Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:798

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
20/00115
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Verbalisanten zien twee mannen bij geopende kofferbak van geparkeerde auto staan en besluiten tot controle van voertuig en bestuurder. Middel klaagt o.a. over oordeel hof dat verbalisanten het voertuig van verdachten hebben gecontroleerd op grond van art. 160 WVW 1994 en dat verbalisanten op grond van dit artikel bevoegd waren om inzage te vorderen in rijbewijs van verdachte en/of kentekenbewijs van voertuig. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00115

Zitting 14 september 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 30 december 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de verdachte wegens 3. “handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een geldboete van € 225,00, subsidiair vier dagen hechtenis. Verder heeft het hof de teruggave gelast van een onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 700,00.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Voordat ik kan toekomen aan de bespreking van het middel, verdient echter de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aandacht.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van belang, het volgende in:

(i) Op 30 december 2019 heeft het hof het arrest gewezen in deze zaak.

(ii) De akte cassatie houdt in dat op 13 januari 2020 ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, [betrokkene 1] , administratief ambtenaar bij dit gerechtshof, is verschenen teneinde tegen het arrest van het hof beroep in cassatie in te stellen. De akte cassatie vermeldt verder dat de genoemde ambtenaar "blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht" schriftelijk gemachtigde is van de verdachte om beroep in cassatie in te stellen.

(iii) Aan de akte cassatie is gehecht een e-mailbericht van de raadsman mr. V. Senczuk dat onder ander het volgende inhoudt:

“Cliënt wenst cassatie in te stellen tegen het arrest van uw hof d.d. 30 december 2019 inzake uw bovengenoemd kenmerk.

Ondergetekende is conform artikel 450 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) door cliënt bepaaldelijk gevolmachtigd tot het instellen van cassatie namens cliënt in deze. Tevens is ondergetekende door cliënt bepaaldelijk gevolmachtigd om een medewerker van uw griffie c.q. een medewerker van uw centrale balie bepaaldelijk te volmachtigen tot het instellen van cassatie. Hierbij en middels het onderhavige schrijven verzoek ik u en volmacht ik dan ook bepaaldelijk een medewerker van uw griffie, alsmede een medewerker van uw centrale balie, om namens cliënt cassatie in te stellen in de hierboven genoemde strafzaak.”

(iv) Bij controle van het dossier dat de Hoge Raad van het hof heeft ontvangen, bleek dat de volmacht van de cassatieakte ontbrak. Daarom heeft een administratief medewerker van de Hoge Raad bij brief van 22 februari 2021 het hof verzocht om dit ontbrekende stuk zo spoedig mogelijk te doen toekomen aan de strafadministratie van de Hoge Raad.

(v) In reactie op deze brief heeft de Hoge Raad van het hof een schriftelijke verklaring d.d. 23 april 2021 van de voorzitter van de strafkamer, mr. J.P. Bordes, ontvangen. Deze verklaring houdt in dat het opgevraagde stuk in het ongerede is geraakt en daarom niet meer kan worden aangeleverd.

4. In zijn arrest van 16 maart 2021 heeft de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak omtrent de wijze waarop via e-mail een volmacht om beroep in cassatie in te stellen kan worden verleend aan een griffiemedewerker herhaald:

“Een door de verdachte of betrokkene bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat kan op de wijze van artikel 450 lid 3 Sv beroep in cassatie instellen door middel van het verlenen van een daartoe strekkende schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. Een e-mailbericht is niet zo een schriftelijke volmacht. Een als bijlage bij een e-mail gevoegde brief, inhoudende een schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte of betrokkene een rechtsmiddel aan te wenden, moet echter wel als zo een schriftelijke volmacht worden aangemerkt, mits:

“ (i) het e-mailbericht, met bijlage, is verzonden naar een e-mailadres dat door het gerecht is aangewezen voor communicatie met de griffiemedewerkers inzake de aanwending van rechtsmiddelen in strafzaken en

(ii) de schriftelijke volmacht voldoet aan de in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, geformuleerde eisen.”1

5. Uit het voorgaande volgt dat een enkel e-mailbericht niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke volmacht. Vereist is een als bijlage bij deze e-mail gevoegde brief, inhoudende een schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte een rechtsmiddel aan te wenden. Een zodanige brief bevindt zich in deze zaak echter niet bij de stukken van het geding.

6. Hoewel het e-mailbericht van de raadsman van de verdachte niet de indruk wekt dat bij dit e-mailbericht een brief is gevoegd met daarin een schriftelijke volmacht, volgt uit de schriftelijke verklaring van de voorzitter van de strafkamer dat er in deze zaak wel een schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450, derde lid, Sv van de raadsman van de verdachte aan de griffiemedewerker is, maar dat deze in het ongerede is geraakt. Het moet er daarom naar mijn mening voor worden gehouden dat de raadsman van de verdachte voorafgaand aan het opmaken van de akte cassatie alsnog een schriftelijke volmacht aan de griffiemedewerker heeft doen toekomen en dat deze schriftelijke volmacht later in het ongerede is geraakt. Het in het ongerede raken van de schriftelijke volmacht dient niet ten nadele van de verdachte te strekken.2 De verdachte is daarom mijns inziens ontvankelijk in zijn beroep.

Het middel

7. Het middel klaagt dat het hof het door de verdediging gevoerde verweer dat de controle waaraan de verdachte is onderworpen het vrij verkeer van personen op onaanvaardbare wijze heeft beperkt, ten onrechte niet nader heeft onderzocht, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, alsmede dat de uitkomsten van het politieonderzoek van de verdachte en zijn auto ten onrechte niet zijn uitgesloten van het bewijs, zodat de verdachte ten onrechte niet is vrijgesproken.

8. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

hij in de periode van 11 november 2018 tot en met 12 november 2018 te Veenendaal, opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende (in totaal ongeveer) 180,66 gram amfetamine en een hoeveelheid van een materiaal bevattende in totaal 0,53 gram cocaïne, zijnde amfetamine en cocaïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij in de periode van 11 november 2018 tot en met 12 november 2018 te Veenendaal, een wapen van categorie I, onder 3°, van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad

3.

hij in de periode van 11 november 2018 tot en met 12 november 2018 te Veenendaal, een wapen van categorie IV, onder 3°, van de Wet wapens en munitie, te weten een wapenstok, heeft gedragen.”

9. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

“1. de op 25 november 2019 door verdachte ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland afgelegde verklaring, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Het klopt dat ik drugs, de boksbeugel en de wapenstok bij mij had.

2. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal van bevindingen – gevoegd bij registratienummer PL0900-2018325803 Z (blz. 5 e.v.) – gesloten op 12 november 2018, proces-verbaalnummer PL0900-2018325545-3, door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 2] , brigadier van politie, houdende – zakelijk weergegeven – het relaas van verbalisanten of één hunner:

Op 11 november 2018, omstreeks 23.45 uur, waren wij in uniform gekleed en reden in een opvallend politievoertuig. Wij waren belast met surveillance op de autosnelwegen binnen ons werkgebied. Wij zagen bij het Tango tankstation, gelegen in Veenendaal, een zilverkleurige BMW staan. Wij zagen dat deze BMW in een donkere hoek van het tankstation geparkeerd stond. Wij zagen dat de kofferbakklep van de auto was geopend en dat er twee mannen bij de achterzijde van de auto stonden. Wij zagen dat ze met wat spullen bezig waren in de kofferbak.

Wij zagen bij het naderen van het voertuig dat deze was voorzien van het Duits kenteken [kenteken] . Omdat wij in ons gebied veel te maken hebben met huurauto’s en omdat het ons ambtshalve bekend is dat veel Duitse huurauto’s gekentekend zijn met een kenteken beginnend met een M, besloten wij dit voertuig en de bestuurder te controleren.

Ik, [verbalisant 2] , vorderde van de bestuurder zijn rijbewijs en kentekenbewijs. Ik zag dat de bestuurder mij een Pools rijbewijs en een Poolse legitimatiekaart overhandigde op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] . Ik hoorde dat de bestuurder aan mij vroeg of ik ook het kentekenbewijs wilde hebben. Toen ik dit bevestigde zag ik dat hij mij het kentekenbewijs overhandigde. Ik zag direct dat hij onder het kentekenbewijs een gripzakje met wit poeder vasthield.

Wij herkenden dit als zijnde MDMA kristallen, dit valt onder lijst I van de Opiumwet en deelden hem direct de cautie mede.

Ik, [verbalisant 2] , vorderde uitlevering van de eventueel in het voertuig aanwezige drugs. Wij zagen dat [verdachte] uit zijn jaszak nog een gripzakje wit poeder haalde, vermoedelijk cocaïne, en twee zakje met een kleine hoeveelheid vermoedelijk hennep.

Omdat wij gezien de aangetroffen middelen uit vermoedelijk lijst I en II van de Opiumwet een redelijk vermoeden hadden dat er zich in het voertuig nog meer verdovende middelen zouden kunnen bevinden, hebben wij het voertuig onderzocht.

Toen ik, [verbalisant 1] , het bestuurdersportier van het voertuig opende zag ik direct een wapenstok liggen. Vervolgens zag ik tussen de bijrijdersstoel en de bestuurdersstoel een zwarte boksbeugel liggen. Ik zag dat onder de stoel van de bijrijder twee plastic zakjes lagen met een wit poeder er in. Ik schat deze zakjes op ongeveer 100 gram per stuk.

Wij hoorden [verdachte] zeggen dat de inhoud van de zakje MDMA was.

[…]”

10. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2019 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden, voor zover voor beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Het vrij verkeer van personen is een grondbeginsel van het Unierecht en mag niet zomaar beperkt worden.

De vraag is dan ook of er wel voldoende aanleiding, voor de twee met surveillance op de snelwegen belaste verbalisanten, was om cliënt en zijn auto aan een onderzoek te onderwerpen?

Feiten:

Er staat een geparkeerde BMW bij een Tango tankstation. De kofferbak staat open en vervolgens zien verbalisanten een Duits kenteken en weten dan dat dit een huurauto is, zij denken dit te weten want cliënt geeft aan dat het zijn eigen voertuig is.

“Omdat wij in ons gebied veel te maken hebben met huurauto's en omdat het ons ambtshalve bekend is dat veel Duitse huurauto's gekentekend zijn met een kenteken beginnend met een M besloten wij dit voertuig en de bestuurder te controleren.”

Gesteld noch gebleken zijn huurauto's in het gebied van verbalisanten vaker dan niet huurauto's betrokken bij strafbare feiten. Er is niet uitgelegd op welke manier zij veel te maken hebben met huurauto's.

Kortom geen enkele reden om het vrij verkeer van personen als bedoeld in het EU-recht aan belemmeringen te onderwerpen. Geen nader geconcretiseerde reden waarom auto's met een Duits kenteken vaker gecontroleerd zouden moeten worden.

Zelf rijd ik ook regelmatig met een BMW met een Duits kenteken rond wanneer ik deze als leenauto van mijn schoonvader krijg zodat mijn auto door hem gerepareerd kan worden en ik moet zeggen dat het iedere keer weer wennen is hoe je vervolgens in Nederland door je medeweggebruikers bejegend wordt! Verbalisanten hebben dan ook ten onrechte in het buitenlandse kenteken van de auto aanleiding gezien over te gaan tot een ID-controle.

De politierechter heeft gezegd dat de politie mocht controleren ook al was hun reden raar. Ik wil verwijzen naar hetgeen de rijksoverheid daarover op internet geplaatst heeft:

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/identificatieplicht/vraag-enantwoord/wie-mag-vragen-naar-mijn-identiteitsbewijs-en-wanneer

Wie mag vragen naar mijn identiteitsbewijs en wanneer?

Een politieambtenaar, een toezichthouder en een conducteur mogen naar uw identiteitsbewijs vragen. De identificatieplicht betekent dat u zich in bepaalde situaties moet identificeren.

Identiteitscontrole alleen met reden

De politie mag alleen uw identificatiebewijs vragen als daar een goede reden voor is. Dat is het geval als de politie redelijkerwijs uw identiteit nodig heeft om haar taak uit te voeren. Dus als u strafbare feiten pleegt of betrokken bent bij een verkeersongeluk. Toezichthouders hebben dezelfde bevoegdheden als de politie om naar het identiteitsbewijs te vragen. Hieronder staan voorbeelden van situaties waarin een identiteitscontrole kan plaatsvinden:

• een auto rijdt 's nachts rond op een industrieterrein;

• na een schietpartij is het belangrijk voor het onderzoek om de identiteit van (mogelijke) getuigen vast te stellen;

• hangjongeren veroorzaken overlast in de openbare ruimte;

• er is brand en de (mogelijke) brandstichter kan zich bevinden tussen de toegestroomde belangstellenden;

• bij evenementen als voetbalwedstrijden en demonstraties waarbij rellen ontstaan;

• bij onrust of dreigend geweld in uitgaansgebieden en op openbare manifestaties.

Gelet op deze onrechtmatigheid, een rare reden maakt geen goede reden, van het voortraject moge ik u verzoeken over te gaan tot bewijsuitsluiting en vervolgens tot vrijspraak.”

11. Het hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat er onvoldoende reden was om verdachte en zijn auto aan een onderzoek te onderwerpen. Het vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie mag niet zomaar beperkt worden. De uitkomsten van het onderzoek moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs en verdachte dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verbalisanten zagen op zondag 11 november 2018 omstreeks 23.45 uur bij het Tango tankstation in Veenendaal in een donkere hoek van het tankstation een BMW geparkeerd staan. Zij zagen dat de kofferbakklep van de auto was geopend, dat er twee mannen bij de achterzijde van de auto stonden en dat ze met wat spullen bezig waren in de kofferbak. Verbalisanten zagen bij het naderen van het voertuig dat deze was voorzien van het volgende kenteken: M- [kenteken] (Duitsland). Omdat verbalisanten in hun gebied veel te maken hebben met huurauto’s en omdat het hen ambtshalve bekend is dat veel Duitse huurauto’s gekentekend zijn met een kenteken beginnend met een M, hebben zij besloten het voertuig en de bestuurder te controleren en van de bestuurder het rijbewijs en het kentekenbewijs gevorderd.

Hoewel ongelukkig geverbaliseerd, begrijpt het hof het proces-verbaal van verbalisanten aldus dat de verbalisanten het voertuig van verdachten hebben gecontroleerd op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994. Op grond van dit artikel waren de verbalisanten bevoegd om inzage te vorderen in het rijbewijs van verdachte en/of kentekenbewijs van het voertuig. Dit geldt ongeacht de nationaliteit van het kenteken en vormt geen inbreuk op het vrij verkeer van personen. Op het moment dat verdachte het kentekenbewijs overhandigde, zagen verbalisanten dat hij een gripzakje met wit poeder vasthield, welk poeder zij herkenden als MDMA-kristallen. Vervolgens is de cautie medegedeeld, de uitlevering gevorderd van eventueel bij de personen of in het voertuig aanwezige drugs en het voertuig doorzocht, aangezien de verbalisanten een redelijk vermoeden hadden dat zich in het voertuig nog meer verdovende middelen zouden kunnen bevinden. In het voertuig zijn verdovende middelen, een wapenstok en een boksbeugel aangetroffen. Naar het oordeel van het hof is, gelet op dit alles, dan ook geen sprake geweest van een vormverzuim en bewijsuitsluiting niet aan de orde. Het verweer wordt verworpen.”

12. Aan het middel is onder meer ten grondslag gelegd dat het hof ten onrechte en/of onvoldoende gemotiveerd art. 160 WVW 1994 heeft aangemerkt als grondslag voor de controle, aangezien niet is gerelateerd dat de verdachte daadwerkelijk bestuurder is geweest noch op welke wijze hij als bestuurder is aangemerkt door verbalisanten.

13. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

  • -

    art.1 WVW 1994:

    “In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder:

    […]

    o. bestuurder van een motorrijtuig: degene die het motorrijtuig bestuurt of degene die, overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarde, wordt geacht het motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen;

    […]”

  • -

    art. 160 WVW 1994:

    “1. Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:

    a. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs van de aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen;

    b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs;

    c. het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, bedoeld in artikel 151b, onderdeel a, vereiste getuigschrift;

    d. indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing;

    e. een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten, indien hij ter zake van het besturen van het motorrijtuig op grond van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift dient te beschikken over een dergelijke kaart;

    f. de begeleiderspas.

    2. Indien het kentekenbewijs is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig het krachtens deze wet bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde termijn.

    3. Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, verplicht dat voertuig te doen stilhouden en, indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing behoorlijk ter inzage af te geven.

    4. De in artikel 159 bedoelde personen zijn bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder van het voertuig ten aanzien waarvan dit onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, en de bestuurder van het voertuig waardoor een aanhangwagen wordt voortbewogen ten aanzien waarvan zodanig onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, zijn verplicht desgevorderd hun tot het onderzoek noodzakelijke medewerking te verlenen en desverlangd de in artikel 159 bedoelde personen in hun voertuig te vervoeren.

    5. Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan:

    a. een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid,

    b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid, of

    c. een onderzoek van speeksel, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid, alsmede

    de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen.

    6. De bestuurder van een voertuig of de begeleider, die door een der in artikel 159 bedoelde personen in overtreding wordt bevonden van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is verplicht de hem door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevelen op te volgen.

    7. Op eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de begeleider verplicht zijn rijbewijs behoorlijk ter inzage af te geven.”

14. In art. 160 WVW 1994 zijn aan de in art. 159 WVW 1994 genoemde opsporingsambtenaren verschillende bevoegdheden toegekend in het kader van toezicht op de naleving van de verkeersvoorschriften. Eén van deze bevoegdheden, omschreven in het eerste lid, betreft het vorderen van inzage in een aantal documenten van bestuurders van motorrijtuigen, zoals het rijbewijs en kentekenbewijs. De uitoefening van deze ruime controlebevoegdheid dient verband te houden met de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 gegeven voorschriften.3 De bevoegdheid kent echter wel een beperking, in die zin dat de vordering tot inzage enkel kan worden gericht tot bestuurders van motorrijtuigen.4

15. In de definitie van “de bestuurder van een motorrijtuig” in art. 1 WVW 1994 wordt een onderscheid gemaakt tussen degene die een motorrijtuig bestuurt (de feitelijke bestuurder) en degene die wordt geacht het motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen (de juridische bestuurder). De laatste categorie, die onder meer de rij-instructeur omvat, laat ik hier verder buiten beschouwing.

16. Onder degene die een motorrijtuig bestuurt, wordt verstaan degene die de bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging en rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt.5 Daarvan is uiteraard sprake wanneer de in art. 159 WVW 1994 genoemde opsporingsambtenaren een motorrijtuig zien rijden. Hetzelfde geldt wanneer de opsporingsambtenaar het motorrijtuig ziet rijden, maar degene die het motorrijtuig heeft bestuurd pas aanspreekt nadat deze (uit zichzelf) dat motorrijtuig tot stilstand heeft gebracht. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 22 augustus 2000 in een zaak waarin aan de betrokkene een administratieve sanctie was opgelegd ter zake van "niet eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven", welke gedraging destijds art. 160, eerste lid, onder c, (oud) WVW 1994 betrof, het volgende:

“De overwegingen van de Kantonrechter dienen aldus te worden verstaan dat hij voor wat betreft de feitelijke gang van zaken is uitgegaan van de juistheid van de constateringen van de verbalisanten, zoals die zijn gerelateerd in het op verzoek van de Officier van Justitie opgemaakte aanvullend proces-verbaal, en dat gelet daarop naar zijn oordeel de desbetreffende vordering aan de betrokkene als bestuurder van de desbetreffende auto op de [straat 1] is gedaan. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat genoemd proces-verbaal inhoudt dat de verbalisanten de auto van de betrokkene nadat zij deze hadden zien rijden op de [straat 2] over verschillende wegen hebben gevolgd, dat zij deze niet uit het oog hebben verloren en dat zij de betrokkene hebben aangesproken kort nadat deze die auto op de [straat 1] tot stilstand had gebracht. Aan het vorenoverwogene doet niet af de door de betrokkene gestelde omstandigheid dat de motor van die auto toen niet meer ingeschakeld was.”6

17. Wanneer van het besturen van een motorrijtuig nog geen sprake is, kan van de controlebevoegdheid van art. 160, eerste lid, WVW 1994 geen gebruik worden gemaakt. Degene die nog geen bestuurshandelingen heeft verricht, kan immers, zoals Daamen schrijft, niet als bestuurder worden aangemerkt.7 Zo is degene die aanstalten maakt een motorrijtuig te gaan besturen nog geen bestuurder. In dat kader wijs ik op art. 160, vijfde lid, WVW 1994. Deze bepaling houdt in dat naast de bestuurder van een voertuig ook degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen verplicht is zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, een voorlopig ademonderzoek of een onderzoek van speeksel, dit met het oog op de mogelijkheid om op grond van art. 162, eerste lid, WVW 1994 een rijverbod op te leggen.8 Zolang het bij aanstalten maken blijft en nog geen sprake is van het besturen van een motorrijtuig, is hij gelet op art. 160, eerste lid, WVW 1994 niet verplicht tot het ter inzage geven van bijvoorbeeld het kentekenbewijs en het rijbewijs.

18. In de nu voorliggende zaak heeft het hof, op basis van het als bewijsmiddel 2 door het hof gebezigde proces-verbaal van bevindingen, vastgesteld dat de verbalisanten bij een tankstation een BMW geparkeerd zagen staan, dat de kofferbakklep van de auto geopend was, dat er twee mannen bij de achterzijde van de auto stonden en dat deze mannen met wat spullen bezig waren in de kofferbak. De vaststellingen van het hof houden aldus niet in dat de verbalisanten de betreffende BMW hebben zien rijden en ook anderszins blijkt uit de vaststellingen van het hof niet dat er met de BMW gereden is. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof dat de verbalisanten het voertuig van verdachten hebben gecontroleerd op grond van art. 160 WVW 1994 en dat de verbalisanten op grond van dit artikel bevoegd waren om inzage te vorderen in het rijbewijs van verdachte en/of kentekenbewijs van het voertuig naar mijn mening blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de vaststellingen van het hof was op het moment dat de verbalisanten overgingen tot de controle namelijk geen sprake van een bestuurder. Aldus heeft het hof het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.9 Het middel klaagt daarover terecht.

19. Het middel slaagt.

Conclusie

20. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:368, rov. 2.3. Vgl. HR 22 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654. Zie ook de conclusie van toenmalig advocaat-generaal Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2018:1078) voorafgaand aan HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2154.

2 Vgl. HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:368, rov. 2.4.

3 HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454, NJ 2017/84 m.nt. Keulen, rov. 3.4. Zie ook HR 26 november 1957, NJ 1958/351 m.nt. Röling.

4 Art. 160, derde lid, WVW 1994 voorziet in de bevoegdheid om van bestuurders van voertuigen, niet zijnde motorrijtuigen, de inzage in een beschikking houdende verlening van ontheffing te vorderen, maar deze bevoegdheid kan hier verder buiten beschouwing blijven.

5 Zie hierover uitgebreid J. Simmelink, ‘Algemene opmerkingen over de WVW 1994’, in: A.E. Harteveld & H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 62-67.

6 HR 22 augustus 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZE0050 (niet gepubliceerd).

7 Zie H.M.W. Daamen in Handboek Strafzaken, § 5.7.8.b (online, bijgewerkt t/m 23 juli 2012).

8 Vgl. M. Barels, ‘Handhaving’, in: A.E. Harteveld & H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 291.

9 Vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:247.