Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:749

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
20/00941
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1508
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Veroordeling wegens opiumwetdelicten, witwassen en WWM. Middel over bewijsvoering medeplegen waaruit niet zou kunnen worden afgeleid dat verdachte beschikte over de ‘alarmtelefoon’ die was gekoppeld aan een alarmsysteem in een hennepkwekerij. Middel over deelnemen aan een organisatie die tot doel heeft het “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” aanwezig hebben van hennep. Middel over opmerkingen ttz over redelijke termijn: strafvermindering of responsieplicht? Strekt tot verwerping. Samenhang met nr. 20/01031, nr. 20/00896 (geen middelen ingediend) en nr. 20/00897 (geen middelen ingediend).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/00941

Zitting 31 augustus 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 5 maart 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1 “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 2 “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd en diefstal”, 3 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 4 “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet”, 5 “witwassen, meermalen gepleegd” en 6 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof beslist over inbeslaggenomen maar nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals is omschreven in het arrest.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] , nr. 20/00897, [medeverdachte 2] , nr. 20/00896 en [medeverdachte 3] , nr. 20/01031. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte medepleger is ten aanzien van de feiten 1 en 2 gepleegd in [a-straat 1] te Beneden Leeuwen, nu de verdachte “onder meer de ‘alarmtelefoon’ bezat, […] in strijd [is] met de overweging/het oordeel van het hof dat de telefoon gekoppeld was aan [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] en dat die telefoon was achtergelaten voor [betrokkene 1] , zodat het arrest, althans de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen is omkleed”. Omdat het hof voor wat betreft de bewezenverklaringen van feiten die zijn gepleegd in de panden [b-straat 1] te Rijen en [c-straat 1] te Tilburg, mede verwijst naar de bewijsvoering die ten grondslag ligt aan de zaak ‘ [a-straat] ’, zijn de bewezenverklaringen van die feiten eveneens onvoldoende met redenen omkleed, aldus de stellers van het middel.

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:

“1.

hij op tijdstippen in de periode van I januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg en Rijen, gemeente Gilze-Rijen, en 's-Hertogenbosch en Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk heeft geteeld hoeveelheden hennepplanten, te weten

- in een pand gelegen aan de [a-straat 1] te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, in totaal 1588 hennepplanten en

- in een pand aan de [b-straat 1] te Rijen, gemeente Gilze-Rijen in totaal 433 hennepplanten en

- in een pand gelegen aan het [c-straat 1] te Tilburg een groot aantal hennepplanten en

- in een pand gelegen aan de [d-straat 1] te 's-Hertogenbosch 321 hennepplanten,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

en

hij in de periode van 1 januari 201 1 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg opzettelijk heeft geteeld en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hennepplanten en een hoeveelheid hennep, te weten

- in een pand gelegen aan de [e-straat 1] te Tilburg een aantal hennepplanten en 1,93 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 201 1 tot en met 24 januari 2012 te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, en Rijen, gemeente Gilze-Rijen, en Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, toebehorende aan een ander, te weten

- in een pand gelegen aan de [a-straat 1] te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal elektriciteit, toebehorende aan Liander, en

- in een pand gelegen aan de [b-straat 1] te Rijen, gemeente Gilze-Rijen elektriciteit, toebehorende aan Enexis,

- in een pand gelegen aan het [c-straat 1] te Tilburg elektriciteit, toebehorende aan Enexis, en

- in een pand gelegen aan de [e-straat 1] te Tilburg elektriciteit, toebehorende aan Enexis”.

6. Aan de klacht dat de bewijsvoering “innerlijk tegenstrijdig en/of onvoldoende met redenen is omkleed” wordt door de stellers van het middel ten grondslag gelegd dat het hof enerzijds heeft vastgesteld dat de verdachte de beschikking had over “de alarmtelefoon” en anderzijds dat “dat de telefoon gekoppeld was aan anderen, te weten [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] en dat die telefoon was achtergelaten voor weer een ander, te weten [betrokkene 1] ”, hetgeen met elkaar in strijd is.

7. De overwegingen van het hof waartegen het middel zich in het bijzonder richt, luiden aldus:

“Bij de ontmanteling van de hennepkwekerij bleek dat in het bedrijfspand [gelegen aan de [a-straat 1] te Beneden-Leeuwen, AG] een alarm- en beeldregistratiesysteem was aangelegd. Dit systeem was gekoppeld aan een module, die was voorzien van een simkaart. Uit onderzoek door de digitale expertise van de Dienst Nationale Recherche bleek dat in het geheugen van de simkaart het telefoonnummer [telefoonnummer] stond voorgeprogrammeerd. Tevens bleek uit het onderzoek dat, indien het alarmsysteem geactiveerd zou worden, de module automatisch het voorgeprogrammeerde telefoonnummer zou bellen. De bezitter van dit telefoonnummer wordt dan gealarmeerd.

In de periode van 8 mei 2011 tot en met 13 mei 2011 bevond [medeverdachte 3] zich in Oekraïne. Dit telefoonnummer bleek gekoppeld te zijn geweest aan het IMEI-nummer van een van de mobiele telefoons in gebruik bij [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] . Voordat hij vertrok, liet hij zijn alarmtelefoon, welke later in verbinding bleek te staan met de alarminstallatie in het pand aan de [a-straat 1] te Beneden-Leeuw, achter voor [betrokkene 1] .
[…]
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat tussen [medeverdachte 3] , [verdachte] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] alias [betrokkene 2] en de huurder van het pand, [betrokkene 3] , sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van de hennepkwekerij. […] [verdachte] kan – in zijn eigen woorden – worden aangemerkt als compagnon van [medeverdachte 3] . Hij had een rol bij de financiering van de hennepkwekerij en had de beschikking over de alarmtelefoon van het pand waar de hennepkwekerij zich bevond.”

8. In verband met de overweging van het hof dat de verdachte de beschikking had over de alarmtelefoon, houdt de bewijsvoering onder meer in dat de verdachte op 12 mei 2011 heeft gebeld met [medeverdachte 3] die zich op dat moment in Oekraïne bevond. Dit telefoongesprek vond plaats om 18:24 uur, kort nadat diezelfde dag om 17:28 uur de politie het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Beneden-Leeuwen was binnengetreden om de hennepkwekerij te ontmantelen. Even daarna, om 19:11 uur, belt de verdachte opnieuw met [medeverdachte 3] . Op dat moment straalt het telefoonnummer waarmee de verdachte belt “aan bij de paallocatie Zandstraat te Beneden-Leeuw”. In een voetnoot bij deze vaststelling verwijst het hof naar een “proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens, betreffende [telefoonnummer] ”. Dit telefoonnummer is het telefoonnummer waarvan het hof heeft vastgesteld dat dit door de “alarmtelefoon” wordt gebruikt. Hieruit heeft het hof klaarblijkelijk afgeleid dat de verdachte toen belde met de alarmtelefoon en daarover beschikte, zoals het hof heeft overwogen. Dit acht ik niet onbegrijpelijk en voor een verdere toets is in cassatie geen plaats.1

9. In zoverre faalt het middel.

10. Naast deze uitdrukkelijke klacht worden in het middel en de toelichting daarop argumenten herhaald op grond waarvan ter terechtzitting is onderbouwd dat de verdachte zou moeten worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen. Zo wordt in het middel naar voren gebracht dat door de verdediging ter terechtzitting “is aangevoerd dat de gedragingen van verdachte geen medeplegen opleveren, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.” Vervolgens wordt in de toelichting op het middel de inhoud van de ter terechtzitting overgelegde pleitnota geciteerd met daarin onder meer “Juridisch kader medeplegen”. Ook de schriftuur bevat onder 1.5 en 1.6 tamelijk uitvoerige uiteenzettingen over de eisen die in de rechtspraak aan het bewijs van medeplegen worden gesteld. Dit alles resulteert echter niet in een stellige en duidelijke klacht2 dat en waarom de bewijsvoering van het hof van het bewezenverklaarde medeplegen voor het overige tekort zou schieten. Om die reden heb ik mij bij de bespreking van de klacht dat de bewijsvoering “innerlijk tegenstrijdig en/of onvoldoende met redenen is omkleed” beperkt tot wat daaraan uitdrukkelijk ten grondslag is gelegd en laat ik de bewijsvoering van het medeplegen verder onbesproken.

11. Het middel faalt.

Het tweede middel

12. Het tweede middel klaagt dat het hof onder 4 strafbaar heeft geacht, het door de verdachte deelnemen aan een organisatie die tot doel heeft het “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” aanwezig hebben van hennep, terwijl de in art. 3 onder B jo. 11, derde lid, Opiumwet bedoelde “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” als strafverzwarende omstandigheid geen betrekking heeft op het aanwezig hebben van hennep.

13. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 4 bewezenverklaard dat

“hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, waartoe onder meer behoorden [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] (geb. [geboortedatum] -1980) en [betrokkene 4] (geb. [geboortedatum] -1982) en [betrokkene 2] ,

welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk

- telen en/of bewerken van hennep en

- verkopen en/of afleveren van hennep en

- aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, aan welke organisatie verdachte leiding heeft gegeven”.

14. Het hof heeft dit gekwalificeerd als:

“als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet”.

15. Met betrekking tot de bewezenverklaring en kwalificatie van feit 4 heeft het hof het volgende overwogen:

4.4. Organisatie

Uit de bewijsmiddelen, zoals hiervoor uitgewerkt ten aanzien van de zaaksdossiers betreffende hennepkwekerijen, de verkoop, het leveren en het voorhanden hebben van hennep, volgt dat er door [medeverdachte 3] , [verdachte] , [betrokkene 1] , [betrokkene 4] en [betrokkene 2] alias [betrokkene 2] en langdurig - ongeveer een jaar - is , samengewerkt bij het bedrijfsmatig opzetten van hennepkwekerijen en de daaruit voortvloeiende oogsten, verkopen en leveren van hennep aan derden. Niet iedere verdachte was bij elke kwekerij en de hennephandel (even sterk) betrokken en er werd in wisselende samenstellingen samengewerkt. Zo had [betrokkene 4] duidelijk een grotere rol bij de handel en de verkoop van hennep dan bij het kweken en volgt uit de bewijsmiddelen een grotere betrokkenheid van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij het opzetten, onderhouden en oogsten van de kwekerijen dan bij de handel in hennep.
[…]
4.5. Oogmerk misdrijven Opiumwet
Hennepteelt

Dat het oogmerk van de organisatie was gericht op hennepteelt blijkt uit het feit dat er gedurende een lange periode, grotendeels via eenzelfde professionele werkwijze, hennepkwekerijen werden opgezet.
[…]
Verkoop en levering van hennep
[medeverdachte 3] , [verdachte] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] hebben zich ook schuldig gemaakt aan de handel in hennep, zoals hiervoor in zaaksdossiers Jaguar en ’Adder is beschreven.
[…]

Aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep
De professionele kweek heeft geleid tot grote hoeveelheden hennep. De verdachten hebben allen bij het kweken, oogsten en/of leveren van hennep grote hoeveelheden daarvan voorhanden gehad. Zo heeft [betrokkene 2] 32,5 kilo hennep voorhanden gehad (zaaksdossier Valk) en was er bij de levering van hennep steeds sprake van aantallen die gelet op de genoemde bedragen betrekking hadden op kilo’s (zaaksdossiers Jaguar en Adder).

Het hof is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk telen van hennep en verkopen en afleveren van hennep en het aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep.”

16. Ten behoeve van de beoordeling van het middel geef ik de inhoud weer van art. 3, van art. 11, tweede, derde en vierde lid, en van art. 11a, eerste lid, Opiumwet zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde feit:

“Artikel 3
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.


Artikel 11
“2 Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

3 Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

4 Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
5 Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.”


Artikel 11a
“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”3

17. De stellers van het middel voeren aan dat uit de bewezenverklaring en overwegingen van het hof, die ik hierboven bij randnummers 13 en 15 heb weergegeven, “bezwaarlijk anders [kan] worden afgeleid dan dat het hof van oordeel is geweest dat de wet ook apart strafbaar heeft gesteld (deelneming aan een organisatie die tot doel heeft) het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aanwezig hebben van hennep, welk oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt”. De overwegingen van het hof wijzen naar mijn mening echter op iets anders.

18. Het hof maakt in zijn overwegingen onder 4.5 door middel van cursief gemaakte kopjes een onderscheid tussen “Hennepteelt”, “Verkoop en levering van hennep” en “Aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep”. Dit onderscheid sluit aan en past goed bij het onderscheid dat wordt gemaakt in art. 11 Opiumwet tussen enerzijds het “in de uitoefening van een beroep op bedrijf” telen, verkopen en afleveren van hennep, waarop art. 11, derde lid, jo. art. 3 onder B Opiumwet betrekking heeft en anderzijds het aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep waarop art. 11, vijfde lid, jo. art. 11, tweede lid, jo. art. 3 onder C, Opiumwet betrekking heeft.4 Het door het hof gemaakte onderscheid staat haaks op de uitleg die in de schriftuur aan de overwegingen van het hof wordt gegeven. Het hof heeft nergens aangegeven dat de organisatie “in de uitoefening van een beroep op bedrijf” hennep aanwezig heeft gehad.

19. Het middel berust op een verkeerde lezing van het arrest en faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Het derde middel

20. Het derde middel klaagt dat het hof “ten onrechte de opgelegde straf niet [heeft] gematigd in verband met de schending van de redelijke termijn in hoger beroep” althans “niet [heeft] doen blijken te hebben onderzocht of ook in hoger beroep inbreuk is gemaakt op het recht van verdachte op de garantie van art. 6 lid 1 EVRM”. Aangevoerd wordt dat het hof een en ander had moeten doen omdat de raadsman van de verdachte op de terechtzitting van 20 januari 2020 “uitdrukkelijk aandacht heeft gevraagd voor het feit dat op die datum en de datum waarop het hof zeer waarschijnlijk uitspraak zou doen de redelijke termijn van de berechting nog net niet zou zijn overschreden, en het hof nadien de behandeling van de zaak een aantal malen heeft aangehouden en uiteindelijk uitspraak heeft gedaan op 5 maart 2020, derhalve niet binnen 2 jaar na het instellen van hoger beroep”.

21. Voor de beoordeling van het middel is de volgende gang van zaken van belang die betrekking heeft op de behandeling van de zaak in hoger beroep.

22. De verdachte heeft op 2 maart 2018 hoger beroep laten instellen tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2018.

23. Op 15 februari 2019 heeft een regiezitting plaatsgevonden en is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. Daarbij heeft het hof bevolen dat de raadsheer-commissaris een vijftal door de verdediging opgegeven personen als getuige zal horen.

24. Vervolgens is de zaak tegen de verdachte inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 januari 2020. Daar is onder meer aan de orde gesteld dat de sluiting van het onderzoek in de zaak tegen de verdachte zal plaatsvinden op de terechtzitting van 7 februari 2020 waar de zaak tegen een van de medeverdachten inhoudelijk zal worden behandeld. Ik wijs op de mededelingen van de voorzitter die hij bij aanvang van de terechtzitting heeft gemaakt en als volgt zijn weergegeven in het proces-verbaal dat van die terechtzitting is opgemaakt:

“De voorzitter deelt mede dat de strafzaak tegen verdachte gelijktijdig, doch niet gevoegd, zal worden behandeld met de eveneens ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaken onder parketnummers 20-000804-18, 20-000805-18 en 20-000806-18 tegen respectievelijk [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [A] B.V.

Voorts deelt de voorzitter het volgende mede:

Het hof was voornemens de strafzaak tegen verdachte eveneens gelijktijdig, doch niet gevoegd, te behandelen met de ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaak onder parketnummer 20-000786-18 tegen [medeverdachte]5, maar in verband met privéomstandigheden van de raadsman van [de genoemde medeverdachte], mr. B.Th. Nooitgedagt, is die zaak vanochtend aangehouden tot de terechtzitting van 7 februari 2020. Het hof is voornemens op die terechtzitting het onderzoek in de strafzaak tegen verdachte en de medeverdachten te sluiten.”

25. In verband met de beoordeling van het middel is van belang, dat de ter terechtzitting van 20 januari 2020 door de raadsman overgelegde pleitnota het volgende inhoudt met betrekking tot de redelijke termijn:

Redelijke termijn

77. De rechtbank heeft hier uitvoerig bij stilgestaan. Hoewel in hoger beroep de zaak is afgedaan binnen twee jaar na vonnis van de rechtbank, hebben de feiten waarvan cliënt worden verweten inmiddels wel een baard gekregen.

78. In de overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank aanleiding gezien aan de 'gewone' deelnemers geen gevangenisstraf op te leggen langer dan het voorarrest. Gelet op de bepleitte algehele vrijspraak ten aanzien van zaaksdossier Sepia dan wel het subsidiaire verweer ten aanzien van het leidinggeven, hoort ook in het geval van cliënt de straf lager uit te vallen. Ik merk daarbij op dat cliënt ruim 6 maanden voorlopig gehecht is geweest en daarna nog ruim 3 jaar onder een geschorst bevel VH heeft geleefd.”

26. In aanvulling hierop heeft de raadsman ter terechtzitting, nog opmerkingen gemaakt die betrekking hebben op de redelijke termijn en als volgt zijn weergegeven in het proces-verbaal dat van de terechtzitting is opgemaakt:

“De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. Buiten de pleitnota om voert de raadsman het volgende aan:

[…]

Na punt 77 op pagina 23:
De redelijke termijn zal in hoger beroep net, op een paar dagen na, niet worden overschreden, denk ik. Vast staat dat de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden. Mijn confrère, die de medeverdachten […]6 en […]7 bijstaat, noemde deze zaak zojuist een van de oudste zaken die hij onder zich heeft. Ik heb de zaak Landlord, die speelt in Maastricht en door het hof is teruggewezen naar de rechtbank, ook onder mij. In die zaak gaat het om feiten die hebben plaatsgevonden in 2004. In dat kader is ook een verjaringsverweer gevoerd. Die zaak is nog ouder dan deze zaak, maar vast staat dat de onderhavige zaak uit 2011 komt en inmiddels ook een baard heeft gekregen. Dat mag met recht worden gezegd.”

27. In verband met de verdere voortgang van de behandeling van de zaak in hoger beroep is van belang dat op de terechtzitting van 20 januari 2020 is medegedeeld dat het onderzoek in de zaak tegen de verdachte zal worden gesloten ter terechtzitting van 7 februari 2020 en uitspraak zal worden gedaan op 21 februari 2020. De afsluitende mededelingen van de voorzitter hieroven zijn als volgt in het proces-verbaal weergegeven:

“Zoals reeds is aangekondigd, zal het onderzoek niet ter terechtzitting van heden worden gesloten. Medeverdachte […]8 en zijn raadsman, mr. B.Th. Nooitgedagt, zijn vanochtend ter terechtzitting verschenen. In verband met een sterfgeval van een directe naaste van de raadsman achtte hij zichzelf niet in staat om een behoorlijke verdediging te voeren. Die zaak is derhalve aangehouden tot de terechtzitting van het hof van 7 februari 2020. Het onderzoek in de onderhavige zaak en de strafzaken tegen de medeverdachten zal in beginsel op die terechtzitting worden gesloten en veertien dagen na die terechtzitting, op 21 februari 2020 te 9.00 uur, zal het hof uitspraak doen. Het hof zal het onderzoek ter terechtzitting daarom onderbreken tot de terechtzitting van 7 februari 2020 te 9.00 uur.”

28. Vervolgens is het onderzoek, onder aanzegging van de raadsman, onderbroken tot de terechtzitting van 7 februari 2020.

29. Het onderzoek van de zaak is ter terechtzitting van 7 februari 2020 niet gesloten, zoals was aangekondigd ter terechtzitting van 20 januari 2020, maar dat het onderzoek daar (opnieuw) is onderbroken tot de terechtzitting van 20 februari 2020. Verder is daar aangekondigd dat uitspraak zal worden gedaan op 5 maart 2020. Het proces-verbaal dat is opgemaakt van de terechtzitting van 7 februari 2020 houdt hierover het volgende in:

“De verdachte […]
is niet verschenen.
De raadsman van verdachte mr. V. Poelmeijer, advocaat te Amsterdam, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
[…]
De zaak tegen [de medeverdachte]9 onder parketnummer 20-000786-18 is vanochtend behandeld. In verband met de omvangrijkheid van de zaak en de gevoerde verweren zal het onderzoek ter terechtzitting worden onderbroken tot de terechtzitting van 20 februari 2020. Op die terechtzitting zal het onderzoek in alle zaken worden gesloten. Het hof zal ter terechtzitting van 5 maart 2020 te 9.00 uur uitspraak doen. De griffier zal de raadsman in de onderhavige zaak per e-mail op de hoogte stellen van deze beslissing en hem verzoeken de verdachte daarvan op de hoogte te stellen.”

30. Ter terechtzitting van het hof van 20 februari 2020 heeft het hof het onderzoek van de zaak hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting van 7 februari 2020. Het proces-verbaal dat van de terechtzitting is opgemaakt, houdt in dat de verdachte en de raadsman niet ter terechtzitting zijn verschenen. Het proces-verbaal houdt verder in dat de voorzitter het onderzoek gesloten heeft verklaard en als beslissing van het hof heeft medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 5 maart 2020.

31. Het hof heeft op 5 maart 2020 het arrest gewezen waartegen cassatie is ingesteld.

32. In zijn arrest heeft het hof het volgende overwogen met betrekking tot de redelijke termijn:

Redelijke termijn

Het hof overweegt met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak het volgende.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 24 januari 2011 in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 20 februari 2018 vonnis gewezen. De tijd tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt ruim zes jaren. De redelijke termijn is in eerste aanleg derhalve met ruim vier jaren overschreden.

De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van omstandigheden als de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof stelt vast dat hoewel de zaken inhoudelijk niet heel ingewikkeld zijn, het wel een zeer omvangrijk dossier betreft, met veel verdachten, op basis van een groot en langdurig onderzoek. Hierbij past ook het grote aantal onderzoekswensen, waaronder het horen van een groot aantal getuigen in het buitenland. Hoewel dit niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, is dat wel een vertragende factor. Naar het oordeel van het hof is dit reden voor enige verlenging van de redelijke termijn met een halfjaar.
Voorts heeft de hardnekkige weigering van het Openbaar Ministerie om het onderzoek Patrijshond ter beschikking te stellen, toen daar vanuit de verdediging om werd verzocht, tot aantoonbare vertraging geleid. Pas nadat de rechter-commissaris daartoe opdracht had gegeven, is dit alsnog geschied. Tot slot constateert het hof dat de grootste vertraging is opgelopen doordat de zaak lange tijd bij de rechter-commissaris en de rechtbank heeft stilgelegen, hetgeen niet aan de verdachte en/of de raadsman is te wijten.
Al met al is het hof van oordeel dat slechts in beperkte mate sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere redelijke termijn kunnen rechtvaardigen en dat die termijn 2,5 jaren bedraagt. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met 3,5 jaren. Deze zeer forse overschrijding dient gevolgen te hebben voor de op te leggen straf. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat een strafvermindering van 25% zal worden toegepast en de gevangenisstraf zal worden gematigd van 36 maanden tot 27 maanden, met aftrek van voorarrest.”

33. Hieruit volgt dat het hof zich niet uitdrukkelijk heeft uitgelaten over de vraag of de redelijke termijn is overschreden bij de behandeling van de zaak in hoger beroep.

34. Bij de beoordeling van het middel moet als uitgangspunt worden genomen dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld.10 In de onderhavige zaak is de zaak afgerond twee kalenderjaren en drie dagen na het instellen van hoger beroep.

35. Bij de beoordeling van het middel moet ervan worden uitgegaan dat het hof ambtshalve heeft onderzocht of inbreuk is gemaakt op het recht om in hoger beroep binnen een redelijke termijn te worden berecht. In zijn arrest heeft het hof niets overwogen waaruit kan blijken dat het hof dit onderzoek heeft verricht. Het hof was daartoe in de onderhavige zaak slechts gehouden als “ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven”.11

36. Wat ter terechtzitting van het hof is aangevoerd met betrekking tot de redelijke termijn, kan niet worden aangemerkt als een verweer dat de redelijke termijn bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Ter terechtzitting van het hof van 20 januari 2020, heeft de raadsman in zijn daar overgelegde pleitnota gewezen op de redelijke termijn en de behandeling van de zaak in hoger beroep, net als in de opmerkingen die de raadsman in zijn aanvulling daarop mondeling heeft gemaakt. Hij is er daarbij echter van uitgegaan dat het hof binnen een redelijke termijn arrest zou wijzen en heeft daarom geen verweer ter zake gevoerd. Hieraan doet niet af dat de behandeling van de zaak daarna anders is verlopen omdat de raadsman van de verdachte daarvan telkens op de hoogte is gesteld zoals blijkt uit de hierboven weergegeven inhoud van de processen-verbaal die van de terechtzittingen zijn opgemaakt.

37. Ook de klacht dat het hof “ten onrechte de opgelegde straf niet [heeft] gematigd in verband met de schending van de redelijke termijn in hoger beroep” faalt. In cassatie kan niet met succes worden geklaagd over schending van de redelijke termijn indien – zoals in de onderhavige zaak – “de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd”.12 In de onderhavige zaak kan dit de verdachte naar mijn mening niet goed worden tegengeworpen, omdat anders dan was aangekondigd, het hof het onderzoek niet heeft gesloten op 7 februari 2020, maar eerst op 20 februari 2020 en vervolgens uitspraak heeft gedaan op 5 maart 2020, terwijl pas daarmee sprake is van een (zeer lichte) overschrijding van de termijn van twee jaren na het instellen van het hoger beroep op 2 maart 2018. Wel wijs ik erop dat de redelijkheid van de duur van een zaak onder meer afhankelijk is van de ingewikkeldheid van de zaak waaronder, zoals in de onderhavige zaak, de gelijktijdige behandeling van zaken tegen medeverdachten.13 Gelet hierop in combinatie met de mate waarin de termijn van twee jaren is overschreden, te weten enkele dagen, geeft het kennelijke oordeel van het hof dat in dit geval geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

38. Het middel faalt in alle onderdelen.

Slotom

39. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

40. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, r.o. 3.3.

2 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179.

3 Art. 3 en 11 Opiumwet zijn sindsdien niet gewijzigd. Met ingang van 1 maart 2015 is art. 11a Opiumwet vernummerd tot art. 11b, en is na “11, derde, vierde en vijfde lid” toegevoegd “of 11a”. Zie art. I onder A en B, Wet van 12 november 2014 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt, Stb. 2014, 444; i.w.tr. Stb. 2014, 489.

4 Vgl. HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3486, r.o. 2.4.

5 In cassatie ingeschreven onder nr. 20/01031.

6 In cassatie ingeschreven onder nr. 20/00896.

7 In cassatie ingeschreven onder nr. 20/00897.

8 In cassatie ingeschreven onder nr. 20/01031.

9 In cassatie ingeschreven onder nr. 20/01031.

10 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.14 en 3.16.

11 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.8.

12 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.9 onder a.

13 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.13.1 onder a.