Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:770

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-08-2021
Datum publicatie
08-10-2021
Zaaknummer
20/01756
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1459, Gevolgd
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Deeltijdstudent uitgesloten van verdere deelname aan opleiding aan hogeschool, wegens gebrekkige studievoortgang en voorgenomen 'uitfasering' van de opleiding. Heeft hogeschool zorgplicht geschonden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01756

Zitting 27 augustus 2021

CONCLUSIE

G.R.B. van Peursem

In de zaak

[eiser]

eiser tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: “ [eiser] ” te noemen,

adv. mr. K. Aantjes

tegen:

Stichting HZ University of Applied Sciences

verweerster in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: “HZ” te noemen,

adv. mrs. J.W.H. van Wijk en P.J. Tanja

Heeft HZ bij het uitfaseren van de vierjarige hbo deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde haar zorgplicht jegens student [eiser] geschonden?

Het hof heeft deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend beantwoord en daartoe geoordeeld (1) dat HZ [eiser] voldoende mogelijkheden heeft gegeven om zijn studie tijdig af te ronden en (2) dat niet onbegrijpelijk is dat HZ niet langer het vertrouwen had dat [eiser] zijn studie binnen redelijke tijd zou kunnen voltooien. Volgens het hof heeft HZ daarom niet in strijd met haar zorgplicht gehandeld door [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid te geven zijn studie voort te zetten.

In cassatie voert [eiser] aan dat het hof niet heeft vastgesteld hoe lang de redelijke afbouwtijd was, wanneer deze afliep en op welk moment de opleiding helemaal is beëindigd. Verder betoogt hij dat het hof voorbij is gegaan aan essentiële stellingen en buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen. Ik zie die klachten geen doel treffen. Aan het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van HZ – dat gaat over het moment waarop [eiser] is geïnformeerd over de beëindiging van de opleiding – wordt dan niet toegekomen.

1. Feiten en procesverloop1

1.1 HZ is een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in art. 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) en verzorgt opleidingen in het hbo.

1.2 [eiser] heeft zich in 2010 bij HZ ingeschreven voor de vierjarige deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde. Daarnaast had hij een fulltime baan. [eiser] is de opleiding begonnen in september 2010, dus in het studiejaar 2010/2011.

1.3 De studielast van de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde bedroeg in totaal 240 studiepunten, te weten 68,75 in het eerste studiejaar (2010/2011), 52,50 in het tweede jaar (2011/2012), 88,75 in het derde jaar (2012/2013) en 30 in het vierde studiejaar (2013/2014). Voor het eerste jaar had [eiser] een vrijstelling van 22,5 punten, zodat de studielast voor het eerste jaar 46,25 bedroeg.

1.4 HZ heeft in 2011 besloten te stoppen met de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde en deze studierichting te laten opgaan in een (bredere) opleiding Engineering. De studenten, waaronder [eiser] , is dat op enig moment ook meegedeeld.

1.5 [eiser] heeft in het eerste, tweede en derde studiejaar studievertraging opgelopen.

1.6 HZ heeft in het studiejaar 2012/2013 voor verschillende vakken – waaronder voor het vak regeltechniek – zogenaamde opfriscursussen/vragenuren georganiseerd en op verschillende momenten konden (her)tentamens worden gedaan. [eiser] heeft daarvan ook gebruik gemaakt, maar niettemin heeft HZ (bij monde van [betrokkene 1] ) in een bij e-mail van 7 maart 2013 aangehecht overzicht (de “bezemlijst van 7 maart 2013”) vermeld dat er nog zeven vakken openstonden. [eiser] is ook geïnformeerd over de hertentamens.

1.7 HZ heeft [eiser] bij e-mail van 26 augustus 2014 gevraagd zich voor het vijfde studiejaar (2014/2015) niet meer in te schrijven gelet op de gebrekkige studievoortgang en de voorgenomen uitfasering van de opleiding en bericht dat, als hij toch zijn ingenieursdiploma wilde halen, de mogelijkheid openstaat zich in te schrijven voor de voltijdopleiding “Engineering”.

1.8 Niettemin heeft [eiser] zich opnieuw ingeschreven voor het vijfde studiejaar, maar hij is van verdere deelname uitgesloten. Van de vereiste 240 studiepunten heeft hij er uiteindelijk 187,50 behaald.

1.9 Bij brief van 28 september 2015 heeft [eiser] HZ aansprakelijk gesteld en gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 131.034,- ter zake van schadevergoeding.

1.10 [eiser] heeft HZ op 3 november 2015 in rechte betrokken. Hij vorderde in eerste aanleg (samengevat en voor zover nog van belang) veroordeling van HZ tot betaling van € 131.034,- vermeerderd met rente en kosten2. Primair heeft [eiser] als grondslag voor zijn vordering aangevoerd dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een (onderwijs)overeenkomst. Subsidiair heeft [eiser] gesteld dat HZ haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden door hem vanaf 2012 onvoldoende in de gelegenheid te stellen zijn opleiding te vervolgen en af te ronden, waarmee HZ onrechtmatig heeft gehandeld.

1.11 Op 12 oktober 2016 heeft de rechtbank (eind)vonnis gewezen3. Hierbij is HZ veroordeeld om een bedrag van € 4.553,96 plus proceskosten (€ 1.536,98) aan [eiser] te voldoen.

1.12 In rov. 4.1-4.3 heeft de rechtbank de primaire grondslag (vordering uit overeenkomst) verworpen. [eiser] heeft zich als student ingeschreven bij HZ. Met deze inschrijving ontstaat het recht op onderwijs. Een aparte overeenkomst is daartoe niet vereist, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis bij art. 7.32 Whw (destijds art. 7.25 Whw)4. Het feit dat [eiser] zich heeft ingeschreven leidt dus niet tot de conclusie dat een overeenkomst tot stand is gekomen.

1.13 In het kader van de subsidiaire grondslag (vordering uit onrechtmatige daad) heeft de rechtbank het volgende uitgangspunt geformuleerd over de zorgplicht van HZ:

“4.5 Dát er op HZ als hogeschool jegens [eiser] als student een zorgplicht rustte, is op zichzelf tussen partijen niet in geschil. Deze zorgplicht, die kwalificeert als een inspanningsverbintenis, vloeit voort uit de Whw en de specifieke rechtsverhouding tussen hogeschool en student. Ingevolge artikel 7.34 lid 1 Whw geeft de inschrijving aan de student het recht om (kort gezegd) aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, om de bijbehorende tentamens en examens af te leggen, om gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen en het recht op studiebegeleiding. In dat verband rust op de betreffende instelling de zorgplicht om deugdelijk hoger beroepsonderwijs te verzorgen en daarbij jegens haar studenten te handelen zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwame en redelijk handelende onderwijsinstelling verwacht mag worden.”

1.14 Naar de vaststelling van de rechtbank gaat het in deze zaak om de zorgplicht van HZ jegens [eiser] gedurende de afbouwfase van de opleiding. HZ heeft de duur van de afbouwfase volgens de rechtbank op grond van art. 7.34 lid 2 Whw in samenhang met (het later ingevoerde) art. 7.3 lid 6 Whw in redelijkheid mogen bepalen op de resterende studiejaren vermeerderd met een jaar, dus de studiejaren 2011/2012 tot en met 2014/2015 (rov. 4.6).

1.15 De rechtbank is van oordeel dat aan HZ valt toe te rekenen dat het volgens haar in 2011 genomen besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan de studenten bekend is gemaakt. HZ heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] met dit besluit eerder bekend was of had moeten zijn (rov. 4.9). Van HZ had in de gegeven omstandigheden mogen worden verwacht dat zij de nog niet afgeronde tweedejaarscursussen niet direct zou stopzetten en dat zij in het derde studiejaar naast het reguliere deeltijdonderwijs in de derdejaarsvakken zou voorzien in het reguliere deeltijdonderwijs in de tweedejaarsvakken (rov. 4.10). Onvoldoende is dat HZ voor de tweedejaarsvakken opfriscursussen en studiegroepen heeft georganiseerd, dat er meermaals gelegenheid is geboden om hertentamens te doen en dat de studenten intensief werden gemonitord door een uitfaseercoördinator; dit alles is geen redelijk alternatief voor het reguliere deeltijdonderwijs (rov. 4.11).

1.16 De rechtbank is daarom tot het oordeel gekomen dat HZ in 2011-2012 en 2012-2013, nadat zij had besloten tot het uitfaseren van de opleiding, niet heeft gehandeld zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hogeschool mag worden verwacht en dat zij daarmee jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 4.12).

1.17 Daarna is de rechtbank toegekomen aan het causaal verband, de schade en het beroep op eigen schuld. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat HZ gehouden is om de schade te vergoeden die aan één jaar studievertraging valt toe te rekenen5. De rechtbank begroot deze schade op € 4.553,96 (zijnde één jaar collegegeld ad € 1.550,-, een bedrag van € 684,- aan extra studiekosten en een verschil in netto salaris van € 2.319,96) (rov. 4.15-4.20).

1.18 [eiser] heeft hoger beroep ingesteld. Hij heeft vier grieven aangevoerd, zijn eis vermeerderd en gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en (opnieuw rechtdoende) HZ zal veroordelen tot betaling van € 173.184,- vermeerderd met rente en kosten.

1.19 In incidenteel appel heeft HZ 18 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en, opnieuw rechtdoende, afwijzing van de vorderingen en terugbetaling van al hetgeen HZ heeft voldaan uit hoofde van het vonnis, vermeerderd met rente en kosten.

1.20 Bij arrest van 10 maart 2020 heeft het hof Den Bosch het vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] afgewezen. [eiser] is veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen HZ heeft voldaan uit hoofde van het vonnis, zijnde € 6.090,94 te vermeerderen met rente, en tot betaling van de proceskosten in beide instanties. De daaraan ten grondslag liggende overwegingen kunnen als volgt worden samengevat.

1.21 In rov. 3.4 stelt het hof voorop dat [eiser] geen grief heeft gericht tegen het oordeel dat geen sprake is van een (onderwijs)overeenkomst, zodat ook het hof daar vanuit gaat. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag gaat het hof uit van het eveneens onbestreden uitgangspunt in rov. 4.5 van het vonnis over de zorgplicht van HZ (zie hiervoor in 1.13).

1.22 Het hof is, net als de rechtbank, tot de conclusie gekomen dat [eiser] pas bij e-mail van 10 september 2012 is geïnformeerd over de uitfasering van de opleiding:

“3.5 [eiser] is in september 2010 (studiejaar 2010/2011) naast zijn voltijd baan begonnen aan de deeltijdopleiding werktuigbouwkunde bij HZ, en als door hem niet bestreden staat vast dat HZ in 2011 heeft besloten tot – wat zij noemt – een planningsneutrale conversie van de opleidingen [lees: opleiding, A-G] Werktuigbouwkunde en de opleiding Elektrotechniek tot de brede HBO-bachelor opleiding 'Engineering'. Dat heeft er hoe dan ook toe geleid dat HZ zou gaan stoppen met de deeltijd opleiding Werktuigbouwkunde die [eiser] volgde. Dat de (deeltijd) opleiding Werktuigbouwkunde zou worden 'uitgefaseerd' is de studenten Werktuigbouwkunde, waaronder [eiser] bij e-mail van 10 september 2012 meegedeeld (rov. 2.6 van het bestreden vonnis). Uit de als productie 1 en 2 bij memorie van antwoord door HZ overgelegde standaardbrieven valt niet af te leiden dat, en wanneer, die aan [eiser] zijn gezonden, en uit de e-mail van [eiser] van 18 juni 2012 (productie 3 memorie van antwoord) kan het hof niet met voldoende duidelijkheid destilleren dat [eiser] toen al wist van de uitfasering van de door hem gevolgde deeltijdopleiding. Ook het hof neemt daarom tot uitgangspunt dat [eiser] eerst bij e-mail van 10 september 2012 is geïnformeerd over de uitfasering van de opleiding Werktuigbouwkunde.”

1.23 Vervolgens overweegt het hof dat de rechtbank bij de vaststelling van de reikwijdte van de op HZ rustende zorgplicht – door partijen niet bestreden – heeft aangeknoopt bij het toepasselijke art. 7.34 lid 2 Whw. Daarin is bepaald dat indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, het bestuur het tijdstip bepaalt waarop die beslissing van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien. Bij de invulling van het begrip “redelijke tijd” heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij art. 7.3 lid 6 Whw, hoewel deze bepaling aan de Whw is toegevoegd nadat HZ het besluit tot beëindiging heeft genomen6. Krachtens die bepaling worden, als het bestuur besluit een opleiding te beëindigen, de studenten in de gelegenheid gesteld hun opleiding zonder onderbreking te vervolgen. Hierbij wordt een termijn in acht genomen die ten hoogste de voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar bedraagt. Evenals de rechtbank zoekt het hof aansluiting bij de “redelijke tijd” van art. 7.3 lid 6 Whw, nu dit een kennelijk breed gedragen codificering en verduidelijking is van dit begrip (rov. 3.6 en 3.8).

1.24 Voor de verdere beoordeling acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang:

“3.9 [eiser] is in het studiejaar 2010/2011 met de vierjarige deeltijdstudie Werktuigbouwkunde aangevangen en heeft in ieder geval bij e-mail van 10 september 2012 te horen gekregen dat zijn deeltijdopleiding wordt 'uitgefaseerd'. Hij zou die vierjarige opleiding normaal gesproken hebben moeten kunnen afronden in het studiejaar 2013/2014 en, vermeerderd met een jaar, uiterlijk in het vijfde studiejaar 2014/2015. Uit de in zoverre niet bestreden vaststaande feiten (vonnis van 12 oktober 2016 onder 2.5, 2.7, 2.13, 2.21) blijkt dat [V]an der Werff, hoewel in het eerste jaar begonnen met een forse vrijstelling voor 22,5 studiepunten, in de loop van de studiejaren 2010/2011, 2011/2012 en 2012/2013 steeds aanzienlijke achterstanden heeft laten ontstaan. Blijkens de bezemlijst van 7 maart 2013 stonden bij [eiser] nog 7 vakken open, overeenkomstig de bezemlijst van september 2012. Dat betekent dat hij in 2013 nog 7 vakken moest doen uit 2012. Bij het stoppen van de opleiding diende hij van het totaal van 240 studiepunten er nog steeds 52,5 te halen. Uit diezelfde vaststaande feiten, voor zover niet bestreden, kan bovendien worden afgeleid dat HZ op diverse momenten voor verschillende vakken opfriscursussen/vragenuren heeft gehouden en gelegenheid heeft gegeven (her)tentamens te doen, waaronder in 2012 (rov. 2.8 van het bestreden vonnis) alsmede de – zoals onbestreden door HZ is aangevuld (memorie van antwoord/grieven incidenteel hoger beroep randnummer 105, toelichting grief 2) – volgende tentamenmogelijkheden:

- voor het vak CU09229: 7 november 2012, herkansing 8 april 2013;

- voor het vak CU09230: 27 november 2012, herkansing 22 april 2013;

- voor het vak CU09231: 19 december 2012, herkansingen 29 januari 2013 en 8 mei 2013.

Verder zijn hertentamens voor de vakken CU09229, CU09230 en CU09231 aangekondigd bij e-mail van 19 maart 2013, en zijn deze gehouden op 8 april 2013, 22 april 2013 en 8 mei 2013. Als door [eiser] niet bestreden heeft HZ bovendien aangevoerd dat wat betreft cursus CU09230 nog een tentamen heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Voorts zijn op 13 mei 2013 en 12 juni 2013 (her)tentamens gehouden voor het vak CU05005. Tot slot blijkt uit de e-mail van docent [betrokkene 2] van 30 september 2013 (productie 9 inleidende dagvaarding) dat ook in het tweede semester van het vierde studiejaar 2013/2014 lessen zouden worden gegeven, dat er twee tentamens voor het vak Regeltechniek zouden worden gegeven, dat er weliswaar geen avondprogramma's meer waren maar dat de theorie van CU04448 overdag zou worden gegeven en dat er nog twee tentamens zouden komen.”

1.25 Het hof oordeelt dat HZ niet in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht door [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid te geven de opleiding voort te zetten:

“3.10 Nu [eiser] enerzijds, na op 10 september 2012 te zijn geïnformeerd over de beëindiging van de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde, diverse mogelijkheden is geboden tot het volgen van opfriscursussen en vragenuren, en anderzijds op verschillende data (her)tentamenmogelijkheden bestonden, is aan hem, die het eerste jaar begon met een vrijstelling van 22,5 studiepunt[en], voldoende mogelijkheden gegeven zijn deeltijdstudie tijdig af te ronden. Niettemin heeft hij vanaf het eerste studiejaar achterstanden laten ontstaan, en bestond op het moment van beëindiging van de opleiding nog steeds een niet geringe achterstand van 52,5 studiepunten op een totaal van 240 voor de vierjarige deeltijdopleiding. Gelet daarop is niet onbegrijpelijk dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen voltooien. Dat betekent dat niet kan worden gezegd dat HZ in strijd met de op haar rustende zorgplicht, en daarmee jegens [eiser] onrechtmatig, heeft gehandeld door hem in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid te geven de opleiding voort te zetten, onder verwijzing naar de constatering – waarvan de juistheid door [eiser] overigens niet is bestreden – (1) dat hij na september 2013 geen goedgekeurd studieplan heeft ingeleverd, (2) dat hij van de openstaande 'courses' [die nog openstonden] niet heeft deelgenomen aan de reguliere herkansingen en (3) dat binnenkort de deelresultaten van een deel van 'je courses' komen te vervallen (e-mail van 26 augustus 2014, productie 17 conclusie van antwoord).”

1.26 In rov. 3.11 concludeert het hof dat grieven 7 tot en met 18 van het incidenteel beroep van HZ slagen en dat het vonnis daarom moet worden vernietigd. Gelet op de devolutieve werking heeft [eiser] dan weer belang bij zijn door de rechtbank verworpen beroep op wanprestatie, maar volgens het hof heeft hij niets aangevoerd dat op dit punt tot een andere beslissing aanleiding geeft. Aan het bewijsaanbod van [eiser] gaat het hof voorbij omdat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die, indien bewezen, aan het voorgaande kunnen afdoen. Tot slot heeft het hof de hoogte van de proceskosten vastgesteld.

1.27 [eiser] heeft tijdig cassatie ingesteld. HZ heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel beroep. HZ heeft haar standpunt schriftelijk laten toelichten, waarna [eiser] heeft gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

Het principaal cassatieberoep

2.1

Het principaal cassatieberoep bestaat uit drie onderdelen. Die moeten worden beoordeeld tegen de volgende achtergrond.

2.2

Op grond van art. 7.34 lid 2 Whw moet bij de beëindiging van een opleiding het tijdstip waarop die beslissing van kracht wordt zo worden bepaald dat de ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

2.3

In het per 19 juli 2014 ingevoerde art. 7.3 lid 6 Whw is de redelijke tijd voor het voltooien van de opleiding bij dezelfde instelling vastgesteld op ten hoogste de voor de studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar7.

2.4

Met art. 7.3 lid 6 Whw is de afbouwtermijn voor opleidingen die door de instelling zelf worden beëindigd gelijk gesteld met de afbouwtermijn voor opleidingen die niet langer worden geaccrediteerd8. Dit blijkt uit een passage uit de wetsgeschiedenis van art. 7.3 lid 6 Whw9:

"De positie van studenten in geval van een opleiding in afbouw is onvoldoende consistent geregeld in de WHW. In het geval dat de accreditatie van een (bekostigde of niet bekostigde) opleiding door het verstrijken van de tijd afloopt of in het geval dat om redenen van ontoereikende kwaliteit geen nieuwe accreditatie wordt verleend dan wel de accreditatie wordt ingetrokken zijn de gevolgen daarvan geregeld in artikel 5a.12. Die regeling houdt onder meer in dat de instelling de studenten de gelegenheid moet bieden de opleiding aan een andere instelling te vervolgen dan wel de termijn moet aangeven gedurende welke de zittende studenten de opleiding aan de eigen instelling kunnen blijven volgen. Deze termijn is ten hoogste de resterende aan de studielast gerelateerde duur vermeerderd met een jaar (artikel 5a.12, eerste lid, onder a en b).

(…)

Voor de situatie dat een instelling zelf besluit een geaccrediteerde opleiding te beëindigen, is als uitgangspunt genomen, dat studenten de opleiding aan de eigen instelling vervolgen. De kwaliteit van de opleiding is immers goed; er ligt een positief besluit van de NVAO [Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, A-G]. Wel dient alsnog geregeld te worden welke termijn in acht genomen moet worden bij de beëindiging. Deze termijn is conform 5a.12, eerste lid, onder b, gesteld op ten hoogste de resterende aan de studielast gerelateerde duur vermeerderd met een jaar."

2.5

Onder de “voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur” wordt de resterende nominale studietijd verstaan, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs10:

“Voorheen was het aan de instelling om de afbouwtermijn te bepalen als deze niet meer geaccrediteerd was. Omdat dit in sommige gevallen tot onwenselijk lange afbouwtermijnen leidde, is bij de Wet versterking besturing de termijn begrensd tot de resterende nominale tijd van zittende studenten plus een jaar. Deze begrenzing is ingevoerd bij opleidingen die niet meer werden geaccrediteerd, maar niet bij opleidingen die om andere redenen de opleiding afbouwen. Het gevolg hiervan kan zijn dat die termijn onwenselijk lang kan duren. Het ligt in de rede om ook voor die situaties dezelfde afbouwmogelijkheid voor te schrijven als uitzondering op het uitgang[s]punt dat zittende studenten ergens anders moeten worden ondergebracht. Ik zal een voorstel doen de wet op dit punt aan te passen.” [onderstreping A-G]

2.6

Het eerste onderdeel komt op tegen het oordeel in rov. 3.9 dat [eiser] de vierjarige opleiding normaal gesproken zou hebben moeten kunnen afronden in het studiejaar 2013/2014 en, vermeerderd met een jaar, uiterlijk in het vijfde studiejaar 2014/2015. Het onderdeel bestrijdt ook het oordeel in rov. 3.10 dat “niet onbegrijpelijk [is] dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen voltooien.” Het onderdeel betoogt dat deze twee oordelen onbegrijpelijk zijn. In de uitwerking en toelichting worden de klachten geformuleerd. Daarin vallen als ik het goed zie vier klachten te ontwaren.

2.7

De eerste klacht houdt in dat hof niet heeft vastgesteld 1) wanneer de redelijke tijd is gaan lopen, 2) hoe lang de redelijke tijd in dit geval is en 3) tot wanneer de redelijke tijd liep. Zonder die vaststellingen kan onmogelijk worden beoordeeld of het aannemelijk was dat [eiser] de opleiding nog binnen de redelijke termijn kon afronden, aldus de klacht.

2.8

Dat lijkt mij geen doel te kunnen treffen. Voor de invulling van de “redelijk tijd” sluit het hof aan bij art. 7.3 lid 6 Whw. Deze bepaling gaat uit van een termijn die ten hoogste de resterende aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur plus een jaar bedraagt (rov. 3.6 en 3.8). Het hof stelt in rov. 3.9 vast dat [eiser] in het studiejaar 2010/2011 met de vierjarige deeltijdstudie Werktuigbouwkunde is begonnen en dat hij in ieder geval bij e-mail van 10 september 2012 te horen heeft gekregen dat zijn opleiding wordt uitgefaseerd. Het hof overweegt in rov. 3.9 ook dat [eiser] de opleiding normaal gesproken zou hebben moeten kunnen afronden in het studiejaar 2013/2014 en, vermeerderd met een jaar, uiterlijk in het vijfde studiejaar 2014/2015. Die overwegingen zijn volgens mij zo te verstaan dat het hof de redelijke tijd gelijkstelt aan de nominale studieduur plus één jaar, dat de nominale studieduur voor [eiser] bij ontvangst van de mail over de uitfasering in september 2012 nog twee jaar bedroeg en dat de redelijke tijd daarom loopt tot en met het studiejaar 2014/2015.

2.9

De tweede klacht betoogt dat het hof het einde van de redelijke tijd had moeten stellen op het einde van het eerste semester van het studiejaar 2015/2016. Dit wordt als volgt toegelicht. De door het hof vastgestelde feiten laten geen andere uitleg toe dan dat de redelijke tijd is gaan lopen in september 2012, toen [eiser] door HZ is geïnformeerd over de aanstaande beëindiging van de opleiding. Voor het bepalen van de termijn is primair de voor de student resterende studieduur van de opleiding relevant. [eiser] was op dat moment net begonnen aan zijn derde studiejaar. Hij had daarom in ieder geval nog twee jaar te gaan. Daarnaast had hij een achterstand uit het tweede jaar van 7 vakken. Niet meer eenvoudig te achterhalen is hoeveel studiepunten met die zeven onderdelen waren gemoeid. Gaat men uit van 30 studiepunten dan is dit een aanvullende resterende studieduur van een half jaar. Een en ander vermeerderd met een jaar is 3,5 jaar. Het einde van de “redelijke tijd” zou daarom moeten zijn: na het eerste semester van het studiejaar 2015/2016.

2.10

Ik zie deze klacht niet opgaan. Het hof heeft de redelijke tijd gelijk gesteld aan de resterende nominale studietijd van [eiser] plus een jaar en is aldus tot het oordeel gekomen dat de redelijke tijd loopt tot en met het studiejaar 2014/2015 (zie hiervoor 2.8). Het aanhouden van de resterende nominale studieduur vindt steun in de parlementaire geschiedenis (zie hiervoor 2.5). [eiser] verwijst niet naar stellingen in feitelijke instanties waarin hij naar voren heeft gebracht dat de studiebelasting van de zeven door hem nog te herkansen vakken uit het tweede jaar moet worden opgeteld bij deze nominale studieduur, terwijl het gebruik maken van herkansingen de totale studieduur ook niet zonder meer behoeft te beïnvloeden.

2.11

Volgens de derde klacht heeft het hof niet vastgesteld op welke datum de opleiding van [eiser] door HZ is beëindigd. De klacht betoogt dat het hof dit wel had moeten doen. De beëindiging is immers het moment waarop moet worden beoordeeld of HZ niet langer het vertrouwen behoefde te hebben dat [eiser] de opleiding binnen redelijke tijd zou kunnen voltooien. Volgens de klacht is de opleiding op 1 september 2013 geheel beëindigd. Als wordt uitgegaan van die datum en een redelijke tijd van nominaal plus één jaar, dan had [eiser] nog twee jaar (tot en met het studiejaar 2014/2015) om de opleiding te voltooien. Volgens de klacht valt niet in te zien waarom [eiser] geen 52,5 studiepunten zou hebben kunnen behalen in twee jaar (een nominale studievoortgang is 60 studiepunten per jaar), laat staan dat dit zo evident is dat de HZ eenzijdig zijn opleiding mocht beëindigen.

2.12

Deze klacht mist feitelijke grondslag. Naar de vaststelling van het hof heeft HZ [eiser] bij e-mail van 26 augustus 2014 gevraagd zich voor het vijfde studiejaar (2014/2015) niet meer in te schrijven, heeft [eiser] zich niettemin opnieuw ingeschreven voor het vijfde studiejaar, maar is hij van verdere deelname uitgesloten (rov. 3.1). Daarin ligt besloten dat de opleiding van [eiser] door HZ met ingang van zijn vijfde studiejaar is beëindigd. De klacht licht niet toe wat de grondslag is voor de stelling dat de opleiding op 1 september 2013 geheel is beëindigd. Hiervoor heb ik in het arrest geen aanknopingspunt gevonden en het staat ook haaks op de door het hof aangehaalde e-mail van docent [betrokkene 2] van 30 september 2013 over lessen en tentamens in het studiejaar 2013/2014 (rov. 3.9, laatste zin).

2.13

De vierde klacht houdt in dat het hof bij de beoordeling van de redelijke verwachtingen ten aanzien van de kansen van [eiser] om de opleiding binnen redelijke tijd af te ronden niet zijn essentiële stellingen over de afbouw van het onderwijs heeft betrokken. Het hof heeft, zo blijkt volgens de klacht uit rov. 3.10, bij de bepaling van de redelijke tijd en de beoordeling dat HZ de opleiding jegens [eiser] mocht beëindigen, uitsluitend gelet op hetgeen HZ [eiser] nog heeft aangeboden. Het hof zou geen acht hebben geslagen op de stellingen van [eiser] (1) dat het uitsluitend tentamengelegenheden en vragenuurtjes betrof en dat hem geen inhoudelijk onderwijs is aangeboden dat hem in staat zou kunnen stellen om de tentamens te behalen en (2) dat al deze tentamens en vragenuurtjes tijdens kantooruren zijn aangeboden, terwijl [eiser] voltijd werkzaam is en juist daarom een deeltijdopleiding volgde, terwijl die feiten redengevend waren voor het oordeel van de rechtbank.

2.14

Ook deze klacht zie ik niet slagen. Het hof heeft niet voorbij gezien aan de genoemde stellingen over de aard van het onderwijs en de tijden waarop de lessen werden gegeven, maar heeft de feiten anders gewogen. In rov. 3.9 heeft het hof vastgesteld (a) dat HZ op verschillende momenten opfriscursussen/vragenuren heeft gehouden (zoals blijkt uit rov. 2.8 van het vonnis), (b) dat in het studiejaar 2012/2013 diverse mogelijkheden zijn geboden om (her)tentamen te doen en (c) dat uit de mail van docent [betrokkene 2] van 30 september 2013 (prod. 9 bij dagvaarding) blijkt dat ook in het tweede semester van het vierde studiejaar 2013/2014 lessen zouden worden gegeven, dat er twee tentamens voor het vak Regeltechniek zouden worden gegeven, dat er weliswaar geen avondprogramma’s meer waren, maar dat de theorie van CU04448 overdag zou worden gegeven en dat er nog twee tentamens zouden komen. Het hof heeft rov. 3.10 geconcludeerd dat HZ daarmee voldoende mogelijkheden aan [eiser] heeft geboden om zijn deeltijdstudie af te ronden. Deze weging is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

2.15

Dit betekent dat onderdeel I geen doel treft.

2.16

Onderdeel II is gericht tegen het in rov. 3.10 gegeven oordeel dat niet gezegd kan worden dat HZ in strijd met de op haar rustende zorgplicht, en daarmee onrechtmatig, heeft gehandeld door [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid te geven de opleiding voort te zetten. Ook dit onderdeel is voorzien van een nadere uitwerking en toelichting. De eerste drie alinea’s van de uitwerking en toelichting bevatten geen klacht. In de laatste twee alinea’s van de uitwerking en toelichting zijn volgens mij drie klachten geformuleerd.

2.17

De eerste klacht acht onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat HZ [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid behoefde te geven om de opleiding voort te zetten, ook indien moet worden uitgegaan van de constateringen in rov. 3.10 van het arrest (1) dat [eiser] na september 2013 geen goedgekeurd studieplan heeft ingeleverd, (2) dat [eiser] van de openstaande “courses” niet heeft deelgenomen aan de reguliere herkansingen en (3) dat binnenkort de deelresultaten van “je courses” komen te vervallen. De klacht wijst erop dat HZ het volgens haar reeds in 2011 genomen besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan de studenten kenbaar heeft gemaakt en dat [eiser] ten tijde van de e-mail van 26 augustus 2014 al 187,5 van de 240 studiepunten had gehaald. Geklaagd wordt dat zonder nadere redengeving niet valt in te zien dat [eiser] de vereiste 240 studiepunten niet zou hebben behaald.

2.18

Deze klacht lijkt mij ongegrond. Het hof heeft bij zijn beoordeling betrokken dat HZ het besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt (rov. 3.5, 3.9 en 3.10) en dat [eiser] bij het stoppen van de opleiding nog 52,5 van de in totaal 240 studiepunten diende te halen (rov. 3.9 en 3.10). Het hof heeft echter tevens overwogen dat [eiser] in het eerste jaar is begonnen met een vrijstelling van 22,5 punten, dat hij niettemin vanaf het eerste studiejaar achterstanden heeft laten ontstaan en dat bij de beëindiging van de opleiding nog steeds een niet geringe achterstand van 52,5 punten bestond. Uit die overwegingen volgt dat [eiser] een structurele achterstand had die hij ook na de aankondiging van de uitfasering niet heeft kunnen inlopen. In dat licht mocht het hof volgens mij mede op grond van de achterstand van 52,5 studiepunten oordelen dat HZ [eiser] in het vijfde studiejaar (2014/2015) niet de gelegenheid behoefde te geven om de opleiding voort te zetten, omdat niet langer het vertrouwen bestond dat hij de opleiding binnen redelijke tijd zou kunnen voltooien.

2.19

In de tweede klacht wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat van HZ, als redelijk bekwame en redelijk handelende hogeschool, in de gegeven omstandigheden had mogen worden verwacht dat zij de nog niet afgeronde cursussen niet direct zou stopzetten en dat zij ook in de latere jaren (tot en met het studiejaar 2014/2015) naast het reguliere deeltijdonderwijs nog zou voorzien in het onderwijs voor die nog niet afgeronde vakken.

2.20

Deze klacht faalt op dezelfde gronden als besproken bij de vierde klacht van het eerste onderdeel. In rov. 3.9 heeft het hof vastgesteld (a) dat HZ op verschillende momenten opfriscursussen/vragenuren heeft gehouden (zoals blijkt uit rov. 2.8 van het vonnis), (b) dat in het studiejaar 2012/2013 diverse mogelijkheden zijn geboden om (her)tentamen te doen en (c) dat uit de mail van docent [betrokkene 2] van 30 september 2013 (prod. 9 bij dagvaarding) blijkt dat ook in het tweede semester van het vierde studiejaar 2013/2014 lessen zouden worden gegeven, dat er twee tentamens voor het vak Regeltechniek zouden worden gegeven, dat er weliswaar geen avondprogramma’s meer waren, maar dat de theorie van CU04448 overdag zou worden gegeven en dat er nog twee tentamens zouden komen. Het hof heeft rov. 3.10 geconcludeerd dat HZ daarmee voldoende mogelijkheden aan [eiser] heeft geboden om zijn deeltijdstudie af te ronden. Deze weging is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

2.21

De derde klacht ziet op de passage in rov. 3.10 dat niet onbegrijpelijk is dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de opleiding binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen voltooien. Dat dit vertrouwen (mogelijk) niet langer bestond, zou onvoldoende zijn om de beslissing van het hof te kunnen dragen. Ook wordt geklaagd dat HZ dit niet heeft aangevoerd en dat dit niet is te lezen in de mail van 26 augustus 2014, zodat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen.

2.22

Volgens mij slaagt deze klacht evenmin. Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een zorgplichtschending van HZ berust op twee overwegingen: (1) HZ heeft [eiser] voldoende mogelijkheden gegeven om zijn deeltijdstudie tijdig af te ronden en (2) niet onbegrijpelijk is dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de deeltijdopleiding binnen de aan de orde zijnde redelijke termijn zou kunnen voltooien. Op grond van deze twee overwegingen kon het hof tot de slotsom komen dat HZ niet in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid te geven om de opleiding voort te zetten. Evenmin is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en er is ook geen sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing11. Naar de vaststelling van het hof heeft HZ in de (als prod. 17 bij cva overgelegde) mail van 26 augustus 2014 aan [eiser] gevraagd om zich niet meer in te schrijven gelet op de gebrekkige studievoortgang en de voorgenomen uitfasering van de opleiding (rov. 3.1). Verder heeft HZ aangevoerd dat aan het einde van het vierde studiejaar voor [eiser] de nog steeds niet afgeronde cursussen uit het tweede studiejaar12, de derdejaars cursus CSE en het afstudeertraject resteerden en dat hij in het vierde studiejaar nagenoeg geen punten behaalde (cva 33 en mva/mvg inc 29). Uit de genoemde mail en de aangehaalde stelling mocht het hof begrijpen dat HZ er geen vertrouwen meer in had dat [eiser] zijn opleiding binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen afronden.

2.23

Ook onderdeel II acht ik daarom ongegrond.

2.24

Onderdeel III is een louter voortbouwende klacht zonder zelfstandige betekenis.

2.25

Het principaal cassatieberoep treft zodoende volgens mij geen doel.

Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

2.26

Het incidenteel cassatieberoep, dat uit twee onderdelen bestaat, is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principaal cassatieberoep in enig onderdeel gegrond wordt bevonden en die voorwaarde wordt volgens mij niet vervuld. Slechts volledigheidshalve bespreek ik ook het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.

2.27

Het eerste onderdeel is gericht tegen rov. 3.5 waarin het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiser] pas bij e-mail van 10 september 2012 is geïnformeerd over de uitfasering van de (deeltijd) opleiding Werktuigbouwkunde. Volgens het onderdeel is dat oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel bestaat uit twee subonderdelen.

2.28

Subonderdeel 1.1 voert aan dat HZ (kort samengevat) heeft gesteld dat (i) de onderwijs- en examenregeling (“OER”) alle informatie bevat die voor studenten van belang is bij het volgen van een opleiding, (ii) in de OER 2011/2012 was opgenomen dat geen nieuwe studenten werden toegelaten tot de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde en dat deze deeltijdvariant niet meer startte vanaf dat studiejaar en (iii) de OER 2011/2012 met deze informatie eind 2011 is gepubliceerd op de website van HZ13. Zonder nadere motivering is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk waarom daaruit niet volgt dat [eiser] eind 2011 (en dus niet pas op 10 september 2012) is geïnformeerd over de uitfasering van de opleiding Werktuigbouwkunde. In ieder geval had het hof kenbaar op deze stellingen moeten ingaan en duidelijk moeten maken waarom het niettemin tot uitgangspunt neemt dat [eiser] pas bij e-mail van 10 september 2012 is geïnformeerd over de uitfasering van deze opleiding.

2.29

Dit subonderdeel lijkt mij ongegrond. De aangehaalde stellingen zien op de vermelding in de OER 2011/2012 dat geen nieuwe studenten werden toegelaten tot de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde en dat deze deeltijdvariant niet meer startte. Uit die vermelding volgt volgens mij niet zonder meer dat deze opleiding voor al gestarte studenten zal worden uitgefaseerd. De stellingen maken niet duidelijk waarom [eiser] de vermelding in de OER wel in die zin had moeten opvatten. Zo bezien gaat het dan ook niet om essentiële stellingen14 die het hof tot het oordeel hadden kunnen brengen dat [eiser] eind 2011 (en dus niet pas op 10 september 2012) is geïnformeerd over de uitfasering van zijn opleiding.

2.30

Subonderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel in rov. 3.5 over het moment waarop [eiser] is geïnformeerd over de beëindiging van zijn opleiding ook onbegrijpelijk is in het licht van het oordeel in rov. 3.11 dat (onder meer) grief 7 in het incidenteel hoger beroep slaagt.

2.31

Deze klacht wordt als volgt toegelicht. Grief 7 hield (onder meer) in dat de rechtbank in rov. 4.9 ten onrechte heeft overwogen dat het besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan de studenten kenbaar is gemaakt. Verder is deze grief volgens het subonderdeel gericht tegen de beslissing in rov. 4.9 dat het feit dat de op de website van HZ gepubliceerde OER 2011/2012 vermeldde dat de deeltijdvariant van de opleiding niet zou starten, niet als informatieverstrekking ex art. 7.15 Whw aan zittende studenten kan worden aangemerkt. Ook wijst het subonderdeel op de toelichting bij deze grief met daarin de drie in subonderdeel 1.1 genoemde stellingen. Betoogd wordt dat uit het slagen van deze grief, gelezen in het licht van de toelichting bij de grief, geen andere conclusie kan volgen dan dat [eiser] al eind 2011, en dus niet pas op 10 september 2012, is geïnformeerd over de uitfasering van de opleiding Werktuigbouwkunde. Zonder nadere motivering acht het subonderdeel onbegrijpelijk waarom dat niet uit het slagen van de grief volgt en hoe rov. 3.5 zich verhoudt tot het oordeel in rov. 3.11 dat die grief slaagt.

2.32

Dit zie ik geen doel treffen. Punt 113 van de mva/mvg inc vermeldt dat grief 7 zich richt tegen “rechtsoverweging 4.9 integraal”. In rov. 4.9 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het aan HZ valt toe te rekenen dat het volgens haar reeds in 2011 genomen besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan de studenten kenbaar is gemaakt. Die overweging is één van de pijlers van het oordeel van de rechtbank dat HZ in de periode 2011-2012 en 2012-2013 onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] (vonnis, rov. 4.12). Anders dan de rechtbank is het hof tot het oordeel gekomen dat HZ haar zorgplicht niet heeft geschonden. Het komt mij voor dat de incidentele grief 7 volgens het hof doel treft in die zin dat het tijdstip waarop [eiser] is geïnformeerd over de beëindiging van de opleiding er in de gegeven omstandigheden niet toe leidt dat HZ in strijd met de op haar rustende zorgplicht, en daarmee onrechtmatig, heeft gehandeld.

2.33

Het eerste onderdeel treft dan ook in mijn ogen geen doel.

2.34

Het tweede onderdeel is geformuleerd voor het geval het oordeel in rov. 3.5 aldus moet worden gelezen dat daarin besloten ligt dat het informeren van studenten over de uitfasering van een door hen gevolgde opleiding door middel van publicatie van een OER (zoals bedoeld in art. 7.13 Whw) met deze informatie op de website van de onderwijsinstelling, niet kan worden aangemerkt als (behoorlijke) informatieverstrekking in de zin van art. 7.15 Whw.

2.35

Dit onderdeel mist feitelijke grondslag. Ik lees een dergelijk oordeel niet in het arrest.

2.36

Ook de klachten van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep falen in mijn ogen zodoende.

3 Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het principaal cassatieberoep en geef Uw Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1 van het bestreden arrest: Hof ‘s-Hertogenbosch 10 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:889. Het procesverloop is mede ontleend aan rov. 3.2-3.4 van dat arrest.

2 Dit bedrag is als volgt opgebouwd: collegegeld van € 1.550,- per jaar (€ 6.200,- voor vier jaar), overige studiekosten van € 57,- per maand (€ 2.736,- voor vier jaar), verschil in nettosalaris van € 193,33 per maand (€ 9.279,84 voor vier jaar) en compensatie voor studietijd (verloren uren) (€ 112.818,16) (zie dagvaarding 34-39).

3 ECLI:NL:RBZWB:2016:6382.

4 Kamerstukken II, 1988-1989, 21 073, nr. 3, p. 132-133 (MvT Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek).

5 Deze overwegingen zijn kennelijk abusievelijk genummerd als rov. 2.34 en 2.35.

6 Het hof verwijst daartoe naar Kamerstukken II, vergaderjaar 2013-2014, 33 840, nr. 5 (Nota van wijzigingen technische verbeteringen Whw).

7 Wet van 14 mei 2014 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met een aantal redactionele verbeteringen en technische wijzigingen alsmede tot wijziging van de Wet Inkomstenbelasting 2001 in verband met enkele samenhangende technische aanpassingen (technische verbeteringen Whw), Stb. 2014/219, onderdeel J2. De datum van inwerkingtreding is geregeld in het Besluit van 11 juli 2014 houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 14 mei 2014 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met een aantal redactionele verbeteringen en technische wijzigingen alsmede tot wijziging van de Wet Inkomstenbelasting 2001 in verband met enkele samenhangende technische aanpassingen (technische verbeteringen Whw) (Stb 2014/219), Stb 2014/283.

8 De afbouwtermijn voor opleidingen die niet langer worden geaccrediteerd was voorheen geregeld in art. 5a.12 lid 1 onder a en b Whw en inmiddels in art. 5.21 leden 2 en 3 Whw. De bepaling is ingevoerd bij de Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing), Stb 2010/119. De hernummering vloeit voort uit de Wet van 15 juni 2018 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met het oog op het optimaliseren van het accreditatiestelsel (Wet accreditatie op maat), Stb. 2018/209.

9 Kamerstukken II, 2013-2014, 33 840, nr. 5, p. 4-5 (Nota van wijzigingen technische verbeteringen Whw).

10 Kamerstukken I, 2013-2014, 33 472, C, p. 7 (Nota naar aanleiding van het verslag Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs).

11 Een ontoelaatbare verrassingsbeslissing doet zich voor wanneer de rechter partijen niet (voldoende) hoort over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan zijn beslissing en partijen aldus verrast met een beslissing waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening hoefden te houden. Zie conclusie A-G De Bock vóór HR 7 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2019:1063, RvdW 2020/227, punt 3.36 met verwijzing naar onder meer HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3997, NJ 2004/34 m.nt. W.D.H. Asser (Panama Caribic/Town House), HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0358, NJ 2004/39 ([…]/[…]), GS Burgerlijke Rechtsvordering (T.F.E. Tjong Tjin Tai), art. 25 Rv, aant. 5 en T.F.E. Tjong Tjin Tai, Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter, NJB 2000-5, p. 259-264. Zo ook: HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:212, NJ 2014/89 m. red. aant. (Koolman/Arubags) en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/206.

12 Volgens HZ gaat het om de cursussen Regeltechniek en Elektrische aandrijving (mva/mvg inc 20, 24 en 29).

13 Verwezen wordt naar mva/mvg inc 114 (toelichting bij grief 7) en verder naar cva 11, p-v comparitie 13 juni 2016, p. 2, laatste alinea ([…]) en mva/mvg inc 19. Bij deze verwijzing wordt opgemerkt dat [eiser] niet heeft betwist dat de OER 2011/2012 met deze informatie eind 2011 is gepubliceerd op de website van HZ.

14 Van een essentiële stelling is sprake als deze stelling, indien juist bevonden, tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Zie Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/71 en 116 met verwijzing naar onder meer: HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410, NJ 2010/258 m.nt. J. Hijma ([…]/Rental), rov. 3.6, HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1783, RvdW 2018/1032 (HCP/MN), rov. 5.2.1, HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:407, RvdW 2017/345 (X/ABAB), rov. 4.1.2 en HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:640, NJ 2019/189, rov. 3.4.2.