeft gevoegd bij een groep van 40 á 50 donker geklede Ajax-supporters, dat leden van deze groep zich hadden vermomd met bivakmutsen en in het bezit waren van slagwapens en glaswerk, dat deze groep zich op enig moment in gesloten formatie (cursivering door mij, plv-AG) heeft bewogen in de richting van waaruit een groep van ongeveer 25 supporters van PEC Zwolle kwam, dat er vervolgens een zeer gewelddadige confrontatie tussen beide groepen heeft plaatsgevonden waarbij 65 personen met elkaar aan het vechten waren (cursivering door mij, plv-AG), dat de verdachte ter plaatse is aangehouden en een volstrekt ongeloofwaardige verklaring voor zijn aanwezigheid in Zwolle heeft afgelegd, dat de confrontatie tevoren is gepland en dat vanuit aanhoudingseenheden doorlopend zicht is geweest op de twee supportersgroepen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte, door deel uit te maken van de groep Ajax-supporters en deel uit te blijven maken tot en met de gevechten tussen de circa 65 personen, zich heeft aangesloten bij die intenties tot de gewelddadigheden terwijl die gewelddadigheden tussen de groepen ook hebben plaatsgevonden en dat daarmee sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers blijkens zijn bewijsoverweging vastgesteld dat de groep waartoe de verdachte behoorde uit 40 à 50 mensen bestond, dat de supportersgroep van PEC Zwolle uit ongeveer 25 personen bestond en dat tijdens de zeer gewelddadige confrontatie tussen beide groepen “de 65 personen” met elkaar aan het vechten waren. Gelet daarop heeft het hof met zijn oordeel dat de verdachte deel uit is blijven maken van de groep Ajax-supporters tot en met de gevechten tussen de circa 65 personen, tot uitdrukking gebracht dat ook de verdachte zelf heeft gevochten. Daarmee heeft het hof toereikend gemotiveerd dat de verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het bewezenverklaarde geweld. De verdachte heeft volgens het hof, anders dan de steller van het middel betoogt, derhalve niet enkel de groep getalsmatig versterkt.

4.8.

Het middel faalt.

5 Slotsom

5.1.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

5.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv-AG

1 Met overname van de door het hof gebruikte voetnoten. De paragraafaanduiding A tot en met H is door mij, plv-AG, toegevoegd.

2 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, dossiernummer PL0400-2014093708, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering.

3 Bevindingen, d.d. 10 november 2014, verbalisant [verbalisant 1]. p. 43 tot en met 45.

4 Bevindingen, d.d. 9 november 2014, verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], p. 39 en 40.

5 Bevindingen, d.d. 9 november 2014, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], p. 41 en 42.

6 Aanhouding, d.d. 9 november 2014. verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10]. p. 377 e.v.

7 Bevindingen, d.d. 10 november 2014, verbalisant [verbalisant 11]. p. 65.

8 Bevindingen, d.d. 9 november 2015, verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8], p. 37 en 38.

9 Bevindingen onderzoek naar namenlijst aangehouden supporters, verbalisant Z.001, p. 62.

10 Verhoor verdachte, d.d. 9 november 2014, p. 382.

11 Bevindingen, d.d. 10 november 2014, verbalisant [verbalisant 1]. p. 43-45.

12 Bevindingen, d.d. 10 november 2014, p. 58 van het dossier.

13 Zie onder meer HR 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6209, HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9029, NJ 2009/400, HR 12 oktober 2010, LJN BM2474, NJ 2010/560, HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:BP4587, NJ 2011/359, m.nt. J.M. Reijntjes, HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1819, NJ 2011/519, HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1328 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320, NJ 2016/418 m.nt. N. Rozemond onder NJ 2016/420.

14 Kamerstukken II 1998-1999, 26 519, nr. 3 (MvT), p. 6. Zie ook Fokkens in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 4 bij art. 141 Sr, actueel t/m 15 september 2019.

15 Kamerstukken II 1998-1999, 26 519, nr. 3 (MvT), p. 4.

16 Kamerstukken I 1999-2000, 26 519, nr. 199a (MvA), blz. 5-6.

17 Kamerstukken II, 1999–2000, 26 519, nr. 6 (MvA) blz. 5.

18 Een maand of acht na het arrest van HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9823, NJ 2011/82 maakt de Hoge Raad duidelijk dat het zich niet distantiëren van een groep waarin openlijk geweld wordt gepleegd, niet (zonder meer) bijdraagt aan de bewijsvoering. Zie HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1819, NJ 2011/519.