Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:792

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
19/05030
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Falende klachten over redelijke termijn in feitelijke aanleg en ontbrekende bewijsmiddelenbijlage. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05030

Zitting 7 september 2021

(bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 30 oktober 2019 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, met aftrek van het voorarrest, wegens 1 subsidiair en 2 meer subsidiair “medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”, 3 “als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd”, 4 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet” en 6 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”. Daarnaast heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van zeven bankbiljetten van vijftig euro.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/04967, 19/04934, 19/05072 en 19/05093. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld, het eerste middel bij schriftuur van 22 januari 2021 en het tweede middel bij aanvullende schriftuur van 25 januari 2021.

  4. Ik begin met mijn bespreking van het tweede middel.

Het tweede middel en de bespreking daarvan

5. Het tweede middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, klaagt in de kern dat de bewezenverklaringen van de tenlastegelegde feiten 1 subsidiair, 2 meer subsidiair, 3, 4 en 6 niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed, omdat de bewijsmiddelenbijdrage, waarnaar het hof in het bestreden arrest verwijst, ontbreekt.

6. Het hof heeft blijkens het arrest (blad 27) klaarblijkelijk beoogd een arrest in verkorte vorm te wijzen:

“Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage.”

7. Het Procesreglement van de Hoge Raad1 bevat specifiek voor de wijze van procederen en de voortgang van het geding in strafzaken onder meer de volgende, voor de beoordeling van het middel relevante bepalingen:

“4.3.6. Toezending en inzage stukken

4.3.6.1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.8. wordt ten behoeve van de raadsman van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een ingesteld beroep wil tegenspreken die digitaal procedeert, onder wie begrepen de advocaat van de benadeelde partij, een afschrift in het webportaal geplaatst van de kernstukken – dat zijn de rechterlijke beslissingen en de processen-verbaal van de zittingen in de feitelijke instantie(s) – alsmede van andere afzonderlijk gevraagde processtukken behoudens indien (a) hij daarvan reeds in het bezit is, of (b) de omvang van het gevraagde zich daartegen verzet. In dat laatste geval wordt de raadsman gewezen op zijn bevoegdheid tot het nemen van inzage in de stukken.

[…]

4.3.6.3. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet – voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen – binnen de in artikel 437, tweede lid, Sv onderscheidenlijk artikel 447, vijfde lid, Sv genoemde termijn een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer. Indien hij digitaal procedeert, wordt het verzoek gedaan door plaatsing ervan in het webportaal. Indien hij niet digitaal procedeert, geschiedt dit verzoek schriftelijk.

4.3.7. Verlenging termijnen

4.3.7.1. Een verzoek om verlenging van een door de wet of de rolraadsheer gestelde termijn moet worden gemotiveerd en dient binnen die termijn – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – in het webportaal te worden geplaatst. Indien de betrokken procesdeelnemer niet digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het verzoek schriftelijk – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – aan de rolraadsheer.”

8. De voorloper van art. 4.3.6.3 van dit Procesreglement is het derde lid van art. IV van het voormalig Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad (Stcrt. 2008, 147). De onduidelijkheid in de praktijk over de uitleg en toepassing van het derde lid van art. IV van het voormalig Procesreglement (betreffende de regeling voor de situatie dat de in het cassatiegeding optredende raadsman die bevindt dat het procesdossier niet compleet is), bracht de Hoge Raad er in zijn arrest van 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495, m.nt. Borgers toe daaraan voorafgaande beschouwingen te wijden. Ik heb geen reden aan te nemen dat deze beschouwingen mutatis mutandis niet zouden gelden voor het huidige art. 4.3.6.3 Procesreglement. Dat betekent dat ook deze regeling onder meer strekt tot een voortvarende behandeling van het cassatieberoep. En dat dit meebrengt dat ingeval hetzij de griffie van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gewezen, heeft verzuimd het volledige procesdossier aan de Hoge Raad te zenden, hetzij de strafadministratie van de Hoge Raad heeft verzuimd om tijdig een afschrift van de (destijds in art. IV, eerste lid; thans in art. 4.3.6.1) bedoelde stukken aan de raadsman toe te sturen, zo een verzuim zo spoedig mogelijk aan het licht dient te komen zodat alsdan de gelegenheid kan worden geboden tot onverwijld herstel van het verzuim. Van de raadsman mag worden verlangd dat hij tijdig zo een tekortkoming ontdekt in de aan hem toegezonden afschriften.2

9. De hoofdregel van art. 4.3.6.3 is dat een raadsman die constateert dat de hem toegezonden (afschriften van de) processtukken niet volledig zijn, binnen de termijn van art. 437, tweede lid, Sv onderscheidenlijk art. 447, vijfde lid, Sv aan de rolraadsheer dient te verzoeken om een afschrift van dat ontbrekende stuk. Een middel dat enkel klaagt dat een processtuk ontbreekt zonder dat de raadsman eerst aan de rolraadsheer om aanvulling heeft verzocht, kan niet tot cassatie leiden. Indien het processtuk na zo een verzoek aan de rolraadsheer niet ter beschikking komt, komt de Hoge Raad toe aan de beoordeling – en in de regel tot gegrondverklaring – van een klacht als voormeld. Komt het stuk na tussenkomst van de rolraadsheer alsnog ter beschikking, dan kan dat meebrengen dat de raadsman op zijn verzoek door de rolraadsheer alsnog een termijn wordt gegund om zo nodig een aanvullend middel in te dienen. De toewijzing van een dergelijk verzoek zal onder meer afhangen van het tijdstip waarop het verzoek om toezending van het ontbrekende stuk redelijkerwijs kon worden gedaan, omdat, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, van de verdediging mag worden verlangd dat zij tijdig een verzuim als hier bedoeld ontdekt. De raadsman van de verdachte heeft dus een eigen verantwoordelijkheid wat betreft de controle van de volledigheid van de processtukken die nodig zijn voor het opstellen van de middelen van cassatie. Het staat hem of haar ingevolge art. 4.3.6.1 vrij zo nodig ter griffie van de Hoge Raad het procesdossier, dat op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad is gezonden en de grondslag vormt voor de beslissing in cassatie, in te zien.

10. De Hoge Raad rekent tot de klachten over een ontbrekend processtuk ook een middel waarin naar de kern bezien wordt geklaagd dat de verkorte uitspraak niet op de voet van art. 365a, tweede lid, Sv is aangevuld met bewijsmiddelen.3 Van zo een klacht is in de voorliggende zaak sprake.

11. De processuele gang van zaken met betrekking tot het tweede middel is als volgt:

(i) De uitreiking van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv vond plaats op 27 november 2020.

(ii) In die aanzegging wordt medegedeeld dat op 6 mei 2020 de processtukken van deze zaak zijn ontvangen op de griffie van de Hoge Raad. De bewijsmiddelenbijlage behorend bij het bestreden arrest, maakte geen deel uit van deze stukken.

(iii) De raadsman heeft – procederend via het webportaal – op donderdag 21 januari 2021 een verzoek ingediend tot aanvulling van de stukken met die bewijsmiddelenbijlage.

(iv) Op 22 januari 2021 is een schriftuur houdende het eerste middel van cassatie en op 25 januari 2021 een aanvullende schriftuur houdende het tweede middel van cassatie ingediend.

(v) De termijn voor het indienen van de schriftuur verliep op dinsdag 26 januari 2021.

(vi) De raadsman is op 23 februari 2021 door de administratie van de Hoge Raad medegedeeld dat een afschrift van de bewijsmiddelenbijlage in het digitale dossier is geplaatst.

12. De raadsman heeft tijdig – dat wil zeggen vier werkdagen voor ommekomst van de in art. 437, tweede lid, Sv bedoelde termijn van twee maanden – een verzoek ingediend ter verkrijging van een afschrift van de ontbrekende bewijsmiddelenbijlage. Niet heeft de raadsman de rolraadsheer verzocht de termijn van art. 437, tweede lid, Sv te verlengen voor het indienen van een eventueel volgend aanvullend middel.4

13. Nu het hof alsnog (zij het tamelijk laat) de bewijsmiddelenbijlage aan de griffie van de Hoge Raad heeft toegezonden, er een afschrift van deze bewijsmiddelenbijlage in het bedoelde digitale dossier is geplaatst en de raadsman daarvan door de administratie van de Hoge Raad op de hoogte is gesteld, meen ik dat de feitelijke grondslag aan het tweede middel is komen te ontvallen.

14. Het middel faalt mitsdien.

Het eerste middel en de bespreking daarvan

15. Het eerste middel klaagt over de redelijke termijn in hoger beroep.

16. Het hof heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

Redelijke termijn

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden en heeft daaraan de conclusie verbonden dat strafvermindering moet volgen.

Standpunt van de verdediging
Ook namens de verdachte is strafvermindering bepleit wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen en oordeel van het hof
In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als zodanige handeling geldt in de onderhavige zaak de inverzekeringstelling van de verdachte op 10 november 2015.

Deze zaak vloeit voort uit een tamelijk omvangrijk politieonderzoek dat heeft geresulteerd in de tenlastelegging van een substantieel aantal strafbare feiten bij een zestal personen door wie een of meer van deze feiten zijn medegepleegd. De zaken tegen de verdachte en haar mededaders zijn door de rechtbank gelijktijdig berecht. Met de inhoudelijke behandeling is een aantal zittingsdagen in juni 2017, gemoeid geweest. De rechtbank heeft binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen vonnis gewezen op 20 juli 2017. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld, waarna het dossier op 25 januari 2018, binnen de inzendtermijn van acht maanden, bij de griffie van het gerechtshof is ingekomen. Ook in hoger beroep is de zaak van de verdachte gelijktijdig berecht met de zaken tegen de vier medeverdachten die eveneens hoger beroep hebben ingesteld. Op 21 september 2018 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarop is beslist op de door een aantal raadslieden ingediende verzoeken. De inhoudelijke behandeling in hoger beroep heeft in oktober 2019 een aantal zittingsdagen in beslag genomen. Het hof wijst arrest ongeveer twee jaar en drie maanden na het instellen van hoger beroep. In het licht van het voorgaande, en in aanmerking genomen dat het hof arrest wijst binnen vier jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, is het hof van oordeel dat - voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat de ingewikkeldheid van de zaak geen toereikende rechtvaardiging vormt voor de duur van de berechting in hoger beroep - volstaan moet worden met de constatering van de beperkte overschrijding van de redelijke termijn van berechting in hoger beroep. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor strafvermindering.”

17. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2019 volgt dat de raadsman van de verdachte ter zake slechts het volgende naar voren heeft gebracht:

“Verder heeft zij een blanco strafblad en er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn.”

18. Het middel valt uiteen in twee deelklachten: (i) het hof heeft een redelijke termijn van twee jaren per feitelijke instantie tot uitgangspunt genomen, zulks ten onrechte aangezien de verdachte tijdens de behandeling in eerste aanleg gedeeltelijk in voorarrest heeft verbleven en de redelijke termijn voor berechting in dat kader dus zestien maanden bedraagt, en (ii) het hof heeft ten onrechte volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.

19. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval.5 Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Bij de berechting van de zaak is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen twee jaren na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. Indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, behoort het geding in de regel met een einduitspraak te zijn afgerond binnen zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel. Het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep moeten afzonderlijk worden beoordeeld; de duur van de procedure als geheel is in de beoordeling niet beslissend.

20. Indien wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep is overschreden, wordt die overschrijding in de regel gecompenseerd door strafvermindering. Maar het staat de rechter vrij – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Voor het volstaan met dat oordeel kan onder meer aanleiding bestaan als sprake is van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep, en de berechting in feitelijke aanleg – dat wil zeggen: in eerste aanleg én in hoger beroep – is afgerond binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen. Dat laat echter onverlet dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.

21. Wat betreft de eerste deelklacht kan aan de hand van de stukken van het geding het volgende worden vastgesteld: in de fase van eerste aanleg heeft de verdachte ruim zes maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht en heeft het in totaal achttien maanden geduurd voordat de rechtbank tot een einduitspraak kwam, en in hoger beroep heeft de procedure in de hier bedoelde zin iets meer dan twee jaren en drie maanden in beslag genomen.

22. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2019 is de zaak behandeld in aanwezigheid van de verdachte en haar raadsman. Uit dat proces-verbaal volgt ook dat door of namens de verdachte niet een uitgebreider verweer is gevoerd met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn dan hetgeen hierboven is weergegeven in randnummer 17. Het hof heeft zijn oordeel gegeven over de overschrijding van de redelijke termijn en stond daarbij vooral stil bij de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep. Het hof heeft kennelijk geen aanleiding gezien de termijn in eerste aanleg bij zijn oordeel te betrekken en daartoe nodigde dat verweer ook niet uit. Nu over dat onderdeel van de redelijke termijn in hoger beroep geen verweer is gevoerd, kan niet in cassatie voor het eerst daartegen worden opgekomen.

23. De tweede deelklacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen aanleiding geeft tot strafvermindering en dat kan worden volstaan met de constatering van de beperkte overschrijding van de redelijke termijn van berechting in hoger beroep. De toelichting op het middel bouwt voort op de eerste deelklacht en keert zich met name tegen ’s hofs berekening van de totale duur van het tijdsverloop in beide feitelijke instanties. Zij voert daartoe het volgende aan. In plaats van tweemaal twee jaren (in totaal achtenveertig maanden) tot uitgangspunt te nemen, had het hof moeten uitgaan van zestien maanden in eerste aanleg en twee jaren in hoger beroep, dus van in totaal veertig maanden. Volgens deze laatste berekening heeft de berechting in feitelijke aanleg in zijn geheel wel degelijk te lange tijd in beslag genomen en wordt de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep niet ‘achteraf’ gecompenseerd door een voortvarende behandeling van deze zaak in eerste aanleg.

24. Bij het oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn betrekt het hof primair dat het tijdsverloop in feitelijke aanleg in het geheel bezien is afgerond binnen vier jaren, en dus binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen. Het hof hint daarbij op de ingewikkeldheid van de zaak, die zich kenmerkt door “een tamelijk omvangrijk politieonderzoek dat heeft geresulteerd in de tenlastelegging van een substantieel aantal strafbare feiten bij een zestal personen door wie een of meer van deze feiten zijn medegepleegd.” De zaken tegen de verdachte en haar medeverdachten werden zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gelijktijdig berecht en namen meerdere zittingsdagen in beslag. Dat het hof tot de slotsom komt dat – voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de ingewikkeldheid van de zaak geen toereikende rechtvaardiging vormt voor de duur van de berechting in hoger beroep – met een constatering van de (geringe) overschrijding van de redelijke termijn kan worden volstaan, is, mede in aanmerking genomen dat de verdachte in eerste aanleg niet al die tijd in voorlopige hechtenis heeft gezeten, niet onbegrijpelijk en maakt in het licht van hetgeen ter ’s hofs terechtzitting door de verdediging is aangevoerd niet dat de strafoplegging door het hof ontoereikend is gemotiveerd.

25. Het eerste middel faalt eveneens.

Slotsom

26. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden is vastgesteld door de gerechtsvergadering van de Hoge Raad der Nederlanden op 26 januari 2017, is gepubliceerd in de Staatscourant van 31 januari 2017 (nr. 5928) en is in werking getreden op 1 maart 2017. Sindsdien is daarin nog het één en ander gewijzigd; de laatste wijziging dateert van 15 februari 2021. Deze wijziging is gepubliceerd in de Staatscourant op 26 februari 2021 (nr. 9405) en in werking getreden op 1 april 2021. Een kennelijke verschrijving hierin is hersteld en gepubliceerd in de Staatscourant van 22 maart 2021 (nr. 13983).

2 Zie voorts (ook voor het navolgende): HR 14 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8296; HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8819, NJ 2004/465; HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4245, NJ 2009/148, m.nt. Borgers.

3 HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704. Vgl. ook HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4245, NJ 2009/148, m.nt. Borgers.

4 Vgl. HR 14 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8296 (rov. 6.3).

5 Zie (ook voor het navolgende): HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721, m.nt. De Hullu; HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197, NJ 2021/70; HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:491; HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:893.