Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:764

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
20/02747
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1592
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Belediging ambtenaar in functie en wederspannigheid. Slagende bewijsklacht over welke ambtenaar is beledigd. Falende klachten over bewezenverklaring rechtmatige uitoefening van de bediening. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02747

Zitting 31 augustus 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 28 augustus 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens onder 1 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” en onder 2 “wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar. Daarnaast heeft het hof beslist over de vordering van de benadeelde partij.

  2. Namens de verdachte heeft mr. C. Grijsen, advocaat te Almere, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel bevat drie klachten die verband houden met de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de in enkelvoud geuite woorden “arrogante kankerlijer” waren gericht tegen zowel verbalisant [verbalisant 1] als verbalisant [verbalisant 2] onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. De tweede klacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte opzet heeft gehad op het beledigen van zowel verbalisant [verbalisant 1] als verbalisant [verbalisant 2] . De derde klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat verbalisant [verbalisant 1] is beledigd gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.

4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

“zij op 26 juni 2016 te Hilversum, opzettelijk ambtenaren, [verbalisant 2] , aspirant van politie Eenheid Midden-Nederland, en [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: ‘Arrogante kankerlijer!’ en door [verbalisant 1] de woorden toe te voegen: ‘Ik heb je moeder in haar kut geneukt!’”

5. Volgens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2020 gehechte pleitnotities is daar namens de verdachte het volgende aangevoerd:

“2.

[verdachte] verklaart bij de politie (28 laatste alinea) dat het mogelijk is dat zij tegen de verbalisant die haar sloeg heeft gezegd dat ze hem een kankerlijer vindt. Iets eerder verklaart ze tegen deze verbalisant eikel of klootzak te hebben geroepen.

[verdachte] ontkent een tweede verbalisant te hebben beledigd en ontkent te hebben gezegd;

“ik heb je moeder in haar kut geneukt.”

3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg vermeldt dat [verdachte] heeft verklaard op enig moment iets gezegd te hebben wat ze beter niet had kunnen zeggen (blad 5, derde regel van boven) maar niet duidelijk blijkt wat [verdachte] dan gezegd zou hebben.

De vermelding op pagina 4 (17de regel van onder) is een kennelijke misslag. Vermeld is dat [verdachte] verklaart rustig gepraat te hebben met een verbalisant en vervolgens vermeldt het proces-verbaal:

“ik heb hem toen ook beledigd.”

Uit de hele context blijkt dat daar moet staan dat [verdachte] hem toen niet beledigd heeft.

4.

Verbalisant [verbalisant 2] verklaart (pagina 01;03) dat hij nadat collega [verbalisant 1] een aantal malen heeft geduwd en met de wapenstok heeft geslagen naast zijn collega staat. [verdachte] zou hem aangekeken hebben en hardop geroepen hebben:

“arrogante kankerlijer.”

5.

[verdachte] kijkt hem aan en spreekt in enkelvoud.

6.

Nadat (pagina 02;03) [verbalisant 2] en collega [verbalisant 1] [verdachte] heeft aangehouden hoort hij haar hardop schreeuwen:

“ik heb je moeder in haar kut geneukt.”

7.

Tegen wie ze dat roept en/of wie ze als ze dat roept aankijkt blijkt niet terwijl wel blijkt (pagina 02, 2de alinea) dat er andere mensen in de directe omgeving aanwezig waren.

8.

Wanneer [verbalisant 2] bij de raadsheer-commissaris wordt gehoord verklaart hij dat toen hij en zijn collega wilde weglopen hij achter zich hoorde roepen ‘kanker wouten’. Het was in ieder geval iets met kanker er in.

Als hem wordt voorgehouden dat in zijn aangifte ‘arrogante kankerlijer‘ staat vermeld, antwoord hij zoiets ja.

“Het was voor ons ook de vraag wie ze bedoelde. Als je zegt: arrogante kankerlijer. Bedoel je dan mij of mijn collega?”

Ten aanzien van het tenlastegelegde ‘ik heb je moeder in haar kut geneukt, verklaart [verbalisant 2] dat dit echt voor [verbalisant 1] was bedoeld. Een reden van wetenschap dat het voor [verbalisant 1] bedoeld was ontbreekt.

Uit zijn verklaring blijkt ook dat er nog andere mensen op straat waren. “Ja, we hadden alle mensen richting De Groest, dat is de openbare weg daar, gedreven maar ze bleven maar terugkomen.”

9.

[verbalisant 1] verklaart (pagina 04) dat [verdachte] en haar metgezel wegliepen; [verdachte] zich omdraaide en hem toen aankeek. Op dat moment zou [verdachte] kankerlijer hebben geroepen.

Nadat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [verdachte] hebben aangehouden hoort hij [verdachte] over het moeder neuken roepen.

10.

[verdachte] kijkt [verbalisant 1] aan en roept in het enkelvoud Kankerlijer.

Wie zij aankijkt bij de tekst over het neuken blijkt niet terwijl wel blijkt dat er omstanders waren.

11.

[verbalisant 1] verklaart bij de raadsheer-commissaris dat de woorden “ik heb je moeder in haar kut geneukt” in zijn beleving tegen hem gericht waren. Hij denkt het, maar “ik vul het ook in”.

Ook verklaart [verbalisant 1] dat het alle kanten opging wanneer hem gevraagd wordt of de woorden met kanker tegen hem gericht waren.

Hij weet niet of de woorden tegen [verbalisant 2] gericht waren.

12.

In het proces-verbaal van aanhouding (pagina 18) vermelden [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat verdachte en haar metgezel wegliepen; verdachte ‘ons’ (kennelijk [verbalisant 2] en [verbalisant 1] . EvG) aankeek en arrogante kankerlijers riep.

Meervoud ineens en beiden worden aangekeken.

Terwijl [verdachte] in buikligging tegen de grond is gewerkt roept ze de tekst over het de moeder neuken. Niet blijkt tegen wie dit wordt gezegd.

13.

In een proces-verbaal van bevindingen (44) verklaart [verbalisant 1] dat [verdachte] hem aankeek en dan arrogante kankerlijers roept.

Weer een beetje anders dus.

14.

Verbalisant [verbalisant 3] hoort het woord kankerlijer maar verklaart niet wie dat roept. Ze hoort dat [verdachte] tegen de collega’s roept:

“Ik heb je moeder geneukt! In d’r kut!”

Uit de verklaring blijkt niet op grond waarvan verbalisant [verbalisant 3] meent dat deze beledigende tekst tegen de collega’s wordt gesproken en tegen welke collega’s.

15.

Bij de raadsheer-commissaris verklaart [verbalisant 3] dat het een interpretatie van haar is dat die woorden tegen haar collega’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren gericht.

16.

Uitgaande van de verklaringen van [verdachte] is het niet zeker dat zij het woord kankerlijer ook daadwerkelijk heeft gebruikt. De verdediging meent voorts dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken wie beledigd is middels de woorden arrogante kankerlijer en niet kan blijken dat de tweede onder feit 1 tenlastegelegde beledigende tekst was gericht tegen de verbalisanten.

Voorts betwist de verdediging dat [verbalisant 1] gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is beledigd omdat als hij is beledigd dit gebeurd is ten gevolge zijn onrechtmatige handelen door [verdachte] met een wapenstok te slaan en de buiten proportionele gewelddadige aanhouding, waarover wat meer bij feit 2.

Met het [verdachte] toe te voegen dat zij moet oprotten is niet gesommeerd, en was er geen reden te slaan.

Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2017:2394 meent de verdediging dat er geen temporeel verband bestaat tussen de belediging en de rechtmatige uitoefening van de bediening en de belediging niet met betrekking tot die uitoefening is gedaan.

[verdachte] dient van het onder 1 tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.”

6. Het hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Ter zitting in hoger beroep is door de verdediging vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van feit 1 is daartoe aangevoerd:

- dat niet kan worden bewezen wie beledigd is door de woorden ‘Arrogante kankerlijer’;

- dat niet kan worden bewezen dat de woorden ‘Ik heb je moeder in haar kut geneukt’ zijn geuit tegen de verbalisanten;

- dat verbalisant [verbalisant 1] als gevolg van zijn onrechtmatige handelen (door verdachte met een wapenstok te slaan en de buitenproportioneel gewelddadige aanhouding) niet is beledigd ‘gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’.

[…]

Het hof overweegt het volgende.

Vaststaat dat verdachte en haar vriend in de nacht van 26 juni 2016 in uitgaansgelegenheid Let’s get Down in Hilversum zijn geweest. Vanwege een incident in de Let’s get Down hielden zij zich op enig moment buiten op.

Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte hierover verklaard – samengevat – dat haar vriend iets teveel had gedronken en daardoor misschien wat lastig was. Toen zij buiten stonden wilde een vrouwelijke agent met haar vriend praten. Verdachte wilde dat liever niet. Na dat gesprek vroeg een beveiliger hen om ergens anders te gaan staan, waarna zij naar de overkant zijn gelopen waar bankjes stonden. Zij zaten daar te wachten op hun vrienden. Opeens kwam er een agent op een fiets aanrijden. Deze agent zei: ‘Wegwezen hier, oprotten!’ en voordat zij hem had kunnen uitleggen waarom zij op het bankje zaten, gaf hij een duw. Verdachte wilde uitleggen dat zij de instructies van de beveiliger hadden gevolgd, maar de agent trok zijn wapenstok en begon meteen te slaan. Verdachte denkt dat zij toen misschien iets naars heeft gezegd, maar dat dit kwam doordat zij zomaar werd geslagen. Verdachte denkt dat zij iets heeft gezegd in de trant van: ‘Je moeder zal wel trots op je zijn’. Vervolgens is zij geboeid en aan haar boeien opgetild. Verdachte had veel pijn. Verdachte heeft geen duidelijke herinneringen aan het trappen van verbalisant [verbalisant 3] .

Het hof leidt uit de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de volgende feiten en omstandigheden af.

Uit de verklaringen van verbalisant [verbalisant 3] , hoofdagent bij de politie Midden-Nederland, volgt dat zij op 26 juni 2016 omstreeks 04.10 uur, belast met horecatoezicht en gekleed in uniform, ter plaatse was in Hilversum. Naar aanleiding van een incident in uitgaansgelegenheid ‘Let’s get Down’ had de beveiliging de politie ter plaatse gevraagd. Als een beveiliger verbalisant wijst op een jongeman en zijn vriendin (verder: verdachte en haar vriend) zittend op een hekje aan de overkant van uitgaansgelegenheid Let’s get Down, spreekt zij hen aan. Volgens de beveiliger van Let’s get Down heeft de vriend van verdachte zich misdragen. Er ontstaat een discussie omdat verdachte niet wil dat verbalisant [verbalisant 3] alleen met haar vriend spreekt. Nadat verbalisant [verbalisant 3] aan de vriend van verdachte heeft meegedeeld dat het een staandehouding betreft en hem daarbij op dringende toon verzoekt om met haar mee te lopen, voldoet hij hieraan. Samen lopen ze verder naar achteren, waar de vriend van verdachte op een trappetje in een portiek van een woning aan de Schering gaat zitten. Ondertussen probeert een collega nogmaals aan verdachte uit te leggen dat [verbalisant 3] gewoon wat vragen wil stellen. [verbalisant 3] hoorde aan de luide toon dat verdachte moeilijk deed. Na een kort gesprekje met de vriend van verdachte heeft [verbalisant 3] tegen hem gezegd dat hij lekker naar huis moest gaan. Daarop is [verbalisant 3] weggelopen. Ondertussen ziet [verbalisant 3] dat verdachte weer bij haar vriend is gaan staan en dat zij op de Schering met een beveiliger praten. [verbalisant 3] vraagt haar collega’s in burger om ze even in de gaten te houden en ziet dat ze richting Kings ijscafé, gelegen op ongeveer 100 meter van de Let’s get Down, lopen. Dan verliest [verbalisant 3] even het zicht, maar ziet na ongeveer een minuut verdachte weer terugrennen naar precies dezelfde plek achter het hekje waar verbalisant met haar vriend had staan praten. Kennelijk was haar vriend weer teruggelopen, want [verbalisant 3] ziet haar vervolgens weer teruglopen terwijl ze haar vriend voor zich uitduwt. [verbalisant 3] ziet diverse collega’s bij verdachte en haar vriend staan. [verbalisant 3] ziet dat verdachte haar vriend meeneemt en dat zij weer richting Kings ijscafé lopen. [verbalisant 3] ziet dat ze niet verder lopen, maar dat ze gaan zitten op het bankje dat even verderop staat. Op dat moment zegt een bikercollega tegen [verbalisant 3] dat hij het stel heeft aangesproken en dat hij heeft gezegd dat ze nu moeten vertrekken. [verbalisant 3] ziet dat het stel niet verder loopt maar blijft zitten op het bankje. Zij ziet dat de bikercollega naar verdachte en haar vriend gaat. [verbalisant 3] kan niet precies horen wat haar collega zegt, maar het komt er op neer dat hij wil dat ze vertrekken. [verbalisant 3] ziet dat de vriend van verdachte zich behoorlijk opfokt. Daarna ziet zij dat de biker de vriend van verdachte bij zijn arm grijpt, hem van het bankje trekt en in de goede richting, dat wil zeggen richting de Emmastraat, het centrum uit, duwt. [verbalisant 3] ziet dat verdachte zich heel vervelend opstelt naar haar collega’s, dat zij blijft staan waar ze staat en dat zij niet meewerkt, alleen maar tegen. [verbalisant 3] hoort verdachte schreeuwen en ziet dat ze handgebaren maakt en steeds terugkomt als ze wordt geduwd. [verbalisant 3] ziet dat haar collega’s en verdachte en haar vriend bij de rotonde staan als zij het woord ‘Kankerlijer’ hoort. [verbalisant 3] ziet dat haar collega’s verdachte aanhouden. [verbalisant 3] ziet dat verdachte ‘vol in het verzet’ gaat. Ze schreeuwt, beledigt, trapt om zich heen en geeft geen gehoor aan wat haar gevraagd wordt. [verbalisant 3] ziet dat verdachte op de grond ligt als zij naar haar collega’s schreeuwt: ‘Ik heb je moeder in d’r kut geneukt!’ Verdachte trapt met haar benen. [verbalisant 3] ziet dat het haar collega’s moeite kost om haar te boeien. Verdachte ligt op dat moment al op haar buik en [verbalisant 3] gaat op haar linkerbeen zitten om het verzet te doen staken. Als verdachte is afgeboeid helpen haar collega’s haar omhoog. [verbalisant 3] staat voor verdachte. Op het moment dat haar collega’s met verdachte een klein stapje naar voren doen om richting de dienstauto te lopen kijkt verdachte [verbalisant 3] recht in haar ogen aan en trapt verdachte met al haar kracht in haar richting. Verdachte raakt daarbij de muis van de linkerhand van [verbalisant 3] en schampt daarna haar rechterscheenbeen. [verbalisant 3] voelt meteen een scherpe pijn in haar hand. Diezelfde ochtend is [verbalisant 3] nog onderzocht op de spoedeisende hulp. Het letsel wordt omschreven als een onderhuidse bloeding en kneuzing. De hand was gezwollen en blauw.

Verbalisant [verbalisant 3] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord. Tijdens dit verhoor heeft zij verklaard dat zij niet meer weet of er gebruik is gemaakt van de wapenstok. Zij heeft verklaard dat zij (destijds) in het proces-verbaal heeft opgeschreven wat zij heeft gezien en dat het eventuele gebruik van de wapenstok daaruit zou kunnen blijken. Daarnaast heeft [verbalisant 3] verklaard dat zij zich nu niet meer herinnert dat het woord ‘kankerlijer’ is gebruikt, maar als dit in haar proces-verbaal staat dan zal dat gezegd zijn. Wel herinnert [verbalisant 3] zich de woorden over de moeder. Die waren gericht tegen de aanhoudende agent, dus [verbalisant 1] , en de andere collega die erbij was.

Deze bevindingen komen grotendeels overeen met het relaas van verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland en de hiervoor genoemde bikercollega van verbalisant [verbalisant 3] . Verbalisant [verbalisant 1] , eveneens in uniform gekleed en belast met de horecasurveillance, heeft gerelateerd dat hij zag dat er onrust ontstond bij bezoekers van de Let’s get Down. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat er een man en een vrouw, te weten: verdachte en haar vriend, op een hekwerk gingen zitten naast een hoekwoning gelegen aan de Schering, dit is een pleintje waar woningen aan liggen, gelegen tegenover de ingang van de Let’s get Down. Hij zag dat collega [verbalisant 3] het stel aansprak en dat de man apart ging zitten in de portiek van een woning aan de Schering. [verbalisant 3] zei tegen [verbalisant 1] dat de man zich recalcitrant gedroeg en dat hij zich hinderlijk zou hebben gedragen in de Let’s get Down. Verbalisant zag dat verdachte en haar vriend wegliepen richting een bankje in het zicht van de Let’s get Down en dat ze tegen elkaar schreeuwden. Toen hij zag dat de vriend van verdachte terugliep naar de portiek aan de Schering is hij naar de man gefietst en heeft tegen hem gezegd dat hij niet meer op de Schering moest gaan zitten, dat hij zich vervelend gedroeg, dat hij niet in het horecagebied moest blijven hangen en lekker naar huis moest gaan. Verbalisant zag dat de man terugliep naar het bankje. Hij zag dat verdachte en haar vriend weer tegen elkaar gingen schreeuwen. Hierop is [verbalisant 1] naar hen gefietst en heeft gezegd dat zij nu genoeg waarschuwingen hadden gehad en direct het uitgangsgebied voor de Let’s get Down moesten verlaten in de richting van de Schapenkamp. Toen verdachte (het hof begrijpt: de vriend van verdachte) schreeuwde dat hij niet weg zou gaan heeft verbalisant [verbalisant 1] hem vastgepakt en met zachte dwang in de goede richting geduwd. Verbalisant zag en hoorde dat verdachte recalcitrant werd. Verbalisant zag dat de vriend van verdachte in de tegenovergestelde richting probeerde langs te lopen en heeft hem toen een klap met de wapenstok gegeven. Verdachte ging hierop dicht bij [verbalisant 1] staan en schreeuwde. Hierop heeft verbalisant haar een aantal keren geduwd met zijn wapenstok nog in zijn hand. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat verdachte en haar vriend wegliepen richting de rotonde. Vervolgens zag verbalisant dat verdachte zich omdraaide en hem aankeek. Verbalisant hoorde dat zij hardop schreeuwde: ‘Arrogante kankerlijers’. Hierop hebben verbalisant [verbalisant 1] en zijn collega [verbalisant 2] verdachte aangehouden. Tijdens de aanhouding verzette verdachte zich door met kracht haar armen los te trekken. Om verdachte onder controle te krijgen legden de verbalisanten haar in buikligging op de grond. Hierop hoorden verbalisanten dat verdachte hardop schreeuwde: ‘Ik heb je moeder in haar kut geneukt’. Nadat verdachte overeind werd gezet zagen zij dat verdachte een trap gaf in de richting van collega [verbalisant 3] en dat zij de hand van [verbalisant 3] raakte.

Verbalisant [verbalisant 1] voelde zich beledigd en in zijn goede naam en eer aangetast door de woorden van verdachte.

Verder volgt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2016, eveneens opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , dat [verbalisant 1] voor de aanhouding van verdachte haar vriend had gevorderd het centrum van Hilversum te verlaten in een bepaalde richting, maar dat zowel verdachte als haar vriend hier geen gehoor aan gaf.

Tegenover de raadsheer-commissaris d.d. 9 april 2019 heeft verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat de woorden over de moeder in zijn beleving zeker tegen hem waren gericht, want hij had verdachte op dat moment vast. Toen verdachte in de politieauto lag en hard tegen de deur begon te trappen heeft [verbalisant 1] verdachte eenmaal met de wapenstok tegen haar been geslagen. Hij kan zich niet herinneren dat hij de wapenstok eerder heeft gebruikt.

Verbalisant [verbalisant 2] , aspirant van politie Eenheid Midden-Nederland, heeft eveneens gerelateerd dat hij zag dat collega [verbalisant 3] een man en vrouw die zich ophielden op de Schering te Hilversum aansprak en dat hij hoorde dat zij deze personen meerdere keren sommeerde weg te gaan. Hij zag dat deze personen wegliepen en op een bankje gingen zitten. Verbalisant [verbalisant 2] zag vervolgens dat collega [verbalisant 1] richting de twee personen fietste. Hij zag dat [verbalisant 1] hen aansprak en vermoedelijk wegstuurde uit het centrum. [verbalisant 2] is richting [verbalisant 1] gelopen omdat hij dacht dat het weleens uit de hand kon lopen. Hij zag dat [verbalisant 1] zijn wapenstok ter hand had genomen en hij hoorde dat [verbalisant 1] zei dat de twee personen moesten wegwezen, dat zij naar de andere kant van de rotonde moesten en uit het centrum van Hilversum weg moesten. [verbalisant 2] zag dat de man iets zei en dat [verbalisant 1] vervolgens een aantal duwen aan beide personen gaf en dat hij vervolgens een aantal tikken met zijn wapenstok gaf. Toen [verbalisant 2] inmiddels naast collega [verbalisant 1] stond zag hij dat verdachte hem aankeek en riep: ‘arrogante kankerlijer'. Hierop hebben [verbalisant 1] en hij verdachte aangehouden. Nadat ze verdachte hadden aangehouden hoorde hij dat zij hardop schreeuwde: ‘Ik heb je moeder in haar kut geneukt’. Er waren op dat moment meerdere personen in de straat in de omgeving van de verbalisanten. Verbalisant [verbalisant 2] voelde zich beledigd en in zijn goede naam en eer aangetast door verdachte.

Tegenover de raadsheer-commissaris d.d. 15 november 2019 heeft verbalisant [verbalisant 2] , die op dat moment niet meer werkzaam was bij de politie, verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat het begon met iets wat verdachte zei en dat hij zich het woord ‘kanker’ nog herinnert. [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij met een collega en verdachte aanwezig was. Daaruit maakten zij op dat het sowieso voor hem en zijn collega bedoeld was. Het was in ieder geval niet voor omstanders bedoeld. Terugkijkend naar de situatie denkt hij ook dat de opmerking naar zowel zijn collega als hem gericht was. [verbalisant 2] herinnert zich nog dat verdachte heeft gezegd: ‘Ik heb je moeder in haar kut geneukt’. Dat was echt naar [verbalisant 1] (het hof begrijpt: collega [verbalisant 1] ) gericht. Bij de rotonde waren ook niet direct omstanders aanwezig. [verbalisant 2] weet niet meer of de wapenstok is gebruikt, maar als hij dat destijds zo heeft opgeschreven dan zal dat zo geweest zijn. Hij weet nog wel dat ze de wapenstok hebben laten zien als dreigement, zo van: nu wegwezen! Volgens [verbalisant 2] ging zijn collega er heel fors in. Nadat zij verdachte iets hadden horen zeggen (het hof begrijpt: de beledigende woorden ‘arrogante kankerlijer’) dook [verbalisant 1] meteen bovenop haar. Het was meteen matten, heel fysiek. Daarom kan [verbalisant 2] de reactie van verdachte ook wel begrijpen. Tot slot heeft [verbalisant 2] nog verklaard dat de aanloop naar het incident met verdachte lang was, want het duurde alles met elkaar wel vijf tot tien minuten waarin ze is weggestuurd en weer terug is gekomen voordat de uiteindelijke aanhouding plaatsvond.

Tot slot volgt uit het proces-verbaal van aanhouding opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] eveneens dat verbalisanten zagen dat verdachte hen aankeek en hoorden dat zij hardop schreeuwde: ‘Arrogante kankerlijers’. Hierop is verdachte aangehouden, waartegen zij zich verzette door met kracht haar armen los te trekken. Om verdachte onder controle te krijgen legden de verbalisanten haar in buikligging op de grond. Hierop hoorden zij dat verdachte hardop schreeuwde: ‘Ik heb je moeder in haar kut geneukt’. Nadat verdachte overeind werd gezet zagen zij dat collega [verbalisant 3] door verdachte werd getrapt. Verbalisanten plaatsten verdachte in een dienstvoertuig en zagen dat zij languit op de bank kwam te liggen. Zij zagen dat zij met kracht trappende bewegingen maakte tegen de linker achterportier van het voertuig. Hierop is verdachte uit het voertuig geplaatst en in een hondenbus geplaatst voor transport.

Belediging: beledigende woorden door verdachte geuit richting verbalisanten

Op grond van het voorgaande is het hof – anders dan de verdediging – van oordeel dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geroepen. Bovendien acht het hof bewezen dat de woorden ‘Arrogante kankerlijer’ waren gericht tegen verbalisanten [verbalisant 1] én [verbalisant 2] en dat de woorden ‘Ik heb je moeder in haar kut geneukt!’ waren gericht tegen verbalisant [verbalisant 1] . Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Op het moment van het uiten van de woorden ‘Arrogante kankerlijer’ keek verdachte in de richting van verbalisanten. Bovendien waren er geen directe omstanders aanwezig en was verdachte opgefokt door van het handelen van de politie. Ook voor de beledigende woorden ‘Ik heb je moeder in haar kut geneukt!’ geldt dat deze woorden duidelijk waren gericht tegen verbalisant [verbalisant 1] die op dat moment bezig was met de aanhouding en het aanleggen van handboeien.

Het verweer wordt verworpen.

Onrechtmatig handelen?

Vooropgesteld wordt dat het hof geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisanten. Deze verklaringen, opgemaakt op ambtseed, zijn gedetailleerd en komen op hoofdlijnen overeen.

Op grond van de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] stelt het hof vast dat aan verdachte op verschillende momenten te kennen is gegeven dat zij en haar vriend het centrum moesten verlaten maar dat zij daar niet aan heeft voldaan. Uiteindelijk heeft verbalisant [verbalisant 1] tegen verdachte en haar vriend gezegd dat zij genoeg waarschuwingen hadden gehad en direct het uitgangsgebied voor de Let’s get Down moesten verlaten in de richting van de Schapenkamp. [verbalisant 1] heeft dit ook gevorderd van de vriend van verdachte. Toen hieraan geen gehoor werd gegeven heeft verbalisant [verbalisant 1] de vriend van verdachte vastgepakt en in de goede richting geduwd. Omdat de vriend van verdachte in de tegenovergestelde richting probeerde langs te lopen heeft hij hem toen met de wapenstok geslagen. Verdachte reageerde hierop door dichtbij [verbalisant 1] te gaan staan en te schreeuwen, waarop verbalisant haar een aantal keren heeft geduwd met zijn wapenstok in zijn hand. Toen verdachte en haar vriend uiteindelijk wegliepen richting de rotonde draaide verdachte zich ineens om en schreeuwde: ‘Arrogante kankerlijer' richting [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Hierop is verbalisant [verbalisant 1] , met in zijn kielzog collega [verbalisant 2] , op verdachte afgerend. Hij is bovenop haar gedoken ter aanhouding, dat ging heel fysiek. Verdachte verzette zich vervolgens stevig tegen deze aanhouding. Om verdachte onder controle te krijgen hebben de verbalisanten verdachte in buikligging op de grond gelegd. Er volgde nog een belediging in [verbalisant 1] richting. Toen verdachte vervolgens overeind werd gezet trapte zij in de richting van collega [verbalisant 3] en raakte daarbij de hand en het been van [verbalisant 3] . Verdachte is vervolgens in het dienstvoertuig gezet, maar bleef zich verzetten door te trappen. [verbalisant 1] heeft verdachte toen eenmaal met zijn wapenstok een klap op haar been gegeven. Uiteindelijk is verdachte in de hondenbus geplaatst voor transport.

Het hof oordeelt op grond van het vorenstaande dat bij de aanhouding van verdachte door verbalisant [verbalisant 1] jegens verdachte geweld is gebruikt, maar dat niet aannemelijk is geworden dat dit geweld onder de beschreven omstandigheden disproportioneel was.

In eerste instantie heeft verbalisant [verbalisant 1] geweld tegen verdachte gebruikt omdat zij weigerde het centrum te verlaten. Dit geweld, bestaande uit het stevig duwen met zijn wapenstok in de hand, was dan ook toegestaan. Vervolgens mocht verbalisant [verbalisant 1] na de geuite belediging overgaan tot aanhouding. Uit de verklaring van collega [verbalisant 2] volgt dat [verbalisant 1] dit weliswaar hardhandig deed, maar niet blijkt dat sprake is geweest van disproportioneel geweld. Verdachte verzette zich vervolgens stevig tegen haar aanhouding. Dit maakt dat ook het na de aanhouding tegen haar aangewende geweld noodzakelijk was om haar onder controle te krijgen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen door verbalisant [verbalisant 1] , zodat [verbalisant 1] gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is beledigd door verdachte. Het verweer wordt dan ook verworpen.”

7. Het hof heeft daarna over de feiten van de zaak onder meer het volgende overwogen:

“Op grond van de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] stelt het hof vast dat aan verdachte op verschillende momenten te kennen is gegeven dat zij en haar vriend het centrum moesten verlaten maar dat zij daar niet aan heeft voldaan. Uiteindelijk heeft verbalisant [verbalisant 1] tegen verdachte en haar vriend gezegd dat zij genoeg waarschuwingen hadden gehad en direct het uitgangsgebied voor de Let’s get Down moesten verlaten in de richting van de Schapenkamp. [verbalisant 1] heeft dit ook gevorderd van de vriend van verdachte. Toen hieraan geen gehoor werd gegeven heeft verbalisant [verbalisant 1] de vriend van verdachte vastgepakt en in de goede richting geduwd. Omdat de vriend van verdachte in de tegenovergestelde richting probeerde langs te lopen heeft hij hem toen met de wapenstok geslagen. Verdachte reageerde hierop door dichtbij [verbalisant 1] te gaan staan en te schreeuwen, waarop verbalisant haar een aantal keren heeft geduwd met zijn wapenstok in zijn hand. Toen verdachte en haar vriend uiteindelijk wegliepen richting de rotonde draaide verdachte zich ineens om en schreeuwde: ‘Arrogante kankerlijer’ richting [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Hierop is verbalisant [verbalisant 1] , met in zijn kielzog collega [verbalisant 2] , op verdachte afgerend. Hij is bovenop haar gedoken ter aanhouding, dat ging heel fysiek. Verdachte verzette zich vervolgens stevig tegen deze aanhouding. Om verdachte onder controle te krijgen hebben de verbalisanten verdachte in buikligging op de grond gelegd. Er volgde nog een belediging in [verbalisant 1] richting. Toen verdachte vervolgens overeind werd gezet trapte zij in de richting van collega [verbalisant 3] en raakte daarbij de hand en het been van [verbalisant 3] . Verdachte is vervolgens in het dienstvoertuig gezet, maar bleef zich verzetten door te trappen. [verbalisant 1] heeft verdachte toen eenmaal met zijn wapenstok een klap op haar been gegeven. Uiteindelijk is verdachte in de hondenbus geplaatst voor transport.”

De eerste en de tweede klacht

8. De eerste twee klachten hebben betrekking op de bewezenverklaarde belediging van verbalisant [verbalisant 2] en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de in enkelvoud geuite woorden “arrogante kankerlijer” waren gericht tegen zowel verbalisant [verbalisant 1] als verbalisant [verbalisant 2] onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. De tweede klacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte opzet heeft gehad op het beledigen van zowel verbalisant [verbalisant 1] als verbalisant [verbalisant 2] . Volgens de steller van het middel is niet zonder meer begrijpelijk dat in één klap twee verbalisanten zijn beledigd, omdat de bewezenverklaarde woorden zich duidelijk tot één persoon richten. Nu ook niet blijkt dat verbalisant [verbalisant 2] op enige wijze een rol heeft gespeeld bij de daaraan voorafgaande gebeurtenissen, is niet (voldoende) begrijpelijk dat de verdachte, met het uiten van een enkelvoudig scheldwoord, (minst genomen voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de belediging van verbalisant [verbalisant 2] , aldus de steller van het middel.

9. Het hof heeft wat betreft de gebeurtenissen direct voorafgaand aan het door de verdachte uiten van de woorden “arrogante kankerlijer” vastgesteld:

(i) dat verbalisant [verbalisant 1] tegen verdachte en haar vriend gezegd heeft dat zij genoeg waarschuwingen hadden gehad en direct het uitgangsgebied moesten verlaten;

(ii) dat verbalisant [verbalisant 1] dit ook heeft gevorderd van de vriend van verdachte;

(iii) dat verbalisant [verbalisant 1] , toen hieraan geen gehoor werd gegeven, de vriend van verdachte heeft vastgepakt en in de goede richting heeft geduwd;

(iv) dat verbalisant [verbalisant 1] de vriend van verdachte met de wapenstok heeft geslagen, omdat hij in de tegenovergestelde richting probeerde langs te lopen;

(v) dat de verdachte hierop reageerde door dichtbij verbalisant [verbalisant 1] te gaan staan en te schreeuwen, waarop verbalisant [verbalisant 1] haar een aantal keren heeft geduwd met zijn wapenstok in zijn hand;

(vi) dat de verdachte en haar vriend uiteindelijk wegliepen richting de rotonde, waarna de verdachte zich ineens omdraaide en “arrogante kankerlijer” schreeuwde richting de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

10. Gelet op de bewezenverklaring die “kankerlijer” en niet “kankerlijers” inhoudt en gelet op voormelde feitelijke vaststellingen van het hof, waaruit niet blijkt dat verbalisant [verbalisant 2] betrokken was bij de gebeurtenissen direct voorafgaand aan de door de verdachte geuite woorden “arrogante kankerlijer”, acht ik het oordeel dat de belediging (opzettelijk) tot beide verbalisanten was gericht niet zonder meer begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op het moment van het uiten van de woorden “arrogante kankerlijer” in de richting van beide verbalisanten keek, dat er anders dan de verbalisanten geen directe omstanders aanwezig waren en dat de verdachte opgefokt was door het handelen van de politie.

11. De eerste en de tweede klacht zijn gegrond.

De derde klacht

12. De derde klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat verbalisant [verbalisant 1] is beledigd gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Daartoe is aangevoerd dat op geen enkele wijze blijkt hoe de weigering van de verdachte om het centrum te verlaten – zonder daaraan voorafgaande vordering – het in eerste instantie door [verbalisant 1] gebruikte geweld kan rechtvaardigen, en dat het oordeel dat het bij de aanhouding van de verdachte ter zake van belediging gebruikte geweld “weliswaar hardhandig, maar niet disproportioneel is” niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

13. Het eerste onderdeel van de onderbouwing van de klacht luidt dat op geen enkele wijze blijkt hoe de weigering van de verdachte om het centrum te verlaten – zonder daaraan voorafgaande vordering – het in eerste instantie door [verbalisant 1] gebruikte geweld kan rechtvaardigen. Het gaat dan, blijkens onderdeel 16 van de hiervoor onder randnummer 5 weergegeven pleitnotities, kennelijk om het met de wapenstok duwen van de verdachte voorafgaand aan de belediging. Het hof heeft daarover geoordeeld dat verbalisant [verbalisant 1] het geweld tegen de verdachte heeft gebruikt omdat zij weigerde het centrum te verlaten, en dat dit geweld, bestaande uit het stevig duwen met zijn wapenstok in de hand, dan ook was toegestaan. In dat oordeel ligt als oordeel van het hof besloten dat het tegen de verdachte gebruikte geweld voorafgaand aan de belediging proportioneel is geweest. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.

14. Het tweede onderdeel van de klacht luidt dat het oordeel dat het bij de aanhouding van de verdachte ter zake van belediging gebruikte geweld “weliswaar hardhandig, maar niet disproportioneel is” niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Dit onderdeel behoeft geen bespreking, omdat het antwoord op de vraag of het geweldgebruik bij de aanhouding van de verdachte rechtmatig is geweest niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of de verbalisant(en) is of zijn beledigd tijdens de rechtmatige uitoefening van de bediening: de belediging is voorafgegaan aan de aanhouding.

15. De derde klacht faalt.

Slotsom

16. Het eerste middel is ten dele terecht voorgesteld.

Het tweede middel

17. Het tweede middel bevat drie klachten die verband houden met de bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde wederspannigheid. Ten eerste wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich met geweld heeft verzet tegen verbalisant [verbalisant 3] die op dat moment werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten belast met toezicht in het horecagebied, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk is (gemotiveerd). Ten tweede wordt geklaagd dat het hof door te oordelen dat “het trappen tegen het lichaam van verbalisant [verbalisant 3] kan worden gekwalificeerd als verzet tegen [verbalisant 3] die op dat moment was betrokken bij de aanhouding van verdachte” de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Tot slot bevat het middel de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich met geweld heeft verzet tegen verbalisant [verbalisant 3] die op dat moment werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, mede gelet op hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht over het buitensporige geweld dat bij de aanhouding van de verdachte is gebruikt, niet zonder meer begrijpelijk is (gemotiveerd).

18. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

“zij op 26 juni 2016 te Hilversum, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 3] , hoofdagent bij de politie Eenheid Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten belast met toezicht in het horecagebied, door tegen haar linkerhand te trappen en tegen haar rechterbeen te trappen, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een onderhuidse bloeding en een kneuzing en een blauwe plek bij die [verbalisant 3] ten gevolge heeft gehad.”

19. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2020 is daar namens de verdachte het volgende aangevoerd:

“Subsidiair haak ik ten aanzien van de wederspannigheid aan bij het standpunt van de advocaat-generaal. Het is niet duidelijk in welke ambtshandeling [verbalisant 3] belemmerd werd.”

20. Het hof heeft het verweer als volgt verworpen:

“Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verbalisant [verbalisant 3] als politieambtenaar belast met het horecatoezicht betrokken was bij de aanhouding van verdachte. Zij was (direct) aanwezig bij de aanhouding en heeft daarbij ook geassisteerd. Op het moment dat verdachte verbalisant [verbalisant 3] trapt is zij net geboeid door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , waarbij [verbalisant 3] op het been van verdachte heeft gezeten, en in de benen geholpen teneinde haar over te brengen naar het dienstvoertuig. De aanhouding is op dat moment nog gaande. Het voorgaande brengt mee dat het trappen tegen het lichaam van verbalisant [verbalisant 3] kan worden gekwalificeerd als verzet tegen [verbalisant 3] die op dat moment was betrokken bij de aanhouding van verdachte.”

21. Art. 180 Sr luidt:

“Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening [...] wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

22. De tenlastelegging is toegesneden op art. 180 en 181 Sr. Aangenomen dient te worden dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden “verzet” en “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening” zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in art. 180 Sr.

23. Onder “verzet” valt het weerstreven van de ambtenaar in diens ondernomen ambtshandeling.1 Bij de beantwoording van de vraag of de ambtenaar “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” is, geldt als uitgangspunt dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in art. 180 Sr.2

De eerste klacht

24. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich met geweld heeft verzet tegen verbalisant [verbalisant 3] die op dat moment werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten belast met toezicht in het horecagebied, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk is (gemotiveerd). Daartoe wordt aangevoerd dat de eis dat een ambtenaar ‘werkzaam’ is, allereerst meebrengt dat sprake moet zijn van een aan het verzet voorafgaande ambtshandeling en voorts dat geweld gepleegd tegen een ambtenaar, wanneer die zijn handelingen reeds heeft gestaakt, niet als verzet gekwalificeerd kan worden. Dan kan volgens de steller van het middel naar omstandigheden sprake zijn van (bijvoorbeeld) mishandeling, maar niet van wederspannigheid.3 In het onderhavige geval zou de ambtenaar haar handelingen in het kader van de assistentie bij de aanhouding reeds hebben gestaakt. Blijkens de bewezenverklaring was zij ter plaatse aanwezig, alleen niet (meer) ter aanhouding van de verdachte, maar om horecatoezicht te houden. De bewezenverklaarde geweldshandelingen kunnen daarom geen verzet opleveren, aldus de steller van het middel.

25. Over het antwoord op de vraag of het bestanddeel “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” nadere omschrijving in de tenlastelegging behoeft, bestaat in de literatuur verschil van inzicht. Enerzijds wordt daarin verdedigbaar geacht dat het bestanddeel in een tenlastelegging op basis van art. 180 Sr enige feitelijke uitwerking behoeft omdat het in dat artikel deel uitmaakt van het kernverwijt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld art. 267 Sr waarin het bestanddeel (slechts) een strafverzwaringsgrond is.4 Anderzijds wordt in de literatuur uit de rechtspraak afgeleid dat de Hoge Raad ermee akkoord gaat dat in de tenlastelegging slechts wordt vermeld dat de ambtenaar “in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” is aangezien de feitenrechter aan deze uitdrukking mede feitelijke betekenis mag toekennen, waarbij in zo’n geval wel de bewijsmiddelen voldoende feiten en omstandigheden moeten bevatten om te kunnen beoordelen of aan deze eis is voldaan.5

26. Doorgaans is in een tenlastelegging en bewezenverklaring van wederspannigheid geconcretiseerd tegen welke ambtshandeling, die de ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zou hebben verricht, de verdachte zich zou hebben verzet. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om pogingen tot het aanleggen van handboeien door een politieambtenaar,6 om het aanhouden en vastgrijpen ter tenuitvoerlegging van een signalering,7 om het aanhouden en vasthebben ter overbrenging naar een plaats van verhoor,8 om het vasthebben van de verdachte op verdenking van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit9 of om de aanhouding van de verdachte.10 Vastgesteld kan worden dat van een vergelijkbare concretisering in de onderhavige zaak geen sprake is; niet in de bewezenverklaring en ook niet in de tenlastelegging. Problematisch lijkt mij dit niet nu ter terechtzitting in hoger beroep genoegzaam aan de orde is gekomen dat verbalisant [verbalisant 3] betrokken is geweest bij de aanhouding van de verdachte.

27. In de onderhavige zaak is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat zij verbalisant [verbalisant 3] , die werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten belast met toezicht in het horecagebied, tegen haar lichaam heeft getrapt. Uit de bewijsvoering blijkt dat de betreffende verbalisant in de nacht van 26 juni 2016 inderdaad was belast met horecatoezicht. Zij is na een oproep van de beveiliging van een uitgaansgelegenheid in contact gekomen met de verdachte. Na verloop van tijd zag de verbalisant dat het haar collega’s moeite kostte om de verdachte in het kader van haar aanhouding handboeien aan te leggen en dat de verdachte met haar benen trapte. Zij heeft toen aan deze collega’s assistentie verleend door op het linkerbeen van de op haar buik liggende verdachte te gaan zitten. Toen de verdachte eenmaal was geboeid, hielpen de collega’s de verdachte omhoog en stond de verbalisant voor de verdachte. Toen de collega’s vervolgens met de verdachte in de richting van de dienstauto wilden lopen, keek de verdachte de verbalisant aan en trapte tegen haar lichaam.

28. Het middel werpt de vraag op of het trappen van de verdachte op het betreffende moment nog kan worden aangemerkt als verzet tegen verbalisant [verbalisant 3] . Het hof meent van wel, omdat naar zijn oordeel de aanhouding waarbij [verbalisant 3] betrokken was op dat moment nog gaande was. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, omdat na het vastpakken van de verdachte ook de overbrenging naar het politiebureau nog als aanhouding kan gelden.11 Dit oordeel is ook toereikend gemotiveerd.

29. De eerste klacht faalt.

De tweede klacht

30. De tweede klacht houdt in dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat “het trappen tegen het lichaam van verbalisant [verbalisant 3] kan worden gekwalificeerd als verzet tegen [verbalisant 3] die op dat moment was betrokken bij de aanhouding van verdachte”, het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten nu de betreffende ambtshandeling niet in de tenlastelegging is opgenomen.

31. De omstandigheid dat de rechtmatige uitoefening van de bediening in de onderhavige zaak niet wordt geconcretiseerd in de bewezenverklaring, brengt – mede gelet op hetgeen onder randnummer 26 is overwogen – niet vanzelfsprekend mee dat het hof niet heeft beslist op de grondslag van de tenlastelegging. Nu de klacht niet nader is onderbouwd, kan deze verder onbesproken blijven.

De derde klacht

32. De derde klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich met geweld heeft verzet tegen verbalisant [verbalisant 3] die op dat moment werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van haar bediening niet zonder meer begrijpelijk is (gemotiveerd), mede gelet op hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht over het buitensporige geweld dat bij de aanhouding van de verdachte is gebruikt.

33. Volgens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2020 gehechte pleitnotities is daar namens de verdachte het volgende aangevoerd:

“7.

[verbalisant 2] verklaart bij de raadsheer-commissaris dat de aanhouding buitenproportioneel was. “Ik denk dat de manier van aanhouden wel degelijk aanleiding voor haar kan zijn geweest om zo extreem tegen te werken, omdat wij ook extreem aan het aanhouden waren.”

[verbalisant 2] is geschrokken van het geweld dat zijn collega toepaste.

“ We hoorden haar iets zeggen en op dat moment sprintte hij op haar af en dook hij bovenop haar. Het was meteen matten, meteen fysiek.”

[verbalisant 2] kon de reactie van de vrouw begrijpen. Sterker nog, hij zou het raar gevonden hebben als ze niet in opstand was gekomen.

[verbalisant 2] heeft er veel over gesproken op het bureau, ook met zijn praktijkcoach. Ook heeft hij er met [verbalisant 1] over gesproken en [verbalisant 2] denkt dat hij even ergens anders is gaan werken. [verbalisant 1] stond wegens bedreigingen al een tijdje onder druk.

Er was sprake van escalerend optreden van de politie. 100 %.

8.

De verdediging meent dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

Eindconclusie:

De verdediging meent dat [verdachte] van al het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Onder de geschetste omstandigheden kan niet worden bewezen dat [verdachte] de opzet heeft gehad te schoppen ter verzet tegen de aanhouding.

Veeleer is het verzet te kwalificeren als noodweer/noodweer exces tegen de buitenproportioneel gewelddadige en daardoor onrechtmatige aanhouding door [verbalisant 1] .”

34. In het hiervoor weergegeven verweer ligt de weerlegging van de klacht besloten. In het verweer wordt immers aangegeven dat verbalisant [verbalisant 1] verantwoordelijk zou zijn geweest voor het beweerde onrechtmatige geweldgebruik tegenover de verdachte. Ook indien dat juist zou zijn, doet dat niet af aan het door het hof ingenomen standpunt dat verbalisant [verbalisant 3] in de rechtmatige uitoefening van de bediening heeft gehandeld.

35. De derde klacht faalt eveneens.

Slotsom

36. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.

Slotsom

37. Het eerste middel slaagt ten dele. Het tweede middel faalt.

38. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

39. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de tenlastegelegde belediging van [verbalisant 2] en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 31 maart 1930, ECLI:NL:HR:1930:247, NJ 1930, p. 692.

2 Zie o.a. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919, NJ 2014/529 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.6 en HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:236, r.o. 2.4.

3 In verband met het belang van de verdachte bij deze klacht, wijs ik erop dat eenvoudige mishandeling met een zwaardere straf wordt bedreigd dan wederspannigheid.

4 Lindenberg, in: T&C Strafrecht, art. 180 Sr, aant. 9 (online, bijgewerkt 1 februari 2021) en D.H. de Jong, in: Handboek strafzaken, 29.4.3 (online, bijgewerkt 12 mei 2020).

5 A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 180 Sr, aant. 6 (online, bijgewerkt 26 maart 2018).

6 HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919, NJ 2014/529 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.2.1.

7 HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:852, r.o. 2.2.1.

8 HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1099, r.o. 2.2.1, HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1327, NJ 2015/384 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.2.1, HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:828, r.o. 2.2.1 en HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1058, r.o. 2.2.1.

9 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:724, r.o. 3.1.

10 HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:239, r.o. 2.2 en HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:236, r.o. 2.2.1.

11 Morra, in: T&C Strafvordering, art. 53 Sv, aant. 2 (online, bijgewerkt 1 juli 2021) en Kamerstukken II 2014/15, 34 159, nr. 3, p. 14: “Het aanhouden is een vormloze handeling; zij kan bestaan in de enkele mededeling dat iemand is aangehouden, hetgeen markeert dat de verdachte vanaf dat moment moet dulden dat hij naar de plaats van verhoor wordt geleid. Ook het daadwerkelijk vastpakken en meenemen of meevoeren van de verdachte – al dan niet in een politievoertuig – naar een politiebureau zullen als aanhouding kunnen gelden.”