Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:755

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
18/04784
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2018:5442
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1624
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Middelen klagen o.m. over motivering van oordeel hof dat in woning van verdachte aangetroffen busjes pepperspray bevatten, dat hof voor de bewezenverklaring van gewoontewitwassen gebruik heeft gemaakt van een kasopstelling, dat hof het nemo tenetur-beginsel heeft geschonden door aan bewezenverklaring van valsheid in geschrift ten grondslag te leggen dat de verdachte ten onrechte geen melding heeft gemaakt van criminele inkomsten en van het witwassen van gelden en dat art. 227b Sr zich tot art. 225 Sr verhoudt als bijzondere strafbepaling in de zin van art. 55 lid 2 Sr. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en afdoening door HR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04784

Zitting 31 augustus 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 26 oktober 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd”, 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 5. en 8. telkens “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, 6. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en 9. “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen goederen, zoals nader in het arrest omschreven.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld.

Eerste middel

3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat het zes busjes pepperspray betreft die zijn bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, onvoldoende met redenen is omkleed en de verwerping van een door de verdediging gevoerd verweer strekkende tot vrijspraak ontoereikend is gemotiveerd en dat als gevolg hiervan ook de bewezenverklaringen van de feiten 5 en 8 onvoldoende met redenen zijn omkleed nu de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 mede tot het bewijs van die feiten zijn gebezigd.

4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 16 december 2011 te [plaats] 6 busjes pepperspray (merk ProTect en/of Life Guard KKS), zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad”.

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Het proces-verbaal terechtzitting van het gerechtshof d.d. 12 oktober 2018, inhoudende als verklaring van de verdachte:

(p. 2)

De ten laste gelegde busjes pepperspray heb ik op 16 december 2011 te [plaats] voorhanden gehad.

2.

Het ambtsedig proces-verbaal doorzoeking woning d.d. 16 december 2011 (pagina’s 30 tot en met 32 van het politiedossier A), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 16 december 201 1 werd op het adres [a-straat 1] in [plaats] een zoeking gedaan op grond van de Wet wapens en munitie.

Op het adres [a-straat 1] in [plaats] staan ingeschreven:

[verdachte] , […]

[betrokkene 1] , […]

en drie kinderen.

In de woning werden de volgende goederen aangetroffen en in beslaggenomen:

- Op een fotolijst in de hal, naast de voordeur, lag bovenop een busje pepperspray.

- Bovenop de kledingkast in de slaapkamer van de bewoners [verdachte] en [betrokkene 1] lagen in een doos twee busjes pepperspray, merk (het hof begrijpt mede in combinatie gezien met de foto op p. 57) Pro tect.

- In de kast stond een handtas, met hierin twee bussen pepperspray, merk (het hof begrijpt mede in combinatie gezien met de foto op p. 57) Pro tect.

- In de slaapkamer van zoon [betrokkene 2] een busje pepperspray, merk Life-Guard.

3.

Het ambtsedig proces-verbaal onderzoek met betrekking tot de Wet wapens en munitie d.d. 23 januari 2012 (pagina’s 54 tot en met 63 van het politiedossier A), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

(pagina 54)

Mij werd als materiedeskundige werkzaam bij het Regionaal Bureau Wapens en Munitie een onderzoek ingesteld naar diversen voorwerpen met betrekking tot de Wet wapens en munitie. De wapens waren op 16 december 2011 aangetroffen en in beslaggenomen in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] .

In het onderzoek werd als verdachte aangemerkt:

[verdachte] ,

geboren […].

(pagina 57)

3. omschrijving goednummer 196665 en 196640

De voorwerpen betreffen vier spuitbusjes, met onder andere als opschrift: ProTect, Pfeffer-Spray, “enthalt 3% Reizstoff Capsicum”.

Door mij werd met de busjes geschud waarbij mij bleek dat het busje (het hof begrijpt: de busjes) kennelijk deels gevuld was (hof: waren).

De voornoemde peppersprays werden aangetroffen in de slaapkamer van verdachte [verdachte] .

Gezien het bovenstaande en het feit dat de werkzame stof in zogenaamde pepperspray “Oleoresin Capsicum” betreft, kan worden gesteld dat genoemd busje vermoedelijk een voorwerp is, bestemd voor het treffen van personen met pepperspray, zijnde een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof.

Het genoemde voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6 van de Wet Wapens en Munitie.

(pagina 58)

4. omschrijving goednummer 196657 en 196655

De voorwerpen betreffen twee spuitbusjes. Op de verpakking staat onder meer vermeld Life-Guard KKS, Pfeffer-spray. Op de busjes stond onder andere vermeld Inhalt: 10% Oleoresin Capsicum.

Door mij werd met de busjes geschud waarbij mij bleek dat het busje (het hof begrijpt: de busjes) kennelijk deels gevuld was (hof: waren).

De voornoemde peppersprays werden aangetroffen: één in de slaapkamer van [betrokkene 2] en één in de hal bij de voordeur.

Gezien het bovenstaande en het feit dat de werkzame stof in zogenaamde pepperspray “Oleoresin Capsicum” betreft, kan worden gesteld dat genoemd busje vermoedelijk een voorwerp is, bestemd voor het treffen van personen met pepperspray, zijnde een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof.

Het genoemde voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6 van de Wet Wapens en Munitie.

4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 14 augustus 2014, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

(p. 3)

Ik had wel busjes pepperspray. Ik had ze uit zelfbescherming omdat er in het verleden iets is gebeurd.

5.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 december 2011 (pagina’s 71 tot en met 76 van het politiedossier A), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 1] :

(pagina 75)

De pepperspray heb ik van mijn man gekregen zodat ik mijn kinderen kan beschermen.”

6. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2018 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:1

“Vanwege F2 (aanwezigheid 7 x CS-gas) het volgende. De vorige advocaat zei het ook al: behalve de verpakking met daarop de tekst 'pfefferspray' of 'oleoresin capsicum' bevat het dossier geen andere aanwijzing(en) dat het daadwerkelijk om CS-gas gaat.

Het Amsterdamse hof overwoog in een soortgelijke kwestie:

De omstandigheid dat op het onder de verdachte aangetroffen busje het woord “peppergas" is geprint en dat het busje dient ter zelfbescherming, vormt naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs voor de conclusie dat zich in het busje metterdaad pepperspray bevond. Het hof constateert dat niet is gebleken dat onderzoek is gedaan naar de inhoud van het busje. Gelet op het vorengaande is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Op zich een heel logische conclusie.

“ Om maar eens een parallel te trekken met de twee in het dossier aangetroffen revolvers. Daar wordt ook een onderzoek aan verricht dieper dan de oppervlakte, zo wordt onder andere gekeken of het wapen geschikt is om projectielen door de loop af te schieten en inderdaad bleek dit -na onderzoek!- niet mogelijk bij de revolver ME type 220 kaliber .22 lang knal. Zo zag de politie dat er in de loop een gedeelte van een zogenaamde sper geplaatst was, het ronsel niet meer kon worden geopend, een schroefdraad in de monding van de loop, een slechte uiterlijke staat, het niet functioneren en het ontbreken van de hamer en de slagpin (pag. 56).

Voorts in onderhavig geval nog van belang:

- Er wordt nergens gerelateerd welke (combinatie(s)) van stoffen een ‘giftige, verstikkende, weerloosmakende en traanverwekkende' uitwerking hebben en of de stoffen die op het etiket staan een dergelijk potentieel in zich dragen;

- Het bruine busje als afgebeeld op pag. 57 had een houdbaarheidsdatum tot 31-12-2010, het busje op pag. 59 een houdbaarheidsdatum tot 32(sic!)-12-2006. Dus 2 busjes van de 7 waren over datum, op grond waarvan sowieso niet bewezen kan worden dat deze flesjes een potentieel hebben als vorenomschreven.

- Op pag. 57, 58 en 59 wordt (in diverse taalkundige varianten) gesproken over 'een busje, vermoedelijk een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met peperspray .

- Op internet blijkt een levendige markt voor nep-pepperspray:

[…]

Mitsdien: vrijspraak voor F2.”

7. Het bestreden arrest bevat, na verbetering daarvan in de aanvulling op het verkorte arrest, de volgende bewijsoverwegingen:

“De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet is vastgesteld dat de bij verdachte aangetroffen busjes daadwerkelijk pepperspray bevatten. Bovendien was van twee busjes de houdbaarheidsdatum verstreken op het moment dat deze door de politie werden aangetroffen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het politiedossier met registratienummer PL1950-2011087811 bevindt zich op p. 54 e.v. een proces-verbaal ‘onderzoek voorwerp met betrekking tot de Wet Wapens en Munitie’ van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie dat is opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , materiedeskundige.

[…]

Van de overige zes aangetroffen busjes is in het proces-verbaal gerelateerd dat:

- op elk busje (in het Duits) was vermeld dat er pepperspray/(Oleoresin) Capsicum inzat;

- elk busje in ieder geval deels was gevuld;

- pepperspray een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof betreft;

- elk busje dient te worden aangemerkt als een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6 van de Wet Wapens en Munitie.

Uit de verklaringen over de aangetroffen pepperspray van verdachte (‘Ik had wel busjes pepperspray (...) Ik had ze uit zelfbescherming omdat er in het verleden iets is gebeurd’; proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg op 14 augustus 2014, p. 3) en de vrouw van verdachte (‘Die [pepperspray] heb ik van mijn man gekregen. Zodat ik mijn kinderen kan beschermen’; p. 75 van genoemd politiedossier), leidt het hof af dat verdachte en zijn vrouw er van uitgingen dat de busjes daadwerkelijk werkzame pepperspray bevatten.

Dat op één van de zes busjes als houdbaarheidsdatum stond vermeld 31-12-2010 maakt niet dat ten tijde van het aantreffen van dat busje op 16 december 2011 niet meer sprake was van pepperspray met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende werking.

Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen zoals hiervoor onder Bewezenverklaring vermeld.”

8. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het geen vaststaand gegeven is dat de opdruk van etiketten op producten conform de waarheid betreffende de inhoud van het product is en dat niet is gebleken dat nader onderzoek is gedaan naar de inhoud van de busjes, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Het middel stelt aldus naar de kern bezien de vraag aan de orde of gekomen kan worden tot de bewezenverklaring dat een voorwerp bestemd is voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen indien geen onderzoek is gedaan naar de inhoud van dat voorwerp. Verder wordt geklaagd dat de overweging van het hof, dat de omstandigheid dat de uiterste houdbaarheid van de inhoud van één van de busjes met ongeveer één jaar is overschreden niet afdoet aan de vaststelling dat nog steeds sprake is van de bewezenverklaarde giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen onbegrijpelijk is, omdat – indien moet worden uit moet worden gegaan van de omschrijving op het etiket – ook zal moeten worden aangenomen dat geen sprake meer is van een dergelijke stof en niet kan worden gesteld dat de stof alsnog 'gebruiksklaar' zal kunnen worden gemaakt.

9. Art. 2, eerste lid, WWM luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

[…]

Categorie II

[…]

6°.voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen en van vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof;

[…]”

10. Sackers merkt over deze categorie wapens op dat de giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende stoffen bijna altijd in een busje zitten en dat dit een probleem kan opleveren indien de verdachte ontkent met de inhoud van het busje bekend te zijn geweest. Volgens Sackers is dan niet onbelangrijk dat uit de bewijsmiddelen zekerheid over de inhoud van dat busje moet blijken, zoals uit de tekst op een etiket. Ontbreekt een etiket of moet in redelijkheid worden getwijfeld of het etiket betrekking heeft op de inhoud, dan kan niet zonder meer blijken dat het omhulsel een voorwerp is dat een stof bevat die voldoet aan de in de wet vereiste bestemming, aldus Sackers.2

11. Voor zover het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof bij het vaststellen dat de inhoud van de voorwerpen bestemd is voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weeloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen uitsluitend is afgegaan op de vermelding op de etiketten op die voorwerpen, mist het feitelijke grondslag. In deze zaak heeft het hof immers vastgesteld dat op elk van de zes busjes was vermeld dat er pepperspray/(oleoresin) capsicum in zat, dat de werkzame stof in pepperspray “Oleoresin Capsicum” betreft, dat pepperspray een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof betreft, dat elk van de busjes in ieder geval deels was gevuld, dat de verdachte heeft verklaard dat hij busjes pepperspray had uit zelfbescherming en dat de vrouw van de verdachte heeft verklaard dat zij de pepperspray van haar man, de verdachte, heeft gekregen zodat zij haar kinderen kon beschermen.

12. Verder geldt dat de enkele omstandigheid dat de verdediging betwist dat een voorwerp is bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen nog niet betekent dat voor de vaststelling dat het voorwerp een dergelijke bestemming heeft, zonder meer is vereist dat de inhoud van het voorwerp is onderzocht. In dat opzicht dringt een vergelijking met Opiumwetzaken zich op. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad komt immers naar voren dat het bewijs dat een stof een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I of II betreft niet slechts kan bestaan uit een test van de betreffende stof, maar ook kan bestaan uit bijvoorbeeld verklaringen van de verdachte of getuigen of andere redengevende feiten en omstandigheden.3 Voor de vaststelling dat sprake is van een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen is dat naar mijn mening niet anders. Ook die vaststelling kan niet alleen berusten op een onderzoek van de inhoud van het voorwerp, maar ook op andere redengevende feiten en omstandigheden.

13. In het licht van het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat de zes busjes pepperspray bevatten en de busjes aldus zijn bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.

14. Verder heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheid dat op één van de zes busjes als houdbaarheidsdatum stond vermeld 31 december 2010 niet maakt dat ten tijde van het aantreffen van dat busje op 16 december 2011 niet meer sprake was van pepperspray met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende werking. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat de omstandigheid dat de houdbaarheidsdatum was verstreken er niet aan afdoet dat het betreffende busje pepperspray naar zijn aard bestemd was voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat door het enkele verstrijken van de houdbaarheidsdatum de bestemming van het busje niet wijzigt.

15. Daarmee concludeer ik dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat het zes busjes pepperspray betreft die zijn bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, voldoende met redenen is omkleed. Dit heeft als bijkomend gevolg dat dit de motivering van bewezenverklaring van de feiten 5 en 8 niet kan aantasten. Verder heeft het hof voldoende de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het te dien aanzien ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdachte.

16. Het middel faalt.

Tweede middel

17. Het middel komt met twee klachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 5 en 8 tenlastegelegde en de bewijsvoering.

18. Ten laste van de verdachte is onder 5 en 8 bewezenverklaard dat:

“5.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 december 2011 te [plaats] , althans in Nederland en/of Zwitserland, telkens hoeveelheden geld heeft overgedragen en omgezet, althans telkens van geld gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, van welke handelingen verdachte een gewoonte heeft gemaakt;

8.

hij in de periode van 17 december 2011 tot en met 23 september 2013, te [plaats] , althans in Nederland, en/of Zwitserland telkens voorwerpen, te weten hoeveelheden geld, heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf, van welke handelingen verdachte een gewoonte heeft gemaakt”.

19. Deze bewezenverklaring steunt op dertien bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het bestreden arrest, alsmede op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 6 en 9 voor zover deze het bewezenverklaarde ondersteunen. De aanvulling bewijsmiddelen houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Ten aanzien van feit 5 en feit 8

[…]

7.

Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 mei 2013 (pagina’s 1074 tot en met 1078 van het politiedossier B), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Wij, verbalisanten, verklaren het volgende:

Algemeen

Bij de kasopstelling wordt getracht een reconstructie te maken van de financiële handel en wandel van een verdachte; getracht wordt zijn portemonnee te reconstrueren: hoeveel geld kon er zijn en welke betalingen zijn er geweest?

Uitgaande van het beginsaldo dat verdachte op een bepaald moment had, wordt onderzocht hoeveel contant legaal geld hij heeft ontvangen. Samen geeft dat de financiële ruimte voor het doen van uitgaven.

Daarna wordt bepaald hoeveel de verdachte contant heeft uitgegeven. Als de gedane contante uitgaven en het aanwezige eindsaldo contant geld groter zijn dan het saldo van het beginsaldo en de legale ontvangsten, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat verdachte blijkbaar nog een andere bron van inkomsten heeft gehad.

Gezin [verdachte] - [betrokkene 1]

Ten behoeve van het onderzoek Nunhem is door ons een kasopstelling gemaakt van het gezin [verdachte] - [betrokkene 1] over de periode 1 januari 2006 tot en met 16 december 2011.

Het gezin [verdachte] - [betrokkene 1] bestaat uit:

• [verdachte]

Man, geboren […]

• [betrokkene 1]

Vrouw, geboren […]

• [betrokkene 2]

Man, geboren […]

• [betrokkene 3]

Vrouw, geboren […]

• [betrokkene 4]

Vrouw, geboren […]

[verdachte] en [betrokkene 1] zijn op 4 april 2000 gehuwd.

Het gezin [verdachte] - [betrokkene 1] heeft in de periode 1 januari 2006 tot en met 16 december 2011 inkomsten genoten uit een WWB uitkering van de Gemeente [plaats] en uit de onderneming van [verdachte] .

Daarnaast zijn uit het onderzoek geen andere inkomsten gebleken.

De onderneming van [verdachte] betreft een eenmanszaak met de handelsnaam [A] en is gestart op 11 februari 2008.

De onderneming heeft in 2011 geen omzet gerealiseerd.

Bij de zoeking in de woning van [verdachte] in december 2011 zijn administratieve bescheiden in beslag genomen.

Onder de in beslag genomen administratieve bescheiden bevinden zich een groot aantal bescheiden die duiden op een contante uitgave. Deze bescheiden zijn gebruikt voor de kasopstelling.

Kasopstelling gezin [verdachte]

periode 1 januari 2006 tot en met 16 december 2011

2006

Beginsaldo

0,00

+ Contante omzet volgens administratie

0,00

+ Kasopnames van bankrekening

4.505,00

+ Kasopnames via credit card

0,00

Beschikbaar voor contante uitgaven

4.505,00

- uitgaven volgens administratie

0,00

- uitgaven bonnen beslag

20.048,65

- Storting eigen rekening

3.100,00

- Ontbrekendevoeding

4.251,26

Totaal contante uitgaven

27.399,91

Verschil

22.894,91-

2007

+ Contante omzet volgens administratie

0,00

+ Kasopnames van bankrekening

8.293,52

+ Kasopnames via credit card

0,00

Beschikbaar voor contante uitgaven

8.293,52

- uitgaven volgens administratie

0,00

- uitgaven bonnen beslag

18.193,45

- Storting eigen rekening

8.370,00

- Ontbrekende voeding

3.452,61

Totaal contante uitgaven

30.016,06

Verschil

21.722,54-

2008

+ Contante omzet volgens administratie

716,57

+ Kasopnames van bankrekening

20.319,87

+ Kasopnames via credit card

7.044,24

Beschikbaar voor contante uitgaven

28.080,68

- uitgaven volgens administratie

2.031,55

- uitgaven bonnen beslag

19.080,59

- Storting eigen rekening

40.091,29

- Ontbrekendevoeding

2.701,50

Totaal contante uitgaven

63.904,93

Verschil

35.824,25-

2009

+ Contante omzet volgens administratie

420,29

+ Kasopnames van bankrekening

15.838,50

+ Kasopnames via credit card

0,00

Beschikbaar voor contante uitgaven

16.258,79

- uitgaven volgens administratie

149,65

- uitgaven bonnen beslag

3.326,68

- Storting eigen rekening

17.957,07

- Ontbrekende voeding

2.554,97

Totaal contante uitgaven

23.988,37

Verschil

7.729,58-

2010

+ Contante omzet volgens administratie

29.755,01

+ Kasopnames van bankrekening

7.580,00

+ Kasopnames via credit card

0,00

Beschikbaar voor contante uitgaven

37.335,01

- uitgaven volgens administratie

7.703,82

- uitgaven bonnen beslag

9.978,00

- Storting eigen rekening

35.940,00

- Ontbrekende voeding

2.918,69

Totaal contante uitgaven

56.540,51

Verschil

19.205,50-

2011

+ Contante omzet volgens administratie

0,00

+ Kasopnames van bankrekening

17.280,00

+ Kasopnames via credit card

9.405,29

Beschikbaar voor contante uitgaven

26.685,29

- uitgaven volgens administratie

0,00

- uitgaven bonnen beslag

20.608,63

- Storting eigen rekening

83.980,00

- Ontbrekende voeding

1.712,15

- Verzonden via Western Union naar Quito Ecuador

3.470,00

Totaal contante uitgaven

109.770,78

Verschil

83.085,49-

Totaal

190.462,27

[…]

9.

Het ambtsedig rapport kasopstelling ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht d.d. 29 januari 2014 (pagina’s 0, 1, 5 en 6 van het politiedossier D), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Wij, verbalisanten, verklaren het volgende:

Algemeen

Bij de kasopstelling wordt getracht een reconstructie te maken van de financiële handel en wandel van een verdachte; getracht wordt zijn portemonnee te reconstrueren: hoeveel geld kon er zijn en welke betalingen zijn er geweest?

Uitgaande van het beginsaldo dat verdachte op een bepaald moment had, wordt onderzocht hoeveel contant legaal geld hij heeft ontvangen. Samen geeft dat de financiële ruimte voor het doen van uitgaven.

Daarna wordt bepaald hoeveel de verdachte contant heeft uitgegeven. Als de gedane contante uitgaven en het aanwezige eindsaldo contant geld groter zijn dan het saldo van het beginsaldo en de legale ontvangsten, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat verdachte blijkbaar nog een andere bron van inkomsten heeft gehad.

Gezin [verdachte] - [betrokkene 1]

Eerder was ten behoeve van het onderzoek Nunhem al een kasopstelling gemaakt van het gezin [verdachte] - [betrokkene 1] over de periode 1 januari 2006 tot en met 16 december 2011.

Na verder onderzoek en de uiteindelijke aanhouding van [verdachte] in september 2013 hebben er onder meer doorzoekingen plaatsgevonden in de woning van het gezin [verdachte] aan de [a-straat 1] te [plaats] en in de door het gezin [verdachte] gebruikte auto’s.

Na onderzoek naar de legale inkomsten van het gezin [verdachte] , onderzoek bij financiële instellingen, bevel uitlevering bij de boekhouder, rechtshulpverzoek aan Zwitserland en onderzoek van het beslag is opnieuw een kasopstelling opgesteld. In de kasopstelling die is opgenomen in dit rapport is het bedrag van de eerste kasopstelling opgenomen. De uitkomst van de in dit rapport opgenomen kasopstelling is dus het saldo over de gehele periode van (hof: 1 januari) 2006 tot en met september 2013.

Kasopstelling gezin [verdachte]

Overzicht eerste kasopstelling

periode (hof: 1 januari) 2006 tot en met 16 december 2011

Totale tekort

190.462,27-

Aanvulling/correctie op jaren 2006 t/m 16 december 2011

+ Contante ontvangsten

30.309,00

+ Correctie aanschaf boot

7.500,00

+ Speelwinst casino

46.000,00

- uitgaven volgens administratie

25.458,05

- uitgaven bonnen beslag

497,99

Verschil aanvullingen

57.852,96

17 december 2011 t/m 31 december 2011

+ Contante omzet volgens administratie

0,00

+ Kasopnames van bankrekening en credit card

1.500,00

Beschikbaar voor contante uitgaven

1.500,00

- uitgaven volgens administratie

0,00

- uitgaven bonnen beslag

0,00

- Storting eigen rekening

3.560,00

Totaal contante uitgaven

3.560,00

Verschil

2.060,00-

2012

+ Contante omzet volgens administratie

14.100,78

+ Kasopnames van bankrekening en credit card

50.999,61

Beschikbaar voor contante uitgaven

65.100,39

- uitgaven volgens administratie

17.086,44

- uitgaven bonnen beslag

79.483,49

- vergoeding voor Danny Mol

2.000,00

- Storting eigen rekening

73.825,00

Totaal contante uitgaven

172.394,93

Verschil

107.294,54-

2013

+ Contante omzet volgens administratie

0,00

+ Kasopnames van bankrekening en credit card

4.558,67

Beschikbaar voor contante uitgaven

4.558,67

- uitgaven volgens administratie

2.988,34

- uitgaven bonnen beslag

51.737,70

- vergoeding voor Danny Mol

2.000,00

- Storting eigen rekening

26.170,00

- Storting Zwitserse rekening

40.144,00

Totaal contante uitgaven

123.040,04

Verschil

118.481,37-

Periode 2006 t/m september 2013 totaal

360.445,22-

Recapitulatie

Uit de kasopstelling van het gezin [verdachte] - [betrokkene 1] over de periode van 1 januari 2006 tot en met september 2013 blijkt dat € 360.445 meer is uitgegeven dat uit legale bron is verkregen. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit bedrag een minimum is. Alleen de uitgaven waarvan een bon is aangetroffen konden worden meegenomen en in het voordeel van de verdachte zijn alle facturen, ook degene waarover twijfels zijn, meegenomen als legale ontvangst.

[…]

12.

Het proces-verbaal terechtzitting van het gerechtshof d.d. 12 oktober 2018, inhoudende als

verklaring van de verdachte:

[…]

(p. 4-5)

De voorzitter houdt mij voor dat uit het dossier niet blijkt van inkomsten in 2009 maar wel van forse uitgaven in dat jaar en dat bijvoorbeeld uit het proces-verbaal van bevindingen op p. 12-13 van het dossier ‘Deelonderzoek witwassen’ blijkt dat ik op 5 februari 2009 100.000 Noorse Kronen omwissel voor € 11.007,07 en dat ik een dag later 100.000 Zweedse Kronen omwissel voor € 9.250,47. De voorzitter vraagt mij hoe ik aan die Noorse en Zweedse Kronen ben gekomen. Er staat me even niets van bij hoe ik aan dat geld kwam. Ik ben in ieder geval nooit in die landen geweest.

De voorzitter houdt mij voor dat ik in 2012 geen aangifte heb gedaan voor de inkomstenbelasting, maar dat uit het proces-verbaal van bevindingen op p. 35 e.v. van het dossier ‘Deelonderzoek witwassen’ volgt dat ik in 2012 een aantal flinke contante stortingen heb gedaan op mijn bankrekening, te weten op 4 april 2012 een bedrag van € 9.040,--, op 4 december 2012 € 9.000,--, op 6 december 2012 € 3.500,-- et cetera. De voorzitter houdt mij voor dat de zojuist genoemde stortingen op 4 en 6 december 2012 in totaal 25 biljetten van € 500,- betroffen. Het zou kunnen dat ik dergelijk geld meenam naar Nederland om daar te storten.

(p. 6)

De voorzitter houdt mij voor dat uit het dossier blijkt dat ik in de jaren 2006, 2008, 2009 auto’s huurde, dat die huur duizenden euro’s kostte en dat ik in 2013 bijna continue auto’s huurde. De voorzitter vraagt mij waarom ik zo vaak auto’s huurde. Omdat ik geen auto tot mijn beschikking had.

De voorzitter houdt mij voor dat ik in 2009 geen omzet gegenereerd zou hebben, maar dat ik wel gedurende twee maanden een auto heb gehuurd voor € 2.650,--. Ik had die auto gehuurd.

De voorzitter houdt mij voor dat ik in 2013 onder meer een Volkswagen Touareg, een Audi Q5 en een Volkswagen Golf heb gehuurd en de voorzitter vraagt mij waar ik die auto’s voor nodig had. Ik had vervoer nodig om naar Zwitserland te rijden en dergelijke. [betrokkene 5] huurde de auto’s en ik huurde weer bij hem. Ik betaalde [betrokkene 5] cash voor die huurauto’s.

[…]”

20. Verder bevat het bestreden arrest, na verbetering daarvan in de aanvulling op het verkorte arrest, de volgende bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 5 en

“De verdediging heeft bepleit dat verdachte van beide feiten dient te worden vrijgesproken omdat de min of meer verifieerbare verklaring van verdachte over de herkomst van het geld door het openbaar ministerie niet is gefalsificeerd. Het openbaar ministerie heeft volgens de verdediging geen goede zoekslagen verricht op de pc’s.

Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat verdachte van feit 5 dient te worden vrijgesproken omdat de eventuele vaststelling dat verdachte heeft verzuimd (correct) belastingaangifte te doen geen rol kan spelen bij de bewezenverklaring van witwassen nu dat verzuim niet specifiek is ten laste gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de pleitnota (punt 39) leidt het hof af dat de raadsman zich op het standpunt stelt dat verdachte een alternatieve verklaring voor de herkomst van het geld heeft gegeven, waarnaar het openbaar ministerie onderzoek had behoren te doen. De raadsman heeft echter niet duidelijk gemaakt op welke alternatieve verklaring van verdachte hij dan doelt.

Voor zover de raadsman het oog heeft gehad op de facturen van [A] die verdachte van een in beslag genomen laptop heeft gehaald (die als bijlage zijn gevoegd bij een proces-verbaal van de zitting in de ontnemingszaak van 4 oktober 2017) en die nog niet bij de kasopstelling zouden zijn betrokken, merkt het hof het volgende op. Op de lijst met facturen staan slechts tien facturen met een totaalbedrag van circa € 10.000 euro die niet reeds bij de kasopstelling zijn meegenomen.

Niet is duidelijk geworden of de facturen hebben geleid tot contante ontvangsten. Vast staat in ieder geval dat de facturen geen alternatieve verklaring bieden voor de herkomst van de € 360.445 aan contante uitgaven die middels de kasopstelling zijn vastgesteld.

Ten aanzien van het subsidiaire verweer stelt het hof voorop dat - om te komen tot bewezenverklaring van witwassen - vastgesteld dient te worden dat het voorwerp (in casu hoeveelheden geld) uit misdrijf afkomstig is. Het bewuste misdrijf hoeft niet gespecificeerd te worden. Uit de wetsgeschiedenis noch uit de jurisprudentie is een dergelijke eis af te leiden. Reeds daarom faalt het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman dat een eventueel fiscaal delict (doen van onjuiste aangifte) van de verdachte had moeten worden gespecificeerd c.q. tenlastegelegd.

Het hof verwerpt de gevoerde verweren.”

21. De eerste klacht houdt in dat het hof ten onrechte ten behoeve van de bewezenverklaring van het onder 5 en 8 tenlastegelegde gebruik heeft gemaakt van een kasopstelling, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Aan deze klacht is blijkens de toelichting op het middel het volgende ten grondslag gelegd. Het openbaar ministerie heeft de beschuldiging van het gewoontewitwassen onderbouwd door middel van een in de ontnemingsprocedure opgestelde kasopstelling. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte heeft getracht de beschuldiging te weerspreken door middel van stukken in de administratie, die evenwel door het openbaar ministerie in beslag waren genomen en daar gedeeltelijk in het ongerede waren geraakt. Gelet op de omstandigheid dat de kasopstelling uitgaat van allerlei aannames en conclusies en gebruikt kan worden in een ontnemingsprocedure, waarbij sprake is van een voor het openbaar ministerie en de rechter geldende verlichting van de bewijslast, heeft het hof ten onrechte ten behoeve van de bewezenverklaring gebruik gemaakt van de betreffende kasopstelling, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

22. Voor zover de stellers van het middel aldus hebben willen klagen dat een eenvoudige kasopstelling in strafzaken niet voor het bewijs zou mogen worden gebruikt, merk ik op dat de eenvoudige kasopstelling een abstracte methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft, waarbij (kort gezegd) het patroon van contante ontvangsten en contante uitgaven voor de berekening van het voordeel tot uitgangspunt wordt genomen. Daartoe wordt eerst het beginsaldo, het bedrag aan contant geld waarover de betrokkene beschikte bij aanvang van de onderzoeksperiode, en het eindsaldo, het bedrag aan contant geld waarover de betrokkene beschikte aan het einde van de onderzoeksperiode, vastgesteld. Vervolgens wordt, rekening houdend met het begin- en eindsaldo, het verschil tussen de uitgaven en de legale ontvangsten berekend. Dat verschil kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.4

23. Zoals mijn ambtgenoot Bleichrodt opmerkte, moet de bewijsvoering in strafzaken waarin de tenlastelegging op witwassen is toegesneden, worden onderscheiden van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsprocedure.5 Daarmee is echter niet gezegd dat een eenvoudige kasopstelling in een strafzaak niet gebezigd zou kunnen worden voor het bewijs van witwassen. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2019, voor zover hier van belang, het volgende:

“2.3. In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

‘2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.’

2.4. Blijkens de hiervoor onder 2.2 weergegeven bewijsvoering heeft het Hof - na bespreking van de betwisting door de verdachte van een aantal contante uitgaven - geoordeeld dat de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling, waaruit een groot verschil van ongeveer € 55.000,- blijkt tussen enerzijds de vastgestelde legale contante inkomsten en anderzijds de feitelijke contante uitgaven, het vermoeden van witwassen rechtvaardigt en dat onder die omstandigheden van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring geeft dat genoemd verschil tussen legale inkomsten en feitelijke uitgaven niet van misdrijf afkomstig is. Vervolgens heeft het Hof naar aanleiding van hetgeen door de verdachte is aangevoerd, te weten dat hij aan het begin van de in de kasopstelling in aanmerking genomen periode een groot bedrag aan contant spaargeld had, geoordeeld dat hieromtrent "geen begin van aannemelijkheid" bestaat. Die oordelen geven, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onbegrijpelijk. Voor zover het middel daarover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.”6

24. Voor zover de stellers van het middel hebben willen betogen dat een eenvoudige kasopstelling in strafzaken niet voor het bewijs zou mogen worden gebezigd, vindt dat betoog gelet op het voorgaande geen steun in het recht.

25. Verder ligt in deze zaak in de bewijsoverwegingen van het hof als zijn oordeel besloten dat de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling, waaruit een verschil van ongeveer € 360.000,- blijkt tussen enerzijds de vastgestelde legale contante inkomsten en anderzijds de feitelijke contante uitgaven, het vermoeden van witwassen rechtvaardigt en dat onder die omstandigheden van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring geeft dat genoemd verschil tussen legale inkomsten en feitelijke uitgaven niet van misdrijf afkomstig is. Het hof heeft vervolgens tot uitdrukking gebracht dat de verdachte niet een dergelijke, door het hof aangeduid als alternatieve, verklaring heeft gegeven.

26. Deze wijze van toepassing van de eenvoudige kasopstelling in de bewijsvoering van witwassen geeft gelet op het hiervoor aangehaalde arrest van 23 april 2019 geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering van het hof niet volgt dat het hof ervan is uitgegaan dat uit de enkele uitkomst van een kasopstelling kan worden afgeleid dat het verschil tussen uitgaven en ontvangsten afkomstig is uit misdrijf.7

27. Daarnaast stel ik vast dat in hoger beroep door de verdediging een verweer is gevoerd strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het onder 5 en 8 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor het zoekraken van een deel van de inbeslaggenomen administratie van de verdachte en dat de verdediging de door de getuige [getuige] genoemde documenten die betrekking hadden op de Zwitserse firma [B] niet heeft teruggezien in het strafdossier. Dit verweer is door het hof uitvoerig gemotiveerd verworpen.

28. In dat kader heeft het hof onder meer overwogen dat de verdediging in hoger beroep heeft verzocht om teruggave van de boekhouding van verdachte met als doel het aantonen van meer legale inkomsten van verdachte dan waarvan in het witwasonderzoek is uitgegaan en dat deze (contante) legale inkomsten (grotendeels) zouden moeten zijn gerealiseerd middels de werkzaamheden van verdachte in de twee bedrijven die verdachte in de genoemde periode heeft gerund, te weten [A] en [B] . Over andere inkomstenbronnen die zouden moeten blijken uit die administratie heeft de verdediging ter zitting van 12 oktober 2018 niet gerept, aldus het hof.

29. Met betrekking tot [A] heeft het hof onder meer overwogen dat de verdediging geen inzage heeft gehad in twee dozen administratie die op 28 december 2011 in de woning van de verdachte in beslag zijn genomen. Het hof heeft verder vastgesteld dat stukken die zich in deze dozen bevonden – bonnen/facturen en administratieve bescheiden met betrekking tot [A] over de jaren 2008-2010 – zijn meegenomen in de kasopstelling, dat er in het procesdossier geen melding wordt gemaakt van overige gegevens betreffende [A] afkomstig uit de papieren bescheiden die onder verdachte in beslag zijn genomen en dat de verdediging niet heeft duidelijk gemaakt welke overige gegevens met betrekking tot [A] zich in die twee dozen zouden moeten bevinden waarover de politie bij het opstellen van de kasopstelling niet heeft beschikt. Verder heeft het hof overwogen dat stukken met betrekking tot (aan de fiscus opgegeven) inkomsten van verdachte uit zijn werkzaamheden voor [A] over de jaren 2008-2011 zijn betrokken bij de kasopstelling en de verdediging niet heeft aangegeven welke overige (inkomens)gegevens met betrekking tot [A] of anderszins zich nog in de beslag genomen administratie, en meer in het bijzonder in genoemde twee dozen, zouden bevinden.

Ten aanzien van [B] heeft het hof onder meer de verklaring van de verdachte over zijn werkzaamheden voor [B] als ongeloofwaardig aangemerkt, geconcludeerd dat [B] in de periode 1 februari 2013 tot en met 23 september 2013 in het geheel niet operatief is geweest en dat er dus ook geen betrouwbaar te achten boekhouding is geweest en geoordeeld dat de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad doordat de verdediging geen inzicht heeft gehad in bij [C] in beslag genomen stukken betreffende [B] . Deze oordelen worden in cassatie niet bestreden.

Het hof heeft vervolgens gelet op de door de verdediging aangevoerde gronden voor onderzoek aan de zich in de voormelde twee dozen (op 28 december 2011 in beslag genomen) bevindende administratie en het mogelijk belang daarvan in het licht van het andere aanwezige bewijsmateriaal, geoordeeld dat de gevolgen die voortvloeien uit het zoekraken van die twee dozen niet van dien aard zijn dat over het geheel niet meer kan worden gesproken van een eerlijk proces. Bij dat in cassatie niet bestreden oordeel heeft het hof betrokken dat de verdachte adequate mogelijkheden heeft gehad om stukken in te brengen en daarvan ook gebruik heeft gemaakt.

30. Tegen de achtergrond van het voorgaande geeft het kennelijke oordeel van het hof dat, ondanks dat de verdediging de twee dozen administratie niet heeft kunnen inzien en geen inzicht heeft gehad in bij [C] in beslag genomen stukken betreffende [B] , de eenvoudige kasopstellingen voor het bewijs kunnen worden gebruikt mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2018 en de pleitnota van de raadsman van de verdachte niet inhouden dat door of namens de verdachte is betoogd dat de eenvoudige kasopstellingen niet voor het bewijs zouden mogen worden gebezigd.

31. De eerste klacht faalt.

32. De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaringen van het onder 5 en 8 tenlastegelegde onvoldoende met redenen zijn omkleed, aangezien het hof ten onrechte door een ander dan de verdachte verrichte handelingen, zoals het overdragen of omzetten van geld en het gebruik maken van geld, als door verdachte gepleegde witwashandelingen heeft aangemerkt. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het hof niet bewezen heeft geacht dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander, zoals een gezinslid of zijn echtgenote, geldbedragen heeft witgewassen, terwijl de door het hof voor het bewijs gebezigde kasopstelling in de kern genomen een berekening van het inkomsten- en uitgavenpatroon van de verdachte en zijn gezinsleden behelst.

33. In dat kader kan aan de stellers van het middel worden toegegeven dat blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen twee kasopstellingen van het gezin [verdachte] - [betrokkene 1] zijn gemaakt over de periode 1 januari 2006 tot en met september 2013. Daarmee vertoont de onderhavige zaak in zoverre een overeenkomst met de zaak die leidde tot HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:743. In die zaak was bewezenverklaard dat de verdachte een geldbedrag van ongeveer € 162.990,70 had omgezet. De Hoge Raad overwoog:

“Blijkens de hiervoor weergegeven bewijsvoering heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte als pleger van het misdrijf als bedoeld in art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr "een geldbedrag van ongeveer 162.990,70 euro" heeft omgezet door het doen van contante uitgaven aan onder meer vakanties/reizen, voertuigen en verbetering/verbouwing van de woning. In aanmerking genomen dat het Hof de omvang van dat geldbedrag heeft ontleend aan de uit de bewijsmiddelen blijkende resultaten van onderzoek naar de financiële situatie van de verdachte en zijn echtgenote […] , terwijl het in het midden heeft gelaten in hoeverre de desbetreffende contante uitgaven door de verdachte zelf zijn gedaan, heeft het Hof de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte "een geldbedrag van ongeveer 162.990,70 euro" heeft omgezet, niet toereikend gemotiveerd.”

34. De onderhavige zaak verschilt mijns inziens echter op een cruciaal punt met de hiervoor aangehaalde zaak. Waar in de aangehaalde zaak was bewezenverklaard dat de verdachte, kort gezegd, een specifiek bedrag overeenkomend met het resultaat van de kasopstelling had omgezet door het doen van contante uitgaven, is dat in deze zaak niet het geval. Bewezenverklaard is immers dat de verdachte telkens hoeveelheden geld heeft overgedragen en omgezet, althans telkens van geld gebruik heeft gemaakt (feit 5) respectievelijk dat hij telkens voorwerpen, te weten hoeveelheden geld, heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt (feit 8). Daarmee heeft het hof bewezenverklaard dát de verdachte hoeveelheden geld heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, maar niet hoeveel geld hiermee gemoeid was. Met die bewezen verklaarde hoeveelheden geld heeft het hof kennelijk telkens alleen het oog gehad op de door de verdachte verrichte handelingen met de geldbedragen die in de kasopstellingen zijn betrokken.

35. Aldus heeft het hof, anders dan aan deze klacht ten grondslag is, door een ander dan de verdachte verrichte handelingen niet aangemerkt als door de verdachte gepleegde witwashandelingen. Gelet op het voorgaande zijn de bewezenverklaringen van het onder 5 en 8 tenlastegelegde voldoende met redenen omkleed. De tweede klacht faalt.

36. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Derde middel

37. Het middel komt met drie klachten op tegen de beslissingen van het hof ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde en bewezenverklaarde.

38. De eerste klacht houdt in dat de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde onjuist, althans onbegrijpelijk is.

39. Aan de verdachte is onder 9 tenlastegelegd dat:

“hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 september 2014 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) uitkeringsformulieren WWB en/of salarisspecificaties, – (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk informatie in betreffende documenten opgenomen die in strijd zijn met de waarheid dan wel bewust bepaalde informatie omtrent zijn/hun, verdachtes en/of zijn mededader(s), inkomsten en/of vermogen niet vermeld, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”

40. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2018 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:

“Feit 9 / 225 WvSr

(…)

41. Voor dit WWB-feit sluit ik mij geheel aan bij de woorden van de raadsman in eerste aanleg:

2.

Uitkeringsformulieren Wwb.

Gaat kennelijk om de gezinsbijstand in de periode 1-1-2006 t/m 3-12-2007. Het college [plaats] wil klaarblijkelijk deze uitkering herzien en een bedrag ad € 37.342,89 bruto terugvorderen. De motivering zou zijn de niet opgegeven gokwinsten.

De aan [betrokkene 1] verstrekte eenouderbijstand over de periode 13 oktober 2009 t/m 19 april 2010 zou ook worden herzien en van [verdachte] mede-teruggevorderd (€ 9.457,86). Motivering is dat [verdachte] op 12 oktober 2010 vrij kwam uit de PI Mechelen. [verdachte] is toen echter niet naar [plaats] gegaan, maar heeft een paar maanden ‘rondgezworven’.

Ik verzoek u het OM niet-ontvankelijk te verklaren in deze vervolging. De Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude (2021R020, Stcr. 2012, nr. 26828) en de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude (2012A022, Stcr. Nr. 26827) (beiden onmiddellijke werking per 1-1-2013) bepalen immers dat uitkeringsfraude tot € 50.000,- bestuursrechtelijk worden afgedaan.

Het staat overigens ook vast dat Cl bestuursrechtelijk is bejegend in de vorm van het terugvorderen van uitkeringsgelden.

42. Conclusie primair: OM NO terzake F9.”

41. Het hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van feit 9. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude en de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude bepalen dat uitkeringsfraude tot € 50.000 bestuursrechtelijk wordt afgedaan.

In de eerste plaats stelt het hof vast dat het verweer betrekking heeft op slechts een onderdeel van het ten laste gelegde, te weten de uitkeringsformulieren WWB, en derhalve niet op de salarisspecificaties.

Verder overweegt het hof als volgt.

De tenlastelegging betreft onder meer het plegen van valsheid in geschrift ten aanzien van uitkeringsformulieren WWB in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 september 2013. Uit p. 2. van het proces-verbaal met nummer 234528 (p. 1-99) blijkt dat bij de start van het onderzoek naar verdachte en zijn partner [betrokkene 1] is uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 56.425,73, oftewel meer dan het door de raadsman genoemde minimum van € 50.000. Het verweer slaagt daarom niet.”

42. Aan de klacht is onder verwijzing naar het als bewijsmiddel 1 door het hof gebezigde proces-verbaal van bevindingen ten grondslag gelegd dat uit het verhandelde ter terechtzitting en het arrest volgt dat voorafgaande aan en ten tijde van de vervolging de verbalisanten hebben vastgesteld dat het totale bedrag aan uitkeringsfraude minder heeft bedragen dan € 50.000,00, te weten € 37.342,89. Dat bij de start van het opsporingsonderzoek verbalisanten mogelijk is uitgegaan van een hoger bedrag doet volgens de stellers van het middel niet ter zake, aangezien de hoogte van het bedrag op het moment dat het openbaar ministerie besloten heeft verdachte te gaan vervolgen doorslaggevend is.

43. In deze zaak is door de verdediging allereerst een beroep gedaan op de op 4 december 2012 vastgestelde Aanwijzing sociale zekerheidsfraude8. Deze aanwijzing houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“2.2. Twee categorieën

Onderscheiden worden twee categorieën:

I. Een nadeel kleiner dan of gelijk aan € 50.000,-

II. Een nadeel van meer dan € 50.000,-

2.2.1. Categorie I zaken hoofdregel:

Bij het onderzoek naar zaken behorend tot categorie I worden geen strafvorderlijke bevoegdheden aangewend.

Het aanwenden van strafvorderlijke bevoegdheden kan slechts aan de orde zijn bij het redelijk vermoeden dat het nadeel € 50.000,-- of meer bedraagt.

Met name bij de aanvang van een onderzoek naar een (vermoede) fraude is veelal niet duidelijk over welke periode de frauduleuze handelingen zich hebben uitgestrekt en daarmee wat (uiteindelijk) het bewijsbaar nadeel zal zijn.

[…]

2.2.2 Categorie II zaken hoofdregel:

In deze zaken wordt een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd en het proces-verbaal ter zake ingediend bij het OM. De beslissing om in afwijking van deze aanwijzing geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen en/of geen proces-verbaal in te zenden, wordt alleen in overleg met de officier van justitie genomen.

Het OM stelt in zaken behorend tot deze categorie, in beginsel steeds vervolging in. Bijzondere omstandigheden met betrekking tot de zaak, de persoon van de dader of de omstandigheden waaronder het feit/de feiten is/zijn begaan kunnen in een individueel geval uitzondering op deze regel rechtvaardigen(…).”

44. Verder is door de verdediging een beroep gedaan op de eveneens op 4 december 2012 vastgestelde Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude9. Deze richtlijn houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Samenvatting

In deze richtlijn is als uitgangspunt genomen het brutobedrag dat ten onrechte ten laste van uitvoerende instanties is gekomen. Dit brutobedrag wordt ‘nadeel’ genoemd en is uitgesplitst over twee categorieën, te weten:

• Categorie 1-zaken inhoudende een nadeel tot en met € 50.000,–, welke zaken in beginsel bestuursrechtelijk gehandhaafd worden, en

• Categorie II-zaken inhoudende een nadeel boven de € 50.000,–, welke zaken in beginsel strafrechtelijk gehandhaafd worden.

Voor deze twee categorieën is in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude bepaald of en zo ja, onder welke voorwaarden een strafrechtelijke reactie moet volgen.

Categorie I zaken: een nadeel tot en met € 50.000,–

Uitgangspunten:

•Geen strafrechtelijke vervolging, tenzij:

- strafrechtelijke dwangmiddelen zijn toegepast voor 1 januari 2013, dan wel de fraude niet te bewijzen is zonder toepassing van strafrechtelijke dwangmiddelen. De officier van justitie beslist in beide gevallen of overgegaan dient te worden tot (verdere) strafrechtelijke vervolging, dan wel of de zaak alsnog bestuursrechtelijk kan worden afgedaan;

- de sociale zekerheidsfraude gepaard is gegaan met andere strafbare feiten;

- de status van de verdachte en/of diens voorbeeldfunctie, daartoe aanleiding geeft;

- tweede of meerdere herhaling van overtredingen binnen een bepaalde periode (5 jaar) (de eerste herhaling wordt bestuursrechtelijk afgedaan) zich heeft voorgedaan;

- geen mogelijkheid bestaat tot het opleggen van, dan wel het effecturen van een bestuursrechtelijke maatregel of boete;

- de fraude is gepleegd met medewerking of medeweten van ambtena(a)r(en) van de uitkerende instantie;

- de fraude is gepleegd in georganiseerd verband door meer dan twee personen […].

Categorie II zaken: een nadeel van meer dan € 50.000,–

In zaken van deze categorie wordt in beginsel steeds de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gevorderd in verband met de verhouding tot de hoge (bestuursrechtelijke) boetes die voor categorie I zaken worden opgelegd.”

45. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat bij de beantwoording van de vraag of het openbaar ministerie terecht heeft geoordeeld dat voldaan is aan de criteria van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude en de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude moet worden uitgegaan van de gegevens over het benadelingsbedrag die ten tijde van de vervolgingsbeslissing aan het openbaar ministerie bekend waren.10

46. De stellers van het middel beroepen zich op het ten aanzien van feit 9 als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van bevindingen. Ik stel echter vast dat dit proces-verbaal is opgemaakt op 30 juni 2014, terwijl de eerste zitting in deze zaak reeds op 16 december 2013 had plaatsgevonden op basis van een voorlopige tenlastelegging.11 Verder is de tenlastelegging op de zitting van 6 maart 2014 overeenkomstig art. 314a Sv aangevuld. Ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal was de vervolgingsbeslissing kortom al genomen, zodat het in dit proces-verbaal vastgestelde nadeel niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of het openbaar ministerie terecht heeft geoordeeld dat voldaan is aan de criteria van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude.

47. In dit geval heeft het hof kennelijk geoordeeld dat het benadelingsbedrag van € 56.425,73, waarvan bij de start van het onderzoek naar de verdachte en zijn partner is uitgegaan, heeft te gelden als de gegevens die ten tijde van de vervolgingsbeslissing aan het openbaar ministerie bekend waren. Mede in aanmerking genomen dat het onderzoek ten tijde van die beslissing kennelijk nog niet was afgerond, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Aldus heeft het hof kunnen oordelen dat het openbaar ministerie terecht heeft geoordeeld dat voldaan is aan de criteria van de hiervoor aangehaalde Aanwijzing sociale zekerheidsfraude en Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude.

48. Gelet op het voorgaande geeft de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl die verwerping ook niet onbegrijpelijk is.

49. De eerste klacht faalt.

50. De tweede klacht houdt in dat het hof, door aan de bewezenverklaring ten grondslag te leggen dat de verdachte ten onrechte geen melding heeft gemaakt van criminele inkomsten en het witwassen van gelden, het uitgangspunt dat van een verdachte niet mag worden verlangd mee te werken aan een strafrechtelijke vervolging van hemzelf of van zijn echtgenoot heeft geschonden. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het in de uitkeringsformulieren WWB vermelden van criminele inkomsten en het witwassen van gelden in een strafzaak het recht van de verdachte om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis ontdoen.

51. Ten laste van de verdachte is onder 9 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 september 2014 te [plaats] meermalen uitkeringsformulieren WWB en eenmaal een salarisspecificatie, – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte telkens valselijk informatie in betreffende documenten opgenomen die in strijd zijn met de waarheid en/of bewust bepaalde informatie omtrent zijn, verdachtes, inkomsten en/of vermogen niet heeft vermeld, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”

52. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2014 (pagina’s 1-12 van het politiedossier E, met bijlagen), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

(p. 1)

Verdachte 1:

Naam: [verdachte]

Voornaam: [verdachte]

Geboren: […]

Verdachte 2:

Naam: [betrokkene 1]

Voornaam: [betrokkene 1]

Geboren: […]

(p. 3)

De jaren 2006 en 2007 hebben betrekking op de periode dat de verdachten een uitkering ontvingen naar de norm gehuwden.

(p. 8)

Inkomstenverklaringen WWB

Deze formulieren zijn bestemd om tot bewijs te dienen, dat geen andere werkzaamheden werden verricht en geen andere inkomsten werden genoten, dan die welke eventueel werden opgegeven op genoemde formulieren. Uit die formulieren blijkt dat zich geen wijzigingen en/of omstandigheden hebben voorgedaan, welke eventueel van invloed kunnen zijn op het uit te keren bedrag, immers wordt de grootte en/of het recht op uitkering bepaald aan de hand van de gegevens, welke vermeld

staan op die formulieren.

(p. 9)

Uitkering verdachte [verdachte] en verdachte [betrokkene 1]

Voor wat betreft de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 december 2007 kan het volgende gesteld worden:

Ten tijde van de aanvraag op 14 juni 2004 heeft verdachte [verdachte] en/of verdachte [betrokkene 1] geen vermogen opgegeven.

Verdachte [verdachte] verklaart dat hij op 8 en 9 januari 2006 in het Holland Casino te Breda een bedrag van € 45.000,00 of € 46.000,00 gewonnen heeft.

Op 1 januari 2006 gold een vrij te laten bescheiden eigen vermogen van € 10.360,00. Het vrij te laten bescheiden eigen vermogen is hiermede met € 45.000,00 -/- € 10.360,00 = € 34.640,00 overschreden.

Deze inkomsten uit gokken hebben beide verdachten op geen enkele wijze opgegeven aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [plaats] . Ook niet op de door hen maandelijks ingevulde, ondertekende en ingeleverde "inkomstenverklaring WWB”. Zij hebben bij vraag nummer 9:

“Heeft u in deze periode inkomsten, vermogen of een uitkering anders dan die van Sociale Zaken ontvangen? (bv. Loon, inkomsten als zelfstandige/freelancer, uit kamerverhuur/kostganger, alimentatie/WW, AAW/WAO, ZW, pensioen, AOW, studiebeurs, erfenis, loterij, stagevergoeding, verzekeringsuitkering etc.)”, beiden het vakje “Neen” aangekruist.

Uit de opgestelde kasopstellingen door de financiële recherche van de politie Zeeland West-Brabant blijkt, dat het gezin [verdachte] - [betrokkene 1] in de jaren 2006 en 2007 meer hebben uitgegeven dan dat er besteedbaar was.

Van het hebben van criminele inkomsten en het witwassen van gelden hebben beide verdachten op geen enkele wijze melding gemaakt aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [plaats] . Ook niet op de door hen maandelijks ingevulde, ondertekende en ingeleverde “inkomstenverklaring WWB”.

Door het verzwijgen van de gokwinsten in het Holland Casino te Breda en de criminele inkomsten en witwassen van gelden heeft de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [plaats] het recht op uitkering over de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 december 2007 niet kunnen vaststellen.

Op grond van artikel 54 lid 3 Wet Werk en Bijstand (Wwb) is het recht op uitkering met ingang van I januari 2006 ingetrokken.

(p. 11)

[…]

FRAUDEPERIODE

Blijkens het voornoemde onderzoek hebben verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] gedurende de periode 1 januari 2006 tot en met 3 december 2007 ingevolge de Wwb vermoedelijk ten onrechte uitkering genoten. Op de gedurende deze periode ingeleverde formulieren, totaal twintig (20) (hof: de betreffende formulieren zijn te vinden op p. 36-44, 46-49 en 51-57 van politiedossier E en zijn opgenomen als bijlage 3 bij deze aanvulling bewijsmiddelen), zag ik, verbalisant, dat geen melding was gemaakt van het vermogen, dat het vrij te laten bescheiden eigen vermogen overschreed en met betrekking tot het verzwijgen van de inkomsten uit het gokken, inkomsten uit criminele activiteiten en het witwassen van gelden.

BEREKENING SCHADEBEDRAG

Door de handelwijze van de verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] is voor de gemeente [plaats] over de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 december 2007 een nadeel ontstaan van totaal € 37.342,89 bruto.

2.

Het ambtsedig proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2013 (pagina’s 2509 tot en met

2519 van het politiedossier B), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

(p. 2518)

V: Heeft u verder nog inkomsten gehad?

A: In 2006 een 45.000, 46000 euro, verspreid over twee dagen. Dat heb ik gewonnen in het casino. Op 8 januari 17 uur 30. Dat was ongeveer 22000. Op 9 januari omstreeks 17 uur 40, dat staat in je hoofd he? Dat was het casino in Breda.

[…]

Opmerking hof:

De bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 5 en 8 worden tot het bewijs gebezigd dat

verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 9 bewezenverklaarde voor zover deze het

bewezenverklaarde ondersteunen.”

53. Voor de beoordeling van de klacht zijn de volgende bepalingen van belang:

  • -

    art. 17, eerste lid, Wet werk en bijstand (hierna: Wwb):

    “De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.”

  • -

    art. 227b Sr:

    “Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

  • -

    art. 447d Sr:

    “Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, wordt, indien deze gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.”

54. In de onderhavige zaak ontvingen de verdachte en zijn partner blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand. Op grond van art. 17, eerste lid, Wwb rustte op hen de verplichting aan het college van burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van invloed kunnen zijn op hun arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Aan deze inlichtingenplicht ligt de gedachte ten grondslag dat van de belanghebbende die een beroep doet op een specifieke overheidsvoorziening verlangd kan worden dat hij voldoende gegevens en inlichtingen verstrekt die het de uitvoerder van die voorziening mogelijk maakt te beoordelen of het beroep op die voorziening terecht wordt gedaan.12 Het opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenplicht is als misdrijf strafbaar gesteld in art. 227b Sr en het niet voldoen aan de inlichtingenplicht is als overtreding strafbaar is gesteld in art. 447d Sr.

55. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte onder meer meermalen uitkeringsformulieren WWB, zijnde de als bijlage 3 bij de aanvulling bewijsmiddelen gevoegde Inkomstenverklaringen WWB, valselijk heeft opgemaakt. Met het invullen van deze verklaringen wordt voldaan aan de inlichtingenplicht van art. 17, eerste lid, Wwb. Het naar waarheid invullen van de inkomstenverklaringen WWB en aldus voldoen aan de inlichtingenplicht zou onder omstandigheden echter kunnen leiden tot de verdenking van het plegen van strafbare feiten.13 Daarmee vertoont deze zaak enige overeenkomsten met de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2021. Daarin overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende:

“2.4 Het onder 2 bewezenverklaarde feit betreft de opzettelijke overtreding van de plicht die op grond van artikel 8 lid 1 Verordening op marktdeelnemers rust om de bevoegde instanties onverwijld in kennis te stellen van elk voorval, zoals ongewone orders of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Het voorschrift van artikel 8 lid 1 Verordening houdt daarbij verband met het in artikel 1 Verordening bedoelde toezicht binnen de Europese Unie op bepaalde stoffen die vaak voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen worden gebruikt, teneinde misbruik van deze stoffen te voorkomen.

2.5.1 Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte 4.000 liter zoutzuur heeft besteld en na aflevering voorhanden heeft gehad, dat – gelet op de aanwezige jerrycans met een inhoud van 25 liter – dit zoutzuur was bestemd om in kleinere leverhoeveelheden op te delen en te verspreiden en dat de verdachte het zoutzuur voorhanden had met het oog op de levering ervan in de Europese Unie. Uit de vaststellingen van het hof blijkt verder dat een melding die is ontvangen door de Federaal Gerechtelijke Politie te Antwerpen en is doorgegeven aan het Meldpunt Verdachte Transacties Chemicaliën, ertoe heeft geleid dat op 16 juli 2014 een onderzoek is ingesteld in de door de verdachte gehuurde loods en dat daar bij een doorzoeking het zoutzuur en de jerrycans zijn aangetroffen.

2.5.2 Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte als marktdeelnemer op grond van artikel 8 lid 1 Verordening de verplichting had tot verstrekking van informatie met betrekking tot mogelijk misbruik van geregistreerde stoffen om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, maar dat hij niet aan die verplichting heeft voldaan. Het hof heeft verder geoordeeld dat de veroordeling wegens het niet-nakomen van deze verplichting tot het verstrekken van informatie geen schending van het nemo tenetur-beginsel oplevert. Daarbij heeft het betrokken dat deze verplichting al bestond op een moment dat nog geen sprake was van een verdenking van enig strafbaar feit of een “criminal charge” in de zin van artikel 6 EVRM.

2.5.3 Het oordeel van het hof dat de veroordeling wegens het niet-nakomen van deze verplichting tot het verstrekken van informatie geen schending van het – door artikel 6 EVRM en tevens in het Handvest gewaarborgde – nemo tenetur-beginsel oplevert, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af, zoals in de toelichting op het cassatiemiddel wordt betoogd, dat als die verplichting wel wordt nageleefd het gevolg daarvan kan zijn dat een verdenking ontstaat ter zake van overtreding van de Opiumwet. Hierbij is het volgende van belang. De verplichting om de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van een voorval zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 Verordening strekt ertoe het door de Verordening beoogde toezicht mogelijk te maken en de bevoegde instanties in staat te stellen hun controle- en toezichtstaken uit te oefenen. De omstandigheid dat het naleven van de verplichting van artikel 8 lid 1 Verordening ertoe kan bijdragen dat jegens degene die de bevoegde autoriteiten van het voorval in kennis heeft gesteld een verdenking ontstaat, behoeft aan een vervolging en veroordeling ter zake van het niet-naleven van deze verplichting niet in de weg te staan.

Daarbij verdient het volgende opmerking. Artikel 6 EVRM en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens en van de Hoge Raad kunnen meebrengen - mede gelet op de zwaarte van de op het opzettelijk niet-naleven van artikel 8 lid 1 Verordening gestelde straf – dat op grond van deze bepaling verstrekte informatie niet mag worden gebruikt voor het bewijs van een door de verstrekker van die informatie begaan strafbaar feit, voor zover die informatie een door hem afgelegde, al dan niet in een document vervatte, verklaring betreft (vgl. EHRM 17 december 1996, nr. 19187/91 (Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk), HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1141 en HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0666).

Daarmee is gewaarborgd dat een vervolging wegens het niet-naleven van de verplichting van artikel 8 lid 1 Verordening aan het nemo tenetur-beginsel geen afbreuk zal doen (vgl. over het belang van deze waarborg onder meer EHRM 21 april 2009, nr. 19235/03 (Marttinen tegen Finland), § 75 en EHRM 5 april 2012, nr. 11663/04 (Chambaz tegen Zwitserland), § 54).”14

56. In deze zaak geldt mijns inziens hetzelfde. De omstandigheid dat het naleven van de inlichtingenplicht van art. 17, eerste lid, Wwb ertoe kan bijdragen dat jegens degene die de inlichtingen verstrekt een verdenking ontstaat, staat naar mijn mening niet in de weg aan een vervolging en veroordeling ter zake van het niet naar waarheid invullen en daarmee valselijk opmaken van de inkomstenverklaringen WWB. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de inlichtingenplicht ertoe strekt de gemeente in staat te stellen te beoordelen of het beroep op een uitkering ingevolge de Wwb terecht wordt gedaan.

57. Gelet op het voorgaande heeft het hof, door aan de bewezenverklaring ten grondslag te leggen dat de verdachte ten onrechte geen melding heeft gemaakt van criminele inkomsten en het witwassen van gelden, het nemo tenetur-beginsel niet geschonden.

58. De tweede klacht faalt.

59. De derde klacht houdt in dat het hof het arrest, althans de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging onvoldoende met redenen heeft omkleed. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat de bewezenverklaring is geënt op art. 227b Sr, het door de verdachte nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken en deze gegevens te verzwijgen terwijl dat feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op de WWB uitkering, terwijl deze bestanddelen niet bewezen zijn verklaard. Aldus is volgens de stellers van het middel sprake van een situatie als bedoeld in art. 55, tweede lid, Sr en diende de specialis van art. 227b Sr te prevaleren boven de generalis van artikel 225 Sr, mede gelet op het lagere strafmaximum van eerstgenoemde bepaling.

60. De – hiervoor reeds weergegeven – tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 225, eerste lid, Sr. Die bepaling luidt als volgt:

“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

61. Art. 227b Sr luidt als volgt:

“Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

62. Van het in art. 55, tweede lid, Sr bedoelde geval waarin voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, is in de eerste plaats sprake wanneer de bijzondere strafbepaling alle bestanddelen van de algemene strafbepaling bevat plus nog één of meer andere bestanddelen.15 Die situatie doet zich in deze zaak niet voor, aangezien art. 227b Sr niet alle bestanddelen bevat van art. 225, eerste lid, Sr plus één of meer extra bestanddelen.

63. Verder kan sprake zijn van een systematische specialis-verhouding. In dat geval kan niet uit de tekst van de delictsomschrijvingen, maar uit het wettelijk stelsel en de bedoeling van de wetgever worden afgeleid dat een specialis-verhouding bestaat tussen twee strafbepalingen.16 Daarvan is bijna nooit sprake: de systematische specialiteit is gereserveerd voor die gevallen waarin zonneklaar is dat de wetgever heeft bedoeld vervolging op de voet van de algemene strafbepaling uit te sluiten.17

64. In dat kader merk ik op dat art. 227b Sr is ingevoerd bij de Wet concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen.18 In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet is de wenselijkheid van de opneming in het Wetboek van Strafrecht van verbodsbepalingen betreffende de verstrekking van onware informatie anders dan door valsheid in geschrift (art. 227a Sr) en de schending van wettelijke verplichtingen tot informatieverstrekking (art. 227b Sr) onder gelijktijdige verwijdering van de desbetreffende bepalingen uit de bijzondere wetten, als volgt toegelicht:

“In het hiervoor gememoreerde onderzoek naar de wenselijkheid van een algemene misbruikbepaling is naar voren gekomen, dat in de sociale zekerheidswetten een betrekkelijk groot aantal strafbepalingen voorkomt, dat de onjuiste schriftelijke of mondelinge opgave van informatie met het oog op de verkrijging van een verstrekking waarop geen recht bestaat, en het nalaten informatie te verstrekken wanneer daartoe de plicht bestaat, strafbaar stelt (uitkeringsfraude). Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is gebleken, dat soortgelijke strafbepalingen ook in min of meer verwante wetgeving regelmatig zijn aan te treffen. Ten aanzien van deze strafbaarstellingen in bijzondere wetten kan worden geconstateerd, dat de formulering van de delictsomschrijvingen weliswaar in een aantal gevallen is geharmoniseerd, maar dat die harmonisatie bepaald geen volledige is. Voorts valt op dat de op vergelijkbare delicten gestelde straffen niet onaanzienlijk kunnen verschillen zonder dat dit vanuit het beschermde rechtsbelang kan worden verklaard. Tenslotte is gebleken, dat vooral buiten het gebied van de sociale zekerheid lacunes bestaan waar het gaat om de strafbaarstelling van het verstrekken van onware gegevens en het nalaten te voldoen aan informatieverplichtingen. In de toelichting op de artikelen II e.v. zal hierop meer in detail worden ingegaan.

Het vorenstaande in aanmerking nemende kan worden vastgesteld, dat de wijze waarop in de strafbaarstelling van deze frauduleuze gedragingen is voorzien, onoverzichtelijk, weinig samenhangend en evenmin volledig is te noemen. Met een eenvormige regeling in het Wetboek van Strafrecht kan aan deze bezwaren worden tegemoet gekomen. Dat is in de eerste plaats het geval, omdat de bepalingen in bijzondere wetten, voor zover deze de schriftelijke informatieverstrekking betreffen, varianten zijn op het verbod van artikel 225 Sr. Voor het overige kent een tamelijk groot aantal bijzondere wetten telkens de afzonderlijke strafbaarstelling van de andere eerder genoemde frauduleuze gedragingen.

Deze worden in de samenleving in toenemende mate als afkeurenswaardig ervaren. Ook de niet-schriftelijke verstrekking van onware gegevens en de (opzettelijke) nalatigheid informatie te verstrekken vormen immers een inbreuk op het vertrouwen op regelmatige medewerking, dat voor de juiste toepassing van de desbetreffende regelgeving een vereiste is. Zowel uit een oogpunt van zorgvuldige wetgeving als gelet op het maatschappelijk oordeel over de laakbaarheid van deze vormen van wederrechtelijke bevoordeling door misbruik van collectieve middelen past het te voorzien in de algemene strafbaarstelling van deze gedragingen in het Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt voorzien met de voorgestelde artikelen 227a en 227b Sr. Bij strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht kunnen de bepalingen die thans op datzelfde gedrag betrekking hebben, uiteraard vervallen.

Het invoegen van de nieuwe artikelen 227a en 227b Sr leidt ertoe dat de verschillende wijzen van frauduleuze bevoordeling vereenvoudigd, eenvormig en geconcentreerd in één titel van het Wetboek worden strafbaar gesteld. Het gaat hierbij om meer dan een legislatieve schoonheidsbehandeling, omdat de voorgestelde herinrichting van de fraudebepalingen de hanteerbaarheid van de wet verbetert. Dit komt de bestrijding van fraude uiteraard ten goede. De concentratie van de fraudebepalingen in het Wetboek van Strafrecht en de forse vermindering van hun aantal (zo'n 50 strafbepalingen worden geschrapt) bevordert immers de toegankelijkheid van de materie doordat de noodzaak om tientallen verschillende wetten te raadplegen komt te vervallen. De uniformering van strafbepalingen leidt er eveneens toe, dat vergelijkbare gedragingen op identieke wijze strafbaar worden gesteld én met dezelfde straf worden bedreigd. Daarmee wordt een aantal niet te rechtvaardigen verschillen weggenomen. Zo stelt bij voorbeeld de Algemene militaire pensioenwet op de nalatigheid inlichtingen te verschaffen een geldboete van de eerste categorie, terwijl de Algemene Ouderdomswet op dit feit gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie stelt. Daarnaast heeft de uniformering en beperking van het aantal verschillende strafbepalingen tot gevolg dat de kans op vergissingen - voorkomende doordat de bestaande bepalingen enige redactieverschillen vertonen - wordt verkleind waardoor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de bepalingen wordt bevorderd. Bovendien wordt, als gezegd, langs deze weg een aantal bestaande lacunes gevuld. Het betreft hier de in 13 wetten, waaronder bij voorbeeld de Wet sociale werkvoorziening, de Wet individuele huursubsidie en de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden, ontbrekende strafbaarstelling van het schenden van de verplichting informatie te verstrekken.”19

65. Daarnaast houdt de memorie van toelichting, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“In de sociale zekerheids- en pensioenwetgeving, de Wet op de Studiefinanciering en de wetgeving op aanverwante terreinen zijn globaal drie typen strafbepalingen te onderscheiden, die zien op de strafbaarstelling van het verstrekken van onware gegevens - al dan niet schriftelijk - en het nalaten te voldoen aan wettelijke verplichtingen om gegevens te verstrekken. Kort weergegeven zijn dat:

- het niet voldoen aan de wettelijke plicht tot het verstrekken van inlichtingen;

- het opzettelijk valselijk verstrekken of verzwijgen van gegevens;

- het opzettelijk in strijd met de waarheid een opgave doen met het oogmerk een (hogere) uitkering te verkrijgen.

65. Naar uit deze indeling blijkt, is in de sociale zekerheidswetgeving en daarmee verwante wetgeving het niet voldoen aan de plicht tot het verstrekken van inlichtingen als uitgangspunt genomen. De strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht, waaronder de aldus verboden gedragingen zijn te brengen (artt. 225 tot en met 227b Sr), kunnen niet op dezelfde wijze worden ingedeeld.

Bij de uitbreiding van de titel XII van het Tweede Boek zijn de bestaande artikelen 225-227 Sr (valsheid in geschriften) gehandhaafd en tot uitgangspunt genomen. Hieraan zijn met de artikelen 227a en 227b strafbepalingen toegevoegd voor situaties waarin anderszins onware gegevens worden verstrekt of waarin aan de wettelijke plicht tot het verstrekken van inlichtingen (opzettelijk) niet wordt voldaan. Op de wijze waarop in het Wetboek aan de strafbaarstelling van de gedragingen waarop de verschillende typen bijzondere strafbepalingen betrekking hebben, is vorm gegeven, wordt hieronder ingegaan.

[…]

Op de tweede plaats zijn er bepalingen die het opzettelijk in strijd met een hem bij of krachtens wettelijke voorschriften opgelegde verplichting valselijk verstrekken of verzwijgen van gegevens als misdrijf bedreigen met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie.

65. De meest gangbare formulering luidt als volgt: «Hij die op grond van bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.» Deze bepaling is opgenomen in de artikelen 79 ZW, 110 OSV, 63 AOW, 62 AWW, 34 AKW, 48 WWV, 94 WAO, 69 AWBZ, 84 AAW, 41 Toeslagenwet en 133 WW. In artikel 79 ZW is een vrijwel gelijkluidende bepaling opgenomen. De artikelen 44 Wbp, 37 Wbzo en 51 Wiv bedreigen met eenzelfde straf het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijke valse mededeling doen in gevallen waarin om inlichtingen wordt gevraagd. Artikel 17, tweede lid, WAGW bedreigt het opzettelijk in strijd met bepaalde inlichtingenplichten valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift of op enigerlei wijze een valse opgave doen met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie. Door opneming van deze bepalingen in het Wetboek van Strafrecht kan enige vereenvoudiging worden bereikt.

Artikel 227b, tweede lid, Sr stelt het niet voldoen aan de inlichtingenplicht (opzettelijk nalaten in strijd met een wettelijke plicht gegevens te verstrekken) strafbaar met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. Daarnaast kan een deel van de voornoemde gedragingen strafbaar zijn op grond van valsheid in geschrift (art. 225 Sr). Ook kunnen deze gedragingen worden vervolgd op basis van artikel 227a, tweede lid, Sr. Voor zover anders dan door valsheid in geschrift opzettelijk niet naar waarheid gegevens worden verstrekt, bevat artikel 227a Sr, tweede lid, een strafbaarstelling van een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie; zij het dat deze bepaling niet het bestanddeel bevat «in strijd met een hem bij of krachtens wettelijke voorschriften opgelegde verplichting».”20

66. Verder houdt de brief van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer met daarin het regeringsstandpunt over de wettelijke strafmaxima, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Ook de strafmaxima van vier jaar gevangenisstraf die in het wetsvoorstel concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen worden bedreigd tegen schending van de in de artikelen 227a en 227b Wetboek van Strafrecht opgenomen normen zijn, afgezet tegen de maxima gesteld op diefstal en valsheid in geschrifte, naar mijn mening juist gekozen. (…) Beide strafbaarstellingen bevatten het element van misbruik van vertrouwen, dat in de feitelijke toepassing van art. 225 Sr ook een belangrijke rol is gaan spelen. Het verschil ligt vooral daarin, dat het publica fides-element, het openbare vertrouwen in de juistheid van bepaalde geschriften, hier ontbreekt. Ook het vermogensaspect speelt hier, net als bij valsheid in geschrift, indirect een belangrijke rol. Deze strafbaarstellingen zien de facto op de onrechtmatige verkrijging van vermogen dat zich onder een ander bevindt. De ratio voor de lagere straf, gesteld op verduistering (het goed bevindt zich daar reeds onder de betrokkene) doet zich hier niet voor.”21

67. In de rechtspraak van de Hoge Raad is al enkele malen de verhouding tussen art. 225 Sr en strafbepalingen in sociale zekerheidswetgeving aan de orde gekomen. Dat betreft onder meer art. 48 (oud) Wet werkloosheidsvoorziening dat strafbaar stelde degene “die op grond van bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet, dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt”. In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 7 april 1987 had het hof het verweer dat art. 225 Sr toepassing miste, “omdat gevallen als deze uitsluitend worden beheerst door het samenstel van de art. 48 en 49 WWV in verband met art. 25 van die Wet” verworpen en daartoe overwogen “dat art. 48 WWV niet alle bestanddelen van art. 225 Sr bevat en dat onvoldoende grond bestaat om te kunnen aannemen, dat de wetgever desondanks heeft gewild, dat art. 48 WWV en art. 225 Sr zich verhouden als een bijzondere tot een algemene strafbepaling”. De Hoge Raad oordeelde dat het daarop betrekking hebbende cassatiemiddel faalde, omdat het hof het verweer terecht en op goede gronden had verworpen.22

68. Ook andere, soortgelijke bepalingen konden niet gelden als een bijzondere strafbepaling in de zin van art. 55, tweede lid, Sr. Zo oordeelde de Hoge Raad dat de opvatting dat art. 53 (oud) Organisatiewet sociale verzekering een bijzondere strafbepaling was ten opzichte van art. 225 Sr geen steun vond in het recht, aangezien de strafbaarstelling in art. 225 Sr haar grondslag vindt in het belang van de gemeenschap bij de betrouwbaarheid van – onder meer – het schriftelijke bewijsmiddel, waarbij het niet nodig is dat daardoor nadeel is toegebracht, terwijl de zin van de strafbaarstelling van art. 53 (oud) Organisatiewet sociale verzekering was gelegen in de bescherming van de openbare middelen ten behoeve van de sociale verzekeringen waarop die wet betrekking had.23 Met betrekking tot art. 84e (oud) en 84f (oud) Algemene bijstandswet kwam de Hoge Raad tot hetzelfde oordeel.24

69. Ten aanzien van de verhouding van art. 225 Sr tot art. 227b Sr geldt mijns inziens hetzelfde. Waar art. 225 Sr strekt tot de bescherming van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer aan de juistheid van geschriften met een bewijsbestemming moet kunnen worden toegekend, strekt art. 227b Sr namelijk tot de bescherming van de openbare middelen.25 Ook bevat de parlementaire geschiedenis naar mijn mening geen aanknopingspunten voor de opvatting dat art. 227b Sr moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling in de zin van art. 55, tweede lid, Sr. Van een systematische specialiteitsverhouding tussen art. 227b Sr en art. 225 Sr is mijns inziens dan ook geen sprake.

70. Gelet op het voorgaande meen ik dat de opvatting dat art. 227b Sr zich als een bijzondere strafbepaling in de zin van art. 55, tweede lid, Sr verhoudt tot art. 225 Sr geen steun vindt in het recht. De derde klacht berust daarmee op een onjuiste rechtsopvatting en is tevergeefs voorgesteld.

71. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Vierde middel

72. Het middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

73. Namens de verdachte is op 9 oktober 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 6 januari 2021 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Ik wijs er verder ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.

74. Het middel slaagt.

Conclusie

75. Het vierde middel slaagt. Het eerste, tweede en derde middel falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

76. Ambtshalve heb ik, behoudens hetgeen ik heb opgemerkt inzake het recht op berechting binnen een redelijke termijn, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

77. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van een voetnoot.

2 H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 230-231.

3 Zie bijvoorbeeld HR 24 oktober 1978, NJ 1979/130, HR 7 april 1981, NJ 1981/443, HR 28 juni 1983, NJ 1984/11, HR 21 februari 1989, NJ 1989/903, HR 26 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3267, HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3249, HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3482, HR 16 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7213, HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8803, en HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1715. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2017:1076, onder 13) voor HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1076 (HR: 81 RO).

4 W. de Zanger, De ontnemingsmaatregel toegepast (diss. Utrecht), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 179-180, G.P. Vermeulen, De strafrechtelijke toepassing van de kasopstelling en de vermogensvergelijking, Zeist: Kerckebosch 2005, p. 32-42, en M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2001, p. 301-302.

5 ECLI:NL:PHR:2014:1749, onder 16, voor HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2758.

6 HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299 m.nt. N. Rozemond.

7 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen (ECLI:NL:PHR:2019:436, onder 11) voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299 m.nt. N. Rozemond.

8 Stcrt. 2012, 26827.

9 Stcrt. 2012, 26828.

10 Vgl. HR 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1496, rov. 2.4.1. Zie ook HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2105, NJ 2012/450 m.nt. Schalken.

11 De onderhavige zaak betreft twee gevoegde zaken. Het bestreden arrest houdt daarover het volgende in: “De hieronder vermelde feiten 1 t/m 5 zijn in eerste aanleg aangebracht met een dagvaarding met parketnummer 12-700440-11. De overige hieronder genoemde feiten zijn in eerste aanleg aangebracht met een dagvaarding met parketnummer 02-705283-13 (in welke dagvaarding deze feiten zijn genummerd als 1 t/m 4). Het hof zal, evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, de onder de parketnummers 12-700440-11 en 02-705283-13 aangebrachte ten laste gelegde feiten (door-)nummeren als 1 t/m 9 zoals hierna vermeld.” Feit 9 betreft het in de zaak met parketnummer 02-705283-13 onder 4 tenlastegelegde feit. In die zaak vond de eerste zitting van de rechtbank plaats op 16 december 2013.

12 Kamerstukken II 2002/03, 28870, nr. 3, p. 47.

13 In zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2006:AY7800, onder 4.4) voor HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY7800 (HR: art. 81 RO), schreef A-G Machielse dat er een verschil bestaat tussen het opgeven van inkomsten en het opgeven van inkomsten met vermelding van de bron en dat de verdachte kon volstaan met het opgeven van de inkomsten zonder daarbij te vermelden dat die inkomsten uit de handel in verdovende middelen kwamen en aldus de verdachte het niet opgeven die inkomsten niet om die reden behoefde na te laten. In de onderhavige zaak lijkt die redenering niet op te gaan. De als bijlage 3 bij de aanvulling bewijsmiddelen gevoegde Inkomstenverklaringen WWB bevatten namelijk niet alleen de vraag of de verdachte en zijn partner in de betreffende periode inkomsten, vermogen of een uitkering anders dan die van Sociale Zaken hebben ontvangen, maar houden ook in dat wordt gevraagd naar de soort inkomsten en de naam van de werkgever of de uitkeringsinstantie.

14 ECLI:NL:HR:2021:849.

15 Zie daarover nader J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 517-518, en F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 293-295.

16 Zie daarover nader J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 518-520, en F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 295-296.

17 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen (ECLI:NL:PHR:2018:1065, onder 24) voor HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2150 (HR: art. 81, eerste lid, RO), en de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee (ECLI:NL:PHR:2017:1542, onder 8) voor HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:247.

18 Stb. 2000, 40.

19 Kamerstukken II 1994/95, 23993, nr. 3, p. 3-4.

20 Kamerstukken II 1994/95, 23993, nr. 3, p. 15-17.

21 Kamerstukken II 1998/99, 26564, nr. 1, p. 11.

22 HR 7 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB9734, NJ 1988/62.

23 HR 14 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC3766, NJ 1987/391, rov. 8.3.

24 HR 15 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC4410, NJ 1991/314, rov. 5.2.

25 Vgl. W. Wedzinga & E.F. Stamhuis, ‘Concentratie strafbaarstelling fraude’, DD 1995, afl. 7, p. 728.