Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:726

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
20/01458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profiteren van wanprestatie. Rechthebbende van octrooi sluit exclusieve licentieovereenkomst met fabrikant, sluit vervolgens nieuwe exclusieve licentieovereenkomst met andere fabrikant en ontbindt de eerste overeenkomst ex art. 6:265 BW. Is ontbinding rechtsgeldig? Profiteert tweede fabrikant onrechtmatig van wanprestatie jegens eerste fabrikant?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01458

Zitting 18 juni 2021

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

1. Roka Beheer B.V. (hierna: ‘Roka’)

2. [eiser 2] (hierna: ‘ [eiser 2] ’)

3. [eiser 3] (hierna: ‘ [eiser 3] ’)

4. [eiser 4] (hierna: ‘ [eiser 4] ’)

eisers in het principaal cassatieberoep,

verweerders in het incidenteel cassatieberoep

(hierna tezamen: ‘Roka c.s.’)

tegen

1. Silife Limited (hierna: ‘Silife Ltd.’)

2. Rexil Holding B.V. (voorheen Silife B.V.) (hierna: ‘Silife BV’)

3. Silife Origin (India) Limited (hierna: ‘Silife India’)

4. Liquistone Limited (hierna: ‘Liquistone’)

verweersters in het principaal cassatieberoep,

eiseressen in het incidenteel cassatieberoep

(hierna tezamen: ‘Silife c.s.’)

In 2010 hebben Liquistone en Silife Ltd. een exclusieve licentieovereenkomst gesloten met betrekking tot een octrooi op het gebied van gestabiliseerd siliciumzuur. In 2013 heeft een bestuurder van Liquistone, wiens ontslag al was aangekondigd, namens Liquistone een exclusieve licentieovereenkomst met Roka gesloten met betrekking tot hetzelfde octrooi. De betreffende bestuurder heeft daarna namens Liquistone de licentieovereenkomst met Silife Ltd. buitengerechtelijk ontbonden.

Silife c.s. hebben vervolgens onder meer Roka c.s. in rechte betrokken. Volgens Silife c.s. hebben Roka c.s. – heel kort gezegd – onrechtmatig jegens hen gehandeld, onder meer door te profiteren van de wanprestatie van Liquistone jegens Silife Ltd.

De rechtbank heeft de vorderingen van Silife c.s. afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank grotendeels vernietigd en onder meer (i) voor recht verklaard dat Roka c.s. onrechtmatig jegens Silife c.s. hebben gehandeld, (ii) Roka c.s. verboden om werkzaamheden te verrichten ter (verdere) exploitatie van het octrooi en (iii) Roka c.s. veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan Silife c.s., nader op te maken bij staat.

In het principale cassatieberoep komen Roka c.s. met een grote hoeveelheid klachten op tegen diverse oordelen van het hof. De klachten zien onder meer op de in de ontbindingsbrief van Liquistone genoemde ontbindingsgronden, de verdeling van de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van wanprestatie en verzuim bij een buitengerechtelijke ontbinding, de vraag of een ingebrekestelling nodig was om verzuim te laten intreden, (de motivering van) het oordeel van het hof dat Roka c.s. op onrechtmatige wijze hebben geprofiteerd van en/of hebben deelgenomen aan een wanprestatie en onrechtmatige daad van Liquistone en de vraag of met betrekking tot de bestuurder van Roka aan de vereisten voor externe bestuurdersaansprakelijkheid is voldaan.

In het incidentele cassatieberoep bestrijden ook Silife c.s. diverse oordelen van het hof. De klachten van Silife c.s. hebben onder meer betrekking op de vragen of Roka c.s. op onrechtmatige wijze van het commerciële netwerk van Silife c.s. hebben gebruikgemaakt, het hof het bewijsaanbod van Silife c.s. had mogen passeren en het hof de door Silife c.s. gevorderde hoofdelijke veroordeling van Roka c.s. terecht heeft afgewezen.

1 Feiten

1.1.

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.2.

Liquistone is rechthebbende van onder meer een octrooi dat de techniek voor het stabiliseren van siliciumzuur en de voortbrengselen van het stabiliseren van siliciumzuur onder bescherming stelt (hierna: ‘het Octrooi’). Liquistone exploiteert alleen de octrooirechten en ontplooit zelf geen verdere activiteiten.

1.3.

Silife Ltd., Silife BV en Silife India (hierna tezamen: ‘de Silife-Vennootschappen’) houden zich bezig met de ontwikkeling, productie, distributie en verkoop (zowel groothandel als detailhandel) van voedingssupplementen voor mens en dier, meststoffen, biotechnologische producten en medicijnen. Al deze producten hebben gestabiliseerd siliciumzuur als basisingrediënt. De Silife-Vennootschappen brengen gestabiliseerd siliciumzuur op de markt onder de merknamen OSAB, OSAB3, OSABPLUS en OSABSIPLUS.

1.4.

Silife Ltd. en Advanced Biotechnology & Products B.V. (hierna: ‘ABP’) houden ieder 50% van de aandelen in het kapitaal van Silife BV. Silife Ltd. en Liquistone hebben allebei als aandeelhouders: Lisida B.V. (hierna: ‘Lisida’) voor 42,5 %, Barbertje B.V. (hierna: ‘Barbertje’) voor 42,5% en Siegamsa B.V. (hierna: ‘Siegamsa’) voor 15%. [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’) is enig aandeelhouder en bestuurder van Lisida. [betrokkene 2] (hierna: ‘ [betrokkene 2] ’) is bestuurder van Barbertje. Silife BV is enig aandeelhouder van Silife India. Lisida was samen met [betrokkene 1] en Barbertje bestuurder van Silife Ltd. en Liquistone.

1.5.

[eiser 4] is chemicus en procestechnoloog. Hij was bestuurder van Silife India. [eiser 4] is werkzaam bij Magnichem Industries Ltd. (hierna: ‘Magnichem’), een loonverpakker en handelsagent in chemicaliën. In opdracht van verschillende opdrachtgevers produceert en verpakt Magnichem onder andere synthetische harsen voor verwerking van industriële verf, coatings, inkt, lijm, rubber en chemicaliën. De fabriek van Magnichem is gevestigd in India.

1.6.

Schematisch ziet voornoemde situatie er als volgt uit:

1.7.

In februari 2010 hebben Silife Ltd., Liquistone en hun aandeelhouders een participatieovereenkomst gesloten op grond waarvan zij hebben samengewerkt (hierna: ‘de Participatieovereenkomst’).2 In de Participatieovereenkomst heeft Liquistone zich verplicht om Silife Ltd. ten aanzien van het Octrooi voor onbepaalde tijd een wereldwijde exclusieve licentie te verschaffen.3 Ook is overeengekomen dat deze licentie – zolang de aandeelhouders in Silife Ltd. en Liquistone dezelfde zouden blijven – alleen met unanimiteit van stemmen opzegbaar was, en dat de met het Octrooi gerealiseerde opbrengsten ten goede zouden komen aan Silife Ltd.4

1.8.

Op 29 mei 2010 hebben Liquistone en Silife Ltd., met terugwerkende kracht tot 1 februari 2010, voor onbepaalde tijd een exclusieve licentieovereenkomst met betrekking tot het Octrooi gesloten (hierna: ‘de Silife-Licentieovereenkomst’).5 Artikel 5 van de SilifeLicentieovereenkomst luidt als volgt:

ARTICLE 5 – TERM AND TERMINATION

5.1. This Agreement will be valid during the Term.

5.2. This Agreement can be terminated at any time in mutual agreement between the Parties.”

1.9.

Vanaf 15 november 2011 heeft Magnichem in opdracht van Silife India enkele batches gestabiliseerd siliciumzuur in beperkte hoeveelheden samengesteld en verpakt.6

1.10.

In januari 2012 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in India gesproken met vertegenwoordigers van Magnichem, onder wie [eiser 4] , over de samenwerking tussen Silife Ltd. en Silife India enerzijds en Magnichem anderzijds.

1.11.

In een e-mailbericht van 22 maart 2012 heeft [betrokkene 1] het volgende over Magnichem aan onder meer [betrokkene 2] geschreven:7

“(…)

Het is de bedoeling dat Magnichem voor de time being produceert en verkoopt totdat SiLife Origin Ltd. [Silife India, A-G] de benodigde papieren hiervoor heeft. SiLife Origin[g] factureert Magnichem de productiekosten + een kleine marge.”

1.12.

Het business plan van Silife BV (“Outlook 2012-2017”) van 29 augustus 2012 vermeldt onder meer het volgende over Magnichem:8

“(...)

Initially manufacturing and packing is outsourced to an existing chemicals producing unit Magnichem Industries (...).”

1.13.

Op enig moment zijn de Silife-Vennootschappen, die niet over voldoende financiële middelen beschikten om hun plannen uit te voeren, op zoek gegaan naar een financier of strategisch partner. Zij hebben daartoe Arena Business Group (hierna: ‘ABG’) ingeschakeld (niet te verwarren met ABP, één van de aandeelhouders van Silife BV, randnummers 1.4. en 1.6. hiervoor).

1.14.

ABG heeft de Silife-Vennootschappen in contact gebracht met een zakenrelatie van haar, [eiser 2] . [eiser 2] is, via een holdingvennootschap, bestuurder en enig aandeelhouder van DTN Noordwijk B.V. (hierna: ‘DTN Noordwijk’).9 Op 9 juli 2012 heeft Silife Ltd. een presentatie gegeven aan (onder meer) [eiser 2] .10 Dit leidde in eerste instantie niet tot het vinden van een financier/partner.

1.15.

Nadat een geschil was gerezen tussen Lisida (lees: [betrokkene 1] ) en de andere aandeelhouders van Silife Ltd. en Liquistone (Siegamsa en Barbertje), zijn Lisida en [betrokkene 1] op 18 februari 2013 door de algemene vergadering van aandeelhouders van Silife Ltd. ontslagen als bestuurders van Silife Ltd.11

1.16.

Op 27 februari 2013 hebben Siegamsa en Barbertje de Participatieovereenkomst en alle mogelijke andere overeenkomsten tussen Lisida, Barbertje, Liquistone, Honestone Ltd.12 en Silife Ltd. opgezegd.13 De Silife-Licentieovereenkomst is niet opgezegd.

1.17.

Op 4 maart 2013 – een kleine acht maanden na de presentatie van Silife Ltd. (randnummer 1.14. hiervoor) – heeft ABG per e-mail aan [betrokkene 1] , ABP en [betrokkene 2] medegedeeld dat [eiser 2] (toch) interesse had in het product OSAB3.14 ABG stelde voor dat “SiLife” contact zou opnemen met [eiser 2] .

1.18.

Op 6 maart 2013 heeft [eiser 2] , namens DTN Noordwijk, het volgende geschreven in een e-mail gericht aan “SiLife – [betrokkene 1]” (zijnde [betrokkene 1] ):15

“ [betrokkene 1] ,

via [betrokkene 3] was wellicht al aangekondigd dat ik contact met u zou gaan opnemen. Wij hebben elkaar vorig jaar bij Solvay [Solveigh Corporate Investment B.V., A-G] in Rotterdam ontmoet, waar wij met [betrokkene 4] hebben gesproken. Helaas heeft dit niet tot succes geleid.

Ik wil u voor een tweetal zaken benaderen.

1. Een relatie van ons uit Indonesie wil graag OSAB3 gaan uittesten op een oppervlakte van 2 tot 5 hectare. Graag vernemen wij van u op welke manier wij een samenwerking tussen Silife en onze relatie kunnen opstarten en hoe dat in zijn werk moet gaan.

2. Wij hebben contacten in diverse ministeries in China. Wij zien daar voor Silife goede toepassingsmogelijkheden en uw product past uitstekend in de korte en lange termijn doelstellingen van China. Op dit moment kunnen wij nog niet in detail treden van onze ideeen. Toch zouden wij graag de mogelijkheid van u krijgen om hierover van gedachten te wisselen. Indien dat van u[w] kant niet op bezwaren stuit zouden wij graag van u data ontvangen waarop we elkaar kunnen treffen. Wij denken zelf aan begin april.”

1.19.

Op 13 maart 2013 is een algemene vergadering van aandeelhouders van Liquistone uitgeschreven, waar het onmiddellijk ontslag van Lisida en [betrokkene 1] als bestuurders en benoeming van een nieuwe bestuurder stonden geagendeerd. Lisida en [betrokkene 1] zijn hierover bij aangetekende brief van 13 maart 2013 geïnformeerd.16

1.20.

Op 3 april 2013 heeft [eiser 2] per e-mail vragen aan [betrokkene 1] gesteld.17 [eiser 2] trad hierbij op als adviseur van Roka, een investeringsmaatschappij waarvan [eiser 3] de bestuurder en enig aandeelhouder is.

1.21.

Nog diezelfde dag, 3 april 2013, heeft [betrokkene 1] de vragen van [eiser 2] beantwoord door zijn antwoorden in de tekst van de e-mail van [eiser 2] te verwerken. De e-mail (met [eiser 3] in kopie) is aldus als volgt komen te luiden:18

“(...)

Ik heb nog een aantal zaken inzake de overeenkomst:

1. In de preamble staat onder het 2e punt dat Licensor gerechtigd is gebruik te maken van de registratie van Silife Ltd, nummer 1926201. Onder trademark op pagina 2 staat hetzelfde. Wat gebeurd er nu als LiquiStone de overeenkomst per omgaande opzegt? Waar mag de nieuwe licentiehouder dan gebruik van maken? Of moet een nieuwe licentiehouder een private label maken.

De naam OSAB3 is eigendom van SiLife Ltd. De nieuwe licentiehouder zou dan een nieuwe naam moeten geven aan het product. Ik heb hier met [eiser 4] [ [eiser 4] , A-G] al over gepraat en het zou ‘Newsil’ kunnen zijn. Dit is niet zo problematisch omdat er nog maar zeer beperkt is gepromoot en Coromandel hun eigen door henzelf geregistreerde naam Silamina hebben.

2. Coromandel brengt een private label op de markt. Hebben zij dit product ook geregistreerd?

Zie vraag 1..

3. In de No Objection Certificate staat dat ook dat Silife Ltd gebruik mag maken van het patent en dat er een sub-license is met Magnichem Industries. Die moet dus ook herzien worden.

Hierin staat dat ‘Further Liquistone acknowledges that SiLife Ltd. under the License Agreement...”, d.w.z. als de license agreement nog geldig is. Dus als de license agreement wordt ontbonden dan zijn ook alle sublicenties void. Dit moeten we ook in de ontbindingsbrief vermelden. Bovendien is dit certificaat alleen in bezit van [eiser 4] en mij.

4. [In] De brief van 16 januari 2013 van Magnichem staat dat de trademark van Silife Ltd is. Daar moet iets anders voor in de plaats komen want de trademark is van Silife Ltd. Hebben de andere aandeelhouders deze brieven ook?

SiLife is op naam van SiLife Ltd. geregistreerd in de Benelux. De naam OSAB3 SiPLUS is in India door SiLife Ltd. geregistreerd. Zoals in #1 aangegeven kunnen we de naam veranderen in Newsil. I.p.v. SiLife Ltd. kunnen we ook b.v. de naam SiLifeSciences gebruiken met het logo: SiLifeSiences.. Hier kom[e]t tweemaal Si in voor en fonetisch klinkt het hetzelfde. [eiser 4] heeft dit verzonnen en volgens mij kan dit in India als zodanig geregistreerd worden.

Als er wordt gesproken over overname van patenten, dan kan de naamregistratie gelijk meegenomen worden voor onderhandeling. Gelet op mijn uitleg staat niets de productie en verkoop in India in de weg.

Het zou kunnen zijn dat bovenstaande de productie en verkoop in India in de weg staat. Hoe zie jij dit?

In principe gaat Roka Beheer BV de nieuwe licentiehouder worden.

Heb jij al een draft contract dat wij kunnen lezen?

Ik heb een draft contract reeds opgemaakt voor Magnichem. Dit heb ik aangehecht, alsmede een kennisgevingsbrief van de ontbinding van de licentierechten, eveneens voor Magnichem. Magnichem moet dan vervangen worden door Roka Beheer B.V. Op een aantal punten moet het ook worden aangepast. Deze overeenkomst is opgesteld in samenwerking met een Indiase advocate. Ook de boete moet nog erin verwerkt worden.”

1.22.

Op 6 april 2013 hebben Liquistone en Roka voor onbepaalde tijd een exclusieve licentieovereenkomst met betrekking tot het Octrooi gesloten (hierna: ‘de RokaLicentieovereenkomst’).19 Artikel 2.4 van de Roka-Licentieovereenkomst luidt als volgt:

“LICENSOR guarantees that [betrokkene 1] will stay in function as the sole director in charge in Liquistone Ltd. and that [betrokkene 1] will be available for support of the execution of the production/marketing/sales/R&D and product knowledge in the broadest sense of the word. If [betrokkene 1] will be removed or is restricted in his activities as aforementioned, then LICENSOR is obliged to pay LICENSEE two (2) million euros directly payable.”

1.23.

Eveneens op 6 april 2013 hebben Lisida en [betrokkene 1] aan onder meer de SilifeVennootschappen, ABP, Barbertje en Siegamsa laten weten dat het bestuur van Liquistone heeft besloten de Silife-Licentieovereenkomst te ontbinden:20

“(...)

ondergetekenden, Lisida B.V. vertegenwoordigd door haar directeur [betrokkene 1] en [betrokkene 1] in persoon, beiden zijnde de enige officiële bestuurders met zelfstandige bevoegdheid in het bedrijf Liquistone Ltd. (…), hebben besloten om de licentieovereenkomst van 1 februari 2010 tussen Liquistone Ltd. en Silife Ltd. te ontbinden met onmiddellijke ingang en als ontbonden te verklaren; derhalve geldt dit tevens voor alle sublicenties door Silife Ltd. direct of indirect aan derde partijen verstrekt, o.a. Silife B.V., Silife Origin Ltd., AB Products B.V., enz. Dit geldt ook voor partijen waarvan Liquistone Ltd. niet op de hoogte is of is gebracht.

De directie van Liquistone Ltd. heeft, in het belang van Liquistone Ltd. en haar aandeelhouders, besloten de licentieovereenkomst met Silife Ltd. te ontbinden omdat er geen resultaten zijn geboekt na de bestuurswisseling op 18 februari 2013; tevens omdat Roka Beheer B.V. betere perspectieven biedt en beschikt over meer (financiële) middelen.

Ondergetekenden hebben vervolgens de voornoemde licentieovereenkomst toegekend aan het bedrijf Roka Beheer B.V. (...).

Dit besluit is genomen en ondertekend op 6 april 2013 (...).”

1.24.

Op 7 april 2013 heeft [betrokkene 1] de brief van 6 april 2013 (ook) per e-mail aan de geadresseerden van de brief en aan [eiser 4] gezonden.21

1.25.

Op 10 april 2013 heeft de advocaat van Silife c.s. (namens Barbertje, Siegamsa, ABP, Silife Ltd. en Silife BV) Roka en [eiser 3] per brief gesommeerd om zich te onthouden van iedere handeling ter uitvoering van de Roka-Licentieovereenkomst.22 Ook is Roka aansprakelijk gesteld voor de schade van voornoemde vennootschappen. Daartoe stelde Silife c.s. dat het Liquistone, gelet op de exclusieve licentierechten van Silife Ltd., niet vrij stond om de RokaLicentieovereenkomst te sluiten en dat sprake was van wanprestatie en onrechtmatige daad door Liquistone jegens Silife Ltd.

1.26.

Op 11 april 2013 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Liquistone, zoals op 13 maart 2013 aangekondigd (randnummer 1.19. hiervoor), Lisida en [betrokkene 1] ontslagen als bestuurders van Liquistone en een nieuwe bestuurder in hun plaats benoemd.23

1.27.

Op 18 april 2013 heeft de Engelse advocaat van Liquistone per brief aan Roka medegedeeld dat de Roka-Licentieovereenkomst op grond van Engels recht nietig is.24

1.28.

Op 19 april 2013 heeft de advocaat van Silife c.s. namens Liquistone per brief aan Roka geschreven dat Liquistone de inhoud van de brief van 10 april 2013 onderschrijft (randnummer 1.25. hiervoor), dat Liquistone zich aansluit bij de daarin vervatte sommaties en aansprakelijkstelling, en dat de Roka-Licentieovereenkomst naar Engels recht nietig is.25

1.29.

Op 25 april 2013 heeft (de advocaat van) Roka gereageerd op de brieven van 10 en 19 april 2013 van de advocaat van Silife c.s.:26

“(...)

De essentie is dat [betrokkene 1] ten tijde van het sluiten van de licentieovereenkomst met Roka Beheer B.V. zelfstandig bevoegd bestuurder was van Liquistone Ltd. Wij waren in de aanloop naar en ten tijde van het sluiten van de bewuste licentieovereenkomst niet op de hoogte van de zaken die u heeft beschreven. Een juridische grondslag dat wij hiervan op de hoogte hadden behoren te zijn, is er niet. Wij waren derhalve te goeder trouw. (...)

(...)

Artikel 2.4 is in de overeenkomst opgenomen omdat wij de kennis, de ervaring, de contacten en het netwerk van [betrokkene 1] onmisbaar achten voor een succesvolle exploitatie van de licentie. Aangezien er, zoals reeds aangegeven, van onze zijde aanzienlijke investeringen nodig zijn, is het van cruciaal belang dat [betrokkene 1] vanuit de licentiegever de benodigde ondersteuning kan blijven bieden. Om dat te waarborgen is deze bepaling opgenomen. De omvang van het belang dat wij hierbij hebben, verklaart de hoogte van de boete. Van enig oogmerk om Liquistone Ltd. en/of haar aandeelhouders te benadelen is nimmer sprake geweest. Nu in weerwil van deze bepaling [betrokkene 1] toch is ontslagen als bestuurder, is Liquistone Ltd. per direct de boete van € 2.000.000,00 aan Roka Beheer B.V. verschuldigd.

(...)

(…) Wij hebben een overeenkomst gesloten met Liquistone Ltd. die rechtsgeldig werd vertegenwoordigd door haar toenmalige bestuurder. Deze heeft ons desgevraagd verzekerd dat Liquistone Ltd. vrij was om de licentieovereenkomst met Roka Beheer B.V. aan te gaan. Vanzelfsprekend hebben wij dat als garantie in de licentieovereenkomst op laten nemen. Daarmee was voor ons de kous af. Indien en voor zover uw beweringen dat de licentieovereenkomst met Silife Ltd. nog bestaat, juist is [zijn], zou dat slechts betekenen dat Liquistone Ltd. jegens ons wanprestatie pleegt.

(...)

Gelet op al het vorenstaande zien wij geen enkele reden om gehoor te geven aan de sommaties van uw cliënten. De aansprakelijkstelling wijzen wij uitdrukkelijk van de hand.

Op onze beurt sommeren wij uw cliënten zich te onthouden van iedere handeling die een inbreuk maakt op de door ons gesloten licentieovereenkomst en die de uitvoering daarvan belemmert. Wij stellen uw cliënten hierbij uitdrukkelijk aansprakelijk voor alle schade die wij als gevolg van hun handelen lijden.

Voorts sommeren wij Liquistone Ltd. om de door haar verbeurde boete van € 2.000.000,00 binnen tien dagen na dagtekening dezes over te maken (...).

(...).”

1.30.

Op 28 mei 2013 hebben Lisida (38%), Roka (24%), DTN Noordwijk (24%), [eiser 4] (12%) en nog een andere persoon (2%) SI Technologies International B.V. (hierna: ‘SI Tech’) opgericht.27 Op een latere datum is het aandelenpakket van Lisida overgedragen aan een andere vennootschap van [betrokkene 1] en is het aandelenbelang van Roka en DTN Noordwijk in SI Tech verminderd. Ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest waren Roka (10%), DTN Noordwijk (12,5%), [eiser 4] (12%) en één of meerdere derden (65,5%) de aandeelhouders van SI Tech.

1.31.

SI Tech houdt 75% van de aandelen in het kapitaal van SI Technologies Africa B.V. (hierna: ‘SI Africa’) en 90% van de aandelen in het kapitaal van SI Technologies Indonesia B.V. (hierna: ‘SI Indonesia’). [eiser 2] is, via DTN Noordwijk, middellijk bestuurder van SI Tech (samen met een andere bestuurder). SI Tech is bestuurder van SI Africa en SI Indonesia.28

1.32.

Schematisch ziet dit er als volgt uit:

1.33.

SI Tech, SI Africa en SI Indonesia (hierna tezamen: ‘de SI-Vennootschappen’) zijn voornamelijk actief in Afrika en Azië en houden zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van meststoffen, biotechnische producten, medicijnen en voedingssupplementen voor mens en dier. Eén van de belangrijkste producten van de SI-Vennootschappen is gestabiliseerd siliciumzuur onder de merknaam NewSil.29

1.34.

Sinds juni 2013 is [eiser 4] geen bestuurder van Silife India meer.30

1.35.

Op 24 juli 2013 heeft Roka een sublicentie aan SI Tech verstrekt voor de landen India, China, Hong Kong, Australië, Zuid Afrika, Nieuw-Zeeland en Marokko.31

1.36.

Vanaf het eerste kwartaal van 2016 produceert Magnichem in opdracht van SI Tech gestabiliseerd siliciumzuur.

1.37.

In 2013 hebben Silife c.s. en ABP Lisida en [betrokkene 1] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland. Silife c.s. en ABP hebben gesteld dat de Silife-Licentieovereenkomst nog steeds geldt, in tegenstelling tot de RokaLicentieovereenkomst, en dat Lisida en [betrokkene 1] onrechtmatig hebben gehandeld dan wel toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de SilifeLicentieovereenkomst. Op 3 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Silife c.s. en ABP grotendeels afgewezen.32

1.38.

Bij arrest van 19 april 2016 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van 3 juli 2013 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd. Het hof heeft onder meer, samengevat, Lisida en [betrokkene 1] (i) verboden om met Roka of anderen samen te werken ter zake van de exploitatie van het Octrooi, op straffe van een dwangsom en (ii) gelast om alle informatie die Lisida en [betrokkene 1] als bestuurders van Silife c.s. hebben verkregen aan Silife c.s. en ABP af te geven, op straffe van een dwangsom.33 Volgens het hof heeft de buitengerechtelijke ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst geen effect gehad, zodat deze overeenkomst in beginsel nog steeds geldt en het Liquistone niet vrij stond de exclusieve rechten tevens aan Roka te verstrekken (rov. 5.9-5.13).

1.39.

Silife Ltd., ABP, Silife BV en Liquistone hebben vervolgens een bodemprocedure tegen [betrokkene 1] en Lisida aanhangig gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland. Bij vonnis van 22 mei 2019 heeft de rechtbank, in lijn met het zojuist genoemde arrest in kort geding van het hof Arnhem-Leeuwarden, onder meer geoordeeld dat [betrokkene 1] en Lisida onrechtmatig jegens Silife Ltd., ABP, Silife BV en Liquistone hebben gehandeld en hen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van (i) schadevergoeding nader op te maken bij staat en (ii) € 1.000.000 aan verbeurde dwangsommen.34 De rechtbank heeft hiertoe, samenvattend, het volgende overwogen:

“4.16. Dit alles betekent dat (1) het vertrek van [eiser 4] (en daardoor ook Magnichem) bij Silife c.s. een door [betrokkene 1] georkestreerd plan was (2) om zodoende in een ander samenstel van entiteiten – met een vliegende start – de (verdere) ontwikkeling en exploitatie van het gestabiliseerde siliciumzuur voort te zetten, (3) en daarmee Silife c.s. – die alle eerdere investeringen had gedaan – buitenspel te zetten, (4) dit alles samen met een investeerder die zich voor een beoogde samenwerking juist tot Silife c.s. had gewend (en dus niet tot [betrokkene 1] ), (5) terwijl dit gebeurde op een moment dat er al sprake was van een vertrouwensbreuk met de andere betrokkenen bij Silife c.s., [betrokkene 1] ontslagen was als bestuurder van Silife Ltd. en zijn ontslag als bestuurder van Liquistone al was aangezegd. Deze handelwijze komt neer op een soort eigenrichting die de grens van het betamelijke overschrijdt. Daarmee is niet gezegd dat [betrokkene 1] stil had moeten blijven zitten. In een situatie waar van een vertrouwensbreuk sprake is moet immers wat gebeuren. Daarbij mag een betrokkene echter geen misbruik van bevoegdheid maken (zie artikel 3:13 BW). [betrokkene 1] heeft dat wel gedaan. Uit alles wat hiervoor is overwogen, volgt namelijk dat [betrokkene 1] na de vertrouwensbreuk heeft gehandeld met geen ander doel dan Silife c.s. te schaden en zichzelf te bevoordelen. Wat had [betrokkene 1] dan wel moeten doen? Bijvoorbeeld in overleg treden met de andere betrokkenen bij Silife c.s., en als dat niet mogelijk was via andere – mogelijk gerechtelijke wegen – een oplossing vinden, bijvoorbeeld door het ertoe te leiden dat hij zou worden uitgekocht door [betrokkene 2] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , of vice versa. [betrokkene 1] heeft dit niet gedaan, maar ervoor gekozen een rechtens niet toegestane weg te bewandelen. Het resultaat van die keuze komt voor zijn rekening en risico.”

1.40.

Uit de conclusie van repliek in de onderhavige procedure leid ik af dat hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis van de rechtbank Midden-Nederland en dat het hof ArnhemLeeuwarden op 6 oktober 2020 uitspraak heeft gedaan (zaaknummer 200.261.184).35 Het arrest is niet gepubliceerd en ook niet in deze procedure overgelegd, dus ik laat het arrest in deze conclusie buiten beschouwing.

2 Procesverloop

2.1.

Op 28 april 2016 hebben Silife c.s. en ABP Roka c.s., de SI-Vennootschappen en Magnichem gedagvaard voor de rechtbank Den Haag. Silife c.s. en ABP hebben, kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd om Roka c.s., de SI-Vennootschappen en Magnichem te gebieden om alle werkzaamheden te staken die op enigerlei wijze verband houden met de exploitatie van het Octrooi en/of de knowhow/technische informatie ter zake van het gestabiliseerd siliciumzuur.

2.2.

Bij vonnis van 7 februari 2018 heeft de rechtbank de vorderingen van Silife c.s. en ABP afgewezen.36

2.3.

De rechtbank heeft onder meer overwogen dat voor toewijzing van het gevorderde gebod is vereist dat komt vast te staan dat Roka de exploitatie van het Octrooi zonder recht of titel uitvoert (rov. 4.1.). Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door Silife c.s. en ABP gestelde feiten echter niet tot nietigheid of buitengerechtelijke vernietiging van de RokaLicentieovereenkomst leiden (rov. 4.4.).

2.4.

Het enkele gegeven dat er mogelijk twee exclusieve licentieovereenkomsten naast elkaar bestaan, doet volgens de rechtbank niet af aan de geldigheid van de RokaLicentieovereenkomst. Voor zover met het sluiten van de Roka-Licentieovereenkomst inbreuk op de Silife-Licentieovereenkomst is gemaakt, is die inbreuk door Liquistone zelf in het leven geroepen. Dit eigen handelen van Liquistone tast de geldigheid van de RokaLicentieovereenkomst niet aan, ook niet als Roka van de wanprestatie van Liquistone zou hebben geprofiteerd (rov. 4.5.).

2.5.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt het tot schadeplichtigheid van Roka c.s., de SIVennootschappen en Magnichem indien sprake is van onrechtmatig handelen, onder meer bestaande uit het profiteren van de wanprestatie van Liquistone en het op onrechtmatige wijze gebruiken van knowhow van Silife c.s. en ABP. Silife c.s. en ABP hebben echter een gebod gevorderd en geen schadevergoeding (rov. 4.2.).

2.6.

De rechtbank heeft aldus geconcludeerd dat er geen grond is voor toewijzing van het door Silife c.s. en ABP gevorderde gebod (rov. 4.7.).

2.7.

Op 1 mei 2018 zijn Silife c.s. en ABP bij het hof Den Haag in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende:37

(i) ABP in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaard;

(ii) voor recht verklaard dat Roka, [eiser 2] en [eiser 3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Silife c.s.;

(iii) voor recht verklaard dat [eiser 4] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Silife India en Silife Ltd.;

(iv) Roka c.s. verboden om werkzaamheden te verrichten met gebruikmaking van de in het Octrooi vervatte techniek en ter (verdere) exploitatie van het Octrooi, onder verbeurte van een dwangsom; en

(v) Roka c.s. ieder veroordeeld om aan Silife c.s. de schade te vergoeden, op te maken bij staat, die zij ten gevolge van het onrechtmatig handelen door Roka c.s. hebben geleden.

2.8.

Omdat in cassatie klachten worden gericht tegen een groot deel van de onderliggende rechtsoverwegingen van het hof, geef ik die overwegingen omwille van de leesbaarheid van deze conclusie niet hier (bij het procesverloop) integraal weer, maar volsta ik nu met een zeer beknopte samenvatting. De in cassatie bestreden overwegingen komen terug bij de bespreking van het principale en incidentele cassatieberoep (paragrafen 3. en 4. hierna).

2.9.

Heel kort gezegd, is het hof via de volgende stappen tot zijn oordeel gekomen:

- ABP heeft geen voldoende zelfstandig belang bij haar vordering (rov. 5.2.-5.3.);

- Roka heeft onrechtmatig jegens de Silife-Vennootschappen gehandeld, omdat Liquistone jegens Silife Ltd. is tekortgeschoten in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst (rov. 5.13.-5.17.), Liquistone jegens Silife BV en Silife India onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 5.18.) en Roka van deze wanprestatie en onrechtmatige daad van Liquistone onrechtmatig heeft geprofiteerd (rov. 5.19.-5.23.);

- Roka heeft onrechtmatig jegens Liquistone gehandeld, omdat [betrokkene 1] onrechtmatig jegens Liquistone heeft gehandeld (interne bestuurdersaansprakelijkheid) en Roka van deze onrechtmatige daad onrechtmatig heeft geprofiteerd (rov. 5.24.-5.28.);

- [eiser 2] heeft onrechtmatig jegens Silife c.s. gehandeld, omdat hij als adviseur van Roka onder meer heeft bevorderd dat de RokaLicentieovereenkomst tot stand kwam en hij daarmee de belangen van Silife c.s. dusdanig heeft veronachtzaamd dat sprake is van strijd met de volgens normen van maatschappelijk betamelijkheid in acht te nemen zorgvuldigheid (rov. 5.32.-5.36.);

- [eiser 3] heeft onrechtmatig jegens Silife c.s. gehandeld, omdat het in feite [eiser 3] was die het onrechtmatige handelen van Roka bewerkstelligde en hij de belangen van Silife c.s. zodanig heeft veronachtzaamd dat hij ernstig verwijtbaar en daarmee onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld (rov. 5.37.-5.41.);

- [eiser 4] heeft onrechtmatig jegens Silife Ltd. en Silife India gehandeld, omdat hij heeft bevorderd dat Roka een exclusieve licentie op het Octrooi verwierf en hij heeft gehandeld in strijd met de volgens normen van maatschappelijke betamelijkheid in acht te nemen zorgvuldigheid door het Octrooi door middel van SI Tech (mede) te exploiteren (rov. 5.42.-5.46.);38

- de SI-Vennootschappen hebben niet onrechtmatig jegens Silife c.s. en ABP gehandeld, omdat niet reeds sprake is van onrechtmatigheid indien de SI-Vennootschappen bewust van de wanprestatie/onrechtmatige daad van Liquistone hebben geprofiteerd (rov. 5.29.-5.31.);

- Magnichem heeft niet onrechtmatig geprofiteerd van de wanprestatie/onrechtmatige daad van Liquistone (rov. 5.50.-5.54.); en

- Roka c.s. en Magnichem hebben niet onrechtmatig gehandeld door, buiten de informatie waar het Octrooi betrekking op heeft, van Silife c.s. en ABP afkomstige knowhow en/of technische/commerciële informatie te gebruiken (rov. 5.48., 5.53. en 5.58.).

2.10.

Bij procesinleiding van 28 april 2020 hebben Roka c.s. – tijdig – Silife c.s. in cassatie betrokken. Roka c.s. hebben het cassatieberoep niet ingesteld ten opzichte van ABP (die door het hof niet-ontvankelijk was verklaard in haar vordering). De SI-Vennootschappen en Magnichem hebben geen cassatieberoep ingesteld (de vorderingen tegen deze vennootschappen zijn door het hof afgewezen).

2.11.

Silife c.s. hebben verweer gevoerd en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Daartegen hebben Roka c.s. op hun beurt verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en hebben vervolgens gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.

3 Bespreking van het principale cassatieberoep

3.1.

Het cassatiemiddel van Roka c.s. bestaat – als ik mij niet vergis – uit maar liefst 54 klachten, verdeeld over twaalf onderdelen. Omdat het bestreden arrest op mij over het geheel genomen gedegen, afgewogen en goed gedocumenteerd overkomt, lijkt het cassatiemiddel een schot hagel. Of dat de effectiviteit van het cassatieberoep ten goede komt, betwijfel ik.

3.2.

Ik beoordeel de door Roka c.s. naar voren gebrachte klachten, die wat mij betreft geen van alle tot cassatie leiden, hierna achtereenvolgens.

Onderdeel I – rov. 5.15.

3.3.

Roka c.s. bestrijden allereerst rov. 5.15. Daarin heeft het hof beoordeeld of Liquistone de SilifeLicentieovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Het hof heeft dat gedaan in het kader van de vraag of Liquistone jegens Silife Ltd. wanprestatie heeft gepleegd door de RokaLicentieovereenkomst aan te gaan. Naar het oordeel van het hof heeft de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst niet rechtsgeldig plaatsgevonden:

“5.15. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de partijen bij de SilifeLicentieovereenkomst de mogelijkheid van ontbinding hebben willen uitsluiten zoals Silife c.s. stelt. Zelfs als dat niet zo was, zoals Roka c.s. betoogt, is het hof immers van oordeel dat Silife c.s. zich terecht op het standpunt stelt dat ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst in de gegeven omstandigheden niet mogelijk was. Voor dat oordeel is in de eerste plaats redengevend dat Liquistone als ontbindingsgrond verwijst 1) naar het niet boeken van resultaten in de periode 18 februari tot 6 april 2013 en 2) naar het feit dat Roka betere perspectieven biedt en beschikt over meer financiële middelen. Geen van beide gronden heeft betrekking op een verplichting die uit hoofde van de Silife-Licentieovereenkomst op Silife Ltd. rust, zodat reeds daarom geen sprake kan zijn van een tekortkoming die grond zou kunnen geven voor ontbinding ex artikel 6:265 BW. Daarnaast wijst Silife c.s. er terecht op dat Liquistone Silife Ltd. niet in gebreke heeft gesteld, zodat geen sprake was van verzuim aan de zijde van Silife Ltd. Ook dat staat in de gegeven omstandigheden (zie r.o. 5.16.) aan een rechtsgeldige ontbinding in de weg.”

3.4.

Roka c.s. betogen in klacht Ia dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat de gronden voor ontbinding niet (zonder meer) hoeven te worden genoemd in de ontbindingsverklaring (de brief van 6 april 2013 van Liquistone aan Silife Ltd., randnummer 1.23. hiervoor).

3.5.

De klacht kan niet tot cassatie leiden.

3.6.

Het is juist dat in zijn algemeenheid niet de eis kan worden gesteld dat een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring de gronden voor de ontbinding dient te vermelden teneinde rechtsgevolg te kunnen hebben. De schuldeiser die in zijn ontbindingsverklaring wél een of meer gronden voor ontbinding heeft genoemd, mag daarom ook andere gronden aan de ontbinding ten grondslag leggen.39 Het lijkt dan ook onjuist dat het hof in rov. 5.15. heeft geoordeeld dat “reeds” geen sprake kan zijn van een tekortkoming die grond zou kunnen geven voor een ontbinding, omdat de twee ontbindingsgronden waarnaar Liquistone (in haar ontbindingsbrief) verwijst geen tekortkoming inhouden. Dit ‘manco’ brengt Roka c.s. echter niet verder. Het hof heeft namelijk in rov. 5.16. – in het kader van de vraag of Silife Ltd. van rechtswege in verzuim is gekomen – ook de overige (door Roka c.s. naar voren gebrachte) ontbindingsgrond beoordeeld, te weten – samengevat – dat Silife Ltd. door een gebrek aan financiële middelen, kennis en toegang tot de markt tekortschoot in de voortdurende verbintenis om zich naar behoren voor de ontwikkeling en distributie van het gestabiliseerd siliciumzuur in te zetten. Deze grond gaat volgens het hof evenmin op: Silife c.s. hebben zich naar het oordeel van het hof (voldoende) ingezet om de SilifeLicentieovereenkomst te exploiteren. Dit betekent dat klacht Ia, bij gebrek aan belang, niet tot cassatie kan leiden.

3.7.

In klacht Ib betogen Roka c.s. dat het hof niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom reeds geen sprake is van een tekortkoming die grond zou kunnen geven voor ontbinding, enkel omdat de twee in de ontbindingsbrief genoemde gronden niet opgaan. Roka c.s. hebben immers uitgebreid uiteengezet op welke wijze Silife Ltd. is tekortgeschoten in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst.

3.8.

De klacht faalt. Uit rov. 5.15. en 5.16. blijkt voldoende duidelijk waarom Silife Ltd. naar het oordeel van het hof niet is tekortgeschoten in de nakoming van de SilifeLicentieovereenkomst. Uit het eerste deel van rov. 5.16. blijkt bovendien dat het hof het betoog van Roka c.s. op dit punt in zijn beoordeling heeft meegenomen.

3.9.

Het falen van klacht Ib maakt dat ook de voortbouwklacht in randnummer 4.9. van de procesinleiding niet opgaat.

3.10.

Roka c.s. betogen in klacht Ic dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan met betrekking tot de verdeling van de stelplicht en bewijslast. Het hof heeft geoordeeld dat het aan Roka c.s. is om de wanprestatie van Silife Ltd. tegenover Liquistone te stellen en te bewijzen. Volgens Roka c.s. was het juist aan Silife c.s. en ABP om te stellen en te bewijzen dat Silife Ltd. géén wanprestatie tegenover Liquistone had gepleegd. Silife c.s. hebben zich immers op de ondeugdelijkheid van de ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst beroepen, waardoor het ook aan Silife c.s. was om te stellen en te bewijzen dat de Silife-Licentieovereenkomst nog onverkort gold.

3.11.

De klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt.

3.12.

Het hof heeft in rov. 5.13. tot en met 5.17. beoordeeld of Liquistone jegens Silife Ltd. wanprestatie heeft gepleegd door de Roka-Licentieovereenkomst aan te gaan. Dit blijkt ook uit het kopje boven deze rechtsoverwegingen: “Wanprestatie Liquistone jegens Silife Ltd.” Uit rov. 5.12. en 5.13. blijkt dat het hof heeft onderkend dat Silife c.s. moeten stellen en bewijzen dat Liquistone wanprestatie tegenover Silife Ltd. heeft gepleegd:

“5.12. Silife c.s. baseert haar standpunt dat Roka onrechtmatig heeft gehandeld jegens de SilifeVennootschappen primair op de stelling dat Liquistone wanprestatie heeft gepleegd jegens Silife Ltd. (…). Roka c.s. bestrijdt dat sprake is van wanprestatie (…) aan de zijde van Liquistone. (…).

5.13. Volgens Silife c.s. is Liquistone toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst, door in strijd met de overeengekomen exclusiviteit ook een licentieovereenkomst aan te gaan met Roka.”

3.13.

In reactie op deze stelling van Silife c.s. hebben Roka c.s. betoogd dat de SilifeLicentieovereenkomst reeds was ontbonden, omdat Silife Ltd. tekortschoot in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst en dat het Liquistone derhalve vrijstond om de Roka-Licentieovereenkomst aan te gaan:

“5.14. Volgens Roka c.s. is geen sprake van wanprestatie, aangezien Liquistone de SilifeLicentieovereenkomst bij brief van 6 april 2013 (…), rechtsgeldig heeft beëindigd. (…).”

3.14.

Dit betoog van Roka c.s. moet worden aangemerkt als een zelfstandig/bevrijdend verweer. Roka c.s. erkennen immers het uitgangspunt van Silife c.s. (namelijk: de SilifeLicentieovereenkomst), maar roepen tegelijkertijd een bijzondere, bevrijdende omstandigheid in op grond waarvan dat uitgangspunt in dit geval niet opgaat (namelijk: de SilifeLicentieovereenkomst is ontbonden).40 Ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv rusten de stelplicht, de bewijslast en het bewijsrisico ten aanzien van de feiten die aan het zelfstandig verweer ten grondslag liggen, bij degene die dat verweer aanvoert (in dit geval Roka c.s.). Omdat Roka c.s. zich op de buitengerechtelijke ontbinding beroepen, rusten derhalve op Roka c.s. de stelplicht en de bewijslast van (onder meer) het feit dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis (in dit geval door Silife Ltd.).41 Het was dan ook aan Roka c.s. om te stellen en te bewijzen dat Silife Ltd. in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst was tekortgeschoten, waardoor Liquistone de Silife-Licentieovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden en gerechtigd was om de Roka-Licentieovereenkomst aan te gaan. Het hof heeft dit niet miskend.

Onderdeel II – rov. 5.16.

3.15.

Roka c.s. komen op tegen rov. 5.16., waarin het hof – wederom in het kader van de vraag of Liquistone jegens Silife Ltd. wanprestatie heeft gepleegd door de Roka-Licentieovereenkomst aan te gaan – heeft beoordeeld of Silife Ltd. is tekortgeschoten jegens Liquistone in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst en van rechtswege in verzuim is gekomen. Volgens het hof is dat niet het geval:

“5.16. Roka c.s. heeft nog betoogd dat Silife Ltd. van rechtswege in verzuim is komen te verkeren (artikel 6:83 BW), althans dat een ingebrekestelling niet nodig was. Hieraan legt Roka c.s. ten grondslag:

- dat Silife Ltd. tekortschoot in de voor haar uit de Silife-Licentieovereenkomst voortgevloeide voortdurende verbintenis om zich naar behoren voor de ontwikkeling en distributie van het gestabiliseerd siliciumzuur in te zetten, terwijl tekortkomingen uit het verleden niet ongedaan konden worden gemaakt, en

- dat het voor Silife Ltd. bij gebreke aan financiële middelen, kennis en toegang tot de markt onmogelijk was om de Silife-Licentieovereenkomst daadwerkelijk tot bloei te brengen.

Het hof volgt Roka c.s. hierin niet. Uit de stellingen van Roka c.s. blijkt immers geenszins dat Silife Ltd. zich niet (voldoende) inzette of niet in staat was de Silife-Licentieovereenkomst te exploiteren. Silife Ltd. had sublicenties verstrekt aan partijen die zich met de exploitatie van het Octrooi bezig hielden of op korte termijn bezig zouden gaan houden en zij was op zoek naar externe investeerders teneinde het Octrooi te exploiteren. Dit laatste deed zij niet zonder succes. Dit blijkt reeds uit het feit dat een eerdere presentatie van Silife Ltd. juist aanleiding was voor Roka om in maart 2013 contact op te nemen met Silife Ltd. en haar een voorstel tot samenwerking te doen (zie r.o. 2.18 en 2.19). Of Silife c.s. al in staat was om het gestabiliseerd siliciumzuur in grote hoeveelheden te produceren doet naar het oordeel van het hof niet ter zake. Waar het om gaat is dat Silife c.s. zich (voldoende) inzette om tot zodanige productie te komen.”

3.16.

In klacht IIa en randnummer 4.19. van de procesinleiding betogen Roka c.s. dat het hof heeft miskend dat het niet aan Roka c.s. was om de tekortkoming en het verzuim van Silife Ltd. aannemelijk te maken, maar aan Silife c.s. en ABP om aannemelijk te maken dat aan de zijde van Silife Ltd. géén sprake was van een tekortkoming en verzuim.

3.17.

Deze klacht is, voor wat betreft de tekortkoming, een herhaling van klacht Ic en gaat om dezelfde reden niet op (randnummers 3.10. tot en met 3.14. hiervoor). Voor wat betreft het verzuim geldt – net als bij de tekortkoming – dat het aan de partij is die zich op de ontbinding beroept (in dit geval Roka c.s.), om de feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen waaruit het eventuele daarvoor vereiste verzuim (van Silife Ltd.) volgt.42 Het hof heeft dit niet miskend.

3.18.

Roka c.s. betogen in klacht IIc43 dat het hof niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom Silife Ltd. niet zonder succes op zoek was naar externe investeerders om het Octrooi te exploiteren. Silife Ltd. was er immers al die tijd niet in geslaagd om ook maar één externe financier aan te trekken. In klacht IId betogen Roka c.s. dat het niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd voor zover het hof heeft geoordeeld dat een eerdere presentatie van Silife Ltd. aanleiding zou zijn geweest voor Roka om in maart 2013 contact met Silife Ltd. op te nemen. Silife Ltd. heeft immers geen presentatie aan Roka gegeven, maar aan [eiser 2] en Solveigh Corporate Investment B.V. en dit heeft niet tot succes geleid.

3.19.

De klachten falen.

3.20.

Op enig moment zijn de Silife-Vennootschappen met de hulp van ABG op zoek gegaan naar een financier of strategisch partner (randnummer 1.13. hiervoor). In dit kader heeft Silife Ltd. op 9 juli 2012 een presentatie gegeven aan Solveigh Corporate Investment B.V. en [eiser 2] , maar dit leidde in eerste instantie niet tot het vinden van een financier/partner (randnummer 1.14. hiervoor). Een kleine acht maanden later, in maart 2013, heeft [eiser 3] (de bestuurder van Roka) aan [eiser 2] laten weten interesse te hebben in de ontwikkeling van gestabiliseerd siliciumzuur.44 [eiser 2] heeft vervolgens, op verzoek van Roka, de interesse van Roka overgebracht aan Silife Ltd. (in de persoon van [betrokkene 1] , randnummer 1.18. hiervoor).45 Weer een maand later, op 6 april 2013, hebben Roka en Liquistone de RokaLicentieovereenkomst gesloten (randnummer 1.22. hiervoor). Uit deze gang van zaken blijkt dat de in 2012 begonnen zoektocht van de SilifeVennootschappen naar een financier of strategisch partner er binnen het jaar, via [eiser 2] , toe heeft geleid dat Roka Silife Ltd. heeft benaderd om het Octrooi (verder) te exploiteren. Het is gelet hierop niet onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat (i) Silife Ltd. niet zonder succes op zoek was naar externe investeerders om het Octrooi te exploiteren en (ii) een eerdere presentatie van Silife Ltd. (indirect) aanleiding was voor Roka om in maart 2013 contact op te nemen met Silife Ltd. en haar een voorstel tot samenwerking te doen.

3.21.

Roka c.s. komen in klacht IIe op tegen het oordeel van het hof dat uit de stellingen van Roka c.s. geenszins blijkt dat Silife Ltd. zich niet (voldoende) inzette of niet in staat was om de Silife-Licentieovereenkomst te exploiteren. Volgens Roka c.s. is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, voor zover het bij zijn oordeel mede het oog heeft gehad op het geldelijk onvermogen van Silife Ltd. om de licentie te exploiteren. Voor zover het hof niet heeft miskend dat geldelijk onvermogen voor risico van Silife Ltd. moet blijven, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk. Het hof heeft in dat geval namelijk niet uiteengezet waarom, terwijl het Silife Ltd. aan geld ontbrak, uit de stellingen van Roka c.s. niet is gebleken dat Silife Ltd. niet in staat was om de SilifeLicentieovereenkomst te exploiteren.

3.22.

De klachten gaan niet op. Uit niets blijkt dat het hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op het geldelijk onvermogen van Silife Ltd. In zoverre mist de rechtsklacht feitelijke grondslag. Het hof heeft met betrekking tot het gebrek aan financiële middelen bij Silife Ltd. juist overwogen dat Silife Ltd. niet zonder succes op zoek was naar externe investeerders. Uit die overweging blijkt dat het hof het niet beslissend heeft geacht dat Silife Ltd. zélf onvoldoende geld had om het Octrooi te exploiteren. Dat is niet onbegrijpelijk, gelet op de (niet onsuccesvolle) zoektocht van Silife Ltd. naar een externe financier (randnummer 3.20. hiervoor).

Onderdeel III – rov. 5.15. en 5.16.

3.23.

In dit onderdeel komen Roka c.s. wederom op tegen rov. 5.15. en 5.16.

3.24.

Roka c.s. betogen in randnummers 4.28. tot en met 4.33. van de procesinleiding dat het hof – in het kader van de vraag of Silife Ltd. jegens Liquistone is tekortgeschoten in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst – aan essentiële stellingen van Roka c.s. is voorbijgegaan. Het betreft de stellingen dat (i) niet kan worden uitgegaan van de uitspraken in de procedures tussen Silife c.s. en Lisida en [betrokkene 1] , waarin is geoordeeld dat [betrokkene 1] en Lisida onrechtmatig jegens Silife c.s. hebben gehandeld (randnummers 1.37. e.v. hiervoor), (ii) Silife Ltd. niet heeft voldaan aan de verplichting om toegang te krijgen tot de markt van de patentlanden, waaronder met name India en (iii) Silife Ltd. aan die verplichting ook niet kon voldoen wegens onvoldoende financiële slagkracht.

3.25.

De klacht faalt.

3.26.

Het hof was niet gehouden in te gaan op de stelling onder (i). Het hof heeft zijn oordeel dat Silife Ltd. niet van rechtswege in verzuim is gekomen (en niet jegens Liquistone is tekortgeschoten in de nakoming van de SilifeLicentieovereenkomst) immers niet (mede) gebaseerd op de uitspraken in de procedures tussen Silife c.s. en Lisida en [betrokkene 1] .46

3.27.

Met betrekking tot de stellingen onder (ii) en (iii) geldt dat het hof deze wel degelijk in zijn beoordeling heeft meegenomen. Dit blijkt uit het tweede gedachtestreepje van rov. 5.16., waar het hof deze stellingen van Roka c.s. samengevat heeft weergegeven met de woorden “dat het voor Silife Ltd. bij gebreke aan financiële middelen, kennis en toegang tot de markt onmogelijk was om de Silife-Licentieovereenkomst daadwerkelijk tot bloei te brengen.” Het hof heeft Roka c.s. in deze stellingen niet gevolgd, omdat Silife Ltd. zich naar het oordeel van het hof wél voldoende inzette om het Octrooi te exploiteren. Het hof heeft in dit kader overwogen dat Silife Ltd. sublicenties had verstrekt aan partijen, die zich met de exploitatie van het Octrooi bezighielden of op korte termijn bezig zouden gaan houden, en Silife Ltd. daarnaast op zoek was naar externe investeerders. Voor zover het in grote mate feitelijke oordeel van het hof in cassatie kan worden getoetst, is het niet onbegrijpelijk. De SilifeLicentieovereenkomst bracht immers een inspanningsverplichting voor Silife Ltd. met zich om het Octrooi te exploiteren en geen resultaatsverplichting om, bijvoorbeeld, binnen bepaalde tijd toegang tot een of meer markten te verkrijgen of om voldoende financiële middelen beschikbaar te hebben. De inspanningsverplichting van Silife Ltd. blijkt uit artikel 2.6 van de Silife-Licentieovereenkomst:47

“2.6 LICENSEE shall use its best efforts to distribute the Product and fully develop the market therefore in the Territory.”

3.28.

In dit kader is het enigszins misleidend dat Roka c.s. in randnummer 4.31. van hun procesinleiding en randnummer 18. van hun schriftelijke toelichting – ter onderbouwing van hun stelling onder (ii) dat Silife Ltd. tekortschoot in de nakoming van de SilifeLicentieovereenkomst omdat ze geen toegang tot de Indiase markt had – erop wijzen dat artikel 2.5 van de SilifeLicentieovereenkomst de verplichting voor Silife Ltd. bevatte om te voldoen aan “the requirements of the authorities in the countries where the Product (…) shall be commercialised” en Silife Ltd. daarnaast de verplichting had om de afzetmarkten te ontwikkelen. Artikel 2.5 bevat niet dergelijke verplichtingen, maar ‘slechts’ de verplichting (voor beide partijen) om het gestabiliseerde siliciumzuur te ontwikkelen conform de normen van het land waar het product op de markt wordt gebracht:

“2.5 LICENSOR as well as LICENSEE shall see to it and fully guarantee that the Product is and shall be manufactured in accordance with standards that meet the requirements of the authorities in the countries where the Product shall be commercialized by LICENSEE.”

Onderdelen IV tot en met VIII – de relevante rechtsoverwegingen

3.29.

In de onderdelen IV tot en met VIII richten Roka c.s. een groot aantal klachten tegen rov. 5.21.2. tot en met 5.22. van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat Roka onrechtmatig jegens Silife c.s. en ABP heeft gehandeld door op onrechtmatige wijze te profiteren van de wanprestatie, respectievelijk onrechtmatige daad van Liquistone. Voordat ik overga tot beoordeling van de klachten in deze onderdelen, geef ik de relevante rechtsoverwegingen weer.

3.30.

Het hof heeft bij de beoordeling van het handelen van Roka het volgende vooropgesteld. Dit wordt in cassatie niet bestreden en staat derhalve vast:

Onrechtmatig profiteren

5.19. Roka heeft geprofiteerd van deze wanprestatie, respectievelijk onrechtmatige daad van Liquistone. Zonder die wanprestatie/onrechtmatige daad had Roka immers niet de RokaLicentieovereenkomst kunnen sluiten en het Octrooi niet kunnen exploiteren.

5.20. Het handelen met iemand terwijl men weet dat deze door dit handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, dan wel terwijl men weet dat daarmee een onrechtmatige daad wordt gepleegd jegens een derde, is op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig. Dergelijk handelen is jegens die derde slechts onrechtmatig indien sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden48.

5.21. Naar het oordeel van het hof stelt Silife c.s. terecht dat in dit geval sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat Roka jegens de Silife-Vennootschappen op onrechtmatige wijze van de wanprestatie, respectievelijk onrechtmatige daad van Liquistone heeft geprofiteerd. Voor dat oordeel is het volgende redengevend.

5.21.1. Het hof stelt voorop dat op basis van de stukken en hetgeen partijen ten pleidooie naar voren hebben gebracht vast staat dat Roka voorafgaand aan het sluiten van de RokaLicentieovereenkomst op de hoogte was van:

  • -

    de inhoud van de Silife-Licentieovereenkomst,

  • -

    het feit dat Silife BV en Silife India sublicentienemers waren van Silife Ltd., en

  • -

    de inhoud van de (concept) ontbindingsbrief van 6 april 2013.

  • -

    Dit blijkt onder meer uit de e-mail van 3 april 2013 (…) en uit punt 4.46 van de conclusie van antwoord van Roka en wordt overigens ook niet door Roka c.s. weersproken. Daarnaast was Roka voorafgaand aan het sluiten van de Roka-Licentieovereenkomst op de hoogte van het feit dat de Participatieovereenkomst was opgezegd. Weliswaar heeft Roka c.s. in de stukken betoogd dat zij daarmee pas bekend werd toen zij de brief van Silife c.s. van 10 april 2013 ontving (…), maar ten pleidooie heeft zij uitdrukkelijk erkend dat zij daar voorafgaand aan het sluiten van de Roka-licentieovereenkomst mee bekend was (dit blijkt uit 1.14. pleitnota en hetgeen Roka daaromtrent desgevraagd heeft verklaard).”

3.31.

Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat Roka wist, althans in redelijkheid had moeten weten, dat de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst niet rechtsgeldig was:

“5.21.2. Roka wist gelet op het voorgaande dat de Silife-Licentieovereenkomst een exclusief karakter had. Ook was zij – nu zij op de hoogte was van de inhoud van de SilifeLicentieovereenkomst – bekend met de contractuele verplichtingen van Silife Ltd. jegens Liquistone en dus ook met het feit dat Liquistone in haar ontbindingsbrief geen contractuele verplichting van Silife Ltd. noemt in de nakoming waarvan Silife Ltd. jegens Liquistone in gebreke zou kunnen zijn. Daarnaast blijkt uit de ontbindingsbrief van 6 april 2013 niet dat Liquistone Silife Ltd. in gebreke zou hebben gesteld. Gelet op dit alles wist Roka, althans had zij in redelijkheid moeten weten, dat de ontbinding niet rechtsgeldig was en dat Liquistone wanprestatie zou plegen jegens Silife Ltd. als Liquistone ook aan haar een licentie zou verlenen.”

3.32.

Volgens het hof had in redelijkheid van Roka mogen worden verwacht dat zij bij Silife Ltd. navraag zou doen of de Silife-Licentieovereenkomst inderdaad de facto al was beëindigd:

“5.21.3. Daarnaast wist Roka dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten om het Octrooi te exploiteren. Zij was immers zelf door/namens de Silife-Vennootschappen benaderd omdat deze op zoek waren naar investeerders ten behoeve van de verdere exploitatie van het Octrooi. Voor zover [betrokkene 1] , zoals Roka c.s. aanvoert, al tegen haar zou hebben gezegd dat Silife Ltd. geen inspanningen meer verrichtte ter exploitatie van het Octrooi, had dat voor haar reden moeten zijn om aan de woorden van [betrokkene 1] te twijfelen en dit bij Silife c.s. te verifiëren.

5.21.4. Verder acht het hof van belang dat Roka – nu zij vooraf bekend was met de tekst van de ontbindingsbrief van 6 april 2013 – wist dat er recent een bestuurswisseling was geweest in Silife Ltd. De brief verwijst daar immers naar. Ook erkent Roka dat zij op de hoogte was van de beëindiging van de Participatieovereenkomst (punt 1.14 pleitnota Roka c.s.). Zij wist dus dat er strubbelingen waren tussen de bij Silife c.s. en Liquistone als aandeelhouders en bestuurders betrokken (rechts)personen. Het hof verwerpt daarom het verweer van Roka c.s. dat Roka dacht dat [betrokkene 1] haar benaderde als bestuurder van Silife Ltd., evenals het verweer van Roka c.s. dat Roka geen reden had om te twijfelen aan de positie van [betrokkene 1] omdat [eiser 2] zijn email van 6 maart 2013 ook had gericht aan een e-mail adres van Silife Ltd. (…), [betrokkene 1] antwoordde vanaf een Silife e-mailadres en [betrokkene 1] en Lisida in het Engelse handelsregister vermeld stonden als enige bestuurders van Liquistone. De bekendheid met:

  • -

    de bestuurswisseling in Silife Ltd.,

  • -

    de beëindiging van de Participatieovereenkomst,

  • -

    de door Liquistone gegeven gronden voor ontbinding, en

  • -

    de wetenschap dat Silife Ltd. zich recent nog had ingezet voor de exploitatie van het Octrooi,

  • -

    had voor Roka gegronde reden tot twijfel moeten geven aan de juistheid van de mededeling van [betrokkene 1] dat de Silife-Licentieovereenkomst al was geëindigd en dat uitsluitend nog een formele bevestiging daarvan zou worden verzonden. Van Roka had – in aanmerking genomen het belang van de Silife-Vennootschappen bij de Silife-Licentieovereenkomst (…) – in redelijkheid mogen worden verwacht dat zij bij Silife Ltd. zelf zou navragen of de SilifeLicentieovereenkomst inderdaad de facto al was geëindigd. Dat klemt te meer daar Roka stelt een kort due diligence onderzoek te hebben gedaan. Zij heeft echter geen navraag gedaan bij Silife Ltd.”

3.33.

Naar het oordeel van het hof kon Roka weten dat de Silife-Vennootschappen nadeel zouden ondervinden van het aangaan van de Roka-Licentieovereenkomst:

“5.21.5. Nu Roka ermee bekend was dat Silife Ltd. sublicenties had verstrekt aan Silife BV en Silife India, kon zij voorts weten dat ook deze vennootschappen nadeel zouden ondervinden van het aangaan van de Roka-Licentieovereenkomst, aangezien zij daardoor niet langer op basis van exclusiviteit zouden kunnen handelen.

Het hof volgt Roka c.s. niet in haar verweer dat de Silife-Vennootschappen geen schade hebben geleden nu zij bij gebrek aan financiële middelen, kennis en toegang tot de markt het Octrooi niet tot wasdom konden laten komen. Het hof verwijst in dit verband naar het in r.o. 5.16 overwogene.”

3.34.

Volgens het hof blijkt uit alle feiten en omstandigheden tezamen dat Roka het vooropgezette doel had om te bewerkstelligen dat zij in plaats van de Silife-Vennootschappen het Octrooi zou gaan exploiteren door middel van de SI-Vennootschappen:

“5.21.6. Het hof acht verder van belang dat Roka actief bevorderde dat [betrokkene 1] , [eiser 4] en Magnichem met haar en de Sl-Vennootschappen gingen samenwerken. Zij deed dit als volgt:

- Roka bood [betrokkene 1] een groter aandelenbelang in SI Tech (en daarmee in de exploitatie van het Octrooi) dan hij indirect in Silife Ltd. had. Roka deed dit in de wetenschap dat [betrokkene 1] “onmisbaar” was voor de exploitatie van het Octrooi (zie de brief van Roka van 26 april 2013 (…)),

- Roka bood [eiser 4] een aandelenbelang in SI Tech, daar waar hij geen belang had in de Silife Vennootschappen. Daarnaast bewerkstelligde zij (blijkens de e-mail van 3 april 2013 (…)), dat Magnichem met de Sl-Vennootschappen ging samenwerken. Roka deed dit in de wetenschap dat [betrokkene 1] [eiser 4] en Magnichem onmisbaar achtte voor de exploitatie van het Octrooi (zie de conclusie van antwoord van Roka, punt 3.32).

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of [betrokkene 1] , [eiser 4] en Magnichem hun medewerking aan Roka/de SI Vennootschappen al hadden toegezegd vóór de totstandkoming van de Roka-Licentieovereenkomst of, zoals Roka c.s. aanvoert, pas (zeer) kort daarna. Ook bijkomende omstandigheden die zich voordoen na de wanprestatie, kunnen immers bijdragen tot het oordeel dat sprake is van onrechtmatig profiteren.49 In dit verband is van belang dat naar het oordeel van het hof uit alle feiten en omstandigheden tezamen blijkt dat Roka het vooropgezette doel had om te bewerkstelligen dat zij (door middel van de Sl-Vennootschappen) in plaats van de Silife-Vennootschappen het Octrooi zou gaan exploiteren. Gelet op de concurrentieverhouding tussen de Silife-Vennootschappen en de Sl-Vennootschappen, was naar het oordeel van het hof voorzienbaar dat [betrokkene 1] , [eiser 4] en Magnichem, zodra zij hun medewerking aan Roka/de SI-Vennootschappen hadden toegezegd, niet zowel voor de SilifeVennootschappen als voor de SI-Vennootschappen zouden kunnen blijven werken. Door [betrokkene 1] , [eiser 4] en Magnichem aan zich te binden, bevorderde Roka dus actief dat de SilifeVennootschappen niet alleen hun exclusiviteit, maar ook hun vertegenwoordiger en producent in India verloren.

Daarbij komt dat Silife c.s. Roka al bij brief van 10 april 2013 (slechts 4 dagen na het sluiten van de Roka-Licentieovereenkomst), in kennis heeft gesteld van haar bezwaren tegen de RokaLicentieovereenkomst, de positie van [betrokkene 1] binnen Silife c.s. en het standpunt dat Roka misbruik maakte van de wanprestatie van Liquistone. Ondanks dat is gesteld noch gebleken dat Roka toen al (substantiële) investeringen had gedaan in de exploitatie van het Octrooi, heeft Roka de Roka-Licentieovereenkomst gehandhaafd en heeft zij, onder verwijzing naar het daarin opgenomen boetebeding, € 2.000.000,00 gevorderd van Liquistone wegens het ontslag van [betrokkene 1] als bestuurder. Dit laatste deed zij, terwijl [betrokkene 1] bij haar betrokken bleef. Dit illustreert naar het oordeel van het hof de kwade trouw aan de zijde van Roka.”

3.35.

Door deze handelwijze heeft Roka zichzelf voordeel verschaft:

“5.21.7. Door voormelde handelwijze verschafte Roka zichzelf ten slotte het voordeel – en de voorsprong – dat zij kon voortbouwen op de kennis en ervaring die Silife c.s. met [betrokkene 1] en [eiser 4] had opgebouwd ten aanzien van (de exploitatie van) het Octrooi.”

3.36.

Volgens het hof wist Roka, of had zij redelijkerwijs moeten weten, dat haar handelwijze de Silife-Vennootschappen ernstig zou schaden:

“5.21.8. Uit het voorgaande volgt dat Roka wist of redelijkerwijs moest weten dat haar handelswijze de Silife-Vennootschappen ernstig zou schaden, aangezien deze het Octrooi niet meer (exclusief) zouden kunnen exploiteren. Tegenover dit ernstige nadeel voor de SilifeVennootschappen staat het belang van Roka bij de exploitatie van de RokaLicentieovereenkomst. Dat belang van Roka weegt naar het oordeel van het hof niet zwaar. Gesteld noch gebleken is dat Roka c.s. ten tijde van het sluiten van de RokaLicentieovereenkomst, respectievelijk op het moment dat Silife c.s. haar sommeerde de exploitatie van het Octrooi te staken, al enige investering in de exploitatie van het Octrooi had gedaan. Het belang van Roka c.s. was gericht op potentiële resultaten in de toekomst. Dat staat niet in verhouding tot het belang van de Silife-Vennootschappen, die al overeenkomsten met derden waren aangegaan en al investeringen hadden gedaan in de exploitatie van de SilifeLicentieovereenkomst in de zin van financiële en arbeidsinspanningen, onder meer door het verstrekken van de sublicenties, door het oprichten van Silife BV door Silife India, door overeenkomsten te sluiten met [eiser 4] en Magnichem, door al batches te doen maken, en door actief op zoek te gaan naar investeerders. Daarbij komt dat artikel 2.4. van de RokaLicentieovereenkomst, waarin staat dat Liquistone een boete verbeurt van € 2.000.000,00 indien Liquistone – kort weergegeven – [betrokkene 1] ontslaat als bestuurder van Liquistone, in het licht van de problemen tussen de bij Liquistone betrokken (rechts)personen evident nadelig was voor Liquistone, en dat Roka zich daarvan bewust moest zijn, aangezien zij op de hoogte was van deze problemen (zie r.o. 5.21.4).”

3.37.

Dit alles heeft het hof tot de slotsom gebracht dat Roka onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld:

“5.22. Gelet op de in 5.21.1 tot en met 5.21.8 besproken omstandigheden, heeft Roka naar het oordeel van het hof gehandeld in strijd met de volgens maatschappelijke betamelijkheidsnormen door Roka jegens Silife c.s. in acht te nemen zorgvuldigheid.”

Onderdeel IV – rov. 5.21.2.

3.38.

Roka c.s. richten een reeks klachten tegen rov. 5.21.2., waarin het hof heeft geoordeeld dat Roka wist, althans in redelijkheid had moeten weten dat de ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst niet rechtsgeldig was.

3.39.

Roka c.s. klagen in randnummer 4.35. van de procesinleiding dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat de ontbinding kan berusten op andere gronden dan genoemd in de ontbindingsbrief van 6 april 2013. Dit betekent dat Roka niet reeds op grond van de ontbindingsbrief in redelijkheid had moeten weten dat de ontbinding niet rechtsgeldig was, temeer nu de bestuurder van Liquistone ( [betrokkene 1] ) haar had laten weten dat er meerdere ontbindingsgronden waren.

3.40.

De klacht gaat uit van een onjuiste, te beperkte lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag. Anders dan Roka c.s. betogen, heeft het hof niet slechts op basis van de inhoud van de ontbindingsbrief van Liquistone geoordeeld dat Roka in redelijkheid had moeten weten dat de ontbinding niet rechtsgeldig was (rov. 5.21.2.). Het hof heeft ook in zijn beoordeling meegewogen dat Roka diverse redenen had om te twijfelen aan de woorden van [betrokkene 1] , waar hij Roka verzekerde dat de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst wel degelijk rechtsgeldig was. Roka was immers bekend met (i) de bestuurswisseling in Silife Ltd., (ii) de beëindiging van de Participatieovereenkomst, (iii) de door Liquistone gegeven (ongegronde) redenen voor ontbinding en (iv) de omstandigheid dat Silife Ltd. zich recent nog voor de exploitatie van het Octrooi had ingezet (rov. 5.21.4.). Mede gelet op het (grote) belang van de Silife-Vennootschappen bij de SilifeLicentieovereenkomst (rov. 5.21.8.), had derhalve van Roka mogen worden verwacht dat zij niet zomaar ervan zou uitgaan dat de Silife-licentieovereenkomst was ontbonden, maar in plaats daarvan bij Silife Ltd. navraag zou doen naar de status van de SilifeLicentieovereenkomst (rov. 5.21.3. en 5.21.4.). Het is op basis van het samenstel van deze omstandigheden dat het hof – niet onjuist – heeft geoordeeld dat Roka wist, althans in redelijkheid had moeten weten, dat de ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst niet rechtsgeldig was en dat Liquistone wanprestatie zou plegen jegens Silife Ltd. als Liquistone de Roka-Licentieovereenkomst zou aangaan.

3.41.

Roka c.s. komen in randnummer 4.36. van de procesinleiding op tegen het oordeel van het hof dat ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst niet mogelijk was, omdat Liquistone Silife Ltd. niet in gebreke heeft gesteld en Silife Ltd. dus niet in verzuim verkeerde. Volgens Roka c.s. heeft het hof hiermee miskend dat verzuim ook zonder ingebrekestelling kan intreden en de ingebrekestelling niet in de ontbindingsbrief hoeft te worden genoemd. Roka had dus niet reeds op grond van de ontbindingsbrief in redelijkheid moeten weten dat de ontbinding niet rechtsgeldig was wegens het ontbreken van verzuim.

3.42.

Deze klacht gaat uit van dezelfde onjuiste, te beperkte lezing van het bestreden arrest als de klacht in randnummer 4.35. van de procesinleiding en mist derhalve ook feitelijke grondslag (randnummer 3.40. hiervoor). Uit rov. 5.16. blijkt duidelijk dat het hof heeft onderkend dat verzuim ook zonder ingebrekestelling kan intreden. Daarnaast geldt dat het oordeel van het hof – dat Roka in redelijkheid had moeten weten dat de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst niet rechtsgeldig was – niet alleen op de ontbindingsbrief is gebaseerd, maar op het geheel aan omstandigheden genoemd in rov. 5.21.1. tot en met 5.21.4.

3.43.

Roka c.s. klagen in randnummer 4.37. van de procesinleiding dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Roka, als (niet betrokken) derde, zou moeten hebben geweten dat de ontbinding niet rechtsgeldig was en Liquistone tegenover Silife Ltd. wanprestatie zou plegen als zij de Roka-Licentieovereenkomst zou aangaan.

3.44.

De klacht faalt. Wanneer we de visie van Roka c.s. zouden volgen, zou een derde in principe nooit op onrechtmatige wijze van een wanprestatie of onrechtmatige daad kunnen profiteren, omdat die derde nu eenmaal niet bij de rechtsverhouding in kwestie betrokken is geweest en die rechtsverhouding dus niet (goed) kan beoordelen. Een dergelijke zienswijze veroordeelt zichzelf. In rov. 5.21.2. tot en met 5.21.4. heeft het hof voldoende toegelicht waarom Roka redenen had om aan de ontbinding en de woorden van [betrokkene 1] te twijfelen en daarom bij Silife Ltd. zelf navraag had moeten doen naar de status van de Silife-Licentieovereenkomst (randnummer 3.40. hiervoor). Het gegeven dat Roka meerdere ‘rode vlaggen’ heeft genegeerd, maakt dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat Roka – ook al was zij een ‘buitenstaander’ – wist, of in redelijkheid had moeten weten dat de ontbinding niet rechtsgeldig was en Liquistone wanprestatie jegens Silife Ltd. zou plegen als zij de RokaLicentieovereenkomst zou aangaan.

3.45.

Roka c.s. betogen in randnummer 4.48. van de procesinleiding – na een uiteenzetting over het leerstuk profiteren van wanprestatie50 – dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het omstandigheden van ná de datum van contractsluiting heeft laten meewegen bij het beantwoorden van de vraag of Roka onrechtmatig heeft geprofiteerd van de wanprestatie van Liquistone.

3.46.

De klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt. Het hof heeft in rov. 5.21.6. overwogen dat ook bijkomende omstandigheden die zich voordoen ná de wanprestatie (in dit geval: het sluiten van de Roka-Licentieovereenkomst, waardoor de exclusiviteit van de SilifeLicentieovereenkomst werd geschonden), kunnen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van onrechtmatig profiteren. Het hof heeft daarbij verwezen naar rov. 3.4 van het Joba/ […]-arrest van 28 maart 2014 van Uw Raad.51 In die zaak gold als uitgangspunt dat Joba – op het moment dat hij koopovereenkomsten met betrekking tot verschillende panden sloot – niet bekend was met het voorkeursrecht van […] . Het stond Joba daarom in beginsel vrij, ook nadat zij alsnog van het voorkeursrecht van […] op de hoogte raakte, om de nakoming van de koopovereenkomsten na te streven, óók door de levering van een van de panden te vervroegen om beslaglegging door […] te voorkomen. Uw Raad heeft overwogen dat zodanige handelwijze, hoewel dus in beginsel toegestaan, onder bijzondere omstandigheden wél onrechtmatig kan zijn jegens degene die, zoals […] , een voorkeursrecht heeft dat daardoor wordt gefrustreerd. Volgens Uw Raad kan met name worden gedacht aan het geval dat sprake is van onevenredigheid tussen het belang bij nakoming van de koopovereenkomsten en het belang dat bestaat bij het kunnen uitoefenen van het voorkeursrecht. Uit het Joba/ […]-arrest volgt onder meer dat ook omstandigheden die zich ná de datum van contractsluiting hebben voorgedaan (zoals in de zaak Joba/ […]: het bekend worden door Joba met het voorkeursrecht van […] en het vervroegen van de levering van één van de panden door Joba), kunnen meewegen bij de beoordeling of een bepaalde handelwijze onrechtmatig is.52 Het hof is derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door in rov. 5.21.6. te overwegen dat ook omstandigheden die zich ná 6 maart 2013 (de datum van de RokaLicentieovereenkomst) hebben voorgedaan, kunnen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van onrechtmatig profiteren. Dit geldt temeer nu het hof van oordeel is dat uit alle feiten en omstandigheden blijkt dat Roka het vooropgezette plan had om te bewerkstelligen dat zij, in plaats van de Silife-Vennootschappen, het Octrooi zou gaan exploiteren. Zeker in die context bezien is het, zoals het hof ook in rov. 5.21.6. heeft overwogen, niet doorslaggevend of [betrokkene 1] , [eiser 4] en Magnichem hun medewerking reeds vóór de totstandkoming van de Roka-Licentieovereenkomst hadden toegezegd of pas (zeer) kort daarna.

3.47.

Roka c.s. klagen in randnummer 4.49. van de procesinleiding dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het niet van belang heeft geacht in hoeverre schade is geleden, althans nadeel voorzienbaar was in ernstige dan wel in enige (te verwaarlozen) mate.

3.48.

De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag. Het hof heeft de voorzienbaarheid van (aanzienlijk) nadeel wel van belang geacht. Het hof heeft namelijk in rov. 5.21.8. geoordeeld dat Roka wist of redelijkerwijs moest weten dat haar handelwijze de SilifeVennootschappen ernstig zou schaden.

3.49.

Roka c.s. betogen in randnummer 4.52. van de procesinleiding dat het slagen van (één van) de klachten in de onderdelen I, II en III met zich brengt dat ook rov. 5.21.2. niet kan standhouden.

3.50.

De klachten in de onderdelen I, II en III leiden niet tot cassatie, waardoor ook deze voortbouwklacht faalt.

3.51.

Roka c.s. betogen in klacht IVa en randnummer 4.50. van de procesinleiding dat zij – als buitenstaanders – niet uit eigen kennis konden beoordelen of Silife Ltd. jegens Liquistone tekortschoot. Volgens Roka c.s. is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, indien het heeft geoordeeld dat het voldoende is als een partij redelijkerwijs geacht moet worden te hebben geweten van de mogelijkheid van wanprestatie, of het vermoeden moet hebben gehad van een wanprestatie. Het is immers een noodzakelijke voorwaarde om van onrechtmatig profiteren te kunnen spreken dat sprake is van (redelijkerwijs aanwezig te achten) wetenschap van de wanprestatie.

3.52.

De klachten falen. Het hof heeft in rov. 5.20. (in cassatie onbestreden) vooropgesteld dat het handelen met iemand “terwijl men weet” dat deze door dit handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, dan wel “terwijl men weet” dat daarmee een onrechtmatige daad wordt gepleegd jegens een derde, op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig is, maar dat daarvoor bijkomende verzwarende omstandigheden nodig zijn. Het hof heeft derhalve als vertrekpunt genomen dat wetenschap van de wanprestatie respectievelijk onrechtmatige daad noodzakelijk is, waarna het hof heeft beoordeeld of sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden. Dit blijkt ook uit rov. 5.21.2., waarin het hof heeft geoordeeld dat Roka “wist”, althans “in redelijkheid [had] moeten weten”, dat de ontbinding niet rechtsgeldig was en dat Liquistone wanprestatie jegens Silife Ltd. zou plegen als Liquistone de Roka-Licentieovereenkomst zou sluiten. Het blijkt verder uit rov. 5.21.3., 5.21.4. en 5.21.5., waarin het hof spreekt van “wist” en “bekend was met”. Anders dan Roka c.s. betogen, heeft het hof dus niet geoordeeld dat Roka slechts wist dat Liquistone mogelijk wanprestatie jegens Liquistone pleegde of dat Roka een vermoeden moet hebben gehad dat Liquistone wanprestatie pleegde.

3.53.

In klacht IVc53 betogen Roka c.s. dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat de omstandigheden die het hof in rov. 5.21.1. en 5.21.2. noemt niet (zonder meer) meebrengen dat Roka – als buitenstaander – redelijkerwijs aan te nemen bekendheid had met de ongeldigheid van de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst en de wanprestatie van Liquistone.

3.54.

De klacht faalt. In rov. 5.21.1. en 5.21.2. heeft het hof geoordeeld dat Roka bekend was met de inhoud van de Silife-Licentieovereenkomst en de (concept) ontbindingsbrief van Liquistone. Dit betekent dat Roka, ook al was zij een ‘buitenstaander’, op grond van die stukken wist dat de in de ontbindingsbrief genoemde gronden voor ontbinding niet opgingen. Hierdoor hadden de eerste alarmbellen bij Roka moeten afgaan. Het hof heeft daarnaast in rov. 5.21.3. en 5.21.4. geoordeeld dat Roka diverse redenen had om aan de (geruststellende) woorden van [betrokkene 1] te twijfelen en daarom bij Silife Ltd. had moeten navragen wat de status van de SilifeLicentieovereenkomst was. Hier hadden de alarmbellen nog luider bij Roka moeten afgaan. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Roka – ook al was zij een ‘buitenstaander’ – wist, althans in redelijkheid had moeten weten, dat de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst niet rechtsgeldig was en dat Liquistone wanprestatie zou plegen jegens Silife Ltd. als zij de RokaLicentieovereenkomst zou aangaan. Het gaat uiteraard niet aan dat een derde (Roka in dit geval) aan aansprakelijkheid ontkomt door zich van de domme te houden en alle alarmbellen te negeren.

3.55.

In klacht IVd betogen Roka c.s. dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan of zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat het aan diverse essentiële stellingen van Roka c.s. is voorbijgegaan. Het gaat om de in klacht IVc genoemde omstandigheden dat Roka (i) als buitenstaander geen kennis had van de rechtsbetrekking tussen Silife Ltd. en Liquistone en de vraag of Silife Ltd. tekortschoot en (ii) van [betrokkene 1] te horen had gekregen dat Silife Ltd. al geruime tijd onherstelbaar tekortschoot in de nakoming van de SilifeLicentieovereenkomst, Silife Ltd. reeds in gebreke was gesteld, Silife Ltd. technisch failliet was, de SilifeLicentieovereenkomst de facto al was beëindigd, de advocaat van Liquistone de bevoegdheid tot ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst had onderschreven en alle betrokken bij Silife Ltd. op de hoogte waren gebracht van de interesse van Roka in een samenwerking en daarop niet hadden gereageerd.

3.56.

De klachten gaan uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en missen derhalve feitelijke grondslag. Het hof is niet aan deze stellingen voorbijgegaan. Met betrekking tot omstandigheid (i) geldt dat het hof juist heeft geoordeeld dat Roka – ook al was zij een ‘buitenstaander’ – wél (redelijkerwijs) wist van de wanprestatie van Liquistone (rov. 5.21.2.). Met betrekking tot de omstandigheden genoemd onder (ii) geldt dat het hof heeft geoordeeld dat Roka niet zonder meer van de mededelingen van [betrokkene 1] had mogen uitgaan en zelf bij Silife Ltd. navraag had moeten doen naar de status van de Silife-Licentieovereenkomst (rov. 5.21.3. en 5.21.4.).

Onderdeel V – rov. 5.16., 5.21.3., 5.21.4. en 5.21.5.

3.57.

Roka c.s. komen in dit onderdeel op tegen de oordelen van het hof in rov. 5.16., 5.21.3., 5.21.4. en 5.21.5. van het bestreden arrest.

3.58.

In klacht Va betogen Roka c.s. dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is indien het hof in rov. 5.16., 5.21.3., 5.21.4. en 5.21.5. van een wanprestatie van Liquistone jegens Silife Ltd. is uitgegaan, zonder (eerst) te onderzoeken of Silife Ltd. wanprestatie pleegde jegens Liquistone.

3.59.

De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag. Het hof heeft wel degelijk onderzocht of Silife Ltd. wanprestatie jegens Liquistone pleegde, namelijk in het kader van de vraag of Silife Ltd. van rechtswege in verzuim is komen te verkeren (rov. 5.16.). Naar het oordeel van het hof verkeerde Silife Lid. niet van rechtswege in verzuim, omdat zij zich voldoende heeft ingezet om de SilifeLicentieovereenkomst te exploiteren. Dat oordeel impliceert dat Silife Ltd. geen wanprestatie jegens Liquistone heeft gepleegd.

3.60.

In klacht Vb betogen Roka c.s. dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is, voor zover het hof in rov. 5.21.3. heeft geoordeeld dat Roka had moeten weten dat de ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst niet rechtsgeldig was, omdat zij wist dat de SilifeVennootschappen inspanningen verrichtten om het Octrooi te exploiteren. Als Silife Ltd. al enige activiteiten ontplooide, betekent dat volgens Roka c.s. nog niet dat Silife Ltd. daardoor de SilifeLicentieovereenkomst correct nakwam en niet achterbleef bij wat Liquistone van haar mocht verwachten.

3.61.

De klachten falen. Het hof heeft op basis van het geheel aan omstandigheden genoemd in rov. 5.21.1. tot en met 5.21.4. geoordeeld dat Roka wist, althans in redelijkheid had moeten weten dat de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst niet rechtsgeldig was. Het is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in dit kader ook acht heeft geslagen op de omstandigheid dat Roka wist dat de SilifeVennootschappen inspanningen verrichtten om het Octrooi te exploiteren (rov. 5.21.3.: “Daarnaast wist Roka dat…”). Zoals het hof terecht heeft overwogen, had die omstandigheid immers een van de redenen moeten zijn voor Roka om te twijfelen aan de mededeling van [betrokkene 1] dat de Silife-Licentieovereenkomst de facto al was beëindigd.

3.62.

Roka c.s. komen in klacht Vc op tegen het oordeel van het hof in rov. 5.21.3. dat Roka zou hebben geweten dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten, omdat Roka zelf door of namens de Silife-Vennootschappen zou zijn benaderd in hun zoektocht naar investeerders. Volgens Roka c.s. heeft het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat Roka zou hebben geweten dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten om de licentie te exploiteren. Roka is namelijk niet (eerder) door (een van) de SilifeVennootschappen benaderd met het oog op een investering.

3.63.

De klacht faalt. Hoewel het strikt genomen juist is dat Roka niet (rechtstreeks) door de SilifeVennootschappen is benaderd met het oog op een investering, is [eiser 2] in 2012 wél door de Silife-Vennootschappen benaderd met het oog op een investering, waarna [eiser 2] Roka in maart 2013 in contact heeft gebracht met de Silife-Vennootschappen. Deze gang van zaken overziend, is het niet onbegrijpelijk dat het hof (verkort) heeft overwogen dat Roka zelf door/namens de Silife-Vennootschappen is benaderd.

3.64.

Het falen van klacht Vc maakt dat ook de voortbouwklacht in randnummer 4.61. van de procesinleiding niet opgaat.

3.65.

In klacht Vd54 betogen Roka c.s. dat alleen in bijzondere omstandigheden van een partij (in dit geval Roka) mag worden gevergd bij een derde (in dit geval Silife Ltd.) navraag te doen alvorens een overeenkomst te sluiten. Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft het hof volgens Roka niet vastgesteld. Daarom heeft het hof in rov. 5.21.3. niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom Roka op basis van één enkel eerder (door het hof aangenomen) contact met Silife Ltd. in twijfel had moeten trekken dat de SilifeVennootschapen geen inspanningen meer verrichtten en Roka contact had moeten opnemen met Silife Ltd. om dat de verifiëren. Zelfs als Roka eerder door de SilifeVennootschappen zou zijn benaderd, is dat contact niet van dien aard geweest dat Roka daarin een reden had moeten vinden om bij Silife Ltd. te verifiëren of zij inderdaad, zoals [betrokkene 1] volhield, geen inspanningen meer verrichtte. Dit onderzoek zou bovendien enkel twijfel hebben kunnen oproepen over de gestelde wanprestatie van Silife Ltd. – en daarmee een vermoeden van een wanprestatie kunnen opleveren – maar dat is onvoldoende om van onrechtmatig profiteren van een wanprestatie te kunnen spreken.

3.66.

De klacht faalt. In rov. 5.20. heeft het hof (in cassatie onbestreden) overwogen dat het profiteren van een wanprestatie of onrechtmatige daad pas onrechtmatig is indien sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden. Volgens het hof zijn dergelijke omstandigheden hier aan de orde, omdat Roka (i) wist of in redelijkheid had moeten weten dat de ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst niet rechtsgeldig was (rov. 5.21.2.), (ii) wist dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten om het Octrooi te exploiteren (rov. 5.21.3.), (iii) diverse redenen had om aan de woorden van [betrokkene 1] te twijfelen (rov. 5.21.3.-5.21.4.), (iv) wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de Silife-Vennootschappen groot belang hadden bij de SilifeLicentieovereenkomst (rov. 5.21.4. en 5.21.8.), (v) actief bevorderde dat [betrokkene 1] , [eiser 4] en Magnichem met haar en de SI-Vennootschappen gingen samenwerken (rov. 5.21.6.), (vi) zichzelf het voordeel verschafte dat zij kon voortbouwen op de kennis en ervaring die Silife c.s. met [betrokkene 1] en [eiser 4] had opgebouwd ten aanzien van (de exploitatie van) het Octrooi (rov. 5.21.7.) en (vii) wist of redelijkerwijs moest weten dat haar handelwijze de Silife-Vennootschappen ernstig zou schaden. Voor zover dit in grote mate feitelijke oordeel in cassatie kan worden getoetst, is het niet onbegrijpelijk.

3.67.

Anders dan Roka c.s. betogen, is het niet zo dat het doen van navraag bij Silife Ltd. slechts twijfel had kunnen doen oproepen over de gestelde wanprestatie van Silife Ltd. en daarmee slechts een vermoeden van een wanprestatie had kunnen opleveren. Zoals het hof in rov. 5.21.2. heeft overwogen, wist Roka immers al dat de in de ontbindingsbrief van Liquistone genoemde ontbindingsgronden ongegrond waren. Als Roka dan ook nog ondubbelzinnig van Silife Ltd. zou hebben gehoord dat [betrokkene 1] en Lisida op 18 februari 2013 als bestuurders van Silife Ltd. waren ontslagen en de SilifeLicentieovereenkomst helemaal niet de facto al was beëindigd, had Roka zonder enige twijfel kunnen concluderen dat Liquistone wanprestatie jegens Silife Ltd. zou plegen als zij de Roka-Licentieovereenkomst zou aangaan. Het doen van navraag had dus niet slechts een vermoeden van wanprestatie opgeleverd.

Onderdeel VI – rov. 5.21.3.

3.68.

In dit onderdeel richten Roka c.s. wederom klachten tegen rov. 5.21.3.

3.69.

Roka c.s. betogen in klacht VIa dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het heeft geoordeeld dat van Roka mocht worden verlangd om contact te zoeken met Silife Ltd. Er bestaat immers geen rechtsregel die een partij verplicht om vóór het aangaan van een overeenkomst na te gaan of het de andere partij vrijstaat om te contracteren. Dit geldt temeer voor zover Roka dit had moeten nagaan bij partijen met een afgeleide positie, zoals de houders van een sublicentie (bijvoorbeeld Silife India), met wie Roka toentertijd niet eens bekend was. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken en het hof heeft dergelijke omstandigheden niet vastgesteld.

3.70.

De klacht, die overlap vertoont met klacht Vd (randnummers 3.65. e.v. hiervoor), faalt. Zoals Roka c.s. onderkennen, is het beginsel van contractvrijheid niet onbeperkt. Onder (bijzondere) omstandigheden kan het onrechtmatig zijn om een overeenkomst te sluiten en nakoming daarvan na te streven (zie in deze zin ook rov. 5.20., in cassatie niet bestreden). Naar het oordeel van het hof is van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake (door het hof in rov. 5.20. aangeduid als “bijkomende verzwarende omstandigheden”). Dat oordeel is niet onjuist en zoals in randnummer 3.66. hiervoor toegelicht, evenmin onbegrijpelijk.

3.71.

In klacht VIb betogen Roka c.s. dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat Roka kort na 6 maart 2013 (de datum van de Roka-Licentieovereenkomst) nog wel contact heeft gezocht met Silife Ltd. over de exploitatie van het Octrooi. Roka c.s. verwijzen in dit kader naar de pleidooizitting op 26 september 2019, waar [eiser 2] het volgende heeft verklaard:55

“U vraagt mij of het voor de hand lag om ook aan de licentiehouder en de sublicentiehouders te vragen of het Liquistone vrij stond om een licentieovereenkomst met Roka aan te gaan. Wij hebben dit wel degelijk gedaan. Ik heb gehoord dat daar met Marcel van der Veld over is gesproken. Wij hebben met [betrokkene 1] gesproken en [betrokkene 1] heeft met zijn juridisch adviseur gesproken. Wij hebben naar de bevoegdheid van de bestuurder en het patent gekeken.”

3.72.

De klacht faalt. Uit de verklaring van [eiser 2] blijkt dat Roka c.s. (“Wij”) contact hebben gehad met [betrokkene 1] , maar zijn mededelingen had Roka in twijfel moeten trekken (rov. 5.21.3. en 5.21.4.). Uit de verklaring van [eiser 2] , die slechts heeft verklaard te hebben “gehoord” dat “daar” met Marcel van der Veld over is gesproken, blijkt niet (i) wie Marcel van der Veld is, (ii) met wie Marcel van der Veld contact heeft gehad over de vraag of het Liquistone vrijstond om de RokaLicentieovereenkomst aan te gaan en (iii) welke informatie dat contact heeft opgeleverd. Roka c.s. lichten dit ook niet toe, anders dan door niet onderbouwd te stellen dat het contact geen onmogelijkheid uitwees voor Liquistone om de Silife-Licentieovereenkomst te ontbinden.56 Gelet op deze vage, niet-onderbouwde stellingname door Roka c.s. is het niet onbegrijpelijk dat het hof ervan is uitgegaan dat Roka c.s. niet bij Silife Ltd. heeft nagevraagd of de SilifeLicentieovereenkomst de facto al was beëindigd.

3.73.

Roka c.s. betogen in de klachten VIc en VIe, die in de kern op hetzelfde neerkomen, dat het hof niet (voldoende) duidelijk heeft gemotiveerd waarom Roka ermee bekend was dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten om het Octrooi te exploiteren. De SilifeVennootschappen hebben Roka immers niet benaderd. [eiser 2] heeft Roka benaderd, nadat Roka [eiser 2] had laten weten geïnteresseerd te zijn in de exploitatie van gestabiliseerd siliciumzuur. Roka kende de Silife-Vennootschappen op dat moment nog niet.

3.74.

Deze klachten vormen een herhaling van klacht Vc en falen om dezelfde reden (randnummers 3.62. en 3.63. hiervoor).

3.75.

In klacht VId betogen Roka c.s. dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is voor zover het hof heeft geoordeeld dat Roka uit de inspanningen van de Silife-Vennootschappen had moeten afleiden dat Silife Ltd. de SilifeLicentieovereenkomst correct nakwam. Dit geldt temeer nu [betrokkene 1] , als bestuurder van Silife Ltd., Roka had medegedeeld dat Silife Ltd. wél tekortschoot in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst.

3.76.

Deze klachten vormen naar de kern genomen een herhaling van klacht Vb en falen om dezelfde reden (randnummers 3.60. en 3.61. hiervoor).

Onderdeel VII – rov. 5.21.3. en 5.21.4.

3.77.

In dit onderdeel richten Roka c.s. opnieuw klachten tegen rov. 5.21.3. en 5.21.4.

3.78.

Roka c.s. betogen in randnummer 4.72. van de procesinleiding dat rov. 5.21.4. niet kan standhouden, voor zover het daarin vervatte oordeel steunt op de oordelen die Roka c.s. in de onderdelen I tot en met VI hebben bestreden.

3.79.

Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in de onderdelen I tot en met VI niet tot cassatie leiden.

3.80.

Roka c.s. betogen in klacht VIIa dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het heeft geoordeeld dat van Roka in redelijkheid mocht worden verwacht dat zij bij Silife Ltd. navraag zou doen of de Silife-Licentieovereenkomst de facto al was geëindigd. Er is immers geen rechtsregel die Roka verplichtte om dit bij Silife Ltd. na te gaan, althans die verplichting is er slechts in (zeer) bijzondere omstandigheden die het hof niet heeft vastgesteld.

3.81.

Deze klacht betreft een herhaling van de klachten Vd en VIa en faalt om dezelfde redenen (randnummers 3.65., 3.66., 3.69. en 3.70. hiervoor).

3.82.

In klacht VIIb betogen Roka c.s. dat het hof niet (voldoende) begrijpelijk het verweer heeft verworpen dat Roka dacht dat [betrokkene 1] haar als bestuurder van Silife Ltd. benaderde. [betrokkene 1] benaderde Roka namelijk niet, maar [eiser 2] bracht Roka in contact met [betrokkene 1] met het oog op een mogelijke samenwerking van Silife Ltd. met Roka.

3.83.

De klacht faalt. Het hof heeft het verweer van Roka c.s. in rov. 5.21.4. verworpen, omdat Roka gegronde redenen had om aan de juistheid van de mededelingen van [betrokkene 1] te twijfelen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk (randnummer 3.40. hiervoor). Voor het overige betreft de klacht een herhaling van klacht Vc, die faalt, zodat ook deze klacht in zoverre faalt (randnummers 3.62. en 3.63. hiervoor).

3.84.

Roka c.s. betogen in randnummers 4.76., 4.77. en 4.78. van de procesinleiding dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat van Roka mocht worden verwacht dat zij bij Silife Ltd. zou navragen of de SilifeLicentieovereenkomst inderdaad was geëindigd. Roka c.s. wijzen in dit kader op de volgende negen essentiële omstandigheden, die het hof – afzonderlijk, maar in elk geval als geheel – niet (voldoende) in zijn oordeel zou hebben meegenomen: (a) de licentie was om niet aan Silife Ltd. verstrekt, (b) er was een gebrek aan financiële middelen bij de Silife-Vennootschappen om het Octrooi uit te baten, (c) [betrokkene 1] had gezegd dat een advocaat had bevestigd dat de ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst was gerechtvaardigd, (d) uit de openbare gegevens van de Kamer van Koophandel en internet bleek geen enkele activiteit van de SilifeVennootschappen, (e) de betrokkenen bij Silife Ltd. hebben niet gereageerd op de email van 6 maart 2013 van Roka, waarin zij interesse toonde in een samenwerking (randnummer 1.18. hiervoor), hetgeen Roka heeft opgevat als een bevestiging dat Silife Ltd. inderdaad de Silife-Licentieovereenkomst niet nakwam, (f) Roka was tot medio maart 2013 onbekend met Silife Ltd., (g) het was onmogelijk voor Roka om als buitenstaander na te gaan of de Silife-Licentieovereenkomst de facto al was geëindigd, (h) Roka heeft kort na 6 maart 2013 nog contact opgenomen met Silife Ltd., maar er werd geen interesse getoond en (i) op grond van de positie van [betrokkene 1] , niet alleen als bestuurder en aandeelhouder van Liquistone, maar ook als aandeelhouder van Silife Ltd., kon [betrokkene 1] geacht worden te weten of Silife Ltd. haar verplichtingen uit de SilifeLicentieovereenkomst nakwam.

3.85.

De klacht faalt. Geen van deze omstandigheden, afzonderlijk noch in samenhang bezien, maken het oordeel van het hof onbegrijpelijk:

- Omstandigheid (a) is niet essentieel en heeft het hof dus niet kenbaar in zijn beoordeling hoeven betrekken. Het hof heeft in rov. 5.21.8. uitgebreid uiteengezet op welke wijze de Silife-Vennootschappen door de Roka-Licentieovereenkomst werden geschaad. Dat Silife Ltd. op grond van de Silife-Licentieovereenkomst geen vergoeding aan Liquistone hoefde te betalen, doet hieraan niet af.

- Omstandigheid (b) kan aan het oordeel van het hof niet afdoen, omdat het hof in rov. 5.16. heeft overwogen dat Silife Ltd. op zoek was naar externe investeerders en mede om die reden niet is gebleken dat Silife Ltd. zich niet (voldoende) inzette of niet in staat was om de Silife-Licentieovereenkomst te exploiteren. Bovendien blijkt uit rov. 5.21.8. dat Roka, anders dan zij betoogt, wél diende uit te gaan van een groot nadeel voor de SilifeVennootschappen.

- Omstandigheid (c) wordt gelogenstraft omdat het hof in rov. 5.21.3. en 5.21.4. heeft geoordeeld dat Roka gegronde redenen had om te twijfelen aan de mededelingen van [betrokkene 1] .

- Omstandigheid (d) heeft het hof in rov. 5.21.3. terzijde geschoven, omdat Roka wist dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten om het Octrooi te exploiteren.

- Omstandigheid (e) is niet essentieel, omdat zij niet afdoet aan het oordeel van het hof dat Roka bij Silife Ltd. navraag had moeten doen naar de status van de SilifeLicentieovereenkomst (rov. 5.21.3. en 5.21.4.). Gelet op de twijfels die Roka bij de mededelingen van [betrokkene 1] had moeten hebben, had Roka uit het feit dat de overige betrokkenen bij Silife Ltd. niet op de e-mail van 6 maart 2013 van [eiser 2] reageerden niet zonder meer mogen afleiden dat Silife Ltd. (dus) geen interesse in de potentiële financier had.57 Dit geldt temeer nu naar het oordeel van het hof uit alle feiten en omstandigheden tezamen blijkt dat Roka het vooropgezette doel had om te bewerkstelligen dat zij in plaats van de SilifeVennootschappen het Octrooi zou gaan exploiteren (rov. 5.21.6.).

- Omstandigheid (f) is niet essentieel en heeft het hof dus niet kenbaar in zijn oordeel hoeven betrekken. Dat Roka vóór 6 maart 2013 Silife Ltd. niet kende, betekent immers niet dat Roka niet onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld door een maand later, op 6 april 2013, de Roka-Licentieovereenkomst aan te gaan.

- Omstandigheid (g) is reeds beoordeeld in klacht IVc en maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk (randnummers 3.53. en 3.54. hiervoor).

- Omstandigheid (h) is reeds beoordeeld in klacht VIb en maakt het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk (randnummers 3.71. en 3.72. hiervoor).

- Omstandigheid (i) doet niet af aan het oordeel van het hof in rov. 5.21.3. en 5.21.4. dat Roka gegronde redenen had om te twijfelen aan de juistheid van de mededelingen van [betrokkene 1] . Deze gegronde redenen kunnen niet worden weggenomen door de positie van [betrokkene 1] , zeker nu Roka wist dat er strubbelingen waren tussen de bij Silife Ltd. en Liquistone als aandeelhouders en bestuurders betrokken (rechts)personen (rov. 5.21.4.).

3.86.

Roka c.s. betogen in randnummer 4.79. van de procesinleiding dat het hof niet (voldoende) begrijpelijk heeft geoordeeld dat het des temeer klemt dat Roka niet bij Silife Ltd. heeft nagevraagd of de Silife-Licentieovereenkomst inderdaad was geëindigd, omdat Roka wel een kort due diligence onderzoek heeft gedaan. Volgens Roka c.s. blijkt hieruit juist dat zij zorgvuldig is geweest alvorens de Roka-Licentieovereenkomst aan te gaan.

3.87.

De klacht faalt. Anders dan Roka c.s. betogen, getuigt het niet van zorgvuldigheid als een due diligence onderzoek wordt uitgevoerd en – ondanks meerdere rode vlaggen (rov. 5.21.3 en 5.21.4.) – niet aan de huidige/vorige licentiehouder (Silife Ltd.) wordt gevraagd wat de status van de SilifeLicentieovereenkomst is. Veel extra tijd en moeite had een dergelijke navraag waarschijnlijk niet gekost.

3.88.

Roka c.s. betogen in randnummer 4.80. van de procesinleiding dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het heeft geoordeeld dat van een tekortkoming geen sprake is, omdat Silife Ltd. uit geldelijk onvermogen niet tot presteren in staat was. Geldelijk onvermogen levert immers geen overmacht op, althans komt voor risico van Silife Ltd., en neemt de tekortkoming zelf niet weg.

3.89.

Deze klacht betreft een herhaling van klacht IIe en gaat om dezelfde reden niet op (randnummers 3.21. en 3.22. hiervoor).

Onderdeel VIII – rov. 5.21.6. 58

3.90.

Roka c.s. richten klachten tegen rov. 5.21.6., waarin het hof heeft geoordeeld dat Roka actief bevorderde dat [betrokkene 1] , [eiser 4] en Magnichem met haar en de SI-Vennootschappen gingen samenwerken en dat uit alle feiten en omstandigheden tezamen blijkt dat Roka het vooropgezette doel had om te bewerkstelligen dat zij (door middel van de SIVennootschappen) het Octrooi zou gaan exploiteren.

3.91.

In klacht VIIIa betogen Roka c.s. dat het hof niet (voldoende) heeft gemotiveerd waarom het is uitgegaan van een groter aandelenbelang van [betrokkene 1] in SI Tech dan in Silife Ltd. [betrokkene 1] had in Silife Ltd. immers een belang van 42,5% en in SI Tech slechts een belang van 38%.

3.92.

De klacht faalt. Silife c.s. en ABP hebben in hoger beroep betoogd dat Roka aan [betrokkene 1] enig voordeel heeft geboden, omdat [betrokkene 1] een groter aandelenbelang verkreeg in de vennootschap die de licentierechten ging exploiteren (SI Tech ten opzichte van Silife BV). Ze hebben betoogd dat [betrokkene 1] ‘slechts’ een indirect belang van 21,5% in Silife BV had, omdat [betrokkene 1] (via Lisida) weliswaar 42,5% van de aandelen in Silife Ltd. bezat, maar Silife Ltd. bezat op haar beurt maar 50% van de aandelen in het kapitaal van Silife BV (randnummers 1.4. en 1.6. hiervoor).59 Daar staat tegenover dat [betrokkene 1] bij de oprichting van SI Tech (via Lisida) 38% van de aandelen in SI Tech verkreeg (randnummer 1.30. hiervoor). [betrokkene 1] vergrootte derhalve, met behulp van Roka, [eiser 3] en [eiser 2] , zijn deelname in de vennootschap die de licentierechten exploiteerde van 21,5% (indirect in Silife BV) naar 38% (in SI Tech).60

3.93.

Naar aanleiding van dit betoog van Silife c.s. en ABP heeft het hof in rov. 5.21.6., eerste gedachtestreepje, overwogen dat Roka [betrokkene 1] een groter aandelenbelang in SI Tech bood (en daarmee in de exploitatie van het Octrooi) dan hij indirect in “Silife Ltd.” had. Gelet op het hiervoor weergegeven betoog van Silife c.s. en ABP – dat uitgaat van het aandelenbelang in Silife BV (en niet in Silife Ltd.) – ligt het voor de hand dat het hof Silife BV heeft bedoeld op de plaats waar het Silife Ltd. heeft geschreven. Deze verschrijving is echter onvoldoende om de overweging van het hof als onbegrijpelijk aan te merken. De gehele context in ogenschouw nemend, is het immers duidelijk dat het hof heeft bedoeld dat [betrokkene 1] , door zijn ‘overstap’ van de Silife-Vennootschappen naar de SI-Vennootschappen, een groter belang verkreeg in de vennootschap die het Octrooi daadwerkelijk exploiteerde (Silife BV respectievelijk SI Tech).

3.94.

Roka betogen in klacht VIIIb dat het niet (voldoende) begrijpelijk is voor zover het hof ervan is uitgegaan dat de door Roka bewerkstelligde samenwerking tussen Magnichem en de SIVennootschappen exclusief was. Magnichem opereerde immers voor allerhande marktpartijen. Als het hof een dergelijke exclusiviteit niet op het oog had, is het niet begrijpelijk waarom de samenwerking tussen Magnichem en de SI-Vennootschappen bijdraagt aan de kwalificatie van het handelen van Roka als onrechtmatig jegens de Silife-Vennootschappen.

3.95.

De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag, voor zover het als uitgangspunt neemt dat het hof heeft geoordeeld dat de door Roka bewerkstelligde samenwerking tussen Magnichem en de SIVennootschappen exclusief was. Het hof heeft in rov. 5.51. immers geoordeeld dat het Magnichem in beginsel vrijstond om zowel voor Silife c.s. als voor de SI-Vennootschappen te produceren.

3.96.

Voor het overige faalt de klacht. Het hof heeft in rov. 5.21.6. overwogen dat het, gelet op de concurrentieverhoudingen tussen de Silife-Vennootschappen en de SI-Vennootschappen, voorzienbaar was dat [betrokkene 1] , [eiser 4] en Magnichem, zodra zij hun medewerking aan Roka/de SI-Vennootschappen hadden toegezegd, niet voor zowel de SilifeVennootschappen als voor de SI-Vennootschappen zouden kunnen blijven werken. Deze overweging is niet onbegrijpelijk. Nog los van de door het hof genoemde concurrentieverhoudingen, ligt het voor de hand dat het vertrouwen van Silife c.s. in Magnichem door de samenwerking van Magnichem met Roka c.s. dusdanig was geschaad, dat een verdere samenwerking niet meer mogelijk was. Daarbij komt dat [eiser 4] werkzaam is bij Magnichem (randnummer 1.5. hiervoor) en hij, terwijl hij tot juni 2013 bestuurder van Silife India was (randnummer 1.34. hiervoor), op 28 mei 2013 SI Tech mede heeft opgericht (randnummer 1.30. hiervoor). Ook die gang van zaken heeft het voortduren van de samenwerking tussen de SilifeVennootschappen en Magnichem niet bepaald waarschijnlijker gemaakt.

3.97.

In klacht VIIIc betogen Roka c.s. dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het – bij de beoordeling of Roka onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld – ook omstandigheden van ná de totstandkoming van de Roka-Licentieovereenkomst in aanmerking heeft genomen. Volgens Roka c.s. komt het aan op een toetsing naar het moment van de contractsluiting, dus op grond van omstandigheden van vóór en tijdens de contractsluiting, en niet daarna.

3.98.

Deze klacht betreft een herhaling van de klacht in randnummer 4.48. van de procesinleiding en faalt om dezelfde reden (randnummers 3.45. en 3.46. hiervoor).

3.99.

Dit maakt dat ook de voortbouwklacht in randnummer 4.84. van de procesinleiding faalt, want die bouwt voort op de klachten VIIIa, VIIIb en VIIIc, die geen van alle opgaan.

3.100. Roka c.s. betogen in klacht VIIId en randnummer 4.86. van de procesinleiding dat de hiervoor geformuleerde klachten, indien gegrond, ook rov. 5.21.6., 5.21.7., 5.21.8. en 5.22. raken. Ook deze voortbouwklachten falen, omdat de hiervoor geformuleerde klachten niet tot cassatie leiden.

Onderdeel IX – rov. 5.27. 61

3.101. Roka c.s. komen met een drietal klachten op tegen rov. 5.27., waarin het hof heeft geoordeeld dat Roka onrechtmatig jegens Liquistone heeft gehandeld. Daaraan voorafgaand heeft het hof in rov. 5.25. (in cassatie onbestreden) geoordeeld dat [betrokkene 1] , als bestuurder, onrechtmatig jegens Liquistone heeft gehandeld (interne bestuurdersaansprakelijkheid). Volgens het hof heeft Roka op haar beurt op onrechtmatige wijze van het onrechtmatige handelen van [betrokkene 1] geprofiteerd:

“5.26. Roka heeft geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] , aangezien zij daardoor in staat is gesteld de Roka-Licentieovereenkomst af te sluiten. Het is, indien zich verzwarende omstandigheden voordoen, mogelijk dat Roka, daarmee op haar beurt onrechtmatig jegens Liquistone heeft gehandeld (zie r.o. 5.20). Dat het Liquistone zelf is die de Roka-Licentieovereenkomst is aangegaan, doet daar – anders dan Roka c.s. betoogt – niet aan af, gelet op het onrechtmatig handelen van haar bestuurder [betrokkene 1] jegens haar.

5.27. In dit kader is in de eerste plaats van belang dat hetgeen in r.o. 5.21.1 tot en met 5.21.8 is overwogen, ook van toepassing is op de relatie tussen Roka en Liquistone. Daarbij komt dat het naar het oordeel van het hof voor Roka duidelijk moest zijn dat het aangaan van de RokaLicentieovereenkomst Liquistone zou schaden, omdat Liquistone daardoor zou worden geconfronteerd met schadeclaims van de Silife-Vennootschappen. Het hof verwijst in dit verband naar het in r.o. 5.21.8. overwogene. Hiertegenover stond het voordeel van de licentievergoeding die Liquistone van Roka betaald zou krijgen. Dat deze licentievergoeding zodanig was dat Liquistone voor het door haar te lijden nadeel voldoende zou worden gecompenseerd, is echter gesteld noch gebleken. Gelet op al deze omstandigheden acht het hof het profiteren door Roka van de onrechtmatige daad van [betrokkene 1] , onrechtmatig jegens Liquistone.”

3.102. Roka c.s. klagen in randnummer 4.87. van de procesinleiding dat het oordeel van het hof niet in stand kan blijven als (één of meer van) de hiervoor genoemde klachten gegrond zijn.

3.103. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de hiervoor genoemde klachten niet opgaan.

3.104. Roka c.s. betogen in randnummer 4.88. van de procesinleiding dat het hof ten onrechte aan een essentieel verweer is voorbijgegaan, namelijk dat niet aan het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW is voldaan. Roka c.s. hebben gesteld dat de geschonden norm niet strekt ter bescherming tegen de beweerde schade, te weten de schade die Liquistone aan Silife Ltd. heeft toegebracht en de (hiervan afgeleide) aan Silife BV en Silife India toegebrachte (indirecte) schade, die nooit in rechte is vastgesteld.

3.105. De klacht faalt. Het hof heeft dit verweer van Roka c.s., dat niet als essentieel kan worden beschouwd, niet kenbaar in zijn beoordeling hoeven te betrekken. Niet valt immers in te zien waarom de hier door Roka geschonden norm – op onrechtmatige wijze profiteren van de onrechtmatige daad van [betrokkene 1] (als bestuurder van Liquistone) jegens Liquistone – niet zou strekken tot bescherming tegen de schade die Liquistone heeft geleden. Zoals het hof in rov. 5.27. terecht heeft overwogen, doet aan de aansprakelijkheid van Roka jegens Liquistone niet af dat Liquistone zélf de Roka-Licentieovereenkomst is aangegaan. Het hof heeft immers als uitgangspunt genomen dat [betrokkene 1] als bestuurder van Liquistone onrechtmatig jegens Liquistone heeft gehandeld door de Roka-Licentieovereenkomst te sluiten, terwijl hij (onder meer) wist dat dit schadelijk zou zijn voor Liquistone en zijn ontslag als bestuurder van Liquistone al was geagendeerd (rov. 5.25.).

3.106. Roka c.s. klagen in randnummer 4.89. van de procesinleiding dat het onbegrijpelijk is waarom Roka, in het belang van Liquistone, bij Silife Ltd. had moeten nagaan of de SilifeLicentieovereenkomst inderdaad de facto al was geëindigd.

3.107. De klacht faalt. Zoals het hof in rov. 5.27. heeft overwogen, had Roka dit moeten nagaan, omdat het voor Roka duidelijk had moeten zijn dat het aangaan van de RokaLicentieovereenkomst Liquistone zou schaden. Liquistone zou hierdoor namelijk niet alleen worden geconfronteerd met schadeclaims van de SilifeVennootschappen, maar zij zou ook de in de RokaLicentieovereenkomst opgenomen boete van € 2.000.000 verbeuren, die was overeengekomen voor het geval [betrokkene 1] als bestuurder van Liquistone zou worden ontslagen (rov. 5.21.6.). Dit ontslag stond al geagendeerd op het moment dat de Roka-Licentieovereenkomst werd gesloten, waardoor van meet af aan duidelijk was dat Liquistone deze boete aan Roka zou moeten betalen (randnummers 1.19. en 1.22. hiervoor). De overweging van het hof is derhalve allerminst onbegrijpelijk.

Onderdeel X – rov. 5.37. tot en met 5.41. 62

3.108. Roka c.s. bestrijden met twee klachten rov. 5.37. tot en met 5.41. van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiser 3] (de enig bestuurder en enig aandeelhouder van Roka, randnummer 1.20. hiervoor) onrechtmatig jegens Silife c.s. en ABP heeft gehandeld:

“5.37. Ten aanzien van [eiser 3] stelt Silife c.s. dat hij het onrechtmatig handelen van Roka bewerkstelligde en dat hem hiervan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, zodat ook hij onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld.

5.38. Roka c.s. voert hiertegen aan dat [eiser 3] handelde als bestuurder van Roka, zodat [eiser 3] niet persoonlijk aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen van Roka. Zij betwist dat is voldaan aan de vereisten voor bestuurdersaansprakelijkheid. In dit kader betoogt zij dat niet blijkt van een onmogelijkheid voor Roka om de gestelde schade te betalen en evenmin van de onmogelijkheid om op haar verhaal te nemen. Zij voert voorts aan dat van enig handelen van [eiser 3] buiten zijn hoedanigheid van bestuurder, waarop de aansprakelijkheid kan worden gestoeld, niet is gebleken en dat Silife c.s. op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

5.39. Dit verweer faalt. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is onder bijzondere omstandigheden naast aansprakelijkheid van die vennootschap ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Roka c.s. suggereert is niet noodzakelijk dat sprake is van een onmogelijkheid voor de vennootschap om de gestelde schade te betalen of van de onmogelijkheid om op de vennootschap verhaal te nemen.

5.40. [eiser 3] was als bestuurder van Roka nauw bij de onderhandelingen betrokken en op de hoogte van onder meer de e-mail van 3 april 2013. Het was in feite [eiser 3] die het onrechtmatige handelen van Roka bewerkstelligde. De wetenschap van Roka, als beschreven in r.o. 5.21.1. tot en met 5.21.8 en 5.27, heeft [eiser 3] dus ook gehad. Het hof is van oordeel dat [eiser 3] gelet op dit alles de belangen van Silife c.s. zodanig heeft veronachtzaamd, dat sprake is van strijd met de volgens maatschappelijke betamelijkheidsnormen jegens Silife c.s. in acht te nemen zorgvuldigheid. Aldus heeft hij ernstig verwijtbaar en daarmee onrechtmatig jegens Silife c.s. gehandeld.

5.41. Grief 4 slaagt dus ook voor zover Silife c.s. daarin betoogt dat [eiser 3] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Silife c.s.”

3.109. Roka c.s. klagen in randnummer 4.90. van de procesinleiding dat deze rechtsoverwegingen geen stand kunnen houden indien (één of meer) van de voorgaande klachten terecht zijn voorgesteld.

3.110. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de voorgaande klachten niet terecht zijn voorgesteld.

3.111. Roka c.s. klagen in randnummer 4.98. van de procesinleiding – per abuis onder het kopje “Klacht XII63 en na een uiteenzetting over externe bestuurdersaansprakelijkheid64 – dat het hof niet heeft uiteengezet waarom [eiser 3] , hoewel hij als bestuurder van Roka handelde, náást Roka aansprakelijk is, althans waarom hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

3.112. De klacht faalt. Het hof heeft in rov. 5.40. toegelicht waarom [eiser 3] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens het hof was [eiser 3] , als (enig) bestuurder van Roka, nauw bij de onderhandelingen (tussen Roka en Liquistone) betrokken en hij was ook onder meer op de hoogte van de e-mail van 3 april 2013, waarin [eiser 2] (als adviseur van Roka) vragen aan [betrokkene 1] stelde en [betrokkene 1] die vragen heeft beantwoord (randnummers 1.20. en 1.21. hiervoor). Volgens het hof was het in feite [eiser 3] die het onrechtmatige handelen van Roka bewerkstelligde. [eiser 3] heeft ook de wetenschap gehad die Roka had. Aangezien Roka, volgens het hof, het vooropgezette doel had om te bewerkstelligen dat zij in plaats van de Silife-Vennootschappen het Octrooi zou gaan exploiteren, is het – voor zover dit in grote mate feitelijke oordeel in cassatie kan worden getoetst – niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser 3] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Onderdeel XI – rov. 5.40. 65

3.113. Roka c.s. klagen in randnummer 4.99. van de procesinleiding dat het hof in rov. 5.40. van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat het heeft miskend dat voor aansprakelijkheid van een bestuurder de zwaardere norm van bestuurdersaansprakelijkheid geldt en niet de reguliere onrechtmatigheidsnorm.

3.114. De klacht faalt. In rov. 5.39. heeft het hof overwogen dat voor het aannemen van externe bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.66 Vervolgens heeft het hof in de slotzin van rov. 5.40. geoordeeld dat [eiser 3] ernstig verwijtbaar en daarmee onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld. Hieruit blijkt dat het hof de zwaardere norm van bestuurdersaansprakelijkheid niet heeft miskend.

3.115. Dit wordt niet anders nu het hof in de één na laatste zin van rov. 5.40. heeft geoordeeld dat [eiser 3] de belangen van Silife c.s. zodanig heeft veronachtzaamd, dat sprake is van strijd met de volgens normen van maatschappelijke betamelijkheid jegens Silife c.s. in acht te nemen zorgvuldigheid. Deze enkele zin – die Roka c.s. geïsoleerd aangrijpen voor hun betoog dat het hof de reguliere onrechtmatigheidsnorm heeft gehanteerd – doet namelijk niet af aan het oordeel van het hof dat [eiser 3] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, hetgeen de zwaardere norm voor bestuurdersaansprakelijkheid inhoudt. Bovendien staat de zin in rov. 5.40. ‘op zichzelf’, nu in alle overige zinnen van rov. 5.37. tot en met 5.41. als uitgangspunt wordt genomen dat [eiser 3] (in zijn hoedanigheid van bestuurder van Roka) onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld indien hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Onderdeel XII – rov. 5.43. tot en met 5.49. 67

3.116. Roka c.s. komen in hun laatste onderdeel met drie motiveringsklachten op tegen rov. 5.43. tot en met 5.49. van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiser 4] onrechtmatig jegens Silife c.s. en ABP heeft gehandeld. De in dit kader relevante rechtsoverwegingen (rov. 5.42. tot en met 5.47.) luiden als volgt:

“5.42. Silife c.s. stelt dat [eiser 4] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, onder meer door te handelen in strijd met de door hem jegens Silife c.s. in acht te nemen zorgvuldigheid. Zij stelt daartoe dat [eiser 4] de totstandkoming van de Roka-licentieovereenkomst en exploitatie van het Octrooi door Roka c.s. actief gestalte heeft gegeven, door Roka voordat de RokaLicentieovereenkomst was gesloten te adviseren inzake de door haar te voeren merk- en handelsnaam en Roka toe te zeggen dat hij en Magnichem de productie voor Roka zouden doen, alsmede door SI Tech mede op te richten en daaraan deel te nemen (zodat hij de vruchten plukt van de Roka-Licentieovereenkomst). Silife c.s. wijst er op dat [eiser 4] dit deed terwijl hij bekend was met de door Roka jegens Silife c.s. gepleegde onrechtmatige daad en terwijl hij CEO was van Silife India. Daarnaast stelt zij dat [eiser 4] Magnichem heeft overgehaald om, in plaats van voor Silife, voor SI Tech te gaan produceren, dat [eiser 4] de Sl-Vennootschappen ondersteunt in de exploitatie van het Octrooi, en dat [eiser 4] zijn relatienetwerk in India en kennis van de productietechnologie aan deze vennootschappen beschikbaar stelt.

5.43. Het hof verwerpt het hiertegen opgeworpen verweer van [eiser 4] dat hij pas na 20 mei 2013 in contact is getreden met Roka. Het hof leidt de eerdere betrokkenheid van [eiser 4] af uit de e-mail van 3 april 2013. De e-mail vermeldt dat [betrokkene 1] met [eiser 4] heeft gesproken over een nieuwe merknaam voor het product (NewSil), en dat [eiser 4] ook al een nieuw logo heeft verzonnen. Daarnaast vermeldt de e-mail dat niets de productie en verkoop in India in de weg staat. Nu de medewerking van [eiser 4] en Magnichem volgens [betrokkene 1] (naar de eigen stellingen van Roka c.s.), noodzakelijk was voor de productie en verkoop in India, kan daaruit worden afgeleid dat [eiser 4] en Magnichem hun medewerking aan de exploitatie van de Roka-Licentieovereenkomst al hadden toegezegd. Dit blijkt ook uit het feit dat de e-mail van 3 april 2013 vermeldt dat ten aanzien van Magnichem een concept-overeenkomst is opgesteld. In dit licht acht het hof het betoog ten pleidooie van de zijde van Roka c.s. dat [eiser 4] , toen hij met [betrokkene 1] over de nieuwe merknaam en het nieuwe logo sprak, kan hebben gedacht dat het om “algemene vragen” ging, ongeloofwaardig. Het hof gaat er dan ook van uit dat [eiser 4] Roka en [betrokkene 1] voorafgaand aan de totstandkoming van de Roka-Licentieovereenkomst heeft geadviseerd en zijn medewerking alsmede die van Magnichem heeft toegezegd. Daarmee heeft hij – terwijl hij nog in dienst was bij Silife India – de totstandkoming van de afspraken tussen Liquistone, [betrokkene 1] en Roka en de totstandkoming van de Roka-Licentieovereenkomst actief bevorderd.

5.44. Daarnaast was [eiser 4] als bestuurder van Silife India en als medeauteur van het businessplan van Silife BV (productie 44 bij de inleidende dagvaarding), bekend met het belang van de Silife-Vennootschappen bij de voortzetting van de exclusieve licentieovereenkomst door Silife Ltd. Aldus moet ook het ernstige nadeel dat de Silife-Vennootschappen leden ten gevolge van het aangaan van de Roka-Licentieovereenkomst en van een samenwerking tussen Roka en [eiser 4] /Magnichem voorzienbaar zijn geweest voor [eiser 4] .

5.45. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat [eiser 4] zijn medewerking is gaan verlenen aan de oprichting van SI Tech en vervolgens een belang heeft verworven in SI Tech. Deze omstandigheid vormt een aanwijzing dat [eiser 4] zich bij zijn handelen heeft laten leiden door zijn eigen belang en niet door dat van Silife c.s., terwijl hij bij Silife India in dienst was. [eiser 4] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die wijzen op het tegendeel. Het hof acht het verweer van Roka c.s. dat [eiser 4] pas na 20 mei 2013 betrokken is geraakt bij de oprichting van SI Tech, ongeloofwaardig, aangezien SI Tech acht dagen later is opgericht en aan de oprichting van een vennootschap voorbereidende handelingen voorafgaan.

5.46. Het hof is op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden van oordeel dat [eiser 4] heeft gehandeld in strijd met de volgens maatschappelijke betamelijkheidsnormen door hem jegens Silife c.s. in acht te nemen zorgvuldigheid door te bevorderen dat Roka een exclusieve licentie op het Octrooi verwierf en door het Octrooi (mede) te exploiteren door middel van SI Tech. Grief 4 slaagt op dit punt. Alles wat [eiser 4] heeft aangevoerd met betrekking tot ontwikkelingen binnen Silife c.s. waar hij ontevreden over was (volgens [eiser 4] : het ontbreken van middelen, het ontbreken van een productregistratie, het gebrek aan enige actie, het verzoek om een stuk te antedateren, het ontbreken van een licentie, het gebrek aan oplossingen en onenigheid tussen de aandeelhouders), kan hier niet aan afdoen. Deze ontwikkelingen rechtvaardigen het handelen van [eiser 4] niet.

5.47. Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of [eiser 4] op basis van exclusiviteit met Silife c.s. samenwerkte. Zelfs indien het [eiser 4] was toegestaan om met derden te werken, rechtvaardigt dat niet dat hij in de gegeven omstandigheden actief bevorderde dat Roka een exclusieve licentie op het Octrooi verwierf en dat hij door middel van SI Tech het Octrooi (mede) ging exploiteren.”

3.117. Roka c.s. betogen in randnummer 4.100. van de procesinleiding dat het niet voldoende begrijpelijk is voor zover het hof heeft geoordeeld dat de toezegging van de medewerking door [eiser 4] zou moeten worden afgeleid uit de noodzakelijkheid van de medewerking van [eiser 4] en Magnichem. De noodzaak van medewerking impliceert de toezegging immers niet. Bovendien heeft [eiser 4] consequent volgehouden pas ná totstandkoming van de RokaLicentieovereenkomst zijn medewerking te hebben toegezegd.

3.118. De klacht faalt. Volgens Roka c.s. is India de grootste afzetmarkt voor gestabiliseerd siliciumzuur.68 Toegang tot de Indiase markt is dus cruciaal. Het hof heeft in rov. 5.43. overwogen dat uit de eigen stellingen van Roka c.s. blijkt dat medewerking van [eiser 4] en Magnichem volgens [betrokkene 1] noodzakelijk was voor de productie en verkoop in India. Uit deze noodzaak kan volgens het hof worden afgeleid dat [eiser 4] en Magnichem hun medewerking aan de exploitatie van de Roka-Licentieovereenkomst al hadden toegezegd vóórdat die overeenkomst tot stand kwam. Dat is niet onbegrijpelijk. Het ligt immers voor de hand dat Roka zich er, voorafgaand aan het sluiten van de Roka-Licentieovereenkomst, van heeft vergewist dat [eiser 4] en Magnichem bereid waren tot een samenwerking met de SIVennootschappen en [eiser 4] dus bereid was om zijn positie als bestuurder van Silife India op te geven (mogelijk in ruil voor het aandelenbelang dat hij in SI Tech zou verkrijgen, randnummer 1.30. hiervoor). De stelling van Roka c.s. dat [eiser 4] consequent heeft volgehouden pas ná totstandkoming van de Roka-Licentieovereenkomst zijn medewerking te hebben toegezegd, heeft het hof als ongeloofwaardig terzijde geschoven (rov. 5.43. en 5.44.). Ook dat is, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk.

3.119. Roka c.s. betogen in randnummer 4.101. van de procesinleiding dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, voor zover het hof aan de kwalificatie van de handelingen en gedragingen van [eiser 4] als onrechtmatig, mede de voorzienbaarheid van ernstig nadeel voor de SilifeVennootschappen ten grondslag heeft gelegd. Tussen Magnichem en Silife c.s. bestond immers geen exclusiviteit en Magnichem kon voor zowel Silife Ltd. als Roka produceren.

3.120. De klacht faalt. Het feit dat tussen Magnichem en Silife c.s. geen exclusiviteit was overeengekomen, maakt niet dat [eiser 4] door zijn handelingen geen schade aan de SilifeVennootschappen kan toebrengen. Zoals het hof in rov. 5.21.6. heeft overwogen, was het gelet op de concurrentieverhouding tussen de Silife- en de SI-Vennootschappen immers voorzienbaar dat [eiser 4] en Magnichem niet zowel voor de Silife-Vennootschappen als voor de SIVennootschappen zouden werken. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk (randnummer 3.96. hiervoor).

3.121. Roka c.s. klagen in randnummer 4.101. van de procesinleiding dat het niet voldoende begrijpelijk is waarom een samenwerking tussen Magnichem en de SI-Vennootschappen mede een grond oplevert om van onrechtmatig handelen van [eiser 4] uit te gaan. [eiser 4] had immers geen zeggenschap over Magnichem als bestuurder of aandeelhouder.

3.122. De klacht faalt. Het hof heeft niet geoordeeld dat [eiser 4] onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld, mede omdat Magnichem met de SI-Vennootschappen is gaan samenwerken. Het hof heeft geoordeeld dat [eiser 4] de totstandkoming van de Roka-Licentieovereenkomst actief heeft bevorderd (slotzin van rov. 5.43.), hij zich daarbij door zijn eigen belang en niet door het belang van Silife c.s. en ABP heeft laten leiden (rov. 5.45.) en dat hij daarom heeft gehandeld in strijd met de volgens maatschappelijke betamelijkheidsnormen in acht te nemen zorgvuldigheid jegens Silife c.s. en ABP (rov. 5.46.). Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

Slotsom van de beoordeling van het principale cassatieberoep

3.123. De slotsom van de beoordeling van het principale cassatieberoep luidt dat geen van de klachten tot cassatie leidt.

4 Bespreking van het incidentele cassatieberoep

4.1.

Het cassatiemiddel van Silife c.s. bestaat uit 21 klachten, verdeeld over zes onderdelen. Dat zijn beduidend minder klachten dan de 54 klachten in het principale cassatieberoep, maar – net als bij het cassatiemiddel in het principale beroep – valt dit wel op nu het bestreden arrest op mij over het geheel genomen gedegen, afgewogen en goed gedocumenteerd overkomt.

4.2.

Ik beoordeel de door Silife c.s. naar voren gebrachte klachten, die wat mij betreft evenmin tot cassatie leiden, hierna achtereenvolgens.

Onderdeel 2.1 – vordering ABP, afgeleide schade?

4.3.

Silife c.s. bestrijden rov. 5.2. en 5.3., waarin het hof ABP niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering omdat ze daarbij geen voldoende zelfstandig belang heeft:

“5.2. Silife c.s. stelt dat ABP op grond van haar samenwerkingsovereenkomst met Silife Ltd. arbeid, kantoorruimte en gelden heeft toegezegd ten behoeve van de exploitatie van het Octrooi via het door ABP en Silife Ltd. gezamenlijk op te richten Silife BV, in ruil voor de toezegging door Silife Ltd. dat Silife BV de exclusieve licentierechten verwierf. Zij stelt dat ABP “aldus” een rechtens te beschermen belang heeft. Zij stelt voorts dat Liquistone het belang van ABP bij een goede en ongehinderde bedrijfsexploitatie door Silife BV heeft ondermijnd door de Roka-Licentieovereenkomst te sluiten, zodat Liquistone in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die haar jegens ABP betaamt en dat Roka daar onrechtmatig van heeft geprofiteerd.

5.3. Roka c.s. voert hier naar het oordeel van het hof terecht tegen aan dat Silife c.s. daarmee onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat ABP een zelfstandig belang heeft. De door Silife c.s. geschetste belangen van ABP betreffen de door haar als aandeelhouder in Silife BV gedane investeringen. Zodanige investeringen betalen zich, bij gunstige resultaten, terug in dividend of een waardestijging van de aandelen. Voor zover ABP door de gestelde verhindering van de exploitatie van Silife BV dividend is misgelopen of de aandelen niet de door haar verwachte waardestijging hebben doorgemaakt, is dat afgeleide schade69. Voor afgeleide schade geldt de door de Hoge Raad geformuleerde regel, dat de aandeelhouders wegens vermindering van de waarde van de aandelen in beginsel niet zelf een eigen vordering op de veroorzaker daarvan hebben maar alleen indien jegens hen persoonlijk een specifieke zorgvuldigheidsplicht is geschonden70. Silife c.s. heeft een zodanige specifieke zorgvuldigheidsplicht niet gesteld, maar heeft volstaan met het stellen van onzorgvuldig handelen van Liquistone en Roka jegens Silife BV. Ook heeft Silife c.s. geen schade gesteld die als andere schade dan afgeleide schade kan worden aangemerkt. De samenwerkingsovereenkomst biedt evenmin voldoende zelfstandig belang bij de vordering, reeds omdat daarin geen “return on investment” is voorzien. Het hof zal ABP daarom niet ontvankelijk verklaren in haar vordering.”

4.4.

Silife c.s. betogen in de randnummers 2.1 tot en met 2.1.6 van hun verweerschrift dat dit oordeel onjuist, onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof heeft miskend dat het niet slechts om afgeleide schade gaat (in die zin dat de waarde van de aandelen van ABP in het kapitaal van Silife BV is afgenomen), maar – daarnaast – om eigen schade van ABP door het waardeloos worden van haar investering in de samenwerking met Silife BV. Het hof heeft volgens Silife c.s. ook miskend dat voor verwijzing naar de schadestaat voldoende is dat vast komt te staan dat er mogelijk schade is geleden.

4.5.

Silife c.s. hebben geen belang bij beoordeling van deze klachten, omdat ABP geen partij is in deze cassatieprocedure. De eventuele vernietiging van het oordeel van hof dat ABP in haar vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan Silife c.s. niet baten, omdat dat niet zou wegnemen dat het arrest van het hof – gewezen tussen ABP als appellant en Roka c.s., de SI-Vennootschappen en Magnichem als geïntimeerden – reeds in kracht van gewijsde is gegaan en ABP dus niet-ontvankelijk is/blijft in haar vordering.

Onderdeel 2.2 – onrechtmatig gebruiken commercieel netwerk

4.6.

Silife c.s. komen met diverse klachten op tegen een reeks rechtsoverwegingen – rov. 5.48., 5.51., 5.52., 5.53., 5.58., 5.59., 5.61., 5.62. en 5.66. van het bestreden arrest – waarin het hof heeft beoordeeld of [eiser 4] en Magnichem onrechtmatig jegens Silife c.s. hebben gehandeld en in hoeverre de vorderingen van Silife c.s. toewijsbaar zijn. De betreffende rechtsoverwegingen luiden, voor zover van belang voor de beoordeling van de klachten in dit onderdeel, als volgt:

Onrechtmatige daad en wanprestatie [eiser 4] jegens Silife c.s.

Onrechtmatige daad

(…)

5.48. Het betoog van Silife c.s. dat [eiser 4] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door van Silife c.s. afkomstige knowhow/technische informatie te gebruiken, althans zijn kennis van de productietechnologie aan Roka c.s. ter beschikking te stellen, faalt. Silife c.s. heeft immers niet inzichtelijk gemaakt welke knowhow/technische informatie/kennis dit betreft, buiten de knowhow/technische informatie/kennis waar het Octrooi betrekking op heeft. Silife heeft op dit punt dus niet aan haar stelplicht voldaan, zodat het hof deze grondslag als ongemotiveerd verwerpt. Ook kan niet worden vastgesteld dat [eiser 4] Magnichem heeft overgehaald om voor Roka c.s. te gaan werken of dat [eiser 4] “namens Magnichem” de productie van met gebruikmaking van het Octrooi vervaardigd gestabiliseerd siliciumzuur is gaan verrichten; daar heeft Silife c.s. onvoldoende voor gesteld. Het enkele feit dat [eiser 4] nauw betrokken is bij Magnichem, is onvoldoende om aan te nemen dat hij Magnichem heeft “overgehaald”. Waarom het ter beschikking stellen van zijn relatienetwerk in India onrechtmatig is jegens Silife c.s. heeft Silife c.s. ook niet toegelicht. Ook deze stellingen dienen dus als ongemotiveerd te worden verworpen.

(…)

Onrechtmatige daad en wanprestatie Magnichem jegens Silife c.s.

(…)

5.53. Ten slotte heeft Silife c.s. aan haar vorderingen jegens Magnichem ten grondslag gelegd dat Magnichem onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en toerekenbaar is tekortgeschoten in de met Silife India en Silife BV gesloten overeenkomst(en), door de aan haar ter beschikking gestelde knowhow/technische informatie ter zake van het gestabiliseerd siliciumzuur aan te wenden ten behoeve van Roka c.s. Hier geldt, evenals ten aanzien van [eiser 4] , dat Silife c.s. niet inzichtelijk heeft gemaakt welke knowhow/technische informatie dit betreft, buiten de knowhow/ technische informatie waar het Octrooi betrekking op heeft. Silife heeft op dit punt dus niet aan haar stelplicht voldaan. Het hof verwerpt deze grondslag daarom.

(…)

Toewijsbaarheid van de vorderingen van Silife c.s.

Verklaringen voor recht

5.57. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van Silife c.s. zoals weergegeven in r.o. 4.2. onder IIIa sub a en – deels – sub d, toewijsbaar zijn, met dien verstande dat zal worden verklaard dat Roka, [eiser 2] en [eiser 3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Silife-Vennootschappen en Liquistone, door het samenstel van handelingen als weergegeven in (ten aanzien van Roka) r.o. 5.19, 5.21.1. tot en met 5.21.8 en 5.26. en 5.27, respectievelijk (ten aanzien van [eiser 2] ) in r.o. 5.32 tot en met 5.35 en (ten aanzien van [eiser 3] ) in r.o. 5.40.

5.58. Onder IIIa, sub b en – deels – d vordert Silife c.s. verklaringen voor recht dat Roka, [eiser 2] en/of [eiser 3] onrechtmatig hebben gehandeld door – beknopt weergegeven – de van de Silife-Vennootschappen afkomstige en aan hen toebehorende technische en commerciële informatie ter zake van het gestabiliseerd siliciumzuur te bemachtigen en/of via de SI-Vennootschappen te (doen) exploiteren. Deze vorderingen dienen als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. Silife c.s. heeft ook ten aanzien van Roka, [eiser 2] en [eiser 3] immers onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke informatie dit betreft, buiten de informatie waar het Octrooi betrekking op heeft, zodat zij op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

(…)

5.62. Onder IIId vordert Roka c.s. een verklaring voor recht betreffende de onrechtmatigheid van diverse handelingen van [eiser 4] jegens Silife India en jegens Silife Ltd. Het onrechtmatig handelen van [eiser 4] vloeit echter voort uit het samenstel van de in r.o. 5.42 tot en met 5.46 genoemde omstandigheden, en niet uit elk van deze handelingen afzonderlijk. Het hof zal de verklaring voor recht dienovereenkomstig herformuleren. Uit r.o. 5.48 volgt dat de verklaring voor recht geen betrekking zal hebben op de door Silife c.s. gestelde omstandigheden dat [eiser 4] Magnichem heeft overgehaald om voor Roka c.s. te gaan werken of dat [eiser 4] namens Magnichem de productie van met gebruikmaking van het Octrooi vervaardigd gestabiliseerd siliciumzuur is gaan verrichten.

(…)

Verbodsvorderingen

5.65. De in r.o. 4.2. onder II weergegeven primaire vordering sub a is gelet op het onrechtmatig handelen van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] toewijsbaar. (…) Het is duidelijk dat Silife c.s. zich verzet tegen werkzaamheden met gebruikmaking van de in het Octrooi vervatte techniek en verdere exploitatie van het Octrooi. Het hof zal de formulering van het verbod in die zin aanpassen. (…)

5.66. Voor een verbod op “het verrichten van werkzaamheden die op enigerlei wijze verband houden met (...) de exploitatie van de technische en commerciële informatie ter zake van het gestabiliseerd siliciumzuur zoals bij memorie van grieven sub 397 tot en met 399 en bij dagvaarding in eerste aanleg sub 1, 2, 3, 15, 16 en 76, alsmede in de aldaar genoemde producties bedoeld en omschreven” (primaire vordering II sub b), ziet het hof geen aanleiding. Het hof is, zoals eerder overwogen, van oordeel dat Silife c.s. ten aanzien van dit deel van de vordering niet aan haar stelplicht heeft voldaan omdat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt welke informatie dit betreft, buiten de informatie waar het Octrooi betrekking op heeft, terwijl gebruikmaking van technische informatie die onder het Octrooi valt reeds wordt beschermd door het verbod op gebruikmaking van en verdere exploitatie van het Octrooi.

De afwijzing van dit deel van de primaire vordering onder II geeft naar het oordeel van het hof geen aanleiding om het subsidiair gevorderde toe te wijzen. Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] zal immers wel worden verboden om het Octrooi te exploiteren. Daardoor heeft Roka c.s. geen belang bij toewijzing van de subsidiaire vordering, voor zover die vordering ziet op de exploitatie van het Octrooi. Voor zover de subsidiaire vordering ziet op de exploitatie van overige technische en commerciële informatie, heeft Roka c.s. – als hiervoor geoordeeld – niet aan haar stelplicht voldaan, zodat ook voor de toewijzing van de subsidiaire vordering op dit punt geen plaats is.

Schadevergoedingsvorderingen

5.67. Gelet op het belang van de Silife-Vennootschappen bij de exclusieve exploitatie van het Octrooi, acht het hof aannemelijk dat zij schade hebben geleden door het onrechtmatig handelen van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] . Het hof verwijst in dit verband naar het in r.o. 5.21.8. overwogene. Onder verwijzing naar het in r.o. 5.27 overwogene, acht het hof ook aannemelijk dat Liquistone schade heeft geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] . De vordering tot vergoeding van de door Silife c.s. ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] geleden schade, op te maken bij staat (weergegeven onder IVa), zal dan ook worden toegewezen. (…).”

4.7.

Silife c.s. klagen in randnummers 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.4 van hun verweerschrift, die in de kern op hetzelfde neerkomen, dat het onjuist, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is dat het hof de vordering tot schadevergoeding van Silife c.s. heeft beperkt tot “het kapen van de licentie” door Roka c.s. en onbesproken heeft gelaten dat het onrechtmatige handelen van Roka c.s. daarnaast zag op het kapen “van het commerciële netwerk om de met die licentie vervaardigde producten te kunnen afzetten.”71

4.8.

De klachten falen. Daarbij staat voorop dat de uitleg van gedingstukken en stellingen die partijen in de procedure hebben ingenomen, aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst.72

4.9.

Het hof heeft voor recht verklaard dat Roka c.s. onrechtmatig jegens Silife c.s. hebben gehandeld door – heel kort gezegd – te bewerkstelligen dat Roka en de SI-Vennootschappen het Octrooi zouden gaan exploiteren, met terzijdestelling van de SilifeVennootschappen (rov. 5.57., 5.62. en het dictum). Het hof heeft daarnaast Roka c.s. veroordeeld om de schade, die Silife c.s. door het onrechtmatige handelen van Roka c.s. hebben geleden, aan Silife c.s. te vergoeden, nader op te maken bij staat (rov. 5.67. en het dictum). Ik lees de toegewezen vorderingen aldus dat die zien op alle schade die Silife c.s. hebben geleden doordat Roka c.s. het Octrooi is gaan exploiteren, ongeacht of die exploitatie heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van het door Silife c.s. opgebouwde commerciële netwerk of anderszins.

4.10.

Het is, gelet hierop en voor zover dit in cassatie kan worden getoetst, niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Silife c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat Roka c.s. – los van de exploitatie van het Octrooi – jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld door technische en commerciële informatie terzake het Octrooi te bemachtigen en te exploiteren (rov. 5.48., 5.53., 5.58. en 5.66.). Silife c.s. hebben immers niet onderbouwd – en dit valt ook niet in te zien – hoe Roka c.s. de technische en commerciële informatie van Silife c.s. hebben gebruikt, zonder dit te gebruiken voor de (verdere) exploitatie van het Octrooi.

4.11.

Silife c.s. klagen in randnummer 2.2.3 van hun verweerschrift dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 5.48. heeft overwogen dat Silife c.s. niet hebben toegelicht waarom het ter beschikking stellen van [eiser 4] ’s netwerk in India onrechtmatig is jegens Silife c.s. Het hof heeft immers niet gemotiveerd waarom het ’s netwerk betrof en niet het netwerk van Silife c.s., terwijl [eiser 4] als bestuurder van Silife India opereerde.

4.12.

Silife c.s. hebben geen belang bij beoordeling van deze klacht. Het antwoord op de vraag of het relatienetwerk van [eiser 4] of van Silife c.s. was, kan immers niet afdoen aan het oordeel van het hof dat Silife c.s. onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt om welke informatie/kennis het precies ging, buiten de informatie die zag op (de exploitatie van) het Octrooi. Ook als het relatienetwerk van Silife c.s. was (en dus niet van [eiser 4] ), strandt de vordering van Silife c.s. op de stelplicht.

4.13.

Silife c.s. klagen in randnummer 2.2.3 van hun verweerschrift dat het hof in rov. 5.51., 5.52. en 5.53. heeft miskend dat Magnichem samen met [eiser 4] een essentiële schakel was in het commerciële- en productienetwerk in onder meer India. Volgens Silife c.s. heeft het hof ook hier miskend dat het om het (overnemen van het) commerciële en productienetwerk gaat.

4.14.

Silife c.s. hebben ook geen belang bij beoordeling van deze klacht. Het in deze klacht bestreden oordeel ziet immers op Magnichem en Magnichem is geen partij in deze cassatieprocedure.73

4.15.

In randnummer 2.2.5 van hun verweerschrift klagen Silife c.s. dat rov. 5.58., 5.62. en 5.66. van het bestreden arrest niet in stand kunnen blijven als één of meer van de klachten in dit onderdeel slagen.

4.16.

Deze voortbouwklacht faalt, omdat uit het voorgaande blijkt dat de overige klachten in dit onderdeel niet opgaan.

Onderdeel 2.3 – ten onrechte passeren bewijsaanbod

4.17.

Silife c.s. komen met vier klachten op tegen rov. 5.69., waarin het hof de bewijsaanbiedingen van partijen heeft gepasseerd:

“5.69. Voor zover partijen bewijsaanbiedingen hebben gedaan, dienen deze als te vaag dan wel niet ter zake dienende te worden gepasseerd, omdat de bewijsaanbiedingen zijn betrokken op onvoldoende gemotiveerde stellingen en omdat geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven.”

4.18.

Silife c.s. betogen in randnummer 2.3.1 van hun verweerschrift dat het slagen van (één van) de klachten in onderdeel 2.2 meebrengt dat het hof ook het bewijsaanbod van Silife c.s. niet had mogen passeren.

4.19.

De klachten in onderdeel 2.2 gaan niet op, waardoor ook deze voortbouwklacht faalt.

4.20.

Silife c.s. betogen in randnummer 2.3.1 van hun verweerschrift dat hun bewijsaanbod ten aanzien van de commerciële informatie voldoende concreet en ter zake dienend was, waardoor het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof het bewijsaanbod op die grond heeft afgewezen. Het bewijsaanbod van Silife c.s. zag op:74

“het bestaan en de strekking van voormelde aan appellanten toebehorende technische en commerciële informatie en/of van rechten van appellanten op deze technische en commerciële informatie, onder meer door overlegging van nadere documenten en het doen horen van getuigen onder wie [betrokkene 2] en [betrokkene 5] .”

4.21.

De klachten falen. Het hof heeft de vorderingen van Silife c.s. met betrekking tot de commerciële informatie afgewezen, omdat Silife c.s. op dat punt niet aan hun stelplicht hebben voldaan (rov. 5.48., 5.53., 5.58. en 5.66.). Onder zulke omstandigheden is het juist om een bewijsaanbod als onvoldoende concreet/specifiek te passeren.75

4.22.

Silife c.s. klagen in randnummer 2.3.2 van hun verweerschrift dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat (i) onvoldoende duidelijk is op welk aanbod welke afwijzing ziet (het hof noemt er meerdere) en (ii) niet duidelijk is of het aanbod is afgewezen omdat het te vaag is of omdat het niet ter zake dienend is.

4.23.

De klacht faalt. Anders dan Silife c.s. lijken te betogen, is de rechter niet gehouden om voor elk gedaan bewijsaanbod afzonderlijk te motiveren waarom het wordt gepasseerd. Indien meerdere bewijsaanbiedingen worden gedaan en de rechter ze alle passeert, staat niets eraan in de weg dat de rechter dit met een gezamenlijke motivering doet, zoals het hof in het bestreden arrest heeft gedaan. Daarbij komt dat uit de onderliggende rechtsoverwegingen (rov. 5.48., 5.53., 5.58. en 5.66.) blijkt dat Silife c.s. op het punt van de commerciële informatie niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Dit maakt dat, ook zonder dat het hof dit heeft gespecificeerd, voldoende duidelijk is dat het hof het betreffende bewijsaanbod van Silife c.s. heeft afgewezen, omdat het te vaag is.

4.24.

Silife c.s. betogen in randnummer 2.3.3 van hun verweerschrift dat het slagen van één of meer klachten in dit onderdeel meebrengt dat ook rov. 5.58., 5.62. en 5.66. geen stand houden.

4.25.

Deze voortbouwklacht faalt, omdat geen van de klachten in dit onderdeel opgaat.

Onderdeel 2.4 – geruchten verspreiden

4.26.

Silife c.s. komen op tegen rov. 5.60. van het bestreden arrest, waarin het hof de volgende door Silife c.s. gevorderde verklaring voor recht heeft afgewezen:

“5.60. Het hof ziet ook geen grond voor de toewijzing van de verklaring voor recht dat Roka, [eiser 2] en/of [eiser 3] – kort gezegd – onrechtmatig hebben gehandeld door [betrokkene 1] en Lisida een beroep te laten doen op de ontbinding van de licentierechten en tegenover derden te laten verklaren dat de Silife-Vennootschappen hun licentierechten hadden verloren (vordering IIIb), reeds omdat Silife c.s. geen feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit blijkt dat [betrokkene 1] en Lisida bij de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst (en sublicentieovereenkomsten) hebben gehandeld op voorspraak/initiatief van Roka, en niet uit eigen beweging.”

4.27.

Silife c.s. klagen in randnummer 2.4 van hun verweerschrift dat dit oordeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, voor wat betreft het verspreiden van het gerucht dat Silife c.s. hun licentierechten hadden verloren. Volgens Silife c.s. heeft het hof niet gemotiveerd waarom Roka, [eiser 2] en/of [eiser 3] in dit verband niet onrechtmatig hebben gehandeld.

4.28.

De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag. Anders dan Silife c.s. betogen, ziet de motivering van het hof (in het tweede deel van rov. 5.60.) niet slechts op het beroep dat [betrokkene 1] en Lisida jegens derden hebben gedaan op de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst, maar ook op de verklaringen van [betrokkene 1] en Lisida dat de Silife-Vennootschappen hun licentierechten hadden verloren. Zowel bij de verklaringen over het verlies van de licentierechten als bij het beroep op ontbinding (hetgeen overigens in de kern op hetzelfde neerkomt), geldt immers dat Silife c.s. geen feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit blijkt dat [betrokkene 1] en Lisida op voorspraak/initiatief van Roka hebben gehandeld, en niet uit eigen beweging.

Onderdeel 2.5 – groepsaansprakelijkheid en hoofdelijkheid 76

4.29.

Silife c.s. komen met diverse klachten op tegen rov. 5.67., waarin het hof – bij de beoordeling van de schadevergoedingsvordering van Silife c.s. – de door Silife c.s. gevorderde hoofdelijkheid heeft afgewezen:

“5.67. (…) De vordering tot vergoeding van de door Silife c.s. ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] geleden schade, op te maken bij staat (weergegeven onder IVa), zal dan ook worden toegewezen. Roka c.s. voert echter terecht aan dat Silife c.s. geen gronden heeft gesteld op grond waarvan de veroordeling hoofdelijk zou moeten worden uitgesproken. De gevorderde hoofdelijkheid zal daarom worden afgewezen.”

4.30.

Silife c.s. klagen in randnummers 2.4.1 en 2.4.2 van hun verweerschrift dat het oordeel van het hof rechtens onjuist is, omdat het hof had moeten onderkennen – eventueel onder aanvulling van de rechtsgronden – dat aan de vereisten voor groepsaansprakelijkheid in de zin van art. 6:166 BW is voldaan. Volgens Silife c.s. betrof het een gecoördineerde actie van Roka c.s. met een bewuste samenwerking en taakverdeling, zodat zowel objectief (tussen de gedragingen) als subjectief (tussen de personen) sprake is van een zekere samenhang. Daarnaast had elk van de deelnemers de mogelijkheid om de groep van de onrechtmatige handelingen te weerhouden.

4.31.

De klacht faalt.

4.32.

Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW is onder meer vereist dat sprake is van handelen in groepsverband. Voordat daarvan kan worden gesproken, moet onder meer een bewust gezamenlijk optreden van verschillende deelnemers aan de orde zijn.77 Ook is voor aansprakelijkheid van een lid van de groep vereist dat zijn deelneming aan de gedragingen in groepsverband een onrechtmatige daad oplevert, die hierin bestaat dat de kans op het toebrengen van de schade hem van zijn deelneming aan de gemeenschappelijke gedragingen had behoren te weerhouden.78 Dit betekent dat Silife c.s., op wie op grond van art. 150 Rv in dezen de stelplicht en bewijslast rustten, onder meer feiten en omstandigheden hadden moeten stellen waaruit volgt dat (i) Roka c.s. aan gedragingen in groepsverband hebben deelgenomen en (ii) de kans op het aldus toebrengen van schade Roka c.s. had moeten behoren te weerhouden aan die gedragingen mee te doen.79

4.33.

Silife c.s. stellen dat zij zich in feitelijke instanties niet expliciet op art. 6:166 BW of groepsaansprakelijkheid hebben beroepen, maar dat het hof op grond van al hetgeen Silife c.s. hebben aangevoerd had moeten concluderen dat aan de vereisten van art. 6:166 BW is voldaan. Silife c.s. verwijzen in dit kader – voor wat betreft Roka c.s. – naar randnummers 140.-142. ( [eiser 2] ), 151.-155. ( [eiser 3] ) en 305.307. ( [eiser 4] ) van de memorie van grieven tevens akte vermeerdering eis. Daarin stellen Silife c.s., kort gezegd, dat [eiser 2] en [eiser 3] onrechtmatig hebben gehandeld door aan de onrechtmatige daad van Roka deel te nemen, [eiser 2] en [eiser 3] bij de totstandkoming van de onrechtmatige daad van Roka een centrale rol speelden en zij medeplegers van de onrechtmatige daad zijn en [eiser 4] welbewust aan de onrechtmatige daad van Roka c.s. heeft deelgenomen. Silife c.s. verwijzen verder naar de stellingen die zijn aangehaald in randnummer 2.2.2 van hun verweerschrift.

4.34.

Ik lees in deze stellingen van Silife c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof (onder aanvulling van rechtsgronden) had moeten oordelen dat aan de vereisten voor groepsaansprakelijkheid is voldaan. Zo heeft Silife c.s. niet (voldoende kenbaar) gesteld dat Roka c.s. bewust gezamenlijk (in groepsverband) hebben opgetreden en de kans op het toebrengen van de schade Roka c.s. van hun deelneming aan de gemeenschappelijke gedragingen had behoren te weerhouden. In dit kader acht ik van belang dat Roka c.s. wél uitdrukkelijk hebben betoogd dat – voor zover Silife c.s. zich op groepsaansprakelijkheid hebben beroepen – voor groepsaansprakelijkheid geen grond bestaat, omdat van een bewust gezamenlijk optreden van Roka c.s. geen sprake is en niet is voldaan aan het vereiste dat de gezamenlijkheid van het handelen de kans op schade verhoogt.80 Gelet op deze betwisting door Roka c.s. had het des te meer op de weg van Silife c.s. gelegen om uitdrukkelijk(er) te stellen dat wél aan de vereisten van art. 6:166 BW is voldaan. Nu Silife c.s. dat hebben nagelaten, is het niet onjuist dat het hof niet – onder aanvulling van de rechtsgronden – heeft geoordeeld dat Roka c.s. aansprakelijk zijn uit hoofde van art. 6:166 BW.

4.35.

Silife c.s. betogen in randnummer 2.4.3 van hun verweerschrift dat het oordeel van het hof rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof heeft miskend dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid buiten art. 6:166 BW om. Silife c.s. hebben zich immers steeds op het standpunt gesteld dat onrechtmatig is gehandeld door deel te nemen aan de onrechtmatige daad van Roka c.s. en Magnichem en dat Roka c.s. bewust met elkaar samenwerkten. Deze stellingen zijn voldoende om hoofdelijke aansprakelijkheid van Roka c.s. toe te wijzen.

4.36.

De klachten falen.

4.37.

Ik merk allereerst op dat Silife c.s., anders dan zij betogen, niet (uitdrukkelijk) hebben gesteld dat Roka c.s. bewust met elkaar samenwerkten (randnummer 4.34. hiervoor). Dat is echter niet doorslaggevend, want bewuste samenwerking is voor hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 6:102 BW geen vereiste.81 Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schade wordt echter over het algemeen wél verworpen, wanneer de verschillende gebeurtenissen of enkele daarvan slechts additioneel tot de schade hebben bijgedragen, in die zin dat als men een gebeurtenis wegdenkt er óók schade zou zijn ontstaan, maar minder.82 In mijn ogen is hier sprake van een dergelijke situatie. Als bijvoorbeeld de onrechtmatige gedragingen van [eiser 2] worden weggedacht, die als adviseur van Roka de totstandkoming van de RokaLicentieovereenkomst heeft bevorderd (rov. 5.35., in cassatie onbestreden), was de Roka-Licentieovereenkomst waarschijnlijk alsnog tot stand gekomen, maar dan zonder betrokkenheid van [eiser 2] (als adviseur en indirect aandeelhouder en bestuurder van SI Tech). Mogelijk was de Roka-Licentieovereenkomst dan minder snel tot stand gekomen, maar er zou alsnog schade bij Silife c.s. zijn veroorzaakt. Hetzelfde geldt voor [eiser 4] . Mogelijk was de Roka-Licentieovereenkomst ook zonder zijn betrokkenheid tot stand gekomen, maar de schade zou waarschijnlijk minder zijn geweest omdat Roka en de SI-Vennootschappen zonder [eiser 4] (en Magnichem) minder gemakkelijk toegang tot de Indiase markt zouden hebben gehad. Gelet hierop is het wat mij betreft zeer de vraag of de verschillende gebeurtenissen, waarvoor Roka c.s. jegens Silife c.s. aansprakelijk zijn, elk condicio sine qua non zijn voor het intreden van de gehele schade.

4.38.

Aangezien Silife c.s. niet (uitdrukkelijk) hebben gesteld dat en toegelicht waarom – ondanks het voorgaande – aan de vereisten voor hoofdelijke aansprakelijkheid is voldaan en Roka c.s. op hun beurt wel uitdrukkelijk hebben betwist dat aan deze vereisten is voldaan,83 acht ik het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Silife c.s. geen gronden heeft gesteld op grond waarvan de veroordeling tot vergoeding van de door Silife c.s. geleden schade hoofdelijk zou moeten worden uitgesproken.

4.39.

Silife c.s. klagen in randnummer 2.4.4 van hun verweerschrift dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het heeft geoordeeld dat het gaat om verschillende maten van schuld bij de veroordeelden. Voor hoofdelijkheid maakt het immers niet uit dat de ene dader meer schuld heeft dan de ander.

4.40.

De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat het hof de gevorderde hoofdelijkheid heeft afgewezen omdat sprake zou zijn van verschillende maten van schuld bij Roka c.s.

Onderdeel 2.6 – voortbouwklacht

4.41.

Silife c.s. betogen dat het slagen van één of meer van de klachten in de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 tot gevolg heeft dat ook de rov. 5.68., 5.69. en 5.70. en het dictum geen stand kunnen houden.

4.42.

Omdat de klachten in de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 niet opgaan, faalt ook deze voortbouwklacht.

Slotsom van de beoordeling van het incidentele cassatieberoep

4.43.

De slotsom van de beoordeling van het incidentele cassatieberoep luidt dat geen van de klachten tot cassatie leidt.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principale en het incidentele cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feitenweergave is ontleend aan de in cassatie niet bestreden rov. 2.1.-2.33. van het bestreden arrest, hof Den Haag 28 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1005.

2 Productie 27 bij de dagvaarding.

3 Artikel 5.2 van de Participatieovereenkomst (productie 27 bij de dagvaarding).

4 Artikelen 5.4 en 6.1 van de Participatieovereenkomst (productie 27 bij de dagvaarding).

5 Productie 1 bij de dagvaarding.

6 Productie 24 bij de conclusie van antwoord van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en de SI-Vennootschappen.

7 Productie 48 bij de dagvaarding.

8 Pagina 10 van productie 44 bij de dagvaarding.

9 DTN Noordwijk houdt zich bezig met het ontwikkelen, beheren, exploiteren en uitgeven van franchise-formules; het verkrijgen, beheren en exploiteren van rechten van intellectuele en industriële eigendom. Dit blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel, overgelegd als productie 4 bij de conclusie van antwoord van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en de SI-Vennootschappen.

10 Productie 39 bij de dagvaarding.

11 De notulen van de bijzondere vergadering van aandeelhouders van Silife Ltd. van 18 februari 2013 zijn overgelegd als productie 6 bij de dagvaarding.

12 Blijkens (het organogram dat is bijgevoegd bij) de Participatieovereenkomst (productie 27 bij de dagvaarding) zijn Barbertje en Lisida bestuurders en aandeelhouders van Honestone Ltd.

13 Productie 21 bij de conclusie van antwoord van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en de SI-Vennootschappen.

14 Productie 41 bij de dagvaarding.

15 Productie 16 bij de conclusie van antwoord van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en de SI-Vennootschappen.

16 Productie 9A bij de dagvaarding.

17 Productie 19 bij de conclusie van antwoord van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en de SI-Vennootschappen.

18 Productie 19 bij de conclusie van antwoord van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en de SI-Vennootschappen. De antwoorden van [betrokkene 1] op de vragen van [eiser 2] heb ik ten behoeve van de leesbaarheid, anders dan in het origineel, cursief en met extra witruimte weergegeven.

19 Productie 10 bij de dagvaarding.

20 Productie 11 bij de dagvaarding.

21 Productie 16, bijlage 3, bij de dagvaarding.

22 Productie 12 bij de dagvaarding.

23 De notulen van de aandeelhoudersvergadering van Liquistone van 11 april 2013 zijn overgelegd als productie 14 bij de dagvaarding.

24 Productie 16, bijlage 1, bij de dagvaarding.

25 Productie 16 bij de dagvaarding.

26 Productie 34 bij de dagvaarding.

27 De akte van oprichting is overgelegd als productie 43 bij de dagvaarding.

28 Rov. 2.8., tweede deel, van het bestreden arrest.

29 Rov. 2.6. van het bestreden arrest.

30 Rov. 2.4., laatste zin, van het bestreden arrest.

31 Productie 8 bij de conclusie van antwoord van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en de SI-Vennootschappen.

32 Vzr. rb. Midden-Nederland 3 juli 2013, zaak-/rolnummer: C/16/344157 / GK ZA 13-352 (niet gepubliceerd), overgelegd als productie 28 bij de conclusie van antwoord van Roka, [eiser 2] , [eiser 3] en de SIVennootschappen. De voorzieningenrechter heeft van de in totaal veertien vorderingen alleen de derde vordering – een verbod om commerciële informatie aan derden te verstrekken, op straffe van een dwangsom – gedeeltelijk toegewezen.

33 Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2016, zaaknummer 200.131.493 (niet gepubliceerd). In eerste aanleg ten behoeve van de mondelinge behandeling door Silife c.s. en ABP overgelegd als productie 53.

34 Rb. Midden-Nederland 22 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2203. In hoger beroep overgelegd als productie R bij de akte overlegging producties van 26 september 2019 van Silife c.s. en ABP.

35 Randnummers 10., 20., 21., 22., 25. en 28. van de conclusie van repliek.

36 Rb. Den Haag 7 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2158.

37 Hof Den Haag 28 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1005 (het bestreden arrest).

38 Ik merk op dat het hof in rov. 5.46. heeft geoordeeld dat [eiser 4] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Silife c.s., terwijl het hof in het dictum van het bestreden arrest voor recht heeft verklaard dat [eiser 4] onrechtmatig heeft gehandeld jegens ‘slechts’ Silife India en Silife Ltd. Omdat Silife c.s. hiertegen in cassatie geen klacht hebben gericht, laat ik deze (schijnbare) ongerijmdheid verder buiten beschouwing.

39 HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6997, NJ 2011/257 ([…] / […]), rov. 3.6.1. Zie ook T&C Burgerlijk Wetboek, art. 6:267 BW (actueel tot en met 15 februari 2021), aant. 2a (M.M. Olthof), GS Verbintenissenrecht, art. 6:265 BW (actueel tot en met 25 augustus 2020), aant. 5 (W.H. van Boom) en Verbintenissenrecht Algemeen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 234 (G.T. de Jong).

40 Zie bijvoorbeeld HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1083, NJ 2007/203 m.nt. M.R. Mok (Noordnederlands Effektenkantoor/Mourik), rov. 3.3 en ook HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3668, NJ 2007/587 en JBPR 2008/901 m.nt. H.W. Wiersma, rov. 3.4.3.

41 T&C Burgerlijk Wetboek, art. 6:265 BW (actueel tot en met 15 februari 2021), aant. 2b (M.M. Olthof), GS Verbintenissenrecht, art. 6:265 BW (actueel tot en met 25 augustus 2020), aant. 5 (W.H. van Boom) en E.J. Bellaart, commentaar op art. 6:265 BW, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.), Stelplicht & Bewijslast, Deventer: Wolters Kluwer 2017.

42 E.J. Bellaart, commentaar op art. 6:265 BW, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.), Stelplicht & Bewijslast, Deventer: Wolters Kluwer 2017.

43 Klacht IIb bevat geen klacht (zie pagina 24 van de procesinleiding), maar een geciteerde rechtsoverweging (rov. 5.16.) ter inleiding op de klachten IIc, IId en IIe.

44 Randnummer 4.59. van de procesinleiding.

45 Randnummer 4.60. van de procesinleiding.

46 Het hof noemt de procedure tussen Silife c.s. en [betrokkene 1] (en Lisida) slechts kort in rov. 5.14., bij de beoordeling of sprake is van ontbinding of opzegging van de Silife-Licentieovereenkomst. Die (rechts)overweging is in cassatie niet bestreden en in het kader van deze klacht ook niet relevant.

47 Productie 1 bij de dagvaarding.

48 Het hof verwijst hier in een voetnoot naar: HR 26 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1084; HR 08 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1913.

49 Het hof verwijst hier in voetnoot naar: HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:740 (Joba/ […] ), r.o. 3.4.

50 Randnummers 4.38. tot en met 4.47. van de procesinleiding.

51 HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:740, NJ 2014/194, JOR 2014/189 m.nt. M. Malycha en JIN 2014/92 m.nt. P.C.M. Kemp (Joba/ […]), rov. 3.4.

52 Zie in deze zin ook de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:PHR:2014:217) voor het Joba/ […]-arrest, randnummer 4.3: “In de rechtspraak is enige steun te vinden voor de stelling dat het aankomt op de wetenschap ten tijde van de obligatoire overeenkomst. Of het hier, zoals Brunner lijkt te menen, gaat om een wet van Meden en Perzen, is voor mij minder vanzelfsprekend. Onder bijzondere omstandigheden, met name bij een heel beperkt belang van [de] profiterende partij en een kenbaar heel groot belang van de potentiële benadeelde of bereidheid van deze laatste om het te missen voordeel bij de profiterende partij te vergoeden, zou ik me kunnen voorstellen dat na de obligatoire overeenkomst maar vóór de juridische levering opgekomen wetenschap ertoe zou kunnen doen.”

53 Klacht IVb ontbreekt (zie pagina 36 van de procesinleiding).

54 In de procesinleiding wordt deze klacht als “Klacht Vc” aangeduid (pagina 40 van de procesinleiding). Omdat er al een klacht Vc bestaat (pagina 39 van de procesinleiding) heb ik deze klacht met Vd aangeduid.

55 Pagina 9 van het proces-verbaal van de pleidooizitting van 26 september 2019.

56 Randnummer 6., laatste zin, van de conclusie van repliek.

57 Ik verwijs in dit kader ook naar randnummer 20. van de conclusie van repliek, waar Roka c.s. een deel van het (niet gepubliceerde) arrest van 6 oktober 2020 van het hof Arnhem-Leeuwarden citeren: “Omdat Lisida en [betrokkene 1] op het moment van ontvangst van deze e-mail [de e-mail van 6 maart 2013, A-G] al ontslagen waren als bestuurders van Silife Ltd., hadden zij deze e-mail aan het nieuwe bestuur moeten doorsturen. In plaats daarvan heeft Lisida c.s. de e-mail voor zichzelf behouden en is zij, zonder de bestuurders en aandeelhouders van Silife Ltd. en Liquistone te informeren of te raadplegen, zelf in gesprek gegaan met [eiser 2] en Roka.”

58 Het kopje “Onderdeel VIII” ontbreekt in de procesinleiding (zie pagina 53), maar heb ik ten behoeve van de overzichtelijkheid in deze conclusie toegevoegd.

59 Ik merk op dat [betrokkene 1] in deze redenering indirect 21,25% van de aandelen in het kapitaal van Silife BV bezat (50% van 42,5%) en niet 21,5%.

60 Randnummer 74. van de memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis van Silife c.s. en ABP. Zie ook randnummer 2.34 van de schriftelijke toelichting van Silife c.s.

61 Het kopje “Onderdeel IX” ontbreekt in de procesinleiding (zie pagina 55, daar staat wel “Klacht IX”). Ik heb het kopje ten behoeve van de overzichtelijkheid in deze conclusie toegevoegd.

62 Het kopje “Onderdeel X” ontbreekt in de procesinleiding (zie pagina 56, daar staat wel “Klacht X”). Ik heb het kopje ten behoeve van de overzichtelijkheid in deze conclusie toegevoegd.

63 De procesinleiding bevat tweemaal een “Klacht XII”. De ‘eerste’ Klacht XII (op pagina 60 van de procesinleiding) lijkt echter (een onderdeel van) Klacht X te zijn, omdat die klacht (net als Klacht X) opkomt tegen het oordeel van het hof in rov. 5.37. tot en met 5.41. Ik beoordeel de ‘eerste’ Klacht XII derhalve als onderdeel van Klacht X. Dit komt ook overeen met de nummering in de procesinleiding, die immers na de ‘eerste’ Klacht XII (in wezen dus Klacht X), doorgaat met Klacht XI en vervolgens (de echte) Klacht XII.

64 Randnummers 4.91.-4.97. van de procesinleiding.

65 Het kopje “Onderdeel XI” ontbreekt in de procesinleiding (zie pagina 61, daar staat wel “Klacht XI”). Ik heb het kopje ten behoeve van de overzichtelijkheid in deze conclusie toegevoegd.

66 Roka c.s. erkennen in randnummer 33. van de conclusie van repliek dat dit de juiste norm is.

67 Het kopje “Onderdeel XII” ontbreekt in de procesinleiding (zie pagina 61, daar staat wel “Klacht XII”). Ik heb het kopje ten behoeve van de overzichtelijkheid in deze conclusie toegevoegd.

68 Zie onder meer randnummer 4.30. van de procesinleiding.

69 Het hof verwijst hier in voetnoot naar: HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419 (r.o. 3.3 (c), laatste volzin).

70 Het hof verwijst hier in voetnoot naar: HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR1994:ZC1563 (Poot/ABP).

71 Randnummer 2.2.2 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep (pagina 9, bovenaan).

72 Zie bijvoorbeeld W.D.H. Asser, Civiele cassatie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2018, p. 50 en 51.

73 Silife c.s. onderkennen dit ook in randnummer 2.2.3 (pagina 10) van hun verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep: “Nu Magnichem in cassatie niet langer partij is gaan Silife c.s. daar verder niet op in.

74 Randnummer 2.3.1 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep (pagina 11).

75 Zie in dit verband bijvoorbeeld HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8089, NJ 2005/160 m.nt. M.M. Mendel (London Verzekeringen), rov. 3.7. Zie ook Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 219 en Sdu Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 166 Rv (bijgewerkt tot 12 februari 2020), aant. 3.2.1 (J.M.I. Vink & R.H. de Bock).

76 In het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep wordt dit onderdeel met randnummer 2.4 aangeduid (pagina 12), maar dat betreft een dubbeltelling, omdat het onderdeel ervoor óók met randnummer 2.4 wordt aangeduid. Daarom ga ik ervan uit dat dit onderdeel 2.5 betreft en onderdeel 2.5 (op pagina 16 van het verweerschrift) in werkelijkheid onderdeel 2.6 is.

77 Zie onder meer Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 127 en GS Onrechtmatige daad, art. 6:166 BW (actueel tot en met 12 maart 2020), aant. 4.1 (R.J.B. Boonekamp).

78 Zie onder meer Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 127 en GS Onrechtmatige daad, art. 6:166 BW (actueel tot en met 12 maart 2020), aant. 4.1 (R.J.B. Boonekamp).

79 R.J.B. Boonekamp, commentaar op art. 6:166 BW, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.), Stelplicht & Bewijslast, Deventer: Wolters Kluwer 2017.

80 Randnummer 5.76. van de memorie van antwoord van Roka c.s., de SI-Vennootschappen en Magnichem.

81 GS Schadevergoeding, art. 6:102 BW (actueel tot en met 23 maart 2020), aant. 1.6.1 en 1.6.2.7 (R.J.B. Boonekamp) en W.H. van Boom, Hoofdelijke verbintenissen, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 24.

82 Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 95 en GS Schadevergoeding, art. 6:102 BW (actueel tot en met 23 maart 2020), aant. 1.6.2.3 (R.J.B. Boonekamp).

83 Randnummer 5.76. van de memorie van antwoord van Roka c.s., de SI-Vennootschappen en Magnichem en randnummer 1.44. van de pleitaantekeningen van 26 september 2019 van mr. D.J.M. Lange en J.H. den Hoed (namens Roka c.s., de SI-Vennootschappen en Magnichem).