Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:76

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-01-2021
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
20/03517
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Prejudiciële zaak (art. 392 Rv). Huurrecht. Procedure op de voet van art. 7:262 BW tegen uitspraak huurcommissie. Moet gedaagde in een dergelijke procedure die zijnerzijds - evenals de eiser - een beslissing van de kantonrechter wenst over een punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht, daartoe een vordering in reconventie instellen en zo ja, moet dat binnen de in art. 7:262 lid 1 BW genoemde termijn van acht weken gebeuren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/25, UDH:S&E HW/50237 met annotatie van Suzanne Faber
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03517

Zitting 29 januari 2021

CONCLUSIE

W.L. Valk

In de zaak

[verhuurder]

tegen

1. [huurder 1]

2. [huurster 2]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verhuurder] respectievelijk [huurders]

1 Inleiding en samenvatting

1.1

De prejudiciële vragen in de onderhavige zaak betreffen art. 7:262 BW. Die bepaling voorziet erin dat verhuurder of huurder een punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht en waarover door die commissie uitspraak is gedaan, aan de kantonrechter voorlegt door daarover een beslissing te vorderen. Een dergelijke vordering moet worden ingesteld binnen een termijn van acht weken nadat aan partijen afschrift van de uitspraak van de huurcommissie is verzonden (art. 7:262 lid 1 BW). Geldt deze termijn ook voor een vordering in reconventie?

1.2

Naar analogie van incidenteel hoger beroep (onder meer art. 339 lid 3 Rv) behoort te worden aangenomen dat de achtwekentermijn van art. 7:262 lid 1 BW niet geldt voor een vordering in reconventie in het geval met betrekking tot de uitspraak van de huurcommissie reeds een vordering (in conventie) aanhangig is. Intussen is een dergelijke vordering in reconventie niet nodig, omdat uitgangspunt is dat als (in conventie) tijdig tegen een uitspraak van de huurcommissie is opgekomen als bedoeld in art. 7:262 BW, daarmee de fictieve wilsovereenstemming over hetgeen door de huurcommissie is beslist, geheel komt te vervallen. Consequentie hiervan is dat de kantonrechter reeds over alle punten die bij de huurcommissie aan de orde waren dient te beslissen en niet slechts over de punten die in de vordering (in conventie) zijn aangeduid. Dit is alleen anders voor zover de uitspraak van de huurcommissie zou behoren te worden gesplitst, omdat bij één uitspraak is beslist over punten waartussen geen samenhang bestaat, en de vordering (in conventie) niet op al die punten ziet. In dat uitzonderingsgeval zou dan voor een partij wél een vordering in reconventie nodig zijn om te bewerkstelligen dat de kantonrechter ook over andere punten beslist dan waarop de vordering in conventie ziet. Intussen acht ik de opvatting dat soms de uitspraak van de huurcommissie in deze zin moet worden gesplitst (met gevolgen voor de vraag of het voor een partij noodzakelijk is om een vordering in reconventie in te stellen), niet vanzelfsprekend juist.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) [huurders] huren sinds 15 februari 2018 van [verhuurder] zelfstandige woonruimte op het adres [a-straat 1] te [plaats] (hierna ook: het gehuurde). Overeengekomen is onder meer een kale huurprijs van € 895,00 per maand.

(ii) [huurders] hebben de huurcommissie op 23 juli 2018 verzocht om te beoordelen of de overeengekomen kale huurprijs van € 895,00 per maand redelijk is.

(iii) Voorafgaand aan de zitting bij de huurcommissie heeft haar rapporteur een onderzoek verricht. De rapporteur heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport.

(iv) Bij beslissing van 2 november 2018 heeft de huurcommissie2 geoordeeld dat de overeengekomen huurprijs niet redelijk is. De huurcommissie heeft aan de woonruimte 110 punten toegekend, en geoordeeld dat daarbij op 15 februari 2018 een maximale huurprijs van € 533,47 per maand behoorde. De huurcommissie heeft geoordeeld dat dit een redelijke huurprijs per die datum is. De huurcommissie heeft voorts geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet om de aanvangshuurprijs in verband met gebreken tijdelijk te verlagen. De uitspraak is verzonden op 21 januari 2019.

2.2

Bij inleidende dagvaarding van 18 maart 2019 is [verhuurder] opgekomen tegen de uitspraak van de huurcommissie met betrekking tot de maximale kale huurprijs van het gehuurde. Volgens [verhuurder] had de huurcommissie het gehuurde op 115 punten moeten waarderen, en had rekening moeten worden gehouden met een opslag van 15%, omdat de woonruimte tot een beschermd stadsgezicht behoort. [verhuurder] vordert een verklaring voor recht dat de door [huurders] aan hem verschuldigde kale huurprijs met betrekking tot het gehuurde per 15 februari 2018 primair € 652,32 per maand bedraagt, dan wel subsidiair € 613,49 per maand.

2.3

[huurders] hebben op 14 mei 2019 een reconventionele vordering ingesteld. Zij sluiten zich aan bij het oordeel van de huurcommissie dat aan de woonruimte 110 punten moeten worden toegekend en vorderen een verklaring voor recht dat de maximaal redelijke kale aanvangshuurprijs € 533,47 per maand bedraagt. [huurders] komen op tegen het oordeel van de huurcommissie dat er geen aanleiding is om de aanvangshuurprijs in verband met gebreken tijdelijk te verlagen. Volgens [huurders] waren er bij aanvang van de huur wel degelijk gebreken (in categorie B) die van dien aard waren dat van meet af aan een tijdelijke verlaging van de huurprijs in de rede ligt. Subsidiair menen [huurders] dat in ieder geval vanaf een later moment sprake is van gebreken die een tijdelijke huurverlaging rechtvaardigen. In dat kader vorderen ze diverse verklaringen voor recht en terugbetaling van de te veel betaalde huur.

2.4

De kantonrechter heeft bij vonnis van 4 augustus 2020 overwogen voornemens te zijn om op de voet van art. 392 lid 1 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. De kantonrechter heeft partijen op de voet van art. 392 lid 2 Rv in de gelegenheid gesteld om zich bij akte over dat voornemen uit te laten, alsook over de inhoud van de te stellen vragen.

2.5

Zowel [huurders] als [verhuurder] hebben op 1 september 2020 bij akte gereageerd op het voornemen om prejudiciële vragen te stellen en zich uitgelaten over de inhoud van de te stellen vragen. Vervolgens heeft de kantonrechter, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, vijf – hierna onder 4 e.v. weergegeven – prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

2.6

De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen in behandeling genomen.

2.7

[verhuurder] en [huurders] zijn overeenkomstig art. 393 lid 1 Rv bij brieven van 6 november 2020 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 18 december 2020 schriftelijke opmerkingen in te dienen door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad. Van die mogelijkheid hebben zij geen gebruik gemaakt.

3 Bespreking van de prejudiciële vragen

3.1

In de onderhavige zaak gaat het om een huurovereenkomst met betrekking tot zelfstandige woonruimte waarbij tussen partijen een aanvangshuurprijs van € 895,00 per maand is overeengekomen. Deze huurprijs ligt boven de liberalisatiegrens,3 in verband waarmee de huurbeschermingsbepalingen voor een belangrijk deel niet van toepassing zijn.4

3.2

Dat de overeengekomen huurprijs boven de liberalisatiegrens ligt, doet er echter niet aan af dat een huurder binnen zes maanden5 na het aangaan van de huurovereenkomst de huurcommissie kan verzoeken om overeenkomstig art. 7:249 lid 1 BW over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs uitspraak te doen. Van die mogelijkheid hebben [huurders] gebruik gemaakt.

3.3

Overeenkomstig art. 11 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (hierna: UHW) dient de huurcommissie in een dergelijk geval te toetsen of de overeengekomen huurprijs redelijk is. De huurcommissie stelt daartoe aan de hand van het woningwaarderingsstelsel vast hoeveel punten aan het gehuurde dienen te worden toegekend. Indien het aantal punten en het daaraan gekoppelde tarief leidt tot een maximale huurprijs die én lager is dan de liberalisatiegrens én lager dan de prijs die partijen zijn overeengekomen, dan merkt de huurcommissie die maximale huurprijs als de redelijke huurprijs aan. De huurcommissie heeft aan de door [verhuurder] aan [huurders] verhuurde woonruimte 110 punten toegekend, en geoordeeld dat daarbij op 15 februari 2018 een maximale huurprijs van € 533,47 per maand hoorde, zijnde de redelijke huurprijs, omdat die maximale huurprijs zowel onder de liberalisatiegrens ligt als onder de prijs die partijen zijn overeengekomen.

3.4

Een verzoek aan de huurcommissie om uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs brengt op grond van art. 12 UHW mee dat de huurcommissie zich ook dient uit te spreken over de vraag of gelet op gebreken ten aanzien van de woonruimte de redelijk geachte huurprijs in rekening kan worden gebracht. Indien gebreken hiertoe aanleiding geven, vermeldt de huurcommissie in haar uitspraak een tijdelijk lagere huurprijs. Met betrekking tot de door [verhuurder] aan [huurders] verhuurde woonruimte heeft de huurcommissie geen aanleiding gezien om de aanvangshuurprijs in verband met gebreken tijdelijk te verlagen.

3.5

Aan de huurcommissie kan, naast een uitspraak over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs, ook verzocht worden om op andere punten uitspraak te doen. De huurcommissie kan verzocht worden om uitspraak te doen over:6

‒ een huurprijswijzigingsvoorstel (art. 7:252-254 BW);

‒ huurprijsverhoging in verband met aangebrachte voorzieningen, veranderingen of toevoegingen (art. 7:255 BW);

‒ vermindering van de huurprijs op grond van gebreken voorkomend op de lijst van art. 7:241 BW (art. 7:257 BW);

‒ de uitsplitsing van een all-in-huurprijs (art. 7:258 BW);

‒ de betalingsverplichting van de huurder met betrekking tot kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en servicekosten (art. 7:260 BW);

‒ een voorschotbedrag voor de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter (art. 7:261 lid 3 BW), en

‒ een overeengekomen energieprestatievergoeding (art. 7:261a BW).

Voor een deel van deze verzoeken geldt dat de route via de huurcommissie niet exclusief is; de kwestie kan ook rechtstreeks aan de kantonrechter worden voorgelegd.7

3.6

Heeft de huurcommissie uitspraak gedaan, dan worden partijen ingevolge art. 7:262 BW geacht te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden, een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht. De keuze van de wetgever voor de figuur van fictieve wilsovereenstemming houdt verband met art. 112 Grondwet, volgens welk artikel de berechting van geschillen over burgerlijke rechten is opgedragen aan de rechterlijke macht en dus niet aan een bestuursorgaan.8

3.7

Op enkele punten bestaat onduidelijkheid over wat (precies) geldt indien inderdaad een van partijen tijdig na de uitspraak van de huurcommissie een beslissing van de kantonrechter heeft gevorderd. Dat tegen de beslissing van de kantonrechter op grond van art. 7:262 lid 2 BW geen hogere voorziening mogelijk is, heeft in de hand gewerkt dat die onduidelijkheid tot op heden heeft kunnen voortduren.9

3.8

De vragen in deze prejudiciële procedure spitsen zich toe op de toelaatbaarheid van een vordering in reconventie buiten de termijn van acht weken.10 Ik trek de grenzen wat ruimer, niet alleen omdat die kwestie met andere samenhangt, maar ook omdat uw Raad mogelijk de gelegenheid zal willen benutten om ten overvloede ook enkele andere kwesties op te helderen.

3.9

In de eerste plaats is onzeker wat geldt indien aan de huurcommissie meerdere punten zijn voorgelegd. Moet art. 7:262 BW zo worden gelezen dat zodra huurder of verhuurder binnen de termijn van acht weken na verzending van de uitspraak van de huurcommissie een beslissing van de rechter heeft gevorderd omtrent ten minste één punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht, die uitspraak gehéél van de baan is, en dat het vervolgens aan de kantonrechter is om een nieuwe beslissing te nemen over alle punten zoals bij de huurcommissie aan de orde?11 Of is de bij de kantonrechter ingestelde vordering bepalend?12

3.10

In de tweede plaats – en hierop zien de voorliggende prejudiciële vragen vooral – is onduidelijk hoe de verhouding is tussen de termijn van acht weken van art. 7:262 lid 1 BW en de bevoegdheid van de wederpartij om een vordering in reconventie in te stellen. Geldt die termijn ook voor een vordering in reconventie?13 Of is het anders,14 al dan niet naar analogie van wat geldt in het geval van incidenteel hoger beroep?15

3.11

In verband met de twee zojuist aangeduide kwesties doet zich in de derde plaats de vraag voor of voorstelbaar is dat de beslissing van de huurcommissie kan (of moet) worden gesplitst (afhankelijk van de samenhang tussen de diverse door de huurcommissie besliste punten), en zo ja wat van een zodanige splitsbaarheid de consequenties zijn. In de literatuur wordt wel verdedigd dat de kantonrechter alleen een nieuwe beslissing dient te nemen over punten die samenhangen met het punt dat met de vordering aan hem wordt voorgelegd en over andere punten niet (wat betreft die andere punten is dan de veronderstelling dat de fictieve wilsovereenstemming zijn werk heeft gedaan, zodat die punten tussen partijen reeds uit de wereld zijn).16 Gaan we van splitsbaarheid uit, dan is daaraan eventueel ook de opvatting te verbinden dat een vordering in reconventie buiten de termijn van acht weken wél toelaatbaar is voor zover het een punt betreft dat samenhangt met het punt waarop de vordering ziet, maar níét met betrekking tot andere punten (vergelijk vraag 4 van de voorliggende prejudiciële vragen). Nemen we aan dat de beslissing van de huurcommissie splitsbaar is, dan is vervolgens nog de vraag welke maatstaf bepalend is voor de vraag of in een concreet geval inderdaad splitsing dient plaats te vinden.

3.12

Mij is gebleken dat in de kantonpraktijk zich nog een vierde kwestie voordoet. Een uitspraak van de huurcommissie levert zelf geen executoriale titel op. Bij een dergelijke titel kan echter een voor de hand liggend belang bestaan, bijvoorbeeld in het geval dat de huurcommissie bepaalt dat de redelijke huurprijs lager is dan de overeengekomen aanvangshuurprijs. De huurder zal dan immers gedurende enige tijd periodiek te veel huur hebben betaald. Uiteraard kan de huurder het te veel betaalde met nieuwe huurtermijnen verrekenen. In het bijzonder bij een beslissing van de huurcommissie met betrekking tot servicekosten kan het zich echter gemakkelijk voordoen dat de huurder aanspraak heeft op terugbetaling van een aanzienlijk bedrag aan te veel betaalde voorschotten.17 Wordt niet binnen de achtwekentermijn door een van partijen een vordering ingesteld met betrekking tot een punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht, dan worden partijen geacht te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is vastgesteld (art. 7:262 lid 1 BW). Komt de verhuurder vervolgens niet vrijwillig over de brug, dan zal de huurder bij de kantonrechter veroordeling van de verhuurder kunnen vorderen tot terugbetaling van hetgeen door hem onverschuldigd is voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente. Welnu, wordt wel binnen de achtwekentermijn door een van partijen een vordering ingesteld met betrekking tot een punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht, dan kan aan een dergelijke vordering tot terugbetaling van te veel betaalde huur of voorschotten uiteraard eveneens behoefte bestaan. Is het de huurder die de vordering als bedoeld in art. 7:262 BW heeft ingesteld, dan kan hij eenvoudig die vordering vermeerderen met een vordering tot terugbetaling en die vermeerdering van eis kan op grond van art. 130 Rv binnen de grenzen van een goede procesorde ook later dan bij inleidende dagvaarding plaatsvinden. Wat geldt echter indien het de verhuurder is die zich tot de kantonrechter wendt? Is dan een vordering van de huurder tot terugbetaling van te veel betaalde huur of servicekosten te behandelen als een vordering in reconventie, met als gevolg dat zij in verband met art. 137 Rv na antwoord niet meer mogelijk is, tenzij bij antwoord reeds een ándere vordering in reconventie werd ingesteld?18

3.13

De wetsgeschiedenis van art. 7:262 BW geeft niet op al deze vragen antwoord, maar intussen biedt zij ons wel enkele aanknopingspunten. De Nota naar aanleiding van het verslag houdt onder meer in:19

‘In de thans gekozen redactie gaat de binding aan de uitspraak van de huurcommissie onmiddellijk in, maar vervalt zij geheel wanneer tijdig een vordering als in artikel 262 bedoeld wordt ingesteld.’

3.14

Deze passage biedt steun aan de gedachte dat uitgangspunt moet zijn dat het instellen van een vordering in beginsel tot gevolg heeft dat de fictieve wilsovereenstemming over hetgeen door de huurcommissie is beslist, geheel komt te vervallen en dat dus de kantonrechter alle punten zoals bij de huurcommissie aan de orde, dient te beslissen. Mijns inziens past dit uitgangspunt bij de aard van de procedure en is het ook praktisch goed hanteerbaar.

3.15

De gang naar de huurcommissie moet bevorderen dat op laagdrempelige wijze tussen verhuurder en huurder recht wordt gedaan. Partijen zullen in de procedure bij de huurcommissie doorgaans geen deskundige bijstand genieten. Ook in de procedure bij de kantonrechter zal dit het gewone geval zijn. Welnu, zouden we van de opvatting uitgaan dat de ingestelde vordering (of eventueel vorderingen) voor de omvang van de rechtsstrijd bij de kantonrechter bepalend is (zijn), dan noodzaken we beide partijen om precies in beeld te hebben op welke punten de huurcommissie in hun nadeel heeft beslist en in de formele vorm van een vordering aan de kantonrechter te vragen die punten opnieuw te overwegen. (Nemen we aan dat dit ook wat betreft een vordering in reconventie binnen de achtwekentermijn moet plaatsvinden, dan is dit uiteraard éxtra bezwaarlijk.) Mijns inziens stellen we zo te hoge eisen aan de assertiviteit en het juridisch inzicht van de huurder respectievelijk van de verhuurder (die geen professionele verhuurder behoeft te zijn).

3.16

Het bedoelde uitgangspunt is ook praktisch goed hanteerbaar. De uitspraak van de huurcommissie ligt bij de kantonrechter op tafel en voor zover hij die juist acht, kan hij zich daarbij eenvoudig aansluiten. Ontdekt hij naar aanleiding van bijvoorbeeld een door de verhuurder ingestelde vordering echter dat de uitspraak van de huurcommissie een rekenfout of andere misslag in het nadeel van de huurder bevat, dan kan hij die zonder verdere subtiliteiten herstellen. Ik zeg: zonder verdere subtiliteiten. Bij auteurs20 die ervan uitgaan dat de vordering wél de grenzen van de rechtsstrijd bij de kantonrechter bepaalt, is de nuancering te vinden dat het voor de huurcommissie door de wederpartij gevoerde verweer wel ten volle door de kantonrechter in de beoordeling moet worden betrokken.21 Mogelijk valt die opvatting nog nader te nuanceren met elementen van de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep. Ik meen echter dat we die weg niet op moeten, omdat een dergelijk subtiel stelsel slecht past bij een procedure zonder verplichte rechtsbijstand.

3.17

De Nota naar aanleiding van het verslag22 houdt echter meer in dan hiervoor vermeld. Daar valt ook te lezen:

‘[Z]eer wel denkbaar [is] dat slechts op een enkel punt een nadere beslissing van de kantonrechter wordt verlangd. [D]an ligt het voor de hand dat de uitspraak van de huurcommissie voor het overige bindt vanaf het moment van die uitspraak, aangenomen dat die uitspraak aldus gesplitst kan worden.’

3.18

In deze passage wordt wel gelezen dat er gevallen zijn waarin het hiervoor bedoelde uitgangspunt dat het instellen van een vordering tot gevolg heeft dat de fictieve wilsovereenstemming over hetgeen door de huurcommissie is beslist, geheel komt te vervallen, toch niet geldt, omdat de uitspraak ziet op een of meer punten die onvoldoende verband houden met de punten zoals die met de vordering bij de kantonrechter aan de orde worden gesteld.23

3.19

Ik ga even ervan uit deze lezing juist is (hierna 3.21 e.v. trek ik dat alsnog in twijfel). Indien we niet met de ene hand willen nemen wat we met de andere hebben gegeven, behoren we deze uitzondering op het gekozen uitgangspunt – welk uitgangspunt past bij een procedure zonder verplichte rechtsbijstand en ook praktisch goed hanteerbaar is (hiervoor 3.15 en 3.16) – dan mijns inziens zo klein mogelijk te houden. Ik geef voor vier gevallen aan wat mij voor ogen staat.

1. Aan de huurcommissie is gevraagd om de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs te toetsen (art. 7:249 lid 1 BW en art. 11 UHW). Nadat de huurcommissie daarover uitspraak heeft gedaan, komt een van partijen (en de andere partij niet) daartegen tijdig met een vordering bij de kantonrechter op. Die vordering stelt uitsluitend aan de orde het aantal punten dat voor de keuken is toegekend.24 Bij de toepassing van het woningwaarderingsstelsel heeft de huurcommissie op andere punten ten nadele van de wederpartij beslist. Splitsing in een geval als dit zou mijns inziens geheel onjuist zijn. De redelijkheid van de overeengekomen huurprijs is bij de kantonrechter ten volle aan de orde.

2. Opnieuw: aan de huurcommissie is gevraagd om de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs te toetsen. Zoals hiervoor 3.4 vermeld, schrijft art. 12 UHW voor dit geval voor dat de huurcommissie zich mede uitspreekt over de vraag of gelet op gebreken ten aanzien van de woonruimte de redelijk geachte huurprijs in rekening kan worden gebracht en dat zij eventueel een tijdelijk lagere huurprijs bepaalt. Nadat de huurcommissie inderdaad over beide kwesties uitspraak heeft gedaan, wordt door een van partijen tijdig een van beide met een vordering bij de kantonrechter aan de orde gesteld. In het licht van de wettelijke koppeling tussen beide zou splitsing mijns inziens onjuist zijn. Zowel de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs als eventuele gebreken die tot een tijdelijke verlaging van de huurprijs dienen te leiden zijn bij de kantonrechter aan de orde.

3. Aan de huurcommissie is door de huurder zowel gevraagd uitspraak te doen over zijn betalingsverplichting met betrekking tot de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter (art. 7:260 BW) als over het voorschotbedrag voor die kosten (art. 7:261 lid 3 BW). Na de uitspraak van de huurcommissie over beide stelt een van partijen tijdig een vordering in met betrekking tot een van beide. Tussen beide kwesties bestaat echter ten minste énige samenhang. Splitsing is daarom niet op zijn plaats. Beide kwesties zijn in het geding bij de kantonrechter aan de orde.

4. Aan de huurcommissie is door de verhuurder gevraagd uitspraak te doen over verhoging van de huurprijs in verband met het plaatsen van een nieuwe badkamer en een nieuwe keuken (art. 7:255 BW). De huurder heeft bij de huurcommissie verzocht om toetsing van de door partijen overeengekomen energieprestatievergoeding (art. 7:261a BW). De huurcommissie heeft beide verzoeken tegelijk behandeld en in één uitspraak afgedaan. Als nu de verhuurder tijdig een vordering bij de kantonrechter instelt met betrekking tot de badkamer en/of keuken, ligt niet voor de hand om aan te nemen dat daarmee bij de kantonrechter ook de energieprestatievergoeding aan de orde is. Er bestaat tussen beide punten immers niet werkelijk enig verband. Anders wordt het indien de huurder met een vordering in reconventie alsnog zelf ook dat punt aan de orde stelt. (Of zo’n vordering in reconventie binnen de achtwekentermijn moet worden ingediend, bespreek ik hierna 3.25 e.v.)

3.20

Het zal duidelijk zijn dat dit niet meer dan voorbeelden zijn. Ik bedoel slechts om de juiste teneur aan te duiden: omdat er goede redenen bestaan voor het uitgangspunt dat het instellen van een vordering tot gevolg heeft dat de fictieve wilsovereenstemming over hetgeen door de huurcommissie is beslist, geheel komt te vervallen, behoren we een eventuele splitsing van de uitspraak van de huurcommissie te beperken tot gevallen waarin tussen door de huurcommissie besliste punten evident geen samenhang bestaat.

3.21

Intussen is de nuance van splitsbaarheid wel complicerend. Zij verstoort de eenvoud van het stelsel. Mijns inziens is nog een ándere lezing van de wetsgeschiedenis mogelijk, die de voorkeur verdient.

3.22

De aangehaalde passage van de Nota naar aanleiding van het verslag25 met betrekking tot een mogelijke splitsbaarheid van de uitspraak van de huurcommissie ziet niet – in ieder geval niet rechtstreeks – op de omvang van de rechtsstrijd bij de kantonrechter, maar op het moment waarop de binding van de uitspraak van de huurcommissie intreedt in het geval partijen zich bij die uitspraak neerleggen. Ik citeer de bedoelde plaats in de Nota naar aanleiding van het verslag nogmaals, maar nu in zijn verband:

‘In de thans gekozen redactie gaat de binding aan de uitspraak van de huurcommissie onmiddellijk in, maar vervalt zij geheel wanneer tijdig een vordering als in artikel 262 bedoeld wordt ingesteld. Dit verdient om verschillende redenen de voorkeur boven het stelsel van het huidige recht, waarin de binding pas intreedt wanneer de termijn waarbinnen partijen zich tot de rechter dienen te wenden, ongebruikt is verstreken.[26] In de eerste plaats suggereert de huidige redactie ten onrechte dat een door de huurcommissie vastgestelde huurverlaging of huurverhoging niet kan ingaan voordat twee maanden na de uitspraak zijn verstreken. Dat is niet juist, omdat de huurcommissie zelf de datum van ingang vaststelt aan de hand van het voorstel dat tot de uitspraak heeft geleid. In de tweede plaats dient de uitspraak van de huurcommissie, indien geen vordering wordt ingesteld, onmiddellijk te worden nagekomen en niet pas vanaf het tijdstip dat de termijn is verstreken. In de derde plaats is zeer wel denkbaar dat slechts op een enkel punt een nadere beslissing van de kantonrechter wordt verlangd. Ook dan ligt het voor de hand dat de uitspraak van de huurcommissie voor het overige bindt vanaf het moment van die uitspraak, aangenomen dat die uitspraak aldus gesplitst kan worden. Dit stelsel stemt ook overeen met wat partijen in het algemeen zullen verwachten. Legt men zich, zoals in de regel het geval is, bij de uitspraak van de huurcommissie neer, dan zal men zich ook terstond overeenkomstig die uitspraak gedragen. Er behoort dan niet achteraf discussie te ontstaan over de vraag of dit in de periode voor het verstrijken van de termijn wellicht onverplicht is gebeurd met alle complicaties van dien.’

3.23

Splitsbaarheid is in de voorstelling van de wetgever dus aan de orde in het geval dat partijen (klaarblijkelijk beide partijen) in een deel van de uitspraak van de huurcommissie hebben berust. Kan dit gedeelte van de overige inhoud van die uitspraak worden afgesplitst, dan treedt de binding van partijen aan de uitspraak van de huurcommissie in zoverre meteen in. Ervan uitgaande dat op de berusting ten processe een beroep wordt gedaan en de kantonrechter die berusting vaststelt, is daarvan de consequentie dat de kantonrechter in zoverre niet beslist; hij beslist slechts over alle punten waarvoor niet geldt dat partijen in de uitspraak van de huurcommissie hebben berust. Zo opgevat leidt het ontbreken van samenhang tussen diverse van de door de huurcommissie besliste punten niet tot splitsing. In de opvatting van de wetgever kan berusting door beide partijen ertoe leiden dat een deel van de uitspraak van de huurcommissie hen reeds bindt. In dát verband is de splitsbaarheid van die uitspraak aan de orde: alleen indien het gedeelte van de uitspraak waarin partijen hebben berust van de overige inhoud van die uitspraak kan worden afgesplitst, is het werkbaar om aan te nemen dat partijen in zoverre aan de uitspraak van de huurcommissie gebonden zijn.

3.24

Ik meen dat deze laatste opvatting van de wetsgeschiedenis het meest gelukkig is. Zij zadelt de zonder rechtsbijstand procederende verhuurder en huurder niet op met een subtiel onderscheid waarvan de consequenties door hen bezwaarlijk kunnen worden overzien. Dat de kantonrechter niet beslist over een punt waarbij partijen zich ondubbelzinnig neer hebben gelegd, en dat zij in zoverre aan de uitspraak van de huurcommissie gebonden zijn, dát zal ook voor de niet juridisch onderlegde procesdeelnemer wel alleszins begrijpelijk zijn.27

3.25

Ik kom nu toe aan de vraag of de achtwekentermijn van art. 7:262 BW ook voor een vordering in reconventie geldt.

3.26

Uit het voorgaande volgt dat die vraag van betrekkelijke betekenis is. Indien we inderdaad tot uitgangspunt nemen dat het instellen van een vordering tot gevolg heeft dat de fictieve wilsovereenstemming over hetgeen door de huurcommissie is beslist, geheel komt te vervallen, en dat de kantonrechter dus in beginsel over alles beslist wat bij de huurcommissie aan de orde was, dan is zo’n vordering in reconventie onnodig. Dit is slechts anders wanneer we op dat uitgangspunt een uitzondering zouden maken.28 De vraag of ook voor een vordering in reconventie de achtwekentermijn van art. 7:262 BW geldt, is dus alleen van werkelijke betekenis voor zover we aannemen dat er gevallen zijn waarin met betrekking tot de vraag waarover de kantonrechter dient te beslissen splitsing van de uitspraak van de huurcommissie aan de orde kan zijn. Zoals zojuist gezegd, die opvatting heeft niet mijn voorkeur. Intussen is de eventuele boodschap aan procespartijen zonder rechtsbijstand dat de vordering in reconventie niet-ontvankelijk is, maar dat de argumenten die onder die vordering liggen tóch aan de orde komen, wel erg subtiel – bij veel rechtzoekenden zal zij gemakkelijk het beeld van juridische haarkloverij kunnen oproepen. Als er goede argumenten zijn om op een vordering in reconventie de achtwekentermijn van art. 7:262 BW niet van toepassing te achten, dan is daarvan dus de nuttige bijvangst dat die subtiliteit niet meer nodig is.

3.27

Zulke goede argumenten zijn er inderdaad. Mijns inziens sluit een deel van de literatuur terecht aan bij de regel van art. 339 lid 3 Rv met betrekking tot hoger beroep.29 Die regel houdt in dat geïntimeerde ook na afloop van de appeltermijn incidenteel beroep kan instellen en zelfs ook nadat deze partij aanvankelijk in het vonnis had berust. Aan deze regel ligt zowel de billijkheid ten grondslag als het beginsel van gelijke processuele middelen voor partijen. Toegespitst op het geval van een voorafgaande berusting, heeft uw Raad dit in een arrest van 8 juni 2007 als volgt verwoord:30

‘Wanneer de uitspraak in de vorige instantie voor beide partijen gunstige en ongunstige beslissingen bevat, zal een partij die in de uitspraak heeft berust, ondanks de voor haar ongunstige beslissingen, dit veelal hebben gedaan om aan het geding een einde te maken in de verwachting dat haar wederpartij zou afzien van beroep tegen de voor haar nadelige beslissingen in de uitspraak. Gaat die wederpartij echter toch in beroep, waardoor de voor de eerstgenoemde partij gunstige beslissingen opnieuw ter discussie worden gesteld, dan vergt de billijkheid en het beginsel van gelijke processuele middelen voor partijen dat deze partij alsnog ook harerzijds de voor haar ongunstige beslissingen ter beoordeling aan de hogere rechter kan voorleggen door middel van het instellen van incidenteel beroep. Deze ratio geldt evenwel niet ingeval deze partij door berusting afstand van dat recht heeft gedaan nadat zij heeft kennisgenomen van het principale beroep en de omvang daarvan.’

3.28

Welnu de mogelijkheid om de fictieve wilsovereenstemming aan te tasten met een vordering bij de kantonrechter heeft veel weg van een hoger beroep: gebondenheid aan een uitspraak wordt door een procespartij voorkomen door de kwestie aan de orde te stellen bij een rechter die die uitspraak beoordeelt en eventueel met een beslissing in andere zin ter zijde stelt. Hiervan uitgaande vervult een vordering in reconventie waarmee door de wederpartij van eiser eveneens een beslissing van de rechter wordt gevorderd over een punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht, een rol die vergelijkbaar is met die van een incidenteel hoger beroep. De billijkheid en het beginsel van gelijke processuele middelen voor partijen brengen daarom mee dat voor een zodanige vordering in reconventie de achtwekentermijn van art. 7:262 lid 1 BW niet geldt, zoals ook een appeltermijn (en trouwens ook een cassatietermijn31) in het geval van incidenteel beroep niet geldt.

3.29

Uit de analogie met het geval van incidenteel beroep volgt tevens dat in ieder geval in dit verband niet van belang is of de uitspraak van de huurcommissie splitsbaar is of niet. Ook de regel dat een appeltermijn niet op een incidenteel beroep van toepassing is, geldt ongeacht of het vonnis waarvan beroep splitsbaar is.32

3.30

Aan de analogie met het geval van incidenteel beroep is ook te ontlenen wat de kantonrechter in het geval van een onnodige vordering in reconventie staat te doen. Ik doel op wat hiervoor 3.13 e.v. en 3.26 is gezegd, namelijk dat uitgangspunt is dat de gehele uitspraak van de huurcommissie vervalt en dat de kantonrechter daarom ook zonder een vordering in reconventie over alle punten die bij de huurcommissie aan de orde waren, beslist. Het is vaste rechtspraak dat een onnodig ingesteld incidenteel beroep niet met een niet-ontvankelijkverklaring en kostenveroordeling mag worden afgestraft.33 Hetzelfde dient dan te gelden in het geval van een onnodige vordering in reconventie waarbij een beslissing wordt gevorderd over een punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht, welk punt echter ook reeds naar aanleiding van de vordering in conventie aan de orde is.

3.31

Na het voorgaande staat nog één kwestie open: is de regel van art. 137 Rv (een vordering in reconventie moet bij antwoord worden ingesteld) ook van toepassing op de vordering van een huurder tot terugbetaling van te veel betaalde huur of voorschotten, als de verplichting tot ongedaanmaking volgt uit hetgeen bij de kantonrechter reeds aan de orde is, namelijk het punt (of de punten) waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht? Vergelijk hiervoor 3.12. Ik meen dat een andere analogie met het appelprocesrecht ons hier verder kan helpen.

3.32

Indien oorspronkelijk gedaagde in hoger beroep komt, heeft deze niet alleen belang bij vernietiging van het vonnis waarvan beroep, maar ook bij ongedaanmaking van hetgeen hij op grond van dat vonnis inmiddels heeft betaald. Een dergelijke vordering is zonder meer mogelijk, niettegenstaande de regel dat een vordering in reconventie niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld (art. 353 lid 1 Rv), en kan eventueel ook in een laat stadium van de procedure in appel worden ingesteld. Ik citeer een arrest van uw Raad uit 2005:34

‘3.4.1 De onderdelen 3, 4 en 5 richten zich tegen de toewijzing door het hof van de vordering van NOB tot ongedaanmaking van de gevolgen van het vonnis van 17 juli 2003. Onderdeel 3 klaagt dat het hof heeft miskend dat aan de zijde van NOB geen sprake is van een vermeerdering van eis, nu NOB in eerste aanleg geen reconventionele vordering heeft ingesteld en de enkele vordering in hoger beroep inhoudende dat het in eerste aanleg gewezen vonnis vernietigd dient te worden, niet kan worden gezien als een zodanige “eis” waaraan de vordering tot ongedaanmaking bij wijze van “vermeerdering” in hoger beroep kan worden verbonden. Onderdeel 4 houdt in dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te beslissen op grond van een feitelijke omstandigheid – waarmee het onderdeel blijkens de schriftelijke toelichting ziet op het vonnis van de bodemrechter – die NOB niet aan haar hoger beroep ten grondslag heeft gelegd. Onderdeel 5 betoogt dat weliswaar aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie kan worden verbonden, doch dat zulks dan in verband met de eisen van een goede procesorde dient te geschieden in de appeldagvaarding, althans in de conclusie van eis in hoger beroep/memorie van grieven.

3.4.2

Bij de beoordeling van deze onderdelen wordt het volgende vooropgesteld. Indien in hoger beroep het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd, ontvalt de rechtsgrond aan hetgeen reeds ter uitvoering van dat vonnis is verricht en ontstaat op de voet van art. 6:203 BW een vordering tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie. Het strookt met de eisen van een goede rechtspleging de mogelijkheid aan te nemen dat in hoger beroep met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie wordt verbonden (HR 30 januari 2004, nr. C02/218, NJ 2005, 246). Onderdeel 3, dat zulks miskent, faalt derhalve.

Het hof heeft bij de beantwoording van de vraag of de door NOB eerst ter gelegenheid van het pleidooi ingediende vordering tot ongedaanmaking toelaatbaar was, overwogen (in rov. 4.11) dat de gevraagde “eisvermeerdering” niet in strijd is met de goede procesorde. Dit oordeel geeft, in aanmerking genomen dat Wenckebach de gelegenheid heeft gehad – en benut – om zich over de ongedaanmakingsvordering uit te laten, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook niet onbegrijpelijk is. Onderdeel 5 is dus tevergeefs voorgesteld.

Onderdeel 4, dat berust op hetzelfde uitgangspunt als de onderdelen 1 en 2, deelt het lot van die onderdelen.’

3.33

De context van een vordering tot ongedaanmaking in geval van hoger beroep en die van een vordering tot ongedaanmaking in een procedure op grond van art. 7:262 lid 1 BW is uiteraard verschillend. De uitspraak van de rechter in eerste aanleg levert een executoriale titel op en die van de huurcommissie juist niet; de huurder heeft ‘vrijwillig’ te veel huur of een te hoog voorschot betaald. Naast verschillen zijn er ook overeenkomsten. Twee overeenkomsten zijn mijns inziens wezenlijk.

3.34

De vordering tot ongedaanmaking introduceert in de beide hiervoor bedoelde gevallen geen nieuw geschilpunt, maar betreft een consequentie van een reeds door de rechter te beslissen geschilpunt. De appelrechter moet reeds beslissen over de vraag of het vonnis waarvan beroep behoort te worden vernietigd. Het antwoord op die vraag is tegelijk bepalend voor de vraag of hetgeen op grond van dat vonnis is verricht, ongedaan behoort te worden gemaakt.35 Zo ook dient de kantonrechter reeds te beslissen over bijvoorbeeld de hoogte van de huurprijs of van de servicekosten en is die beslissing bepalend voor het lot van een vordering tot ongedaanmaking van te veel betaalde huur of voorschotten.

3.35

De regel dat de oorspronkelijk gedaagde in hoger beroep ongedaanmaking kan vorderen van wat hij op grond van het vonnis waarvan beroep heeft verricht, bevordert de gelijkheid van processuele middelen voor partijen: de oorspronkelijk eiser kan in hoger beroep zijn eis eenvoudig vermeerderen, dus ook met een vordering tot ongedaanmaking (denk aan het geval dat hij bij het vonnis waarvan beroep in de proceskosten is veroordeeld);36 dankzij de door uw Raad aanvaarde leer kan ook oorspronkelijk gedaagde zo’n vordering tot ongedaanmaking instellen. Welnu, ik meen dat met de regel dat met het instellen van een vordering over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht in de zin van art. 7:262 BW de uitspraak van de huurcommissie in beginsel als geheel vervalt, door de wetgever eveneens een gelijke behandeling van partijen is beoogd (zonder dat die gelijke behandeling met een vordering in reconventie behoeft te worden afgedwongen). In het verlengde van die beoogde gelijke behandeling van huurder en verhuurder in een procedure op grond van art. 7:262 BW, strookt het met de eisen van een goede rechtspleging om aan te nemen dat zoals de eiser in die procedure in een later stadium zijn eis met een vordering tot terugbetaling van te veel betaalde huur of voorschotten kan vermeerderen, ook gedaagde zo’n vordering in een later stadium alsnog kan instellen.37 Die vordering is te beschouwen als een ‘sequeel’38 van wat reeds ter beoordeling van de kantonrechter stáát, namelijk het punt (de punten) waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht, en niet als een vordering in reconventie.

4 Beantwoording van de prejudiciële vragen

4.1

De eerste prejudiciële vraag luidt als volgt:

‘1. brengt het huurrechtelijk systeem en/of analoge toepassing van artikel 339 lid 3 Rv mee dat als (in conventie) tijdig tegen een uitspraak van de huurcommissie is opgekomen als bedoeld in artikel 7:262 BW, daarmee die gehele uitspraak is komen te vervallen en dat de wederpartij in alle gevallen (dus onafhankelijk van het door de huurcommissie besliste punt waartegen in conventie is opgekomen) ook na de termijn van acht weken ter zake van die uitspraak een vordering in reconventie kan instellen?’

4.2

Juist is dat de wederpartij in alle gevallen en onafhankelijk van het door de huurcommissie besliste punt waartegen in conventie is opgekomen, ook na de termijn van acht weken ter zake van die uitspraak een vordering in reconventie kan instellen. De billijkheid en het beginsel van gelijke processuele middelen brengen dit mee, inderdaad naar analogie van onder meer art. 339 lid 3 Rv (hiervoor 3.27 e.v.). Juist is ook dat als (in conventie) tijdig tegen een uitspraak van de huurcommissie is opgekomen als bedoeld in art. 7:262 BW, daarmee die gehele uitspraak is komen te vervallen (hiervoor 3.13 e.v.). Dit brengt mee dat hoezeer ook een vordering in reconventie toelaatbaar is, zij niet nodig is (hiervoor 3.26). Dit is slechts anders voor zover we aannemen dat met betrekking tot de vraag waarover de kantonrechter dient te beslissen splitsing van de uitspraak van de huurcommissie aan de orde kan zijn, ook afgezien van het in de wetsgeschiedenis aan de orde zijnde geval van berusting door beide partijen (hiervoor 3.17 e.v.). Die opvatting verdient echter niet de voorkeur (hiervoor 3.21 e.v.).

4.3

De tweede prejudiciële vraag luidt:

‘2. indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord: kan uit het arrest Streutker/Sellmeijer worden afgeleid dat als (in conventie) tijdig tegen een uitspraak van de huurcommissie is opgekomen, in alle gevallen (dus onafhankelijk van het door de huurcommissie besliste punt waartegen in conventie is opgekomen) door de wederpartij ook na de termijn van acht weken in reconventie een vordering ter zake van die uitspraak kan worden ingesteld?’

4.4

Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede geen bespreking. Ten overvloede: uit het arrest Streutker/Sellmeijer39 kan niet worden afgeleid dat het voor de wederpartij in alle gevallen mogelijk is na de termijn van acht weken een vordering in reconventie in te stellen. In die zaak was in hoger beroep geoordeeld dat het reconventionele verzoek van de wederpartij ontvankelijk was. Omdat dit oordeel in cassatie niet werd bestreden (althans daarvan blijkt mij niet), diende de Hoge Raad hiervan uit te gaan in verband met het middelenstelsel in cassatie.40

4.5

De derde prejudiciële vraag luidt:

‘3. indien de vragen sub 1 en 2 ontkennend worden beantwoord: geldt – onder meer op grond van hetgeen de minister in Kamerstukken II 1999/00, 26089, 6, p 47 heeft aangegeven – dat als een uitspraak van de huurcommissie “splitsbaar” is, de eiser in reconventie na de termijn van acht weken geen vordering meer kan instellen die ziet op een ander (beslis)punt dan waartegen in conventie is opgekomen?’

4.6

Ook aan de beantwoording van deze vraag kom ik niet toe. Splitsbaarheid speelt in ieder geval geen rol bij de vraag of een vordering in reconventie buiten de termijn van art. 7:262 lid 1 BW toelaatbaar is (hiervoor 3.29).

4.7

De vierde prejudiciële vraag luidt:

‘4. indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: geldt dit dan in het bijzonder voor uitspraken van de huurcommissie over servicekosten waarbij verschillende posten aan de orde komen of moet dan worden gedacht aan alle gevallen waarin de uitspraak van de huurcommissie ‘splitsbaar’ is, waaronder het onderhavige geval waarin de huurcommissie niet alleen heeft geoordeeld over de aanvangshuur maar ook over vermindering van de huurprijs in verband met gebreken?’

4.8

Gelet op het voorgaande kom ik ook aan deze vraag niet toe.

4.9

De vijfde prejudiciële vraag luidt:

‘5. indien de vragen sub 1, 2 en 3 ontkennend worden beantwoord: bestaat er een andere algemene regel, en zo ja welke, voor de ontvankelijkheid van vorderingen in reconventie in “huurcommissiezaken” na de termijn van acht weken?’

4.10

Gelet op het voorgaande kom ik ook aan deze vraag niet toe.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot beantwoording van de aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vragen in de hiervoor vermelde zin.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vergelijk het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 4 augustus 2020 onder 2.1 tot en met 2.5, gepubliceerd onder ECLI:NL:RBNNE:2020:2779.

2 Zaaknummer 28884.

3 Op 15 februari 2018 (de datum van het aangaan van de overeenkomst) bedroeg de liberalisatiegrens € 710,68. Per 1 januari 2020 bedraagt de liberalisatiegrens € 737,14 (art. 3 lid 2 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (UHW) in verbinding met art. 2 Besluit huurprijzen woonruimte (BHW) en art. 13 lid 1 onderdeel a Wet op de huurtoeslag (Wht).

4 Zie art. 7:247 BW.

5 In het geval van een tijdelijke huur van twee jaar of korter als bedoeld in art. 7:271 lid 1 BW kan tot uiterlijk zes maanden na afloop van de huurovereenkomst een verzoek bij de huurcommissie worden ingediend (art. 7:249 lid 2 BW).

6 Vergelijk T.J. de Groot (voorheen A.S. Rueb), GS Huurrecht, art. 7:262 BW, aant. 2.5.

7 Zie T.J. de Groot (voorheen A.S. Rueb), GS Huurrecht, art. 7:262 BW, aant. 2.2 en 2.3.

8 Kamerstukken II 1999-2000, 26089, nr. 6, p. 47.

9 Onder het oude recht was de situatie gedeeltelijk anders. Ook art. 28 lid 3 Huurprijzenwet woonruimte (oud) bevatte een rechtsmiddelenverbod, maar dit gold slechts voor beschikkingen tot vaststelling van de huurprijs als bedoeld in art. 27 van die wet. Zie HR 5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2870, NJ 1999/645 m.nt. P.A. Stein. Het rechtsmiddelenverbod van art. 7:262 lid 2 BW ziet op alle uitspraken van de huurcommissie op een verzoek van de huurder of verhuurder als bedoeld in art. 7:246-261a BW.

10 Vergelijk het verwijzingsvonnis, dat in rechtsoverwegingen 7.5 tot en met 7.15 een min of meer compleet overzicht bevat van de opvattingen in de literatuur.

11 In die zin: Y.A.M. Jacobs, T&C Burgerlijk Wetboek en T&C Huurrecht, art. 7:262 BW, aant. 3; Th. Gardenbroek, Procesperikelen bij art. 7:262 BW, WR 2015/22.

12 In die zin Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/240.

13 In die zin Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/240. Zie wat betreft de rechtspraak: Rb. Rotterdam 20 juli 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:8664; Ktg. Breda 8 juli 1988, WR 1988/99; Ktg. Amsterdam 29 april 1986, WR 1986/71; Ktg. Roermond 5 november 1985, WR 1986/70; Ktg. Amsterdam 4 februari 1985, ECLI:NL:KTGAMS:1985:AI7419, Prg. 1985/2269.

14 In die zin Y.A.M. Jacobs, T&C Burgerlijk Wetboek en T&C Huurrecht, art. 7:262 BW, aant. 2.

15 In die zin: T.J. de Groot (voorheen A.S. Rueb), GS Huurrecht, art. 7:262 BW, aant. 2.11; F. van der Hoek, noot onder Ktg. Amsterdam 29 april 1986, WR 1986/71. Zie wat betreft de rechtspraak: Rb. Amsterdam 19 februari 1992, ECLI:NL:RBAMS:1992:AK0431, WR 1992/17; Rb. Amsterdam 19 februari 1992, ECLI:NL:RBAMS:1992:AK0460, WR 1992/49; Ktg. Den Haag, 10 november 1988, ECLI:NL:KTGSGR:1988:AK0145, WR 1989/18, Ktg. Amsterdam 22 maart 1991, ECLI:NL:KTGAMS:1991:AK0390, WR 1991/79.

16 Zie opnieuw Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/240 met een beroep op de parlementaire stukken, hierna aan te halen. Anders Th. Gardenbroek, Procesperikelen bij art. 7:262 BW, WR 2015/22, die de opvatting dat er gevallen zijn waarin de uitspraak van de huurcommissie moet worden gesplitst, categorisch verwerpt als ‘onjuist en onwenselijk’.

17 Dit zal te maken hebben met de ruime termijn zoals die geldt voor een verzoek aan de huurcommissie om een uitspraak met betrekking tot servicekosten te doen. Een dergelijk verzoek kan volgens art. 7:260 lid 2 BW nog tot 24 maanden worden gedaan nadat de in art. 7:259 lid 2 BW bedoelde termijn voor het verstrekken van een overzicht van de servicekosten door de verhuurder is verstreken, welke termijn eindigt zes maanden na het verstrijken van een kalenderjaar. De uitspraak van de huurcommissie kan dus zien op servicekosten die bij wijze van voorschot tot meer dan drie jaar eerder door de huurder aan de verhuurder zijn voldaan.

18 In laatstbedoeld geval is immers art. 130 Rv weer de norm: ook voor een vordering in reconventie geldt dat zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, eiser in beginsel bevoegd is om zijn eis te vermeerderen.

19 Kamerstukken II 1999/00, 26089, nr. 6, p. 47.

20 Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/240.

21 Rossel en Heisterkamp zeggen het t.a.p. eigenlijk net iets anders. Zij zeggen dat het door de wederpartij voor de huurcommissie gevoerde verweer ook voor de rechter in volle omvang kan worden gevoerd. Ik betwijfel of dat doordacht is. Dat zou betekenen dat als de wederpartij niet verschijnt of wel verschijnt maar niet duidelijk maakt haar verweer te handhaven, de rechter met dat verweer niets zou mogen doen. Daarmee zou de positie van de wederpartij ongunstiger zijn dan die van geïntimeerde in hoger beroep.

22 T.a.p.

23 Zie voetnoot 16.

24 Vergelijk bijlage I van het BHW.

25 T.a.p.

26 Vergelijk art. 17 lid 8 Huurprijzenwet woonruimte (oud) met betrekking tot toetsing van de aanvangshuurprijs: ‘Indien geen der partijen binnen twee maanden na verzending van het in het zevende lid bedoelde afschrift [van de uitspraak van de huurcommissie] tot de kantonrechter een met redenen omkleed schriftelijk verzoek richt om de huurprijs vast te stellen, worden partijen geacht ten aanzien van de huurprijs te zijn overeengekomen als door de huurcommissie in haar uitspraak is vermeld.’ Met betrekking tot andere typen verzoeken was hetzelfde stelsel neergelegd in art. 11a lid 6, art. 13 lid 3, art. 18 lid 9 en art. 25 lid 7 van dezelfde wet.

27 Ik merk nog op dat een partij niet gebonden is aan een berusting die aan een vordering van de wederpartij als bedoeld in art. 7:262 BW voorafging. Omdat de wederpartij zich niet bij de uitspraak van de huurcommissie blijkt neer te leggen, brengt de gelijkheid van processuele middelen voor partijen mee dat de aanvankelijke berusting aan de eerstbedoelde partij niet langer mag worden tegengeworpen. Vergelijk hierna 3.27 voor een analogie met wat in hoger beroep geldt. De bijzonderheden van het stelsel van art. 7:262 BW brengen mee dat ook niet een vordering in reconventie nodig is om zich aan zo’n aanvankelijke berusting te onttrekken.

28 Vergelijk Th. Gardenbroek, Procesperikelen bij art. 7:262 BW, WR 2015/22.

29 Art. 339 lid 3 Rv ziet op vorderingszaken; vergelijk voor verzoekzaken art. 358 lid 5 Rv.

30 HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6096, NJ 2008/142 m.nt. H.J. Snijders. Vergelijk Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, 2018/206.

31 Art. 410 lid 2 Rv (vorderingszaken) en art. 427 lid 1 Rv (verzoekzaken).

32 HR 19 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5351, NJ 1976/574 m.nt. W.H. Heemskerk; HR 30 juni 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6324, NJ 1978/693 m.nt. W.H. Heemskerk; HR 27 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8149, NJ 1991/121 m.nt. H.J. Snijders.

33 HR 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1506, NJ 1989/30 m.nt. J.B.M. Vranken; HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289; HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9966, NJ 2012/319; HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233, RvdW 2015/282.

34 HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4039, NJ 2007/140 m.nt. H.J. Snijders (W./NOB). Vergelijk H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel (Serie Burgerlijk Proces & Praktijk deel 2), Deventer: Kluwer 2009, nr. 136. De leer van het arrest van 2005 heeft oude papieren, vergelijk de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2004:AN7327) vóór HR 30 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AN7327, NJ 2005/246 m.nt. H.J. Snijders, die verwijst naar HR 20 maart 1913, ECLI:NL:HR:1913:191, NJ 1913, 636 (V./Mijnbouw Maatschappij).

35 Bij uitzondering zal tussen partijen in geschil zijn of inderdaad ter uitvoering van het vonnis is betaald, of bijvoorbeeld over de ingangsdatum van verschuldigde wettelijke rente. Voor dat geval wordt geen uitzondering gemaakt. Zo nodig kan een aktewisseling nodig zijn opdat over een dergelijk geschilpunt kan worden beslist.

36 Zij het ook dat thans in verband met de zogenaamde tweeconclusieregel niet vanzelfsprekend is dat hij dit ook na de memorie van grieven nog kan.

37 In beide gevallen dient de rechter uiteraard erop toe te zien dat de wederpartij voldoende gelegenheid heeft om zich over de vordering tot ongedaanmaking uit te laten.

38 Conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2004:AN7327) vóór HR 30 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AN7327, NJ 2005/246 m.nt. H.J. Snijders, onder 2.9.

39 HR 8 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0817, NJ 1993/653 m.nt. H.E. Ras onder NJ 1993/655.

40 De verwijzingsrechter heeft dit ook zelf onderkend. Zie rechtsoverweging 7.8 van het tussenvonnis van 4 augustus 2020.