Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:775

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
19/04789
Formele relaties
Oorspronkelijke conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:687
Arrest Hoge Raad na nadere conclusie: ECLI:NL:HR:2021:1411
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanvullende conclusie plv-AG op ECLI:NL:PHR:2021:687. Klaagschrift ex 552a Sv. Klager is toch ontvankelijk in zijn beroep in cassatie omdat het beslag – anders dan het OM eerder aan de strafgriffie van de Hoge Raad had doorgegeven – toch niet is opgeheven. Conclusie strekt nu tot verwerping van het beroep. Samenhang met 19/04788 B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04789 B

Zitting 31 augustus 2021

AANVULLENDE CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936,

hierna: de klager.

1 De aanleiding voor deze aanvullende conclusie

1.1.

In deze zaak, waarin de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 17 september 2019 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan klager van een geldbedrag van € 126.500,-, ongegrond heeft verklaard, concludeerde ik op 6 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:687. Die conclusie strekte tot het niet-ontvankelijk verklaren van klager in zijn cassatieberoep. De reden daarvoor was dat kort vóór het nemen van die conclusie het openbaar ministerie aan de strafgriffie van de Hoge Raad had bericht dat het conservatoire beslag waartegen het klaagschrift was gericht, zou worden opgeheven. Dat conservatoir beslag was oorspronkelijk gelegd in verband met een tegen [betrokkene 2] , dus niet zijnde klager, aangekondigde ontnemingsprocedure. Later kwam daar een Europees bevriezingsbevel bij in verband met een in België lopend strafrechtelijk onderzoek met eveneens een voorgenomen ontneming tegen dezelfde [betrokkene 2] . Op 6 juli j.l. moest het ervoor worden gehouden dat het beslag werd opgeheven omdat de Nederlandse ontnemingsprocedure van de baan zou zijn en van een Belgisch strafrechtelijk onderzoek niet langer sprake zou zijn.

1.2.

Echter, reeds de dag nadat de conclusie was genomen liet het openbaar ministerie aan de strafgriffie van de Hoge Raad weten dat de beslagene [betrokkene 2] in België wel strafrechtelijk werd vervolgd. Sterker nog, uit de dan verstrekte informatie blijkt dat hij op 25 februari 2021 zelfs al door de rechter in eerste aanleg is veroordeeld. Tegen die veroordeling heeft hij op 19 maart 2021 hoger beroep aangetekend. “Dit beroep zal worden ingeleid op de zitting van 15/09/21 bij het Hof van Beroep. Behandeling ten gronde zal nog voor enige tijd later zijn”, zo berichtte het Belgische openbaar ministerie aan de Nederlandse collegae.

1.3.

Deze informatie dwingt tot een aanvullende conclusie. Immers anders dan eerder is bericht, wordt het conservatoir beslag op gelden waarop klager – voor een deel – aanspraak maakt gehandhaafd en is er bepaald geen reden klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep in cassatie. Het cassatiemiddel behoeft derhalve een integrale bespreking.

1.4.

Hetzelfde geldt in de samenhangende beklagzaak 19/04788 van de zoon van klager. Ook in die zaak zal ik vandaag aanvullend concluderen.

2 De conclusie van 6 juli 2021

2.1.

Wat betreft het verloop van de zaak verwijs ik kortheidshalve naar paragraaf 2 van mijn conclusie van 6 juli j.l.

2.2.

In paragraaf 4 van die conclusie heb ik een aantal kanttekeningen geplaatst bij de wijze waarop de rechtbank tot de ontvankelijkheid van het beklag van klager was gekomen. Ik heb aangegeven dat de rechtbank naar mijn oordeel op andere wijze tot de ontvankelijkheid van dat beklag had kunnen en dienen te komen. Aangezien de uitkomst linksom of rechtsom gelijkluidend is, namelijk een ontvankelijk beklag, zie ik geen reden om hieraan in cassatie enige consequentie te verbinden.

2.3.

In paragraaf 5 van de conclusie van 6 juli 2021 heb ik de passages aangehaald op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat klager als eigenaar van een deel van het inbeslaggenomen geld moet worden aangemerkt. (Ik kom daar hierna in paragraaf 3 nog op terug).

2.4.

In paragraaf 6 van de conclusie van 6 juli 2021 heb ik mij – op dat moment volstrekt ten overvloede – reeds uitgelaten over het naar mijn inschatting meest zwaarwegende punt uit het cassatiemiddel, namelijk dat de rechtbank in deze beklagzaak het klaagschrift aan een andere maatstaf zou hebben moeten toetsen dan door de Hoge Raad geformuleerd in zijn overzichtsbeschikking van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis. In het middel wordt een lans gebroken voor een toetsingsmaatstaf waarvan de inhoud en omvang wordt bepaald door de (civielrechtelijke) opvatting dat het enkele bezit van het geld al zou gelden als onmiskenbare aanwijzing voor eigendom. Ik heb aangegeven dat ik voor de juistheid van die opvatting in de wetsgeschiedenis (op de ontnemingswetgeving) en in de jurisprudentie geen aanknopingspunten of argumenten heb kunnen vinden. Ik concludeerde dat ik met die opvatting ook niet uit de voeten kan in een situatie waarin het dossier aanwijzingen bevat dat degene onder wie het conservatoir beslag is gelegd met behulp van de zoon van klager in de woning van klager crimineel geld heeft ondergebracht.

3. Aanvullend: conclusie reeds besproken deel van het middel en voorts bespreking en conclusie van het andere deel van het middel

3.1.

Aan hetgeen ik in mijn conclusie van 6 juli 2021 in paragraaf 6 heb opgemerkt over het door mij als meest zwaarwegend ingeschatte deel van het middel, heb ik destijds geen oordeel over de al dan niet haalbaarheid daarvan verbonden, althans niet expliciet. Dat was ook niet nodig. Ik meende op basis van de op dat moment beschikbare informatie immers te moeten concluderen tot het niet-ontvankelijk verklaren van klager in zijn cassatieberoep en meende er desalniettemin goed aan te doen om – ten overvloede – aandacht te besteden aan het (mij) meest prikkelende onderdeel van het middel. Nu het zich laat aanzien dat klager op grond van de meest actuele informatie wel ontvankelijk is in zijn beroep, dien ik alsnog een eindoordeel aan dat niet langer als ten overvloede aan te merken betoog te verbinden. Dat oordeel zal gelet op hetgeen ik over dit deel van het middel heb gezegd weinig verrassend zijn: het faalt.

3.2.

Het andere deel van het middel behoeft in deze aanvullende conclusie nog wel inhoudelijke bespreking. In dat deel richt de steller van het middel zich tegen de wijze waarop de rechtbank heeft getoetst aan het door de Hoge Raad in zijn overzichtsbeschikking gehanteerde criterium. Die wijze van toetsing blijkt uit de passages uit de beschikking van de rechtbank die ik in mijn conclusie van 6 juli 2021 in paragraaf 5 heb aangehaald en waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs. De steller van het middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel is dat klager de eigenaar is van een deel (te weten € 126.500,00) van het inbeslaggenomen geld. Klager zou aannemelijke verklaringen hebben gegeven voor de herkomst van het in zijn woning aangetroffen contante geld (in totaal € 227.270,00).

3.3.

In de schriftuur wordt voor wat betreft die verklaringen gesteld dat klager bij de behandeling in raadkamer duidelijk heeft aangegeven wat de herkomst van het geld is en dat het enkele feit dat klager na lange tijd niet meer aan de hand van officiële bewijsstukken de herkomst van het geld kan aantonen, niet betekent dat hij niet als eigenaar van het geld moet worden aangemerkt. Wat daar ook van zij, de vraag waar de beklagrechter zich voor ziet gesteld is of buiten redelijke twijfel staat dat het geld aan klager toebehoort. Er is weinig fantasie voor nodig dat de beklagrechter die vraag onmogelijk bevestigend kan beantwoorden als klager niet veel verder komt dan het enkele betoog dat het geld afkomstig is uit in het tijdperk van de gulden verkregen erfenissen van ouders en schoonouders en de verkoop van zijn toenmalige woning. Een dergelijk betoog behoeft wel enig bewijs, al was het maar – zo voeg ik daaraan toe – omdat het verre van gebruikelijk is om gedurende tientallen jaren zoveel contant geld ongebruikt in huis achter de hand te hebben. Maar dat bewijsmateriaal wordt niet overgelegd. Kennelijk is het er niet. Kennelijk zijn er geen bankafschriften waaruit blijkt van contante opnamen waarmee het bezit van een groot bedrag aan contant geld kan worden verklaard en kennelijk zijn er ook geen belastingaangiften waarin jaar in jaar uit melding wordt gemaakt van het bezit van een groot bedrag aan contante gelden. Tegen die achtergrond is het bepaald niet onbegrijpelijk dat de beklagrechter tot twee maal toe oordeelt dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 126.500,- moet worden aangemerkt, te meer niet als daarbij de in de beschikking aangehaalde onderzoeksbevindingen – verklaringen en afgetapte telefoongesprekken – worden betrokken en de bij de aanvang van de doorzoeking tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring dat er (slechts) ongeveer € 20.000,00 in zijn woning lag.1 Dat oordeel acht ik evenmin onvoldoende gemotiveerd.

3.4.

Een in tweede instantie nog overgelegde ongedateerde brief van de zus van klager over een geldbedrag dat zij(!) meer dan twintig jaar gelden van haar moeder heeft geërfd en een ongedateerde brief van het openbaar ministerie aan de zoon van klager waarin melding wordt gemaakt van een teruggave van een geldbedrag aan die zoon(!) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel over de vraag of klager(!) buiten redelijke twijfel als eigenaar van een groot deel van het geld moet worden aangemerkt. Dat oordeel acht ik eveneens bepaald niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het gaat immers niet om gelden die al dan niet zijn gegaan in de richting van de zus of de zoon van klager, maar om gelden waarvan klager stelt dat hij ze jaren geleden heeft ontvangen, in contante bedragen heeft omgezet, heeft verpakt (of laten verpakken) en op verschillende plaatsen in zijn woning heeft opgeborgen. Het oordeel van de rechtbank dat de vrijspraak van de zoon(!) van klager en een onderzoek van de politie naar een alternatief scenario over de mogelijke herkomst van het geld in relatie tot de zoon(!) van klager niet tot een andere uitkomst leidt, acht ik evenmin onbegrijpelijk.2

3.5.

In de schriftuur wordt gemeld dat klager desgewenst een uitgebreide en onderbouwde toelichting kan geven op de herkomst van het geld. De cassatieprocedure is daarvoor echter niet het podium. Klager heeft daar twee maal eerder de kans toe gehad, namelijk ter gelegenheid van de feitelijke behandeling van het eerste én van het tweede klaagschrift. Als die kansen niet worden gegrepen, houdt het op. In cassatie is het daarvoor in elk geval te laat.

3.6.

Het middel faalt voor zover daarin wordt geklaagd over de wijze waarop de rechtbank het beklag ongegrond heeft verklaard en dat oordeel heeft gemotiveerd.

4 Conclusie

4.1.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.2.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv-AG

1 Zie conclusie van 6 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:687, onder 5.1.

2 Zie conclusie van 6 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:687, onder 5.2.