Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:794

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-09-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
19/05093
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen invoer ongeveer 8 kilo cocaïne door douaneambtenaar. Volgens middel is er geen sprake van medepelegen omdat de verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en hij slechts een 'oogje dicht zou knijpen' bij het selecteren van de pakketten met flessen olijfolie vermengd met cocaïne voor controle. Klacht faalt nu de verdachte een wezenlijke schakel vormde in het geheel. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05093

Zitting 7 september 2021

(bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

I. Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 30 oktober 2019 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest, wegens 1 subsidiair “medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”, 2 primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”, 3 “als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd” en 4 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet”. Daarnaast heeft het hof vier bankbiljetten van 500 euro en 48 bankbiljetten van 50 euro verbeurdverklaard en de teruggave aan de verdachte gelast van 1 bankbiljet van 20 USD en 1 bankbiljet van 5 USD.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/04967, 19/04934, 19/05030 en 19/05072. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, P . van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

II. Middel

4. Het middel klaagt dat het onder 2 primair bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend is gemotiveerd, al dan niet in het licht van hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte daadwerkelijk uitvoeringshandelingen heeft verricht.

III. Bewezenverklaring feit 2 primair

5. Ten laste van de verdachte is onder feit 2 primair bewezenverklaard dat:

“hij omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 19 oktober 2015 in Nederland en te Chili, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 8 kilogram cocaïne,


immers heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (een) betaling(en) gevraagd van één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) die zonder het risico van controle en onderschepping door de Douane in een DHL zending cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen

en
heeft één van zijn mededaders aan een ander gevraagd of deze als ontvanger en geadresseerde van een te verzenden DHL zending met cocaïne wil optreden

en
heeft één van zijn mededader(s) het adres [a-straat 1] te [plaats] aan één of meer van zijn mededader(s) opgegeven als afleveradres voor één zending

en
hebben hij en zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak geregeld dat zij zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtenaren hadden

en

heeft/hebben één of meer van zijn mededaders overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending naar voornoemd adres [a-straat 1] te [plaats] ,

en


heeft één van zijn mededaders aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en

hebben hij, verdachte, en zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak op 1 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, in het geval voornoemde zending door de Douane/Belastingdienst was geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemde zending niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en niet in beslag te nemen

en

heeft hij, verdachte, op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost tussen de door de Douane voor een douanecontrole geselecteerde dozen/pakketten uitgekeken naar dozen/pakketten verzonden vanuit Chili

en

heeft [betrokkene 1] op het adres [a-straat 1] te [plaats] gewacht op de aflevering van voornoemde door DHL op dit adres af te leveren zending bevattende dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne

en
heeft/hebben hij, verdachte, en één of meer van zijn mededaders(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven handeling(en).”

IV. Bewijsoverwegingen hof

6. Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd:

Beoordelingskaders

Medeplegen

Voor het bewijs van medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat bewijs kan alleen worden aangenomen als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking komt onder meer betekenis toe aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, zolang de bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit maar van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger kan ook zijn geleverd door verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. In uitzonderlijke gevallen kan de bijdrage van de medepleger in hoofdzaak vóór of na het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

[…]

Overwegingen met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 primair tenlastegelegde kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Weliswaar kan worden vastgesteld dat de cocaïne Nederland is binnengekomen, maar niet kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger daarbij betrokken is geweest. De onder 2 primair tenlastegelegde uitvoeringshandelingen - met uitzondering van de gedragingen die zien op het regelen dat de verdachte en [medeverdachte 1] op 19 oktober 2015 als douaniers dienst hadden in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost en het gereed staan op die datum aldaar - zijn niet door de verdachte verricht. Evenmin is er bewijs waaruit blijkt dat de verdachte bij die gedragingen nauw en bewust heeft samengewerkt met andere verdachten dan wel op een andere manier daaraan een wezenlijke, materiële of intellectuele bijdrage van enig gewicht heeft geleverd.

Dat de verdachte zich bereid heeft verklaard om een oogje dicht te knijpen als er een pakket met verdovende middelen ter controle voorbij zou komen, vormt niet een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht zoals is vereist voor medeplegen.

Overwegingen en oordeel van het hof

In de hierna opgenomen overwegingen ten aanzien van de door de verdachte met anderen gevormde criminele organisatie heeft het hof op basis van de bewijsmiddelen vaststellingen gedaan omtrent de structuur, de werkwijze, de rolverdeling en financiële aspecten ten aanzien van verlangde betalingen en verdeling van opbrengst. Die vaststellingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde meer in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.

Op 19 en 20 oktober 2015 zijn respectievelijk veertien en twee dozen met telkens zes flessen olijfolie afkomstig uit Chili met airwaybill nummer 2095608546 bij DHL te Schiphol aangekomen en vervolgens in beslag genomen. Alle dozen waren op dezelfde wijze geadresseerd aan:

[betrokkene 1]
[betrokkene 2]
[a-straat 1]
[plaats]
[telefoonnummer]
Netherlands, The.

De zending dozen zou aanvankelijk per luchtvracht via Madrid (Spanje) en Leipzig (Duitsland) worden vervoerd naar het sorteercentrum van DHL te Schiphol. Echter, vanwege logistieke werkzaamheden in dat sorteercentrum zijn de zestien dozen (in vier leveringen) per vrachtwagen vanuit Brussel (België) naar Schiphol vervoerd.

Abusievelijk is deze zending door de Douaneautoriteiten vrijgegeven (custom cleared) ondanks het douaneprofiel “verplicht controleren”, waardoor de zending bij aankomst in Nederland rechtstreeks gesorteerd zou worden voor aflevering en niet voor douanecontrole in het sorteercentrum van DHL te Schiphol apart gezet zou worden.

Op basis van de onderzoeksbevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is door de Brigade Recherche Forensische Opsporing van de Koninklijke Marechaussee een berekening gemaakt, waaruit volgt dat uitgaande van gemiddelden er in totaal ongeveer 8 kilogram cocaïne in de 96 flessen aanwezig was.

Ten aanzien van de gedragingen van de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] kan het volgende worden vastgesteld.

- [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] hebben betalingen gevraagd van de ontvangers en/of verzenders van de flessen met olijfolie en cocaïne, die zonder het risico van controle en onderschepping door de Nederlandse Douane in een DHL zending cocaïne binnen het grondgebied van Nederland wilden brengen. Bij een succesvolle invoer van 8 kilogram cocaïne becijferden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hun verdiensten op ongeveer € 70.000,-;

- [betrokkene 1] is door [medeverdachte 2] gevraagd als ontvanger/afleveradres op te treden;

- [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] heeft/hebben het afleveradres aan de verzenders gegeven;

- [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben volgens de afspraak die [verdachte] met [medeverdachte 2] had gemaakt, geregeld dat zij als douaniers dienst hadden op 19 oktober 2015;

- de leveranciers/verzenders hebben de olijfolie met cocaïne (volgens afspraak) op 15 oktober 2015 in Chili ter verzending aan het opgegeven afleveradres aangeboden;

- [medeverdachte 2] heeft de track-and-trace informatie aan de hand van het bij de zending behorende airwaybill nummer geraadpleegd;

- [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben volgens afspraak op 19 oktober 2015 als douaniers gereed gestaan om de zending niet deugdelijk te controleren en te onderscheppen;

- [verdachte] heeft, zoals door hem als getuige ter terechtzitting van het hof is verklaard, op 19 oktober 2015 uitgekeken naar dozen/pakketten uit Chili;

- [betrokkene 1] heeft op het opgegeven afleveradres gewacht op de aflevering van de zending olijfolie en cocaïne;

- [medeverdachte 2] heeft aan de hand van de track-and-trace informatie met [verdachte] op 19 oktober 2015 overlegd toen de aflevering van de zending niet verliep zoals beoogd en [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 1] opdracht gegeven op het afleveradres langer te blijven wachten op de aflevering;

- [medeverdachte 2] en [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] en [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben besprekingen gevoerd, informatie uitgewisseld en ingewonnen met betrekking tot hun bovengenoemde gedragingen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte bij de uitvoering van de verschillende handelingen strekkende tot de invoer van cocaïne uit Chili bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders. Bij die samenwerking was sprake van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan, met een voor elk van de mededaders duidelijke rolverdeling, terwijl daarbij de onderlinge afstemming tussen de verdachte en zijn mededaders, in het bijzonder ook in de aan het verzenden voorafgaande fase, cruciaal was. Tegen deze achtergrond staat de omstandigheid dat verdachte niet zelf elke in de bewezenverklaring genoemde handeling heeft verricht er niet aan in de weg hem ook in zoverre als medepleger aan te merken. Het werken overeenkomstig het tussen de verdachte en zijn mededaders afgesproken plan, vereiste een nauwe en bewuste samenwerking en veel afstemming tussen alle betrokkenen (de verzendende partij in Chili, de omgekochte douaniers [verdachte] en [medeverdachte 1] , de betrokkene op het afleveradres [betrokkene 1] en de uiteindelijk ontvangende partij). Bij de uitvoering van dit feit heeft de verdachte met zijn mededaders een voor de totstandkoming van het strafbare feit cruciale rol vervuld. De verdachte ontving een aanzienlijk aandeel voor een geslaagde zending. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte door met zijn mededaders aldus te handelen zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 8 kilogram cocaïne.

[…]
Overwegingen met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde


Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 4 tenlastegelegde kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de intensiteit van de bijdrage van de verdachte te gering is om hem als deelnemer aan de criminele organisatie aan te merken. Daarbij komt dat er naast de andere tenlastegelegde feiten geen andere feiten en omstandigheden zijn die met zich brengen dat gesproken kan worden van een criminele organisatie. Onder deze omstandigheden moet de verdachte volgens de verdediging van het onder 4 tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

Overwegingen en oordeel van het hof

Onder een organisatie en deelneming daaraan als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet wordt verstaan: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Aanwijzingen voor het bestaan van een samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn; gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen (cumulatieve) vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.


Voor het bewijs van deelneming aan die organisatie moet komen vast te staan dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het oogmerk tot het plegen van de strafbare feiten, dan wel dat hij deze gedragingen ondersteunt. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon heeft samengewerkt, of bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.


Gelet op de inhoud van de dossierstukken en hetgeen ter zitting aan de orde is geweest, en in aanmerking genomen hetgeen is vastgesteld en overwogen met betrekking tot de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde feiten, stelt het hof vast dat tussen de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] een samenwerkingsverband bestond dat het oogmerk had om verdovende middelen in te voeren, in- of uitvoer van verdovende middelen voor te bereiden en te bevorderen en om deze af te leveren. Ook [medeverdachte 1] is aan dit samenwerkingsverband gaan deelnemen. Uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt een algemene structuur van deze samenwerking. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voerden overleg met personen die de cocaïne wilden in- of uitvoeren. Zij voerden deze gesprekken regelmatig samen, soms voerden zij deze gesprekken alleen. Met deze andere partijen werd afgesproken hoeveel cocaïne werd ingevoerd, dat de cocaïne via DHL moest worden verzonden en wanneer, opdat de cocaïne in Nederland op een maandag bij DHL ter douanecontrole zou aankomen. Verder werd besproken wat de verzendende of ontvangende partij zou moeten betalen voor de diensten van de organisatie en welk bedrag als borg aanbetaald moest worden. Ook regelden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] door hen gecontroleerde afleveradressen in Nederland voor de vanuit het buitenland via DHL verzonden pakketten. [medeverdachte 2] besprak de planning vervolgens met [verdachte] . Ook sprak [medeverdachte 2] een aantal keer met [verdachte] over de manier waarop de verdovende middelen het beste verborgen konden worden, in golftassen, vermengd of in brieven. De verdachte gaf [verdachte] geldbedragen, zodat [verdachte] en [medeverdachte 1] klaar zouden staan voor het geval een zending geselecteerd zou worden voor een douanecontrole. [verdachte] zou deze zending dan doorlaten. [medeverdachte 2] hield via een track-and-trace-code het verloop van de zending in de gaten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] al samenwerkten voor het zogenoemde XO-gesprek, waarin [verdachte] met [medeverdachte 1] deze werkwijze van verzenden van cocaïne via DHL en haar rol daarbij heeft besproken. [medeverdachte 1] is in ieder geval vanaf dit gesprek aan dit samenwerkingsverband gaan deelnemen.

De betaling die de hiervoor genoemde personen ontvingen had betrekking op de door hen verzorgde ‘verzekerde’ invoer en aflevering in Nederland van zendingen met cocaïne. Een deel van de betaling zag op het klaarstaan van de omgekochte douaniers [verdachte] en [medeverdachte 1] op maandagen bij DHL op Schiphol-Oost om de desbetreffende pakketten door te laten, mochten de betreffende zendingen voor controle door de Douane zijn geselecteerd. Een ander deel van de betaling die de leden van deze criminele organisatie zouden ontvangen hield verband de hoeveelheid succesvol ingevoerde cocaïne.

Het hof stelt vast dat de gedragingen van de verdachte rechtstreeks verband hielden met het oogmerk van de organisatie. Bij deze organisatie konden de invoerders van verdovende middelen de zekerheid inkopen dat de zending op een bepaalde dag, als deze voor een douanecontrole geselecteerd zou worden, zou worden doorgelaten. De bijdrage van de verdachte daaraan was essentieel.”

V. Verweer verdediging met betrekking tot feit 2 primair

7. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 oktober 2019 gehechte pleitnota is ter terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende naar voren gebracht (de voetnoten zijn hier weggelaten):

“FEIT 2, primair:


Laat ik ook hier de tenlastelegging met u doorlopen. Het medeplegen van de invoer. Invoer zeg ik, want niet bestreden wordt dezerzijds dat er verdovende middelen de landsgrenzen zijn binnengekomen (overigens met medewerking en medeweten van het openbaar ministerie).


De uitvoeringshandelingen:

immers heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben een of meer van zijn mededader(s) aan een ander(e) mededader(s) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van zijn mededader(s) het adres [a-straat 1] te [plaats] aan één of meer van zijn (andere) mededader(s) opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Chili, althans Zuid-Amerika, voornoemde hoeveelheid cocaïne, opgelost in en/of vermengd met olijfolie en/of(vervolgens) één of meer dozen/pakketten met flessen met deze olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending aan voornoemd adres [a-straat 1] te [plaats] ,

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meer malen de status berichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

. heeft één van zijn mededader(s) op het adres [a-straat 1] te [plaats] gewacht op de aflevering van voornoemde door DHL op dit adres af te leveren dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne.


Geachte leden van het Hof, de hier geciteerde uitvoeringshandelingen zijn niet door cliënt verricht en hij kan daarbij evenmin als medepleger worden aangemerkt. Er is geen bewijs waaruit een bewuste nauwe samenwerking kan worden gedestilleerd en er kan ook niet gesproken worden van een wezenlijke, materiele of intellectuele bijdrage van enig gewicht.

De vraag in deze is dan ook concreet: welke handelingen kunt u mijn cliënt toedichten? En, indien die te kwalificeren zijn als handelingen, welk strafrechtelijk verwijt valt daaraan te koppelen? Valt daar wel een strafrechtelijk verwijt aan de koppelen?

In confesso is, dat er verdovende middelen zijn ingevoerd. Maar wat heeft mijn cliënt daar mee te maken (gehad)? Uit de bewijsoverweging van de rechtbank valt te concluderen dat wordt aangenomen dat de rol van mijn cliënt was, dat hij ervoor zorgde op de dag dat de verdovende middelen binnen zouden komen in Nederland, dienst had, en dus, mocht het pakket verdovende middelen voor controle geselecteerd worden, dan zou hij het ongemoeid kunnen laten.

Dat betekent dat mijn cliënt - concreet - zich bereid zou hebben verklaard, om, als er een pakket verdovende middelen voorbij zou komen, een oogje toe te knijpen, mocht dat überhaupt nodig zijn. Wat is dat?

In ieder geval niet dat hij iets heeft gedaan dat valt te kwalificeren als: het aankopen van de verdovende middelen, het betalen ervan, het regelen dat het wordt verpakt en verstuurd, het bedenken en regelen hoe dat gebeurt, het onderhouden van contacten met personen die meehelpen in het land van herkomst, het vervoeren, het verstrekken, en verkopen, het fysiek binnen brengen ervan, het regelen van een ontvanger.

En de verweten uitvoeringshandelingen zien op die invoer, niet op dat oogje toe knijpen achteraf, dat ten eerste.

Maar bovendien: op geen enkel moment is er een dergelijk pakket aangeboden voor controle. Dat betekent dat mijn cliënt in het ergste geval, de bereidheid had om iets na te laten - een omissie delict te plegen zo u wilt - waarvan je zou kunnen zeggen dat, omdat de situatie waar cliënt een mogelijk rol in kon spelen zich niet heeft gemanifesteerd, het is gebleven bij een poging: maar een poging waartoe? Tot het medeplegen van die invoer? Nee, eigenlijk niet.

Die invoer geschiedt, door een serie handelingen, verricht door - noodzakelijkwijs - meerdere personen omdat het pakket een reis maakt en dus langs verschillende stations komt: het moet worden ver/gekocht, verpakt, verstuurd, vervoerd, afgeleverd. En daar heeft mijn cliënt geen enkele bemoeienis mee gehad of enige bijdrage aan geleverd. Zijn rol bestond - maximaal - uit het aanwezig zijn op een plek waar hij, mocht dat nodig zijn, iets kon nalaten.

Is dat aan te merken als een wezenlijke bijdrage, een bijdrage van voldoende gewicht, een die ertoe zou hebben geleid, mocht hij die bijdrage niet hebben geleverd, dat het hele feest niet door was gegaan? Nee. Uitgangspunt voor medeplegen is uiteraard dat de medeplegers elk een gedeelte van het feit (de delictsomschrijving) verwerkelijken, waarbij het ene aandeel het andere aanvult. Hoe die dat doet, daar zijn en scala aan mogelijkheden voor denkbaar. Maar essentieel is, dat er in ieder geval een bijdrage wordt geleverd die substantieel is. En als die bijdrage niet het verwerkelijken van een gedeelte van het feit is, dan dient er in ieder geval een immateriële bijdrage zijn geleverd die substantieel is geweest. Mijn cliënt is niet de initiatiefnemer geweest, dat lijkt me buiten discussie staan. Hij heeft evenmin uitvoeringshandelingen verricht.

Hij zou dan, stel dat hij inderdaad geconfronteerd zou worden met een zending verdovende middelen en hij zou die doorlaten, een bijdrage hebben kunnen verleend aan de verlengde invoer, waar hij dan behulpzaam bij zou zijn geweest, of waartoe hij de gelegenheid had verschaft. Maar zover is het überhaupt niet gekomen. Hij heeft geen oog toe hoeven knijpen, hem is niets aangeboden ter controle wat hij ‘door’ heeft gelaten.

En dan rijst wat mij betreft wederom de vraag die ik u zojuist voorhield: levert zijn handelen of eigenlijk zijn bereidheid tot nalaten een strafbare gedraging op? Hoe kunnen we dat kwalificeren?

Niet als medeplegen. Hij heeft immers geen bijdrage geleverd aan de invoer, en zeker geen substantiële bijdrage. Ik begrijp uiteraard wel waarom het openbaar ministerie hier op aanstuurt, want welke smaken zijn er nog?

Is zijn handelen te kwalificeren als medeplichtigheid? Heeft hij gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft? Volgens de rechtbank wel: hij zou inlichtingen hebben verschaft door te adviseren hoe er het beste gesmokkeld kan worden. Maar dat zie ik niet terug in een specifieke, mijn cliënt verweten uitvoeringshandeling. Heeft hij dan hulp geboden bij de invoer? Nee, niet door enig handelen.

Ik zou het wellicht kunnen omschrijven als - op zijn meest - een poging tot medeplichtigheid bij - maar daar is het blijven steken, omdat hij zelfs niet hoefde ‘na te laten’ als vorm van hulp, dan wel een (poging tot) medeplichtigheid ná (de invoer), wat geen van beiden strafbaar is.

Bovendien: stel dat hem wel iets was aangeboden ter controle: zou hij dan ook daadwerkelijk hebben gedaan, wat hem gevraagd was? Zou hij zijn vriendjes dan hebben geholpen of hebben gedacht: toch niet?

Dan:

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost tussen de door de Douane/Belastingdienst en/of DHL voor een douanecontrole geselecteerde dozen/pakketten gezocht en/of uitgekeken naar dozen/pakketten verzonden vanuit Chili

Naar mijn opvatting zijn deze gedragingen niet te bewijzen. Daartoe bevindt zich niets redengevends bij de stukken.

Client heeft ter zitting verklaard dat hij in documenten heeft gekeken, maar meer niet.

Tot slot:

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den) en/of heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd dozen/pakketten door de Douane/Belastingdienst en/of DHL waren geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemde dozen/pakketten niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen

Ook ten aanzien van deze uitvoeringshandelingen geldt: Mogelijk dat u op grond van de inhoud van de stukken van het geding wél komt tot de vaststelling dat deze uitvoeringshandelingen (deels) zijn verricht door mijn cliënt.

Ook hier ben ik van oordeel dat deze handelingen indien bewezen, in het beste geval niet meer dan het aanbod tot het bieden van gelegenheid mocht dat nodig blijken, kunnen opleveren. En dat zou dan medeplichtigheid kunnen opleveren, en nog steeds geen medeplegen. Het is behulpzaam zijn bij een door een ander gepleegd feit. Zodat om die reden vrijspraak voor het medeplegen geïndiceerd is.

Wellicht dat de A-G nog zal aanstippen dat hij (ook) de verlengde invoer ten laste heeft gelegd en zal willen beweren dat de handelingen daardoor aan te merken zijn als uitvoeringshandelingen van het feit zelf. In dat geval miskent hij echter dat het bij de verlengde invoer moet gaan om daadwerkelijke handelingen gericht op het verder vervoer en dergelijke van de voorwerpen of goederen waarin die middelen verpakt of verborgen zijn, en niet om een passief nalaten, terwijl de betrekkelijke goederen niet eens aanwezig zijn geweest. Ik ben van oordeel dat cliënt aldus behoort te worden vrij gesproken van het primair tenlaste gelegde.”

VI. Juridisch kader medeplegen1

8. Zoals het hof op juiste wijze heeft uiteengezet, is voor de kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met één of meer anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Het is dus niet noodzakelijk dat de medepleger zelf de gehele delictsomschrijving vervult; het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handeling(en) heeft verricht. De verdachte kan ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachten zijn verricht. De omstandigheid dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandeling(en) heeft verricht, behoeft aan het bewijs van medeplegen niet in de weg te staan. Het achterwege blijven van een fysieke uitvoeringshandeling op de plaats delict kan worden gecompenseerd door andere factoren, zoals de rol van de verdachte in het kader van het beramen en voorbereiden van het feit. Uit de meest recente rechtspraak van de Hoge Raad over medeplegen lijkt te kunnen worden afgeleid dat het bestaan van een voor alle deelnemers duidelijk plan een relevant aandachtspunt kan zijn voor de beoordeling of sprake is van medeplegen. In gevallen waarin sprake is van dergelijk gezamenlijk optrekken met het oog op het realiseren van het gedeelde plan, kan medeplegen (in voorkomende gevallen) ook worden aangenomen als de (afzonderlijke) gedragingen van de verdachte op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan het tenlastegelegde feit kunnen worden aangemerkt.2

VII. Bespreking middel

9. De stellers van het middel betwisten niet dat er voor de verdachte een rol was weggelegd bij het doorlaten van pakketten die flessen met olijfolie vermengd met cocaïne bevatten. Wel moet er volgens hen voor worden gewaakt dat de reikwijdte van het medeplegen niet te veel wordt opgerekt. De subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid en de meer subsidiair tenlastegelegde voorbereiding voorkomen volgens hen straffeloosheid in gevallen als het onderhavige. Zij menen dat “de gedragingen en handelingen van verdachte feitelijk hebben bestaan uit (verkort zakelijk weergegeven) het aan medeverdachten toezeggen als douaneambtenaar een zending cocaïne door te laten”. Zo’n toezegging dat hulp wordt geboden, wat voor medeplichtigheid al voldoende zou kunnen zijn, is op zichzelf te weinig (wezenlijk) om tot het bewijs van medeplegen te kunnen komen. Zij spreken in dat verband van een douaneambtenaar “die een oogje dichtknijpt”. Gezien de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is dit een nogal eufemistische kwalificatie van de rol die de verdachte in het geheel van de gedragingen heeft vervuld met betrekking tot onder meer het onder 2 tenlastegelegde feit. De onderhavige bewijsmiddelenbijlage beslaat 62 pagina’s en bestaat uit een groot aantal bewijsmiddelen. Het is niet mijn bedoeling, en ook bepaald niet nodig, om al deze (overigens niet genummerde) bewijsmiddelen in deze conclusie weer te geven. De opvatting van de stellers van het middel over de bijdrage van de verdachte ter zake, brengt mij er echter wel toe op deze plaats de navolgende bewijsmiddelen – het is slechts een selectie – de revue te laten passeren:3

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2019, voor zover inhoudend:

Ik hoorde dat er golftassen deze kant op zouden komen met daarin cocaïne. De bedoeling was dat ik klaar zou staan om ze niet te controleren. Dat was mijn rol.

Ik wist van de partij olijfolie uit Chili. Ik stond toen samen met [medeverdachte 1] . Ik heb gezocht naar pakketten uit Chili.

Ik controleerde de pakketten en [medeverdachte 1] schreef de bevindingen op. [medeverdachte 1] en ik hebben wel eens gesproken over cocaïnesmokkel. Ik heb haar wel betaald, omdat ik zelf ook geld had gekregen. Ik gaf [medeverdachte 1] geld, omdat wij er stonden. Ik kreeg betaald om eventueel geselecteerde pakketten met cocaïne niet te controleren. De betalingen die ik ontving van [medeverdachte 2] waren voor niet opletten bij controle. Het klopt dat de rol van [medeverdachte 1] was om niet op te letten als ik niet zou opletten. Het komt erop neer dat zij minder deed, omdat ik de fysieke controles uitvoerde en zij alleen de maandagen bij DHL inplande. Het klopt dat ik tegen [medeverdachte 2] heb gezegd dat [medeverdachte 1] zich genaaid voelde. Dat gesprek gaat over de verwachte drie kilogram cocaïne in de boekenzending (het hof begrijpt de op 28 september 2015 bij Van Blanken aangekomen zending). Als blijkt dat een pakketje is afgeleverd en daarin een briefje zit, kan het gevoel je bekruipen dat je genaaid wordt. Ik stond daar met verkeerde intenties. Het plan was dat ik de controle zou uitvoeren en het pakket vervolgens weer dicht zou doen. Door de gehanteerde werkwijze was dat mogelijk. Mijn rol was om er te staan en eventueel een fake controle uit te voeren. Ik zou iets krijgen als het drugstransport geslaagd was.

Het kan kloppen dat ik van [medeverdachte 2] betalingen heb ontvangen. Ik kan mij 2.000 euro herinneren, waarvan [medeverdachte 2] een deel heeft achtergehouden. Ik heb ook een keer een vergoeding gekregen voor de boekenzending. Verder heb ik geld gekregen voor de partij olijfolie om er op de bewuste datum te staan, welke vergoeding in dezelfde orde van grootte was als de eerste betaling. De gelden zijn betaald om er te staan. Ik denk dat de beloning 30 procent zou zijn van de waarde van de kilo’s die doorkwamen. Ik denk dat de waarde van een kilogram 30.000 euro is. Ik zou geen 10.000 euro krijgen per kilo, maar dit bedrag zou onderling verdeeld moeten worden in vier kwarten. [medeverdachte 1] zou ik een deel geven.

Het XO-gesprek ging erover dat ik haar benaderde, zodat ik met [medeverdachte 1] op maandagen bij DHL kon werken om cocaïne door te laten. De betaling van 500 euro zou zij denk ik wel kunnen plaatsen door het XO-gesprek. Ik denk dat ik een aantal keer 500 euro aan [medeverdachte 1] heb gegeven.

Mijn rol zag op het laatste stukje van het transport. Ik hoor u zeggen dat het lijkt alsof ik ook een informatiebron ben geweest en adviserend heb opgetreden. Ik heb dingen gezegd vanuit de kennis die ik heb als douaneambtenaar. U vraagt mij waarom vermengd veiliger was. Vermengd is veiliger omdat het minder snel zichtbaar is. Pakketten met verdovende middelen zie je zitten op de scan.

U vraagt mij wat er met een ‘rooitje’ wordt bedoeld. Daarmee wordt 1.000 euro bedoeld.

De verklaring van de getuige [medeverdachte 3] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2019, voor zover inhoudend:

[…]

Ik dacht dat ‘zij’ in het gesprek over tevreden zijn met het geld doelde op degene met wie [verdachte] samenwerkte (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ). Ik denk dat het geld (het hof begrijpt: dat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] gaf) naar [verdachte] ging.

Bewijsmiddelen die in het bijzonder ook op feit 1 subsidiair (en feit 3 en feit 4) betrekking hebben

[…]

Proces-verbaal van bevindingen d.d. betreffende uitluisteren OVC-opname van woensdag 30 september 2015 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] terugreis (map 35, p . 261-268):

[medeverdachte 2] : Zo, nou [verdachte] eens kijken wat we morgen weer te wachten staat.

[verdachte] : Zet anders maar naar volgende week hoor hé.

[medeverdachte 2] : Ja, maar ik wel eerst even kijken of ze geld hebben [verdachte] .

[verdachte] : Ja maar er is genoeg euh, het is lastig om te regelen. Ik heb het ook nog niet geregeld.

[…]

[verdachte] : Zet hem op die week daarna. Dan kan alles weer in eenen. Veel makkelijker denk ik. Zeg ik ken het nou niet meer regelen. Die jongens zouden het al geregeld moeten hebben begin van de week. [medeverdachte 2] : Nou, dan hoop ik niet dat ze, dat ze het al geregeld hebben. Hahaha. Want als ze geld hebben, hebben we gezegd, als jullie geld geven kunnen we werken anders niet

[verdachte] : Ja, maar dan zeg je dat wordt dan wel die week erna, gaan we gewoon aan het werk. Die vrijdag erop, dan heb je misschien kans dat die gasten uit Colombia ook misschien wat kunnen doen weet je nog een Colombiaanse.

[…]

[medeverdachte 2] : Nee, maar dan moeten we wel weten voor maandag, want dan (lacht).

[verdachte] : Ja, maar ja, dat is lastig hoor. [betrokkene 3] is d'r morgen niet dus ik weet, dan moet ik het vrijdagavond regelen of zij werkt. Zondagavond regelen.

[medeverdachte 2] : Zondagavond regelen?

[verdachte] : Dan moet zij zondagavond bellen, want die [betrokkene 3] , die gozer die de indeling maakt, die was er alleen vandaag nog. Die is er morgen niet. Die is er pas maandag weer. Dan zou zij, zou zij hem zondagavond kunnen app'en, dus zou wel eventueel kunnen.

[…]

[verdachte] : Hoeveel doen ze? Twintig (20) of vijfentwintig (25)?

[medeverdachte 2] : Twintig,

[verdachte] : twintig (20).

[medeverdachte 2] : Maar ik haal er eerst vijf (5) kilo meteen af. Weet je de eerste vijf (5) Is gewoon van ons, dus.

[verdachte] : Je moet, je moet de helft achter houden als je het zo wil doen (klinkt als). Geef maar geld, toch? Als je d'r vijf (5) afhaalt, zegt ie nou geef mij de rest maar, is toch goed.

[medeverdachte 2] : Nee, eh ..

[verdachte] : (praten door elkaar, ntv) vijf van die blokken.

[medeverdachte 2] : (ntv) tien (10) af.

[verdachte] : Haal je er tien (10) af (ntv, spreken door elkaar).

[medeverdachte 2] : Haal je er tien (10) af en dan krijgt ie die tien (10) mee en eh, als ie ons betaald dan krijgt ie die andere tien (10).

[verdachte] : Krijgt ie de andere tien (10).

[medeverdachte 2] : Ja.

[verdachte] : Als je d'r vijf (5) afhaalt zegt ie ja is toch prima zo, zit je zelf met die vijf (5) blokken.

[medeverdachte 2] : Ja, dan zit je zelf, daar heb jij gelijk in Ja je hebt gelijk. Maar dat is ..

[verdachte] : Haal je d'r tien (10) af zeg je, dan hou je het simpel (klinkt als, spreken door elkaar).

[medeverdachte 2] : Dat is het voordeel, dat is je eigen, dat heb je onder cont.. zelf onder controle allemaal. Dus als ie dan aankomt heb je zelf de spullen. En dan halen we er tien (10) af, en ze krijgen die andere tien (10) op het moment eh.

[verdachte] : Ja.

[…]

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 september 2015 betreffende uitluisteren OVC-opname van 8 september 2015 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] (map 35, p . 209-215):

[verdachte] : ik heb haar net gesproken

[medeverdachte 2] : Oh, en?

[verdachte] : Nou, zij is naar de bedrijfsarts geweest. Ze mocht niet voor maandag beginnen.

[medeverdachte 2] : Oké

[verdachte] : Zou ze bij m'n baas langs gaan om plan-de-campagne te maken. Dus zij is langs m'n baas gereden, die zou thuis zijn, maar die was niet thuis. Wat er was, weet ik niet, maar hij was er dus niet. Maar hij heeft 'r net gebeld. Dus zij zegt dit en dat, maandag beginnen. Oké, zegt ie, dan moeten we even een plan-de-campagne maken hoe het gaat. Hij zegt, want maandag ben ik op SCIP in Amsterdam met een hondengeleider ofzo. Hij zegt, dan moet je daar maar naar toe komen, dan begin je daar en dan praten we daar. Zegt ze, ik weet niet of ik wel zin heb daarin, tja (stilte)

[medeverdachte 2] : Hmmm

[verdachte] : Maar je kan ook niet pushen dat ze naar D, nee, ik ga alleen naar DHL, ik ga naar DHL.

[…]

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 september 2015 betreffende uitluisteren OVC-opname van 13 september 2015 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] (map 35, p . 233-238):

(…)

[verdachte] : En dinsdagmiddag

[medeverdachte 2] : Dinsdagmiddag gaan sturen

[verdachte] : Om te kijken of het allebei op dezelfde dag weg gaat.

[medeverdachte 2] : Ja, en dan kijken hoe die loopt en dan kunnen we die week erop, kunnen we euh ..

[verdachte] : Kunnen we die week erop versturen .

[medeverdachte 2] Maar dan moet je ook nog, dat zij begint morgen met werken, ze moet ook nog maar zorgen dat ze dan volgende week dat kan regelen.

[verdachte] : Maar ze gaat maandag, woensdag, vrijdag werken

[medeverdachte 2] : Ja, maar het moet ook nog effe honderd (100) procent zeker geregeld wezen die dag.

[verdachte] : Ja, dat ga ik wel effe regelen.

[…]

[verdachte] : Nee, maar dat is, als zij er morgen is dan euh .. dan morgen meteen eventjes euh .. kijk [medeverdachte 2] weet je, ik heb d'r al geholpen financieel weet je, ik heb er ook uit mijn eigen geld geholpen al [medeverdachte 2] al twee (2) keer, weet je. En nu heb ik aan haar ..

[verdachte] : Ik zei, luister nu moet je echt wel wat .. naja ik had er aan de lijn, ze zegt als ik ga werken weet je, kunnen we vrijdag afspreken, weet je, ze wilde afgelopen vrijdag met me afspreken. Ik begrijp wel waarom, ze hebt geld nodig. Ik zei, naja ..

[medeverdachte 2] : Ja, maar [medeverdachte 3] zei ook al, desnoods geef haar op voorhand geld ..

[verdachte] : Nee.

[medeverdachte 2] : Of iets anders ..

[verdachte] : Nee, nee, want ze hebt vorige keer, ik heb haar, ik heb haar al teveel gegeven. Ze moet nu maar gewoon zorgen dat ze gaat euh .. ze hebt het zelf ..

[medeverdachte 2] : Desnoods .. weet je, desnoods geven we haar op voorhand iets anders

[verdachte] : Nee .. nee.

[medeverdachte 2] : Maar dat ze d'r geld heb, want ze moet er wel zijn

[verdachte] : Ze moet nu gewoon zorgen dat ze euh .. ik ga morgen spreek ik 'r [medeverdachte 2] . Ze gaat, ik ga echt .. ik zeg hè luister jij .. door al die gekkigheid die jij nu maakt, kommen wij allemaal in de problemen

[…]

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2015 betreffende het uitluisteren van de OVC-opname van woensdag 2 september 2015 tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] (map 6, p . 5- 15):

Opname vertrouwelijke communicatie

Op woensdag 2 september 2015 heeft een observatieteam van de Koninklijke Marechaussee een observatie uitgevoerd op [verdachte] en [medeverdachte 1] . Gedurende deze observatie werd onder meer waargenomen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] , omstreeks 13:38 uur een ontmoeting hebben gehad, op het terras van Café XO, gelegen aan de Grote Markt te Haarlem. Gedurende deze ontmoeting is middels technische apparatuur de vertrouwelijke communicatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] opgenomen. Hieronder volgt de weergave van het OVC-gesprek van woensdag 2 september 2015:

[verdachte] : [verdachte]

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 1]

[verdachte] : Bevalt je wel zo hè.

[medeverdachte 1] : Nou, euh (ntv).

[verdachte] : Maar je gaat weer gewoon aan het werk hoor, je gaat dinsdag tegen die broeder zeggen dat je gewoon weer aan het werk wil hoor.

(…)

[medeverdachte 1] : Ja, nou.

[verdachte] : Nee, alles is geregeld.

[medeverdachte 1] : Betalingen?

[verdachte] : Ze betalen allemaal, als de datum, betalen ze standaard vijfhonderd per maandag, dinsdag van te voren, voor de maandag.

[medeverdachte 1] : Ja.

[verdachte] : Dus vanaf nu is het zo dat als ze, als wij zeggen bijvoorbeeld euh..

[medeverdachte 1] : Vijf dagen?

[verdachte] : Ja, (ntv) vandaag zijn ze al te laat, voor aankomende maandag .. ... dinsdag dan zeg ik is goed voor de week daarna, begin je weer?

[medeverdachte 1] : Ja.

[verdachte] : En dan nemen ze een beslissing betalen meteen vijfhonderd aan .. .. van huis uit, of er nou wel of niks gebeurt .. , allemaal.

[…]

Bewijsmiddelen die in het bijzonder ook op feit 2 primair (en feit 3 en feit 4) betrekking hebben

[…]

Proces-verbaal van bevindingen van uitluisteren OVC-opname van zondag 11 oktober 2015 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] (map 6, p. 35-37):

Op zondag 11 oktober 2015 heeft in het voertuig Hyundai Ix35 54-NXT-5l een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] om 10:15 uur:

(…)

[verdachte] : En uh, en die van Venezuela niks, in de olie?

[medeverdachte 2] : Ja, die gaat .. die gaat er volgende week op, als het goed is. Ik heb die gasten zelf eigenlijk niet gesproken, maar uh .. die ging er volgende week op. dus alles zit uh .. alles zit tot nu toe in kannen en kruiken. En als hun dan meedoen hebben we een derde verhaal d'r in, derde (ntv).

[verdachte] : Ja. (…)

[verdachte] : Ja. Je beste kans is het vermengde en het mooie is ook [medeverdachte 2] als die aantallen ook niet te groot zijn hè, weet je, je moet natuurlijk zien op het moment dat je golftassen hebt met 20 kilo kant en klaar, als het gepakt ergens onderweg, kan het zo maar een heel onderzoek opleveren.

[…]

[verdachte] : En weet je wat het is, want het zijn allemaal .. de aantallen zijn ook allemaal van dien aard [medeverdachte 2] dat uh .. weet je, er is niemand die vijftig (50) kilo stuurt, snap je? Het is allemaal uh .. tien (10) kilo is een max.

Proces-verbaal van bevindingen van uitluisteren OVC-opname van maandag 19 oktober 2015 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] (map 6, p. 52-57):

Op maandag 19 oktober 2015 heeft in het voertuig Hyundai Ix35 54-NXT-5l een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en [verdachte]

Om 16:12 uur:

(…)

[verdachte] : Hoe is ie jongen?

[medeverdachte 2] : Nou z'n gangetje, zo overal al weer langs geweest jongen.

[verdachte] : O, hij is al afgeleverd heh zeker, bij [betrokkene 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 1] )?

[medeverdachte 2] : Nee

[verdachte] : Wat dan?

[medeverdachte 2] : Dat weet ik niet. Het is eh, het is een gedeelte via België en een gedeelte via Duitsland. Ik kan het je laten zien, hiero. Ik vind het heel vreemd man, nja weet je, als het al tot zo is, ben ik niet zo bang dat er wat aan de hand is, maar daar heh

[verdachte] : Hij was niet bij mij. (…)

[medeverdachte 2] : Ehh, vertrokken DHL-vestiging om tien over half twee.

[verdachte] : 's Middags?

[medeverdachte 2] : Ja

[verdachte] :Oké

[medeverdachte 2] : Even kijken, dertien (13) colli in plaats van zestien (16).

[verdachte] : Oké

[medeverdachte 2] : Nou, dan krijg ik 'zending gearriveerd in DHL-sorteercentrum Leipzig'

[verdachte] :Ja

[medeverdachte 2] : Twaalf (12) colli om tien over vijf. (stilte) (…)

[verdachte] : De tyfus.

[medeverdachte 2] : Maar d'r staan geen aantal colli's meer achter (lange stilte)

[medeverdachte 2] : En ik heb dan weer nog een keer staan om vijf voor twaalf, één (1) colli is dat, 'vertrokken van DHL-vestiging Amsterdam.'

[verdachte] : Dus die is bij [betrokkene 1] afgeleverd?

[medeverdachte 2] : Ja, ik ben net bij hem geweest, toen was het nog niks. (stilte)

[medeverdachte 2] : Maar dat is toch weer raar, of niet?

[verdachte] : Ja

[medeverdachte 2] : Kijk, ik heb ook zoiets, als het raar is, is er niks aan de hand hoor.

[verdachte] : Nee

[medeverdachte 2] : Alleen, het enige dat ik raar vind, is dat er in één keer staat 'vertrokken uil DHL -vestiging België' om vijf voor half elf vanmorgen.

[verdachte] : Ja, dat is wel heel raar. Ik denk, nou het is bij [betrokkene 1] nou weer, weet je, want ik heb het niet gezien. En we hadden weer pakken, maar ik had niets uit Chili vandaag, nul (0). Maar ik had wel heel veel ... (…)

[verdachte] : Maar je weet niet hoeveel?

[medeverdachte 2] : nee, daar staan geen colli’s meer achter.

[verdachte] : Nee.

[verdachte] : Misschien is dat wel alles, de rest. Misschien komt het wel bij [betrokkene 1] zo direct. Zou [betrokkene 1] je bellen als het er was?

[medeverdachte 2] : Ja, ik ga straks weer effe naar hem toe. Maar het is toch raar, of niet?

[verdachte] : Ja.

[medeverdachte 2] : Alles is een beetje door elkaar.

[medeverdachte 2] : Ja.

[medeverdachte 2] : En kijk ook. we zijn met zestien (16) colli begonnen

[verdachte] :Ja

[medeverdachte 2] : En op een gegeven moment heb je er dertien (13), twaalf (12) en dan weer dertien (13).

[verdachte] : Ja, maar je komt nooit meer op zestien (16):

[medeverdachte 2] : Ja, wel als je al die losse eentjes er bij op gaat tellen misschien.

[verdachte] : Dan wel ja

[medeverdachte 2] : Weet je, want sommige waren al in Amsterdam en toen waren andere nog niet eens uit België vertrokken.

[verdachte] : Nee, apart heh? (stilte)

[medeverdachte 2] : Het is heel eh, het is heel raar. Ja, of er ook iets gebeurd is, jou in elk geval nooit wat, jij hebt niks hoeven controleren dus

[verdachte] : Nee, nee, maar ja, dat is het mooie. Kijk, aan de ene kant is het mooi als ik het niet zie, wat ik wel eens zeg. Aan de andere kant is het mooi dat ik het wel zie, want dan weet je in elk geval dat het goed is.

[medeverdachte 2] : Ja

[verdachte] : Snap je?

[medeverdachte 2] : Ja, nu weten we in principe nog niks.

[verdachte] : Want ik had vanochtend echt ook, het was weer eens stress van hier tot Tokio, want we zouden er weer twee mee krijgen. Dus eh, nee hoeft niet, hoeft niet, die twee komen wel, weet je, anders komen wij al te laat, dus dat is allemaal geregeld. Nou we hadden er, we hadden honder, zo'n pak, alles uit Zuid-Amerika. Van Brazilië, Mexico tot verzin maar. Maar niet eentje uit Chili, niet één. Toen dacht ik al: 'Pffff'. Vorige keer had ik ook uit Chili erbij. Nu had ik niks uit Chili. Kan zijn dat het niet in de risico meegenomen is. Ja, of er is met die Chili-vlucht van alles misgegaan, weet je. (…)

[verdachte] : Dan zegt hij, ja die andere zijn er niet. Ik zeg, nou laat maar staan die zes (6) tot die andere vier (4) er zijn en dan controleren we 'm. Daarom, op het moment dat er al één colli helemaal in de handel is, of twee of drie die uit zijn, dan is waarschijnlijk die hele partij wel vrij gegeven.

[medeverdachte 2] : Ja

[verdachte] : Dus daarom maak ik me niet zoveel zorgen

[medeverdachte 2] : Want het zou, het zou ook raar zijn als het niet eh

[verdachte] : Daarom maak ik me ook niet zoveel zorgen. (…)

[verdachte] : Het is nu al weer drie uurtjes later. Al weer drie-en-een-half uur later. Kan natuurlijk van alles al weer gebeurd zijn heh. Kijk, en ze leveren natuurlijk de hele dag door.

[medeverdachte 2] : Ja, ik heb tegen [betrokkene 1] ook, ik zeg, blijf maar even zitten. Alleen ik ben bang dat ie vandaag moet zitten en morgen moet zitten.

[verdachte] : Ja. Want tot hoe laat leveren ze?

[medeverdachte 2] : Nou volgens mij tot acht of negen uur 's avonds.

[verdachte] : Ja.

[medeverdachte 2] : Ja, het is wel een bedrijf natuurlijk. Nou ja, we hebben ook een keer gehad, ging het naar een bedrijf in Den Haag toe, was het bedrijf dicht.

[verdachte] : Ja

[medeverdachte 2] : 's Avonds

[verdachte] : Ja. Die gekkigheid moet je niet hebben.

[medeverdachte 2] : Nee, maar ik vind het ook zonde als ie blijft zitten, terwijl er eh één (1) á twee (2) geleverd worden en dan eh (…)

[medeverdachte 2] : Ik vind dit soort dingen altijd eh

[verdachte] : Daarom zeg ik wel eens, aan de ene kant is het lekker dat het niet bij me komt, maar weet je, aan de andere kant wel. Ik heb er toch wel 's morgens een beetje de spanning ervan allemaal, weet je.

[medeverdachte 2] : Ja kijk, je bent toch al, het zit toch al eh, het zit al in je bloed. (opmerking verbalisanten: [verdachte] en [medeverdachte 2] praten een aantal zinnen door elkaar heen)

[verdachte] : Kijk, je gaat er naar toe

[medeverdachte 2] : Ik heb het nu ook. Ik ben al weer eerder gestopt

[verdachte] : Ja

[medeverdachte 2] : Want ik kan toch niet, ik kan nu niet eh

[verdachte] : Nee, weet je

[medeverdachte 2] : Want het zit alweer in m'n bloed

[verdachte] : Ik vanochtend ook. Ik ga er naar toe, als ik aankom, denk ik, oh kut kijken. Denk ik toch, Godverdomme weet je wel. Maar het zijn er toch honderdzeventig (170) waren het er. Zij was al weer begonnen, maar ja, dan nog verder kijken. Even snel, weet je. of je Chi, maar ik zag geen Chili. Ik denk, nou dat is raar. Want ik had pakken Brazilië, alles, ik had echt alles.

(…)

[verdachte] : Alles werkt in zo'n blauwdruk heh, wordt het erin gezet. Dus het zit in die blauwdruk en het is niet geselecteerd voor controle bij ons.

[medeverdachte 2] : Nee, dus dan, en de douane-inklaring is compleet

[verdachte] : Ja

[medeverdachte 2] : Dus dan is dat gewoon geregeld.

[verdachte] : Ja, dus dat betekent dat ie bij ons niet komt.

[medeverdachte 2] : Nee, het lijkt me niet in elk geval.

[verdachte] : Nee

[medeverdachte 2] : En het lijkt me ook niet dat als er één of twee douane-inklaringen compleet zijn, het blijft één zending.

[verdachte] : Ja

[medeverdachte 2] : Dat je dan voor andere dingen

[verdachte] : Nee, nee, nee, kan niet

[medeverdachte 2] : Want dan is ie eigenlijk voor die andere zendingen ook wel .. (ntv)

[verdachte] : Dan is ie waarschijnlijk gewoon vrij gegeven

[medeverdachte 2] : Ja

[verdachte] : Dus, alleen het nadeel is, het zit niet bij mekaar. Dus het komt in etappes, misschien binnen in twee of drieën binnen en dan wordt het pas afgeleverd. Maar ja, het zou zomaar kunnen dat het tussendoor, dat het vanochtend niet in die vrachtwagen allemaal paste.

(…)

[…]

Proces-verbaal van bevindingen van uitluisteren OVC-opname van woensdag 2 september 2015, Café XO, Grote Markt 8 te Haarlem d.d. 9 november 2015 (map 6, p. 5-11):

Op woensdag 2 september 2015 is waargenomen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] omstreeks 13:38 uur een ontmoeting hebben gehad op het terras van Café XO, gelegen aan de Grote Markt te Haarlem. Gedurende deze ontmoeting is middels technische apparatuur de vertrouwelijke communicatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] opgenomen. De weergave van het gesprek houdt in:

[verdachte] : [verdachte]

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 1] :

[verdachte] : Nee, alles is geregeld.

[medeverdachte 1] : Betalingen?

[verdachte] : Ze betalen allemaal, als de datum, betalen ze standaard (500) vijfhonderd per maandag, dinsdag van te voren, voor de maandag.

[medeverdachte 1] : Ja.

[verdachte] : Dus vanaf nu is het zo dat als ze, als wij zeggen bijvoorbeeld euh..

[medeverdachte 1] : Vijf dagen?

[verdachte] : Ja, (ntv) vandaag zijn ze al te laat, voor aankomende maandag .. ... dinsdag dan zeg ik is goed voor de week daarna, begin je weer?

[medeverdachte 1] : Ja.

[verdachte] : En dan nemen ze een beslissing betalen meteen (500) vijfhonderd aan .. .. van huis uit, of er nou wel of niks gebeurt .. , allemaal.

(…)

[verdachte] : En Erwin is allemaal geregeld en als het goed is al betaald ...... (ntv) dus maandag ... (ntv) maandag erop, volgende week maandag toch (ntv)

[medeverdachte 1] : Ja .... (ntv)

[verdachte] : Ja.

[medeverdachte 1] : .... (ntv) dinsdag gesprek .... (ntv) dat ik euh maandag weer ga beginnen

(…)

[verdachte] : Dinsdagavond of euh dinsdag als je thuis komt moet je meteen bellen, als jij .. als ik wat weet van jou, moet je meteen bellen.

[medeverdachte 1] Ja.

[…]

[verdachte] : Dus we moeten even wat verzinnen hè om kans te maken dinsdag

[medeverdachte 1] : Maar inderdaad wat je zegt weet je ik zeg gewoon laat me vrijdag maar alvast effe vier uurtjes meepakken.

[verdachte] : Je moet eigenlijk al met die ouwe gesproken hebben, omdat die ouwe gezegd heb dan ga ik eerst met je praten .... (ntv) ... desnoods donderdag of vrijdag ... (ntv) .... Ja ik ben er maandag ook weer gewoon tot een uurtje of twaalf of zo weet je, dus euh .... (ntv) zeg wat wil je dan doen, zet mij maar lekker bij [verdachte] een uurtje of zo ..... (ntv)

[medeverdachte 1] : Ja.

[verdachte] : Ik zeg wat is er dan? Want hij was euh gisteren was ie, maandags euh maandagavond was ie daar, kregen ze allebei euh twee aanbetalingen liggen ..... (ntv) .. "Ik zei laat ze het maar houden, als je het aanneemt dan moet je het aannemen voor maandag dan moet je weer een smoes verzinnen, dat lukt dan wel maar ja moet dan wel zeker weten de 14e en je weet natuurlijk nooit zeker hoe zo'n bedrijfsarts gaat reageren, straks zegt ie: "Nee meissie dat gaat echt niet gebeuren".

[medeverdachte 1] : Jawel, weet je als ik gewoon zeg luister euh de muren komen thuis op me af weet je wel.

[verdachte] : Ja, je kan een verhaal van ik wil contact met me werk houden weet je dus anders wordt de stap helemaal straks te groot en dat wil ik niet....”

10. Uit de feitelijke vaststellingen van het hof blijkt dat op 19 en 20 oktober 2015 in totaal 96 flessen olijfolie, verdeeld over 16 dozen, afkomstig uit Chili via Brussel bij DHL te Schiphol zijn aangekomen en daar in beslag zijn genomen. De dozen met flessen olijfolie bevatten in totaal ongeveer acht kilo cocaïne en waren alle op dezelfde wijze aan medeverdachte [betrokkene 1] geadresseerd. Hoewel de zending het douaneprofiel “verplicht controleren” had, is de zending abusievelijk vrijgegeven en daardoor bij aankomst in Nederland rechtstreeks gesorteerd voor aflevering. Was de zending niet aldus vrijgegeven, dan waren – naar het hof kennelijk heeft vastgesteld – in het sorteercentrum van DHL op Schiphol de dozen voor een douanecontrole apart gezet. Wat betreft de invoer van de tenlastegelegde cocaïne in Nederland was vooral op die plek een belangrijke rol voor de verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte 1] als douaneambtenaren weggelegd. Zij stonden blijkens de bewijsvoering van het hof daar namelijk op 19 oktober 2015 gereed om de voor controle geselecteerde zending te onderscheppen en aan een ondeugdelijke controle te onderwerpen. De verdachte had daarover overleg gevoerd met zowel medeverdachte [medeverdachte 2] alsook met zijn directe collega medeverdachte [medeverdachte 1] , en had, overeenkomstig de daartoe gemaakte afspraken, geregeld dat het rooster er zodanig uitzag dat hij en medeverdachte [medeverdachte 1] in hun functie van douanebeambte die dag op de werkvloer zouden staan. Ook had hij medeverdachte [medeverdachte 1] in dat verband de nodige instructies gegeven en met medeverdachte [medeverdachte 2] gesproken over de vergoeding die voor haar passend zou zijn. Medeverdachte [betrokkene 1] stond op het afleveradres gereed om de zending olijfolie en cocaïne in ontvangst te nemen. In dat licht moeten de vaststellingen, die het hof op een rijtje heeft gezet, worden geplaatst. Deze vaststellingen houden, voor zover hier in het bijzonder van belang, in dat de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] besprekingen met elkaar hebben gevoerd over en informatie hebben uitgewisseld en ingewonnen inzake de bedoelde invoer van flessen olijfolie met cocaïne en hun gedragingen, en dat de verdachte met zijn collega en medeverdachte [medeverdachte 1] overleg heeft gehad en informatie heeft uitgewisseld en ingewonnen over hun rol in het geheel. Ik wijs ook nog op een overweging van het hof in verband met de onder 4 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie (die, aldus het hof, bij de motivering van feit 2 als herhaald en ingelast moet worden beschouwd): “Bij deze organisatie konden de invoerders van verdovende middelen de zekerheid inkopen dat de zending op een bepaalde dag, als deze voor een douanecontrole geselecteerd zou worden, zou worden doorgelaten. De bijdrage van de verdachte daaraan was essentieel.”

11. Een douaneambtenaar die ook in het verband van de onderlinge taakverdeling zo intens met anderen samenwerkt en die in de voorbereiding en afhandeling zo een essentiële rol speelt als de verdachte in de onderhavige zaak, en wiens aanwezigheid bij de controle van de lading – of hier misschien juister: bij het niet controleren daarvan – zo cruciaal is als in het onderhavige geval, heeft een bijdrage geleverd die als van voldoende gewicht voor het medeplegen van de invoer van verdovende middelen als bedoeld in art. 2 onder A van de Opiumwet kan worden aangemerkt. Een dergelijke bijdrage is in een geval als het onderhavige in de totale keten van gedragingen per definitie van wezenlijke aard. Daarmee staat of valt immers doorgaans het welslagen van de invoer.

12. Daaraan doet met betrekking tot feit 2 primair niet af dat de dozen niet de verwachte route hebben afgelegd en ondanks het profiel ‘verplicht controleren’ zijn vrijgegeven (custom cleared). Volgens de stellers van het middel zou deze omstandigheid ertoe leiden dat een veroordeling wegens – kort gezegd – het medeplegen van de invoer van verdovende middelen niet meer mogelijk is omdat in dat geval een uitvoeringshandeling achterwege is gebleven. Dit standpunt is niet houdbaar. Ook volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is het (daadwerkelijk) verrichten van een uitvoeringshandeling voor het bewijs van medeplegen geen noodzakelijk vereiste. De stellers van het middel gaan eraan voorbij dat in dat kader bepaalde gedragingen die te situeren zijn in een fase die voor of na afloop van het feit is gelegen, wel degelijk van belang kunnen zijn. Voor zover het gaat om het onder 2 primair tenlastegelegde heeft de verdachte blijkens de bewijsvoering niet alleen toegezegd dat hij de ondeugdelijke controle zou uitvoeren – waarvoor hij een beloning ontving – door gereed te staan om de zending te onderscheppen en uit te kijken naar de dozen/pakketten waarin de verdovende middelen zouden zitten. Hij heeft daaraan voorafgaand ook (kort gezegd) (i) toegezegd als douanier op die dag en op die plaats met zijn collega en medeverdachte [medeverdachte 1] zorg te dragen voor een ondeugdelijke controle, (ii) zijn dienst daarop afgestemd en (iii) het er naartoe geleid dat ook medeverdachte [medeverdachte 1] haar dienst daarop afstemde, (iv) met verschillende medeverdachten besprekingen gevoerd, (v) informatie ingewonnen en verstrekt, (vi) instructies gegeven en (vii) gesproken over beloningen. Zoals het hof terecht heeft geoordeeld, heeft de verdachte in een zodanige mate deelgenomen aan de totstandkoming van het gezamenlijke plan en had hij in de voorbereiding en uitvoering van dat plan een zodanig cruciale rol, dat van medeplegen kan worden gesproken. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Dat buiten toedoen van de verdachte en diens medeverdachten een bepaalde onvoorziene omstandigheid er toe heeft geleid dat de verdachte zijn rol uiteindelijk niet ten volle heeft kunnen uitvoeren, maakt dit ook bezien in het licht van hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd niet anders.

VIII. Slotsom

13. Het middel faalt en kan mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het navolgende is ontleend aan: HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443; HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481, m.nt. Keijzer; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407; HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond; HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, m.nt. Rozemond; HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140, m.nt. Vellinga; en HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1606, NJ 2021/30, m.nt. Reijntjes.

2 Zie daarover uitgebreider de conclusies van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140, m.nt. Vellinga en HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:544 (randnummer 15) en de conclusies van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162 (randnummer 10) en HR 6 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:336 (randnummer 36). Zie ook de noot van Klaas Rozemond onder HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis & R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23.

3 Hetgeen in het hieronder geciteerde tussen vierkante haakjes is gezet, is door mij weggelaten.