Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:751

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
20/02523
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1503
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Art. 414.1 tweede volzin Sv. Veroordeling wegens verkrachting, meermalen gepleegd. Middel over de door het hof aangelegde maatstaf bij de beoordeling van het verzoek van de raadsman ter terechtzitting om beschikbare prints van chatconversaties en beeld- en geluidsopnames aan het dossier toe te voegen, dan wel over de begrijpelijkheid van de afwijzende beslissing van het hof. Middel is gegrond, maar kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02523

Zitting 31 augustus 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 13 augustus 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 primair “verkrachting, meermalen gepleegd” en 2 “verkrachting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.

  2. Namens de verdachte heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt dat het hof bij de beoordeling van het verzoek van de verdediging om bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen, een verkeerde maatstaf heeft toegepast (namelijk: “het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan”), althans dat de beslissing tot afwijzing van dit verzoek – zonder nadere motivering, die ontbreekt – niet begrijpelijk is. Het verzoek van de verdediging heeft betrekking op stukken die bestaan uit prints van een chatconversatie tussen de verdachte en [aangeefster] (aangeefster) en beeld- en geluidsopnames van chatgesprekken tussen [betrokkene 1] (de vriendin van de verdachte) en [aangeefster].

4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 juli 2020 blijkt dat het hof, het verzoek van de verdediging om deze stukken aan het dossier toe te voegen aanvankelijk “vooralsnog”, en later “definitief” heeft afgewezen. Het proces-verbaal houdt hieromtrent het volgende in:

“De raadsman verzoekt het hof om prints van een chatconversatie tussen zijn cliënt en [aangeefster] en opnames van chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [aangeefster] aan het dossier toe te voegen. Hij brengt in dat verband het volgende naar voren:

Ik heb via de broer van mijn cliënt de beschikking gekregen over een deel van de informatie die op de inbeslaggenomen telefoon van mijn cliënt stond. In eerste aanleg heeft de verdediging tevergeefs om inzage in de telefoon gevraagd, maar omdat deze informatie op de computer van mijn cliënt bleek te staan, is die nu toch beschikbaar. Ik heb prints van een chatconversatie tussen mijn cliënt en [aangeefster] uit de periode van 6 december 2018 tot en met 11 februari 2019, waarbij vooral de passages rond 2 februari 2019 van belang zijn. Er blijkt uit dat [aangeefster] twee weken voor de aangifte nog om seksueel contact met mijn cliënt vroeg. Als vervolgens blijkt dat de relatie niet meer te repareren is, komt er een omslagpunt en verschiet [aangeefster] van kleur.

Ik heb verder beeld- en geluidsopnames van chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [aangeefster]. Daaruit blijkt dat [aangeefster] [betrokkene 1] aanmoedigde om ook aangifte te doen tegen mijn cliënt en dat zij in dat kader spreekt over ‘aandikken’. Deze opnames zijn relevant voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster]. Ik kan de geluidsopnames ter zitting laten horen en kan een USB met de opnames aan het hof overhandigen. Het is te verifiëren dat [aangeefster] en [betrokkene 1] op de geluidsopnames te horen zijn, maar dat kan niet vandaag.

Ik heb deze stukken niet eerder onder de aandacht gebracht, omdat ik de opnames van de chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [aangeefster] pas dit weekend heb gekregen en ik lang bezig ben geweest om ze te openen. Ik heb vooral mijn best gedaan om het technisch voor elkaar te krijgen dat ik de opnames hier vandaag kan aanbieden. Hier ben ik gisteren tot na sluitingstijd mee bezig geweest. Toen heb ik pas bedacht dat ik prints van de chatconversatie tussen mijn cliënt en [aangeefster] wilde overleggen, omdat deze juist van belang zijn in combinatie met de opnames. Ik heb het hof hier toen niet meer van op de hoogte gesteld. Ik begrijp dat de zaak vandaag niet inhoudelijk behandeld kan worden als mijn verzoek wordt toegewezen. Dat heb ik ook met mijn cliënt besproken en bij de afweging betrokken.
De advocaat-generaal geeft aan overvallen te zijn door het verzoek, merkt op dat vandaag niet te controleren is of de gesprekken zijn gevoerd tussen [aangeefster] en [betrokkene 1] en verzoekt het hof de opnames vandaag niet te beluisteren en de stukken niet toe te voegen aan het dossier. Zij deelt verder mee dat zij van de raadsvrouw van de benadeelde partij heeft vernomen dat [aangeefster] beschikt over screenshots van een chatgesprek en een opname van een telefoongesprek tussen haar en [betrokkene 1], waaruit blijkt dat de relatie tussen verdachte en [betrokkene 1] verbroken is geweest en dat het vervolgens niet leuk en niet goed is verlopen. De advocaat-generaal geeft aan dat zij zich kan voorstellen dat, indien het verzoek van de raadsman mocht worden toegewezen, ook deze stukken van [aangeefster] aan het dossier zullen worden toegevoegd en dat [aangeefster] en [betrokkene 1] dan wellicht bij de raadsheer-commissaris moeten worden gehoord.

De voorzitter onderbreekt de zitting voor beraad.

Na hervatting van de zitting deelt de voorzitter mee dat het verzoek van de raadsman om de stukken aan het dossier toe te voegen vooralsnog wordt afgewezen. Reden daarvoor is met name het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan. De voorzitter geeft aan dat verdachte wel over de stukken kan vertellen en dat de raadsman er bij pleidooi op kan terugkomen.

[….]

Verdachte verklaart als volgt.

[…]

Op verzoek van de raadsman leg ik uit wat voor mij het meest van belang is in de conversaties die ik wilde inbrengen. Het gaat mij om het beeld dat van mij geschetst wordt. In de conversatie tussen mij en [aangeefster] wordt duidelijk dat het eigenlijk andersom is, dat [aangeefster] veel druk op mij zette en dat ze ook veel seksuele wensen had. Ik wilde daarmee ook deels mijn onschuld aantonen. Ze zegt dat ze slachtoffer is en een mak lammetje, maar ondertussen gaat ze enorm tekeer en worden er over de app allemaal dingen gezegd als: Jij gaat mij vanavond likken. Doe je dat niet en dan allerlei consequenties. Dat staat er letterlijk. Ook vraagt ze om seks. Als ik ergens anders ben, schrijft ze bijvoorbeeld: Je moet nu hier komen, dan kan je me laten squirten. Nu wordt ik als een beest afgeschilderd, maar twee maanden voor de aangifte heeft ze dus nog allerlei seksuele wensen. Er is sprake van een conflict in de relationele sfeer. Ze schreef dat ik [betrokkene 1] moest verlaten en anders zou ze mijn leven kapot maken. Daar zouden [betrokkene 1] en ik dan nog wel achter komen. Alle beschuldigingen die ze nu heeft geuit, daar heeft ze destijds al mee gedreigd. Het was een hele nare situatie. Ik hield het vol uit angst dat ik mijn kinderen zou verliezen en zij dreigde er ook mee dat ik ze niet meer zou zien als ik haar verliet. Daarom was ik ook een civiele procedure gestart.

[…]

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling daarop brengt hij het volgende naar voren:

- [aangeefster] doet in berichten aan [betrokkene 1] blijken dat zij verdachte niet zomaar wilde laten gaan. Dit is de context waarin er moet worden geoordeeld.

[…]

- De geluidsopname is met name relevant, omdat eruit blijkt dat [aangeefster] blijkbaar heel goed weet wat je wel en niet moet zeggen en welke emoties je moet tonen; je moet huilen. U moet er naar mijn mening daarom rekening mee houden dat de verklaring van [aangeefster] niet alleen uit haar herinnering tot stand is gekomen.

[…]

De voorzitter onderbreekt de zitting voor beraad.

Na de hervatting van de zitting deelt de voorzitter mee dat het verzoek van de raadsman tot het toevoegen van stukken aan het dossier, dat aan het begin van de zitting vooralsnog werd afgewezen, definitief wordt afgewezen. De raadsman heeft gelegenheid gehad om er bij pleidooi een punt over te maken heeft en dat heeft niet geleid tot een ander standpunt van het hof. In reactie op de opmerking van verdachte dat hij dit jammer vindt, omdat er veel uit blijkt, merkt de voorzitter op dat verdachte en de raadsman er wel wat over hebben verteld.”

5. Het middel klaagt over de beslissing van het hof op het verzoek van de verdediging om prints van een chatconversatie tussen de verdachte en de aangeefster [aangeefster] en beeld- en geluidopnames van chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [aangeefster] aan het dossier toe te voegen. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat zowel wanneer het verzoek van de verdediging wordt begrepen als een verzoek tot “acceptatie” van op de voet van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv te overleggen stukken, alsook wanneer het wordt begrepen als een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv, om toepassing te geven aan art. 315 Sv, het hof bij zijn beslissing is uitgegaan van een verkeerde maatstaf, waardoor de beslissing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat deze beslissing zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.

6. Het verzoek van de raadsman moet naar mijn oordeel worden aangemerkt als een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv. Art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv heeft betrekking op het geval waarin de advocaat-generaal en de verdachte in hoger beroep nieuwe stukken van overtuiging of bescheiden kunnen overleggen.1 De raadsman had de betreffende stukken waarop zijn verzoek betrekking had, zelf ter terechtzitting tot zijn beschikking, zodat een bevel van de rechter tot het overleggen van deze stukken in de zin van art. 315, eerste lid, Sv niet noodzakelijk was. De overweging van het hof, dat het verzoek van de raadsman tot het toevoegen van stukken aan het dossier wordt afgewezen, dient daarom zo te worden begrepen dat het hof heeft geweigerd de bescheiden aan te nemen die de raadsman op de voet van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv wilde overleggen. Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat sprake was van een verzoek als bedoeld in art. 328 jo. 315, 331 en 415 Sv, mist het feitelijke grondslag.2

7. Bij de beoordeling van het middel moet gelet op het voorgaande worden vooropgesteld hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 29 juni 2010 heeft overwogen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid die is neergelegd in art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv. De uitoefening van die bevoegdheid is onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Voorts geldt dat de rechter een afwijzende beslissing op een verzoek tot het overlegging van nadere bescheiden of stukken van overtuiging zal dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf, te weten de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde.3

8. Aan zijn verzoek om stukken aan het dossier toe te voegen, heeft de raadsman ten grondslag gelegd dat deze relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster], onder meer omdat daaruit zou blijken dat zij [betrokkene 1] aanmoedigde om ook aangifte tegen de verdachte te doen en dat zij in dat kader spreekt over “aandikken”. De stukken moeten daarmee als ontlastend worden beschouwd. Gelet op hetgeen onder randnummer 7 is vooropgesteld, vormt daarmee het (gevorderde) stadium waarin de procedure zich bevindt geen grond een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv, te weigeren.

9. Het hof heeft het verzoek van de raadsman eerst “vooralsnog” afgewezen, waarbij het hof als reden “met name het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan” heeft gegeven, en vervolgens “definitief” waaraan als redenen ten grondslag zijn gelegd dat de raadsman gelegenheid heeft gehad “om er bij pleidooi een punt over te maken” en dat de verdachte en de raadsman “er wel wat over hebben verteld”. Voor zover het hof het verzoek al heeft getoetst aan de hiervoor genoemde maatstaf, heeft het in ieder geval onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.4.

10. De vraag is vervolgens of het voorgaande tot cassatie dient te leiden. Gelet op art. 80a RO kan van de verdediging worden gevergd dat zij in de cassatieschriftuur toelicht welk belang zij heeft bij een klacht over de afwijzing van het verzoek tot overlegging van die stukken.5 De schriftuur volstaat op dit punt met een verwijzing naar het belang dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in de toelichting op zijn verzoek zou hebben aangetoond. In dit verband wijs ik erop dat aan het verzoek ten grondslag is gelegd dat de stukken relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster], onder meer omdat daaruit zou blijken dat zij [betrokkene 1] aanmoedigde om ook aangifte tegen de verdachte te doen en dat zij in dat kader spreekt over “aandikken”.

11. Het hof heeft overwogen dat zowel de verdachte als de raadsman zich daarover hebben kunnen uitlaten op basis van de stukken waarop het verzoek betrekking heeft. Verder bevat het bestreden arrest overwegingen met betrekking tot het bewijs die relevant zijn voor de beoordeling van het belang van de verdachte bij cassatie. Alvorens die weer te geven, geef ik voor de begrijpelijkheid daarvan eerst de bewezenverklaring weer.

12. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“1. primair

hij in de periode van 31 maart 2005 tot 31 maart 2009 te Groningen en te Scharmer meermalen door geweld of andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina en/of de anus van die [aangeefster] gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte:

- op die [aangeefster] is gaan liggen en de broek van die [aangeefster] naar beneden heeft gedaan en

- is doorgegaan met het plegen van voornoemde handelingen, terwijl die [aangeefster] zei dat ze niet wilde en daarbij die [aangeefster] heeft vastgehouden en

- tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat ze niet naar huis mocht, als ze geen seks met hem, verdachte, zou hebben en

- die [aangeefster] aan de haren heeft getrokken en/of heeft geslagen en/of in de arm(en) heeft geknepen, als die [aangeefster] zei dat ze geen seks wilde en

- de keel van die [aangeefster] heeft dichtgeknepen

en aldus telkens voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

2.

hij in de periode van 31 maart 2011 tot 11 februari 2019 te Groningen en te Assen en te Maastricht meermalen door geweld of andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina en/of de anus van die [aangeefster] gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte:

- is doorgegaan met het plegen van voornoemde handeling(en), terwijl die [aangeefster] zei dat ze niet wilde en

- die [aangeefster] heeft geslagen en

- tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat hij de baas is en dat zij moet luisteren en

- tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat hij bij haar weg zou gaan als zij geen seks met hem zou hebben en

- die [aangeefster] heeft gebeten en

- de broek van die [aangeefster] naar benden heeft gedaan en tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat hij de kinderen wakker gaat maken als zij geen seks met hem heeft en

- die [aangeefster] wakker heeft gehouden, totdat zij seks met hem heeft en/of daarbij tegen die [aangeefster] heeft gezegd: Je gaat pas slapen als ik in jou ben geweest en/of daarbij die [aangeefster] heeft geslagen,

en aldus telkens voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.”

13. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:

“Ten aanzien van het verweer van verdachte dat [aangeefster] de feiten en omstandigheden in haar verklaringen heeft aangedikt, overweegt het hof dat de verklaringen, ook als zou worden aangenomen dat dat het geval is, daarmee niet geheel onbetrouwbaar zouden worden. Ook als het hof de verklaringen beschouwt met inachtneming van een zekere aandikking, is het hof van oordeel dat met deze verklaringen in samenhang met bovengenoemd steunbewijs wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.”

14. Over voormeld steunbewijs bevat het bestreden arrest de volgende overwegingen:

“Ten aanzien van feit 1 primair:

[…]

De ouders van [aangeefster] hebben reeds in september 2008 hun zorgen geuit over de relatie tussen verdachte en [aangeefster] waarbij zij het vermoeden hebben geuit dat verdachte gewelddadig is richting [aangeefster] en haar onderdrukt. In het daaropvolgende informatieve gesprek bij de politie geeft de moeder van [aangeefster] aan dat zij verdachte verboden heeft seks met haar dochter te hebben, maar dat zij haar toch een keer samen met verdachte in bed heeft aangetroffen. Het hof overweegt dat deze verklaring aan betrouwbaarheid en geloofwaardigheid wint doordat de moeder deze gebeurtenis elf jaar later wederom aanhaalt in haar verklaring bij de rechter-commissaris. Anders dan de raadsman betoogt, is het hof van oordeel dat het feit dat in de mutatie van september 2008 is vermeld dat de moeder bij doorvragen alleen maar vermoedens had, niet afdoet aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de beschrijving van de gebeurtenis door de moeder tijdens het informatieve gesprek en in de verklaring bij de rechter-commissaris. De mutatie betreft immers slechts een korte weergave van meldingsgesprek waaruit niet blijkt wat de moeder exact heeft gezegd, noch welke vragen haar precies zijn gesteld. Bovendien is de moeder bij de rechter-commissaris uitgebreid en kritisch bevraagd door de raadsman waarbij zij volhardt in haar verklaring dat zij haar dochter half ontkleed bij verdachte thuis in zijn bed heeft aangetroffen, waarbij hij haar klem hield, terwijl duidelijk was dat [aangeefster] daar weg wilde.

Verder staat vast dat [aangeefster] in juli 2008 een abortus heeft ondergaan en blijkt uit het dossier dat in ieder geval [aangeefster] en haar moeder ervan uitgingen dat verdachte de vader was, terwijl – ook volgens de verklaringen van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en bij het hof – er sprake van is geweest of verdachte mee zou gaan naar het ziekenhuis. Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte ontkend de vader te zijn geweest.

Daar komt bij dat in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming wordt stilgestaan bij de relatie van verdachte en [aangeefster]. [aangeefster] verklaart reeds in 2009 dat verdachte geweld tegen haar toepast, dat verdachte haar tegen haar wil heeft gedwongen tot geslachtsgemeenschap en dat zij zwanger is geweest van verdachte. Het verweer tot bewijsuitsluiting dat de raadsman ten aanzien van dit rapport heeft gevoerd, wordt verworpen. De stellingen dat de rapporteur enkel de redenen voor zorg voor het kind inventariseert en mededelingen van referenten samenvat en interpreteert waardoor de verslaglegging niet betrouwbaar is en dat er door de dubbele vertaling mogelijk fouten in het rapport zitten, zijn onvoldoende onderbouwd. Het hof heeft geen reden om aan de inhoud van het rapport te twijfelen en ziet ook overigens geen reden waarom het rapport zou moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Daarnaast maakt [aangeefster] in 2014 een melding van het feit dat zij vanaf haar dertiende levensjaar meermalen is verkracht door verdachte. Zij verwijst daarbij ook naar een eerdere aangifte van mishandeling die zij tegen verdachte heeft gedaan.

Uit het voorgaande blijkt dat er in de tenlastegelegde periode steeds signalen waren en dientengevolge ernstige zorgen zijn ontstaan dat [aangeefster] door verdachte gedwongen werd tot het ondergaan van seksuele handelingen. Deze vinden in doorslaggevende zin hun bevestiging in de verklaringen van de moeder van [aangeefster] die verklaart dat zij haar dochter heeft aangetroffen in een situatie waarin zij, half ontkleed liggend op een bed, tegen haar wil door verdachte werd klem gehouden.

De stelling van verdachte dat hij pas een (seksuele) relatie met [aangeefster] kreeg toen zij zeventien jaar was, wordt verder gelogenstraft door de sms die [aangeefster], dan moeder van vier kinderen met verdachte, op 6 januari 2019 aan [betrokkene 1], de dan zeventienjarige nieuwe relatie van verdachte, stuurt: “ik ben al zn nr 1 al sinds 2006”. [aangeefster] was dertien jaar in 2006.

[…]

Ten aanzien van feit 2:

Het hof overweegt allereerst dat de verklaringen die [aangeefster] heeft afgelegd over de diverse verkrachtingen die zich in de ten laste gelegde periode hebben afgespeeld consistent, uitgebreid en gedetailleerd zijn en op grond van de inhoud als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt temeer nu deze verklaringen voldoende steun vinden in overige bewijsmiddelen.

In dat verband is allereerst de ter terechtzitting in eerste aanleg beluisterde geluidsopname van 2 februari 2018 van belang. Hierop is te horen dat verdachte [aangeefster], ondanks dat zij meermalen aangeeft dat zij wil slapen en geen behoefte heeft aan geslachtsgemeenschap, wil dwingen tot seks en dat er worstelingen plaatsvinden. Het hof, dat zelf de geluidsopname ook heeft beluisterd, tilt zwaar aan dit geluidsfragment. Dat op de geluidsopname niet te horen is dat er daadwerkelijk geslachtsgemeenschap plaatsvindt, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de waarde ervan. Met name gelet op de bewoordingen die door verdachte en [aangeefster] zijn gebruikt, acht het hof het aannemelijk dat er daadwerkelijk geslachtgemeenschap heeft plaatsgevonden. Het hof acht het ongeloofwaardig dat de situatie door [aangeefster] zou zijn gemanipuleerd met het doel bewijsmateriaal tegen verdachte te vergaren, zoals de raadsman heeft aangevoerd.

Verder vormt de verklaring van getuige [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris, waarin zij onder meer beschrijft dat verdachte [aangeefster], toen zij niet met hem mee naar boven wilde, in het gezicht sloeg, in haar been kneep en haar mee naar boven trok omdat hij volgens [betrokkene 2] seks met [aangeefster] wilde hebben, een bevestiging van de aangifte.”

15. Uit de bewijsoverwegingen van het hof kan worden opgemaakt dat het de verklaringen van [aangeefster] heeft beschouwd met inachtneming van een zekere aandikking en daarnaast in samenhang met steunbewijs, waaronder een voor het bewijs gebruikte schriftelijke weergave van een geluidsopname waaruit blijkt dat de verdachte [aangeefster] op 2 februari 2018 verbaal en fysiek heeft gedwongen tot seks. Gelet op de wijze waarop het hof de verklaringen van [aangeefster] heeft beschouwd en gezien het beschikbare steunbewijs voor de verklaringen van [aangeefster], hoeft het slagen van het middel naar mijn mening niet tot cassatie te leiden wegens het ontbreken van voldoende te respecteren belang voor de verdachte.

Slotsom

16. Het middel is gegrond, maar kan niet tot cassatie leiden.

17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Onder bescheiden moet worden verstaan: “elk stuk dat van belang kan zijn voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv.” Zie Hielkema in: T&C Sv 2019, art. 414 Sv, aant. 2.

2 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt verder nog dat de raadsman naar voren heeft gebracht dat hij de geluidsopnames ter terechtzitting “kan laten horen”. Een verzoek geluidsopnames tijdens de terechtzitting af te spelen, moet gelijk worden gesteld aan een verzoek nieuwe stukken van overtuiging over te leggen als bedoeld in art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv. Zie HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6332, NJ 2011/275, r.o. 3.3. Het hof heeft de woorden van de raadsman echter kennelijk en niet onbegrijpelijk niet opgevat als een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv. Het middel heeft geen betrekking op het door de raadsman ter terechtzitting kunnen laten horen van de geluidsopnames.

3 Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409, r.o. 2.3.

4 Vgl. HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2592, r.o. 2.3.2.

5 Vgl. HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2592, r.o. 2.4.